Laat jullie ja ja zijn

Matteüs 5:27-37
27 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28  En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29  Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. 30  En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat. 31Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.” 32  En ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel-tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel. 33  Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.”34 En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, 35 noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; 36 zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. 37 Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad. (NBV)
Je kunt van de regels in dit gedeelte gemakkelijk algemeen geldende morele voorschriften maken. Vervolgens steek je je vinger op en wijst al die anderen aan die er zich niet aan gehouden zouden hebben. Je steekt dan vanzelf zeer voordelig af bij al die anderen. Zo wordt dit gedeelte uit de Bergrede maar al te vaak gebruikt. Ook worden de regels aangedragen als bewijs hoe slecht het met de wereld wel niet gaat. Maar daar zijn die regels dus niet voor bedoeld. “Overspel” is dus zo’n mooi modern woord, lekker neutraal, wordt in de sport ook vaak gebruikt: fraai overspel. Vroeger stond hier “bedrieglijke echtbreuk”en het gaat natuurlijk om het bedrog. Mannen maken zich daar nog al eens schuldig aan. Vrouwen worden bekeken als voorwerpen om je eigen lust mee te kunnen bevredigen. Maar vrouwen zijn geen voorwerpen, het zijn mensen net als mannen. Als je de ander dus net zo behandelt als jij wilt worden behandelt dan bekijk je elkaar niet als voorwerp die je naar believen kunt gebruiken en weer weg kunt werpen.
Je mag dus ook best schrikken van de kwade gedachten die je overvallen, voor je het weet sta je slechte grappen te maken waarin andere mensen als voorwerpen worden beschouwd en ga je de samenleving indelen in mensen en voorwerpen die jou moeten dienen. Als die voorwerpen daar niet van gediend zijn dan moeten ze maar weg, terug naar hun eigen land of stilletjes achter het fornuis. En denk nu niet dat hier een verbod tot echtscheiding staat. . Hier gaat het over verstoten. Als een man zijn vrouw verstoot kan dat alleen omdat ze niet trouw is geweest zegt Jezus van Nazareth, als ze zich dus schuldig gemaakt heeft aan bedrieglijke echtbreuk. Als ze samen tot de conclusie komen dat ze beter niet hadden kunnen trouwen, dat het huwelijk, de liefde over is, dan was er sprake van een ongeoorloofd huwelijk, want het is duidelijk dat je niet moet trouwen uit lust of winstbejag maar alleen uit liefde. Dan was er dus eigenlijk geen huwelijk en dan volgt er dus eigenlijk ook geen scheiding, moet je voor de burgerlijke samenleving nog wel wat regelen maar de verbintenis waar de Bijbel het over heeft bestond niet eens.
De Liefde tot je naaste en de Liefde van God tot de mensen wordt niet voor niets zo vaak vergeleken met een huwelijk. Voor al die mensen die tegenwoordig gaan scheiden zou dus de nadruk veel meer moeten liggen op het samen gaan scheiden in plaats van samen oorlog voeren. Heel langzaam dringt ook door dat het oorlog voeren voor de kinderen zeer schadelijk is en wie houdt er nu niet van de kinderen. Daarom moet je God ook niet te hulp roepen als je wil aantonen de waarheid te spreken, zweren noemen we dat. Die waarheid is van jezelf. Het gaat niet aan om soms wel de waarheid te spreken en soms niet. Dat maakt je onbetrouwbaar, dan kun je ook God nog aanvoeren als getuige van je leugens. Het gaat dus in dit gedeelte om wat jezelf denkt en doet, hoe je zelf met mensen omgaat. En op dat omgaan met mensen mag je anderen aanspreken door ze tot voorbeeld te zijn. Dat mogen we gelukkig elke dag opnieuw proberen, ook vandaag weer.

