Wat moeten we doen met de ark

1 Samuel 6:1-12

1 De ark van de HEER was intussen al zeven maanden op Filistijns grondgebied. 2  Nu riepen ze ook de priesters en de waarzeggers erbij en legden hun de vraag voor: ‘Wat moeten we doen met de ark van de HEER? Hoe kunnen we hem het beste terugsturen?’ 3  Het antwoord luidde: ‘Als u de ark van de God van Israël terugstuurt, laat hem dan niet zonder meer weggaan. Geef in ieder geval een schadeloosstelling mee, dan zult u genezen en te weten komen waarom u al die tijd zo hard bent aangepakt.’ 4  ‘Waaruit moet die schadeloosstelling bestaan?’ vroeg men, en het antwoord luidde: ‘Er zijn vijf vorstendommen. Geef daarom vijf gouden gezwellen mee en vijf gouden muizen. Alle vorstendommen hebben immers onder dezelfde plaag geleden, ook de stadsvorsten zelf. 5  Maak beeldjes van uw gezwellen en van de muizen die uw land hebben geteisterd, om zo eer te bewijzen aan de God van Israël. Misschien laat hij u dan met rust, en ook uw goden en uw land. 6  Waarom zou u zich tegen hem blijven verzetten, zoals Egypte en de farao hebben gedaan? Toen hij zijn woede op hen botvierde, moesten zij de Israëlieten toch ook laten gaan? 7  Dit moet er gebeuren: Zorg voor een nieuwe wagen en twee zogende koeien die nog nooit een juk hebben gevoeld. Span de koeien voor de wagen, haal hun kalveren bij hen weg en breng die naar de stal. 8  Zet de ark van de HEER op de wagen met daarnaast een zadeltas met de gouden voorwerpen die u ter genoegdoening meegeeft, en laat die wagen zijn eigen weg gaan. 9  Als hij voor uw ogen de grens over rijdt in de richting van Bet-Semes, dan betekent dat dat de God van Israël deze ramp over ons heeft voltrokken. Zo niet, dan weten we dat niet hij ons met dit leed heeft getroffen, maar dat het toeval was.’ 10 En zo gebeurde het. Ze spanden twee zogende koeien voor de wagen en sloten hun kalveren op in de stal. 11  Ze zetten de ark op de wagen en daarnaast de zadeltas met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen. 12  De koeien liepen regelrecht naar Bet-Semes. Ze loeiden wel, maar bogen niet af naar links of rechts. De Filistijnse stadsvorsten volgden hen tot aan de grens met Bet-Semes. (NBV)

Zo’n toverkist van een machtige God wil je niet te lang houden. De Filistijnen hadden hem zeven maanden lang doorgeschoven van de ene stad naar de andere, maar het bleef zeuren. De strijdbare mannen hadden onder aanvoering van hun stadsvorsten aambeien gekregen. In de dorpen brak er prompt een muizenplaag uit. Het was niet te harden en na zeven maanden was genoeg genoeg. Iedereen die op bestuurlijk, militair en religieus gebied iets te vertellen had werd opgeroepen mee te denken over het vraagstuk hoe een beetje fatsoenlijk van de toverkist af te komen. Natuurlijk waren er mensen die van toeval spraken. Niet alle rampspoed kan je toch aan de kist van een overwonnen God toedichten? Dan doe je ook je eigen God tekort, die had immers voor jouw overwinning gezorgd.

Uiteindelijk werd een klassieke truc bedacht. Een splinternieuwe kar met twee koeien er voor. De Ark er op en dan maar kijken waar de koeien heen zouden gaan, naar Israël of naar hun eigen stal waar hun kalveren stonden. Op die manier zijn later nog heel wat heiligdommen, kerken en steden gesticht. Tegenwoordig zie je het als loterij op een plattelandskermis: “waar schijt de koe”. Zoals in dit verhaal verwacht mag worden keert de Ark zonder aarzelen terug naar Israël. De eer van Israël was hersteld.  Ze wilden de Ark dan ook kwijt omdat ze bang waren voor de aanwezigheid van de Heer, de God van Israël.

Een bij uitstek Heidense opvatting over tovergoden. De God van Israël kenmerkte zich immers door er te zijn daar waar het volk die God nodig had. Die God was er juist in zijn richtlijnen, in zijn gerechtigheid en barmhartigheid. Dat was de God die je naar het beloofde land bracht volgens de opvatting van Israël. De Filistijnen bleven twijfelen. Er was immers geen beeld van die God? Niemand heeft die God ooit gezien en daarom wordt er ook tegenwoordig nog aan die God en worden gelovigen voor dwazen uitgemaakt. De Ark was door de Heidenen weer teruggestuurd naar Israël. Net als de Egyptenaren hadden de Filistijnen dit symbool van Israël overladen met goud het land uitgejaagd.

Gouden puisten en gouden muizen, de aambeien waren waarschijnlijk toch lastig in goud te vatten geweest. Geschenken aan een God moest volgens de leer van Heidenen die God gunstig stemmen. De Israëlieten hadden moeten leren dat zo’n door mensen gemaakt object van verering alleen maar ellende kon brengen. Er was iets anders voor nodig. In die Ark lagen richtlijnen voor een menselijke samenleving. Die waren het hart van de godsdienst van Israël. Die richtlijnen over liefde en gerechtigheid moest je volgen, uiteindelijk vervullen, die richtlijnen waren er niet om vroom aanbeden te worden. Die richtlijnen waren er al helemaal niet om als wapen in een oorlog te dienen. Ook daarin is er nog steeds niets veranderd.

Iedereen kreeg aambeien.

