Jonatan sloot een verbond met het huis van David

1 Samuel 20:11b-23

11b Toen ze samen buiten de stad waren gekomen 12 zei Jonatan: ‘Bij de HEER, de God van Israël, morgen of overmorgen om deze tijd zal ik uitzoeken hoe mijn vader over je denkt. Als het er goed voor je uitziet, zal ik een boodschap sturen om het je te laten weten. 13 Maar mocht mijn vader zich het in zijn hoofd hebben gezet om je kwaad te doen, dan mag de HEER met mij doen wat hij wil, als ik je dat niet zou laten weten en er niet voor zou zorgen dat je een veilig heenkomen kunt vinden. Moge de HEER je bijstaan zoals hij eerst mijn vader bijstond. 14 Ik weet wel dat je me zolang als ik leef goed zult behandelen, zoals de HEER dat voorschrijft, maar beloof me dat je ook na mijn dood 15 mijn nakomelingen steeds goedgezind blijft, zelfs wanneer de HEER al je vijanden een voor een van de aardbodem wegvaagt.’ 16 Jonatan sloot een verbond met het huis van David met de woorden: ‘Moge de HEER je daaraan houden.’ 17 Vervolgens liet hij David dit bekrachtigen met een eed op hun vriendschap, want hij had David lief als zijn eigen leven. 18 Daarna zei hij: ‘Als je plaats morgen tijdens het nieuwemaansfeest leeg blijft, zal men je zeker missen. 19 Overmorgen moet je een flink eind weggaan en je verbergen op dezelfde plek als de vorige keer, bij de Haëzelrots. 20 Ik zal drie pijlen op de rots afschieten, alsof ik op een doel mik, 21 en die door mijn wapendrager laten ophalen. Als ik tegen hem roep: “Nee, dichterbij!” neem hem dan mee en kom naar me toe, want zo waar de HEER leeft, dan kun je gerust zijn en is er niets aan de hand. 22 Maar als ik roep: “Nee, verderop!” dan moet je vertrekken, want dan is het de HEER zelf die je wegstuurt. 23 En bij alles wat we nu hebben afgesproken, jij en ik, is de HEER onze getuige.’(NBV)

Trouwe Bijbellezers kennen de afloop, maar die doet hier even nog niet ter zake. De oplossing die de beide mannen kiezen voor het bericht over de houding van Koning Saul beslecht een ander conflict, een conflict uit het verleden. Het conflict tussen Kaïn en Abel. Daar gingen twee broers het veld in en de ene broer dode de ander. Hier zullen twee broers het veld ingaan en maakt de ene broer het mogelijk dat de ander in leven blijft. In dit verhaal wordt gekozen voor het leven. Een keuze die mogelijk gemaakt wordt door de liefde.

Een keus die wij dus ook mogen maken. Als wij werkelijk van onze naaste houden als van onszelf dan gunnen we die naaste een even liefdevolle relatie als wij voor onszelf willen. Met wie die relatie ook wordt aangegaan. Want zeg nu zelf, zou een ander jouw relatie mogen verbieden? Zo mogen we het elke dag opnieuw mogelijk maken dat mensen van elkaar kunnen houden, ook vandaag weer. In het verhaal over David en Jonathan wordt voortdurend de nadruk gelegd op de liefde tussen de twee. Ze zweren zelfs elkaar tot hulp en bijstand te zijn.

David is ingetrouwd in het huis van Saul. Pas als Saul en zijn zonen in de slag gestorven zijn zal hij echt koning van Israël worden. Door de innige vriendschap met Jonatan wordt dat huwelijk van David eigenlijk een politieke het in het spel om het koningschap van Israël. David weigert in opstand te komen tegen Saul. Hij was zeer populair bij het volk en had daardoor de sympathie van Saul verspeeld. Maar populisme mag volgens de Bijbel niet lijden tot geweld, ook in onze dagen mogen we daar soms wel wat meer op letten.

Dat bestaat niet!

1 Samuel 20:1-11a

1 David maakte dat hij uit het profetenhuis in Rama wegkwam. Hij ging naar Jonatan en vroeg hem: ‘Wat heb ik toch verkeerd gedaan? Waaraan heb ik me schuldig gemaakt? Wat heb ik je vader misdaan, dat hij mij wil doden?’ 2 ‘Er is geen sprake van dat jij moet sterven, ‘antwoordde Jonatan. ‘Mijn vader doet immers nooit iets zonder mij in vertrouwen te nemen, al is het nog zo onbelangrijk. Zou hij dan zoiets voor mij verborgen houden? Dat bestaat niet!’ 3 Maar David hield vol: ‘Je vader weet heel goed dat jij op me gesteld bent. Daarom denkt hij: Jonatan mag dit niet te weten komen, het zou hem maar verdriet doen. Maar ik zweer je, zo waar de HEER leeft en zo waar jij leeft, Jonatan, ik ben maar één stap van de dood verwijderd.’ 4 ‘Zeg maar wat ik voor je doen kan, ‘zei Jonatan, 5 en David antwoordde: ‘Luister, morgen is het nieuwemaan. Eigenlijk zou ik dan met de koning aan de maaltijd moeten aanzitten. Maar als jij me verlof geeft, houd ik me buiten de stad schuil tot het donker is. 6 Als je vader mijn afwezigheid opmerkt, moet je zeggen: “David heeft mij dringend gevraagd om te mogen afreizen naar zijn vaderstad Betlehem, waar zijn hele familie bijeen is voor het jaarlijkse offerfeest.” 7 Als hij zegt dat het goed is, kan ik gerust zijn, maar als hij boos wordt, dan weet je dat hij vast van plan is om mij kwaad te doen. 8 Op jouw aandringen hebben jij en ik elkaar tegenover de HEER trouw gezworen, bewijs me dus alsjeblieft deze vriendendienst: als ik iets heb misdaan, dood jij me dan, maar lever me niet uit aan je vader.’ 9 ‘Dat nooit!’ riep Jonatan uit. ‘Mocht ik erachter komen dat mijn vader van plan is om je kwaad te doen, dan zal ik het je beslist laten weten.’ 10 ‘Hoe kom ik te weten wat je vader gezegd heeft, en of hij kwaad is geworden?’ vroeg David. 11 ‘Wacht, laten we eerst de stad uitgaan, ‘stelde Jonatan voor. (NBV)

