De wet van het geloof.

Romeinen 3:21-31

21 Maar nu is Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, zichtbaar geworden buiten de wet om: 22 God schenkt vrijspraak op grond van geloof in Jezus Christus, aan allen die geloven. En er is geen onderscheid. 23 Want iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God, 24 en iedereen wordt uit genade rechtvaardig verklaard, om niet, dankzij de verlossing door Christus Jezus. 25-26 Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee toont God zijn gerechtigheid, want in zijn verdraagzaamheid gaat Hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan, om nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid te bewijzen: Hij laat zien dat Hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft. 27 Kan iemand zich dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. Door welke wet? De wet die naleving eist? Nee, door de wet van het geloof. 28 Ik heb u er immers op gewezen dat een mens door geloof wordt vrijgesproken, en niet door de wet na te leven. 29 Is God soms alleen de God van de Joden en niet ook van de andere volken? Zeker ook van de andere volken, 30 want er is maar één God, en Hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof rechtvaardig verklaren. 31 Stellen wij door het geloof de wet buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de wet juist. (NBV21)

Zo af en toe kom je in de brieven van Paulus van die ingewikkelde theologische teksten tegen. Je snapt er bijna niks van. Dat komt omdat Paulus vaak in zijn brieven in discussie ging met verschillende opvattingen. Je had de opvattingen van Romeinse en Griekse filosofen en je had de opvattingen van de verschillende Joodse stromingen. De meesten van ons hebben daarvoor niet doorgeleerd en dan blijven die stukken van Paulus eigenlijk gesloten. Toch zijn ze niet minder belangrijk. Ook in onze tijd zijn er van die stromingen die mensen geluk beloven als ze hun methode maar volgen. Zo is er een filosofie, een geheim zeggen ze zelf, dat mensen wijs maakt dat als ze sterk ergens aan denken het zal gebeuren ook. Als je nu je denken maar sterk genoeg maakt dan zal je alles lukken. Het is bijna zoals Paulus zegt, als je maar genoeg gelooft dan krijg je het vanzelf voor elkaar. Maar Paulus zegt nu juist dat je niet in jezelf hoeft te geloven. Je hoeft de kracht niet in jezelf te zoeken.

Geloof nu maar dat het aan Jezus van Nazareth is gelukt om het zelfs door de dood heen vol te houden dan krijg je vanzelf de moed om er weer opnieuw mee te beginnen. Juist omdat het Jezus van Nazareth is gelukt hoeven wij het niet op ons eentje te doen maar mogen we het samen opnieuw en opnieuw proberen. Die gedachten fantasie van die nieuwe stroming zal je daarom op de duur alleen maar teleurstellen. De Weg van Jezus van Nazareth gaat inmiddels al eeuwen en eeuwen door en heel langzaam dringt over de hele aarde tot alle mensen door dat ze samen voor elkaar in moeten staan en alles voor elkaar over moeten hebben. Telkens weer gaat dat mis en telkens weer worden er talrijke mensen het slachtoffer van dat mislukken en telkens weer mogen we er weer opnieuw mee beginnen om te ontdekken dat elkaar helpen, dat houden van je naaste als van jezelf, echt helpt om de grootste problemen te overwinnen.

Alleen maar gericht zijn op het krijgen wat je hebben wilt is dan eigenlijk maar een armzalig bezig zijn. Je bent toch immers veel rijker als iedereen het leven krijgt. Het najagen van bezit en geluk is najagen van lucht en leegte staat ergens anders geschreven. Als je zo de stukken van Paulus leest worden ze ineens een stuk helderder. We hoeven zelfs niet eens zo goed als Jezus van Nazareth te worden. Hem navolgen in het zien van de minsten onder ons is al genoeg. We hoeven er zelfs niet voor op onze borst te kloppen. Het kost niks om een ander mens recht te doen, daar hoeven we niet trots op te zijn of ons op te laten voorstaan. We krijgen er ook niks voor terug. Of we minder of meer voor anderen zorgen maakt bij het einde van de geschiedenis niet uit. God heeft ons evengoed lief. Alleen als we leven ten kosten van anderen hebben we het goede al gehad en valt er dus niks te wensen over. We hoeven alleen maar blij te zijn dat het lukt samen te leven en dat maakt ons rijk genoeg, oneindig rijk aan geluk namelijk.

Angst voor God

Romeinen 3:9-20

9 Wat betekent dit alles? Zijn wij nu in het voordeel? In het geheel niet, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn. 10 Zo staat er ook geschreven: ‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één, 11 er is geen mens verstandig, er is geen mens die God zoekt. 12 Allen zijn afgedwaald, allen ontaard. Er is geen mens die het goede doet, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, hun tong is bedrieglijk, achter hun lippen schuilt het gif van een adder, 14 hun mond is vol vervloeking en venijn. 15 Ze haasten zich om bloed te vergieten, 16 verwoesting en rampspoed vergezellen hen. 17 De weg van de vrede kennen ze niet, 18 angst voor God is hun vreemd.’ 19 Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt, spreekt tot degenen die onder de wet staan. En zo wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20 Daarom geldt geen mens voor Hem als rechtvaardig door de wet na te leven, want juist de wet leert ons de zonde kennen. (NBV21)