1 Samuel 5:1-12

1 De ark van God, die bij Eben-Haëzer door de Filistijnen was buitgemaakt, werd overgebracht naar Asdod. 2  Ze namen de ark op, brachten hem naar de tempel van Dagon en zetten hem daar naast het godenbeeld neer. 3  De volgende morgen zagen de inwoners van Asdod dat Dagon voorover was gevallen en voor de ark van de HEER op de grond lag. Ze pakten het beeld op en zetten het weer op zijn plaats, 4  maar toen ze de volgende morgen vroeg terugkwamen, lag Dagon weer voorover op de grond voor de ark. Alleen zijn romp was nog heel; zijn hoofd en zijn beide handen lagen afgehakt op de drempel. 5  Daarom durven de priesters van Dagon en alle anderen die naar de tempel komen deze drempel tot op de dag van vandaag niet te betreden. 6 De HEER pakte de inwoners van Asdod hard aan. Hij zaaide paniek en trof alle inwoners van het vorstendom met aambeien. 7  Toen de burgers van Asdod zagen hoe het er voorstond, zeiden ze: ‘De ark van de God van Israël kan hier niet blijven, want hij treedt met harde hand op tegen ons en onze god Dagon.’ 8  Ze riepen de Filistijnse stadsvorsten erbij en legden hun de vraag voor: ‘Wat moeten we doen met de ark van de God van Israël?’ ‘Naar Gat brengen, ‘luidde het antwoord, en ze besloten de ark weg te brengen. 9  Toen de ark naar Gat was overgebracht, keerde de HEER zich tegen die stad, zodat ook daar een geweldige paniek ontstond. Hij trof de inwoners van de stad van groot tot klein en iedereen kreeg aambeien. 10  Ze stuurden de ark van God door naar Ekron, maar zodra hij daar aankwam begon de bevolking te schreeuwen: ‘Ze hebben de ark van de God van Israël hierheen gestuurd om ons allemaal te doden!’ 11  Weer riepen ze de Filistijnse stadsvorsten erbij en zeiden: ‘Stuur de ark van de God van Israël terug naar waar hij vandaan komt, anders worden we allemaal gedood.’ In heel de stad heerste namelijk een dodelijke angst, want God pakte de inwoners hard aan. 12  Wie niet stierf, werd geplaagd door aambeien; het gekerm van de stad steeg op naar de hemel. (NBV)

Het vorige hoofdstuk eindigde met de geboorte van Ikabod, kleinzoon van de Hogepriester Eli, op de dag dat Eli en de zonen van Eli stierven en de moeder van Ikabod in het kraambed stierf. Ikabod betekent “de eer is weg” en dat slaat op het verlies van de Ark van het verbond aan de Filistijnen. Die geheimzinnige kist ging alleen op reis. We beginnen daarbij te lezen in een bijzonder stukje Oude Testament, de avonturen van de Ark van het Verbond. Tot nu stond die Ark in de Tent van het Verbond. De Ark bewaarde de herinnering aan de Horeb waar het volk, midden in de woestijn, de richtingwijzers van de God van Israël had gekregen. In steen gegrift zodat het nooit verloren kon gaan. De macht van die God werd in die kist uitgedrukt door de bloeiende staf van Hogepriester Aäron en de koperen staf met een slang die Mozes daar had neergelegd nadat het kijken naar die slang het volk had behoed voor giftige slangenbeten. De Ark was dus niet een godenbeeld, maar als je wilde weten wie de God van Israël was dan had die Ark daar een verhaal over.

De Ark werd door de Filistijn geplaatst in de Tempel van Dagon in Asdod. Dagon was een vruchtbaarheidsgod, zo’n echt Kanaänitische godheid waar de Bijbel zeer tegen te keer gaat. Nog in de tijd van de Makkabeeën werd Dagon als machtiger dan de God van Israël afgeschilderd. Israël had toen te lijden van een wrede Griekse bezetting. Over Dagon in Asdod hadden ze dus nog een prachtig verhaal. Die was als Goliath later voorover op zijn gezicht gevallen, zoals een onderdaan zich uitstrekte voor de machtigste koning van het land. Toen dat niet hielp was Dagon onthoofd en onthand. De inwoners van Asdod kregen op hun gat. Alle vertalers zijn het er sinds de Statenvertaling over eens dat er hier gesproken wordt over Aambeien waarmee de inwoners van Asdod gestraft werden. Een grotere vernedering kon je ze niet aandoen. De ene na de andere Filistijnse stad kreeg te maken met de Ark van het Verbond, de geheimzinnige kist waar de richtlijnen voor een menswaardige samenleving in bewaard werden.

Maar de aambeien vlogen rond, de Filistijnen kregen een geweldig pak voor hun broek en werden doodsbenauwd voor die rare kist die nergens de trekken had van een fatsoenlijk godenbeeld. We kunnen nu smakelijk lachen om het verhaal en dat is ook precies de bedoeling. De richtlijnen voor de menswaardige samenleving, niet doden, niet stelen, niet liegen, elkaar in elkaars waarde laten, bevrijden je ook van angst voor je vijanden. Dat nastreven van macht, dat aanbidden van goud en glitter, dat is eigenlijk alleen maar lachwekkend. Ook de rijkste ondernemer en de machtigste dictator kan aambeien krijgen en krijgt dan echt moeite met het zitten op een gewone stoel. We moeten die richtlijnen niet ronddragen om er anderen mee te verslaan en te laten zien hoeveel beter we zijn dan een ander. We moeten die richtlijnen in ons hart laten graveren en ze tot een bron van ons handelen maken. Dan zullen we leven en als we het samen doen dan krijgen we pas een echte samenleving. Wij kunnen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Wat is dat voor lawaai?