Jonathan en David. Twee vrienden die elkaar lief hadden en een verbond van eeuwige trouw hadden gesloten. Daar lezen we vandaag over. Die vriendschap vinden we mooi, maar met die liefde hebben we nogal wat moeite. Twee mannen die met elkaar trouwen, want wat is een verbond van eeuwige trouw anders, dat is nieuw. Deze vriendschap heeft kennelijk de goedkeuring van de God van Israël. Deze liefde maakt zelfs een toekomst voor Israël mogelijk. De Koning waarvan God zich had afgekeerd zal niet de ondergang van Israël betekenen. Jonathan sluit in dit verhaal nogmaals een verbond, een verbond met het huis van David. Daarbij gaat het om de toekomst. Daarbij gaat het veel later in de geschiedenis van Israël om de vraag wie de wettige koning van Israël mag zijn.

Jonathan voorziet dat het huis van Saul tegenover het huis van David zal komen te staan. En zo is het ook gebeurd. Het huis van Saul leverde de koningen van het Noordrijk, het huis van David de koningen van Juda. Toen de Bijbel haar definitieve vorm vond was er van dat zelfstandige rijk Israël geen spoor meer over. Juda met haar hoofdstad Jeruzalem werd hersteld en daar werden dan Samaria en Galilea aan toegevoegd. Maar een koning over dit rijk zou uit het huis en het geslacht van David moeten komen. De basis daarvan ligt in het verhaal dat we vandaag gelezen hebben. De bedoeling was een toekomstig conflict te voorkomen. Dat is natuurlijk niet echt gelukt. Het is door de geschiedenis heen een strijd gebleven tussen een Koningshuis zoals de Heidense volken die ook hebben en een Koningshuis zoals de God van Israël die wilde.

Ook de koningen van Juda gingen overigens regelmatig het pad op van de Koningen zoals de Heidenen die ook hadden. Trouw blijven aan de God van Israël levert grote risico’s op. Risico’s die in dit verhaal ook door Jonathan worden genomen. Hij gelooft immers niet dat zijn vader er op uit is David te doden. Als zijn vader daar inderdaad op uit is dan loopt Jonathan een groot risico als zijn vader er achter zou komen dat hij David lief had en dat hij met David een eeuwigdurend verbond had gesloten, ja dat hij zelfs met het huis van David een verbond had gesloten. Jonathan neemt het risico. Hij zal helpen uitvinden wat de plannen van Saul zijn. Moet David vluchten of zal David terug kunnen keren aan het hof?

In het profetenhuis in Rama

1 Samuel 19:18-24

18 David had zich uit de voeten gemaakt en een veilig heenkomen gezocht. Hij was naar Rama gegaan, naar Samuël, en had hem alles verteld wat Saul hem had aangedaan. Hij nam zijn intrek bij Samuël in het profetenhuis. 19 Toen Saul hoorde dat David in het profetenhuis in Rama verbleef, 20 stuurde hij er mannen naartoe om hem gevangen te nemen. Daar aangekomen zagen ze de hele profetengemeenschap in vervoering, onder toezicht van Samuël. Ook Sauls mannen werden door de geest van God overmand en ook zij raakten in vervoering. 21 Toen Saul hiervan hoorde, stuurde hij andere mannen, maar ook die raakten in vervoering. Saul gaf niet op en stuurde een derde groep, maar ook die raakte in vervoering. 22 Ten slotte ging hij er zelf op af. Toen hij bij de grote put in Sechu aankwam, vroeg hij: ‘Waar zijn Samuël en David?’ ‘Die zijn in het profetenhuis in Rama, ‘luidde het antwoord. 23 Saul begaf zich naar Rama en onderweg werd ook hij overmand door de geest van God. De hele weg naar het profetenhuis was hij in vervoering, 24 en daar aangekomen trok ook hij zijn kleren uit en viel naakt en tierend voor Samuël op de grond. Dat ging een hele dag en nacht zo door, en sindsdien zegt men: Hoort Saul nu ook al bij de profeten? (NBV)

David vlucht naar Samuël. Rond Samuël had zich een hele gemeenschap van profeten gevormd die samen een soort commune, of een soort klooster, moeten hebben gevormd. Die profetenscholen krijgen bij ons maar weinig aandacht. Maar als we over Elia en Elisa lezen dan komen we ook die profetenscholen tegen. Ook Jesaja wordt bij een dergelijke school gerekend en er zijn geleerden die menen dat het boek Jesaja in die school is ontstaan. Bij Oosterse godsdiensten hoort dan ook dat je samen in trance raakt. Pas bij Paulus vinden we waarschuwingen tegen het overmatig zo in trance raken dat niemand meer begrijpt wat er wordt gezegd en gedaan.