Paulus lijkt aardig te kunnen doordraven. Er is geen mens die nog het goede doet beweert hij, helemaal niemand. Hij noemt de keel van de mensen een open graf, ze hebben een bedrieglijke tong en achter hun lippen schuilt het gif van een adder. Het is maar goed dat hij ook zichzelf daarin betrekt want zo zout hadden we het nog niet gegeten. Schrijft Paulus nu onzin? Dat ook weer niet, hij pepert de betweters in wat we eigenlijk al lang weten. Dat wat Paulus hier schrijft moeten we allereerst plaatsen in de strijd tussen de Judeeërs uit de gemeente en de Heidenen uit de gemeente. Veel Judeeërs beweerden dat je alleen behouden kon worden als je ook Judeeër werd, als je je dus liet besnijden en de strenge spijswetten ging houden. Paulus bestrijdt die opvatting. Juist als je Judeeër bent en opgevoed bent in de opvatting dat je de Thora van Mozes naar de letter moet houden loop je de kans in strijd te komen met de Thora. Volgens de Thora is het overtreden van de kleinste leefregel al overtreden van de hele Thora, dus het risico is groot.

Bovendien, wie weet wat overtreden is. De Rabbijnen hadden vastgesteld dat er voor elke wet wel 70 manieren waren om de Thora uit te leggen en al die manieren waren waar. Dus het nakomen van de Thora werd wel een heel moeilijke zaak en zo bezien was er niemand onschuldig. Aan de andere kant konden ook de Heidenen die de Weg van Jezus van Nazareth wilden gaan zich er niet mee af maken dat ze door van hun naaste te houden als van henzelf behouden zouden worden. Ze maakten zich van tijd tot tijd evengoed kwaad, ze zagen best wel eens iemand over het hoofd, ze deden echt niet aan iedereen recht, ze moesten toch ook vele malen per dag opnieuw beginnen met het houden van de naaste. Daarom stelt Paulus hier dat noch Judeeërs noch Heidenen zich er op kunnen beroepen God aan hun zijde te hebben. Maar als de hele wereld schuldig voor God staat moeten we er dan maar mee op houden? Moeten we erkennen dat ook de weg van de liefde doodloopt? Moeten we aannemen dat dat meetrekken van God met mensen die de armen willen bevrijden geen zin heeft, eigenlijk ook niet waar is?

In dit stuk van Paulus staat maar de ene kant. We lezen steeds maar van die kleine stukjes om ons bewust te maken van het hele verhaal. Dit stuk van het verhaal heeft twee boodschappen. Ten eerste de boodschap dat je je niet kunt beroepen op je kennis van de Bijbel. Hoeveel teksten je ook kunt citeren, het maakt je geen beter mens, hoeveel psalmen je ook kunt zingen, het maakt je er niet minder schuldig om in de ogen van God. Ten tweede dat je je ook niet kunt beroepen op je ijveren voor de armen en ontrechten in de wereld. Hoe hard je ook werkt voor Amnesty International of in de Fair Trade winkel, er zijn altijd mensen die je over het hoofd ziet. Er zijn altijd verkeerde politieke opvattingen waar je maar niet tegen in gaat. Iedereen moet elke dag weer vele malen opnieuw beginnen. Het mooie is dat het mag, dat je steeds opnieuw op weg mag gaan, en steeds weer meer mensen mag meenemen, ook vandaag weer. En het allermooiste is dat ondanks ons struikelen en stamelen die nieuwe wereld er zal komen, dat er een tijd komt dat er geen honger is, geen onderdrukking en oorlog, dat het overal vrede is. Ondanks ons mensen komt het, wij mogen er aan meewerken, nu al.

 

Ieder mens is onbetrouwbaar

Romeinen 3:1-8

1 Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? 2 Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. 3 Maar wat als sommigen van hen ontrouw zijn geworden? Maakt hun ontrouw dan een einde aan Gods trouw? 4 Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, zoals ook geschreven staat: ‘Als U spreekt blijkt uw rechtvaardigheid, U overwint in elk geschil.’ 5 Maar wanneer het onrecht dat wij doen laat zien dat God rechtvaardig is, is het dan niet zo-ik redeneer nu zoals mensen dat doen-dat God onrechtvaardig is wanneer Hij ons toch nog veroordeelt? 6 Dat in geen geval. Hoe kan God anders rechter van de wereld zijn? 7 Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld? 8 Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen. (NBV21)

En als je dan steeds opnieuw mag beginnen, zoals we hier vrijwel elke dag schrijven, kun je er dan niet beter mee ophouden? Waarom je er vandaag druk om maken, om je naaste, als je dat morgen ook nog kan doen? Waarom het zorgen voor de naaste niet aan God overlaten, God is de zijnen toch trouw? Wij gaan toch steeds de fout in? Waarom dan je nog inspannen? Het zijn ook de vragen die Paulus naar zijn hoofd geslingerd krijgt. Hij krijgt ze van twee kanten. De Joden verwijten hem te weinig aan de Wet van Mozes vast te houden en de Heidenen verwijten hem steeds maar met die Joodse Wet aan te komen. Maar het antwoord is duidelijk. We hebben het over de Thora die ooit in de woestijn aan de Joden is gegeven met als hart van de Thora het heb je naaste lief als jezelf. Wie aan de vervulling van de Thora mee gaat doen hoort er bij en wie die als wet voorschrijft of naast zich neerlegt hoort er niet bij. De genade van God is dat je er bij mag horen en je steeds weer opnieuw kunt aansluiten.

