Aan eenvoudige mensen onthuld

Lucas 10:1-16

1 Daarna stelde de Heer tweeënzeventig anderen aan, die hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar hij van plan was heen te gaan. 2 Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen. 3 Ga op weg, en bedenk wel: ik zend jullie als lammeren onder de wolven. 4 Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand. 5 Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” 6 Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. 7 Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere. 8 En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, 9 genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt.” 10 Maar als jullie een stad binnengaan waar je niet welkom bent, trek dan door de straten en zeg: 11 “Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen we van ons af als aanklacht tegen u; maar bedenk wel: het koninkrijk van God is nabij!” 12 Ik zeg jullie: het lot van Sodom zal op die dag draaglijker zijn dan het lot van die stad. 13 Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn. 14 Wanneer het oordeel komt, zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan dat van jullie. 15 En jij, Kafarnaüm, je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepst van het dodenrijk zul je afdalen! 16 Wie naar jullie luistert, luistert naar mij, en wie jullie afwijst, wijst mij af. En wie mij afwijst, wijst hem af die mij gezonden heeft.’ (NBV)

In het Evangelie van Lucas wordt herhaaldelijk geciteerd uit de Hebreeuwse Bijbel, in de Christenheid bekend als het Oude Testament. Nu kent ook de schrijver van dit Evangelie kennelijk niet de oorspronkelijk tekst, of hij maakt het de lezers gemakkelijk om zijn bedoeling te herkennen, want hij citeert voortdurend uit een Griekse vertaling, de zogenaamde Septuagint. Volgens de overlevering was deze vertaling gemaakt door 72 geleerden in 72 dagen. Dat getal vinden we in dit verhaal terug. De 72 volgelingen van Jezus van Nazareth gingen er niet met het Nieuwe Testament op uit. Dat moest nog geschreven worden en het eind van de vier Evangeliën, de opstanding van Jezus uit de doden, had nog niet plaats gevonden. Voor Jezus van Nazareth zelf ging zijn Evangelie over de bevrijding van de armen, de genezing van de zieken, het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten en het bevrijden van gevangenen.

Met die boodschap, die je op bijna elke bladzijde van dat Oude Testament tegen kunt komen, gingen de 72 de wereld in. En niet met een waarschuwing voor individuele mensen die zich zouden moeten bekeren, maar voor steden en dorpen. Kennelijk moesten hele samenlevingen ingericht worden volgens het Evangelie van Jezus van Nazareth. Nu sluit het getal dat in dit verhaal wordt genoemd nog bij een ander verhaal uit het Oude Testament aan. In het verhaal over de uittocht uit Egypte, in het elfde hoofdstuk van het boek Numeri, wordt ook gesproken over 70 oudsten. Mozes besluit om zijn leiderschap gedeeltelijk te delen met deze oudsten. Het klagende volk, met onverzadigbare vreemdelingen bovendien, zou op die manier beter in de hand te houden zijn. Jezus van Nazareth deelt op bijna dezelfde manier zijn gezag met de volgelingen die hij er op uitstuurt.

Ze krijgen dan ook de verzekering dat ze net zo mogen optreden als hij, en dat wie naar hen luistert eigenlijk naar hem luistert. Daarmee is ook onze opdracht om te verkondigen bepaald. Het gaat niet om hogere tovenarij maar om bevrijding van de armen. De boodschap is niet dat je op de knieën moet om Jezus binnen te laten, maar dat je de handen uit de mouwen moet steken om de armen te bevrijden. En wie het niet wil horen die moet het zelf maar uitzoeken, daar schudden we de stof van onze voeten, we oordelen er niet over, we worden niet boos, wellicht is er een ander op een andere tijd die ze wel binnen laten maar we laten ons leiden door hen die ons willen horen. Want ook onze samenleving zal ingericht moeten worden op bescherming van de armsten in de wereld. Laten we daarom de onrechtvaardige tolmuren afbreken en het Koninkrijk binnen laten. Elke dag kunnen we er mee op pad, ook vandaag weer.

Waar is dan je God?’

Psalm 42

1Voor de koorleider. Een kunstig lied van de Korachieten. 2 Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar u, o God. 3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer mag ik nader komen en Gods gelaat aanschouwen? 4 Tranen zijn mijn brood, bij dag en bij nacht, want heel de dag hoor ik zeggen: ‘Waar is dan je God?’ 5 Weemoed vervult mijn ziel nu ik mij herinner hoe ik meeliep in een dichte stoet en optrok naar het huis van God-een feestende menigte, juichend en lovend. 6 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. 7 Mijn ziel is bedroefd, daarom denk ik aan u, hier in het land van de Jordaan, bij de Hermon, op de top van de Misar. 8 De roep van vloed naar vloed, de stem van uw waterstromen-al uw golven slaan zwaar over mij heen. 9 Overdag bewijst de HEER mij zijn liefde, ‘s nachts klinkt een lied in mij op,
een gebed tot de God van mijn leven. 10 Tot God, mijn rots, wil ik zeggen: ‘Waarom vergeet u mij, waarom ga ik gehuld in het zwart, door de vijand geplaagd?’ 11 Mij gaat door merg en been de hoon van mijn belagers, want ze zeggen heel de dag: ‘Waar is dan je God?’ 12 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. (NBV)

Hoeveel Nederlanders zullen deze Psalm in hun jeugd gezongen hebben? “t Hijgend hert, der jacht ontkomen…. ” zoals de berijming uit 1773 luidde heeft tot veel spot en lol geleid. Het “Evenals een moede hinde” zoals de berijming tegenwoordig luidt is misschien wat onbekender maar de Psalm is een van de meest populaire psalmen uit het Protestants psalmenboek gebleven. Maar waar kun je nu zo moe van worden? Waar zo droevig van? “Mijn ziel dorst naar God”, vertaalt de Naardense Bijbel. Die jacht uit die bekende psalmberijming komt in de Bijbel niet voor, maar wie wel eens een marathon heeft gezien, die zal gezien hebben hoe een atleet kan smachten naar een slok water. Zo kan het je ook te moede zijn als je de hele dag maar hoort vragen “Waar is je God? “, “we zien die God van jou niet!”, “die God is niet in de hemel en niet op de aarde!”.

