Welbespraakt en goedgebouwd

1 Samuël 16:14-23

14 De geest van de HEER had Saul verlaten; in plaats daarvan stuurde de HEER hem een kwade geest, die hem kwelde. 15 Zijn hovelingen zeiden tegen hem: ‘Het is duidelijk dat u door een kwade geest wordt gekweld. 16 U hebt maar te bevelen, heer, en uw dienaren staan klaar om iemand voor u te zoeken die lier kan spelen. Hij kan dan muziek voor u maken wanneer u door de kwade geest van God wordt bezocht; dat zal u goeddoen.’ 17 ‘Doe dat,’ zei Saul. ‘Zoek iemand voor me uit die goed kan spelen en laat hem bij me komen.’ 18 ‘Ik weet iemand die goed kan spelen,’ zei een van de hovelingen. ‘Hij is een zoon van Isaï uit Betlehem. Hij behoort tot een vooraanstaande familie en is een goed krijgsman, en hij is welbespraakt en goedgebouwd. Bovendien staat de HEER hem bij.’ 19 Saul stuurde boden naar Isaï met het verzoek: ‘Stuur me uw zoon David, die uw schapen en geiten hoedt.’ 20 Isaï gaf zijn zoon David voor Saul een ezel beladen met brood mee, en ook een zak wijn en een geitenbokje. 21 Zo kwam David bij Saul in dienst. Saul raakte zeer op hem gesteld en benoemde hem tot zijn wapendrager. 22 Aan Isaï liet hij vragen: ‘Ik ben zeer tevreden over uw zoon. Mag hij voorgoed bij mij in dienst komen?’ 23 En steeds wanneer de geest van God Saul overmande, nam David zijn lier en tokkelde op de snaren. Dat luchtte Saul op en het deed hem goed: de kwade geest liet hem dan voor even met rust. (NBV21)

De God van Israël heeft de handen van Saul afgetrokken en David tot Koning laten zalven. Nu moet David nog naar het hof, leren om koning te worden. David weet overigens niet dat de God van Israël Koning Saul heeft verworpen net zo min als Saul zal weten dat David al tot koning is gezalfd. God kan goede en kwade geesten zenden zegt de Bijbel hier. We moeten dus oppassen al te gemakkelijk iemand te beschuldigen van de duivel bezeten te zijn. De kwade geest, geest van God zegt de Bijbel hier, heeft als doel het mogelijk te maken dat David spelenderwijs aan het hof komt. David wordt de wapendrager van Saul.

Hij wordt de knecht die Saul er toe had gebracht zich in de zoektocht naar de ezelinnen van zijn vader tot de profeet Samuël te wenden. De muziek die David maakt verdrijft dan ook de kwade geesten. Dat was ook de bedoeling van de muziek die veel en veel later bij de Tempel van Salomo zou worden gemaakt. Daarom werd ook die muziek voor een groot deel aan David toegeschreven. Het effect was zo groot dat David permanent aan het hof van Saul mocht blijven. Hij was nu dus een krijgsman, bracht rust bij onrustige mensen, had inzicht in het Woord van de God van Israël, een knappe verschijning en had de God van Israël aan zijn zijde.

Hij was het spiegelbeeld van Saul geworden. Saul zal ook iets van zichzelf in deze herder uit Bethlehem hebben herkend. Hij was zelf immers achter de ploeg vandaan gehaald om Israël van de plaag van de Filistijnen te bevrijden. Voor ons is belangrijk dat we er bij het kiezen van onze bestuurders op letten of ze herder kunnen zijn, dienstbaar aan de zwaksten, en broeder kunnen zijn, zich de gelijke weten van de mensen over wie ze moeten besturen. Want zulke bestuurders zoekt de God van Israël ook vandaag nog. Let dus bij verkiezingen niet op de mooie pakken of jurken, niet op het brede glimlachen, maar op de bereidheid iets over te hebben voor een ander, de gehandicapten en zieken voor op, de mensen die niet met geld kunnen omgaan als eersten, de jongeren die een huis zoeken een plek geven. Zoek mensen als David, bescheiden van nature maar sterk als het gaat om Gods wil.

 

Een knappe jongen

1 Samuël 16:1-13

1 De HEER vroeg aan Samuel: ‘Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die Ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor Mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb Ik als koning uitgekozen.’ 2 ‘Hoe kan ik dat nu doen?’ wierp Samuel tegen. ‘Saul zal me vermoorden als hij het hoort.’ De HEER antwoordde: ‘Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de HEER een offer te brengen. 3 Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal Ik je laten weten wat je doen moet.Wie Ik je aanwijs, die moet je voor Mij zalven.’ 4 Samuel deed wat de HEER had gezegd. Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem geschrokken tegemoet en vroegen: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’ 5 ‘Wees gerust,’ antwoordde Samuel. ‘Ik ben gekomen om de HEER een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.’Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging. 6 Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de HEER wil zalven. 7 Maar de HEER zei tegen Samuel: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’ 8 Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuel voor, maar die zei: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 9 Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuel: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 10 Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuel voor, maar telkens zei Samuel dat dit niet degene was die de HEER gekozen had. 11 ‘Zijn dit alle zonen die u hebt?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuel tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ 12 Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de HEER zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ 13 Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers.Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama. (NBV21)

Wie meegelezen heeft met het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat we ook hier volgen, heeft gelezen dat het God berouwde dat Saul tot koning werd gezalfd. God trok zijn handen van Saul af. Het volk Israël moest het volk van de God van Israël blijven. Dat volk had een koning gevraagd net als de omringende volken hadden. Maar wilde het bondgenootschap met de God van Israël echt tot ontwikkeling kunnen komen dat moest die koning een koning naar het hart van God zijn, een koning die het volk bevrijden zou van de invloeden van de omringende Heidense volken. De profeet Samuël wordt er daarom op uit gestuurd om een begin te maken met de komst van een dergelijke koning. Isaï in Bethlehem uit de stam Benjamin is de vader van die toekomstige koning.

En Isaï stelt vol trots zijn zeven zonen voor, een voltallig span zonen. Maar geen van hen is de gezochte. Nu was er nog een achtste zoon, eigenlijk overbodig dus, die was als herder in diezelfde landstreek. De God van Israël kiest altijd de minste, de meest onverwachte en zo ook hier. Temidden van zijn broers wordt deze zoon tot koning gezalfd. De nieuwe Koning is dus eerst herder en broer en daarna pas Koning. Zo staat het er niet voor niks. Dat het een knappe jongen is lijkt meegenomen maar is niet essentieel. God kijkt niet langer naar iemand die er met kop en schouders boven uit steekt, zoals bij Saul het geval was geweest, maar naar wat voor persoon iemand is. In het geval van David zoekt God iemand die kan zorgen voor de zwaksten, zoals een herder moet zorgen voor schapen en lammeren.