Maar ook Samuël laat Saul in de steek. Als Saul soldaten naar Rama, waar Samuël woont stuurt dan raken die net zo goed in trance als de profeten rond Samuël. Telkens weer mislukt daardoor de arrestatie. Zelfs als Saul ten einde raad zelf maar naar Rama trekt raakt hij onderweg al in vervoering en kronkelt naakt en tierend voor Samuël op de grond, een hele dag en een hele nacht. Opnieuw klinkt het nieuwe spreekwoord dat zich bij overdreven godsdienstigheid afvraagt of ook Saul al bij de profeten hoort. Het gaat in het gedeelte van vandaag over profeteren. En wel over het profeteren door het enthousiasme dat je opbrengt voor de zaak van de God van Israël.

Door het knippen van Bijbelverhalen raak je soms het zicht wat kwijt, maar Saul profeteert als de boze geeft over hem vaardig wordt door met zijn speer te werpen. Ook als hij de profetenschool van Samuël en zijn soldaten in vervoering voor God ziet gaat hij profeteren, hij trok zijn kleren uit en viel tierend op de grond voor Samuël. Ook hij verkondigd het woord van God, God heeft voor David gekozen. Alleen doet Saul dat in negatieve zin, net als in onze dagen de klimaathysterici doen die uit alle macht ontkennen dat de mens voor de aarde moet zorgen en de aarde niet moet willen uitputten.

Het beeld van de huisgod

1 Samuel 19:1-17

1 Saul maakte aan zijn hovelingen en zijn zoon Jonatan bekend dat hij Davids dood wenste. Maar Jonatan, die zeer op David gesteld was, 2 waarschuwde hem: ‘Mijn vader Saul is van plan je te doden. Wees op je hoede morgenochtend, houd je schuil en blijf waar je bent. 3 Ik ga dan met mijn vader de stad uit, houd bij jou in de buurt halt en breng het gesprek op jou. Daarna zal ik je laten weten hoe de zaken staan.’ 4 Jonatan hield tegen zijn vader Saul een pleidooi voor David. Hij sprak als volgt: ‘Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft u immers niets misdaan. Integendeel, hij heeft u juist grote diensten bewezen. 5 Met gevaar voor eigen leven heeft hij de Filistijn verslagen, en de HEER heeft Israël een grote overwinning bezorgd. U hebt het met eigen ogen gezien en was er opgetogen over. Waarom zou u dus onschuldig bloed vergieten door David te doden zonder dat daar aanleiding toe is?’ 6 Saul liet zich door Jonatan overreden en zwoer: ‘Zo waar de HEER leeft, hij zal niet worden gedood.’ 7 Toen riep Jonatan David en vertelde hem hoe het gesprek verlopen was. Hij bracht David bij Saul en David kwam weer aan het hof wonen, zoals eerst. 8 Ondertussen ging de oorlog voort. Weer trok David tegen de Filistijnen ten strijde, bracht hun een grote slag toe en joeg ze op de vlucht. 9 En weer werd Saul gekweld door een kwade geest van de HEER. Hij zat thuis, zijn speer in de hand, terwijl David muziek voor hem maakte. 10 Weer probeerde hij David met zijn speer aan de muur te spiesen, maar weer kon David hem ontwijken en boorde de speer zich in de muur. David vluchtte weg en zocht nog diezelfde nacht een veilig heenkomen. 11 Saul stuurde mannen naar Davids huis, die hem de volgende ochtend moesten opwachten en doden. Maar Davids vrouw Michal waarschuwde hem: ‘Breng je vannacht nog in veiligheid, anders is het morgen met je gedaan.’ 12 Ze hielp hem uit het venster naar beneden, en hij maakte zich uit de voeten en wist te ontkomen. 13 Toen nam Michal het beeld van de huisgod en legde dat in het bed. Om de kop vlocht ze wat geitenhaar en ze dekte het beeld toe met een deken. 14 Saul stuurde mannen om David gevangen te nemen, maar Michal zei dat hij ziek was. 15 Toen stuurde Saul hen opnieuw naar Davids huis om zich er met eigen ogen van te overtuigen dat David er was en droeg hun op: ‘Breng hem hier, desnoods met bed en al, zodat hij ter dood kan worden gebracht.’ 16 Toen de mannen binnenkwamen, zagen ze dat er een beeld in bed lag, met een pluk geitenhaar om zijn kop. 17 ‘Waarom heb je mij zo bedrogen?’ vroeg Saul aan Michal. ‘Je hebt mijn aartsvijand helpen ontsnappen!’ ‘Ik moest wel, ‘antwoordde Michal. ‘Hij zei tegen me: “Help me ontsnappen, of moet ik je soms doden?”’ (NBV)

Van God en alle mensen verlaten. Zo kun je je ook voelen als je heel alleen een veel te zware verantwoordelijkheid hebt te dragen. Zo zal het Saul ook vergaan zijn. Als hij besluit zijn rivaal David ter dood te laten brengen, zo doen machtige mannen immers, dan zijn het eerst zijn eigen kinderen die hem daarin tegenhouden en er van afbrengen. Jonathan, zijn oudste zoon, lokt hem mee naar het veld en weet hem daar te overtuigen van het belang van David voor Israël. Maar dat is niet genoeg. Als Saul David in diens eigen huis wil laten arresteren dan is daar de dochter van Saul, Michal ‘ Het is Michal die een truc verzint om David de tijd te geven te vluchten.