En dat terwijl je het bestaan van die God toch had ervaren toen je samen met een heleboel anderen feest ging vieren in een kerk, of een bijeenkomst waar die God werd vereerd, of bij een feest voor bevrijding van de armen. Maar Jeruzalem is ver, de dichter loopt bij de rivier de Jordaan en bij de drie toppen van de berg Hermon in het Misargebergte. Daar waren heiligdommen voor afgoden, daar werd geofferd aan die afgoden. En ja, de afgodendienaars spotten graag met de God zonder beeld, de God zonder land, de God die met mensen meegaat, de God waarvan je zelfs moet zeggen dat die God niet bestaat. Die God is immers niet te vinden in de hemel noch op de aarde. Die God gebeurt tussen mensen. Die God is Liefde. De afgoden, aan wie veel wordt geofferd, hebben niets te bieden. De meest glanzende carrière kan geen liefde brengen. De goden van winst en profijt zoals wij die kennen brengen alleen afgunst en jaloezie voort. De God van de Liefde brengt vreugde.

Maar dan moet je je wel met de minsten willen bezighouden. Niet met de na strevers van succes, niet met de maatpakken en cocktailjurken, maar met de zwervers, de gebroken gezinnen met schulden, de vreemdelingen met hun vreemde geloof, de jongeren uit onze kolonies, de zieken en gehandicapten. En kun je dan nog zeggen dat je smacht naar het werk voor die minsten? Dat je net zo graag wil instaan voor je naaste als de atleet dorst heeft na de wedstrijd? Of als een hert dorst naar stromend fris water? Wat ziel is weten we weer dankzij de onderdrukten uit Amerika. “Soul” noemen ze het daar, het levensgevoel dat vreugde en verdriet weet uit te drukken in taal en muziek. Bij dat levensgevoel kan de honger en dorst naar gerechtigheid horen, de dorst naar God. Gelukkig kunnen we elk moment beginnen met het verlangen naar God, door ons te wenden tot de minsten binnen ons bereik.

Laat hen begaan

Handelingen 5:27-42

27 Ze namen de apostelen mee en leidden hen voor het Sanhedrin. De hogepriester begon het verhoor met de vraag: 28 ‘Hebben wij u niet nadrukkelijk verboden de naam van Jezus nog te gebruiken en onderricht over hem te geven? En toch verspreidt u uw leer in heel Jeruzalem en stelt u ons aansprakelijk voor de dood van deze man.’ 29 Petrus en de andere apostelen antwoordden: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. 30 De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u hem had vermoord door hem aan een kruishout te hangen. 31 God heeft hem een plaats gegeven aan zijn rechterhand, hem tot leidsman en redder verheven om de Israëlieten tot inkeer te brengen en hun zonden te vergeven. 32 Daarvan getuigen wij, en daarvan getuigt ook de heilige Geest, die God geschonken heeft aan wie hem gehoorzamen.’ 33 Toen de leden van het Sanhedrin dit hoorden, ontstaken ze in woede en wilden ze de apostelen ter dood brengen. 34 Maar toen stond een van hen op, een Farizeeër die Gamaliël heette en die als wetsleraar bij het hele volk in aanzien stond. Hij gaf opdracht de apostelen een ogenblik naar buiten te brengen 35 en zei vervolgens: Israëlieten, overweeg nog eens goed wat u van plan bent met deze mensen te doen. 36 Immers, enige tijd geleden wierp Teudas zich op als een man die het volk zou leiden, en ongeveer vierhonderd mensen sloten zich bij hem aan; hij werd gedood, zijn aanhang viel uiteen en verdween in het niets. 37 Na hem was er Judas de Galileeër, die ten tijde van de volkstelling met zijn volgelingen in opstand kwam; ook hij ging ten onder, en al zijn volgelingen werden uiteengedreven. 38 Daarom zeg ik u: houd u afzijdig van deze mensen en laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, 39 maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou weleens kunnen blijken dat u tegen God strijdt.’ De leden van het Sanhedrin stemden met hem in 40 en riepen de apostelen weer binnen. Ze lieten hen geselen, bevalen hun de naam van Jezus niet meer te gebruiken en lieten hen vrij. 41 De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezus. 42 Ze bleven dagelijks onderricht geven in de tempel of bij iemand thuis en gingen door met het verkondigen van het goede nieuws dat Jezus de messias is. (NBV)

Zo kort na het begin van onze jaartelling wemelde het in Israel van mensen die het volk beloofden te bevrijden van de heerschappij van de Romeinen. Uiteindelijk zou dat uitlopen op een massale gewapende opstand in het jaar 70 en de verwoesting van de Tempel. Schijnbaar was het verhaal van het volk Israel en die rare God zonder beeld daarmee uit en over. Het volk werd verspreid over de toen bekende wereld en de Tempel zou nooit meer opgebouwd worden. Christenen geloofden echter dat door Jezus van Nazareth het hele verhaal een totaal andere wending had gekregen. Door de dood heen bleef het hart van de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving: ” heb uw naaste lief als uzelf”, en daarmee het hart van de aanbidding van die God, bestaan. Heb je naaste lief als je zelf werd de centrale richtlijn voor Joden en Heidenen. En Joden en Heidenen samen vormden een nieuwe gemeenschap.