Het moet ook iemand zijn die weet heeft van samenwerking. Als broer overleef je niet als je niet weet samen te werken. David zal het verhaal van Jozef en zijn broers gekend hebben. Nu moet David nog naar het hof, leren om koning te worden. David weet overigens niet dat de God van Israël Koning Saul heeft verworpen net zo min als Saul zal weten dat David al tot koning is gezalfd. God kan goede en kwade geesten zenden zegt de Bijbel hier. We moeten dus oppassen al te gemakkelijk iemand te beschuldigen van de duivel bezeten te zijn. De kwade geest heeft als doel het mogelijk te maken dat David spelenderwijs aan het hof komt. Wij kunnen ook vandaag God niet narekenen.

 

Het is de zonde

Romeinen 7:13-25

13 Is het dan het goede dat mij heeft gedood? Natuurlijk niet, het is de zonde, die van het goede gebruikgemaakt heeft om mij te doden. Zo toonde de zonde haar ware gezicht en werd ze door het gebod te gebruiken nog slechter dan ze al was. 14 Wij weten immers dat de wet het werk van de Geest is, maar door mijn aardse natuur ben ik overgeleverd aan de zonde. 15 Ik begrijp zelf niet wat ik doe, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. 16 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, erken ik dat de wet goed is. 17 Dan ben ik het niet meer die handelt, maar de zonde die in mij woont. 18 Immers, ik besef dat in mij, in mijn aardse natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. 19 Want ik doe niet wat ik wil, het goede, maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik. 20 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet meer zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij woont. 21 Ik ontdek in mezelf dus de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. 22 Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, 23 maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij, in heel mijn doen en laten, een gevangene van de wet van de zonde. 24 Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? 25 God zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer. Want aan mezelf overgelaten onderwerp ik me weliswaar met mijn verstand aan de wet van God, maar door mijn aardse natuur onderwerp ik me aan de wet van de zonde. (NBV21)

Bij het lezen van dit kleine stukje uit de Bijbel moeten we voortdurend voor ogen houden dat het Paulus is die dit schrijft. Paulus, de Apostel, de zendeling, die onvermoeibaar van de ene naar de andere stad reist om het Evangelie van Jezus van Nazareth te verkondigen en om gemeenschappen te stichten waar het Koninkrijk van God alvast zou kunnen beginnen. Hij schrijft aan de gemeente in Rome dat hij doet wat hij haat. Dat kan toch moeilijk zijn datgene wat wij weten dat hij gedaan en bereikt heeft. Dat reizen en dat stichten van gemeenschappen, dat vertellen van Jezus van Nazareth, het dicteren van brieven, dat kan toch niet hetgeen zijn dat hij haat? Dat was toch geen zonde? Door het werk van Paulus hebben we het nog steeds over die nieuwe wereld die zal komen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het werk van Paulus zet ons nog steeds er toe aan om aan dat nieuwe Koninkrijk alvast te beginnen.

Wat is het dan dat Paulus in zichzelf zozeer haat? Het kerkelijk antwoord is “de zonde”. Maar dat begrip is uitgekauwd en versleten. Er zijn onder ons predikers die niet anders roepen dan dat je moet geloven in Jezus van Nazareth zodat je gered zal worden van de zonde. Maar wat geloof je dan en waarom zou je ergens van gered moeten worden? Paulus schrijft hier ook dat wat hij wil hij niet doet. Misschien maakt dat ons wat duidelijker. Wij willen immers ook zo vaak dat het beter gaat in de wereld? Dat de onrechtvaardige handelsverhoudingen rechtgezet worden, dat homo’s en andere minderheden niet meer gediscrimineerd worden, dat er geen onderscheid meer is tussen vrouwen en mannen, dat gevangenen als mensen behandeld worden en een eerlijk proces krijgen, dat iedereen mag meepraten in de samenleving en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. En vooral willen we dat er een einde komt aan al die oorlogen en het geweld in de wereld. Maar we kunnen niet alles op onze nek nemen. Door alle regeltjes die ons opgedrongen zijn weten we dat we niet onophoudelijk het goede kunnen doen en niet dan het goede.

Ooit, toen God begon met de mensen, was de zonde het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Omdat wij ons dus voortdurend afvragen wat het kwade is waar we ons tegen moeten verzetten vergeten we het goede te doen. Is het wel het goede? Zit er geen eigenbelang achter? Worden we niet voor de gek gehouden? Wordt er geen misbruik van ons gemaakt? Zo vaak slaan we de plank mis, zien we de mensen langs de kant van de weg niet staan, zijn de hongerigen en dorstigen mensen in een ver van ons bed show. We vergeten gemeenschappen te vormen die de wereld aankunnen. We vergeten bondgenootschappen te vormen zodat zaken veranderen. Maar we hoeven ons er niet schuldig over te voelen. Het is onze natuur, wat wij doen deed Paulus ook al. En door Jezus van Nazareth, door God, mogen we elk moment weer opnieuw beginnen het goede te doen, dag in dag uit, elk ogenblik, in de Geest van God, in Bijbelse en kerkelijke termen heet dat “genade”.