Maar dat betekent niet dat je met dat aansluiten kunt wachten tot het jou uitkomt? Niemand weet wat er morgen komt, ja niemand weet dag of uur van sterven. En sterven is het uiterste. Op tal van plaatsen in de Bijbel wordt er op gewezen dat je naaste liefhebben ook kan betekenen dat je een naaste hebt die jou liefheeft op het moment dat je het het meeste nodig hebt. Als het in het leven tegenzit, als je ziek bent. Dan kunnen mensen die jij tot hun recht hebt laten komen er ineens onverwacht voor jou zijn. Je hoeft het niet te verwachten, je kunt er niet op rekenen maar soms heel onverwacht ervaar je hulp en steun waar je nu net niet op gerekend had. Daarom kun je ook niet meer zonder. Als je eenmaal de onbaatzuchtige liefde voor je naaste in jezelf hebt ontdekt, als je eenmaal de honger en dorst naar gerechtigheid hebt gevoeld dan weet je dat je zonder die liefde niet meer kunt.

Dan weet je ook dat je die honger niet meer kunt stillen en die dorst niet meer kan lessen door er maar op los te eten en te drinken. Zoals het meest losbandige carnaval in het teken staat van de vastentijd en daar onlosmakelijk mee verbonden is, is het leven van een gelovige in de Weg van Jezus van Nazareth onlosmakelijk verbonden met het delen van alles in het leven met de mensen die dat nu juist nodig hebben. Als je gericht bent op het goede en niets dan het goede dan komt het kwade niet eens meer bij je op. Pas als je terugkijkt op je handelingen dat merk je dat je weer mensen over het hoofd hebt gezien, dat je ondoordacht iemand gekwetst hebt misschien. Dan kun je niet rusten voordat je het goed hebt gemaakt, dan valt er niet te slapen voordat je het onrecht hebt hersteld. Het kwade doen in plaats van het goede is dan helemaal niet aan de orde, maar zelf weten we dat we evengoed te vaak onbetrouwbaar zijn. Juist omdat het ons om het goede gaat.

 

 

Door uw toedoen

Romeinen 2:17-29

17 En u die uzelf een Jood noemt, op de wet vertrouwt en u op God laat voorstaan; 18 u die zijn wil kent en weet te onderscheiden waar het op aankomt, omdat u wordt onderwezen door de wet; 19 u die ervan overtuigd bent dat u zelf een gids van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, 20 een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt- 21 u die anderen onderwijst, onderwijst u uzelf eigenlijk wel? U verkondigt dat men niet stelen mag, maar steelt u niet zelf? 22 U zegt dat men geen overspel mag plegen, maar pleegt u zelf geen overspel? U verafschuwt afgodsbeelden, maar pleegt u zelf geen heiligschennis? 23 U laat u voorstaan op de wet, maar onteert God door de wet te overtreden, 24 want er staat geschreven: ‘Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.’ 25 Dat u besneden bent strekt u weliswaar tot voordeel wanneer u de wet naleeft, maar wanneer u de wet overtreedt bent u toch in wezen onbesneden. 26 En wanneer iemand die niet besneden is de voorschriften van de wet in acht neemt, zal hij dan door God niet als besneden worden beschouwd? 27 Wie onbesneden is gebleven maar zich aan de wet houdt, zal een oordeel vellen over u die, ook al hebt u de wet op schrift en bent u besneden, de wet overtreedt. 28 Jood is men niet door uiterlijkheden, en het gaat ook niet om de uiterlijke, lichamelijke besnijdenis; 29 Jood zijn is iets innerlijks en de besnijdenis is die van het hart. Het is het werk van de Geest, niet van een geschreven regel. En de lof die men ermee oogst, komt niet van mensen maar van God. (NBV21)

Je hebt ze ook tegenwoordig nog wel. De fatsoensrakkers die van alles over anderen te vertellen hebben en dat dan zogenaamd op grond van hun Christelijk geloof doen. Maar ondertussen werken ze er aan mee dat kinderen worden opgesloten in gevangenissen, alleen omdat hun ouders het land moeten verlaten. Accepteren ze de onrechtvaardige tolmuren, praten ze bombardementen op dorpen in Syrië en Irak goed en blijven ze bevriend met de regeringen die de doodstraf toepassen en daarmee hun eigen burgers vermoorden. In de dagen van Paulus was er een dergelijke strijd tussen Joden en Heidenen die allebei de weg van Jezus van Nazareth wilden gaan. Die Joden waren van huis uit opgevoed om de Wetten van Mozes tot op de letter vast te houden alsof het geen richtlijnen waren maar Romeinse Wetten. De Heidenen konden niet uit de voeten met die wetten van Mozes. Paulus had al vanaf het begin van zijn bekering door gehad dat het niet ging om die dorre regeltjes maar om het houden van je naaste als van jezelf.