Onder de religieuze leiders van het volk Israel waren wijze mensen. Zij hadden het voortbestaan van hun geloof verzekerd door de stichting van de synagogen. Al die opstootjes, al die volksbewegingen deden het volk echter geen goed. Steeds weer opnieuw werden Romeinse soldaten naar opstandige provincies gestuurd en steeds weer moesten daar belastingen voor worden opgebracht. Daar werden de armen, net als nu, het eerst het slachtoffer van. Dat men daar een rem op wilde zetten was begrijpelijk. Maar als de beweging van die Jezusmensen nu eens een echte waarachtige nieuwe stroming van het oude geloof betekende? Dan zou het vergeefse moeite zijn die beweging uit te roeien. Gewapende opstand werd er in elk geval niet gepreekt. Alleen dat delen met elkaar en dat je van elkaar kon houden door de dood heen. Dat die Jezus van Nazareth dat had voorgedaan en dat iedereen voortdurend mee kon gaan doen.

Het zou de toekomst zijn of vanzelf verdwijnen. Als je dat achteraf leest is dat natuurlijk heel mooi. Wij weten, net als de eerste lezers van het boek Handelingen, dat het nooit is overgegaan. Daarmee wordt het bijna propaganda. Ook de tegenstanders van de beweging wilden het een kans geven. Vergeten wordt dat het niet de beweging is die uiteindelijk belangrijk bleek, maar het handelen van mensen. De Kerken zijn verdeeld in ontelbare splinters. Samen delen doet men symbolisch met brood en wijn. Maar telkens blijven er ook mensen opstaan die zich gaan inzetten voor medemensen in verdrukking. Hongerigen worden gevoed, zieken verzorgd, gevangenen bezocht. En overal klinkt en blijft klinken de roep om recht en gerechtigheid, de roep om vrede. Dat is de beweging van Jezus van Nazareth en wat men er van vindt is niet belangrijk, alleen dat je er aan mee mag doen, ook vandaag.

De zuilengang van Salomo

Handelingen 5:12-26

12 De apostelen verrichtten vele tekenen en wonderen onder het volk. De gelovigen kwamen eensgezind bijeen in de zuilengang van Salomo, 13 en ofschoon niemand zich daar bij hen durfde te voegen, sprak het volk vol lof over hen. 14 Steeds meer mensen gingen in de Heer geloven, een groot aantal mannen zowel als vrouwen, 15 en ze legden zelfs zieken op draagbedden of matrassen buiten op straat, in de hoop dat toch ten minste de schaduw van Petrus, wanneer hij voorbijkwam, op een van hen zou vallen. 16 Ook vanuit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe; ze brachten zieken mee en mensen die door onreine geesten gekweld werden, en allen werden genezen. 17 Daarop besloten de hogepriester en zijn medestanders, de Sadduceeën, in te grijpen. Vervuld van jaloezie als ze waren, 18 lieten ze de apostelen gevangennemen en opsluiten. 19 ‘s Nachts opende een engel van de Heer echter de deuren van de gevangenis, bracht hen naar buiten en zei: 20 ‘Ga naar de tempel en spreek daar tot het volk over alles wat dit nieuwe leven aangaat.’ 21 De apostelen gaven hieraan gehoor en gingen bij het aanbreken van de dag naar de tempel, waar ze hun onderricht voortzetten. Toen de hogepriester en de Sadduceeën gearriveerd waren, riepen ze het Sanhedrin bijeen, de hele raad van oudsten van de Israëlieten, en zonden ze tempelwachters naar de gevangenis om de apostelen te halen. 22 Maar toen de wachters daar kwamen, troffen ze hen er niet aan. Ze keerden terug om verslag uit te brengen 23 en zeiden: ‘De gevangenis was zorgvuldig afgesloten en de bewakers stonden bij de deuren, maar nadat we die geopend hadden, troffen we er niemand aan.’ 24 Toen het hoofd van de tempelwacht en de priesters dit hoorden, vroegen ze zich vertwijfeld af wat de gevolgen hiervan zouden zijn. 25 Kort daarop kwam iemand zeggen: ‘De mannen die u gevangen hebt gezet, zijn in de tempel en onderrichten het volk.’ 26 Daarop ging het hoofd van de tempelwacht hen met zijn wachters halen, maar zonder geweld te gebruiken, omdat ze bang waren dat het volk hen zou stenigen. (NBV)

Na koning David kwam Koning Salomo en die bouwde de Tempel en verving de Heilige Tent uit de woestijn door een stenen gebouw. Na Jezus van Nazareth kwam Petrus en kwamen de leerlingen, de zendelingen en de volgelingen van Jezus van Nazareth en het is daarom geen wonder dat de gelovigen uit Jeruzalem zich verzamelden in de zuilengang van Salomo, een belangrijk studiecentrum in het tempelcomplex. Het Koninkrijk van God was echt begonnen. Petrus en Johannes hadden ruzie gekregen met de leiders van de Tempel omdat ze de mensen voorhielden dat dat verhaal van Jezus van Nazareth doorging door de dood heen. Als iedereen dat zou gaan geloven kon het een ramp worden. De Romeinen bezetten nog steeds het land en eisten onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Een gewapende opstand tegen de Romeinen zou niet veel later dan ook op een ramp voor het land uitlopen en een definitieve verwoesting van de Tempel tot gevolg hebben.

