‘Het is voorbij!’

Openbaring 16:12-21

12 De zesde engel goot zijn offerschaal leeg over de grote rivier de Eufraat. De rivier viel droog en maakte de weg vrij voor de koningen uit het oosten. 13 Toen zag ik dat uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten te voorschijn kwamen in de vorm van kikkers. 14 Dat zijn demonische geesten die tekenen verrichten en erop uitgaan om alle koningen op aarde bijeen te brengen voor de strijd op de grote dag van de almachtige God. 15 ‘Ik kom onverwacht als een dief!’ Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt: hij hoeft niet naakt rond te lopen en zich voor iedereen te schamen. 16 Ze brachten hen bijeen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet. 17 De zevende engel goot zijn offerschaal leeg over de lucht. Toen klonk er uit de tempel een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Het is voorbij!’ 18 Er volgden bliksemschichten en groot geraas en donderslagen. Er kwam een zware aardbeving, zo zwaar als nog niet was voorgekomen sinds er mensen op aarde waren; verschrikkelijk was die aardbeving. 19 De grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden van alle volken werden verwoest. Het grote Babylon moest het ontgelden: God gaf het de beker met de wijn van zijn hevige woede. 20 Alle eilanden verdwenen in het niets en van de bergen was geen spoor meer te vinden. 21 Uit de hemel vielen loodzware hagelstenen op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van die hagel, want het was een vreselijke plaag. (NBV)

Dat Romeinse Rijk zal niet eeuwig duren zegt Johannes in dit gedeelte. De Eufraat zal stilvallen en maakt de weg vrij voor de koningen van het oosten. Er zijn mensen die dan gaan zoeken naar de koningen van vandaag. Maar Johannes was ver van een voorspeller van Stalin en Poetin. Hij keek terug naar de Hebreeuwse Bijbel. Daar was ook zo’n wereldrijk dat onoverwinnelijk leek. Babel, aan de oevers van de Eufraat zaten de Hebreeuwse ballingen wenend terneer zingt Psalm 137. Maar uit het oosten kwam een nieuwe wereldmacht onder leiding van Koning Cyrus. Babel werd veroverd en tot verbazing van iedereen gaf Cyrus de opdracht aan de ballingen terug te keren naar Jeruzalem en de Tempel en de stad weer op te bouwen. Jesaja noemt hem de Messias, de bevrijder van Israël.

Het blijft niet bij de verwachting van het overwinnen van de Romeinen. Er is een concrete dreiging door de Perzen. Zij zullen de wereld verenigen in een aanval op de gelovigen in de God van Israël, vooral in zijn zoon, Jezus de Messias. Die perzen hadden een heel oude godsdienst, het Zoroasme. Die godsdienst had twee goden een goede en een kwade. Die kwade God Ahriman veranderde zich af en toe in een kikker om gif onder de mensen te brengen. En wat was er giftiger als het Romeinse triumviraat, de drie Keizers die samen bestuurden. Ze waren drie onreine geesten. Zij brengen de volken bijeen in een oorlog tegen de gelovigen. Waar dat Harmageddon ligt weten we gewoon niet. In de geschiedenis zijn veel namen van plaatsen en streken veranderd en ten tijd van de eerste vertalingen en kopieën van het boek wist men al niet meer waar deze plaats lag.

Maar dan brengt de boodschapper van God het bericht van het einde. Bliksem en donder waren er zoals ze op de Sinaï waren geweest toen Mozes zijn leer van God kreeg. Een zware aardbeving vernietigt de grote stad zoals ooit Sodom en Gomorra waren verwoest. De eilanden waren verdwenen en de bergen vlak gemaakt zoals de profeet had gezegd om het de ballingen mogelijk te maken terug te keren. Denk nu niet dat de gelovigen gevrijwaard waren van de rampen en de ellende die in die oorlog over hen werden uitgestort. In tegendeel het eindigt met de beschrijving van hagel, zo sterk dat de mensen God lasterden. Hou dus vol roept Johannes eigenlijk want na die ellende komt God voor de zijnen. En dat geldt ook voor ons, niet bang worden voor het oosten of het westen maar blijven doen wat ons staat te doen, delen met hen die niets hebben en onze naaste lief te hebben als onszelf.

Ze hebben het verdiend.

Openbaring 16:1-11

1 Toen hoorde ik een luide stem uit de tempel komen die tegen de zeven engelen zei: ‘Ga nu! Giet de zeven offerschalen met Gods woede leeg op de aarde!’2 De eerste engel ging weg en goot zijn offerschaal leeg over de aarde. Alle mensen die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden, kregen kwaadaardige en pijnlijke zweren. 3 De tweede engel goot zijn offerschaal leeg over de zee. Het water werd bloed, als het bloed van een dode, en alle wezens die in zee leefden kwamen om. 4 De derde engel goot zijn offerschaal leeg over rivieren en waterbronnen, en het water werd bloed. 5 Ik hoorde de engel van al het water zeggen: ‘Rechtvaardig bent u, de heilige, die is en die was, omdat u op deze manier straft. 6 Bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten, en bloed laat u hen drinken. Ze hebben het verdiend.’ 7 Ik hoorde het altaar antwoorden: ‘Ja, Heer, onze God, Almachtige, uw oordelen zijn betrouwbaar en rechtvaardig.’ 8 De vierde engel goot zijn offerschaal leeg over de zon, waardoor ze de mensen kon verbranden met haar vuur. 9 De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen. Ze toonden geen berouw en bewezen hem geen eer. 10 De vijfde engel goot zijn offerschaal leeg over de troon van het beest. Zijn rijk werd in duisternis gehuld. De mensen beten op hun tong van de pijn. 11 Ze lasterden de God van de hemel, vanwege hun pijn en hun zweren, en ze braken niet met het leven dat ze leidden. (NBV)