Jullie zijn het zout van de aarde

Matteüs 5:13-26
 13 Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt. 14 Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 15  Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. 16 Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel. 17 Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. 18 Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. 19 Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan. 20 Want ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan. 21 Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22 En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. 23  Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, 24  laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25  Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26 Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt. (NBV)
Hoe kun je nu het zout van de aarde zijn en pas in de hemel toegejuicht worden. Dat lijkt niet echt met elkaar te kloppen. Tenminste als je de hemel na de dood van de mensen plaatst. En waarom zou je dat doen? De hemel kan op aarde aanbreken als overal vrede en gerechtigheid heerst, als alle volken zich tot Jeruzalem keren en ieder de Wet van Liefde aanhangt en in praktijk brengt. We hebben het al zo vaak in de Bijbel kunnen lezen. Op ons avontuur door de Bijbel aan de hand van het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap hebben we dat eigenlijk elke dag wel een keer gelezen. We kennen de helden uit het heden die vernedering en smaad uithielden omdat ze overtuigd waren de rechtvaardigheid van hun opvattingen. Het uithoudingsvermogen van iemand als Nelson Mandela zou uiteindelijk de afschaffing van Apartheid in Zuid Afrika mogelijk maken. Zijn idealen maakten zelfs een vreedzame overgang mogelijk. Maar we hoeven niet zulke grote persoonlijkheden als hij te hebben. Matteüs heeft het over het “zout der aarde”Zout zie je niet in je eten, maar zonder smaakt het meeste eten flauw. Pas als er zout in zit krijgt het smaak. Met dat onzichtbare zout worden de volgelingen van Jezus van Nazareth vergeleken.
Maar soms brengen losse teksten en verhalen uit de Bijbel je in verwarring. We kennen de twistgesprekken van Jezus van Nazareth met de Farizeeën en Schriftgeleerden. Vaak gaat het dan over wat mag en wat niet mag. Dat zou dan staan in de Wet van Mozes maar volgens zijn tegenstanders hield Jezus van Nazareth zich niet zo nauwkeurig aan de Wet. In het gedeelte van vandaag lezen we zijn uitspraak dat je die Wet niet zomaar naast je neer kunt leggen. Maar die Wet is er voor de mensen en de mensen zijn er niet voor die Wet, daarmee is die Wet niet een Wet zoals wij die kennen maar wordt die wet tot een richtlijn voor een menselijke samenleving. Niet voor niets is de samenvatting het heb uw naaste lief als uzelf. Als je zo die Wet volgt dan hoor je in dat Koninkrijk van God. Want moorden doen we in de regel niet. Maar iemands persoon ontkennen, “niets-nut” roepen, iemand kleineren, dat overkomt ons nog wel eens. Volgens Jezus van Nazareth is dat pas moord. Als je de intelligentie, de inzet van iemand ontkent, de ander “dwaas” noemt dan verlaag je die ander zo laag dat je de hel op aarde brengt voor die ander.
Dan wacht ook jou het vuur van de afvalhoop buiten Jeruzalem, het Gehenna, voor tijdgenoten van Jezus van Nazareth het beeld van de hel waar het eeuwig brand. Hier werd het afval van de hele stad verbrand, inclusief dode dieren. Dag en nacht brandde er een vuur en hoe het stonk kan iedereen zich er waarschijnlijk wel bij voorstellen. Als je offert, en offeren is delen met iemand die dat nodig heeft, en je hebt nog iets tegen iemand, dan is er dus iemand met wie je op dat moment niet wilt delen, dat moet je dus eerst goedmaken, want wat je de minste van de mensen hebt gedaan heb je aan God zelf gedaan. Zo ook een geschil, zorg dat het uit de wereld is voor het uit de hand loopt is het advies. Je merkt aan de manier van spreken van Jezus van Nazareth dat het hier niet gaat om wetten in de zin waarin wij het over wetten hebben. Over dit soort regels kun je geen rechtszitting houden, kun je iemand niet oordelen. Integendeel hoe een ander hiermee omgaat dat kun je al helemaal niet beoordelen, dat moet je dus aan God overlaten. Voor ons blijft de vraag: zorgen we samen voor een volwaardige plaats voor de armen in onze samenleving? Of schelden we de armen uit voor dwaas en moeten we er van uitgaan dat ze zelf schuld hebben aan hun armoede? Wij mogen elke dag weer opnieuw met die regels op pad, ook vandaag weer.

Gelukkig

Matteüs 5:1-12
1 Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. 2  Hij nam het woord en onderrichtte hen: 3 ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. 4  Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. 5  Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten. 6  Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 7  Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. 8 Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. 9 Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. 10 Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. 11 Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. 12Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vòòr jullie de profeten. (NBV)
Er was een tijd dat we dit de zaligsprekingen noemden. Er werd over gesproken als over een soort toverformules die de doelgroepen hier genoemd een plaats in de hemel zouden bezorgen. Je moest voor dat plaatsje in de hemel hard je best doen en zorgen dat je bij één van die groepen ging behoren. Maar in de Nieuwe Bijbel Vertaling is dat zalig vervangen door “Gelukkig” en daarmee krijgt het verhaal een andere klank, het is een les, want Jezus van Nazareth ging op een berg zitten met zijn leerlingen om zich heen. Wat heeft Jezus van Nazareth ons dan willen leren? Hetzelfde als hij geleerd heeft aan die twee mannen die na het Paasfeest van Jeruzalem naar Emmaüs liepen. Daar staat dat hij de schriften ging uitleggen. Dat is hier ook het geval. In vers drie staan de nederigen van hart, die kennen we beter als de armen van geest, maar dit is wellicht een betere vertaling want voor hen is het Koninkrijk. De mensen die zich dus niet laten voorstaan op wat ze doen en kunnen staan vooraan in het Koninkrijk van God.
Dat hadden we al kunnen leren uit Psalm 34 die hier aangehaald wordt. In vers 4 wordt het boek van de profeet Jesaja aangehaald waar in hoofdstuk 61 al wordt opgemerkt dat de treurenden getroost zullen worden en wat is er mooier dat er tenminste iemand is die je troost als je treurt. In Psalm 37 gaat het over de zachtmoedigen die niet alleen het land terugkrijgen dat ze bij de verdeling door Jozua is toegezegd maar uiteindelijk de hele aarde zullen beërven, al dat landveroveren heeft dus geen enkele zin. Bij het hongeren en dorsten naar gerechtigheid denken velen aan Psalm 42 waar gesproken wordt over dat hijgende hert dat dorst naar verfrissend water zoals mijn ziel dorst naar God. Bij de barmhartigen kun je denken aan het gebed van het Onze Vader waar gebeden wordt om vergeving van schulden zoals je zelf ook anderen hun schuld vergeeft. De reinen van hart, zuiveren in de Nieuwe Bijbel Vertaling, vindt je al in de Psalmen 24 en 51, als er helemaal niks kwaads meer in je is dan zul je God zien, zoveel hebben maar heel weinig mensen echt voor een ander over gehad
.
Bij de vredestichters kun je denken aan Koning David die, zoals in het boek Kronieken wordt beschreven, weigerde tegen zijn eigen volk te vechten toen hij vervolgd werd en verbannen was en voor een vreemde koning moest vechten. En als je dat allemaal gedaan hebt dan kun je er zeker van zijn dat je vervolgd wordt. Mensen die onvoorwaardelijk opkomen voor de minsten in de samenleving, tegen onrecht spreken en daar niet mee ophouden die worden vervolgd. Dat gebeurt in al die landen en samenlevingen waar machtigen en rijken zich beter achten dan de rest. Vandaag zul je het zien in landen waar het eigen volk eerst wordt gezet, desnoods ten koste van dat eigen volk, als het maar lijkt. Als je vanwege het geloof in de komst van een nieuwe, eerlijke, samenleving wordt vervolgd weet je zeker dat je hoort bij de Weg van Jezus van Nazareth, de Koninklijke Weg. En als je daarbij hoort dan ben je pas echt gelukkig, wat er verder ook met je gebeurt.

