De wet van de koning

Ester 9:1-15

1 De dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar, brak aan, de dag waarop het bevel en de wet van de koning zouden worden uitgevoerd, de dag waarop de vijanden van de Joden hen in hun macht hoopten te krijgen. Maar het omgekeerde gebeurde: het waren juist de Joden die hun belagers in hun macht kregen. 2 Die dag slotende Joden zich in alle steden aaneen, in alle provincies van koning Ahasveros, om hen die op hun ondergang uit waren om het leven te brengen. Niemand hield stand tegen de Joden, want angst voor hen had zich van alle volken meester gemaakt. 3 De hoofden van alle provincies, de satrapen, de gouverneurs en de koninklijke ambtenaren steunden de Joden uit angst voor Mordechai. 4 Mordechai had immers een hoge positie in het paleis en zijn faam verbreidde zich over alle provincies; hij werd hoe langer hoe machtiger. 5 De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en zaaiden dood en verderf, ze deden met hun belagers wat ze wilden. 6 In de burcht van Susa doodden ze niet minder dan vijfhonderd man. 7 Ook doodden ze Parsandata, Dalfon en Aspata, 8 Porata, Adalja en Aridata, 9 Parmasta, Arisai en Aridai en Waizata, 10 de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedata, de vijand van de Joden. Maar hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan. 11 Toen de koning die dag vernam hoeveel mensen er in de burcht van Susa gedood waren, 12 zei hij tegen koningin Ester: ‘Alleen al in de burcht van Susa hebben de Joden vijfhonderd man gedood, ook de tien zonen van Haman. Hoeveel tegenstanders zullen ze dan wel niet hebben gedood in de andere provincies van mijn rijk! Wat wilt u verder nog vragen? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Hij zal vervuld worden.’ 13 Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, laat hij de Joden in Susa dan toestemming geven om ook morgen te handelen volgens de wet die voor vandaag geldt. En laat de lijken van Hamans tien zonen aan een paal gehangen worden.’ 14 De koning gaf bevel dat het zo zou gebeuren. Er werd in Susa een wet uitgevaardigd, en ook werden de tien zonen van Haman opgehangen. 15 De Joden in Susa sloten zich dus ook op de veertiende dag van de maand adar aaneen en ze doodden in Susa nog eens driehonderd man. Maar hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan. (NBV21)

Mensen die geweld willen gebruiken lijken het nooit te leren. Zelfs als de maatschappelijke wind zich tegen hen keert gaan ze met dichte ogen door. In het verhaal van Ester zijn het de Joden die zich aaneensluiten en zich weten te verdedigen. Het middenkader van de Staat had heel goed begrepen waar de juiste politieke wind vandaan kwam en steunde de Joden in hun verzet. De wet van de Koning die hen het recht gaf zich te verdedigen gaf hen ook het recht het bezit van hen die sneuvelden tot hun eigendom te maken. Maar heel uitdrukkelijk wordt gezegd dat ze die bezittingen niet aanraakten. Het geweld is een keuze voor het leven en tegen de dood. Het geweld is niet bedoeld om macht uit te oefenen of te krijgen, het is niet bedoeld om er zelf rijker van te worden.

Vandaag lijkt dat wat anders te gaan. Wie het geweld in het Midden Oosten ziet kan niet anders tot de conclusie komen dat oorlog en geweld gebruikt worden om macht uit te oefenen en bezit te vergroten. De totale verwoesting van Gaza vergroot toch niet de veiligheid van Israël, het vermeerderd nabestaanden die wraak willen nemen. De kolonisten op de Westoever schenden de verdragen over een zelfbestuur van Palestijnen en worden daarvoor beschermd door de militaire macht van Israël. In het verhaal van Ester is het Mordechai die het recht vertegenwoordigd die de wet voor elkaar krijgt die zelfverdediging toestaat, dat in tegenstelling met Haman in die alleen uit is op eigen macht. Dat ons internationaal recht zich beweegt in de richting van Mordechai en de Hamans uit deze wereld niet langer in bescherming neemt gaat nog maar heel langzaam.

Dictators in deze wereld die moorden en roven blijven maar al te vaak buiten schot. Er zijn er die voor het internationale strafhof zijn gedaagd. En het strafhof zelf is ook nog jong en belangrijke landen die beslissen over oorlog en vrede doen daaraan niet mee. Pas na de tweede wereldoorlog zijn er tribunalen ingesteld. Maar hoeveel daders van hoeveel genocides hebben het lot van Haman moeten delen? Dat zijn er nog maar heel weinig. Het verhaal van Ester is een verhaal van deze wereld omgekeerd. Niet alleen de wereld van enkele honderden jaren voor de geboorte van Christus, maar ook van de wereld van de eenentwintigste eeuw. Wij zijn nog lang niet klaar met het omkeren van onze wereld van een wereld vol geweld naar een wereld vol recht en gerechtigheid. Zolang wij de armen zichzelf laten verdedigen, valt er nog een heleboel werk te verzetten. Het is maar goed dat we er elke dag weer opnieuw aan mogen beginnen, ook vandaag weer.

 