De lezers van het boek Handelingen waren hier al wel van op de hoogte. De eerste gemeente leefde echter niet op de manier waarop men dat in de wereld gewoon is. Wapens kwamen er niet aan te pas. Ruzie over eigendom ook niet, ze deelden alles wat ze hadden zonder te letten op persoonlijk eigendom. Wie daaraan niet eerlijk wilde meedoen kon doodvallen. Gevangenis was ook niet beangstigend. Volgens het verhaal van vandaag liepen Petrus en Johannes er net zo hard weer uit als ze er waren ingestopt. Daar zou het overigens niet bij blijven want de eerste martelaar van de nieuwe beweging diende zich al vrij snel aan. Toch blijft de beweging van Christenen heel lang geweldloos. En geweldloosheid spreekt ons dezer dagen misschien wel extra aan door het geweld van eenzame mensen die zich willen wreken op mensen die hen eenzaam lieten worden. Of de eenlingen die door geweld de wereld naar hun hand willen zetten.

Wij vragen ons af waarom je zo vaak zo snel kunt beschikken over vuurwapens. In ons land is het bezit verboden en dat is misschien een rem, maar veel te vaak mag het bezit toch. En ook als het niet mag zijn die wapens er toch. Het geweld mag hier nergens. Samen zullen we moeten zoeken naar wegen om het geweld uit te bannen. Uitbannen van wapens is dan slechts een klein begin. Houden van mensen en zorgen dat iedereen ook echt mee doet en niemand wordt uitgesloten is het volgende. Dat waren de wonderen van Jezus van Nazareth en dat waren kennelijk ook de wonderen van zijn volgelingen. Laat dat ook onze wonderen zijn. Jongeren echt mee laten doen, ze hoop en toekomst geven, ook als ze vreemdelingen onder ons zijn, moet een opgave zijn die we met vreugde op ons kunnen nemen. Elke dag kunnen we er weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

Bij het horen van deze woorden

Handelingen 5:1-11

1 Een zekere Ananias verkocht samen met zijn vrouw Saffira eveneens een stuk grond, 2 maar hield een deel van de opbrengst achter-ook zijn vrouw wist daarvan-en bracht de rest van het geld naar de apostelen. 3 Maar Petrus zei: ‘Ananias, waarom heb je je door Satan laten misleiden en heb je de heilige Geest bedrogen door een deel van de opbrengst van het stuk grond achter te houden? 4 Je had het immers niet hoeven te verkopen, en nu je het wel verkocht hebt, had je met de opbrengst toch kunnen doen wat je wilde? Wat heeft je bezield om je zo te gedragen? Niet de mensen heb je bedrogen, maar God zelf.’ 5 Bij het horen van deze woorden viel Ananias neer en stierf, en iedereen wie dit ter ore kwam schrok hevig. 6 Enkele jongemannen wikkelden hem in een lijkwade, droegen hem naar buiten en begroeven hem. 7 Ongeveer drie uur later kwam zijn vrouw binnen, die niet wist wat er gebeurd was. 8 Petrus vroeg haar: ‘Zeg me, heb je het stuk grond voor dit bedrag verkocht?’ Ze antwoordde: ‘Ja, voor dit bedrag.’ 9 Daarop zei Petrus: ‘Hoe heb je durven besluiten om de Geest van de Heer te trotseren? Kijk, degenen die je man begraven hebben staan voor de deur, en ze zullen ook jou naar je graf dragen.’ 10 Onmiddellijk viel ze voor zijn voeten neer en stierf. Toen de jongemannen binnenkwamen, troffen ze haar dood aan. Ze droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man. 11 De hele gemeente en allen die hiervan hoorden, werden door grote schrik bevangen. (NBV)

Moeilijk verhaal vandaag. Mensen die zich schoorvoetend aansluiten bij de nieuwe beweging van de weg worden gedood. Wij zouden zeggen dat ze dood kunnen vallen, maar de Bijbel is duidelijker, ze vallen dood. Die gemeenschap waar een groot deel van de mensen naar de Tempel gaat om te bidden maar ook om hun overtuiging uit de dragen krijgt niet veel geld binnen. Dan worden er ook nog bedelaars van hun lot bevrijdt en opneemt in de gemeenschap zijn er steeds meer mensen die van die gemeenschap afhankelijk zijn. En de beweging is nu niet direct populair bij de machthebbers. Ze hebben immers niet zo lang geleden de stichter van de beweging een schandelijke slavendood laten sterven door hem aan het kruis te hangen.

Daarom moet je onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen. Mensen die er mee sjoemelen, die de gemeenschap toch niet helemaal vertrouwen of alleen uit zijn op aanzien kunnen doodvallen. Dat is dan ook de boodschap van dit verhaal. Dat onvoorwaardelijk delen met elkaar hebben de jonge christengemeenten dan ook maar heel kort kunnen volhouden. Zoals een dichter in de vorige eeuw zei staan er wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar dat je als christengemeenschap als het ware weer terugkeert naar de woestijn waar je onvoorwaardelijk op elkaar moet kunnen bouwen om te kunnen overleven wordt wel duidelijk. Zo was het volk Israel als volk begonnen, daar hadden ze die Wet van je naaste liefhebben als jezelf ontdekt. Uit dat volk kwam die zoon der vertroosting voort.