Hij kroont de vernederden

Psalm 149
1 Halleluja! Zing voor de HEER een nieuw lied, roem hem te midden van zijn getrouwen.2 Laat Israël verheugd zijn over zijn machtige maker, het volk van Sion juichen om zijn koning. 3 Laten zij dansend zijn naam loven, bij lier en tamboerijn voor hem zingen. 4 Ja, de HEER vindt vreugde in zijn volk, hij kroont de vernederden met de zege. 5 Laten zijn getrouwen juichen in triomf, nog jubelen als zij te ruste gaan, 6  met lofzang voor God uit hun kelen, een tweesnijdend zwaard in hun hand. 7 De volken laten boeten, de naties bestraffen, 8 hun koningen in boeien slaan, hun leiders met ketenen binden, 9 het geschreven recht aan hen voltrekken: dat is de glorie voor al zijn getrouwen. Halleluja! (NBV)
Vandaag zingen we mee met Psalm 149, een Psalm die begint met een Joods woord: GodLof betekent dat. De Psalm is een vreugdepsalm voor het einde der tijden. Hier loopt de geschiedenis op uit. Al die machthebbers en dictators zullen van hun machtsposities en tronen gestoten worden en de onderdrukten zullen bevrijd zijn en kunnen dansen in de straten en feestvieren op de pleinen. Geleerden nemen soms aan dat de Psalm gezongen werd toen onder Nehemia Jeruzalem herbouwd was en het volk Israël weer een eigen land met een eigen hoofdstad had en de Tempel weer het centrum van het leven was gaan vormen. Voor die nieuwe wereld die open gaat is een nieuw lied nodig. En als je op deze manier een nieuw lied zingt krijg je een nieuwe kijk op de wereld. Als wij kijken naar onze wereld terwijl we deze Psalm zingen merken we dat er nog heel veel veranderd moet worden voordat we met al onze broeders en zusters deze Psalm in vreugde kunnen zingen.
Vandaag mogen we zingen van de tijd die komen gaat en blij zijn dat we er over kunnen zingen. In deze Psalm wordt gesproken over een tweesnijdend zwaard. De bouwers aan Jeruzalem in de dagen van Nehemia moesten bouwen met een troffel in de ene en een zwaard in de andere hand. Maar de Bijbel spreekt ook over het woord van God als een tweesnijdend zwaard. Als wij onze wereld vergelijken met de wereld die de Psalm beschrijft dan merken we wat dat betekent. Als met een tweesnijdend zwaard wordt het goede glashelder van het kwade gescheiden. De vernederden worden gekroond met de zegen, niet langer zijn er vernederden, niet langer is er honger, moeten kinderen onnodig sterven omdat er niet voor hen gezorgd wordt, niet langer zijn er armen die bedelend rondgaan, niet langer zijn er gevangenen die opgesloten zijn vanwege hun overtuiging, niet langer worden godsdiensten en overtuigingen bespot en gekleineerd, niet langer wordt de ene bevolkingsgroep opgezet tegen de andere.
Al die koningen en leiders zal recht gedaan worden, aan wie straf verdient zal straf voltrokken worden wie moet leren een rechtvaardige wereld op te bouwen zal les krijgen. In de Bijbel krijgen mensen die het verkeerd hebben gedaan nu eenmaal een tweede kans. Nu al hebben we tribunalen voor misdadigers tegen de mensheid maar aan het eind van de tijden zal God zelf recht spreken en kunnen ook de zogenaamde winnaars hun straf niet ontlopen als ze misdaden hebben gepleegd om te kunnen overwinnen. De enige maat is dan het lot van de minsten, van de zwaksten op aarde. Wie daar ook het afgelopen jaar mee bezig is geweest zal in het lopende jaar met verdubbelde ijver Gods Woord verkondigen, Gods licht laten schijnen over zijn aarde, over zijn mensen. Zodat het geschrei van de verdrukten gehoord wordt en hun lot gezien wordt en de lof van God met recht verkondigd kan worden. Elke dag, elke week. mag dat opnieuw beginnen. En als je steun zoekt bedenk dan dat op de eerste dag van de week, de zondag, overal mensen bijeen komen om zich daartoe te laten inspireren. Stap gerust een PKN kerk in de buurt binnen, je bent er welkom.