 

Zonder de wet

Romeinen 7:1-12

1 Weet u dan niet, broeders en zusters-ik spreek immers tot mensen die de wet kennen-,dat de wet alleen gezag over een mens heeft zolang hij leeft? 2 Een getrouwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft, maar wanneer hij sterft is zij van deze verplichting ontslagen. 3 Als ze, terwijl haar man nog in leven is, de vrouw wordt van een ander, noemt men haar overspelig. Maar sterft haar man, dan is ze niet langer aan de wet gebonden, dan pleegt ze geen overspel wanneer ze de vrouw van een andere man wordt. 4 Zo bent ook u, broeders en zusters, dood voor de wet dankzij de dood van Christus en behoort u nu een ander toe: Hem die uit de dood is opgewekt; zo kunnen wij vrucht dragen voor God. 5 Toen we nog volgens aardse maatstaven leefden, werd heel ons doen en laten beheerst door de zondige hartstochten die de wet in ons opriep, en droegen we alleen vrucht voor de dood. 6 Maar nu zijn we bevrijd van de wet, waaraan we geketend waren; we zijn dood voor de wet, zodat we niet meer de oude orde van de wet dienen, maar de nieuwe orde van de Geest. 7 Moeten we nu vaststellen dat de wet hetzelfde is als de zonde? Absoluut niet. Ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: ‘Zet uw zinnen niet op wat van een ander is.’ 8 Maar de zonde heeft van het gebod gebruikgemaakt om allerlei begeerten in mij op te wekken, want zonder de wet is de zonde krachteloos. 9 Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven 10 en dat werd mijn dood. Zo bleek het gebod, dat tot leven had moeten leiden, juist tot mijn dood te leiden. 11 De zonde heeft gebruikgemaakt van het gebod: ze heeft mij misleid en mij door het gebod gedood. 12 Kortom, de wet zelf is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed. (NBV21)

Je hoort Paulus grommen als het over de wet gaat zoals die in zijn tijd werd beleefd. Want het was niet meer de Joodse richtlijn voor de menselijke samenleving. Dat was de Tora, die je in beweging zette. Door die Tora kon je samen de Woestijn doorkomen. In de woestijn moet je immers onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen, dan moet je er zeker van zijn dat de mensen om je heen je niets willen aandoen en de mensen om je heen moeten op jou kunnen vertrouwen. Dat is niet een soort wet waar je de regeltjes van moet kennen maar een soort richtlijn waarvan je de bedoeling in je vingers moet hebben. Die beleving was verdwenen. Het was de beleving van Romeinse Wet geworden. Die wet bestaat uit regeltjes en uitleg van regeltjes en vonnissen over de toepassing van de regeltjes en uitleg van de vonnissen over het toepassen van de regeltjes. Daar is elke menselijkheid uit verdwenen. De verhalen over die wet klinken altijd wel redelijk maar net zo gemakkelijk merk je aan den lijve hoe onmenselijk die regeltjes geworden zijn. Dat is de manier van leven waar Paulus stelling tegen neemt. Zijn manier van leven gaat uit van de Geest. Als je de dingen doet in de Geest van Liefde dan gaan ze heel anders. Dan speelt de vraag wat goed is voor een mens en wat niet. Dan speelt niet de vraag wat goed is voor jezelf zonder aan anderen te denken maar dan speelt alleen de vraag wat goed is voor de ander zonder aan jezelf te denken.

Dan gaat het niet om die ander waar je nog wat van te verwachten zou kunnen hebben, om de ander waarmee het ook goed gaat, maar dan gaat het om de ander die het nodig heeft, de minsten onder ons. Want als we er in slagen het met de minsten op de wereld beter te laten gaan dan gaat het beter met de hele wereld. Dat voelt aan als een bevrijding, niet meer gevangen te zitten in regeltjes en uitleg van regeltjes maar vrij te zijn en te mogen handelen uit Liefde. Het vraagt om een vorm van argeloos leven. Argeloos is iemand die iets doet zonder er bij na te denken of het mag of dat het wel zo hoort. Het enige dat telt is of het goed is en of het plezier geeft. Als je dus altijd argeloos het goede doet dan doe je nooit iets verkeerd. Zo beleeft Paulus ook de slavernij van de wet. De wet dwingt je om je altijd af te vragen wat er goed is en wat er fout is. In het verhaal over hoe God vanaf het begin met mensen om is gegaan staat dat God de mens verbiedt om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Het was kennelijk de bedoeling dat de mens argeloos zou blijven en het goede zou doen alleen omdat het goed was en omdat het plezier zou geven. Kennis van goed en kwaad levert de zonde op. Niet dat de wet verkeerd was of is.

Als iedereen in het verkeer willekeurig aan de linkerkant of de rechterkant van de weg zou rijden dan komen we geen van allen veel verder. Het is daarom goed een keuze in de wet vast te leggen en mensen die zich daaraan niet houden daarop aan te spreken. Maar of je in de wet vastlegt dat er links of rechts gereden wordt is een kwestie van smaak. Wie landen ziet waar niet rechts maar links gereden wordt zal zien dat het verkeer daar niet veel anders is dan bij ons, het beweegt zich alleen aan de andere kant van de weg. Zo zijn er veel wetten en regels die ook het tegendeel zouden kunnen zijn. Zelfs de regel die Paulus citeert over de begeerte kan anders worden uitgelegd. Iemand die honger heeft zal zijn zinnen zetten op voedsel. Dat het voedsel van een ander is zal niet uitmaken. Leven is belangrijker dan begeerte, of afzien van begeerte. Als wij pleiten voor rechtvaardige handelsverhoudingen dan geven we stem aan het verlangen van de armsten in de wereld gelijke kansen te krijgen als de rijken al hebben. Die gevangenschap in de wet kan eerlijke mensen met goede bedoelingen tot misdadigers tegen de mensheid maken. Daarom zoeken we met Paulus naar de vrijheid van de Liefde. De vrijheid die ons is voorgeleefd door Jezus van Nazareth. Bij die vrijheid gaat het om de liefde tot de minsten op aarde, daarbij kiezen we voor het leven en nemen argeloos op de koop toe wat daarvoor nodig is.

 

Ik heb gezondigd!