Die jonge christengemeenschappen hadden de cultus van die Wet omgevormd tot een Weg die iedereen op de hele aarde zou kunnen gaan. Een Weg die ook vandaag nog begaanbaar is. Een Weg waarop we de bedelaars langs de kant van de Weg weer zien zitten en de hand kunnen rijken. Een Weg waar we gemeenschappen kunnen vormen om samen sterk te staan voor de minsten op de aarde, samen schrijven met Amnesty International, samen rechtvaardige handelsverhoudingen scheppen met Fair Trade, samen werken in verzorgingshuizen, asielzoekerscentra of gevangenissen. Samen doen wat je kunt doen en elkaar daarin ondersteunen. Dat was de Weg die de Apostelen gingen na Pinksteren en waarin wij ze kunnen navolgen, ook vandaag.

Zoon van de vertroosting

Handelingen 4:32-37

32 De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. 33 De apostelen bleven met grote kracht getuigen van de opstanding van de Heer Jezus, en God begunstigde allen rijkelijk. 34 Niemand onder hen leed enig gebrek: wie een stuk grond of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen 35 en legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de gelovigen werd verdeeld. 36 Een van hen was Josef, een Leviet uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas had gekregen, wat in onze taal ‘zoon van de vertroosting’ betekent. 37 Hij bezat een akker, die hij verkocht, waarna hij het geld naar de apostelen bracht. (NBV)

Dat was een mooie bijnaam die Josef kreeg. Hij was zelf een Tempelbediende, een leviet, en kwam uit Cyprus. Uiteindelijk waren de Joden over heel het Romeinse Rijk verspreid geraakt. Deze Josef had nog een akker. Het hebben van een akker was een belangrijke zaak in Israel. Toen heel veel eeuwen eerder het land werd veroverd had Jozua het land verdeeld onder de families. Van die akkers zou je moeten kunnen leven. Als dat niet meer kon zou je je akker te gelde kunnen maken en zelf voor loon of voor voedsel gaan werken, slaaf worden dus, maar na 50 jaar zou de familie de akker weer terugkrijgen en opnieuw kunnen beginnen. Het was het soort ideaal waar de jonge Christengemeenschap zich graag aan spiegelde.

Levieten kregen echter niet een dergelijke akker. Zij moesten onafhankelijk recht kunnen spreken, Dat die Josef die akker ging verkopen en het geld aan de gemeenschap schonk was een teken dat ze eindelijk echt samen deden en zich juist daarom geen zorgen voor de toekomst hoefden te maken. Ze waren weer terug bij het vervullen van de Tora, de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving. Volgens de Hebreeuwse Bijbel is alles wat je hebt van God gekregen. Niets is daarom persoonlijk eigendom, alles is er om te delen. Jezus had dat zijn hele leven verkondigd. Zelfs je vijanden moet je liefhebben. Een gemeenschap waar een groot deel van de mensen naar de Tempel gaat om te bidden maar ook om hun overtuiging uit de dragen krijgt niet veel geld binnen.

Als je dan ook nog bedelaars van hun lot bevrijdt en opneemt in de gemeenschap zijn er steeds meer mensen die van die gemeenschap afhankelijk zijn. Als mensen hun bezit te gelde maken en alles met elkaar gaan delen dan wordt de gemeenschap steeds sterker. Het ideaal dat hier uit spreekt heeft niet echt lang stand gehouden. In de jaren 60 van de vorige eeuw waren er communes die het probeerden en bij de stichting van de staat Israël waren er kibboetsim die volgens die idealen probeerden te leven. Maar smaken verschillen en dus gaan mensen weer uiteen. Blijft het gegeven dat niet wat je hebt van jou is en dat je alles van God hebt gekregen om te delen. Daar kunnen we ook vandaag nog uit leven.

Die machtigen de moed beneemt

Psalm 76

1Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van Asaf, een lied. 2 Vermaard is God in Juda, groot is zijn naam in Israël. 3 In Salem sloeg hij zijn tent op, in Sion lag hij in hinderlaag. 4 Daar brak hij bogen en pijlen, schilden en zwaarden, oorlogstuig. sela 5 Hoe stralend bent u, hoe machtig, vanuit het gebergte loerend op prooi. 6 Dapperen werden beroofd, in slaap verzonken, geen held die zijn kracht nog hervond. 7 Al door uw dreigen, God van Jakob, bezweken ruiters en paarden. 8 Vreeswekkend bent u; wie kan uw toorn trotseren? 9 Vanuit de hemel klonk uw oordeel, de aarde vreesde en hield de adem in: 10 u, God, rees op om recht te spreken, te redden alle vernederden op aarde. sela 11 Wie in woede tegen u opstond, zal u loven, wie ontkwam aan uw woede, omgordt zich met gejuich. 12 Doe geloften aan de HEER, uw God, en los ze in. Allen rondom hem: breng gaven aan de Geduchte, 13 die machtigen de moed beneemt, koningen der aarde met vrees vervult. (NBV)