Het uitroeien

Ester 8:3-17

3 Opnieuw wendde Ester zich tot de koning. Huilend viel ze aan zijn voeten en smeekte hem het verderfelijke plan te verijdelen dat Haman, de nakomeling van Agag, tegen de Joden had beraamd. 4 De koning stak Ester de gouden scepter toe, waarna ze opstond, voor de koning ging staan 5 en zei: ‘Als het de koning goeddunkt en hij mij goedgezind is, als het de koning juist lijkt en hij op mij gesteld is, laat er dan een bevel op schrift gesteld worden dat de brieven herroept die geschreven zijn door Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling van Agag, waarin zijn plan staat om in alle provincies van het rijk de Joden uit te roeien. 6 Want hoe zou ik het onheil dat mijn volk treft kunnen aanzien? Hoe zou ik het uitroeien van mijn familie kunnen aanzien?’ 7 Koning Ahasveros zei tegen koningin Ester en tegen de Jood Mordechai: ‘Hamans bezittingen heb ik al aan Ester gegeven en hijzelf is aan de paal gehangen omdat hij de Joden om het leven wilde brengen. 8 Stel nu zelf, in naam van de koning, een verordening op schrift die u voor de Joden het beste lijkt, en verzegel die met de koninklijke zegelring. Want wat geschreven is in naam van de koning en verzegeld met de zegelring van de koning kan niet worden herroepen.’ 9 Meteen daarna, op de drieëntwintigste dag van de derde maand, de maand siwan, werden de schrijvers van de koning ontboden. Er werd een bevel op schrift gesteld dat precies zo luidde als Mordechai het wilde en dat gericht was aan de Joden, aan de satrapen en de gouverneurs, en aan de hoofden van alle provincies, van India tot Nubië, honderdzevenentwintig provincies. Voor elke provincie was er een bevel in haar eigen schrift en voor elk volk in zijn eigen taal, ook voor de Joden in hun eigen schrift en hun eigen taal. 10 Mordechai liet dit bevel schrijven in naam van koning Ahasveros en verzegelde het met de zegelring van de koning. Door boden die snelle paarden bereden, gefokt in de koninklijke stoeterij, liet hij brieven verspreiden 11 waarin stond dat de koning de Joden in alle steden het recht gaf om zich aaneen te sluiten en hun leven te verdedigen; iedere groep gewapenden van welk volk of uit welke provincie ook die hen en hun vrouwen en kinderen zou willen aanvallen, mochten ze tot de laatste man doden, en hun bezittingen mochten ze buitmaken. 12 In alle provincies van koning Ahasveros zou dit recht gelden voor één bepaalde dag, en wel de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar. 13 In alle provincies moesten afschriften van de brief worden verspreid; de inhoud ervan moest overal als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekendgemaakt worden, zodat de Joden zich tegen de genoemde dag gereed konden houden om zich op hun vijanden te wreken. 14 Op bevel van de koning vertrokken de boden op hun snelle, koninklijke paarden met de grootste spoed. Ook in de burcht van Susa werd de wet uitgevaardigd. 15 Mordechai verliet de koning in een koninklijk gewaad van fijn linnen, blauwpurper en wit van kleur, en hij droeg een grote gouden kroon en een roodpurperen mantel van byssus. De stad Susa juichte en was opgetogen. 16 Voor de Joden brak er een tijd aan van licht en vreugde, blijdschap en eer. 17 In alle provincies en in alle steden heerste onder de Joden vreugde en blijdschap zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden; er werden maaltijden aangericht en er werd feestgevierd. En uit alle volken van het land sloten zich velen bij de Joden aan, want angst voor de Joden had zich van hen meester gemaakt. (NBV21)

Voor even mocht Mordechai de Jood koning zijn over de halve wereld. Niet om zijn macht op te leggen aan anderen. Niet om zelf feest te kunnen vieren op kosten van anderen, nee, om een wet te verspreiden waarbij hij en zijn volk zich konden verdedigen tegen hun vijanden. Dat recht om je te verdedigen tegen je vijanden wordt maar weinig toegekend. Hoe groot de bedreiging ook is, meestal wordt gekozen voor overleg en acceptatie. Dan moet er maar een oplossing gezocht worden. Zoals die Armeniërs die in 1915 massaal de woestijn werden ingestuurd zonder dat de wereld een hand uitstak. Nu praten ze over volkerenmoord en de Turken die ze militair moesten begeleiden kunnen daar kwaad over worden maar alle verenigde volkeren keken toe en zwegen. Ook vandaag de dag zwijgen de volken soms als er geweld wordt gebruikt om eigen eer, macht en bezit te verdedigen ten koste van anderen.

De vluchtelingen die uit Syrië in Libanon verzeild zij geraakt werden niet bewapend, ze werden lang ook niet militair beschermd trouwens. Het geweld verhinderde hulporganisaties om voedsel en medicijnen te brengen naar Noord Syrië zodat met de mensen uit dit gebied hetzelfde gebeurd als met de Armeniërs een eeuw geleden. En weer zwegen de naties ondraaglijk lang. In ons land gaat het alleen om het tegenhouden van vluchtelingen, niet om hulp en bescherming, ga maar eens in Griekenland kijken. Zo lang het moorden uit de lucht niet te zien is mag het doorgaan, Isis heeft daardoor toch een probleem gekregen omdat zij de moorden op internet publiceerden. De zelfverdediging die Mordechai mogelijk maakte leidde tot feesten en maaltijden. En velen sluiten zich daarbij aan want je wilt wel horen bij een volk dat zichzelf mag verdedigen. Zeker als je de vijanden, die ondanks deze wet toch geweld willen gebruiken, mag doden en hun bezittingen mag inpikken. Het is de omgekeerde wereld.

Niet als slachtoffer blijven zitten met as op je hoofd, de eerdere rol van Mordechai, maar als Koning door de stad rijden omdat jij de wet mag uitvaardigen die jou en je volk het leven geeft. Het was een Heidense Wet, een onveranderlijke wet, een Wet onder het zegel van een Heidense Koning. Daarom ook niet een Wet van vergeving, een wet van geweldloosheid, een wet van meegaan met de vijand. Als de keuze er is tussen leven en dood dan gebied de oude wet van de woestijn te kiezen voor het leven. En als Joden elkaar toedrinken op het Joodse Carnaval, het Poerimfeest, als dit boek van Ester wordt gelezen, dan drinken ze “op het leven”. Zo mogen ook wij kiezen voor het leven, niet alleen het leven voor onszelf en ons eigen volk, maar ook voor het leven van hen die met geweld worden bedreigd. Hoewel we een klein land zijn, is dit land wel zo rijk en haar bondgenootschappen zo machtig dat we niet meer hoeven te zwijgen als andere volken worden uitgemoord. Nu niet en nooit niet.

Die ellendeling daar

Ester 7:1–8:2

1 Zo waren de koning en Haman weer bij koningin Ester te gast. 2 Ook op deze tweede dag zei de koning, terwijl de wijn geschonken werd, tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen, koningin Ester? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.’ 3 Koningin Ester antwoordde: ‘Majesteit, als u mij goedgezind bent en als het de koning goeddunkt, schenk mij en ook mijn volk dan het leven; dat is wat ik wil vragen, dat is mijn wens. 4 Want we zijn verkocht, mijn volk en ik, om gedood te worden en volledig te worden uitgeroeid. Als we waren verkocht als slaven en slavinnen, dan zou ik hebben gezwegen, want zo’n ramp zou de belangen van de koning niet schaden.’ 5 ‘Wie is die man, waar is die man die zijn zinnen erop heeft gezet om zoiets te doen?’ vroeg koning Ahasveros aan koningin Ester. 6 En Ester antwoordde: ‘Die meedogenloze vijand, dat is die ellendeling daar, Haman!’ Haman kromp ineen van angst voor de koning en de koningin. 7 Woedend stond de koning van tafel op en ging de paleistuin in. Maar Haman bleef, om koningin Ester om zijn leven te smeken, want hij besefte dat hij van de koning niets goeds te verwachten had. 8 Toen de koning uit de paleistuin terugkwam in het vertrek waar het feestmaal werd gehouden, had Haman zich juist laten neervallen op de bank waarop Ester lag. ‘Ook nog de koningin aanranden in mijn aanwezigheid?!’ riep de koning uit. Nauwelijks had hij deze beschuldiging geuit of men bedekte Hamans gezicht. 9 Charbona, een van de eunuchen die de koning dienden, zei: ‘Staat er bij Hamans eigen huis niet al een paal van vijftig el hoog, die Haman heeft neergezet voor Mordechai, dezelfde Mordechai die de koning ooit zo’n grote dienst heeft bewezen?’ ‘Hang hem daaraan,’ zei de koning. 10 Zo werd Haman aan de paal gehangen die hij had laten klaarzetten voor Mordechai. Toen bedaarde de woede van de koning. 1 Diezelfde dag nog schonk koning Ahasveros de bezittingen van Haman, de vijand van de Joden, aan koningin Ester. En Mordechai kreeg vrij toegang tot de koning, want Ester had verteld in welke relatie hij tot haar stond. 2 De koning deed de zegelring af die hij Haman had afgenomen en gaf die aan Mordechai. En Ester gaf Mordechai het beheer over Hamans bezittingen. (NBV21)