Die regel konden Joden en Heidenen samen houden, daarin konden ze samen sterk zijn en in het houden van die regel konden ze samen iets van het Koninkrijk van God laten zien. Al het gebazel van mensen die het allemaal zo goed meenden te weten voor een ander werd door Paulus krachtig verworpen. Want ook al doe je je voor als uiterst fatsoenlijk, je kunt het nooit helemaal honderd procent goed doen. En dat hoeft ook niet. Paulus heeft het wel eens over groeien in geloof, iedere keer als je je weer bewust wordt hoe je iemand te kort doet, of hoe je iemand echt zou kunnen helpen, doe je een stap vooruit. Iedere keer als je je bewust wordt dat je weer gefaald hebt mag je opnieuw beginnen en ook dat besef van falen helpt je om te groeien in geloof. Daardoor groeit het vertrouwen dat het goed komt met de mensen. Niet door ze te veroordelen en te hoop te lopen tegen van alles dat je verkeerd vindt. Niet beginnen met het vragen van een verbod op het gedrag van de ander maar beginnen bij je eigen gedrag.

Steek je hand uit naar de ander en probeer het goede te doen en niet dan het goede.  Laten we onszelf onderwijzen en daarmee laten zien wat de Weg van Jezus van Nazareth is. Groeien gaat niet vanzelf, groeien gaat gepaard met groeipijn, soms met groeistuipen. Je moet er de juiste zaken voor weten te eten, elke dag weer, voor groei in geloof is het lezen van de verhalen uit de Bijbel en het samen er over praten zeer belangrijk, maar vooral het doen, het houden van je naaste als van jezelf, de hongerigen voeden, de naakte kleden. De tegenstelling tussen Wet en richtlijn wordt door Paulus verduidelijkt aan de hand van de besnijdenis. Je kunt besneden zijn en dan hoor je bij het volk van Israël. Maar als je vervolgens gaan roven en moorden en andere mensen leed aan doet dan is er geen verschil met een onbesnedene. Als je niet besneden bent dan ben je een Heiden, maar als je vervolgens de hongerigen te eten geeft en de dorstigen te drinken, als je mensen tot hun recht laat komen, dan verschil je niet van een volgeling van de Leer van Mozes, dan doe je wat Christus heeft onderwezen.  Dat doen kan elke morgen weer opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

 

Iedere ziekte en elke kwaal

Matteüs 4:12-25

12 Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week Hij uit naar Galilea. 13 Hij keerde niet terug naar Nazaret, maar ging in Kafarnaüm wonen, aan het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: 15 ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan het meer en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: 16 Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ 17 Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei Hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’18 Toen Hij langs het meer liep, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19 Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg Mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20 Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem. 21 Even verderop zag Hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22 en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden Hem. 23 Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk. 24 Het nieuws over Hem verspreidde zich in heel Syrië. Allen die ergens aan leden en gekweld werden door een ziekte of door pijn, en ook bezetenen en maanzieken en verlamden, werden bij Hem gebracht en Hij genas hen. 25 En grote groepen mensen volgden Hem, uit Galilea en de Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en uit het gebied aan de overkant van de Jordaan. (NBV21)

Je moet maar durven. Een gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de richtlijnen van de God van Israël te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen. Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Al in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied het Galilea van de heidenen, van hen die de goddelijke richtlijnen niet kennen. In de dagen van Jezus van Nazareth had Koning Herodes hier niets te vertellen, het gebied viel direct onder Romeins bestuur.

Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren. Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen.

In een oorlog vallen er slachtoffers en misschien moeten we zelfs blij zijn dat de oorlog nog niet zo onpersoonlijk is geworden dat de soldaten buiten schot blijven. Nederlandse soldaten kwamen om samen met Afghaanse soldaten, vrouwen, kinderen, ouderen en jongeren en ook samen met Talibanstrijders. Gewonden blijven achter. Onze gewonden worden gerevalideerd en krijgen nieuwe kansen, maar hoe zit het met Afghaanse gewonden? Er zijn in Nederlandse ziekenhuizen of revalidatiecentra nog geen Afghanen gerevalideerd. Nederlandse militaire artsen deden voor de burgerbevolking wat ze konden maar een transport naar Nederland voor de zwaarst getroffen slachtoffers was er niet bij. We zeggen wel dat we volken willen helpen maar kennelijk blijven we onszelf belangrijker vinden dan onze broeders en zusters in landen waar de bevolking op de vlucht is voor oorlog en geweld. Zelfs hun kinderen laten we letterlijk in de kou staan. Pas als we tot inkeer zijn gekomen en iedereen mee willen laten delen in dat Koninkrijk dat nabij is zal dat Koninkrijk ook komen.

Er staat geschreven

Matteüs 4:1-11

1 Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger. 3 Toen kwam de beproever naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’ 4 Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op het hoogste punt van de tempel 6 en zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om U op hun handen te dragen, zodat U uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7 Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8 De duivel nam Hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9 en zei: ‘Dit alles zal ik U geven als U zich voor mij neerwerpt en mij aanbidt.’ 10 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’ 11 Daarna liet de duivel Hem met rust, en meteen kwamen er engelen om Hem te dienen. (NBV21)

We geloven niet in de duivel. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien. Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen. Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Deuteronomium , een van de boeken van de leer van Mozes, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus. Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs.