Vandaag zingen we een Psalm met de kerk mee die in de Joodse traditie een lied is geworden dat bij het Loofhuttenfeest hoort. Dit oogstfeest in het najaar herinnert de gelovigen er aan dat voordat er huizen waren het volk jarenlang door de woestijn heeft moeten trekken voordat het beloofde land kon worden binnengetreden. Er hoort dan ook niemand beter te zijn dan een ander. Maar als je vanuit je loofhut de stad bekijkt is het niet minder dan een wonder dat een klein volkje van zwervers door de woestijn dit allemaal bereikt heeft. Een schitterende stad met een prachtige Tempel waar een heerlijke godsdienst wordt beleden. Het kan niet anders dan de God van Israël heeft dit voor elkaar gemaakt en je zult er de God van Israël dankbaar voor moeten zijn. Dat het ook allemaal kan blijven bestaan en niet ingepikt wordt door al die zogenaamd zo machtige en belangrijke wereldrijken moet ook wel te danken zijn aan de God van Israël.

Toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald vroeg men zich af wanneer dit lied zou kunnen zijn ontstaan. Uiteindelijk is Jeruzalem, hier aangeduid als Salem en Sion, verschillende keren ingenomen en verwoest. Waarna het weer kon worden opgebouwd als het volk de afgodendienst had afgezworen en zich weer had geschaard onder de dienst aan de God van Israël. Men herinnerde zich toen het verhaal over de belegering van Jeruzalem door de Assyriërs, toen Hizkia koning van Israël was. Hizkia had alle altaren en tempels van de afgoden als Baäl en Astarte laten vernietigen in Juda. Toen de Assyriërs het beleg voor Jeruzalem hadden opgeslagen en riepen dat er geen God was geweest die hen hadden kunnen tegenhouden had Hizkia bevolen de poorten gesloten te houden en te vertrouwen op de God van Israël. In het grote en sterke leger van Assyrië was toen een epidemie uitgebroken en dat leger was op de vlucht geslagen achterna gezeten door het leger van koning Hizkia. Die verwijzing van de Griekse vertaling naar deze gebeurtenis is er dus achteraf bij gezet.

Het loflied op de prachtige stad is dus eigenlijk een tijdloos loflied. Van de Joden leren we dat het het beste gezongen kan worden vanuit het besef dat we ook allemaal in een tent als zwervers zouden kunnen wonen. Dan beseffen we pas dat ook onze steden en onze huizen een geschenk zijn van de God van Israël. Want die huizen en die steden blijven alleen leefbaar als daar liefde heerst. Als buren bereid zijn voor elkaar te zorgen en elkaar te beschermen tegen onrecht en kwaad. Als overheden toezicht houden op onderhoud en veiligheid omdat de zorg voor hun burgers bij hen voorop staat. En zoals Paulus ons heeft geleerd, daar waar liefde voor mensen is, is God zelf aan het werk. God zelf maakt ook uit wie hij voor zijn werk wil gebruiken. Wij mogen alleen dankbaar zijn en onze dankbaarheid tonen door oog te blijven hebben voor de minsten onder ons en ons in te zetten voor de minsten zodat Gods liefde ook door ons zichtbaar wordt voor de wereld. Dat zal ook de profiteurs en de oplichters afschrikken misbruik te maken van onze behoefte in steden te wonen en ons dagelijks naar ons werk te verplaatsen. Gelukkig mogen wij ons elke dag opnieuw bij die beweging van Gods liefde aansluiten ook vandaag weer.

De vossen hebben holen…..

Lucas 9:51-62

51Toen de tijd naderde dat Jezus van de aarde zou worden weggenomen, ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem. 52 Hij stuurde boden voor zich uit. In een Samaritaans dorp, waar ze kwamen om zijn komst voor te bereiden, 53 wilden de dorpelingen hem niet ontvangen, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was. 54 Toen de leerlingen Jakobus en Johannes merkten dat Jezus niet welkom was, vroegen ze: ‘Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?’55 Maar hij draaide zich naar hen om en wees hen streng terecht. 56 Ze gingen verder naar een ander dorp. 57 Terwijl ze hun weg vervolgden, zei iemand tegen hem: ‘Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.’ 58 Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ 59 Tegen een ander zei hij: ‘Volg mij!’ Maar deze zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ 60 Jezus zei tegen hem: ‘Laat de doden hun doden begraven, maar ga jij op weg om het koninkrijk van God te verkondigen.’ 61 Weer een ander zei: ‘Ik zal u volgen, Heer, maar sta me toe dat ik eerst afscheid neem van mijn huisgenoten.’ 62 Jezus zei tegen hem: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.’ (NBV)

Jezus van Nazareth gaat zijn weg naar het einde en het Evangelie van Lucas vertelt ons dat dat einde ligt in Jeruzalem. Daar was het verhaal ook begonnen. Aan het begin van het Evangelie van Lucas staat Zacharias, de priester zonder hoop en verwachting die met stomheid geslagen wordt als hij ontdekt dat de verwachting die hij en zijn vrouw altijd gehad hadden toch nog uit zal komen. Maar ook het einde van het verhaal ligt in Jeruzalem. In Jeruzalem immers is de Tempel waar de leer van Mozes wordt bewaard. De leer van heb je naaste lief als jezelf. Daarom wijst Jezus zijn volgelingen streng terecht als zij vuur willen laten neerdalen op een dorp dat hen niet wil ontvangen. Samaria had ooit een eigen tempel voor de God van Israël en de wrijving daarover was altijd gebleven. De Samaritanen hadden hun eigen heiligdom op de berg Gerizim.