 

1 Samuel 4:12-22

12 Een Benjaminiet maakte zich uit de gelederen los en rende naar Silo, waar hij nog dezelfde dag aankwam. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. 13  Toen hij aankwam, zat Eli op een bankje langs de kant van de weg op de uitkijk, want hij maakte zich ernstig ongerust over de ark van God. Zodra de man in de stad verslag had uitgebracht, begon de hele bevolking te jammeren. 14  Eli hoorde het geschreeuw en vroeg: ‘Wat is dat voor lawaai?’ De man haastte zich naar Eli om het hem te vertellen. 15  Eli was toen achtennegentig jaar; zijn ogen waren helemaal star geworden en hij kon niets meer zien. 16  De man zei tegen Eli: ‘Ik kom van het slagveld, ik ben zojuist van het slagveld gevlucht.’ ‘Maar wat is er dan gebeurd?’ vroeg Eli, 17  en de bode antwoordde: ‘Israël is op de vlucht geslagen voor de Filistijnen. Er is een grote slachting aangericht onder onze soldaten. Ook uw zonen Chofni en Pinechas zijn gesneuveld. En de ark van God is ons ontnomen.’ 18  Op het moment dat de man de ark van God noemde, viel Eli van het bankje naast de stadspoort achterover op de grond. Hij was zo oud en zwaar dat hij zijn nek brak en stierf. Veertig jaar was hij rechter over Israël geweest. 19 Eli’s schoondochter, de vrouw van Pinechas, was in de laatste dagen van haar zwangerschap. Toen ze hoorde dat de ark van God was buitgemaakt en dat haar schoonvader en haar man waren gestorven, overvielen haar de weeën. Ze kromp ineen en bracht haar kind ter wereld. 20  Terwijl ze stervende was, zeiden de vrouwen die haar bijstonden: ‘Wees gerust, je hebt een zoon gekregen.’ Maar ze reageerde niet en schonk hun geen aandacht. 21  Ze noemde haar zoon Ichabod en verklaarde: ‘Israël is van zijn eer beroofd.’ Daarmee doelde ze op het verlies van de ark en op de dood van haar schoonvader en haar man. 22  Ze zei: ‘Israël is van zijn eer beroofd, want de ark van God is ons ontnomen.’ (NBV)

Met de kwaden loopt het altijd slecht af. Soms lijkt het er niet op en soms moet je goed kijken wie er goed en wie er kwaad is. Het leger van Israël met de priesters Chofni en Pinehas had de Ark van God uit de Tent der ontmoeting in Silo laten komen. Maar de Ark is God niet. Van God zijn geen beelden. De Filistijnen reageren zoals verwacht, ze worden bang. Dat wil niet zeggen dat Israël gelijk had. De schrijver van het verhaal wil ons vertellen dat het volk Israël op dezelfde manier dacht als de Filistijnen, heidenen bij uitstek. De Filistijnen verzamelen nog eens extra hun moed voor de volgende slag en zijn extra gemotiveerd, tegen een geheim wapen als een God moet je extra je best doen.

Je moet dus in dit verhaal extra goed kijken wie er gelijk heeft. Uiteindelijk de Filistijnen. Zij winnen ondanks de aanwezigheid van de Ark, ze mogen de Ark zelfs meenemen. Pas later komen ze er achter dat het Woord van die God van Israël sterker is dan alle beelden die ze van hun goden hadden gemaakt. Nu kost het dertigduizend soldaten uit Israël het leven. De Filistijnen maakten de Ark buit, de twee priesterzonen sneuvelden ook en Eli, zittend op de plaats waar recht werd gesproken, de stadspoort, schrok zo van het bericht dat ook hij stierf. De belofte aan Samuël komt dus uit. Eli had het kwaad genegeerd waardoor het kon groeien. Wij doen dat ook wel eens, misbruik van de vrijheid van meningsuiting is zo’n kwaad dat we rustig laten groeien.

In het verhaal van Eli wordt vertelt dat ook de schoondochter van Eli stierf en wel in het kraambed. Er werd weliswaar een zoon geboren maar het verlies van de Ark was ernstiger. Met het verdwijnen van de Ark lijkt ook de toekomst van Israël voorbij. Wie veel en veel later, toen het volk in ballingschap ging, dit verhaal las zou het hebben kunnen meevoelen. Duidelijk wordt dat God nooit vanzelfsprekend aan jouw kant staat. De Filistijnen vielen niet aan. Wraak voor eerdere aanvallen is geen reden een oorlog te beginnen. De God van Israël is een God van vrede en een God van recht maar als je de plaats van het recht inruilt voor het slachtveld dan loop je de kans geslacht te worden. Dit verhaal leert ons dat het belangrijker is aan vrede en recht te werken, elke dag opnieuw, te beginnen in onze eigen plaats, maar als het even kan tot aan de einden van de aarde. Ook vandaag weer.

Het ziet er slecht voor ons uit

1 Samuel 4:1b-11

Enige tijd later trokken de Israëlieten ten strijde tegen de Filistijnen. Ze sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer; de Filistijnen lagen in Afek. 2  Nadat de Filistijnen zich in slagorde tegenover de Israëlieten hadden opgesteld, brandde de strijd los. Israël werd door de Filistijnen verslagen: vierduizend man sneuvelden in de slag. 3  Toen het leger naar het kamp was teruggekeerd, vroegen de oudsten van Israël: ‘Hoe komt het dat de HEER ons vandaag tegen de Filistijnen een nederlaag heeft laten lijden? De ark van het verbond met de HEER moet uit Silo hierheen worden gehaald. Dan zal de HEER in ons midden zijn en ons bevrijden uit de greep van onze vijanden.’ 4  Het leger liet de ark van het verbond uit Silo overbrengen, de ark van de HEER van de hemelse machten, die op de cherubs troont. Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, kwamen met de ark mee. 5  Toen de ark van het verbond met de HEER in het legerkamp aankwam, barstten alle Israëlieten uit in luid gejuich, zodat de aarde ervan dreunde. 6  De Filistijnen hoorden het lawaai en vroegen: ‘Wat klinkt daar voor gejuich uit het kamp van de Hebreeën?’ Toen ze vernamen dat de ark van de HEER in het legerkamp was aangekomen, 7  werden ze bang en zeiden: ‘Hun God is naar het legerkamp gekomen. Het ziet er slecht voor ons uit, want zoiets is nooit eerder gebeurd. 8  Het ziet er slecht voor ons uit! Wie redt ons uit de greep van die machtige God? Het is dezelfde God die in de woestijn de Egyptenaren met allerlei plagen heeft getroffen. 9  Verlies de moed niet, Filistijnen, laat zien wat je kunt! Anders worden wij slaven van de Hebreeën zoals zij het van ons zijn geweest. Laat dus zien wat je kunt. Ten aanval!’ 10 De Filistijnen gingen tot de aanval over en de Israëlieten werden verslagen. Ieder vluchtte naar zijn eigen woonplaats. Het was een zware nederlaag voor Israël, waarbij dertigduizend man voetvolk omkwamen. 11  De ark van God werd buitgemaakt en Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, vonden de dood. (NBV)