De duivel nam Jezus mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de leer van Mozes en antwoordt weer met een citaat uit het boek Deuteronomium: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de leer van Mozes, zoals verwoord in het boek Deuteronomium waarmee Matteüs aantoont hoe trouw die Jezus wel niet was, er is maar één God. Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreekt. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen.

En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten. Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het zijn de politieke spelletjes die mensen van de politiek vervreemden, het zijn de verborgen machtspelletjes in bedrijven die de exorbitante zelfverrijkers tot miljonairs maken, het zijn de machinaties in kerkelijke organisaties die mensen de kerken uitdrijven of slachtoffers maken van gewetenloze oplichters in sektes. Drie keer is er een antwoord van Jezus waar we ook vandaag nog wat mee kunnen. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog.

 

Een stem roept in de woestijn

Matteüs 3:1-17

1 In die tijd trad Johannes de Doper op in de woestijn van Judea. Hij verkondigde: 2 ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ 3 Dit was de man over wie de profeet Jesaja sprak toen hij zei: ‘Een stem roept in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden.”’ 4 Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing. 5 Uit Jeruzalem, uit heel Judea en uit de omgeving van de Jordaan stroomden de mensen toe 6 en ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, waarbij ze hun zonden beleden. 7 Toen hij zag dat veel farizeeën en sadduceeën op zijn doop afkwamen, zei hij tegen hen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je het komende oordeel kunt ontlopen? 8 Breng liever vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn. 9 En denk niet dat je bij jezelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 10 De bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 11 Ik doop jullie met water als teken van jullie inkeer, maar na mij komt iemand die machtiger is dan ik; ik ben het zelfs niet waard om zijn sandalen voor Hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 12 Hij houdt de wan in zijn hand, Hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.’ 13 Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. 14 Johannes probeerde Hem tegen te houden met de woorden: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden, en dan komt U naar mij?’ 15 Maar Jezus antwoordde: ‘Toch moet je het doen, want zo dienen wij de gerechtigheid geheel en al tot vervulling te brengen.’ Toen deed Johannes het. 16 Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor Hem en zag Hij hoe de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde. 17 En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’

Na de kruisiging van Jezus van Nazareth en de avonturen die ze beleefd hadden met de Opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest noemden de volgelingen van Jezus zich “Mensen van de Weg”. Dat ze Christenen genoemd zouden worden kwam pas veel en veel later in het verhaal. Jezus van Nazareth had zichzelf de Weg genoemd. De Weg naar de betere wereld die vanouds was beloofd. Het beloofde land, overvloeiende van melk en honing, waar het volk Israël een blijvende vrede zou vinden en waar alle volken zich naar toe zouden wenden om te delen in die vrede. Het verhaal van die Weg begint in het boek van Matteüs aan de Jordaan. Daar, waar het volk Israël uit de Woestijn was gekomen om dat beloofde land binnen te trekken, had Johannes een plaats gevonden om ze op te roepen de Weg klaar te maken door de paden recht te maken.

Die oproep was een citaat uit het boek van de profeet Jesaja. In dat boek staat de richtlijn van de Liefde centraal, het delen en houden van je naaste als van jezelf. Dat was de grondregel die het volk ooit in de woestijn had ontdekt als het diepste beginsel van religie. Pas als je zo onvoorwaardelijk op elkaar kunt vertrouwen overleef je de tocht door de woestijn, dat maakt je tot een Goddelijk volk. Johannes roept dus op om voortaan volgens die richtlijn te gaan leven, je door God op pad te laten sturen. Er waren in de tijd van Johannes veel van die profeten die de mensen opriepen om terug te keren naar de bronnen van het volk Israel. Het volk leefde onder een drukkende bezetting. Overal op aarde waren de Romeinen de baas en de Romeinse Keizers werden vereerd als goden. Verschillende soorten verzet werd er gepreekt. Er waren mensen die geweld predikten, rond het jaar 70 zou dat leiden tot een gewapende opstand. Maar ook in de vier verhalen over Jezus van Nazareth die je in de Bijbel tegenkomt staan berichten over opstandjes en daden van geweld.

Er waren ook mensen die zich van de wereld afzonderden en in de woestijn gesloten gemeenschappen hadden gesticht, we kennen daar nu nog de Essenen van, hun gemeenschappen zijn bij opgravingen blootgelegd. Ook de Dode Zee rollen zijn van een dergelijke gemeenschap, de grote opstand van het jaar 70 maakte dat hun geschriften werden verstopt in grotten. Johannes volgde een andere weg. Als iedereen ging leven volgens de regel van heb je naaste lief als jezelf dan verandert de wereld vanzelf. Hij sloot daarbij aan bij de profeten van Israël, Jeremia bijvoorbeeld, die al hadden betoogd dat gewapend verzet tegen wereldmachten niet zoveel zin had en dat afzondering ook niet kon omdat uiteindelijk alle volken zich naar Jeruzalem zouden moeten keren. Als teken van vernieuwing gebruikte Johannes de doop in de Jordaan, door de Jordaan bereik je dat nieuwe beloofde land. Je spoelt het oude leven, het woestijnleven, af en je gaat het leven van vrede en overvloed binnen.  Maar het was geen mode, geen hype waar je uit fatsoen niet omheen zou kunnen. De mensen van het uiterlijk vertoon waren daarom niet welkom. De mensen die compromissen hadden gesloten met de bezetter om hun eigen belang veilig te stellen hoorden er niet bij. Van dat nieuwe leven, van de inzet voor de minsten, moet wat te zien zijn. Vrucht moet het nieuwe leven dragen, vruchten die je zelf voortbrengt. Om die vruchten gaat het ook vandaag nog. En die vruchten kunnen we voortbrengen, vanaf vandaag als we dat willen.