Wij kijken misschien even vreemd op van het beeld van de huisgod, maar we moeten niet vergeten dat ook Rachel, stammoeder van Israël, al de huisgoden van Laban had meegenomen toen ze met Jacob naar Israël trok. In die traditie staat ook Michal, de verbinding tussen het huis van Saul en dat van David. Dat beeld van een huisgod heeft geen invloed op de verhouding tussen David en de God van Israël. Je zou bijna zeggen dat het de huisgod is die David heeft gered. Jezus zou er later op wijze dat uiterlijke godsdienstigheid niets over je verhouding met God zegt. “Niet wie zegt “Here, Here” maar wie doet de wil van mijn Vader” houdt hij zijn leerlingen voor.

En de wil van God is dat we hem liefhebben boven alles door de naaste lief te hebben als onszelf. Dat gold al voor Saul en dat is voor ons nog steeds zo. Jaloezie, angst voor de dood, eer en glorie, rijkdom en macht, ze moeten ons niet deren en zeker niet ons handelen bepalen. Alleen de zorg voor de zwaksten, zoals David zijn leven inzette voor zijn schapen, moet ons handelen bepalen. Onrecht begaan aan een ander is ook onrecht begaan aan onszelf. Zo moeten we onze overheid aanspreken, zo moeten we zelf handelen. Gelukkig dat we er elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen. Ook vandaag weer.

Geen enkele knecht kan twee heren dienen

Lucas 16:10-18

10 Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat, en wie oneerlijk is in het geringste is ook oneerlijk als het om veel gaat. 11 Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? 12 En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt? 13 Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’ 14 De Farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor hem op. 15 Maar Jezus zei tegen hen: ‘U wilt bij de mensen altijd voor rechtvaardig doorgaan, maar God kent uw hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God. 16 De Wet en de Profeten gaan tot aan Johannes: sindsdien wordt het koninkrijk van God verkondigd, en iedereen wordt met klem genodigd binnen te komen. 17 Maar nog eerder vergaan hemel en aarde dan dat er ook maar één tittel van de wet wegvalt. 18 Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel, en ook wie trouwt met een vrouw die door haar man is verstoten, pleegt overspel. (NBV)

De Mammon is een god, niet een god die bestaat maar wel een god die je kan dienen. Dan heeft die god een paar eigen wetten. Die god van het geld wil dat je spaart of leent. Je krijgt rente of je krijgt goederen en moet daarvoor rente betalen. Maar weggeven mag je het geld niet. Dienaren van de Mammon die delen met een ander worden bestraft met armoede of uitsluiting van de samenleving. Ze krijgen het verkeerde uiterlijk en kunnen dat niet meer herstellen, ze hebben niet de meest moderne keuken, niet het laatste model TV apparaat, niet de meest modieuze kleding, niet het laatste type auto. Hun kinderen krijgen niet de vakantie die ze toekomt en hebben ook niet de kleren aan van het merk dat in de mode is, laat staan dat die kinderen die nieuwste games kunnen delen met hun vriendjes en vriendinnetjes. De wetten van de Mammon zijn hard maar de beloning lijkt groot.

Alleen die vervelende arme Amerikanen leken een aantal jaren geleden het rijk van de Mammon in gevaar te gaan brengen. Ze leenden geld om hun huizen te betalen tegen een lage rente. Toen de rente steeg is konden ze die rente en de aflossingen op de lening niet meer betalen. In plaats van minder eten te kopen en te blijven lopen in versleten kleren, te liften naar het werk met stadgenoten blijven ze kopen in de grote supermarkten aan de rand van de stad, blijven ze rijden in oude auto’s. Het hele rijk van de Mammon, het financiële rijk was aan het wankelen. Het gevaar bestaat natuurlijk dat het Koninkrijk van die Jezus van Nazareth het over gaat nemen. Dat Koninkrijk waar die vieze in kameelharen kleding getooide Johannes toe opriep. Waar voor iedereen plaats is en waar sparen en lenen is vervangen door delen met elkaar zodat iedereen altijd te eten heeft. Waar mensen niet meer houden van jong en nieuw en hip maar houden van elkaar als van zichzelf. Geen cosmetische operaties meer, reizen per openbaar vervoer of samen een auto delen, kleding en goederen zo veel mogelijk hergebruiken, eerlijke lonen voor verbouwers en arbeiders ook in arme landen.

De Tittel en de Jota zijn de kleinste leestekens uit het Hebreeuwse schrift. Zelfs het allerkleinste van de richtlijn voor een menselijke samenleving mag niet wegvallen volgens Jezus van Nazareth. Dat betekent dat nergens en nooit iets afgedaan kan worden van de liefde voor de naaste. Die liefde drukt immers de liefde voor God uit die boven alles behoort te gaan. Niet om er zelf beter van te worden, niet om genade van God te verwerven, maar omdat de minsten het nodig hebben en we nu eenmaal niet te scheiden zijn van de liefde van Jezus van Nazareth. Daarom zijn partners in een levens en liefdesverband geen wegwerpartikelen die je kan inruilen als je er op uitgekeken bent. Natuurlijk als je samen tot de ontdekking komt dat samen verder gaan niet verstandig is dan moet je een weg vinden om uit elkaar te gaan. Maar wel samen, wel in liefde voor elkaar, je bent immers in elk geval de naaste van je eigen partner. En begin je een nieuwe relatie dan moet je er van verzekerd zijn dat ook je partner in liefde de nieuwe weg van vrijheid is ingeslagen.