Hoogmoed komt voor de val. Op een andere manier kun je het verhaal van vandaag niet samenvatten. Het verhaal over de geschiedenis van Israël heeft ons van het boek Rechters gebracht naar het eerste boek Samuël. Dat in de Christelijke Bijbel het boek Ruth tussen Rechters en het eerste boek Samuël staat is een foutje, dat boek Ruth is een heel ander soort boek en hoort niet bij de profetische boeken die de boeken Jozua, Rechters en Samuël zijn. Daar wordt verteld hoe de God van Israël en zijn volk met elkaar om zijn gegaan. Dat wordt daar zo verteld dat ook wij er nog wat van kunnen leren en in elk geval gewaarschuwd zijn. Uit het boek Rechters herinneren we ons dat om de zoveel tijd de Filistijnen de oogst van de boeren van Israël kwamen roven. Telkens stond er dan een Rechter op die het volk bevrijdde van de plunderingen en de rovers en weer rust in het land bracht. In het verhaal van Samuël is die tijd voorbij. Het wordt tijd voor het Heiligdom van de God van Israël. Maar het volk slaat er geen acht op.

In dat Heiligdom zijn een oude blinde Hogepriester en zijn twee schurkachtige zonen de baas. Maar er loopt ook een jong priesterventje rond, geen familie van de priesters, die wijze woorden spreekt en de mensen graag helpt. Hij heeft het Heiligdom weer een beetje aanzien gegeven. Zoiets geeft de burger moed. Een beetje trots op je eigen land doet je sterk voelen. Zeker tegen vermeende vijanden, al die vreemden die jouw eten op komen maken. Het wordt tijd dat die worden aangepakt en als het imago van jouw land en jouw God weer een beetje glans vertoont dan kun je dat waarmaken ook. Zo vormen de Israëlieten een leger en trekken ze op naar de grens tussen Israël en het land van de Filistijnen. Maar er gaat iets niet goed. De Filistijnen winnen en vierduizend Israëlische soldaten sneuvelen. Kennelijk had men de glans van het Heiligdom onvoldoende laten schitteren.

De Ark moet worden gehaald. Als jouw God zichtbaar aan jouw zijde vecht dan wordt het toch wat nietwaar? Dat in die Ark het gebod “Gij zult niet doden” wordt meegedragen ontgaat Israël. De Ark bevat het Woord van God, het is geen beeld van God zoals de heidenen beelden van hun goden hebben. De Filistijnen reageren zoals verwacht, ze worden bang. Dat wil niet zeggen dat Israël gelijk had. De schrijver van het verhaal wil ons vertellen dat het volk Israël op dezelfde manier dacht als de Filistijnen, heidenen bij uitstek. De Filistijnen verzamelen nog eens extra hun moed voor de volgende slag en zijn extra gemotiveerd, tegen een geheim wapen als een God moet je extra je best doen. Het kost dertigduizend soldaten uit Israël het leven. De Filistijnen maakten de Ark buit, de twee priesterzonen sneuvelden ook. God en het Woord van God kun je dus niet voor je eigen karretje spannen, ook vandaag niet.

Niets is geheim

Lucas 12:1-12

1 Intussen had er zich een enorme menigte verzameld. De mensen verdrongen elkaar, maar hij richtte zich eerst tot zijn leerlingen: ‘Hoed je voor de zuurdesem, dat wil zeggen de huichelarij van de Farizeeën. 2  Niets is verborgen dat niet onthuld zal worden, en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 3  Alles wat jullie in het duister zeggen, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie binnenskamers in iemands oor fluisteren, zal vanaf de daken bekend worden gemaakt. 4  Tegen jullie, mijn vrienden, zeg ik: wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden, maar niet tot iets ergers in staat zijn. 5  Ik zal jullie zeggen voor wie je bang moet zijn. Wees bang voor hem die de macht heeft om iemand niet alleen te doden maar ook in de Gehenna te werpen. Ja, ik zeg jullie, wees bang voor hem! 6  Wat kosten vijf mussen? Bijna niets. Toch wordt er niet één door God vergeten. 7  Zelfs de haren op jullie hoofd zijn alle geteld. Wees niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. 8  Ik zeg jullie: iedereen die mij erkent bij de mensen, zal ook door de Mensenzoon worden erkend bij de engelen van God. 9  Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal verloochend worden bij de engelen van God. 10  En iedereen die iets ten nadele van de Mensenzoon zegt, zal worden vergeven. Maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest zal niet worden vergeven. 11  Wanneer ze jullie voor de synagogen en de autoriteiten en het gerecht slepen, vraag je dan niet bezorgd af hoe of waarmee je je moet verdedigen of wat je moet zeggen, 12  want de heilige Geest zal jullie op dat moment ingeven wat je moet zeggen.’ (NBV)

Alles komt uit. Er zijn regeringen die in het geheim alles van iedereen op de hele wereld willen controleren. Alles van iedereen komt daardoor uit. Maar ook het geheime optreden van die regeringen komt uit. En de misdaden die gepleegd worden in naam van een rechtvaardige oorlog komen uit. Natuurlijk, er zijn moorden en andere misdaden die niet worden opgelost. Er zijn boeven die niet worden gevangen. Er zijn ook sportmensen die de regels overtreden en die niet betrapt worden. Maar toch is er niets geheim. Dat geldt ook in de religie. Soms hoor je priesters of dominees wel eens zeggen dat ze een geheim hebben. Het geheim van de eucharistie, of het avondmaal. Het geheim van het geloven zelf. Maar wees gerust, in het verhaal van Jezus van Nazareth is niets geheim. Het gaat juist om het openbaren van het geheim.