Het is een mooi Carnavalsverhaal dat in alle eeuwen een grote populariteit heeft gekregen. Het arme weesmeisje uit een vreemd land Ester wordt Koningin, ze kan alles krijgen van de Heidense Koning zo lief is ze. De afloop is bekend: de wrede hooghartige regeerder Haman hangt aan de paal die hij voor zijn vijand had opgericht. Kan het? mooier? Nou het zou mooier kunnen. Waar blijft de vergeving in dit verhaal? Zulke subtiliteiten passen natuurlijk niet een Carnavalsverhaal. Het Joodse Purimfeest kent net zulke feesten en verkleedpartijen als ons eigen Carnaval. Hoewel het het enige feest is dat niet aan een bijzondere gebeurtenis in het jaar is gekoppeld, begin van de oogst of het einde daarvan bijvoorbeeld, maar het volgens het verhaal valt op een datum die ooit door het lot is bepaald, valt het altijd in het voorjaar.

Voor het seizoen van zaaien, planten, maaien en oogsten begint mogen de armen nog eenmaal uit de band springen. Alle overgebleven voedsel uit de wintertijd moet nu echt worden opgemaakt anders is het bedorven. Daarom volgt er in de Christelijke traditie ook een vastentijd op het Carnaval. Met het laatste beetje uit de winter moeten we de tijd tot de eerste vruchten van het land overbruggen tot het feest van de ongezuurde broden. Voor echte dictators is dit verhaal een blijvende waarschuwing. Altijd zijn er mensen uit hun directe omgeving die als de tijd rijp is hen kunnen aanwijzen als de aanstichters van wreedheden. Voor de onderdrukten kan het hoop betekenen. De dictator in dit verhaal wordt immers ontmaskerd en krijgt de straf die hij zelf heeft uitgedacht, zoals zijn slachtoffer de eer kreeg die door de beul voor zichzelf was uitgedacht. Maar is het noodlot afgewend als de dictator verdwenen is?

In de viering van ons Carnaval weten we dat het maar spel is. De prins Carnaval kan wel de sleutels van de stad krijgen, hij is daarmee nog niet echt de baas over de samenleving. Zijn Raad van Elf kan wel in de meest deftige pakken door de straten trekken ze zijn daarmee nog niet het bestuur van de stad. Drie dagen verdwijnt het onderscheid tussen arm en rijk, hoog en laag, geschoold en ongeschoold, heiden en Jood, man en vrouw, jong en oud, maar na die drie dagen weet iedereen weer de plaats die zogenaamd in de samenleving moet worden ingenomen. Alsof het een wet van Meden en Perzen is, een heidense wet die onveranderlijk is. Vandaag vieren we mee met de val van de dictator, maar wanneer de opstanding en bevrijding komt van de armen is een zaak van hard en veel werken. Daar kunnen we elke dag nog mee bezig zijn.

 

Onvermoede woorden

Psalm 81

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van Asaf. 2 Jubel voor God, onze sterkte, juich voor de God van Jakob, 3 zing een lied en sla de tamboerijn, speel op de harp en de lieflijke lier, 4 blaas op de ramshoorn bij nieuwemaan en bij vollemaan voor onze feestdag, 5 want dat is een opdracht aan Israël, een voorschrift van Jakobs God. 6 Daartoe verplichtte Hij Jozef, toen Hij optrok tegen Egypte. Onvermoede woorden hoor ik zeggen: 7 ‘Ik nam de last van je schouder, je hand raakte geen draagkorf meer aan. 8 Riep je om hulp, Ik redde uit de nood en gaf antwoord uit het duister van de donder. Ik stelde je op de proef bij het water van Meriba: sela 9 “Hoor, mijn volk, Ik moet je vermanen, Israël, luister naar Mij. 10) Laat geen andere god bij je toe, buig je niet voor een vreemde god, 11 Ik ben de HEER, je God, die je wegleidde uit Egypte- open wijd je mond, Ik zal hem vullen.” 12 Maar mijn volk luisterde niet, Israël wilde niet van Mij weten. 13 Toen liet Ik hen begaan, koppig volgden zij hun eigen inzicht. 14 Ach, wilde mijn volk maar horen, wilde Israël mijn wegen maar volgen. 15 Spoedig zou Ik zijn vijanden vernederen, zou mijn hand zich keren tegen zijn belagers. 16 Wie de HEER haten, zouden kruipen voor zijn volk, dat zou voor altijd hun lot zijn. 17 Maar Israël zou Hij voeden met de edelste tarwe- ja, jou zou Ik spijzigen met honing uit de rots.’ (NBV21)

Psalm 81 is een feestlied dat zingt over het feest van de Nieuwe Maan. Een Joods feest met hele oude wortels. Maar in de loop van de traditie is dit lied vastgehecht aan het nieuwe maanfeest in de herfst. Als de oogst binnen is, als de rust van de winter aanstaande is, de dagen korter worden en de nachten langer. Dan is een nieuwe maan al heel vroeg het teken dat het licht niet zal verdwijnen maar zal terug keren. Het is een Psalm van Asaf en volgens sommige geleerden was Asaf een hogepriester vlak na de terugkeer van de ballingen uit Babel. Die ballingen moesten de Tempel herbouwen en het verbaast dus niet dat zelfs voor oude gebruiken nieuwe liederen moesten worden geschreven. De Priesters konden dan ook gebruik maken van de gelegenheid om de verbindingen met de geschiedenis van Israël als volk van God nog eens goed duidelijk te maken.