Geef aan mijn uitspraken gehoor.

Spreuken 4:14-27
14 Ga niet het pad van goddelozen, bewandel niet de weg van wie boosaardig zijn. 15  Mijd hun weg, betreed hem niet, ga eraan voorbij, loop door. 16  Ze gaan niet slapen voor ze kwaad hebben gedaan; wanneer ze anderen niet ten val brengen, worden ze van hun rust beroofd. 17  Ze doen zich te goed aan het brood van goddeloosheid, zwelgen in de wijn van het geweld. 18  De weg van de rechtvaardigen is stralend als de zon, die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt. 19  De weg van goddelozen is alleen maar duisternis, ze struikelen, en weten niet waarover. 20 Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden, geef aan mijn uitspraken gehoor. 21  Houd ze steeds voor ogen, bewaar ze in het diepste van je hart. 22  Ze zijn het leven voor wie ze aanvaarden, sterken heel het lichaam als een medicijn. 23  Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven. 24  Neem nooit leugens in de mond, laat geen bedrog over je lippen komen. 25  Je moet elk mens recht in de ogen kunnen zien, nooit je ogen hoeven neerslaan. 26  Effen de weg waarover je gaat, dan loop je met vaste tred. 27  Wijk niet af naar rechts, wijk niet af naar links, wijk alleen uit voor het kwaad. (NBV)
Heb God lief met heel je hart en met heel je verstand staat ergens anders in de Bijbel geschreven en Jezus van Nazareth voegt er de tekst uit Leviticus aan toe over het heb je naaste lief als jezelf waardoor dat de manier wordt waarop je van de God van Israël kan houden. Geen wonder dus dat de Spreukendichter ons vandaag oproept om vooral over je hart te waken. Er staat niet voor niets geschreven dat waar je hart is ook je schat zal zijn. En het symbool dat wij bij uitstek hanteren voor de liefde tussen mensen is het hart. Al dat leren, dat lernen, van het onderricht dat wijsheid brengt, het onderricht van de Thora, de eerste vijf boeken van de Bijbel, de leer van Mozes, zou er op kunnen wijzen dat het in de Bijbel gaat om het gebruiken van je verstand. Het lijkt er op alsof je hart er niet meer aan te pas komt, maar niets is minder waar. Het leren van de Thora is het leren de Thora te beoefenen, uiteindelijk de Thora te vervullen. Het gaat dus om te leren hoe te handelen in het leven, hoe merk je de zwaksten op, hoe steek je een hand uit, wat is hulp eigenlijk?
Het gaat bij het leren handelen juist niet om het gebruiken van het verstand. Paulus gebruikt hier vergelijkingen uit de sport en sportlieden oefenen net zo lang tot hun handelen van nature gaat. Ze focussen en dat betekent dat ze alle verwerking van indrukken stopzetten en alleen nog voelen hoe ze in hun sport moeten handelen. De spreuken van vandaag zijn daar eigenlijk op gericht. Het vermijden van het kwaad en het doen van het goede en niets dan het goede moet vanzelf gaan. Dat is niet een van boven opgelegde houding maar komt van binnenuit. Naast de liefde is het hart immers ook de zetel van het leven en de tekst zou ook vertaald kunnen worden als hoe lang je leeft hangt af van hoe goed je voor je hart weet te zorgen. Nu is de Bijbel toch al geneigd om liefhebben van de naaste te verbinden met een lang leven, met het weer gaan leven ja zelfs met het uit de dood opstaan, uit een doods bestaan weer tot leven komen. Allemaal begrippen die in dit korte stukje uit Spreuken mee mogen gaan klinken.
De zorg van de moeder is een goed voorbeeld van natuurlijke zorg, een moeder voelt aan hoeveel zorg en hulp haar kinderen nodig hebben. De vader moet dat zelf leren en weer aanleren aan zijn zonen. Van een meer vooraanstaande positie van mannen is hier dus geen sprake, integendeel, de domme mannen hebben altijd weer nog veel te leren over liefde voor de naaste en over de zorg voor de minsten. Maar er schemert nog een ander gevolg door. Het onderwijs van vader op zoon zoals hier beschreven wordt is het onderwijs van elke vader aan elke zoon, van generatie op generatie. Het is dus het onderwijs voor een heel volk. Het navolgen van de leer van de Thora, het beoefenen van de liefde voor God, het vervullen van de Thora is dus niet alleen een individueel gebeuren het is iets wat de hele samenleving raakt, het zal overal in het volk te merken zijn. De Thora was dan ook niet aan één mens  gegeven maar aan een volk dat een voorbeeld mocht zijn. Als wij in onze samenleving oplossingen zoeken voor problemen, wetten willen maken die problemen oplossen mogen we dus best naar die Thora kijken. Het gaat om wetten maken die gebaseerd zijn op liefde voor mensen.

