Ik lever de mensen aan elkaar uit

Zacharia 11:1-14

1 Open je poorten, Libanon! Vuur zal je ceders verteren. 2 Klaag, cipres, want gevallen is de ceder: de machtigen zijn geveld. Huil, eiken van Basan, want gevallen is het ondoordringbare woud. 3 Hoor de herders jammeren, want verwoest is hun lustoord. Hoor de leeuwen brullen, want verwoest is de trots van de Jordaan. 4 Dit heeft de HEER, mijn God, gezegd: ‘Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. 5 Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten, de verkopers danken de HEER dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet. 6 Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen-spreekt de HEER. Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koningen uit; ze zullen het land vernielen zonder dat ik ingrijp.’ 7 Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde. Ik nam twee stokken-de ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere Eenheid-en daarmee weidde ik het vee. 8 In één maand ontdeed ik me van drie herders. Ik verloor mijn geduld met het vee, dat een afkeer van mij kreeg, 9 en zei: ‘Ik weid jullie niet langer. Laat maar sterven wie sterven moet, laat maar verdwijnen wie verdwaalt, en laat de rest elkaar maar verslinden.’10 Toen nam ik mijn staf Vriendelijkheid en sloeg hem aan stukken om het verbond te verbreken dat ik gesloten had met alle volken, 11 en daarmee was het verbroken. De veehandelaars, die goed op mij letten, begrepen dat ik dit deed in opdracht van de HEER. 12 Ik zei tegen hen: ‘Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar.’ En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver. 13 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.’ Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer, 14 en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken. (NBV)

Er was kennelijk een conflict ontstaan met de Libanon, het gebied dat ten noorden van Israël ligt. De profeet ziet dat het gelijk in dat conflict aan de kant van Israël ligt. Denk niet dat de profeet dat nu eenmaal zegt omdat hij zelf tot het volk behoort want zo zit het niet met profeten. Die roepen namelijk net zo gemakkelijk het onheil af over het eigen volk als dat fout zit. In dit geval worden de vijanden vergeleken met vee. Het wordt geweid, vetgemest en verkocht. Zo ga je met je vijanden om. God komt er niet aan te pas in dit soort conflicten. Wij hebben vaak de neiging om conflicten tussen mensen aan God toe te schrijven. Waarom staat God toe dat het geweld in Israel en Palestina geen eind kent? Waarom kent de geschiedenis van de mensheid, oppervlakkig bekeken, niet anders dan oorlog en geweld? De mensen zijn aan elkaar en aan hun koningen uitgeleverd zegt de profeet. Als mensen oorlog willen maken dan moeten ze hun gang maar gaan. Ze moeten zich wel afvragen aan wiens kant ze gaan staan. Maar als ze oorlog willen voeren en er zelfs rijk van willen worden moeten ze dat zelf weten. Propageert de profeet in dit gedeelte het voeren van oorlog? Natuurlijk niet. Oorlog gaat gepaard met verdriet en ellende en in dit Bijbelgedeelte is het gehuil en het gebrul niet van de lucht. Verwoest worden de lustoorden en de trots van de Jordaan. Oorlog gaat immers nooit zonder schade en zonder verwoesting. Maar je hebt zelf de keuze of je oorlog wil voeren of niet.

Soms spelen profeten spelletjes om duidelijk te maken wat ze bedoelen. Ezechiël was daar heel goed in maar in dit gedeelte uit het boek van de profeet Zacharia lezen we dat die er ook wat van kon. Op welke manier moeten leiders nu voor hun volk zorgen. In de boerengemeenschap die Israel was sprak het beeld van de herder direct aan. Je vindt dat beeld dan ook op veel plaatsen in de Bijbel. Denk maar aan die beroemde psalm van de Heer is mijn herder, psalm 23. De laatste jaren komt bij ons de herder weer in beeld als landschapsbewaarder. De kudde graast en voorkomt dat de heide een bos wordt. Als je dan met je kudde van de ene naar de andere plek trekt moet je natuurlijk wel zorgen dat alle schapen meetrekken, anders houd je op de duur geen kudde meer over. Het aardige in de Bijbel is dat daar geleerd wordt dat hoe beter je zorgt voor elk schaap afzonderlijk, vooral voor de zwakke schapen, hoe beter je zorgt voor de hele kudde. In Israel had de herder een staf. Om het overzicht te houden over de kudde liep hij er achteraan. Om de kudde te sturen schepte hij met een schepje aan zijn staf een kluitje en mikte dat nauwkeurig op de snuit van het leidende schaap om te zorgen dat die de juiste richting hield.