1 Samuël 15:24-35

24 Toen zei Saul tegen Samuel: ‘Ik heb gezondigd! Ik ben ingegaan tegen het bevel van de HEER en tegen uw woorden. Ik was bang voor de soldaten en daarom heb ik naar hen geluisterd. 25 Alstublieft, vergeef me en laat me niet alleen; ik wil neerknielen voor de HEER.’ 26 ‘Nee,’ antwoordde Samuel. ‘U hebt de opdracht van de HEER verworpen, daarom verwerpt de HEER u als koning van Israël.’ 27 Toen Samuel zich omdraaide om weg te gaan, greep Saul de slip van zijn mantel beet, maar die scheurde af. 28 En Samuel zei: ‘Hierbij scheurt de HEER het koningschap over Israël van u los en geeft Hij het aan iemand anders, die waardiger is dan u. 29 En u weet dat de Glorie van Israël nooit zijn woord breekt en nimmer op zijn besluiten terugkomt. Hij is immers geen mens, dat Hij op zijn besluiten terug zou komen.’ 30 Weer zei Saul: ‘Ik heb gezondigd! Maar val me alstublieft niet af waar de oudsten van mijn volk en heel Israël bij zijn en laat me niet alleen; ik wil neerknielen voor de HEER, uw God.’ 31 Toen ging Samuel met Saul mee en Saul knielde neer voor de HEER. 32 Daarna zei Samuel: ‘Laat koning Agag van Amalek hier komen.’ Agag liep naar hem toe, nog steeds geboeid. ‘De bittere dreiging van de dood is zeker wel geweken?’ vroeg hij. 33 Maar Samuel antwoordde: ‘Zoals uw zwaard vrouwen van hun kinderen heeft beroofd, zo wordt nu uw moeder van haar kind beroofd.’ En hij hakte Agags hoofd af ten overstaan van de HEER in Gilgal. 34 Samuel ging terug naar Rama en Saul keerde terug naar zijn woonplaats Gibea. 35 Samuel heeft, tot de dag van zijn dood, Saul niet meer teruggezien, maar hij treurde wel om hem. En de HEER betreurde het dat Hij Saul als koning van Israël had aangesteld. (NBV21)

Toen Willem Alexander ingehuldigd werd als Koning der Nederlanden had hij een hermelijnen mantel aan. Dat is het teken van zijn koningschap. De Koningsmantel is een symbool dat net als de kroon al een heel oud symbool is. Zelfs in de verhalen van Saul en Samuël komt deze mantel voor. Wie het bovenstaande deel goed gelezen heeft zal zeggen dat niet Saul maar Samuël een bijzondere mantel draagt. Als Saul die vastgrijpt scheurt er een stuk van af. Dat is het teken dat het koningschap van Saul eigenlijk voorbij is. Het is net als bij het Nederlandse Koningschap waarbij de Koning geen kroon draagt en niet wordt gekroond. Dat laatste komt omdat men eigenlijk niet kon bedenken wie de Koning zou moeten kronen. De protestanten in de negentiende eeuw vonden dat de Koning door God gekroond zou moeten worden. De Koning is immers Koning bij de gratie Gods heet het. De genade van God bepaald of je echt koning bent en Saul heeft die genade beschaamd door ongehoorzaam te zijn.

Saul gaat verder. Hij legt de schuld van zijn falen bij zijn soldaten. Hij was bang voor zijn soldaten en had daarom maar gedaan wat ze wilden. Over de Koning van de Amalekieten, Agag, zwijgt hij. Nu had hij kunnen weten dat juist angst de meest slechte raadgever is. Als de God van Israël je iets heeft opgedragen dan hoef je voor niks en niemand meer bang te zijn. Niet dat je geen gevaar meer loopt, maar zelfs de dood is zonder angst geen drijfveer meer. Het volgen van de Weg van de God van Israël is volstrekt zonder eigen belang. Dat was nu juist ook de kern van de ban die geslagen was over Amalek. Dat volk moest worden uitgeroeid. Een volk dat in de woestijn een vermoeid en naar vrede snakkend volk in de rug durft aan te vallen is een bedreiging voor alle volken. Koning Agag denkt echter door de houding van Saul dat hij het leven er wel van af zal brengen ondanks alle dood en ellende die hij en zijn volk hebben veroorzaakt. Samuël laat nog een keer zien hoe het had gemoeten door Agag het hoofd af te slaan. Ten overstaan van de God van Israël staat er. Ter bescherming dus van alle zwakken die bedreigd bleven als Agag in leven zou zijn gebleven.

In kerken en religieuze bewegingen wordt nog wel eens gediscussieerd over wat men noemt de vrije wil. Als God alles weet en bestuurt wordt de mens dan ook niet bestuurd door de God van Israël? Is ons handelen wel in vrijheid of is het een gevolg van een eerder raadsbesluit van God? In het verhaal dat we vandaag lezen wordt het antwoord op die vraag niet gegeven. Ons wordt verteld dat we moeten blijven handelen of we er zelf helemaal verantwoordelijk voor zijn. Als God ons ergens voor uitgekozen heeft en wij houden ons niet aan zijn opdracht dan kan God berouw krijgen van zijn besluit. Daar sluit het gedeelte van vandaag mee af. De God van Israël houdt vast aan wat Hij is begonnen. En die God is ooit begonnen met het scheppen van een leefbare wereld voor de mensen. Daarvoor werd een volk uitgekozen dat direct ondervond wat het was dat die God wilde: bevrijding uit de slavernij. Dat volk kreeg dan ook de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de tien geboden noemen we die ten onrechte. Daar moeten we ons aan houden. Niet alleen als individuen maar als wereldgemeenschap. We weten natuurlijk best dat het dan beter zou gaan in de wereld. Het is daarom goed dat we elke dag opnieuw kunnen beginnen met die God, met de richtlijnen van die God, ook vandaag weer.

 

‘Geen woord meer!’

1 Samuël 15:10-23

10 Toen richtte de HEER zich tot Samuel en zei: 11‘Ik betreur het dat Ik Saul koning heb gemaakt, want hij heeft Mij de rug toegekeerd en doet niet wat Ik hem heb opgedragen.’ Samuel werd boos en schreeuwde het de hele nacht uit tegen de HEER. 12 De volgende morgen vroeg wilde hij Saul tegemoet gaan. Men vertelde hem dat Saul in Karmel was geweest en daar voor zichzelf een gedenkteken had opgericht, en toen was doorgereisd naar Gilgal. 13 Toen Samuel bij Saul aankwam, begroette deze hem met de woorden: ‘Wees gezegend door de HEER. Ik heb gedaan wat de HEER mij heeft opgedragen.’ 14 Maar Samuel vroeg: ‘Hoe komt het dan dat ik schapen hoor blaten en runderen hoor loeien?’ 15 ‘Die hebben ze meegenomen van de Amalekieten,’ antwoordde Saul. ‘De soldaten wilden de beste schapen, geiten en runderen sparen om ze te offeren aan de HEER, uw God. De rest hebben we afgemaakt.’ 16 ‘Geen woord meer!’ zei Samuel tegen Saul. ‘Laat me u vertellen wat de HEER mij vannacht gezegd heeft.’ ‘Zoals u wilt,’ zei Saul, 17 en Samuel zei: ‘U mag dan in uw eigen ogen onbelangrijk zijn, toch staat u aan het hoofd van de stammen van Israël, nietwaar? De HEER heeft u gezalfd tot koning van Israël, 18 en de HEER heeft u eropuit gestuurd met de opdracht om de Amalekieten, die zondaars, te vernietigen en tegen hen te strijden tot ze volledig waren uitgeroeid. 19 Waarom hebt u niet geluisterd naar wat de HEER u heeft gezegd? Waarom hebt u zich op de buit gestort en iets gedaan dat slecht is in de ogen van de HEER?’ 20 ‘Maar ik heb toch geluisterd naar wat de HEER gezegd heeft!’ wierp Saul tegen. ‘Ik ben er toch op uit getrokken zoals de HEER me heeft opgedragen! Koning Agag heb ik gevangengenomen en de rest van de Amalekieten heb ik gedood. 21 En de soldaten hebben de beste van de buitgemaakte schapen, geiten en runderen voor vernietiging gespaard om ze in Gilgal te offeren aan de HEER, uw God.’ 22 Daarop zei Samuel: ‘Schept de HEER meer behagen in offers dan in gehoorzaamheid? Nee! Gehoorzaamheid is beter dan offers, volgzaamheid is beter dan het vet van rammen. 23 Weerspannigheid is even erg als toverij, en eigenzinnigheid is even slecht als afgodendienst. U hebt de opdracht van de HEER verworpen; daarom verwerpt Hij u als koning!’ (NBV21)