Wat ik je leer is waardevol

Spreuken 4:1-13
1 Zonen, luister naar de lessen van je vader, wees vol aandacht en kom tot begrip. 2  Wat ik je leer is waardevol, sla dus mijn onderricht niet in de wind. 3  Ik was mijn vaders beminde zoon, mijn moeders lieveling. 4  Mijn vader leerde mij: ‘Laat je hart mijn woorden bewaren, handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed. 5  Streef naar wijsheid, zoek naar kennis, wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet. 6  Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je, heb haar lief, dan behoedt ze je. 7  Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt, an alles wat je hebt verworven, inzicht toevoegt. 8  Acht de wijsheid hoog, dan geeft ze je aanzien, ze strekt je tot eer wanneer je haar omhelst. 9  Ze legt een sierlijke krans om je hoofd, schenkt je een luisterrijke kroon.’ 10  Mijn zoon, luister, neem mijn woorden aan, ze vermeerderen de jaren van je leven. 11  Ik heb je de weg van de wijsheid gewezen, op rechte paden heb ik je gevoerd. 12  Je zult onbelemmerd voortgaan, nergens zul je struikelen, al ga je nog zo snel. 13  Laat mijn onderricht niet los, houd het vast, vergeet het nooit, het is je leven. (NBV)
We lezen vandaag een gedeelte uit de Nieuwe Bijbelvertaling over leren. Dat leren van de wijsheid van God staat centraal in het geloof van Joden en Christenen. In de praktijk van Christelijke kerken is het begrip leren een beetje ondergesneeuwd. Dat komt door de vertaling van het begrip Thora. Dat wordt meestal vertaald met Wet, soms ook met geboden en hier in dit gedeelte vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling net als de Naardense Bijbel met richtlijnen. In Hebreeuwse commentaren wordt Thora ook vertaald  met lering, leer, of onderwijs en een zin als “handel naar mijn richtlijnen” of “onderhoud mijn geboden” zou ook vertaald kunnen worden met “blijf oefenen in mijn onderricht”. Het begin van de Wijsheid die je moet leren is immers het inzicht. Inzicht in hoe de wereld in elkaar zit en waar je op moet letten. In de Bijbel is dat dus niet het nadoen van anderen, of het voldoen aan verwachtingen, zelfs niet de verwachtingen die een God zou kunnen hebben van jou als gelovige.
Het inzicht van de eerste vijf boeken van de Bijbel, de boeken die de leer van Mozes in zich dragen, is dat de wereld bestaat uit heersers en slaven en dat de slaven bevrijdt moeten worden. Dat wat men heeft is niet door eigen verdienste verworven maar is altijd een geschenk van God. God geeft aan de goeden en aan de slechten en het leren is bedoeld om aan de kant van de goeden komen te staan. Leren hoe je rijk moet worden, hoe je lang zou kunnen leven, hoe je gelukkig zou kunnen worden heeft dus geen zin. Het gaat er om te leren te delen van wat je hebt met hen die het nodig hebben. Het gaat er om te leren mensen te bevrijden van de slavernij waarin zij verstrikt zijn  geraakt. Slavernij van een godsdienst of ideologie die hen dwingt dingen te doen of te laten of in het ergste geval zelfs anderen te doden of te verwonden. Slavernij van werken en consumeren zodat er geen tijd meer overblijft om te delen, om anderen te laten genieten van jouw talenten, om samen een samenleving op te bouwen waar plaats is voor iedereen.
Dat wat je in de Bijbel te leren krijgt is niks nieuws. Het wordt van vader op zoon en van moeder op dochter doorgegeven. In dit gedeelte zijn vaders en grootvaders aan het woord. God mag als Vader worden aangesproken, Onze Vader en iedereen leert dat Ons staat voor alle mensen in de wereld met wie je samen mag bidden. Maar juist in dit gedeelte uit het boek Spreuken leren we dat God ook als een moeder voor ons zorgt. De wijsheid is onze moeder leren we, die we lief moeten hebben ons hele leven lang. Een moeder weet wat haar kinderen nodig heeft. Joodse Rabbijnen hebben wel eens opgemerkt dat moeders eigenlijk helemaal niet steeds hoeven te leren, te lernen noemen ze dat als het gaat om het je eigen maken van de leer van Mozes, want moeders kennen en kunnen die leer al van nature, ze nemen hun kinderen niet alles uit handen, ze proberen de zorg voor anderen voor te leven, ze straffen en berispen als kinderen afwijken van hetgeen ze geleerd hebben en ondanks dat alles voor zichzelf willen houden. Zo leert God ons ook en dat leren, of lernen, moeten we ons hele leven blijven doen. Ons eigen maken dat we mogen delen. Daarom zijn er in veel kerken ook leerhuizen, om samen te leren van de leer van Mozes.