Johannes waarschuwt zijn lezers. Ze geloven misschien in de opstanding van de doden. Ze geloven misschien in het oordeel over de onderdrukkers en de misdadigers. Maar ze moeten niet geloven dat de straf die ze verwachten een vrolijke zaak zal zijn. De plagen van Egypte worden over de overtreders uitgestort en de plagen van Egypte liepen uit op het gehuil van iedereeen, behalve over degenen die hun vertrouwen op de God van Mozes lieten zien. Nu zullen er eerst pijnlijke zweren komen. Het gehuil zal zich herhalen, ook als je bij de gelovigen hoort dan gaan je oren pijn doen van het gehuil en gekerm. En juist gelovigen willen zorgen voor de zieken, die willen wat doen aan wat andere mensen overkomt of die mensen daar nu schuld aan hebben of niet.

Dan wordt al het water veranderd in bloed. Eerst de zee, dan de rivieren en waterbronnen. Die volgorde is niet onbelangrijk. Het betekent dat de zee nog al wat langer veranderd blijft in bloed. Dat is niet voor niks. Volgens Johannes hoort bij de komst van de nieuwe aarde ook dat de zee haar doden teruggeeft. Denk alleen al aan de vluchtelingen over de Middellandse Zee die daar verdrinken omdat we voor hen niets willen doen, niet vrede maken waar oorlog is, niet voedsel brengen waar honger is, niet een toekomst verzorgen voor hen die geen toekomst zien, of alleen een toekomst in armoede.

Maar de plagen van Egypte, de zweren, het bloed, het vuur van de zon, de duisternis raken ook direct de gelovigen, zij die het teken van het lam dragen. De aarde zal vergaan in jammerklachten en zij die er dood aan gaan hebben het verdiend. Dat laatste zullen velen Johannes eens zijn, zelfs na ruim 70 jaar vervolgen we nog de nazi’s die daders waren van de Holocaust. Voor de tyrannen die daarna kwamen hebben we tribunalen en een internationaal strafhof. Landen die aan dat strafhof niet mee doen nemen misdaden tegen de menselijkheid dus voor lief en kunnen niet vertrouwd worden. De Openbaring van Johannes wordt vaak naar een verre toekomst geschoven, maar die Openbaring vertelde over de tijd waarin Johannes leefdde, daarmee ook over onze tijd.

Het lied van Gods dienaar Mozes

Openbaring 15:1-8

1 Ik zag in de hemel opnieuw een indrukwekkend, wonderbaarlijk teken: het waren zeven engelen met de zeven laatste plagen, waarmee aan Gods woede een einde komt. 2 Toen zag ik iets als een zee van glas, vermengd met vuur. Op de glazen zee stonden zij die het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam hadden overwonnen. Ze hadden lieren om daarop te spelen voor God. 3 Ze zongen het lied van Gods dienaar Mozes en het lied van het lam: ‘Groot en wonderbaarlijk zijn uw werken, Heer, onze God, Almachtige, rechtvaardig en betrouwbaar is uw bestuur, vorst van de volken. 4 Wie zou u, Heer, niet vereren, uw naam niet prijzen? Want u alleen bent heilig. Alle volken zullen komen en zich voor u neerbuigen, want uw rechtvaardige daden zijn geopenbaard.’ 5 Hierna zag ik de hemelse tempel, de verbondstent, opengaan. 6 De zeven engelen met de zeven plagen kwamen naar buiten, in stralende kleren van zuiver linnen en met een gouden band om hun borst. 7 Toen gaf een van de vier wezens aan alle zeven engelen een gouden offerschaal, vol met de woede van de God die leeft tot in eeuwigheid. 8 Gods majesteit en kracht vulden de tempel met rook. Niemand kon de tempel binnengaan voordat aan de zeven plagen van de zeven engelen een einde was gekomen. (NBV)

Johannes gaat ver terug in de Hebreeuwse Bijbel om duidelijk te maken wat hij verwacht van de onderdrukking door het Romeinse Rijk. Hij ziet de overwinnaars al staan. Ze hadden de lier van David bij zich, de lier waarmee hij de woede aanvallen van koning Saul kon overwinnen en ze zongen. Ze zongen een lied van Mozes, een lied dat later door Jezus zou zijn overgenomen vertelt Johannes ons. En wat zingen die overwinnaars dan? Mooie vrome lofliederen op de macht van God, zijn betrouwbaarheid en rechtvaardigheid. Keurig niet waar?