 

Leen mij uw oor

Numeri 23:13-26

13 ‘Komt u mee naar een andere plek van waar u hen kunt zien,’ zei Balak, ‘niet het hele volk, maar wel een deel ervan. Spreek vanaf daar voor mij een vloek over hen uit.’ 14 En hij nam hem mee naar de top van de Pisga, in de Sofimvlakte, bouwde zeven altaren en offerde op elk ervan een stier en een ram. 15 Bileam zei tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers, ik zal daarginds wachten tot de HEER naar mij toe komt.’ 16 De HEER kwam bij Bileam, Hij droeg hem op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. 17 Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. ‘Wat heeft de HEER gezegd?’ vroeg Balak. 18 Daarop hief Bileam deze orakelspreuk aan: ‘Let goed op, Balak, en luister, zoon van Sippor, leen mij uw oor. 19 God is geen mens, dat Hij zijn woord zou breken of terug zou komen op zijn besluit. Zou Hij beloven en niet vervullen, zijn woord geven en het niet gestand doen? 20 Hij droeg mij op te zegenen. Hij heeft gezegend-kan ik dat keren? 21 Voor Jakob laat zich geen onheil schouwen, voor Israël laat zich geen rampspoed zien. De HEER, hun God, is in hun midden, gejubel klinkt op rond hun koning. 22 God, die hen uit Egypte leidde, is voor hen als de hoorns van een wilde stier. 23 Een bezwering schaadt Jakob niet, waarzeggerij doet Israël geen kwaad. Voortaan zegt men van Jakob, van Israël: Wat bracht God niet voor hen tot stand! 24 Zie, een volk richt zich op als een leeuw. Vol majesteit verheft het zich. Het rust pas als het zijn prooi heeft verslonden en het bloed van zijn buit heeft gedronken.’ 25 Balak zei tegen Bileam: ‘Als u dan blijft weigeren hen te vervloeken, zegen hen dan tenminste niet.’ 26 Bileam antwoordde hem: ‘Ik heb u toch gezegd dat ik alleen doe wat de HEER mij opdraagt?’ (NBV21)

Als de Oekraïne valt volgen de Baltische staten. De noodzaak om er Westerse soldaten heen te sturen wordt dus steeds dringender. Ook Balak maakt het zicht op dat gevaarlijke volk Israël voor Bileam nog groter. De noodzaak om de God van Israël aan de kant van Balak te krijgen wordt dus ook steeds groter. Opnieuw worden er altaren opgericht, opnieuw worden er brandoffers gebracht, opnieuw de sterkste en meest vruchtbare dieren, daarmee moet de God toch gunstig te stemmen zijn. Niet alleen Balak staat er maar ook de andere Moabitische leiders. Maar heeft dat zin. Net zo goed is de vraag of al dat wapengekletter in de Baltische staten zin heeft. Balak en zijn Moabitische leiders hebben nog steeds de keus, vechten of delen. De vraag is of ook wij onze diplomatieke kanalen wel voldoende gebruiken om vrede te krijgen met de Russen. Met nadruk zet Bileam iedereen op zijn plaats. Balak brengt zijn offers, dus Balak moet maar bij zijn offers blijven en zien of die offers ook wat uitwerken.

Bileam zou met God moeten spreken. Dat kan dus alleen in afzondering. En dan nog moet Bileam, en dus Balak ook, maar afwachten of het die God behaagd naar hem toe te komen en met hem te praten. Nu kwam die God inderdaad en sprak met Bileam. Balak kon bijna niet wachten op de uitslag van het gesprek. Bileam moet eerst eens uitleggen wat die God van Israël eigenlijk voor een God is. Balak luister goed. De God van Israël is geen mens, mensen liegen, de God van Israël niet. Dat wat hij beloofd komt die God ook na, als die God zijn woord geeft dan kun je daar op vertrouwen. Een volk dat met zo’n God gaat kent geen onheil, kent geen rampspoed. In de loop van de geschiedenis zal Israël zich afwenden van die God en de ene ramp na de andere zal dat volk overkomen. Maar zo lang dat volk het met die God wil wagen houdt die God zich aan zijn belofte te zorgen voor dat volk. Als je dat volk te na komt dan wacht je het lot van de horens van een wilde stier, als zo’n stier je op de horens neemt ben je je leven niet zeker.