Saul wordt dus een koning als andere koningen. Niet zorgen voor het zwakste maar het sterkste voor jezelf reserveren. Niet belangeloos oorlog voeren om het volk, om de zwaksten, te beschermen, maar oorlog voeren om eer en buit te behalen. Na de overwinning een monument oprichten waarin jouw heldendaden vastgelegd zijn. Samuël barst bijna van woede. Had hij daarvoor dat verhaal van de uittocht uit de slavernij in leven gehouden? Had hij daarvoor de Leer van Mozes nog eens extra onder de aandacht gebracht? Had hij niet om gehoorzaamheid gevraagd aan de God van Israël die hebzucht en het begeren van dat van je naaste was had veroordeeld?

Dit was niet de koning die eer kon bezorgen aan de God van Israël, die volken kon laten zien hoe je ook met mensen kan omgaan, niet om er zelf beter van te worden maar juist om de zwaksten, de ander, te beschermen. Die God van Israël hoef je niet te voeden, offers zijn niet echt nodig, maar gehoorzaamheid is nodig. Gehoorzaamheid aan die richtlijnen voor een menselijke samenleving, richtlijnen die zich laten samenvatten als “heb uw naaste lief als uzelf”. Dat was de manier om die God lief te hebben boven alles. Dat mag ook vandaag nog onze maatstaf zijn. Gaan we religieus doen om er beter uit te zien in onze omgeving of helpen we er belangeloos de armen mee. Elke dag mogen we die keus maken, ook vandaag weer.

Saul geeft aan het nog steeds niet te willen snappen. God had toch gevraagd tegen de Amalekieten op te trekken? Op één na waren alle Amalekieten gedood. Het vee dat was buitgemaakt en aan de God van Israël geofferd. Maar offers zijn voor die God niet belangrijk. Dat is geen voor wat hoort wat God. Dat is een God die uit is op een menselijke samenleving. Een samenleving waar het ene volk het andere niet in de rug aanvalt. Een volk dat dat wel doet is een permanent gevaar voor de vrede, dat snijd je uit als een gezwel. Saul had zich beperkt tot het halen van een overwinning. Met eer, losgeld, en feest voor soldaten. Als je jezelf op die manier lief hebt dan aanbidt je eigenlijk een afgod. Daar mogen wij dus eigenlijk ook nog wel eens bij stil staan.

 

Spaar ze niet

1 Samuël 14:47-15:9

47 Saul nam het koningschap over Israël op zich en voerde oorlog tegen alle hem omringende vijanden: tegen Moab, tegen de Ammonieten, tegen Edom, tegen de koningen van Soba en tegen de Filistijnen. Overal waar hij kwam, behaalde hij de overwinning. 48 Hij werd steeds machtiger, versloeg de Amalekieten en bevrijdde zo Israël uit de greep van zijn plunderaars. 49 De zonen van Saul waren Jonatan, Jiswi en Malkisua. Hij had ook twee dochters; de oudste heette Merab en de jongste Michal. 50 Sauls vrouw was Achinoam, de dochter van Achimaäs. Zijn opperbevelhebber was zijn neef Abner, de zoon van Ner. 51 Sauls vader Kis en Abners vader Ner waren allebei zonen van Abiël. 52 Tijdens de hele regering van Saul werd er fel tegen de Filistijnen gestreden. Daarom keek hij steeds uit naar heldhaftige en moedige mannen en nam die in dienst. 1 Op een keer zei Samuel tegen Saul: ‘De HEER heeft mij destijds gezonden om u te zalven tot koning over zijn volk, over Israël. Luister dus nu naar wat de HEER te zeggen heeft. 2 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik ben niet vergeten wat Amalek Israël heeft aangedaan: het heeft Israël de weg versperd bij zijn tocht uit Egypte. 3 Trek daarom op tegen de Amalekieten en versla ze. Wijd al hun bezittingen onvoorwaardelijk aan de HEER. Spaar ze niet, maar dood alles en iedereen: mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels.’ 4 Saul liet het leger oproepen en hield wapenschouw in Telaïm. Er waren tweehonderdduizend man voetvolk en nog eens tienduizend man uit Juda. 5 Toen hij bij de stad van de Amalekieten kwam, legde hij een hinderlaag in de rivierbedding. 6 Intussen waarschuwde hij de Kenieten: ‘Maak dat u wegkomt! Blijf niet bij de Amalekieten, want dan moet ik u samen met hen uitroeien, terwijl u de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte juist goed behandeld hebt.’ De Kenieten gingen dus weg bij de Amalekieten. 7 Saul sloeg de Amalekieten terug van Chawila tot aan Sur, op de grens met Egypte. 8 Hun koning Agag nam hij levend gevangen, maar de rest van het volk doodde hij. 9 Agag werd door Saul en zijn manschappen gespaard, samen met de beste schapen, geiten en runderen en de sterkste jonge stieren en rammen, kortom alles wat van waarde was. Dat wilden ze niet vernietigen, maar alles wat geen of weinig waarde had, maakten ze af. (NBV21)