Inderdaad, niet waar. Die Christenen werden namelijk vervolgd omdat ze deden wat in dat lied staat en niet wat de overheid van hen vroeg. Je moet de overheid het goede voorhouden en niet dan het goede had Paulus geschreven. En dat de overheid het zwaard droeg was de vervolgde Christenen maar al te zeer bekend. Ondanks dat hadden ze vastgehouden aan hun overtuiging dat alleen de God van Israël vereerd moet worden en dat een Keizer van Rome zeker die God in rechtvaardigheid en betrouwbaarheid nooit zou kunnen evenaren. Ze werden daarom atheïsten genoemd. Ze hadden geen beeld van hun God en weigerden respect te betonen aan andere goden, alsof die niet bestonden.

Als dat lied wordt gezongen gaat de Tempel, de Tabernakel open. De Tabernakel was de Tent van het Verbond die voorafging aan de bouw van de Tempel in Jeruzalem. In de dagen dat Johannes op Patmos gevangen zat was die Tempel verwoest. Johannes legt zich daar niet bij neer. In de hemel, bij God is die Tempel er nog steeds. In die Tempel en in die Tabernakel werd immers het verdrag bewaard dat God en het volk Israël hadden gesloten en waarbij die God zich verbonden had met dat volk. De komst van de nieuwe Tempel is niet eenvoudig. Wie je beloofd dat met een geloof in Jezus alle problemen verdwijnen, liegt. Pas als alle leed geleden is en alle strijd gestreden is komt er een nieuwe aarde, met de hemelse Tempel. Het mooie is dat wij met die nieuwe aarde alvast mogen beginnen, ondanks de ellende. In het “Heb je naaste lief als jezelf” laat dat verdrag zich samenvatten. Sluit je er dus bij aan.

De aarde werd geoogst.

Openbaring 14:14-20

14 Toen zag ik dit: een witte wolk, en daarop zat iemand die eruitzag als een mens. Hij had een gouden krans op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand. 15 Uit de tempel kwam een andere engel, die hem die op de wolk zat met luide stem toeriep: ‘Laat uw sikkel komen om te oogsten. Want de tijd om te oogsten is gekomen; de aarde is meer dan rijp voor de oogst.’ 16 Toen wierp degene die op de wolk zat zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd geoogst. 17 Er kwam een andere engel uit de hemelse tempel, die ook zo’n scherpe sikkel had. 18 Bij het altaar vandaan kwam weer een andere engel, degene die zeggenschap heeft over het vuur. Hij riep de engel met de scherpe sikkel luid toe: ‘Laat je scherpe sikkel komen om de druiven te oogsten in de wijngaard op de aarde, want de druiven zijn rijp.’ 19 Toen wierp de engel zijn sikkel op de aarde, en hij oogstte de druiven in de wijngaard op de aarde en gooide ze in de grote perskuip van Gods woede. 20 De wijnpers werd buiten de stad getreden. Er kwam een grote stroom bloed uit, zestienhonderd stadie lang en zo hoog als het bit bij een paard. (NBV)

Johannes gaat om zijn visioen duidelijk te maken weer terug naar het boek van de profeet Daniël. Daar wordt verteld hoe de Zoon des Mensen op een wolk aankomt en een rechtszaak mag beginnen tegen alle onderdrukkers van mensen. De slachtoffers staan er daar bij om hem heen. Johannes sluit vervolgens aan bij de profeet Joël, die beschrijft de aarde als een korenveld dat rijp is om geoogst te worden. Na de oogst wordt immers het kaf van het koren gescheiden, het onkruid en het graan gescheiden. Dat is de dag des Heren waar geoordeeld wordt over de levenden en de doden.

We kennen ook de uitdrukking over druiven die zuur zijn. Je hebt er de nodige aandacht en tijd in gestoken maar het resultaat is uiteindelijk niet om te drinken. Die druiven kun je beter weggooien. Hier worden de druiven toch uitgeperst maar het druivensap roept alleen maar woede op. Graan en druiven kennen we misschien nog wel als symbolen in het Christendom. Het brood dat van het graan werd gebakken moeten we delen en dat doen we ook vaak symbolisch tijdens een kerkdienst of een mis. Aan elkaar rijken we de beker met wijn als teken van liefde en verbondenheid.

Johannes van Patmos waarschuwt eigenlijk de afvalligen en steekt de vervolgde gelovigen een hart onder de riem. Het hele geloof aan de opstanding van de doden en de scheiding van het kaf en het koren was opgekomen na de verschrikkelijke martelingen door de Griekse bezetters in de tijd van de Maccabeën. Een verhaal dat in een boek staat dat net niet in de Bijbel terecht is gekomen, apocrief noemen we zo’n boek. Het lijden van mensen is dus niet uitzichtloos volgens dat geloof. Eens komt de dag, eens zal het zijn dat alleen het goede, het vruchtbare over zal blijven en mensen echt in liefde met elkaar om gaan. Het allermooiste is dat we er niet op hoeven te wachten tot we dood zijn, we mogen er vandaag mee beginnen en elke dag opnieuw.