De eucharistie of het avondmaal is een godsdienstoefening bij uitstek. Als je de God van Jezus van Nazareth wil dienen dan moet je bereid zijn alles te delen met een ander, desnoods jezelf. Dat doe je niet zomaar, dat is geen lolletje, dat is niet vrijblijvend. Jezus van Nazareth heeft het er over dat zijn volgelingen voor de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten gesleept zullen worden en zich zouden kunnen afvragen wat ze zouden moeten zeggen. Autoriteiten, de kerkelijke en de wereldlijke, houden van geheimen en houden graag ook veel geheim. Wie geheimen kent heeft immers macht. Maar de volgelingen van Jezus van Nazareth houden niets geheim en ontkennen dat er geheimen zijn. Er is over ieder mens dan ook niets meer te weten dan die mens over zichzelf weet. Wie ergens van beschuldigd wordt weet of het waar is of niet. En ten onrechte beschuldigd worden betekent dat het op een eerlijke manier niet te bewijzen is.

Wie beter weet wat een mens te doen staat kan altijd op de gevolgen van daden worden gewezen. Worden de armen bevrijdt? Worden de zwakken ondersteund? Wordt er vrede gesticht? Worden de hongerigen gevoed, de naakten gekleed? Gaan de doven horen, de blinden zien en de kreupelen lopen? Zelfs Jezus van Nazareth lukte het niet de mensen de mond te snoeren die door hem genezen werden en weer een plaats in de samenleving kregen, zou het effect van overheidsmaatregelen dan geheim blijven en onzichtbaar zijn voor de mensen om wie het gaat? Laat U niets wijsmaken, geheimen zijn er niet. Het enige wat we moeten weten is wat er aan de minsten onder ons gedaan moet worden. Wat we tegen de geheimhouders moeten zeggen is dus alleen dit, heb Uw naaste lief als Uzelf, dat moet elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Wee ook jullie, wetgeleerden!

Lucas 11:45-54

45  Daarop zei een wetgeleerde tegen hem: ‘Meester, door die dingen te zeggen beledigt u ook ons.’ 46  Maar Jezus zei: ‘Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan. 47  Wee jullie, want jullie bouwen graftomben voor de profeten, terwijl jullie voorouders hen hebben gedood. 48  Jullie zijn getuigen die instemmen met de daden van jullie voorouders, want zij hebben hen gedood en jullie bouwen de tomben! 49  Daarom heeft God in zijn wijsheid gezegd: “Ik zal profeten en apostelen naar hen zenden, maar ze zullen sommigen van hen doden en anderen vervolgen.” 50  Voor het bloed van al de profeten dat sinds de grondvesting van de wereld vergoten is, zal van deze generatie genoegdoening worden geëist, 51  van het bloed van Abel tot het bloed van Zecharja, die omkwam tussen het brandofferaltaar en het heiligdom. Ja, ik zeg jullie, van deze generatie zal genoegdoening worden geëist! 52  Wee jullie wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen; zelf zijn jullie niet binnengegaan, en anderen die wel binnen wilden gaan hebben jullie tegengehouden.’ 53  Toen hij het huis verliet, waren de schriftgeleerden en de Farizeeën uitzinnig van woede; ze begonnen hem over van alles uit te vragen, 54  in een arglistige poging om hem te betrappen op een ongeoorloofde uitspraak. (NBV)

Je moet je weten te verplaatsen in de samenleving waarin Jezus van Nazareth leefde en zijn boodschap verspreidde. Dat is niet zo moeilijk als het lijkt. We kennen het verschil tussen de Joodse “Wet” en de Romeinse “Wet” in de Joodse  “Wet”, de leer van Mozes, gaat het om de mensen die op een respectvolle, liefdevolle en rechtvaardige manier met elkaar moeten samenleven. Bij de Romeinse “Wet” ging het om helder op schrijven wat wel en wat niet mag. Aangezien Jezus van Nazareth de liefde voor de mensen voorop stelde kwam hij steeds in conflict met mensen die voor elke situatie precies wisten hoe wel of hoe niet te handelen overeenkomstig de Wet. Wetgeleerden schreven daarover.

Als je precies weet hoe wel of juist hoe niet te handelen dan moet je dat ook bewijzen. De richtlijnen die je terug vindt in de Bijbel, vooral de eerste vijf boeken, zijn voor sommigen ook een vindplaats voor bewijzen. Ook het leven en de uitspraken van voorbeeldige gelovigen, bijvoorbeeld de profeten, lenen zich voor bewijsplaatsen van je eigen gelijk. De traditie van je voorouders is ook een manier om te bewijzen dat je gelijk hebt omdat het altijd al zo gedaan wordt. Daar gaat Jezus van Nazareth in dit gedeelte tegen te keer. De profeten waar naar gewezen wordt werden door de voorouders gedood. Je kunt er dan wel monumenten voor oprichten maar daarmee wordt de traditie niet betrouwbaarder.