Wat het volk had gevraagd krijgt het ook. Het volk had gevraagd om een Koning die voor het aangezicht van het volk zou uittrekken en hun oorlogen zou voeren. Nu dat hebben ze geweten. Als je oppervlakkig leest dan zie je al dat er een hele rij volken in de pan wordt gehakt. Je vraagt je af waarom zo’n verhaal in de Bijbel staat. Maar dan moet je opnieuw de Bijbel van het begin af lezen. Vooral het verhaal over de tocht door de woestijn speelt daarbij een rol en het boek Jozua over de verovering van Israël. Wie de kaart van Israël er bij neemt leest hier dat Saul van zuid naar noord eerst de volken aan de rand van de woestijn verslaat. Moab, de Ammonieten en Edom. In het noordoosten ligt dan ook nog Soba. Het zijn allemaal landen en volken met wie op het eind van de tocht door de woestijn is onderhandeld over een vreedzame doortocht. Al die volken hadden dat geweigerd en worden er nu net zo voor gestraft als de volken die geweigerd hadden het land dat overvloeide van melk en honing met Israël te delen.

Saul was een machtig vorst geworden meer dan een rechter die iedere keer een nieuw leger moest vormen. Maar hij was dat geworden zonder dat de God van Israël er bij betrokken was. Was Saul nu echt een koning geworden zoals er Heidense Koningen waren of leek dat alleen maar zo? Ook voor ons zijn dit soort vragen van belang. Wij hebben alleen deze oude verhalen uit de Bijbel om ons te leren wat de Weg is van de God van Israël en hoe wij Jezus van Nazareth na mogen volgen. Waar kun je nu aan merken of je op de goede weg bent? Dat is niet altijd eenvoudig. Zo’n verhaal over Saul als we vandaag lezen kan ons daarbij helpen. Er lag namelijk nog een oude rekening die vereffend moest worden. Toen het volk Israël bijna het beloofde land had bereikt kwam men bij het volk van Amalek. Het volk was moe. Veel mensen waren verzwakt door de ontberingen van de woestijn. In plaats van een doortocht en hulp besloot Amalek oorlog te voeren tegen Israël. Een oorlog op de meest laffe wijze, men viel Israël in de rug aan, daar waar de zwaksten waren gelegerd.

Die laffe daad moest tot een totale ondergang van Amalek leiden en mocht nooit vergeten worden. Saul was de koning die zich hier kon bewijzen. Zouden Saul en zijn soldaten ook oorlog kunnen voeren zonder dat daar voor henzelf een direct voordeel te behalen zou zijn? Om dat uit te vinden gebruikte Samuël een gewoonte die in Kanaän en de omringende volken gewoon was. Amalek werd geslagen met de ban. Dat betekende dat alles en iedereen die Amalek was, alles dat van Amalek was of dat bij Amalek hoorde vernietigd diende te worden, het was besmet verklaard. Saul was een machtig koning en hij overwon Amalek gemakkelijk. Maar dan. Saul deed zoals alle Koningen zouden doen. Alles wat weinig waarde had maakten ze af. Maar de Koning bleef als gevangene in leven, daar zou nog losgeld voor kunnen worden gevraagd. En de beste schapen, geiten en runderen en de sterkste jonge stieren en rammen werden gehouden. Die zouden geofferd worden aan de God van Israël. Dat zou een feest worden voor de soldaten want van het offervlees mochten ze eigenlijk vrijwel alles zelf opeten. Bij elke oorlog, hoe nobel het begin ook lijkt, dient dus de vraag gesteld worden wie er aan de oorlog verdient, nadat het doel is bereikt. Ook vandaag hoort die vraag te klinken.

 

Wat heb je gedaan?

1 Samuël 14:36-46

36 Later die avond zei Saul: ‘Laten we vannacht de Filistijnen achternagaan en ze belagen tot de morgen aanbreekt. Niet één zullen we er in leven laten.’ ‘Wat u maar wilt,’ zeiden de soldaten, maar de priester zei: ‘Laten we ons eerst tot God wenden.’ 37 Saul raadpleegde God en vroeg: ‘Zal ik de Filistijnen achternagaan? Zult U ze aan Israël uitleveren?’ Maar deze keer gaf God geen antwoord. 38 Toen zei Saul tegen de bevelhebbers: ‘Treed allemaal aan. Ga na wat voor zonde vandaag is begaan. 39 Zo waar de HEER leeft, de redder van Israël, al is mijn eigen zoon Jonatan de schuldige, sterven zal hij!’ Maar niemand gaf antwoord. 40 Toen zei hij tegen de Israëlieten: ‘Jullie gaan aan de ene kant staan, en ik en mijn zoon Jonatan aan de andere kant.’ ‘Zoals u wilt,’ zeiden de soldaten. 41 En Saul vroeg de HEER: ‘God van Israël, breng de waarheid aan het licht!’ Jonatan en Saul werden aangewezen; de soldaten gingen vrijuit. 42 Toen zei Saul: ‘Werp het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan.’ En Jonatan werd aangewezen. 43 ‘Zeg op, wat heb je gedaan?’ vroeg Saul. Jonatan bekende dat hij met de punt van zijn stok wat honing had geproefd en zei: ‘Ik ben bereid te sterven.’ 44 ‘En sterven zul je, Jonatan,’ riep Saul uit, ‘anders mag God met mij doen wat Hij wil!’ 45 Maar de soldaten protesteerden: ‘Moet Jonatan sterven, die voor Israël deze grote overwinning heeft behaald? Geen denken aan! Zo waar de HEER leeft, hem mag geen haar worden gekrenkt. Wat hij vandaag gedaan heeft, heeft hij bereikt met Gods hulp!’ Zo pleitten de soldaten Jonatan vrij, en hij werd niet ter dood gebracht. 46 Saul staakte de achtervolging van de Filistijnen en de Filistijnen trokken zich terug op hun eigen grondgebied.(NBV21)

Koning zijn moet je leren. Dat is in onze dagen gemakkelijker dan in de dagen van Saul en Samuël. Saul was ook de legeraanvoerder en de rechter over het volk. En daar sta je dan als je zoon de door jou gemaakte regels heeft overtreden. Het was immers Koning Saul zelf die de overwinning die de God van Israël had geschonken aan zijn zoon tot een heilige oorlog omsmeedde. Dat je tijdens een oorlog die de goedkeuring van de God van Israël heeft moet vasten staat nergens. Het was Saul ook nooit voorgehouden. Hij had moeten wachten in Gilgal op Samuël de profeet, maar dat deed hij niet. Nu was zijn leger uitgeput aan het eind van de dag. En het was maar goed dat de Filistijnen hun etensvoorraden op de vlucht niet hadden meegenomen. De honger na de zware arbeid van het oorlog voeren was te groot. Nu hoor je respect te tonen voor een dier waarvan je het leven neemt om jou in leven te houden.