Zacharia neemt twee van die stokken en noemt die Vriendelijkheid en Eenheid. Zijn staf Vriendelijkheid sloeg hij in stukken. Hij liet zich daarom uitbetalen, dertig zilverlingen. Toen de staf Eenheid in stukken geslagen werd viel ook het rijk Israel in twee stukken, Juda en Israël. Nog was het spel niet uit, Zacharia verkleedde zich nog een keer als herder maar nu als de herder die niet deugt. Geen Vriendelijkheid of Eenheid meer als staf, maar de herder die het er goed van neemt, de vette schapen slacht en opeet en de magere schapen laat lopen. Zo blijft er in korte tijd niets van de kudde over en het gedeelte van vandaag eindigt dan ook met een vervloeking. Het zijn de leiders die vervloekt worden, aan ons om die leiders op tijd bij te sturen en te zorgen dat ze oog krijgen voor de zwaksten in de samenleving.

Ik ben vol zorg voor hen

Zacharia 10:6-12

6 Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof ik hen nooit verstoten had, want ik ben de HEER, hun God, en ik zal hun gebeden verhoren. 7 Het krijgshaftige Efraïm zal dronken zijn van vreugde, en wanneer hun kinderen dat zien, zullen ook die zich verheugen en vol overgave juichen voor de HEER. 8 Ik zal hen bij mij fluiten en hen samenbrengen, want ik heb hen vrijgekocht. Ze zullen weer even talrijk worden als vroeger. 9 In den vreemde zal ik hen vrucht laten dragen, in verre streken zullen ze mij gedenken en hun kinderen grootbrengen, en dan zullen ze terugkeren. 10 Ik zal hen terughalen uit Egypte en Assyrië, en hen samenbrengen in Gilead en de Libanon, maar daar zal niet genoeg plaats zijn voor hen. 11 Wanneer ze door de zee trekken, die hen omspoelt, zal de HEER de golven bedwingen en de beddingen van de Nijl zullen droogvallen. Zo wordt de hoogmoed van Assyrië ten val gebracht en de scepter van Egypte gebroken. 12 Met mijn hulp zullen ze onoverwinnelijk zijn, en zij zullen optrekken in mijn naam-zo spreekt de HEER. (NBV)

Rond de ballingschap was de stam Efraïm een van de eerste stammen die uit Israel werd weggevoerd. Het behoorde ook tot de 10 stammen die uiteindelijk niet zouden terugkeren en op zouden gaan in Juda en Benjamin, in Judea en Galilea. De voorspelling van Zacharia in dit Bijbelgedeelte is dan ook niet uitgekomen. Maar het is ook geen voorspelling. Omdat Christenen graag in het Oude Testament lazen dat de komst van Jezus van Nazareth was voorspeld hebben ze de profeten maar afgeschilderd als een soort waarzeggers. Dat is ten onrechte. Het leven en sterven en het doorgaan door de dood heen staan wel in het Oude Testament. Daar staat namelijk zeer regelmatig dat als je het werkelijk weet vol te houden om je naaste lief te hebben als jezelf, met voorbijzien van je eigen belang en ook als die naaste zich gedraagt als een vijand dat zal dat uiteindelijk tot het Koninkrijk van God leiden, door de dood heen zelfs.

Dat is meer een belofte dan een voorspelling en die belofte werd in Jezus van Nazareth vervuld. En omdat die in Jezus van Nazareth werd vervuld kan iedereen er deel aan hebben tot de dag van vandaag toe. Dit Bijbelgedeelte begint nog eens met de leidende rol van Juda te benadrukken. Als ook de nakomelingen van Jozef, Efraïm was de zoon van Jozef die stamvader werd, die leidende rol zou erkennen, dan groeit het volk weer in het land dat werd beloofd. Een troost voor het handjevol mensen dat uiteindelijk uit ballingschap zou terugkeren. Niet langer speelde de vraag een rol tot welke stam je nu precies behoorde maar veel meer gaat het er om of je met God mee wil doen. Dan hoor je bij een volk waarnaar alle volken van de wereld zich zullen wenden, het volk namelijk dat de Wet zal bewaren van eerlijk delen en je naaste liefhebben als jezelf.