Zij volgen het lam

Openbaring 14:1-13

1 Toen zag ik dit: het lam stond op de Sion, en bij het lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden. 2 Ik hoorde uit de hemel een geluid komen dat klonk als het geluid van geweldige watermassa’s, van zware donderslagen; het klonk als het geluid dat muzikanten maken die op de lier spelen. 3 Er werd voor de troon en voor de vier wezens en de oudsten iets gezongen dat leek op een nieuw lied. Niemand kon het lied begrijpen, behalve de honderdvierenveertigduizend mensen die van de aarde zijn vrijgekocht. 4 Dat zijn degenen die zich niet met vrouwen hebben afgegeven maar maagdelijk zijn gebleven. Zij volgen het lam waarheen het maar gaat. Ze zijn uit de mensheid vrijgekocht om als de eerste opbrengst te worden aangeboden aan God en aan het lam. 5 Geen leugen komt over hun lippen, er valt niets op hen aan te merken. 6 Toen zag ik opnieuw een engel, die hoog in de lucht vloog. Hij had een eeuwig evangelie dat hij bekend moest maken aan de mensen op aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. 7 Luid riep hij: ‘Heb ontzag voor God en geef hem eer, want nu is de tijd gekomen dat hij zijn oordeel zal vellen. Aanbid hem die hemel en aarde, zee en waterbronnen geschapen heeft.’ 8 Hij werd gevolgd door een tweede engel, die uitriep: ‘Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad, die door haar ontucht alle volken de wijn van haar wellust heeft laten drinken.’ 9 Zij werden gevolgd door een derde engel, die met luide stem riep: ‘Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand krijgt, 10 zal hij de wijn van Gods woede moeten drinken, die onverdund in de beker van zijn toorn is geschonken. Hij zal in vuur en zwavel worden gepijnigd, onder de ogen van de heilige engelen en van het lam. 11 De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid. Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ‘s nachts niet.’ 12 Hier komt het aan op de standvastigheid van de heiligen, die zich houden aan Gods geboden en aan de trouw van Jezus. 13 ¶ Ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: ‘Schrijf op: “Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven.”’ En de Geest beaamt: ‘Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen.’ (NBV)

Met het uitleggen van droomtaal moet je altijd wat voorzichtig zijn. We leven in een welvarend en vrij land. Als we het hier over terreur hebben dat noemen we niet meer dan twee doden die vermoord werden om hun overtuiging. Pim Fortuijn en Theo van Gogh. De vele doden die in het verkeer vielen noemen we niet, dat verkeer altijd door moet gaan is immers een algemeen gedeelde overtuiging. De vele doden die door drugs vielen noemen we ook niet, ook drugsbaronnen hebben immers hun rechten als staatsburger is onze opvatting en daarmee kunnen ze zich beschermen tegen justitie. Maar de gevangene van Patmos kende ontelbare doden die gevallen waren vanwege hun overtuiging. Bij hem telde ook elk ander mensenleven want in zijn samenleving werden mensenlevens niet geteld en niet geacht. Toen hij zich dan ook voorstelde hoe dat doden gestopt kon worden en zich de uittocht uit Egypte herinnerde, toen het bloed van een lam aan de deurpost gesmeerd het leven betekende voor de eerstgeborenen uit dat huis, en hij zich realiseerde dat die uittocht zou leiden tot de ontdekking van de goddelijke grondhouding van heb-je-naaste-lief-als-jezelf toen zag hij in zijn droom dat iedereen die daarin had geloofd mee zouden gaan in de bevrijding.

Dat getal van honderdvierenveertigduizend wijst op alle volken van de aarde. Die bevrijding vraagt om een nieuw lied, liederen zoals in de psalmen staan beschreven en die we hier zo af en toe ook meezingen. Als iedereen een overwinningslied aanheft dan dondert het, zoals een voedbalstadion kan donderen en iedereen in de stad kan horen dat de club kampioen is geworden. Maar pas op met de droomtaal uit dit boek. De bevrijde mensen zijn degenen die zich niet met vrouwen hebben afgegeven maar onbeschreven zijn gebleven staat er. Dat zijn niet de celibatairen, zoals de priesters van de Roomse zogenaamde kerk die niet mogen trouwen, maar het zijn de gelovigen die niet achter orakels aanliepen. Vrouwen uit de begintijd van het christendom die geëxploiteerd werden om voorspellingen te doen over de toekomst. In onze tijd kennen we ze als Char of Yomanda, maar toen werden ze ook meegenomen naar Christelijke gemeenten en werd verteld dat wat ze vertelden uit Christus afkomstig zou zijn. Nee de ware gelovigen doen niet meer zoals in de wereld gewoon is.

Ze zijn aan God gewijd zoals alle eerstelingen volgens de Leer van Mozes aan God gewijd werden. Ook de eerstelingen van de oogst. Zij zorgen dat alles met iedereen werd gedeeld, over de hele bewoonde wereld, met alle mensen op aarde uit alle landen en volken. En dan de wijn. Eerst wordt er gesproken over de wijn van de wellust die ieder volk te drinken kreeg. Dat Babylon hier samenvalt met Rome is wel erg doorzichtig. Maar dan komt Johannes met de wijn van Gods boosheid. Wordt er een oorlogje gevoerd? Nee, een godsdienst waar een voortdurende oorlog is tussen de Goede God en de Kwade God is niet een Christelijke godsdienst laat staan de Joodse godsdienst waar ze uit voortgekomen is. Daar is de boosheid van God pas echt te merken als de noodkreten van de armen, van de onderdrukten tot hem doordringen. Die toorn kun je niet achteloos in alcohol verdrinken die toorn zal tot je dood leiden. En te veel alcohol is dodelijk. Dat is een ontzagwekkend gegeven en laat je nog eens zien dat alles eigenlijk pas echt kan bestaan uit liefde.