Met behulp van de valse mammon

Lucas 16:1-9

1 Hij richtte zich ook tot zijn leerlingen: ‘Er was eens een rijke man die een rentmeester had en te horen kreeg dat de rentmeester zijn eigendommen verkwistte. 2 De rijke man riep de rentmeester bij zich en zei tegen hem: “Wat hoor ik over jou? Leg verantwoording af van je beheer, want je kunt niet langer rentmeester blijven.” 3 Toen zei de rentmeester bij zichzelf: Wat moet ik doen nu mijn heer mij het beheer afneemt? Werken op het land kan ik niet, en voor bedelen schaam ik me. 4 Maar ik weet al wat ik moet doen om ervoor te zorgen dat de mensen, wanneer ik van mijn beheerderstaak ben ontheven, mij bij hen thuis ontvangen. 5 Een voor een riep hij de schuldenaars van zijn heer bij zich. De eerste vroeg hij: “Hoeveel bent u mijn heer schuldig?” 6 “Honderd vaten olijfolie, ”antwoordde de schuldenaar. De rentmeester zei tegen hem: “Hier is uw schuldbewijs, ga zitten en maak er gauw vijftig van.” 7 Daarna vroeg hij aan de volgende schuldenaar: “En u, hoeveel bent u schuldig?” “Honderd balen graan, ”luidde het antwoord. De rentmeester zei: “Hier is uw schuldbewijs, maak er tachtig van.” 8 En de heer prees de oneerlijke rentmeester omdat hij slim had gehandeld. De kinderen van deze wereld gaan immers slimmer met elkaar om dan de kinderen van het licht. 9 Ook ik zeg jullie: maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen wanneer de mammon er niet meer is. (NBV)

Vandaag een verwarrend en misschien wel duister verhaal. Dat van die mammon kunnen we nog wel snappen. Dat je met de god van het geld vrienden moet maken om de armen te kunnen helpen is niet zo gek gedacht. De bank- en gironummers vliegen je immers om de oren. Elke charitatieve instelling heeft er wel één en bij rampen en calamiteiten wordt er snel een gironummer geopend. De BankGiroloterij pretendeert zelfs ons rijk te kunnen maken als we geld storten voor een goed doel. Ze worden we er zelf nog het rijkste van maar dat vinden ze dan ook een heel goed doel. Maar wat zijn die eeuwige tenten en waarom zou een rijke bezitter oneerlijk gedrag van zijn rentmeester goed praten? We moeten daarvoor een kijkje nemen in de Romeinse samenleving. Het Evangelie van Lucas heeft immers als opschrift dat het aan de Romein Theofilus is geschreven. Deze godenzoon, want dat betekent Theofilus, zou zelf wel eens rijk geweest kunnen zijn. Rijke Romeinen hadden vaak bezittingen op het platteland. Daar waren ze niet zelf aanwezig maar ze hadden slimme slaven die als rentmeester voor hen het beheer voerden. En deden ze dat niet goed dan werden ze landbouwslaven en die leefden niet lang.

Die rentmeesterslaven moesten vaak de boel wel een klein beetje voor de mal houden om zelf een goed leven te kunnen leiden. Romeinen hielden daar wel van, het bewees immers hoe slim ze waren en hoe goed ze voor hun meesters bezit konden zorgen. Zo ook in dit verhaal. Zelfs in onze tijd gaan bedrijven kapot aan onbetaalde uitstaande schulden. Als je dus de uitstaande schulden verminderd stijgt de waarde van het bezit. De hele financiële wereld kwam in problemen omdat er Amerikanen waren die hun hypotheek niet konden betalen. Als die hypotheken nu eens zouden worden afgelost, als ze in elk geval zouden verdwijnen uit de boeken van de banken, dan wordt de boekhouding weer gezond. Dan worden de armen die de schulden niet meer konden betalen weer een beetje minder arm. De roep om de schulden van de armste landen kwijt te schelden is al heel oud en soms gaat ook daar iets van die schuld af omdat het wordt kwijtgescholden.

Zo worden de armen minder arm, het bezit meer waard en de slaaf blijft rentmeester. En dan die eeuwige tenten? Op het eind van de Bijbel staat dat God zijn tent op deze aarde zal spannen. Wat is er mooier dan in die tent te mogen wonen. De Statenvertaling verwees vroeger naar de Heilige Tent uit de Woestijn. Daar werd de richtlijn van eerlijk delen en je naaste liefhebben bewaard. Misschien niet zo’n rare gedachte bij dit verhaal. Als je zelf in nood bent denk ook dan aan anderen die het slecht hebben en probeer ze te helpen. De voedselbanken in Nederland zijn ook opgericht door mensen die de hulp zelf nodig hadden. Die tenten verwijzen ook naar het Loofhuttenfeest dat in het najaar wordt gevierd. In tenten van takken en bladeren is iedereen gelijk en merk je dat de een niet meer nodig heeft dan de ander. Van delen wordt je dan rijker want met hoe meer je bent hoe meer vreugde je beleefd. Dat delen mag ook voor ons elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Iemand had twee zonen.