Na de ballingschap bleven veel Joden achter, zowel in Babylon als in Egypte waar een groot deel was heen gevlucht. Ook over die Joden hoefde men zich volgens Zacharia geen zorgen te maken. Ook daar zouden grote en sterke Joodse gemeenschappen kunnen ontstaan waaruit de kinderen en kleinkinderen terug konden keren naar het beloofde land. En dat is ook gebeurd, het gebeurt tot op de dag van vandaag. En nog steeds bestaat de droom dat Israel op zal houden te strijden met haar buren maar daar bondgenootschappen mee zal weten te smeden dwars tegen dood en vijandschap in zodat alle volken in de wereld zich naar Israel zullen keren en daar een voorbeeld aan zullen nemen. Zo ver zijn ze nog steeds niet. Wij kunnen ze helpen, door ze op te roepen vrede te sluiten met de Palestijnen en Palestijnen te overtuigen van het goede van de weg van vrede door ook in Gaza en op de Westbank de hongerenden te voeden, de naakten te kleden en de gevangenen te bezoeken. Christenen in Palestina geven ons daarvan het voorbeeld. Door een organisatie van Palestijnse Christenen als Sabeel te steunen bouwen we mee aan dat Koninkrijk.

Waarzeggers vertellen leugens

Zacharia 10:1-5

1 Wanneer het voorjaar wordt, vraag dan de HEER om regen. Hij is het die onweerswolken maakt, hij schenkt de mensen stortregens en gewas op het veld. 2 Orakels zijn bedrog en waarzeggers vertellen leugens: wat zij dromen komt niet uit, hun troost bestaat uit holle woorden. De mensen dolen rond als schapen, ontredderd, want een herder is er niet. 3 Woedend ben ik op de herders, en de bokken zal ik weten te vinden. De HEER van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda, zijn kudde, en het tot zijn prachtig strijdros maken. 4 Uit dit volk komt de hoeksteen voort, de tentpin en de oorlogsboog, uit dit volk komen alle overwinnaars. 5 Krijgshaftig zullen ze in de strijd de vijand in het slijk vertrappen. Ze zullen overwinnen, want de HEER staat hen bij, maar zij die hoog te paard zitten gaan roemloos ten onder. (NBV)

De babyfluisteraars, de geestensprekers, de paranormaal begaafden, het zijn allemaal leugenaars en bedriegers. Dat is wat de Bijbel er van zegt. En eerlijk is eerlijk, alle wetenschappelijke onderzoeken in de parapsychologie hebben aangetoond dat de Bijbel gelijk heeft. Sommige mensen hebben wat meer gevoeligheid voor de betekenis van menselijke verhalen dan anderen. Daarom lijkt het er soms op dat ze meer weten dan een ander, maar dat is dus niet zo. De sterren die op TV hun bovennatuurlijke gaven laten stralen zijn echte bedriegers. Ze gebruiken technieken die al sinds de middeleeuwen gebruikt worden om mensen geld uit de zak te kloppen met onzin. Wij kennen het tenminste nog het beste vanuit de de Middeleeuwen maar de Bijbel kent het al vanouds. Juist in de tijden van nood en onzekerheid komen de bedriegers weer op. Ze leiden af van zaken waar het werkelijk om gaat. Als je een goede oogst wil hebben dan kun je beter bidden om een weldadige regen. Al het andere is overbodig en dus onzin. De toekomst kan niemand voorspellen, ook de profeten konden dat niet.

Maar in tijden van bedreiging weet je dat als je samen staat, je ook sterk staat, als je samen weet te delen en alles voor elkaar over hebt dan ben je bijna onoverwinnelijk, zeker als niemand zich af laat schrikken door bedreigingen met de dood. Als je samen staat en samen deelt dan volg je de weg van God, en God is uiteindelijk de enige heer van de wereld. Niemand heeft macht op aarde dan God, al die anderen wenden hun macht alleen maar voor en er wordt naar hen geluisterd omdat mensen bang zijn en zich laten misleiden. Voor die angst is geen reden. We zien dat bij volken overal op de wereld die zegevierden als corrupte regeringen naar huis werden gestuurd. Ze gebruikten soms ondemocratische middelen omdat ook parlementen tot stand waren gekomen via corruptie. Maar hun macht was dat zij vreedsaam samen sterk bleven staan en bereid waren alles samen te delen.

In de tijd van de coronacrisis, de voedselcrisis, de klimaatcrisis en de economische crisis zullen we eenzelfde houding moeten aannemen. Natuurlijk zal geprobeerd worden de positie van de rijken te beschermen, ons zal worden wijsgemaakt dat er geen reden is om echt eerlijk te delen en de hypotheekrenteaftrek te matigen voor de extreem rijken. Dat er geen reden is om de zeer rijken een bijdrage te vragen in de betaling van de AOW. De babyfluisteraars, de geestensprekers, de mensen die beweren instralingen te hebben van boven worden gebruikt om ons te laten geloven dat er een andere wereld is waar we meer naar moeten luisteren dan naar het woord van de God die ons geboden heeft je naaste lief te hebben als jezelf. Toch is dat eenvoudige gebod het enige dat telt en ons uit al die crises kan brengen.

Hij zal vrede stichten tussen de volken.