Hier komt het aan op wijsheid.

Openbaring 13:11-18

11 Toen zag ik een tweede beest, dat opkwam uit de aarde. Het had twee horens, net als een lam, en het sprak als een draak. 12 Voor de ogen van het eerste beest oefende het heel diens macht uit. Het dwong de aarde en alle mensen die erop leefden het eerste beest, dat van zijn dodelijke verwonding genezen was, te aanbidden. 13 Het verrichtte indrukwekkende tekenen, het liet voor de ogen van de mensen zelfs vuur uit de hemel neerdalen op de aarde. 14 Het wist de mensen die op aarde leven te misleiden door de tekenen die het voor de ogen van het eerste beest kon verrichten. Het droeg hun op een beeld te maken voor het beest dat ondanks zijn steekwond toch leefde. 15 Het kreeg de macht om dat beeld leven in te blazen, zodat het beeld van het beest ook kon spreken en ervoor kon zorgen dat iedereen die het beeld niet aanbad, gedood zou worden. 16 Verder liet het bij alle mensen, jong en oud, rijk en arm, slaaf en vrije, een merkteken zetten op hun rechterhand of op hun voorhoofd. 17 Alleen mensen met dat teken-dat wil zeggen de naam van het beest of het getal van die naam-konden iets kopen of verkopen. 18 Hier komt het aan op wijsheid. Laat ieder die inzicht heeft het getal van het beest ontcijferen; er wordt een mens mee aangeduid. Het getal is zeshonderdzesenzestig. (NBV)

Het getal 666 als het getal van de brenger van het Kwaad. In de geschiedenis zijn er talloze mensen mee aangeduid. En dat ze kwaad deden was wel duidelijk. Maar Johannes heeft het niet over iemand in de toekomst maar over iemand die zich in zijn tijd manifesteerde en direct herkenbaar was. Het waren de priesters van de Keizercultus die vrede en rust beloofden en met allerlei goocheltrucs de mensen verleidden om de Keizerbeelden in hun tempels te gaan aanbidden. Voor ons heeft het getal een andere geschiedenis gekregen. Rond de tweede wereldoorlog werd het gebruikt om Adolf Hitler aan te duiden, de meest uitgesproken vertegenwoordiger van het kwaad op aarde. Maar dat geknutsel met sommetjes bleek helemaal niet nodig.

In Den Haag woonde in het begin van de Tweede Wereldoorlog Ds. D. A. van den Bosch. Een ouderwetse dominee die al voor de oorlog waarschuwde voor het kwaad van fascisme en nazisme. Alleen het volgen van Jezus van Nazareth telde voor hem. Hij weigerde om lid te worden van welke politieke partij dan ook. Hij was geroepen om het woord uit het Evangelie te verkondigen en deed dat in een taal die na de Tweede Wereld oorlog niet echt meer begrepen zou worden. Behalve zijn geschrift over 666. Hij schreef dat het geknutsel met cijfers helemaal niet nodig was om het kwaad te herkennen. Wie mensen uitsloot uit de samenleving, uit wilde bannen omdat ze anders zouden geloven. Wie mensen collectief wilde uitsluiten omdat ze allemaal een gevaar vanwege hun geloof zouden zijn. Wie zichzelf beter achtte dan de anderen. Die was al genoeg belichaming van het kwaad om het getallengeknutsel nodig te hebben. De dominee schreef het pamflet op verzoek van een uitgever maar zou in 1942 vanwege dit pamflet vermoord worden in een concentratiekamp. Na de oorlog werd hem het verzetskruis toegekend.

Voor ons is het nuttiger de kwaadheid van Johannes in zijn eigen tijd tot ons te laten doordringen. Want aanbidding van succesfiguren komt immers ook in onze tijd voor. Worden wij niet voortdurend verleid achter succesvolle beurshandelaren en bankdirecteuren aan te lopen? Wordt ook ons niet de vrede en de welvaart beloofd als we ons laten vertrouwen op de markt, als we van alles wat we nodig hebben, van post tot gezondheidszorg, voorwerp van handel en concurrentie laten maken? Het “ieder voor zich” zou ons meer vrijheid en geluk moeten schenken dan “allen samen” en zeker dan “allen voor de naaste en de minsten in de samenleving” Wij mogen van Johannes leren waar de oproepen om dat liefhebben van anderen maar te verlaten op uit zal lopen: op crisis, oorlog en ellende. Wij hebben nog de keus er net als de Christenen uit de dagen van Johannes tegen in te gaan en vast te houden aan de navolging van Jezus van Nazareth. Elke dag opnieuw mogen we daaraan beginnen, ook vandaag weer.

Wie kan het tegen hem opnemen?