Lucas 15:11-32

11 Vervolgens zei hij: ‘Iemand had twee zonen. 12 De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. 13 Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. 14 Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15 Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16 Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19 ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” 20 Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. 21 “Vader, ”zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” 22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23 Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24 want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren. 25 De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. 26 Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27 De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28 Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. 29 Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” 31 Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32 Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’ (NBV)

Dit verhaal staat in een serie van opmerkingen over Jezus van Nazareth die bij tollenaars en zondaars ging eten. Zijn antwoord was dat, als je ook maar een klein deel van je bezit kwijt bent, je alles opgeeft om het weer terug te vinden. Maar hoe ga je dan met mensen om? Daarover gaat het verhaal van de twee zonen. Of is het een verhaal over de ene vader? Want je moet toch een beetje medelijden hebben met de zoon die is blijven leven, die thuis bleef. Die krijgt geen schouderklopjes voor zijn aanvankelijk goede keus. Ja, een aanvankelijk goede keus. Gewoon thuisblijven, meehelpen in het bedrijf van vader en niet het erfdeel er doorheen jagen is natuurlijk een goede keus. Maar niet binnenkomen en meedelen in het feest om de teruggekeerde broer lijkt toch niet een goede keus. Die teruggekeerde broer was van de weg van de vader afgeweken. Zoals zijn vader en zijn broer deden, deed hij niet, integendeel. Daarmee was hij voor zijn familie dood, hij hoorde niet meer bij de familie. Maar moet je dan een blijvende boycot uitspreken? Moet je dan je hele leven boos blijven om die ene scheve schaats die er ooit was gereden? De vragen stellen is de vragen beantwoorden.

Zuur kan je er van worden. Chagrijnig ook. Doe je je best, gaat een ander met de eer strijken. Dan wordt je collega bevorderd en je buurman wint de jackpot in de loterij. De Postcodeloterij maakt het nog erger. Het winnende lot kan daarbij zomaar op jouw postcode vallen en als je dan geen loten hebt dan win je helemaal niets. De kans dat het winnende lot op jouw postcode valt is overigens vrijwel nihil, het komt dus uiterst zelden of bijna nooit voor. We gunnen daarbij een ander ook nooit het geluk dat zomaar toevalt. Daar gaat dit verhaal uit het Evangelie van Lucas ook over. Geluk dat je zomaar ten deel valt. Er wordt een feest gegeven omdat iemand eindelijk eens normaal doet. Over de mensen die altijd al normaal doen hoor je nooit wat. Als je maar gek doet, of uit de band springt, dan wordt er over je gesproken en als je alles over de balk hebt gegooid en je wel gedwongen wordt om weer een beetje normaal te doen, dan organiseren ze nog een feest voor je ook.

Dat is zuur, daar kun je knap chagrijnig van worden. Waarom krijgen we toch zo de indruk dat in de Bijbel juist dat feest het centrale feest is, dat men daar niet onder het organiseren van dat feest uit denkt te kunnen. Want die zoon die thuiskomt was toch niet verloren? Ze wisten toch heel goed waar die heen was. Hij had er toch zelf om gevraagd? De zoon die thuis bleef niet, die had niet gevraagd om al dat werk, om zelfs dubbel werk toen zijn broer de hort op ging. Voor die zoon hadden ze een feest moeten organiseren. Die had het immers volgehouden al die tijd, werken voor twee en nog thuis blijven ook. Eerlijk is het niet. Maar het is een verhaal van Jezus van Nazareth, die vertelt het nadat hij kritiek had gekregen dat hij steeds met slechte mensen omging. Dat hij die slechte mensen er op wees dat ze zich eigenlijk hadden te gedragen als de goede mensen ligt nog voor de hand, maar een feest houden als ze zich normaal gaan gedragen. Pas als jezelf van je naaste houdt als van jezelf, als je jezelf in weet te zetten voor de zwaksten in de samenleving ga je begrijpen wat bedoeld wordt. En dat van je naaste houden mag elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

Die man ontvangt zondaars en eet met hen

Lucas 15:1-10

1 Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. 2 Maar zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ 3 Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: 4 ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders 6 en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” 7 Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben. 8 En als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft? 9 En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.” 10 Zo, zeg ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt.’ (NBV)

Hoe gaan we met mensen om en hoe gaan we met bezit om? In het verhaal dat hier uit het Evangelie van Lucas wordt gelezen stelt Jezus van Nazareth die beide tegenover elkaar. Hij gaat om met mensen die het niet zo nauw nemen met het gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Integendeel belastingpachters, tollenaars dus, en andere zogenaamde zondaars, hangjongeren, zorgden in de eerste plaats voor zichzelf en dan pas voor anderen. Jezus van Nazareth probeert hen er steeds toe te brengen dat andersom te doen en ze daarbij te laten zien dat ze pas daardoor een plaats in de samenleving verdienen. Want mensen die voor de vijand werken of alleen voor zichzelf zorgen plaatsen zich buiten de samenleving nietwaar. Mensen die zich fatsoenlijk gedragen, die zich aan orde en regel houden staan in groot aanzien.