Toen het volk zich van God afkeerde ging het steeds meer vertrouwen op waarzeggers, ingewanden lezers, voorspellers op grond van de vlucht van de vogels. Wij weten uit allerlei onderzoek dat steeds minder mensen zich religieus vinden. Tegelijk zien we de kaartlezers, de sterrenwichelaars, de mediums toenemen. Steeds meer mensen pretenderen gaven te hebben om mensen te vertellen wat hun voorouders of gestorven geliefden vinden en wat hun toekomst zou zijn. Het verlaten van religie wordt gemotiveerd met het verlaten van het geloof in sprookjes. Bileam maakt duidelijk dat het geen sprookjes zijn waar het volk in geloofd, maar het volk vertrouwt op een God die hen beschermt. Dat het vertrouwen niet vergeefs is blijkt uit de bevrijding uit de slavernij. Misschien moeten ook wij wat vaker vertrouwen op een God die wil dat we niet doden, in plaats van machtigen en leugenaars achter aan te lopen.

 

Vanaf de top van de rotsen

Numeri 22:41–23:12

41 De volgende morgen nam Balak Bileam mee naar Bamot-Baäl, een hooggelegen plaats, van waar hij een klein deel van de Israëlieten kon zien. 1 Bileam droeg Balak op om daar zeven altaren te bouwen, en zeven stieren en zeven rammen gereed te maken voor een offer. 2 Balak deed wat Bileam had gezegd. Samen met Bileam offerde hij op elk altaar een stier en een ram. 3 Daarna zei Bileam tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers wachten, terwijl ik wat verderop ga. Misschien dat de HEER naar mij toe wil komen. Wat Hij me laat zien zal ik u meedelen.’ Hij ging een kale heuvel op, 4 waar God bij hem kwam. ‘Ik heb zeven altaren laten oprichten,’ zei Bileam, ‘en op elk altaar heb ik een stier en een ram laten offeren.’ 5 De HEER droeg Bileam op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. 6 Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. 7 Bileam hief een orakelspreuk aan en zei: ‘Balak liet mij uit Aram komen, uit het bergland in het oosten riep Moabs koning mij. “Kom Jakob voor mij vervloeken, kom Israël verwensen!” 8 Hoe kan ik vervloeken wie door God niet is vervloekt? Hoe kan ik verwensen wie door de HEER niet is verwenst? 9 Ik zie hen vanaf de top van de rotsen, ik neem hen waar vanaf de heuvels, een volk dat afgezonderd leeft, zich niet verbindt met andere naties. 10 Het volk van Jakob is als stof: wie kan het tellen? Een vierde deel van Israël: wie stelt het vast? Moge ik sterven als die rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij.’ 11 Balak zei tegen Bileam: ‘Wat hebt u nu gedaan! Ik heb u hierheen laten halen om mijn vijanden te vervloeken, en nu zegent u ze.’ 12 Bileam antwoordde: ‘Ik zeg niets anders dan wat de HEER mij in de mond legt.’ (NBV21)

Door de eeuwen heen hebben Koningen en andere machthebbers altijd geprobeerd de religie voor hun karretje te spannen. Als je nu maar kon laten zien dat de God van je keuze aan jouw kant stond dan werd je gezag gemakkelijker aanvaard en je macht vergroot. Zelfs van onze Koning staat op alle stukken dat hij Koning is bij de gratie Gods. Nu kun je de overtuiging van het Nederlandse volk dat Nederland een monarchie moet zijn wel als genade van God aanmerken maar die overtuiging kan natuurlijk ook veranderen, zonder dat je overigens dan moet zeggen dat het volk de wil van God heeft verlaten. Het is helemaal de vraag of de monarchie als wens van het volk wel echt de wil is van de God van Israël. In de Bijbel wil de God van Israël zelf steeds de koning zijn en wil hij dat de wetten van een volk afgestemd zijn op zijn Wet van heb uw naaste lief als uzelf.

Barak, de koning van de Moabieten komt er in het verhaal van vandaag ook achter. Hij wil zo graag dat namens zijn God het volk Israël wordt vervloekt. Barak had Bileam meegenomen naar een heiligdom voor zijn god Baäl. Een vruchtbaarheidsgod aan wie vruchtbare dieren als stieren en rammen werden geofferd. Maar Bileam had een ontmoeting gehad met de God van Israël en met een boodschapper van de God van Israël. En een God waarvan je kunt dromen en die boodschappers op je weg kan sturen om je tegen te houden kun je niet zomaar negeren. Die God moet je te vriend houden en dat gaat in veel godsdiensten nu eenmaal samen met offeren. Daarom zeven altaren, zeven was toch het symbolisch getal van de God van Israël? En dan komt de vervloeking. Je kunt alleen vervloeken wie door God vervloekt is en je kunt alleen verwensen wie door God verwenst is.

Het klinkt als het kinderversje op het schoolplein, schelden doet geen zeer, schoppen en slaan des te meer. Vervloeken en verwensen heeft dus nooit zin. Het lijkt in onze dagen of we dat helemaal kwijt zijn in de samenleving. Er wordt gemakkelijk gescholden en het tuig dat je hindert wordt naar een tuigdorp verwenst. Niet dat het helpt want hoe meer en hoe harder we op elkaar schelden hoe meer geweld er los komt in de samenleving waar we samen alleen maar meer last van hebben. Vruchtbaar is het al helemaal niet. In het Nieuwe Testament wordt de gelovigen aangeraden om ergernissen met elkaar eerst eens uit te praten, zorg dat verhoudingen beter worden in plaats van slechter. En Barak en Bileam leren ons vandaag dat het ook in de politiek nog wel eens de beste weg zou kunnen zijn. De Weg van de God van Israël, die zijn kinderen niet zomaar laat vervloeken.