Openbaring 13:1-10

1 Toen zag ik uit de zee een beest opkomen. Het had tien horens en zeven koppen; het had een kroon op elke horen, en er stonden godslasterlijke namen op zijn koppen. 2 Het beest dat ik zag leek op een panter, met poten als van een beer en een bek als de muil van een leeuw. De draak droeg zijn kracht en heerschappij en gezag aan het beest over. 3 Een van de koppen van het beest zag eruit alsof hij geslacht was; het was een dodelijke verwonding, maar de wond genas. Vol bewondering ging de hele wereld achter het beest aan. 4 Iedereen aanbad de draak, omdat hij het beest gezag had gegeven. Ook het beest zelf aanbaden ze, met de woorden: ‘Wie is gelijk aan het beest? Wie kan het tegen hem opnemen?’ 5 Het beest kon zijn bek gebruiken voor grootspraak en godslasteringen, en dat tweeënveertig maanden lang.6 Het opende zijn bek en lasterde God, zijn naam en zijn woning en hen die in de hemel wonen. 7 Het mocht de strijd met de heiligen aanbinden en hen overwinnen. Ook kreeg het macht over alle landen en volken, over mensen van elke stam en taal. 8 Alle mensen die op aarde leven zullen het beest aanbidden, iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het lam dat geslacht is. 9 Wie oren heeft, moet horen. 10 Wie gevangenschap moet verduren, zal in gevangenschap gaan. En wie door het zwaard moet sterven, zal sterven door het zwaard. Hier komt het aan op de standvastigheid en trouw van de heiligen. (NBV)

Het kwaad doet zich voor in allerlei gedaanten. Ook in onze dagen kennen we dat. De herinnering aan het Nazirijk met haar gaskamers en haat tegen alles wat Joods was leeft nog voort. Maar in dezelfde tijd leefde ook de dictatuur van de zich communist noemende Stalin met zijn werkkampen waar de dood heerste. En in onze dagen was de dictator van Libië nog nauwelijks verdreven of ons werden de misdaden van de dictator van Syrië onthuld. Dat terwijl het proces over de onderdrukkers van Cambodja, met de beruchte killing fields, nog nauwelijks achter de rug is. Daniël beschreef de onderdrukkers van zijn tijd als vier dieren die uit de zee opkwamen. De leeuw, de beer, de panter en het dier met de tien horens. Johannes voegt de dieren samen tot één dier, het Romeinse Rijk, dat de ene zogenaamd goddelijke keizer laat opvolgen door de andere.

Na de zelfmoord van Keizer Nero verkeerde het Romeinse Rijk een korte tijd in verwarring. Er kwamen een aantal keizers die als tussenkeizer regeerden tot Keizer Vespasianus aantrad die het Keizerrijk een dynastie bezorgde en het keizerschap weer een goddelijk aanzien gaf. De kop met de dodelijke verwonding had zich hersteld schrijft Johannes dan. De zee waaruit het beest of de beesten waren voortgekomen was het dodenrijk, de zee was in de Joodse beleving altijd al het symbool van de dood, in heel de Hebreeuwse Bijbel kun je daar de voorbeelden van terugvinden. Met Keizer Vespasianus breekt er ook een tijdperk van vrede aan in het Romeinse Rijk en de mensen aanbaden met graagte deze Keizer en zijn opvolgers om maar rust te blijven houden. Alleen die halsstarrige Christenen deden er niet aan mee.

Johannes spreekt die halsstarrige Christenen moed in. Het maakt niet uit wat je overkomt, je hoeft het niet te zoeken wat sommigen doen, als je wat overkomt dan was dat al voor je weggelegd. Waar het op aan komt is niet dat je martelaar wordt voor het geloof in die nieuwe wereld van Jezus van Nazareth maar dat je standvastig blijft en trouw aan de idealen die dat nieuwe rijk met zich mee heeft gebracht. En aangezien alle gelovigen heiligen zijn hoeft er niemand meer heilig verklaard te worden laat staan dat iemand een ander mens zou moeten aanbidden. Het blijft duidelijk dat de richtingwijzers van de God van Israël gevolgd moeten worden, heb je naaste lief als jezelf, niemand is beter of belangrijker dan een ander, aan de samenleving moet iedereen kunnen meedoen en het verschil tussen Jood en Heiden, arme en rijke, man en vrouw, homo en hetero, allochtoon en autochtoon is weggevallen. Dat gelovigen in die samenleving bespot en vernederd worden neemt niet weg dat we er elke dag opnieuw voor mogen kiezen, ook vandaag weer.

De aarde schoot haar te hulp

Openbaring 12:13-18

13 Toen de draak zag dat hij op de aarde gegooid was, achtervolgde hij de vrouw die een zoon gebaard had. 14 Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote adelaar om naar haar plaats in de woestijn te vliegen, waar gedurende een tijd en twee tijden en een halve tijd voor haar gezorgd zou worden, buiten het bereik van de slang. 15 Toen spuwde de slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren. 16 Maar de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de draak had uitgespuwd. 17 De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met de rest van haar nageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven. 18 Hij ging op het strand bij de zee staan. (NBV)

Wij willen zo graag in de hemel komen. In de dagen dat Johannes zijn dromen opschreef, tijdens zijn gevangenschap op Patmos, was het graag in de hemel willen komen voor Christelijke gemeenten zelfs af en toe een probleem. De enorme maatschappelijke druk waartegen men zich te weer moest stellen maakte dat men ging geloven dat alleen marteling en dood bewezen dat je werkelijk Christen was, je moest dus een weg zoeken waarbij je zo snel en zo pijnlijk mogelijk in de hemel zou komen. Dat was dus niet de bedoeling schrijft Johannes. Het zal hier op aarde moeten gebeuren dat het kwaad wordt overwonnen en het kan dus ook op aarde gebeuren dat het kwaad, die geweldige draak die ons belaagd, zal worden overwonnen. Op het eind van zijn boek schrijft Johannes dan ook dat de hemel op aarde neerdaalt en God zijn tenten hier op aarde spant.