Toch kun je je afvragen of ze eigenlijk met dat nette en ordelijke gedrag toch niet ook in de eerste plaats voor zichzelf zorgen. Gaan ze bijvoorbeeld anders met bezit om? De vergelijking van de schaapherder die een schaap kwijt is of de huisvrouw die een munt kwijt is snappen ze kennelijk direct. Als er iets van je bezit vermist wordt dan keer je alles om teneinde het terug te vinden. Als je al zo met bezit omgaat hoe zou je dan met mensen om moeten gaan? Het is vandaag de dag natuurlijk niet anders. Belastingen bestemd voor de armen, de ziekenhuizen, de veiligheid, de straten de wegen en het openbaar vervoer, voor scholen en universiteiten, voor dijken en sluizen, worden lasten genoemd. Als je dan iets meer belasting wil heffen van de rijken om de armen iets meer te kunnen ontzien en ze iets te kunnen laten delen in de geweldige rijkdom van ons land dan wordt er geklaagd dat de lasten op onaanvaardbare wijze worden verhoogd.

Ook in onze samenleving is het beter te snappen dat je alles in de steek laat om een snipper gemis aan je bezit weer goed te maken dan dat je regels van fatsoen en gewoonte in de wind slaat om de armen en hen die buitengesloten zijn te helpen en weer een plaats in de samenleving te bezorgen. Samen een maaltijd houden maakt dat je samen op hetzelfde niveau komt, maar ook dat je elkaar kunt aanspreken op het goede dat we voortdurend zouden moeten doen. Bezit vergaat, het bederft of het roest weg. Liefde voor mensen blijft, het groeit alleen maar door de jaren heen. Hoe langer iemand mensen lief heeft hoe meer die persoon groeit in aanzien onder mensen. Niet onder mensen die meer waarde hechten aan bezit. Maar mensen horen geen bezit te zijn, geen voorwerpen die je kunt gebruiken, mensen horen je gelijken te zijn, zusters en broeders, die een echte volwaardige plaats hebben in de samenleving. Misschien is daar een nieuw soort samenleving voor nodig, het Koninkrijk van Jezus van Nazareth.

Wie geen afstand doet van al zijn bezittingen

Lucas 14:25-35

25 Grote mensenmenigten trokken met Jezus mee. Hij wendde zich tot hen en zei: 26 ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. 27 Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn. 28 Want wie van jullie die een toren wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw? 29 Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen 30 en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar het karwei afmaken kon hij niet.” 31 En welke koning die erop uittrekt om met een andere koning oorlog te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt? 32 Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor vrede te vragen. 33 Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn. 34 Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven? 35 Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ (NBV)

Heeft de Bijbel een hekel aan rijken? We herinneren ons de hoofdpersoon uit het boek Job. Die was zeer rijk staat er aan het begin. Aan het eind van het boek staat dan dat hij zeven keer zo veel ontving als hij aan het begin had gehad. Dat is dus niet alleen zeer rijk maar superrijk. Wat betekent het dan dat Jezus van Nazareth zegt dat wie geen afstand doet van al zijn bezittingen geen leerling kan zijn? Uit het boek Job hadden we geleerd dat Job zelf geen waarde hechtte aan al die rijkdom. Hij deelde dat met de armen en de vreemdelingen. Hij ging zelfs zo ver dat als zijn kinderen mogelijk eens het personeel, de armen en de vreemdelingen vergeten zouden kunnen zijn bij het houden van een feest Job dit de volgende dag alsnog goed ging maken.

Dat is dus de geest waarin we ook dit verhaal van Jezus van Nazareth moeten lezen. Afstand doen van de bezittingen is niet een hekel hebben aan rijken maar een hekel hebben aan armoede en houden van de armen. Toen we lazen dat Jezus van Nazareth zeventig van deze leerlingen er op uit stuurde om het Evangelie te verkondigen was de inhoud van dat Evangelie volgens Lucas de bevrijding van de armen. In de praktijk blijken veel rijken alleen van zichzelf te houden. Ze willen geen belastingen betalen om daar uitkeringen, scholing, openbaar vervoer en zorg uit te betalen, hooguit belasting om nog meer asfalt aan te leggen voor grote personenauto’s en meer blauw op straat om de armsten in bedwang te houden. Zelfs het geringste voorstel om voor een paar van de allerrijksten iets meer bijdrage te vragen in de staathuishouding kan al rekenen op het grootste verzet van de rijken.

Gelukkig zijn er ook rijken die zelf met voorstellen komen om iets meer te delen. Die zich evengoed inzetten voor het afschaffen van de onrechtvaardige tolmuren en hun bezit gebruiken om ruimte te maken voor het herzien van onze samenleving tot een rechtvaardige samenleving. Ze financieren studies naar herverdeling van kennis macht en inkomen, beter gebruik van grondstoffen en tegengaan van klimaatverandering en maken hun tijd vrij om eigenhandig mensen te helpen in de zorg of de gevangenissen. Zij geven het voorbeeld dat we allemaal kunnen volgen. Bij Christenen verdwijnt immers ook het onderscheid tussen armen en rijken? Daarvoor moeten we dus allemaal los komen van ons bezit. Wie het bezit op de eerste plaats zet kan dus nooit God, of Christus op de eerste plaats zetten. Daarom moeten we ons elke dag weer los maken van waar we aan hechten, zodat we ons des de vaster aan het voorbeeld van Jezus kunnen hechten en de armen gaan bevrijden van de armoede, ook vandaag weer.