 

Erken de HEER

Psalm 96

1 Zing voor de HEER een nieuw lied, zing voor de HEER, heel de aarde. 2 Zing voor de HEER, prijs zijn naam, verkondig van dag tot dag dat Hij ons redt. 3 Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden. 4 Groot is de HEER, Hem komt alle lof toe, geducht is Hij, meer dan alle goden. 5 De goden van de volken zijn minder dan niets, maar de HEER: Hij heeft de hemel gemaakt! 6 Glans en glorie gaan voor Hem uit, macht en luister vullen zijn heiligdom. 7 Erken de HEER, stammen en volken, erken de HEER, zijn majesteit en macht, 8 erken de HEER, de majesteit van zijn naam, draag geschenken zijn voorhoven binnen. 9 Buig u voor de HEER in zijn heilige glorie, huiver, heel de aarde, wanneer Hij verschijnt. 10 Zeg aan de volken: ‘De HEER is koning. Vast staat de wereld, zij wankelt niet. Hij oordeelt de volken naar recht en wet.’ 11 Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen, de zee bruisen, met alles wat daar leeft. 12 Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit, laten alle bomen jubelen 13 voor de HEER, want Hij is in aantocht, in aantocht is Hij als rechter van de aarde. Rechtvaardig zal Hij de wereld berechten, eerlijk oordelen over de volken. (NBV21)

De almachtige God, schepper van hemel en aarde doet het tegenwoordig niet meer zo goed. En dat zal dit jaar waarschijnlijk ook niet veranderen. Als je God almachtig noemt dan rijst direct de vraag waarom die zo machtige God al dat leed en ellende toelaat. Die vraag is met name opgekomen na de Tweede Wereldoorlog toen het langzaam doordrong dat er 6 miljoen Joden vermoord waren. En daarnaast Zigeuners, Jehova’s Getuigen, Vrijmetselaars, Homoseksuelen en politieke tegenstanders van de Nazi’s. Die Joden hoorden toch tot het door God uitverkoren volk? In de geschiedenis van de Kerk was er wel gesproken over straf die Joden verdiend zouden hebben voor de kruisiging van Jezus van Nazareth, maar de moord op 6 miljoen Joden, jongeren, ouderen, mannen, vrouwen, kinderen, zieken en gezonden, stond in geen verhouding met de Lijdende Knecht des Heren die volgens diezelfde christelijke kerkgeschiedenis ook de zonden van de Joden op zich had genomen.

Toch zingen we vandaag met de kerk mee een psalm waarin God als de Heer van hemel en aarde wordt bezongen. Hoe zit dat dan? De sleutel zit misschien in het noemen van de goden van alle volken. Het bestaan van andere goden wordt in de Bijbel vaak niet ontkend. Maar de God van Israël is altijd machtiger, de goden van de volken zijn minder dan niets. Die God die kan wat. Maar kennelijk toch niet de Holocaust tegenhouden, of de Tsunami, die van de kerst nog wel, of oorlogen zoals die in Gaza of Oecraïne. Holocaust, Tsunami en oorlogen zijn twee heel verschillende verschijnselen. Bij de Holocaust ging het om een plan van mensen. Mensen die dat plan ten uitvoer lieten brengen en mensen die zich tot die uitvoering lieten leiden. Maar ook mensen die zich tegen die uitvoering verzetten en mensen die zich niet tegen die uitvoering hebben verzet. Nog steeds worden in Israël de rechtvaardigen uit de volken herdacht en nieuwe rechtvaardigen uit de volken genoemd. Rechtvaardigen uit de volken zijn die mensen die met inzet en gevaar voor eigen leven Joodse levens hebben gered van de Holocaust.

Bij de Tsunami ging het om een van de natuurrampen die nu eenmaal voor komen, maar waardoor we geroepen worden tot hulp. Ook oorlogen worden door mensen bedacht en gevoerd. Als we in deze Psalm lezen dat God de volken zal oordelen dan betekent dat dus dat van alle volken geweten zal worden of die wilden delen met de minsten in de wereld, met de hongerigen, de naakten, de zieken, de slachtoffers van oorlog en geweld. En hoorde een volk bij oorlogshitsers of de vredestichters. Ieder volk mag zich afvragen hoe dat oordeel zal uitvallen. Van individuele mensen wordt gevraagd dat ze doen wat ze kunnen en dat ze daar telkens weer opnieuw mee mogen beginnen. Een volk dat het houden van je naaste als van jezelf tot norm en regel heeft verheven is daar natuurlijk een steun bij en een lichtend voorbeeld voor andere volken. Het zou natuurlijk fantastisch zijn als de volken van de wereld de handen in elkaar zouden slaan en de armoede de wereld uit zouden helpen en wapens zoude afschaffen. We leven in een tijd dat de volken besloten hebben de armoede te halveren. Dat is één stap, laten wij werken aan de volgende stap, zingend van deze psalm. Want in ons Europa gaan we bovenmatig herbewapenen. Een nieuw jaar om te werken aan Gods Koninkrijk, veel heil en zegen, dat hebben we nodig.