Dat de vrouw, hier het symbool van de verwachting, de hoop die mensen nodig hebben om te kunnen overleven, kan ontsnappen komt door de enorme adelaarsvleugels die ze krijgt. Adelaarsvleugels? Jazeker, de Hebreeuwse Bijbel zegt dat de God van Israël zijn kinderen draagt als een adelaar op haar vleugels. Biologisch klopt dat beeld niet maar de grote vleugels waarmee een adelaar zich bewegingsloos door het gebergte beweegt hebben altijd veel indruk gemaakt. Daar kunnen jongen onbevreesd op leren te vliegen, ze worden altijd beschermd was de gedachte. Die gedachte vinden we hier weer terug. De beelden uit het gedeelte van vandaag zijn ook niet nieuw. De tijd die ze mag wonen in de woestijn wordt ook al in het boek Daniël vermeld. Daarmee wordt de vrouw overigens ook een symbool voor het volk dat in de woestijn de richtlijnen voor het leven, de richtlijnen voor een rechtvaardige samenleving ontving. Zo zou het leven er uit moeten zien: niet doden, niet liegen in een rechtzaak, niet stelen en zo.

En in de woestijn was het kwaad al eens eerder opgeslokt. In het boek Numeri staat daar een mooi verhaal over als in het volk Israël bij sommigen het verlangen naar de doodscultuur van Egypte groter wordt dan de ontdekkingsreis door de woestijn waar je voortdurend op elkaar moest kunnen vertrouwen om te kunnen overleven. Ook toen werd de splijtzwam die het volk dreigde mee te sleuren opgeslokt door de aarde. De hulp en de kracht die we nodig hebben om het kwaad te overwinnen komt dus niet in de eerste plaats van de hemel. De God van Israël, de God die met je meetrekt is hier op aarde. In Christelijke zin heeft hij onder ons gewoond en is het Zijn Geest die in ons wil wonen. In die Geest van liefde kunnen we het kwaad bestrijden door het goede te doen en niet dan het goede. Johannes laat zien dat het niet gemakkelijk is, geen liefelijke oase wordt geschilderd, maar een harde strijd. Maar elke dag weer mogen we de keuze maken om onze naaste lief te hebben als onszelf en daarmee het kwaad te bestrijden door het goede te doen, ook vandaag weer.

Wee de aarde en de zee

Openbaring 12:1-12

1 Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. 2 Ze was zwanger en schreeuwde het uit in haar weeën en haar barensnood. 3 Er verscheen een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon. 4 Met zijn staart sleepte hij een derde van de sterren aan de hemel mee en smeet ze op de aarde. De draak ging voor de vrouw staan die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was. 5 Maar toen ze het kind gebaard had-een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden-, werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon. 6 De vrouw zelf vluchtte naar de woestijn. God had daar een plaats voor haar gereedgemaakt, waar twaalfhonderdzestig dagen lang voor haar gezorgd zou worden. 7 Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand 8 maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. 9 De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid. 10 Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen: ‘Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn messias. Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht. 11 Zij hebben hem dankzij het bloed van het lam en dankzij hun getuigenis overwonnen. Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard. 12 Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen! Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald! Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft.’ (NBV)

Hebben wij nog de fantasie om met het boek Openbaring weg te dromen over hoe de wereld ook in elkaar zit? De schrijver van dit boek zat gevangen op een bijna onbewoonbaar eiland, Patmos. Hier werd gewerkt in de mijnen. Hier telde een mensenleven niet. Waar was nu de God van Israël? Waar waren de grazige weiden waar Psalm 23 zo mooi over kon zingen? Hier was meer het kruis waar Jezus van Nazareth over had gesproken. Maar over de vreselijke martelingen was ook al in de Hebreeuwse Bijbel gesproken. Daniël had het al gehad over draken en monsters die het volk van de God van Israël zouden bedreigen en misschien zelfs zouden verslinden. En was aan Eva niet al vanaf het begin beloofd daar haar nageslacht de kop van de duivelse slang zou vernietigen? En deze beelden gebruikte Johannes om ook zijn verhaal te vertellen. Niet een verhaal over een verre onbekende toekomst, dat willen sommigen er tegenwoordig graag in lezen, maar een verhaal over de situatie van hem en zijn medegelovigen. Mensen die door hun omgeving als ongelovigen werden beschouwd omdat ze weigerden de machthebbers en de zelfgemaakte godenbeelden te aanbidden.

Johannes laat het verhaal door de sterren vertellen. Johannes ziet het sterrenbeeld Maagd oplichten alsof ze de zon als haar mantel had aangetrokken, zoals God volgens Psalm 104 het licht als mantel had aangetrokken. Een krans van twaalf sterren geeft de Maagd iets vorstelijks. Ze verwacht een baby. Dan verschijnt het sterrenbeeld Draak dat zich uitstrekt over de sterrenbeelden Weegschaal, Maagd, Leeuw en Kreeft. We moeten om te beginnen dus steeds voorzichtig zijn met de taal van het boek Openbaring. Het is droomtaal, beeldtaal, de woorden wijzen naar dromen en proberen die dromen onder woorden te brengen. Op geen enkele manier zijn die beelden terug te vinden in de werkelijkheid. Hooguit zou je er een film over kunnen maken, een fantasiefilm en in onze fantasie kunnen we dan het verhaal van Openbaring meebeleven. Het beeld van de draak als verleider, als opposant van de God van Israël kennen we uit het boek Job. Job deed wat goed was, maar dat kon dus niet volgens de opposant. Het kwaad is dus geconcentreerd op aarde. In de dagen van Johannes was dat ook zo.