Zie je wel dat de koning op je gesteld is?

1 Samuel 18:17-30

17 Toen zei Saul tegen David: ‘Hier is mijn oudste dochter Merab. Ik bied je haar als vrouw aan, op voorwaarde dat je in mijn dienst je heldhaftigheid blijft tonen en voor de HEER ten strijde trekt’ want hij dacht bij zichzelf: Ik hoef hem niet zelf om het leven te brengen, laten de Filistijnen dat maar doen. 18 David antwoordde: ‘Wie ben ik en wat heeft mijn familie, de verwanten van mijn vader, in Israël te betekenen, dat ik een schoonzoon van de koning mag worden?’ 19 Toen de dag was aangebroken dat Merab, de dochter van Saul, met David in het huwelijk zou treden, werd ze uitgehuwelijkt aan Adriël uit Mechola. 20 Ondertussen was Sauls dochter Michal op David verliefd geworden. Saul hoorde hiervan en het kwam hem goed uit. 21 Ik bied hem Michal als vrouw aan, dacht hij. Als hij zich door dat aanbod laat verlokken, kunnen de Filistijnen hem om het leven brengen. Tegen David zei hij: ‘Je kunt alsnog mijn schoonzoon worden, door met mijn tweede dochter te trouwen.’ 22 En hij droeg zijn hovelingen op: ‘Gaan jullie eens met David praten en zeg hem dan: “Zie je wel dat de koning op je gesteld is? En al zijn dienaren mogen je graag. Grijp dus je kans om de schoonzoon van de koning te worden.”’ 23 Sauls hovelingen brachten deze woorden aan David over, maar hij antwoordde: ‘Jullie denken zeker dat het zo eenvoudig is om schoonzoon van de koning te worden. Ik ben anders maar een arm en eenvoudig man.’24 Toen ze aan Saul vertelden wat David gezegd had, 25 zei hij: ‘Zeg tegen David dat de koning niet aan een bruidsprijs hecht en dat hij genoegen neemt met de voorhuiden van honderd Filistijnen, als wraak op zijn vijanden.’ Het was zijn bedoeling dat David op die manier zou sneuvelen in de strijd tegen de Filistijnen. 26 De hovelingen brachten Sauls woorden aan David over, en die stemde er toen mee in om schoonzoon van de koning te worden. Nog binnen de termijn voldeed hij aan de gestelde voorwaarde. 27 Hij rukte met zijn troepen uit en doodde tweehonderd Filistijnen. Hun voorhuiden nam hij mee om ze aan de koning af te dragen. Het waren er meer dan genoeg om de hand van de koningsdochter te verwerven, en Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw. 28 Uit dit alles maakte Saul op dat de HEER David bijstond. Bovendien had zijn dochter Michal David lief. 29 Zijn angst voor David nam nog toe, en van toen af was hij Davids aartsvijand. 30 En telkens als de Filistijnse vorsten een aanval op Israël ondernamen, streed David met meer succes tegen hen dan enig andere bevelhebber van Saul. Zo oogstte hij steeds meer roem. (NBV)

Saul biedt David de hand van zijn oudste dochter en maakt hem legeroverste over duizend soldaten. Maar Saul speelt gemene politieke spelletjes. Van die spelletjes die teenwoordig maken dat veel mensen de deelnemers aan ons democratisch bestel niet meer vertrouwen. De politicus beloofd een inkomensgroei van 1000 euro maar in plaats daarvan wordt alles duurder en lijkt het er op dat de grote bedrijven die van hun miljoenen winst al geen belasting hoeven betalen nog meer voordeeltjes krijgen. Merab trouwt helemaal niet met David zoals beloofd maar trouwt met een andere generaal. Je zou een dergelijke koning toch gaan haten en hem de reden geven om jou te vervolgen.

Maar niks daarvan. Ondanks zijn overwinningen vindt David dat hij helemaal niet verdiend heeft om de schoonzoon van de koning te worden. We mogen ons afvragen of wij ons ook zo bescheiden zouden opstellen. David mag dan de tweede dochter trouwen als hij aan een bijzondere voorwaarde voldoet. Een vernederende overwinning op de Filistijnen behalen.In de eerste oorlog die in Genesis wordt beschreven voert Abraham oorlog om Lot en de bondgenoten in Kanaän te beschermen. Als teken van overwinning neemt Abraham de voorhuiden van de vijanden. Daarna laat hij zichzelf besnijden zodat hij onoverwinnelijk wordt.

Nu moet David de voorhuiden van de onbesneden Filistijnen nemen om Michal voor zich te winnen. Een riskante operatie want je kunt niet letten op wat de vijand doet. Maar weer heeft David succes en hij neemt het dubbele aantal mee naar huis. Die andere dochter van Saul wordt verliefd op David zodat het huwelijk dat zal volgen een huwelijk uit liefde wordt en niet uit berekening. Het was daarom niet David die Saul ging haten om zijn politieke spelletjes maar het was Saul die David steeds meer ging haten omdat David veel populairder werd dan Saul. Die strijd om de meest populaire te zijn, de meest geliefde bij het volk heeft kwalijke kanten. In een tijd dat veel mensen deze verhalen niet meer horen zie je dat steeds meer mensen vallen voor de zoetgevooisde politici die beweren de stem van het volk te kennen en als enige herhalen. We moeten deze verhalen maar wat vaker vertellen.