Als je zo graag de traditie wil volgen dan moet je ook rekenschap geven van de misdaden die door die traditie zijn gepleegd. Onze zwarte Piet discussie is daar misschien wel een voorbeeld van. We verheerlijken Zwarte Piet maar vergeten het bloed dat door slavenhandelaren en slaveneigenaars is vergoten. Ook die horen bij onze Nationale Traditie. Wij worden ter verantwoording geroepen voor het voorstellen van de zwarte die geen goed Nederlands spreekt, die graag de clown uithangt en altijd de knecht is van de witte heilige die beslist over goed en kwaad. Maar wat is goed en wat is kwaad. Daar kun je eindeloos over discussiëren. De mensen die liefde nodig hebben verdrinken ondertussen of gaan dood van honger. Vanuit de liefde antwoordde Jezus zijn tegenstanders, die hem dan ook niet konden betrappen op een ongeoorloofde uitspraak. Laat ook wij leven vanuit liefde en respect voor de ander, hoe anders die soms ook kan zijn.

Het een doen zonder het andere te laten

Lucas 11:37-44

37 Toen hij uitgesproken was, nodigde een Farizeeër hem uit voor de maaltijd. Hij ging naar binnen en ging aan tafel aanliggen. 38  Toen de Farizeeër dat zag, verwonderde hij zich erover dat hij zich niet eerst gewassen had voor de maaltijd. 39  Maar de Heer zei tegen hem: ‘Ach, jullie Farizeeën! De buitenkant van de beker en de schotel reinigen jullie, maar jullie eigen binnenkant is vol roofzucht en slechtheid. 40  Dwazen, heeft hij die de buitenkant gemaakt heeft niet ook de binnenkant gemaakt? 41  Geef liever de inhoud van beker en schotel als aalmoes, dan is niets meer onrein voor jullie! 42  Maar wee jullie Farizeeën, want jullie geven tienden van munt, wijnruit en andere kruiden, maar gaan voorbij aan de gerechtigheid en de liefde tot God; je zou het een moeten doen zonder het andere te laten.43  Wee jullie Farizeeën, want jullie zitten graag op een ereplaats in de synagoge en worden graag begroet op het marktplein. 44  Wee jullie, want jullie zijn als ongemarkeerde graven waar de mensen overheen lopen zonder het te weten.’ 45  Daarop zei een wetgeleerde tegen hem: ‘Meester, door die dingen te zeggen beledigt u ook ons.’46  Maar Jezus zei: ‘Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan. 47  Wee jullie, want jullie bouwen graftomben voor de profeten, terwijl jullie voorouders hen hebben gedood. 48  Jullie zijn getuigen die instemmen met de daden van jullie voorouders, want zij hebben hen gedood en jullie bouwen de tomben! 49  Daarom heeft God in zijn wijsheid gezegd: “Ik zal profeten en apostelen naar hen zenden, maar ze zullen sommigen van hen doden en anderen vervolgen.” (NBV)

Vandaag kan er weer eens flink op de Farizeeën gescholden worden. We kennen ze en ze staan in onze taal in een kwade reuk. Ze krijgen in dit Schriftgedeelte door Jezus van Nazareth ongezouten de waarheid gezegd. Maar mogen wij blij zijn geen Farizeeën te zijn? Dat is nog maar de vraag. Farizeeën probeerden de leer van Mozes onder het hele volk levend te houden. Zij waren de uitvinders van de Synagogen waar Jezus van Nazareth zo vaak kwam om uit de boeken van Mozes en de Profeten voor te lezen en er uitleg over te geven. Maar die Farizeeën hadden het over een soort religie dat voorbij ging aan de maatschappelijke werkelijkheid. Een “ieder voor zich en God voor ons allen geloof” Als elke gelovige zich nu maar netjes zou gedragen en zich aan de geboden uit de Wet van Mozes zou houden dan kwam het wel goed met het volk.  Dat ondertussen het volk bezweek onder de bezetting van de Romeinen kwam niet ter sprake. Dat de armen werden uitgeperst en velen zonder huis en tot bedelarij veroordeeld waren was een straf voor hun zonden of die van hun ouders. Moesten ze zich maar beter aan de wetten van Mozes houden.

Jezus van Nazareth verwijt de Farizeeën dat ze alleen letten op uiterlijkheden. Als hij vermoeid en uitgeput aan tafel gaat liggen, en iedereen lag in die tijd aan tafel, dan is er geen vraag naar het waarom, geen belangstelling voor zijn persoon, maar alleen een verwijt dat hij zich niet aan de regels houdt. Het samen eten, het samen delen van eten ontbreekt in dit verhaal. Op deze manier is er nooit te delen met de armen, dan blijft het bij een aalmoes aan de enkeling die langs de kant van de weg de hand ophoudt maar werkelijk veranderen is er niet bij. Is er dan veel veranderd sinds de dagen van Jezus van Nazareth?  Heeft bijvoorbeeld de discussie over normen en waarden van het zich zo christelijk noemende CDA iets opgeleverd voor bijstandsmoeders, hun kinderen, had het effect voor de armen in onze samenleving? Zijn er schulden kwijtgescholden, onrechtvaardige tolmuren gesloopt? Hebben producten uit arme landen betere kansen gekregen op onze binnenlandse markten, is de concurentie met boeren in arme landen gestopt?

Is onze samenleving rechtvaardiger geworden als het gaat om de armen in de wereld? Letten onze militairen inmiddels als eerste op de slachtoffers die er in de oorlog vallen en staan zij naast die slachtoffers, vriend of vijand? Misschien zouden we wat meer Farizeeën moeten worden maar dan ook doen wat ze zouden zeggen en wat er in het verhaal van Israël staat. Niet de nette pakken en de mooie jurken, niet de fraaie hoeden en de uniformen bepalen of normen en waarden gehaald moeten worden. Ook niet de mooie woorden die machtigen en rijken kunnen spreken, maar de Liefde voor de minsten in onze samenleving bepaalt de juiste normen en waarden. Netjes doen, je fatsoen houden, is niet verkeerd, maar zonder rechtvaardigheid voor de armen betekent het niets, zonder dat de samenleving zelf er door verandert, zonder dat het de Wet van het volk en voor het volk wordt is het zelfs antichristelijk, houdt het af van de komst van het Koninkrijk van God.