De Psalm herinnert dan ook aan de dagen dat Jozef naar Egypte ging. Jozef hield vast aan de regels die hij van huis uit had meegekregen en doorbrak daardoor de Egyptische dodencultus en hervormde de samenleving in Egypte tot een gemeenschap die leven gaf, die brood spaarde voor tijden van schaarste en uitdeelde aan hen die het nodig hadden. Daardoor bleef het ook volk van Jacob in leven. Maar na de bevrijding uit de slavernij moest het volk nog steeds leren te vertrouwen op de God van Israël. Midden in de woestijn kwam men water tegen dat zo bitter was dat men het niet kon drinken. Bij Meriba, daar kreeg men water maar ook kritiek omdat men de Heer God had proberen te verzoeken. Het feest van de Nieuwe Maan was voor het volk Israël niet zonder risico’s. De Maan werd door veel volken vereerd als een godin. Een vruchtbaarheidsgodin met de bijbehorende riten.

En juist het volk Israël had geleerd dat natuurverschijnselen niet vereerd behoren te worden. Geen zon, geen maan kon tegen de God van Israël op. En al helemaal geen mens. Het vereren van een mens, het zalig verklaren van een mens is een gruwel in de ogen van de Bijbel. Alles spreekt er tegen. Ook in onze dagen mogen we daar onze ogen niet voor sluiten. Hoezeer wij ook kunnen genieten van de shows die hoog geborenen voor de volken van de aarde kunnen opvoeren. Hoezeer wij ze ook geluk en een lang leven gunnen en met ze meeleven in vreugdevolle en droevige dagen, zij regeren niet, het is de God van Israël die we moeten laten regeren. Juist in zijn gebod, te delen met hen die niets hebben, worden wij rijker. Ook vandaag en morgen mogen we daaraan denken en in die geest werken. Al zingend.

 

Dit valt eenieder ten deel

Ester 6:1-14

1 Die nacht kon de koning niet in slaap komen. Daarom gaf hij bevel de kronieken te brengen, het boek met de gedenkwaardige gebeurtenissen van het rijk. Daaruit liet hij zich voorlezen. 2 Op zeker moment kwam men bij het gedeelte waarin stond dat Mordechai iets had onthuld over Bigtan en Teres, twee eunuchen die de koning als lijfwacht dienden, en wel dat zij een plan hadden beraamd om koning Ahasveros om het leven te brengen. 3 ‘Welk eerbewijs of welke onderscheiding is daarvoor aan Mordechai gegeven?’ vroeg de koning. ‘Er is hem niets gegeven,’ antwoordden zijn kamerdienaars. 4 Daarop vroeg de koning: ‘Is er iemand in de hof?’ Nu was Haman zojuist in de buitenhof van het paleis gekomen om de koning te zeggen dat hij Mordechai aan de paal moest hangen die Haman voor hem had laten klaarzetten. 5 Zijn dienaren antwoordden: ‘Ja, Haman staat in de hof te wachten.’ ‘Laat hem binnen,’ zei de koning. 6 Toen Haman binnengekomen was, vroeg de koning hem: ‘Wat moet er gedaan worden als de koning iemand eer wil bewijzen?’ Haman dacht bij zichzelf: Aan wie zou de koning meer eer willen bewijzen dan aan mij? 7 En hij antwoordde de koning: ‘Als de koning iemand eer wil bewijzen …  8 Er zou een koninklijk gewaad moeten worden gehaald dat de koning zelf heeft gedragen en een paard waarop de koning zelf heeft gereden en dat een koninklijke kroon op het hoofd heeft. 9 Dat gewaad en dat paard moeten worden toevertrouwd aan een van de rijksgroten van de koning, aan iemand die tot de adel behoort. En die moet dan degene aan wie de koning eer wil bewijzen het gewaad omhangen, hem op het paard over het stadsplein laten rijden en, voor hem uit gaand, roepen: “Dit valt eenieder ten deel aan wie de koning eer wil bewijzen!”’10 Daarop zei de koning tegen Haman: ‘Haal snel het gewaad en het paard waarover u hebt gesproken en handel op de voorgestelde manier met de Jood Mordechai, die dienstdoet in de Koningspoort. Laat niets van wat u hebt voorgesteld achterwege.’ 11 Haman haalde het gewaad en het paard, hing Mordechai het gewaad om en liet hem over het stadsplein rijden. En terwijl hij voor hem uit ging, riep hij: ‘Dit valt eenieder ten deel aan wie de koning eer wil bewijzen!’ 12 Mordechai ging hierna terug naar de Koningspoort. Maar Haman haastte zich naar huis, treurend, het hoofd bedekt. 13 Aan zijn vrouw Zeres en aan al zijn vrienden vertelde hij wat hem was overkomen. Zijn raadgevers en zijn vrouw zeiden daarop tegen hem: ‘Als die Mordechai, van wie je nu voor het eerst hebt verloren, tot het Joodse volk behoort, kun je niet tegen hem op; je zult het volledig van hem verliezen.’ 14 Ze waren nog niet uitgesproken of daar waren de eunuchen van de koning al, die Haman zo snel mogelijk naar het feestmaal brachten dat Ester had bereid. (NBV21)

We leren vandaag hoe het de hooggeplaatsten in het land kan vergaan. Zelfs onze democratisch benoemde ministers zullen dat moeten leren. Haman was zo’n hooggeplaatste, de allerhoogste na de koning. In het voorgaande is dat duidelijk gemaakt. Iedereen moest voor hem buigen als hij het paleis betrad. Mordechai was niet zo hoog als Haman, hij werkte bij de Koninklijke Rechtbank en weigerde te buigen voor deze hooggeplaatste mens. Haman had daarop de koning overgehaald een wet te tekenen waarbij alle volksgenoten van Mordechai, de Joden dus, gedood zouden mogen worden. Een maaltijd met Koningin Ester voelde als een beloning voor de eer die hij verdiende. Maar met Carnaval worden de rollen graag omgedraaid. De grootste zot wordt Prins en krijgt de sleutel van de stad.

Zo ook in het verhaal van Israël en het Ester verhaal is immers een carnavalsverhaal. Vooruitlopend op de Holocaust wet van Haman had deze alvast een paal laten oprichten om Mordechai aan te hangen. Hij haastte zich naar het paleis om de Koning om toestemming te vragen. Maar die Koning was nog eens in de kronieken gaan neuzen. Hij had de krant van de laatste tijd nog eens doorgenomen zouden wij zeggen. En daarin stond nog het bericht dat Ester, zijn lieve koninginnetje, hem namens haar oom Mordechai had gewaarschuwd voor een complot tegen het leven van de Koning. Burgers, die zo opletten en terroristische aanslagen weten te voorkomen, moeten worden beloond nietwaar. Haman, als liefhebber van pracht en praal, weet vast een goede beloning te verzinnen.