Denk ook niet dat het om een handjevol rondtrekkende mannen gaat, het is een hele menigte die Jezus volgt op zijn weg. Maar Jezus van Nazareth waarschuwt de volgelingen, geen hol, geen nest, geen huis of plaats om te rusten heeft hij, ze moeten maar afwachten of er iemand is die ze een plaats in de samenleving gunt. Daarmee gaat hij de weg van de lijdenden waarover vertelt wordt. De weg van de zieken, de weduwen, de armen, de vluchtelingen, de tollenaars en de hoeren. Juist de mens die anderen een plek in de samenleving geeft heeft die plek zelf niet. Zonder omkijken gaat het op die weg voort. De doden kunnen hun doden begraven, afscheid nemen van huisgenoten is er niet bij, wie geen huis heeft kent ook geen huisgenoten. Op de weg van Jezus van Nazareth wordt de armen het aangename jaar van God verkondigd, krijgen de hongerigen eten, worden naakten gekleed, gevangenen bevrijd. Dat is het programma van het Koninkrijk van God.

Wie tot dat Koninkrijk wil behoren moet de weg gaan van de lijdenden, moet met andere woorden het kruis achter Jezus aan opnemen. Wie bij dat Koninkrijk wil horen keert zich af van de wereld waar het gaat om winst en profijt, om aanzien en pracht en praal. Dat Koninkrijk is voor de levenden, voor echte mensen zou Paulus later schrijven. De onechtheid, het klatergoud, de schijnvroomheid, verdwijnen in het licht van dat Koninkrijk. Evangelie betekent blijde boodschap en voor armen die worden bevrijdt van de armoede is het natuurlijk een blijde boodschap, maar ook voor al die mensen die de schijn moeten ophouden dat streven naar geluk ook streven naar materiële welvaart is. Streven naar geluk in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth is het geluk in de ogen van de naaste die weer op weg geholpen is, die weer mee mag doen. Kijk vandaag maar eens goed in de ogen van je naaste.

Wie de kleinste onder jullie allen is.

Lucas 9:43b-50

43bTerwijl iedereen nog onder de indruk was van zijn daden, zei Jezus tegen zijn leerlingen: 44 ‘Onthoud wat ik tegen jullie zeg: de Mensenzoon zal aan de mensen uitgeleverd worden.’ 45 Maar ze begrepen deze uitspraak niet; de betekenis bleef voor hen verborgen, en ze durfden hem niet naar de zin van die uitspraak te vragen. 46 Ze begonnen onderling te redetwisten over wie van hen de belangrijkste was. 47 Jezus merkte wat hen bezighield en hij nam een kind bij zich, dat hij naast zich neerzette. 48 Hij zei tegen hen: ‘Wie dit kind in mijn naam bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot.’ 49 Daarop zei Johannes: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.’ 50 Jezus zei tegen hem: ‘Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.’ (NBV)

Komende week is het feest in de Verenigde Staten van Amerika. Ze vieren daar de Onafhankelijkheidsdag. Parades, vuurwerk, muziek en een heleboel toespraken. In die toespraken zal veel aandacht worden besteed aan de onafhankelijkheidsverklaring, die benadrukt dat alle mensen gelijk zijn en dat alle mensen het recht hebben geluk en voorspoed na te streven. Over die gelijkheid gaat het ook vandaag in het stuk dat we uit het Evangelie van Lucas lezen. Alle mensen waren immers onder de indruk van wat Jezus van Nazareth had gedaan. De beweging die rondom die Jezus was ontstaan groeide en groeide. Jezus van Nazareth zelf relativeerde dat belang. Vandaag nog populair morgen in de gevangenis, zo was het Johannes vergaan zo zou het ook Jezus kunnen vergaan. Maar op het hoogtepunt van een beweging is het moeilijk voor te stellen dat er een eind aan komt, ja zelfs dat men er een afkeer van zou kunnen krijgen.

Jezus van Nazareth zet echter de beweging niet centraal en zeker ook zichzelf niet. Hij zet de zwakken centraal in de samenleving. Een kind wordt in dit verhaal als voorbeeld genomen. Als je voor een kind weet te gaan zorgen dan ben je pas belangrijk, wie zichzelf dienstbaar maakt, wie dus de kleinste is, is volgens Jezus van Nazareth pas groot. Daar kunnen ze in de Verenigde Staten van Amerika nog heel veel van leren. Iedereen is wel gelijk, maar het recht van ieder individu te streven naar geluk en voorspoed betekent ook dat iedereen dat mag doen ten koste van anderen. In onze samenleving ontbreekt het Samen Delen, maar er zijn nog sporen van in de wetgeving. In de Verenigde Staten van Amerika heeft het Samen Delen nooit echt wortel geschoten.

Het zogenaamd Christelijk karakter heeft dan ook een sterk buitenkant gehalte. Gevangenen worden niet bezocht, laat staan vrijgelaten, maar gedood, hongerigen worden niet gevoed en naakten niet gekleed, aan de armen wordt niet de bevrijding verkondigd die Jezus van Nazareth zo benadrukte in zijn optreden. Voor velen zijn de Verenigde Staten van Amerika een voorbeeld omdat ze in de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk door Japan gedwongen werden aan de goede kant mee te vechten. Daardoor werd de overwinning behaald door de democratische en communistische landen. Maar geen menselijke samenleving kan als voorbeeld dienen voor het Koninkrijk van God. Daar zullen alle tranen gewist zijn. Voor het zover is zullen wij ons dag in dag uit dienend moeten opstellen en ook anderen moeten oproepen daarin mee te gaan, ook onze Amerikaanse broeders en zusters.