Het oog is de lamp van het lichaam

Lucas 11:29-36

29 Toen er steeds meer mensen toestroomden, zei hij: ‘Dit is een verdorven generatie! Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona. 30  Zoals Jona een teken was voor de inwoners van Nineve, zo zal de Mensenzoon een teken voor deze generatie zijn. 31  Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met de mensen van deze generatie opstaan en hen veroordelen, want zij was van het uiteinde van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier zien jullie iemand die meer is dan Salomo! 32  Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij hadden zich bekeerd na de prediking van Jona, en hier zien jullie iemand die meer is dan Jona! 33  Wie een lamp aansteekt, zet hem niet weg in een donkere nis, maar plaatst hem op de standaard, zodat degenen die binnenkomen het licht kunnen zien. 34  Het oog is de lamp van het lichaam. Als je oog helder is, is je hele lichaam verlicht. Maar als het troebel is, verkeert je lichaam in duisternis. 35  Let dus op of het licht dat in je is, niet verduisterd is. 36  Als je hele lichaam verlicht is, zonder dat ook maar een deel in duisternis verkeert, dan is het zo licht als wanneer een lamp je met zijn stralen verlicht.’ (NBV)

Wie oren heeft om te horen, die hore. We kennen de uitspraak wel. Maar luisteren we er ook naar? In dit gedeelte besluit Jezus van Nazareth met het beeld van het oog. Het oog is de lamp van het lichaam klinkt het hier. Wij beschouwen onze ogen vaak als ramen naar de buitenwereld. Daarmee moeten we immers alles waarnemen en beschouwen. Maar het oog dat kijkt in de Geest van Jezus van Nazareth ziet ook naar binnen. Schijnt het licht van het goede wel in ons, en door ons? Zijn we helder genoeg van Geest om de naaste waar te nemen? Zijn we niet verduisterd door angst, durven we ons te verplaatsen in de positie van de slachtoffers. Hebben we echt wel genoeg aan het brood dat we vandaag nodig hebben of zijn onze ogen verblind door glitter en schitter van mooi en kostbaar?

Zien we de ander wel als gelijke of trekken we de wenkbrauwen op uit arrogantie en hoogmoed?Kijken we omhoog ons verplaatsend in de positie van de minste, of kijken we omlaag om te zien over wie we nog macht kunnen uitoefenen? In dit Bijbelgedeelte wordt Jona genoemd. Wij kennen Jona van de grote vis die hem verzwolg toen hij vluchtte voor de opdracht van God. Maar het verhaal van Jona gaat over een God die steeds opnieuw met mensen wil beginnen. Jona werd opnieuw op pad gestuurd en de inwoners van de stad die hij de ondergang moest aanzeggen besloten voortaan op een nieuwe manier met elkaar om te gaan waardoor de stad niet ten onder ging. Als we het nog niet snappen moeten we het zelf maar weten zegt Jezus van Nazareth.

Elk moment kunnen we opnieuw beginnen. Voor ons is het niet ver reizen, zoals voor die Koningin die uit donker Afrika naar Salomo kwam om van hem de grondregel te leren dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Voor ons is die wet vlak bij, voor het grijpen. Er zijn geen ingewikkelde rituelen voor nodig om er mee te beginnen. Een helder oog. een open oor, een uitgestoken hand zijn genoeg. We hebben Fair Trade en wereldwinkels om boodschappen te doen, wie nog een vakantie moet plannen kan vrijwilligersorganisaties vinden die handen zoeken om enkele weken of een enkele week te helpen. Kinderen zwerven over straat en zoeken opvang in timmerdorpen of speeltuinen vol vrijwilligers. Overal zijn mensen nodig die het goede willen doen en niet dan het goede. Zorg dus dat het licht gaat schijnen in je omgeving. Het duister van de wereld gaat dan tenminste een beetje weg, maar als we met genoeg zijn verdwijnt het duister voorgoed.

Wie niet met mij is, is tegen mij

Lucas 11:14-28

14 Hij dreef een demon uit die niet kon spreken. Toen de demon verdreven was, begon de stomme te spreken en de mensenmenigte stond verbaasd. 15  Maar enkelen van hen zeiden: ‘Dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen, kan hij demonen uitdrijven.’ 16  Anderen verlangden van hem een teken uit de hemel om hem op de proef te stellen. 17  Maar hij kende hun gedachten en zei tegen hen: ‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is wordt verwoest, en huis na huis stort in. 18  Als ook Satan innerlijk verdeeld is, hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? Jullie zeggen toch dat ik dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf! 19  Als ik inderdaad dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven jullie eigen mensen ze dan wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het schoongemaakt is en op orde gebracht. 26  Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf, en ze nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen.’ 27 Terwijl hij dit zei, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep tegen hem: ‘Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten waaraan u gedronken hebt!’ 28  Maar hij zei: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.’ (NBV)

We hebben het al vaker gezegd, van het goede kan alleen het goede komen, van het kwade komt het kwade. Wij geloven in het goede, in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth die dat goede heeft volgehouden zelfs door de dood heen. In de duivel, of het kwade, of de Beëlzebub, zoals de bijgelovigen de heerser van de duivels en demonen noemden, geloven we dus niet. In sommige discussies lijkt het er op dat je niet in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth kunt geloven als je niet in de duivel of diens trawanten gelooft. Maar zo is het natuurlijk niet. Er is één God, de God die in mensen gelooft en met de minsten onder ons meetrekt. Daar komt het goede vandaan en aan ons het goede te doen en niet dan het goede. Wie dus niet de weg wil volgen die Jezus van Nazareth heeft gewezen gaat dus de weg van het kwade, houdt het kwade in deze wereld in leven, houdt het kwade in stand.