En jawel, gekleed in een Koninklijke mantel en op het Koninklijke paard wordt Mordechai door de stad gereden terwijl Haman als een dienstknecht het paard bij de teugel houdt en roept hoe goed die Mordechai wel niet is. Je ziet het voor je, een echte carnavalsoptocht. Joodse commentaren op dit verhaal maken het nog erger. Het mooiste commentaar laat Haman treuren omdat zijn dochter zich van het dak had gestort. Ze had daar staan kijken hoe haar vader geëerd zou worden en schrok van de omkering. Haman had een doek over zijn hoofd getrokken zodat ze uit spot de nachtemmer over de paardenknecht had uitgestort en daarna pas had gemerkt dat dit haar vader was. Wij lachten om het verhaal en weten dat wie zijn naaste dient het meest wordt geëerd. Als nu onze ministers zich als dienaren van de zwaksten in de samenleving weten op te stellen dan wordt die samenleving misschien een klein beetje beter.

Zijn geweldige rijkdom

Ester 5:1-14

1 Toen de derde dag aangebroken was, hulde Ester zich in een koninklijk gewaad en ging naar de binnenhof van het koninklijk paleis. Daar bleef ze staan, tegenover de troonzaal. In de zaal zat de koning op zijn koninklijke troon, tegenover de ingang. 2 Zodra hij koningin Ester in de hof zag staan, voelde hij zo veel genegenheid voor haar dat hij haar de gouden scepter toestak die hij in zijn hand hield. Ester ging naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan. 3 Toen vroeg de koning haar: ‘Wat is er, koningin Ester? Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, het zal u gegeven worden.’ 4 En Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, laat hij dan vandaag nog samen met Haman naar het feestmaal komen dat ik voor hem heb bereid.’ 5 Daarop gaf de koning bevel om Haman zo snel mogelijk te halen. ‘We zullen doen,’ zei hij, ‘wat Ester verzoekt.’ Zo kwamen de koning en Haman naar de maaltijd die Ester had bereid. 6 Toen de wijn geschonken werd, zei de koning tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.’ 7 ‘Wat ik wil vragen, wat ik wens … ,’ antwoordde Ester, 8 ‘als de koning mij goedgezind is en als het de koning goeddunkt mij te geven wat ik wil vragen en mijn wens te vervullen, laat de koning dan nogmaals met Haman naar het feestmaal komen dat ik voor hen zal bereiden. Morgen zal ik doen wat de koning verzoekt en mijn wens uitspreken.’ 9 Haman verliet het paleis die dag vrolijk en goedgehumeurd. Maar zodra hij in de Koningspoort Mordechai zag, die niet opstond en niet van ontzag voor hem beefde, werd hij woedend. 10 Hij beheerste zich echter en ging naar huis. Daarop liet hij zijn vrienden bij zich komen en Zeres, zijn vrouw. 11 Hij wees hun op zijn geweldige rijkdom, het grote aantal zonen dat hij had en de eervolle positie die de koning hem had gegeven door hem boven alle rijksgroten en hoge functionarissen te plaatsen. 12 ‘En daar komt nog bij,’ zei Haman, ‘dat koningin Ester een feestmaal heeft bereid waarvoor ze behalve de koning niemand anders dan mij heeft uitgenodigd. En ook voor morgen ben ik door haar gevraagd, samen met de koning. 13 Maar dit betekent allemaal niets voor mij zolang ik Mordechai, die Jood, in de Koningspoort zie zitten.’ 14 Zijn vrouw Zeres en al zijn vrienden zeiden toen tegen hem: ‘Laat een paal neerzetten van vijftig el hoog en zeg morgenochtend tegen de koning dat Mordechai daaraan moet worden gehangen. Dan kun je daarna vrolijk met de koning aan tafel gaan.’ Dat voorstel beviel Haman, en hij liet de paal klaarzetten. (NBV21)

Het boek Ester zit van maaltijden aan elkaar. Een koning die maanden achtereen kon feesten, een koningin die eigen feesten houdt en niet bij de koning wil komen, die koning die daarna voor zijn nieuwe geliefde een feestmaal aanricht en nu Ester die de Koning en zijn nieuwe gunsteling een aantal keren te eten uitnodigt. Door de koning uit te nodigen stemt ze hem gunstig, want ze was er immers voor plezier en gehoorzaamheid, en door ook Haman uit te nodigen geeft ze die een gevoel van onschendbaarheid en belangrijkheid. Mannetjes die zich god wanen zijn daar nu eenmaal extra gevoelig voor. Ondertussen is de maaltijd wel het middel waarmee mensen met elkaar communiceren en wat de verhouding tussen mensen duidelijk maakt. Het boek Ester hangt van belangrijke maaltijden aan elkaar. En wie de Bijbel leest weet dat het delen van eten en drinken uiteindelijk vooruitloopt op de komst van het Koninkrijk van Recht en Vrede. En om recht en vrede gaat het ook in het verhaal van Ester.

In het verhaal van het volk Israel is de maaltijd de herinnering aan de bevrijding uit de slavernij in Egypte, in het verhaal van Jezus van Nazareth is de maaltijd de herinnering van de bevrijding van de dood, niets en niemand hoeft ons te weerhouden te delen, van wat we hebben en wat we zijn, met hen die niets hebben, of waarvan men vindt dat ze niets zijn. In het gebed dat Jezus ons heeft geleerd is alles wat we echt nodig hebben om te leven het dagelijks brood. Al het andere gaat om anderen. Onze wens is daarom net als die van Ester, dat we samen mogen eten en dat we er voor mogen zorgen dat iedereen aan onze maaltijd kan deelnemen. In ons eigen land blijft dat eten met iedereen nog even gevoelig, maar hoe meer mensen uit hun schulp kruipen en ook met de vreemdeling weten te eten, ja zelfs met een vijand als Haman, dan breekt ook in ons land de vrede aan.

Nooit zullen mannetjes als Haman zich afvragen wat anderen eigenlijk drijft. Het lijkt of de hele wereld alleen maar om henzelf draait. Ze vinden zichzelf zo goed dat het lijkt of ze geen enkele fout meer kunnen maken. Maar Haman heeft ook gezorgd dat we een spreekwoord hebben gekregen als “hoogmoed komt voor de val”. Die hoogmoed blijkt hier natuurlijk uit de rede die hij afsteekt tegen zijn vrouw en zijn vrienden. Om te beginnen pronkt hij met zijn vruchtbaarheid, die tot uitdrukking komt in zijn rijkdom en het aantal zonen dat hij heeft. Verder pronkt hij met zijn positie en het feit dat de koningin speciaal voor hem een maaltijd heeft aangericht. Maar iemand die zo hoog opgeeft van zichzelf kan het niet hebben dat een ander niet voor hem wil buigen. Het opkijken naar succes, glamour en klatergoud kan ons duur komen te staan.

 

Drie dagen lang.