Nadat de soldaten ordelijk gegeten hadden was de vraag of ze die Filistijnen die in verwarring waren geraakt ook in de nacht zouden vervolgen Saul beseft dat hij weer terug moet naar de Godsdienst die hem tot koning had gemaakt. Maar dan, moeten ze doorgaan met de oorlog of is het genoeg? Een priester wordt gevraagd God te raadplegen. Daarvoor zijn twee heilige stenen aanwezig die, als je het lot gooit, God antwoord kunnen laten geven. Maar God geeft geen antwoord, er is iets mis. En als Saul laat uitzoeken wat er mis is dan wordt zijn zoon Jonathan aangewezen. Die moet dus geofferd worden.

Maar dan laat het volk zien er meer van begrepen te hebben dan Saul. De overwinning was immers door de God van Israël geschonken aan Jonathan? Het kan niet zijn dat hij fout was en dus blijft hij leven. Daar eindigt deze oorlog ook. De Filistijnen trekken zich terug en Saul ook. Geweld is dus niet de oplossing voor de vrede. Geweld kan, met respect, met in gedachten dat je niet mag doden, dat je zelfs voor de dieren die je eet respect moet hebben, geweld kan nodig zijn. Maar ook wij moeten steeds opnieuw bedenken waarvoor het nodig kan zijn en waar het moet ophouden. Dat gold voor Saul, het geld voor ons ook, elke dag weer.

 

Hoe helder mijn ogen weer staan

1 Samuël 14:23b-35

24 De strijd zette zich voort tot voorbij Bet-Awen. Van de Israëlieten werd die dag het uiterste gevergd, want Saul had de soldaten onder ede bezworen: ‘Vervloekt wie het waagt om vóór de avond iets te eten, voor ik me op mijn vijanden heb gewroken.’ Dus nam niemand ook maar iets te eten. 25 Op een gegeven moment kwamen ze in een dichtbegroeid gebied waar overal bijennesten waren. 26 Maar zelfs toen waagde niemand het zijn hand uit te steken om uit die nesten, die dropen van de honing, iets te eten te halen, zo bang waren ze voor de vervloeking. 27 Jonatan had echter niet gehoord dat zijn vader de soldaten een eed had opgelegd. Hij doopte de punt van zijn stok in een honingraat en bracht de honing naar zijn mond. Meteen stonden zijn ogen weer helder. 28 Een van de soldaten sprak hem aan en zei: ‘Uw vader heeft ons dringend bezworen om vandaag niet te eten, ook al hebben we nog zo’n honger.’ 29 ‘Mijn vader stort het land in het ongeluk,’ zei Jonatan. ‘Kijk toch hoe helder mijn ogen weer staan nu ik wat van die honing heb geproefd. 30 Als de soldaten vandaag wel hadden gegeten van de buit die ze op de vijanden hebben veroverd, hadden ze een veel grotere overwinning op de Filistijnen kunnen behalen!’ 31 De Israëlieten dreven de Filistijnen die dag terug van Michmas tot Ajjalon. De soldaten, volkomen uitgeput, 32 stortten zich op de buit. Ze grepen geiten, schapen, koeien en kalveren, slachtten die zomaar op de grond en aten ervan terwijl het bloed er nog in zat. 33 Men vertelde Saul dat de soldaten tegen de HEER zondigden door vlees te eten waar nog bloed in zat. ‘Wat jullie doen is streng verboden!’ zei Saul. ‘Rol onmiddellijk een grote steen hierheen. 34 Ga het kamp rond en zeg tegen iedereen dat ze hun rund of schaap of geit bij mij moeten brengen en hier op deze steen moeten slachten. Daarna kunnen ze eten zonder tegen de HEER te zondigen, want dan hoeven ze geen vlees te eten waar nog bloed in zit.’ Alle soldaten brachten toen het dier dat ze bemachtigd hadden naar de steen en slachtten het daarop. 35 Zo bouwde Saul zijn eerste altaar voor de HEER. (NBV21)

Moest er gerouwd worden en gevast als teken dat ook een stukje van jezelf was gestorven? Soldaten hebben kracht nodig, zeker in een achtervolging, dan moeten ze immers harder kunnen rennen dan de achtervolgde vijand? Jonathan, hij weer, begrijpt waar de fout zit. De overwinning is door de God van Israël geschonken en niet door Israël afgedwongen. Hij wist niet van het verbod om te eten en toen hij honing tegenkwam maakte hij er dankbaar gebruik van om op krachten te komen. Daaraan merkte hij ook de fout. Omdat zijn medestrijders niet hadden gegeten raakten ze verzwakt en konden ze de vijand niet zo raken als de bedoeling was geweest. De kans op plundering door de vijand bleef bestaan. Het gaat dus altijd eerst om de mensen en zeker nooit om de eer of om hoe het er uit ziet. Dapperheid als doel brengt niemand verder. Dat mag ook in onze dagen in situaties van geweld nog wel eens bedacht worden.

Het was Koning Saul die de overwinning die de God van Israël had geschonken aan zijn zoon tot een heilige oorlog omsmeedde. Dat je tijdens een oorlog die de goedkeuring van de God van Israël heeft moet vasten staat nergens, je moet rein blijven, dus geen omgang met een vrouw en geen vlees eten waar nog bloed in zit. Dat vasten was Saul ook nooit voorgehouden. Hij had moeten wachten in Gilgal op Samuël de profeet, maar dat deed hij niet. Nu was zijn leger uitgeput aan het eind van de dag. En het was maar goed dat de Filistijnen hun etensvoorraden op de vlucht niet hadden meegenomen. Geiten, schapen, koeien en kalveren werden gegrepen, geslacht en gegeten. Alle regels over het slachten en eten van dieren waren vergeten. De honger na de zware arbeid van het oorlog voeren was te groot. Nu hoor je respect te tonen voor een dier waarvan je het leven neemt om jou in leven te houden. Dat leven zit in het bloed en dat bloed hoort dus aan God die het leven geeft. Daarom hoor je zo te slachten dat je het bloed op het altaar kunt sprenkelen.