Geef me je vertrouwen

Spreuken 3:21-35
21 Zondaars treft ellende, rechtvaardigen wacht een beloning. 22 Een goed mens laat ook een kleinkind een erfdeel na, een zondaar vergaart bezit voor een rechtvaardige. 23 Het pas ontgonnen land schenkt arme mensen overvloed, onrecht rukt het van hen weg. 24 Wie zijn zoon de stok onthoudt, haat hem, wie hem liefheeft, tuchtigt hem. 25 Wanneer een rechtvaardige eet, wordt hij verzadigd, een goddeloze houdt een hongerige maag. 26  Mijn zoon, geef me je vertrouwen, vind vreugde in de weg die ik je wijs. 27   Want een hoer is een valkuil, een lichtzinnige vrouw een nauwe put. 28  Ze legt hinderlagen als een rover, door haar neemt ontrouw toe. 29 Wie roept altijd ach en wee, wie maakt altijd ruzie? Wie heeft altijd wat te klagen, wie raakt altijd nodeloos gewond? Wie heeft altijd troebele ogen? 30  Een dronkaard, die tot in de vroege morgen drinkt, die blijft proeven van de wijn. 31  Laat je niet verleiden door de glans van wijn, wanneer hij fonkelt in de beker. Hij glijdt zo makkelijk over de tong, 32  maar later bijt hij als een slang, spuit hij gif als een adder. 33  Dan zie je vreemde dingen en begin je wartaal uit te slaan. 34  Je voelt je heen en weer geslingerd door de golven, alsof je vastzit boven in het want. 35  ‘Ik ben geslagen, maar heb niets gevoeld, ik ben afgerost, maar heb niets gemerkt. Laat ik maar eens opstaan, eerst een beker wijn.’ (NBV)
Er wordt nog wel eens gezegd dat de Bijbel van alles verbiedt dat mensen gewoon een aangenaam leven kan bezorgen. Dat is dus niet waar. Natuurlijk waarschuwt de Bijbel voor van alles dat mensen schade kan berokkenen. Als de Bijbel vandaag geschreven zou worden dan zou je er een waarschuwing tegen het roken in vinden, dat brengt nu eenmaal de kans op hartziekten en longkanker. Zo staan er ook de nodige waarschuwingen in de Bijbel tegen het overmatig gebruik van alcoholhoudende dranken. Vandaag lezen we daar weer een aantal van. Maar het begint met een waarschuwing tegen het gebruik van een hoer. Let op, prostitutie wordt hier niet veroordeeld. Maar prostitutie past niet in de manier waarop de Bijbel wil dat we met mensen omgaan. Samen een partnerschap vormen dat stormen kan weerstaan is er met een hoer niet bij. In zo’n relatie beschouwen mensen elkaar als object waar je van kan profiteren. En Spreuken waarschuwt dat er dus ook van de gebruiker geprofiteerd kan worden en dat die alleen van nut is zolang er geprofiteerd kan worden. Ook het overmatig gebruik van alcohol houdende drank, wijn in Bijbelse taal, maakt dat de mens geen mens meer is, maar een zielig hoopje wanhoop.
Het maakt de mens snel boos, altijd aan het klagen, snel gewond en met rood omrande troebele ogen. Dat is iemand die van de vroege morgen tot de late avond alcoholhoudende drank nuttigt. In onze dagen noemen we niet alleen de wijn maar ook sterke drank en bier. Eigenlijk verzet het boek Spreuken zich al tegen het comazuipen. Het ontmenselijkt je. Als je in coma ligt of overmatig dronken bent kan niemand je meer een plezier doen, kan ook niemand meer van jou genieten. Je doet een ander en jezelf dus zeer tekort. En bovendien geniet je eigenlijk helemaal niet meer van de drank die je zoveel onheil brengt. Je wordt er zeeziek van, iedereen die wel eens dronken is geweest zal dit herkennen. Zelfs een pak slaag voel je niet meer omdat alcohol verdoofd en dat kan zeker niet ongevaarlijk zijn en om te herstellen van de kater heb je eigenlijk weer een nieuw glas alcohol nodig. Nu kun je elk individu veroordelen die te veel drank gebruikt maar onze samenleving maakt het gebruik van drank nu eenmaal tot een gewoonte die de illusie van rijkdom en vrolijkheid geeft.
Bij elk staatsdiner hoort immers een forse hoeveelheid wijn, elke feestelijke gelegenheid van de rijken wordt opgeluisterd door het nuttigen van de nodige hoeveelheid drank. Elke feestelijke gelegenheid van de overheid ook wordt rijkelijk besprenkeld met alcohol. Misschien dat we onze overheid eens kunnen vragen het gebruik van alcohol te matigen zodat minder mensen in verleiding worden gebracht. Het boek Spreuken hoort bij de zogenaamde wijsheidsliteratuur. In Spreuken gaat het dus om de Wijsheid en het begin van de Wijsheid is het volgen van God door het betrachten van gerechtigheid. Al het andere is uitwerking van die geboden. En je zoon slaan met een stok kan onder geen omstandigheid betekenen dat je je zoon iets leert van de Liefde van God zoals die door de ene mens aan de andere getoond kan worden. Dat kan wel als je je zoon leert om van tijd tot tijd de Bijbel te lezen, om zich te bekwamen in de Wijsheid. Dat laatste mogen we dag in dag uit ook zelf weer doen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Sla het met de stok