Ester 4:1-17

1 Toen Mordechai vernam wat er was gebeurd, scheurde hij zijn kleren, hulde zich in een rouwkleed en bedekte zich met stof. Zo ging hij de stad door, terwijl hij luid en bitter klaagde. 2 Voor de Koningspoort bleef hij staan, want het was niet toegestaan deze in rouwkleding binnen te gaan. 3 In alle provincies heerste onder de Joden diepe rouw zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden:ze vastten, huilden en weeklaagden, en velen hulden zich in een rouwkleed en legden zich neer in het stof. 4 Esters dienaressen en de eunuchen die haar dienden, brachten Ester op de hoogte. De koningin was hevig geschokt en liet Mordechai kleren brengen, opdat hij die zou dragen in plaats van zijn rouwkleed. Maar hij wilde ze niet aannemen. 5 Toen ontbood Ester Hatach, een van de eunuchen die de koning haar als persoonlijke dienaar had gegeven. Ze droeg hem op uit te zoeken wat de reden was van Mordechais gedrag. 6 Dus ging Hatach naar Mordechai, die op het stadsplein voor de Koningspoort stond. 7 Mordechai vertelde hem alles wat hem was overkomen. Ook wist hij hem precies mee te delen hoeveel zilver Haman beloofd had te zullen afdragen aan de koninklijke schatkist als hij de Joden mocht uitroeien. 8 Bovendien gaf hij hem een afschrift van de wet die in Susa was uitgevaardigd, waarin stond dat ze moesten worden omgebracht. Dat moest Hatach aan Ester laten zien om haar op de hoogte te brengen. ‘En,’ zei hij, ‘verzoek haar met klem naar de koning te gaan. Ze moet hem om genade smeken en bij hem voor haar volk pleiten.’ 9 Hatach ging naar Ester terug en bracht haar Mordechais woorden over. 10 Ester droeg Hatach op om Mordechai het volgende te antwoorden: 11 ‘Alle dienaren van de koning en de inwoners van alle provincies van het koninkrijk weten dat er maar één wet geldt voor iedere man of vrouw die zonder ontboden te zijn naar de koning gaat en in de binnenhof komt: die persoon wordt ter dood gebracht. Alleen degene wie de koning zijn gouden scepter toesteekt, brengt het er levend af. Wat mijzelf betreft, ik ben nu al in geen dertig dagen bij de koning ontboden.’12 Esters woorden werden aan Mordechai overgebracht. 13 Toen liet Mordechai het volgende antwoord aan Ester geven: ‘Beeld je maar niet in dat jij, omdat je in het koninklijk paleis woont, als enige van alle Joden zult ontkomen. 14 Als jij nu zwijgt, nu het moment daar is, komt er van een andere kant wel uitkomst en redding voor de Joden. Maar jij en je vaders familie komen dan om. Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze.’ 15 Toen liet Ester het volgende antwoord aan Mordechai geven: 16 ‘Roep alle Joden die in Susa wonen bij elkaar en vast voor mij: eet niet en drink niet, overdag niet en ’s nachts niet, drie dagen lang. Ook ik zal op die manier vasten met mijn dienaressen. Daarna zal ik naar de koning gaan, al is dat tegen de wet. Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen.’ 17 Mordechai ging weg en deed wat Ester hem had opgedragen. (NBV21)

Daar zitten de ballingen. Ze moeten allemaal uitgeroeid worden, daar helpt geen lieve vader of moeder aan want het is nu eenmaal de wet en aan wetten van boven moeten we gehoorzaam zijn. Moet je aan wetten gehoorzaam zijn als je eigen leven en dat van je nakomelingen worden bedreigd? Het is een dilema dat door heel de geschiedenis steeds weer opduikt. De belastingwetten van Alva brachten uiteindelijk de republiek der verenigde Nederlanden tot stand. In de Tweede Wereldoorlog werden onderduik en overvallen op bevolkingsregisters en distributiecentra als noodzakelijk verzet ervaren. En in onze dagen gaan mensen op snelwegen zitten omdat het blijven gebruiken van fossiele brandstoffen de aarde onleefbaar zal maken. Het volk van Ester en Mordechai had alleen de rouw tot wapen. Scheur de kleren en strooi as op je hoofd staat er in de Tora. En dat deden ze dus maar.

Mordechai vertrouwt er daarbij op dat Ester zal kiezen voor haar volk en niet voor haar bevoorrechte positie. De wet van Haman betekent immers dat ook zij weigert om de wetten van Ahasveros te volgen? En die weigering had Koningin Wasti haar positie gekost. Mordechai vraag via de persoonlijke dienaar van Ester haar om haar bevoorrechte positie in de waagschaal te zetten. Hij blijkt overigens goed op de hoogte. Hij heeft niet alleen weet van een wet die algemeen is afgekondigd maar hij weet ook voor hoeveel zilver Haman het genoegen van de wet heeft gekocht. Eerder had hij al gehoord over een complot tegen Ahasveros. Die Mordechai heeft iets van een klokkenluider zoals wij die tegenwoordig kennen. Ook die hebben steun nodig van de onwetenden. Zij zetten hun positie op het spel om maatschappelijk kwaad aan de orde te stellen. Een veilige plek als het Huis voor Klokkenluiders kan helpen maar nog meer kan helpen dat wij als onwetenden de klokkenluiders beschermen. Ester is daarvoor ons dagelijks voorbeeld.

Ester kiest uiteindelijk voor haar volk als dat volk tenminste mee wil doen. Samen de overvloed opgeven en je voorbereiden op de strijd om te overleven. Dat lijkt op samen het licht uitdoen voor 1 uur. Ester is bereid het risico te nemen dat er bij hoort en voor haar betekende dat mogelijk haar leven verliezen. Voor ons was het een risico op een paar uur, of misschien een paar dagen zonder stroom. Wij kunnen in elk geval nu begrepen hebben hoe afhankelijk we zijn geworden van stroomproducenten en stroomleveranciers. Zijn zij de goden die ons in leven houden? Of wordt het tijd te zorgen dat niet zij de macht over ons hebben en wordt het dus tijd ons weer te stellen onder de macht van de Liefde, ook voor komende generaties.

Steeds vaker wordt duidelijk dat de Bijbel vraagt aan welke kant we staan. Maken we groene kerken in de discussie over de klimaatverandering? Hangen we de regenboogvlag uit als teken dat wij niet vragen naar een seksuele geaardheid? Doen wij mee met de doorlopende kerkdienst in de Open Hof in Kampen voor een rechtvaardig kinderpardon? Als je dat zo op schrijft dan lijkt het er op dat veel mensen zich van ons afkeren. Maar de dienst in Kampen leerde ons hele andere dingen. Dat de ene richting van Christendom meedeed weerhield al die andere richtingen er niet van om ook mee te doen. Zelfs atheïsten en humanisten melden zich. En wie met de bezoekers sprak kwam er achter dat velen helemaal nooit naar een kerk gaan maar nu hun ideaal van kerkzijn herkenden in deze oecumenische humanitaire kerkelijke actie. Ester maakt misschien ook wel zoiets mee. Wij kunnen er elke dag op vertrouwen.