Zelf zegt Jezus van Nazareth in dit verhaal uit het Evangelie van Lucas dat wie niet samenbrengt uiteen drijft. Die uiteendrijvers kennen we in onze dagen maar al te goed. Vreemdelingen zijn onder ons gaan wonen die een sterk geloof hebben in wat zij zien als de God van Abraham. De God die aan Abraham beloofde dat die de vader van vele volken zou worden. Volgens het verhaal van Israël werd ook de andere zoon van Abraham, Ismaël uitdrukkelijk in deze belofte betrokken. En de Moslims geloven dat, via de afstamming van Ismaël, ook zij hebben kennis gemaakt met de God van Abraham. In ons parlement wordt dat geloof afgedaan als een achterlijk geloof. Elke poging van weldenkende en christelijke mensen een brug te slaan tussen onze traditie en het nieuwe geloof dat onder ons is gekomen wordt aangevallen en weggehoond.

Wie wil weten wat uiteendrijven betekent, kan betekenen, hoeft niet meer de geschiedenisboeken over de jaren 30 en 40 in de vorige eeuw op te slaan en te lezen wat er, te beginnen in Duitsland, uiteindelijk in Europa gebeurde, maar die kan in de Handelingen van de Tweede Kamer tegenwoordig heel goed nalezen wat uiteendrijven betekent. Het is maar te hopen dat de gevolgen die het in de vorige eeuw heeft gehad in deze eeuw niet vergeten zullen worden. Het is in elk geval duidelijk dat die manier van uiteendrijven niet past in de Joods-Christelijke-Humanistische traditie waar onze samenleving op gebouwd zou zijn. Het is er fundamenteel mee in strijd. Daarom aan ons elke dag weer de vraag welke kant wij kiezen, de goede of de kwade kant.

Het brood dat wij nodig hebben

Lucas 11:1-13

1 Eens was Jezus aan het bidden, en toen hij zijn gebed beëindigd had, zei een van zijn leerlingen tegen hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’2  Hij zei tegen hen: ‘Wanneer jullie bidden, zeg dan: “Vader, laat uw naam geheiligd worden  en laat uw koninkrijk komen. 3  Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben. 4  Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving.”’ 5  Daarna zei hij tegen hen: ‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: “Wil je mij drie broden lenen, 6  want een vriend van me is na een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” 7  En veronderstel nu eens dat die vriend dan zegt: “Val me niet lastig! De deur is al gesloten en mijn kinderen en ik zijn al naar bed. Ik kan niet opstaan om je te geven wat je vraagt.” 8  Ik zeg jullie, als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat ze vrienden zijn, dan zal hij wel opstaan omdat zijn vriend zo onbeschaamd blijft aandringen, en hem alles geven wat hij nodig heeft. 9  Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10  Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. 11  Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? 12  Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13  Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’ (NBV)

Vandaag vragen wij ons af hoe je moet bidden. Jezus van Nazareth gaf daarin volgens het Evangelie van Lucas les op verzoek van zijn leerlingen. Het gedeelte dat we uit de Bijbel lezen vandaag eindigt niet met het beroemde Onze Vader in de versie van het Evangelie van Lucas, het begint er mee. Het leert ons ook wat bidden eigenlijk is. Bidden is vragen, maar dan vragen naar wat je echt nodig hebt. Voor eten hebben we eigenlijk niet meer nodig dan brood. En om een beetje vrede te hebben weten we eigenlijk best dat we mensen om ons heen de fouten moeten vergeven waarvan we willen dat zij ze ons ook zouden vergeven. Natuurlijk mag je die noemen. Maar je mag ook zelf aan die mensen om je heen die vergeving vragen. Want meestal weten mensen hun eigen fouten het eerst, en de eerste zijn die om vergeving vraagt maakt dat mensen mild gestemd worden en ontvankelijker worden voor het noemen van hun eigen fouten, zeker als die vergeven worden.

Vergeving is dan ook niet zoiets als “zand erover”, maar veel meer “we beginnen opnieuw maar dan op andere manier”. Van vergeving groei je, zeiden ze vroeger wel eens, maar Paulus waarschuwde in een van zijn brieven dat je er niet maar op los moet leven zodat je veel meer vergeving krijgt voor alles wat je verkeerd doet. Het goede brengt het goede voort leren we. Natuurlijk, een vader die zijn kinderen liefheeft geeft ze geen oneetbare dingen als maaltijd. Wie dit leest en een vader, moeder of verzorger heeft en wel geslagen en vernederd wordt en dat niet durft te zeggen moet echt de kindertelefoon bellen., of er met iemand over praten. Ook die vader, moeder of verzorger kan vergeven worden voor de fouten die ze maken maar dat opnieuw beginnen kan alleen als iemand er over durft te spreken. Als iedereen snapt dat je kinderen het goede moet geven hoeveel meer kan het goede zelf dan voortbrengen.

Daarom moet je ook niet je mond houden bij het kindergehuil bij de buren, daarom moet je ook spreken over de blauwe plekken bij de buurvrouw of buurman, daarom moet je iets zeggen als de vrienden en vriendinnen van je eigen kinderen weer eens dronken zijn. Vergeven kan alleen beginnen als duidelijk is wat er vergeven moet worden, als we bereid zijn om het samen anders te gaan doen, het kwade te gaan weren en het goede toe te laten in ons leven. Dat is pas bidden en dan geldt zeker dat, als je bidt, je ook gegeven zal worden. Niet om rijkdom en aanzien valt er te bidden, niet om te zeggen hoe goed we wel niet zijn, maar om de Geest van God, want in die geest willen we werken en leven, niet voor onszelf maar voor onze naaste. Wij bidden dat het Koninkrijk van God zal komen, waar iedereen aan mee mag doen. Wij zelf hebben aan brood genoeg.