Saul beseft dat hij weer terug moet naar de Godsdienst die hem tot koning had gemaakt. Hij maakt zelf een altaar en slacht daarop het voedsel voor zijn leger. Eindelijk erkent Saul de rol van de God van Israël in zijn oorlog voeren. Het vragen van toestemming was eigenlijk nog een farce. De regels over vasten en reinheid had Saul helemaal verkeerd begrepen en ook verkeerd toegepast. Reinheid betekent hier dat je je niet te buiten gaat en onnodig energie verspilt. Vast is juist het afzien van nieuwe energie om te ervaren hoe belangrijk het geschenk van God is dat je elke dag mag nuttigen, maar ook hoe veel je eigenlijk hebt om te delen. In een situatie van oorlog heb je alle energie nodig die voorhanden is. Dat het God is die dat ter beschikking stelt moet je nooit vergeten. God gaf ook de dieren leven dus ook de dieren verdienen de eerbied die God toekomt. Saul doet alsof hij daarvan de beschermer is, maar waarom dan slachten onder toezicht van Saul? Dat toezicht komt de priester toe. Wij laten slachten zonder elke vorm van toezicht. Wie filmt wordt bestraft. Besef dat als je dieren eet.

 

Hij leert hun zijn paden te gaan

Psalm 25

1 Van David. Naar U, HEER, gaat mijn verlangen uit, 2 mijn God, op U vertrouw ik, maak mij niet te schande, laat mijn vijanden niet triomferen. 3 Zij die op U hopen worden niet beschaamd, beschaamd worden zij die U achteloos verraden. 4 Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd, leer mij uw paden te gaan. 5 Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij, want U bent de God die mij redt, op U blijf ik hopen, elke dag weer. 6 Denk aan uw barmhartigheid, HEER, aan uw liefde door de eeuwen heen. 7 Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd, maar denk met liefde aan mij, HEER, omwille van uw goedheid. 8 Goed en rechtvaardig is de HEER: Hij wijst zondaars de weg, 9 wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor, Hij leert hun zijn paden te gaan. 10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER voor wie de wetten van zijn verbond onderhouden. 11 Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld, omwille van uw naam. 12 Aan wie in ontzag voor Hem leven, leert de HEER de rechte weg te kiezen. 13 Hun leven verloopt in voorspoed en hun kinderen zullen het land bezitten. 14 De HEER is een vriend van wie Hem vrezen, Hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond. 15 Ik houd mijn oog gericht op de HEER, Hij bevrijdt mijn voeten uit het net. 16 Keer u tot mij en wees mij genadig, ik ben alleen en ellendig. 17 Mijn hart is vol van angst, bevrijd mij uit mijn benauwenis. 18 Zie mij in mijn nood, in mijn ellende, vergeef mij al mijn zonden. 19 Zie met hoevelen mijn vijanden zijn, hoe ze mij dodelijk haten. 20 Behoed mij en bevrijd mij, maak mij niet te schande, want ik schuil bij U. 21 Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren, op U is mijn hoop gevestigd. 22 God, verlos Israël, verlos het van al zijn angsten. (NBV21)

Voor wie het Hebreeuws kan lezen is dit een leuke Psalm. Elk vers begint met de volgende letter uit het Hebreeuwse alfabet. Net zoiets als de coupletten van het Wilhelmus de naam Willem van Nassov vormen met hun eerste letters, maar dan in deze Psalm met het Hebreeuwse ABC. Het volgen van de wil van God is volgens de dichter van deze Psalm kennelijk een abc’tje. Maar vertalingen doen veel van de schoonheid van de Psalm verdwijnen. De mooiste is waarschijnlijk de vertaling van de Naardense Bijbel die spreekt van het geven van je hele ziel en zaligheid aan de Ene. En dat enthousiasme kan aanspreken zeker als je leest over het vertrouwen dat die hoop op de Ene niet beschaamd zal worden. Daarvoor moet je zoals deze Psalm zegt de wegen van God leren, met name de armen mogen die wegen leren. Het is de weg van alvast gaan beginnen te leven alsof het licht is gekomen, alsof dat Koninkrijk van recht en vrede er al is. Dat klinkt een beetje belachelijk en daarom de wens van de dichter om niet uitgelachen te worden. Delen met elkaar, zorgen voor de zwakke, voor de weduwe en de wees, voor de vreemdeling in ons midden.

In het verhaal van God mag iedereen meedoen en iedereen die echt meedoet roept op om je aan te sluiten. De Psalm spreekt in dit verband van goedheid en rechtvaardigheid. Je blijft niet onverschillig omdat God het je wel zal vergeven. Je hoopt op vergeving omdat je elk moment opnieuw de Weg mag gaan waartoe de Bijbel oproept. De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Er wordt in het tweede deel van deze Psalm een belangrijk punt aangeraakt. Onze God leert ons de juiste keuzes te maken. Als we tot God bidden heeft het dus geen zin voor alle arme en zielige mensen te bidden en God te vragen daar iets aan te doen maar God vraagt of jij wil leren daar iets aan te doen. En zeg nu niet dat je niet de hele wereld op je nek kunt nemen want met je plaatselijke kerk kom je een heel eind door samen diaconie te bedrijven, in je eigen woonplaats en met Kerk in Actie in de hele bewoonde wereld.

De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Maar juist omdat je op de Weg van het goede mag terugkeren wordt die pijn geheeld en gaat de vreugde overheersen. Want dan weet je dat mensen toch recht zal worden gedaan, als jij het niet zorgt God wel dat ze gehoord worden en dat er mensen zijn die horen. De dichter van deze Psalm zinspeelt weer op de oude belofte uit het boek Jozua, aan iedere familie die het land kwijt raakt zal het land na 50 jaar weer worden teruggegeven. Ook armen, mensen die vastgelopen zijn in onze samenleving, die aan de kant van de weg zijn geraakt mogen weer op nieuw hun plaats in de samenleving in nemen. Daarom mag je er op vertrouwen dat de kinderen van de armen weer het land zullen bezitten. De armoede is geen natuurverschijnsel, je hoeft niet te wachten op een volgend leven om het te bestrijden. De opheffing uit de armoede, de bevrijding van de armen, kan vandaag nog beginnen, daar mag je met heel je ziel en zaligheid aan werken.