Christenen die weigerden te offeren aan de goddelijk verklaarde keizers werden gevangen genomen, gemarteld en gedood. Juist zij die de dood aanvaarden maar het goede bleven doen, bleven zorgen voor slaven, voor armen ondanks de verdenkingen die dat opriep bestreden het kwaad. Ze zouden alle Christenen moeten uitroeien om nog enige zeggenschap te hebben. Maar door gewonde soldaten te verzorgen, ook al waren het hun vervolgers, door vreemdelingen in hun midden op te nemen waardoor spanningen in de samenleving verminderden, door het onderscheid tussen vrouwen en mannen te laten verdwijnen waardoor er veel meer denkkracht en creativiteit vrij kwam, door niet langer bang te zijn voor het vreemde, het andere maar alleen te leven volgens de liefde groeide de beweging van de Weg dwars tegen de verdrukking in. Daar mogen wij in onze dagen ook moed uit putten, door het goede te doen en het kwade te bestrijden door het goede, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

De meest gezegende ben je van alle vrouwen

Lucas 1:39-56

39 Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, 40 waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. 41 Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld met de heilige Geest 42 en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! 43 Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? 44 Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. 45 Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’ 46 Maria zei: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, 47 mijn hart juicht om God, mijn redder: 48 hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen, 49 ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam. 50 Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert. 51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, 52 heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. 53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.54-55 Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’ 56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis. (NBV)

We hebben geleerd om de begroeting van Maria door Elisabet als een vrome tekst te lezen. De Rooms Katholieke kerk heeft er zelfs een gebed van gemaakt. Maar de schrijver van het Lucas evangelie vertelt eigenlijk voortdurend het Oude Testament na. Kijk eens hoe dat wat God met het volk Israël en de wereld heeft gedaan ook nu gebeurt. Vrouwen die tegen alle verwachting in zwanger worden komen op vele plaatsen in het Oude Testament voor. Maar deze groet is een bijzonder citaat. Je kunt het vinden in het vijfde hoofdstuk van het boek Rechters, vers 24 om precies te zijn. Daar wordt Jael op deze manier aangesproken. Jael had generaal Sisera met een tentpin door zijn hoofd geslagen en zo het volk bevrijdt van een sterke vijand. De zwangere en nog steeds ongehuwde Maria wordt hier dus niet als een zacht en dienstbaar meisje aangesproken maar als een sterke strijdster die in opstand is gekomen tegen de heersende machten.

Dat maakt ook het lied duidelijk dat Maria als antwoord Elisabeth toezingt. Daar gaat het immers om de grote dingen die de machtige aan zijn dienstmeisje in lage staat heeft gedaan. Niemand zal ooit meer dit meisje vergeten dat besloot ondanks de zwartste bezetting van haar land toch haar zwangerschap te dragen in de verwachting dat elk kind opnieuw de kans zou bieden dat het de bevrijder van haar volk zou zijn. Haar kind zou immers wel eens de pin van Jael kunnen worden waarmee de slaap van de bezetters doorboord zou kunnen worden. Dit meisje jubelt het uit dat heersers van de troon worden gestoten en dat hongerigen overladen worden met gaven en rijken heengezonden worden met lege handen. Het is een overwinningslied zoals dat werd aangeheven door zangeressen als Debora, Mirjam de zuster van Mozes en Hanna de moeder van Samuël. En geen wonder dat het lied eindigt bij Abraham want net als Sara op hoge leeftijd is ook Elisabeth zwanger geworden.

Ook Elisabeth heeft besloten haar zwangerschap te dragen, ook al moet je daar in kringen waar mannen het voor het zeggen hebben over zwijgen. Dat zwijgen laten de beide vrouwen maar over aan Zacharias. Het zal duidelijk zijn dat de pogingen om Maria en Elisabeth als vrome, gedienstige en gehoorzame vrouwen af te schilderen falen als je het verhaal van Lucas leest als vervolg op en hervertelling van het Oude Testament. Het verzet van Debora, de vreugde na de doortocht door de Rode Zee van Mirjam en de toewijding aan de dienst van de Heer van Hanna klinken hier door. Een vast vertrouwen op een nieuwe aarde waarin elk mens tot haar recht komt, waar hongerigen zijn gevoed en bedroefden getroost, waar vrouwen zich niet meer hoeven schamen als ze een kind willen krijgen en waar niet de willekeur van mannen maar de eigen keus van vrouwen bepaalt of er wel of geen kinderen worden geboren. Daarom is dit verhaal van Maria en Elisabeth ook een verhaal van vandaag. Daar waar vrouwen niet tot hun recht komen, daar waar zij afhankelijk worden gehouden van oordelen van mannen, daar zal bevrijding moeten plaatsvinden, door henzelf en door ieder die wil leven in de dienst van de God van Israël en de liefde van Jezus van Nazareth.