Het waren Mozes en Elia

Lucas 9:28-43a

28 Ongeveer acht dagen nadat hij dit had gezegd ging hij met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden. 29 Terwijl hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit. 30 Opeens stonden er twee mannen met hem te praten: het waren Mozes en Elia, 31 die in hemelse luister verschenen waren. Ze spraken over het levenseinde dat hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen. 32 Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen; toen ze wakker schoten, zagen ze de luister die Jezus omgaf en de twee mannen die bij hem stonden. 33 Toen de mannen zich van hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia, ‘maar hij wist niet wat hij zei. 34 Terwijl hij nog aan het spreken was, kwam er een wolk aandrijven, die een schaduw over hen wierp; ze werden bang toen de wolk hen omhulde. 35 Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem!’ 36 Toen de stem verstomd was, was Jezus weer alleen. Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien. 37 Toen ze de volgende dag de berg afdaalden, kwam een grote menigte Jezus tegemoet. 38 Opeens begon een man in de menigte luid te roepen: ‘Meester, ik smeek u, help mijn zoon, want hij is mijn enige kind. 39 Telkens weer neemt een geest bezit van hem, en dan begint hij opeens te schreeuwen en krijgt hij stuiptrekkingen en komt het schuim hem op de lippen te staan. En de geest wil hem pas loslaten wanneer hij hem bont en blauw heeft geslagen. 40 Ik heb uw leerlingen gesmeekt om hem uit te drijven, maar dat konden ze niet.’ 41 Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik bij jullie blijven en jullie nog verdragen? Breng uw zoon hier.’ 42 Terwijl de jongen naar hem toe liep, gooide de demon hem op de grond en liet hem stuiptrekken. Maar Jezus sprak de onreine geest op strenge toon toe, genas de jongen en gaf hem terug aan zijn vader. 43 Allen waren met stomheid geslagen vanwege de grootheid van God. (NBV)

In het Evangelie van Lucas staan de Tora en de Profeten centraal. En het is geen wonder dat Mozes en Elia hier verschijnen want van hen werd geschreven dat ze opgenomen in de hemel waren. Dat verteld het Evangelie van Lucas en de Handelingen later ook over Jezus van Nazareth. In het verhaal over de uittocht uit Egypte zoals je dat in het boek Genesis kunt lezen is het de wolk die overdag het volk beschermd, in de nacht is het een vuurkolom. Uit de wolk komt nu de stem die oproept naar Jezus te luisteren. Hij zal kennelijk de Tora en de Profeten nieuw leven inblazen. Voor ons lijken die Tora en die Profeten soms van wat minder belang. Die staan immers in wat wij noemen het Oude Testament en wij leven immers onder het Nieuwe Testament. Maar dat is toch een misvatting. Juist het Evangelie van Lucas benadrukt het belang van die Tora en de Profeten, trouwens ook van de Geschriften, met name de Psalmen worden genoemd. Zonder de Tora en de Profeten geen Jezus van Nazareth, ofwel zonder het Oude Testament kan het Nieuwe Testament helemaal niet bestaan.

Het gaat in het verhaal van Jezus van Nazareth om het vervullen van de Tora, de Tora zoals die door de Profeten steeds opnieuw aan het volk is voorgehouden. Het zijn de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving ontdekt in de Woestijn, de Wet van delen en van je naaste liefhebben als jezelf. Steeds als we lazen in de boeken van de Profeten, komen we steeds weer de Tora tegen als de maat waarmee de daden van het volk worden gemeten. Hoe wordt omgegaan met de zwakken, met de weduwen en de wees. Hoe gaan de rijken om met hun landgenoten die hun akkers zijn kwijtgeraakt, voegen zij akker aan akker samen of delen zij en weten ze de slaven te bevrijden en weer opnieuw een volwaardige plaats in hun samenleving te geven? Die bevrijding staat in het Evangelie van Lucas centraal. Maar een ongelovig en dwars volk zijn we vaak. Bang voor geesten en demonen, bang voor tegenwerking en mislukking, bang voor ons eigen hachje. Is er een jongen die genezing behoeft, kennelijk van een epileptische aandoening, staan we met onze handen in het haar en raken we in paniek in plaats van die jongen een eigen plaats in onze samenleving te geven.

Het kwade te negeren en het goede te doen, daar komt het ook voor ons op aan. Als God liefde is dan komt de grootheid van de liefde juist tot uiting in het liefhebben van mensen. Als je werkelijk van mensen houdt dan gebeuren er dingen die je niet voor mogelijk had gehouden. Dat betekent niet dat je altijd liefjes moet zijn. Jezus spreekt het kwade in dit verhaal streng toe, dat wat kwaad is moet worden bestreden. Daar kun je natuurlijk wel weerstand van ondervinden. Mensen die uit gemakzucht of gewinzucht het kwaad bedrijven, groot of klein, zullen dat niet snel opgeven. Daar waar God vraagt het goede te doen voor de minsten onder ons blijven wij een dwars volk, ongelovig in de mogelijkheden die mensen geboden zijn en bang voor de gevolgen. Jezus roept ons op het anders te gaan doen, voor de grootheid van God. Dat mogen we elke dag opnieuw proberen, ook vandaag weer.