Spreuken 3:1-20
1 Als je bij een machtig man aan tafel zit, vergeet dan niet wie je voor je hebt. 2  Bedwing je gulzigheid, ook al houd je van een goede maaltijd. 3  Laat je niet verleiden door zijn lekkernijen, want je wordt erdoor misleid. 4 Tob jezelf niet af om rijk te worden, zet dat plan opzij. 5  Zodra je op rijkdom afvliegt, is die al verdwenen. Hij krijgt vleugels, plotseling, en vliegt als een arend weg. 6 Ga niet aan tafel bij een gierigaard, laat je niet verleiden door zijn lekkernijen. 7  Hij is door en door berekenend. Zegt hij: ‘Tast toe, ‘dan meent hij er niets van. 8  Wat hij je voorzet, braak je uit, je vriendelijke woorden zijn aan hem verspild. 9 Spreek niet tegen een dwaas, hij veracht je verstandige woorden.10 Verleg geen oude grenzen, schend de akkers van wezen niet. 11  Want hun beschermer is sterk, hij zal hun rechten tegen je verdedigen. 12 Heb een open oor voor onderricht, en een open geest voor kennis. 13  Onthoud een kind geen onderricht, van stokslagen gaat het niet dood. 14  Sla het met de stok, en je redt het van het dodenrijk. 15  Mijn zoon, als je je verstand gebruikt, loopt mijn hart over van vreugde. 16  Ik word vervuld van blijdschap als je een bedachtzaam oordeel hebt. 17 Wees niet jaloers op zondaars, heb altijd ontzag voor de HEER. 18  Dan heb je een toekomst, je hoop gaat niet verloren. 19 Luister, mijn zoon, en word wijs, kies de juiste weg. 20  Ga niet om met dronkelappen, blijf bij gulzigaards vandaan.(NBV)
Als het bij de ongelovigen opvalt dan regent het vandaag weer protesten op het internet en zijn er zelfs misschien vragen in de Tweede Kamer of dit niet verboden moet worden. Want vandaag wordt op last van het Nederlands Bijbelgenootschap in tal van huisgezinnen gelezen uit een gedeelte van het boek Spreuken waarin staat dat kinderen van stokslagen echt niet doodgaan en dat je het daarom met een stok moet slaan om het te bepalen bij het onderricht en te redden van het dodenrijk. In de Nieuwe Bijbelvertaling zijn deze oproepen niet weg vertaald. We kunnen vandaag niet zeggen dat het zeventiende eeuwse dominees zijn die niet beter wisten en dit hebben opgeschreven. Maar moeten we alles doen wat hier staat? In de negentiende eeuw was er al een Bijbelcommentator die schreef dat een liefhebbend ouder dit niet over het hart zou kunnen verkrijgen, en wie echt zou willen slaan moet dus ook wel heel echt een liefhebbend ouder zijn en dus weten dat slaan toch echt heel verkeerd is.
Waarom staat het er dan? Omdat de opvoeding in het liefhebben van de minsten zo verschrikkelijk belangrijk is. Om het belang in het leren loslaten van eigenliefde en zelfzucht zo groot is. Dat blijkt ook uit het verdere verloop van het gedeelte dat we vandaag lezen. Als je kinderen niet leert voor een ander te zorgen, eerst voor een ander te zorgen en dan pas voor jezelf, de ander lief te hebben als jezelf, dan breek je het komende Koninkrijk van God af in plaats van het op te bouwen. Om ouders van het belang van die opvoeding te doordringen moet je ze eerste goed aan het schrikken brengen. Wij kijken zo graag omhoog, naar de machtigen en de rijken, vergeten daarmee de armen, de minsten.  Het is voor eenvoudige mensen een hele eer bij een bekende Nederlander of een rijke Nederlander aan tafel te zitten. Een hele groep deftige mensen die een rijk diner hebben ziet er heel aantrekkelijk uit. Het boek Spreuken waarschuwt ons er tegen. Je vergeet zo gemakkelijk bij wie je aan tafel zit. Als het machtige en rijke mensen zijn dan zijn het vast geen mensen die de Wet van de God van Israël houden. Delen is er niet bij, anders was hun rijkdom niet zo opvallend.
Daarom wordt er nog eens gewezen op de oude grenzen en de akkers van de wezen. De rijken waren volgens de profeten zij die akker aan akker voegden en de weduwe en de wees beroofden van hun middelen van bestaan. De akker van de wees is het erfdeel dat een wees toekomt om een toekomst op te bouwen. Het is de plaats die een Jood krijgt in het land Israël, zijn eigen plaats. En zelfs als een vreemde keizer, die zich de Heer van de wereld achtte, de opdracht geeft te gaan naar je eigen plaats om je te laten tellen door de belastinginspecteurs dan gaan de Joden naar de plaats die God hen heeft gegeven toen onder Jozua het land werd verdeeld. Die akker is het recht van de armen, elke vijftig jaar hoort de akker weer teruggegeven te worden. En het Nieuwe Testament laat in het verhaal dat Lucas vertelt over Jozef en Maria zien dat met de komst van Jezus van Nazareth dat verbond van de God van Israël voor alle volken in de wereld geldt, voor iedereen is er een plaats. Aan ons om de armen tot hun recht te laten komen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Breng de zondaars om