 

Blaas de ramshoorn

Joël 2:12-17

12 Nu dan-spreekt de HEER -,keer terug tot Mij met heel je hart, door te vasten, te treuren en te rouwen. 13 Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en bereid het onheil af te wenden. 14 Misschien verandert Hij van gedachten, ziet Hij af van zijn voornemen en laat Hij een spoor van zegen achter, zodat jullie weer graan en wijn kunnen offeren aan de HEER, jullie God. 15 Blaas de ramshoorn op de Sion, kondig een vastentijd af en roep op tot een plechtige samenkomst. 16 Breng het volk bijeen, laat heel Israël zich reinigen. Breng de oude mensen tezamen, verzamel de kinderen, ook de kleintjes aan de borst. Laat de bruidegom opstaan van het bruidsbed, laat de bruid het slaapvertrek verlaten. 17 de priesters, dienaren van de HEER, hef een smeekbede aan in de tempel, tussen altaar en voorhal: ‘Ach HEER, spaar uw volk, uw eigendom, geef het niet prijs aan spot en hoon van andere volken. Waarom zouden zij mogen zeggen: “En waar is nu hun God?”’ (NBV21)

Als teken van rouw was het in Israël de gewoonte je kleren te scheuren en as op je hoofd te strooien. Uiterlijk vertoon van rouw. De profeet Joël neemt afstand van dit uiterlijk vertoon. Natuurlijk, je mag best laten zien dat je ergens verdriet over hebt, maar dat verdriet moet niet alleen aan de buitenkant zitten, dat verdriet moet vooral aan de binnenkant zitten. Dat verdriet moet je voelen en je brengen tot ander gedrag. Wie leest over de akker met babylijkjes in Ierland weet dat het verdriet dat hierover gevoeld wordt moet leiden tot een grondige hervorming van een kerk die dat met haar opvattingen te weeg bracht. Het kan geen fout zijn van overijverige zusters maar hoort bij de zeer foute opvatting dat je als kerk de genademiddelen van God doorgeeft, dat verheft de dienaren van de Kerk zeer ten onrechte boven recht en rede en als dan de Liefde ontbreekt en alleen de regel overblijft ontstaan het soort drama’s die we als Christelijke gemeenschap juist moeten zien te voorkomen.

De God van Israël is genadig, liefdevol en trouw. Juist die mensen in de ballingschap mogen dat merken zegt de profeet Joël. En hij weet ook dat profeten als Jesaja en Jeremia aan het begin van de ballingschap dat volk hebben gewaarschuwd  voor de manier waarop zij met kinderen omgingen. Er waren zelfs mensen die hun kinderen, soms alleen de eerstgeborene, offerden aan Moloch, offerden door ze te verbranden. Dat was het meest gruwelijke dat mensen konden doen zeiden die profeten. En die profeten spreken ook vandaag tot ons. Niet alleen tot de zusters in Ierland die de kinderen offerden aan de roep om een goede naam voor de tienermeisjes die zwanger waren geworden door liefde en totale afwezigheid van voorlichting over seksualiteit. Ook wij moeten zorgen voor voorlichting vanaf de hoogste klassen in het basisonderwijs op een luchtige manier zodat alles bespreekbaar wordt, thuis en op school. Protesten tegen aandacht op school leiden tot Ierse babyakkers in Nederland.

Maar onze zorg voor kinderen moet zich ook uitstrekken tot de leerlingen van de VMBO scholen want opvangen van drop outs en spijbelaars is een onbekend terrein voor onze samenleving. Gemeenten worden hier verantwoordelijk. Opvang van kinderen in de tienerleeftijd waarvan de ouders werken staat nog nergens op de agenda. Integendeel, op kinderopvang wordt bezuinigd en tieneropvang vind plaats buiten de traditionele kantooruren zodat kinderen in tussenuren en bij korte schooldagen verloren rondlopen. Dat we ook geen kinderbescherming meer hebben voor bedreigde kinderen wordt elke dag duidelijk. Onze zorg voor de samenleving hoort zich zelfs uit te strekken tot gevangenissen, het bezoeken van gevangenen wordt in het Nieuwe Testament uitdrukkelijk genoemd als gevolg van de bekering waartoe Joël oproept. Het is nodig dat het kabinet er achter komt dat de bezuinigingen op de gevangenissen alleen maar meer criminelen oplevert, ook gedetineerden moeten de veranderingen in hun hart kunnen voelen nietwaar. Bij Joël hadden de sprinkhanen alles opgegeten waar het volk van zou moeten leven. Ook kennelijk het hart dat uitgaat naar de zwaksten in de samenleving. Laat ons dat niet overkomen, maar laten we ons hard maken voor de veranderingen die ook in onze samenleving en onze kerk nodig zijn.

 

Zijn eigen weg

Joël 2:2b-11

2b Als het morgenlicht over de bergen, zo nadert een groot en machtig volk, zoals er nooit tevoren geweest is of ooit nog zal zijn tot in het verste nageslacht. 3 Voor hen uit gaat een verterend vuur, een verzengende vlam volgt hen op de voet; als de tuin van Eden ligt het land voor hen, achter hen blijft een kale woestijn. Niets en niemand kan ontkomen. 4 Het lijken wel paarden, als strijdrossen draven ze voort; 5 als het ratelen van strijdwagens klinkt hun opmars over de bergtoppen, als het knetteren van stro dat in het vuur verteert, als een machtig volk dat zich opstelt voor de strijd. 6 Bij die aanblik krimpen allen ineen, alle gezichten verbleken. 7 Als krijgshelden komen zij aanstormen, als strijders beklimmen zij de muren. Ieder houdt vast aan zijn eigen weg, niet één wijkt ervan af; 8 geen van hen duwt een ander opzij, ze trekken op in gelid. Ook als er sneuvelen door tegenstand, verbreken zij hun gelederen niet. 9 Ze bestormen de stad, ze klimmen over de muren heen, ze dringen de huizen binnen, ze komen als dieven door de vensters. 10 Bij die aanblik beeft de aarde, siddert de hemel; zon en maan verduisteren, sterren doven hun glans. 11 Het is de HEER – zijn stem schalt voor zijn leger uit, zijn strijdkrachten zijn geweldig, zijn bevel wordt met groot vertoon volbracht. Groot en ontzagwekkend is de dag van de HEER! Wie kan die dag doorstaan? (NBV21)

Van wie zijn die strijdkrachten die zo geweldig genoemd worden zult U vragen? Van Koeman? Of van Trump? Beiden beheersen immers het nieuws. Met Koeman moet Nederland kampioen  worden en met Trump moet de Amerika weer groot worden. Joël heeft het echter over een ander leger. Niet zo vreemd want hij heeft zijn boek zo’n 2500 jaar geleden geschreven. Oude kost, maar het werkt nog steeds. De 23 voetballers in Nederland brengen de Nederlanders waarschijnlijk niet het wereldkampioenschap voetbal. Alle gejuich in huizen, kroegen en pleinen, alle vertoon van oranje, draagt daar ook nooit iets aan bij. Zo zal ook Trump niet Amerika de grootste maken. Zelfs de veiligheid voor zijn eigen bevolking brengt hij niet. Wapens en explosieven lijken vrij verkrijgbaar in het land van Trump en dagelijks wordt er daar op burgers geschoten met fatale afloop.