Psalm 139:13-24
13  U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. 14  Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel. 15  Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim. 16  Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, alles werd in uw boekrol opgetekend, aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één. 17 Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal, 18  ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn. Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u. 19  God, breng de zondaars om, -weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten- 20  ze spreken kwaadaardig over u, uw vijanden misbruiken uw naam. 21  Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie tegen u opstaan? 22  Ik haat hen, zo fel als ik haten kan, ze zijn mijn vijand geworden. 23  Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt, 24  zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is. (NBV)
Uit het tweede deel van de Psalm blijkt dat het kennen van elkaar niet een eenzijdige zaak is. Het is niet God hoog verheven die alles weet en de mens als zandkorreltje ergens diep beneden op aarde die nergens van af weet. Die mens kent die God ook, die mens is ook bezig die God te doorgronden, die mens snapt heel goed dat die God van Israël vijanden heeft en die mens schaart zich achter die God en krijgt dezelfde vijanden. God weet dat de haat waarover de mens spreekt geen haat uit kwaadheid is of uit de lust om kwaad te doen, daarom nogmaals de vraag aan God om zijn hart te doorgronden. Die haat voor de vijanden van de God van Israël is uit liefde voor die God.
Die vijanden houden de dood en de ellende van de zwakken in stand, zij voeren oorlog, zij buiten uit, zij vernederen de armen en nemen hen het laatste af dat ze nog hebben. Alleen de winst en de rijkdom tellen. Zij respecteren de ouderen niet maar verplaatsen hen waarheen ze willen uit winstbejag en omdat de last van de zorg voor de ouderen hen te groot wordt. De zorg die ze leveren is een product dat te verkopen is op de markt. Hun werknemers zijn arbeiders die dag en nacht beschikbaar moeten zijn om de productie, en daarmee de winst, gaande te gehouden.
Die vijanden van God beperken de keus van artsen en ziekenhuizen voor de zieken en gehandicapten omdat de last van hun ziekte hen anders te zwaar wordt. Die vijanden van God klagen over de zorg voor ouderen, zieken en gehandicapten die te duur zou worden. Als ze daarvoor een deel van hun leven zouden moeten opgeven dan kunnen ze niet meer drie keer per jaar met vakantie en volgen ze de laatste mode niet meer. De Psalmdichter wil een andere weg gaan, de Weg van de God van Israël. Die Weg verzint de dichter niet zelf maar hij vraagt aan die God om te waarschuwen als er een verkeerde weg wordt gegaan en altijd de juiste Weg te wijzen. Wij mogen ook zo met die God omgaan, elke dag opnieuw, ook vandaag.

U doorgrondt mij

Psalm 139:1-12
1 Voor de koorleider. Van David, een psalm. HEER, u kent mij, u doorgrondt mij, 2  u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten, 3  ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd. 4  Geen woord ligt op mijn tong, of u, HEER, kent het ten volle. 5  U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij. 6  Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven. 7 Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen? 8  Klom ik op naar de hemel-u tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk-u bent daar. 9  Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee, 10  ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden. 11  Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken, het licht om mij heen veranderen in nacht, ‘ 12  ook dan zou het duister voor u niet donker zijn-de nacht zou oplichten als de dag, het duister helder zijn als het licht.(NBV)

Er was een tijd dat kinderen van zogenaamde Christelijke ouders op hun slaapkamer een plaatje kregen van een groot oog. Dat was een plaatje van het oog van God werd er dan bij verteld. God die alles ziet, die alles weet, die zelfs wat je denkt meemaakt en weegt. Want dat kwam er natuurlijk achteraan. God oordeelt ook over dat alles en wee jij als er wat verkeerd is, hoe klein ook, dan ben je eeuwig veroordeeld. Dat beeld werd in de Kerken nog versterkt. In sommige kerken doet men dat helaas nog. Als daar Psalm 139 gezongen werd dat hoorde men zingen van “Niets is, O Oppermajesteit, bedekt voor Uw alwetendheid”. Die alwetendheid staat niet in deze psalm maar de mensen die deze berijming in 1773 maakten vonden dat over God alleen gesproken kon worden als over een Hogere, het Hogere zeiden ze dan ook graag. Zij zelf waren vrije mensen, vrijzinnigen werden ze genoemd, waar alleen God hoog verheven boven stond.
Die uitleg van Psalm 139 heeft uiteindelijk veel mensen de kerken uitgedreven en mensen die opnieuw die oude vertaling horen zingen en daarbij over het oordeel horen spreken kijken wel uit opnieuw een kerk binnen te komen. We hebben in de kerken sinds 1973 een nieuwe berijming die zingt van “Heer die mij ziet zoals ik ben” Dat klinkt toch al heel anders. Die nieuwe berijming geeft ook beter weer wat eigenlijk in de hele Bijbel gezegd wordt. God trekt met je mee. In Psalm 119 wordt God bezongen als een lamp voor de voet. In deze Psalm 139 voel je God bijna bezongen als je beste vriend of vriendin. Iemand die je beter kent dan jij jezelf kent. Wie lang getrouwd is zal in dat beeld de huwelijkspartner herkennen, zonder wat te zeggen weet je wat de ander nodig heeft en weet die ander wat jij nodig hebt. Het huwelijk is daarom ook veelgebruikt beeld in de Bijbel voor de verhouding tussen God en de mensen.
 Liefde speelt de hoofdrol. En al die dingen die hier in die Psalm bezongen worden over wat God allemaal wel niet van je weet, waar God op let, waar God mee vertrouwd is, bezingen eigenlijk alleen maar dat God een betrouwbare partner is. Een partner, een bondgenoot die nooit onafgemaakt laat liggen waarmee diens hand ooit is begonnen. En als die God jou heeft vastgepakt en jij die God bent gaan vertrouwen dan wordt je als het ware een twee eenheid. Dan ga je samen door het leven en door de dood heen. De Psalm is in de laatste decennia dan ook een populaire psalm geworden bij huwelijksvieringen, bij begrafenissen en als mensen hun kinderen laten dopen. Daar waar in het leven merktekens moeten worden gezet mag bezongen worden dat de God van Israël er de weg heeft heengeleid en er zelf ook mee naar toe en vandaan gaat.