Daar hebben ze zelfs geen oorlogen voor nodig, en die oorlogen hebben ze ook nog. Wij doen trouwens aan die oorlogen vrolijk mee. Joël heeft het over de liefde als over een machtig leger. In de jaren 60 zong de Amerikaanse zanger Pete Seeger al over een vreemde droom die hij had. In een kamer zaten de vertegenwoordigers van alle landen in de wereld en die beloofden elkaar plechtig alle wapens die er waren te vernietigen. En ze deden het ook nog. Alle mensen juichten ze toe want eindelijk hoefde niemand meer bang te zijn voor de dodelijke wapens die in omloop zijn. Het was maar een droom, maar een dergelijke droom had Joël ook. De oogst was verwoest, er was zelfs geen gras meer voor de koeien, geen boom voor de vogels. En dan komt over de bergen de hulp die de verlossing brengt.

Zo moet er in hongerend Afrika worden uitgekeken naar de hulp van de Verenigde Naties. Naar het zaad en de landbouwmachines, naar de jonge stieren en kalveren, zodat de eigen voedselvoorziening weer op gang gebracht kan worden. Na een periode van droogte is immers alles verdwenen. Ook na een oorlog is alles weg. Alleen giften van buiten brengen een samenleving weer op gang. Geen soldaten of vlaggende voetballers kunnen daar tegenop. Voetballers en andere in nationale kleuren geklede sporters als ambassadeurs van nationale eigenwaarde zijn maar schijn. Soldaten als bevrijders van geweld zijn een tegenstelling in zichzelf. Soldaten brengen geweld, lokken zelfs geweld uit maar stoppen het geweld maar zelden. Alleen een leger zoals Joël beschrijft in dit hoofdstuk, een leger van liefde, kan werkelijk zorgen voor vrede, vrijheid en welvaart op de wereld. Maar hopen dat iedereen zich aansluit, in beweging komt en zorgt dat ook iedereen mee gaat doen. Vanzelf gaat dat niet, we zullen er allemaal hard voor moeten blijven werken.

De dag van ondergang

Joël 1:15–2:2a

15 O angstwekkende dag! Nabij is de dag van de HEER, de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende! 16 Is het voedsel niet voor onze ogen vernietigd? Is de vreugdezang niet verstomd in de tempel van onze God? 17 vergeefs rustte het zaad in de droge aarde, de opslagplaatsen liggen verlaten, de graanschuren zijn verwoest: het koren is verdord. 18 Hoor hoe het vee loeit. Runderen dolen maar rond want nergens kunnen ze grazen, zelfs schapen en geiten worden gestraft. 19 Tot U, HEER, roep ik, nu vuur het groen van de woestijn heeft verteerd en een vlam de bomen heeft verzengd. 20 Zelfs de dieren van het veld roepen om U, nu elke waterstroom is opgedroogd en het laatste groen door vuur is verteerd. 1 Blaas de ramshoorn op de Sion, blaas alarm op mijn heilige berg, laten de inwoners van het land beven: De dag van de HEER komt! Hij is nabij! 2 Het is een dag van duisternis en donkerte, een dag van dreigende, donkere wolken. (NBV21)

Wie dit leest zal ongetwijfeld denken aan het volk van Oekraïne. Nie onterecht maar er zijn 50 oorlogen gaande in de wereld. Denk ook maar eens aan de slepende oorlog in Jemen. Jarenlang hebben ze gezucht onder de oorlog en de bombardementen van Saoedi Arabië, gesteund en bewapend door de Verenigde Staten konden zij zijn volk met terreur onderdrukken. Die bombardementen zijn af en toe voor even opgehouden maar de voormalige vrienden gaan opnieuw te keer tegen de burgerbevolking en obscure fundamentalisten maakten er gebruik van om dood en verderf te zaaien. Van het eens zo paradijselijke land is weinig of niets meer over. Wat de toekomst voor de mensen in Jemen is blijft voor hen duister. Vanwaar moet hun hulp komen. De vermoedelijke leider van de fundamentalisten is in het geweld omgekomen.

Nederland kent de doodstraf niet en er is ook bijna niemand die de doodstraf wil invoeren. Van Sadam Hoessein kon iedereen in Irak dag in dag uit zien hoe slecht de man was, hoe onverschillig voor het leven van anderen. Het proces mocht zich weliswaar voortslepen en de uitkomst stond misschien al vooraf vast maar nooit kan iemand meer ontkennen dat de bewijzen voor de onmenselijkheid van deze dictator overweldigend waren. Osama Bin Laden, was opgeleid door de Amerikaanse geheime diensten en bewapend in een oorlog die de VS welgevallig was. Het gemak waarmee politici de dood van voormalige vrienden verwelkomen brengt wrede dictators er toe liever te blijven zitten op hun pluche dan een vreedzame oplossing voor conflicten te zoeken.

De profeet Joël roept de Heer, de God van Israël aan. De enige echte machthebber in de wereld die zich laat kennen door de Liefde. Wie de woorden van Joël vandaag tot zich door laat dringen vraagt zich misschien af of het wel juist is dat er nu nog vreemde soldaten gestuurd worden naar Oekraïne. Moeten daar niet landbouwdeskundigen heen, en handelsvertegenwoordigers, onderwijskundigen, bouwvakkers, dokters en verpleegkundigen, mensen die het goede komen brengen aan volkeren die alleen nog het kwaad hebben ontmoet. Het kan toch niet zijn dat geweren het enige antwoord zijn dat Christelijke naties voorhanden hebben. In Amerika wordt de vraag gesteld op welke wijze dat land politieagent moet spelen voor de wereld, maar wellicht dat Europa het voorbeeld kan geven hoe de instelling als een hulpverlener betere gevolgen brengt. Wij kunnen dat voorbeeld in onze eigen omgeving brengen, dag in dag uit.