Zacharia 9:9-17

9 Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin. 10 Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen en de paarden uit Jeruzalem; de bogen worden gebroken. Hij zal vrede stichten tussen de volken. Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee, van de Rivier tot de einden der aarde.11 Want, Sion, omwille van mijn verbond met jou, met offerbloed bekrachtigd, zal ik de gevangenen vrijlaten uit de put zonder water.12 Keer terug naar de burcht, gevangenen. Jullie hoop is niet vergeefs geweest, want ook nu geldt de toezegging aan Sion: ik zal je dubbel schadeloosstellen. 13 Juda span ik als mijn boog, Efraïm richt ik als mijn pijl, en jouw zonen, Sion, hef ik als een heldenzwaard tegen de Grieken. 14 De HEER zal boven hen verschijnen: zijn pijlen flitsend als bliksemschichten, zijn ramshoorn grommend als de donder trekt God, de HEER, op in een zuiderstorm.15 De HEER van de hemelse machten is hun schild. Ze zullen de vijand verslinden en zijn slingerstenen verbrijzelen, ze zullen zijn bloed drinken tot ze dronken zijn, tot ze ervan overlopen als een plengschaal en met bloed besmeurd zijn als de hoeken van een altaar.16 Op die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veiligheid brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op zijn land. 17 Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen bloeien op, gesterkt door wijn en graan. (NBV)

Christenen hebben dit Bijbelgedeelte later uitgelegd als een voorspelling van de intocht van Jezus van Nazareth in Jeruzalem. Die ging immers ook op een ezel de stad binnen toegejuicht door een grote menigte? Maar kloppen doet die redenering niet. Je kunt zeggen dat Jezus van Nazareth de profeet Zacharia citeerde, of in elk geval dat de schrijvers van de evangeliën beschreven hoe Jezus van Nazareth koning was in Israël. Iedereen die optrok naar Jeruzalem herkende dat citaat uit Zacharia. Zonder iets te zeggen werd Jezus van Nazareth tot het soort Koning waar het hele Oude Testament vol mee staat. Een koning die er niet is voor eigen macht maar voor het welzijn van het volk. En dat met voorbijzien van eigen belang. Zacharia profeteerde in de tijd van Alexander de Grote. De hele wereld zoals die men toen kende werd door deze Griekse veroveraar onder de voet gelopen.

Volgens Zacharia zou trouw aan God, behoud van het geloof in de Wet van eerlijk delen, leiden tot vrijheid en verlossing van onderdrukking. Zo’n leger als dat van Alexander trekt voorbij, het is een machtig gezicht, maar het trekt voorbij. Wat overblijft is een bevrijder zoals vanouds bedoeld, de messias. De komst van die messias is geen machtig gezicht, die zit niet hoog te paard, maar op een ezeltje. Want of de bevrijder de beloofde messias is zal blijken uit wat hij bereikt. Die messias zal mensen bevrijden van angst voor de dood, die zal mensen inspireren weer voor elkaar te zorgen, het voor elkaar op te nemen. Die messias zal mensen er toe brengen iedereen mee te laten doen. De profeet wordt er lyrisch van, hij heft een overwinningslied aan waar in felle kleuren de bevrijding van het land wordt bezongen. Want het is duidelijk dat die bevrijding niet gaat om goederen, macht of meer land, maar om de mensen. Als edelstenen zullen ze fonkelen op zijn land, jonge mannen en vrouwen bloeien op gesterkt door wijn en graan.

Dat zijn beloften die wij nog maar waar moeten zien te maken. Want zien wij kans alle kinderen in onze samenleving tot bloei te brengen en de mogelijkheden te laten realiseren die ze in zich hebben? Het gaat in ons onderwijs nog maar moeizaam en lang niet iedereen komt er goed door terecht. Wereldwijd is het nog erger. We zien in de wereld zelfs geen kans om alle kinderen voldoende te eten geven, om medische zorg zo te organiseren dat alle kinderen er in mee kunnen delen. Voor ons is de komst van die messias nog net zo hard nodig als in de tijd van Zacharias. Maar een profeet staat niet zo maar langs de kant te roepen dat alles goed zal komen. Een profeet is een waarheidszegger, geen toekomstvoorspeller. En de messias, de bevrijder, komt alleen als we allemaal bereid zijn alles te delen wat we hebben, iedereen lief te hebben als onszelf, daar kunnen we vandaag mee beginnen.

Ik zal de wacht betrekken

Zacharia 9:1-8

1 Profetie. Het woord van de HEER heeft Chadrach bereikt, en het rust op Damascus. Naar de HEER immers zal de hele mensheid zich richten, net als de stammen van Israël. 2 Ook op het aangrenzende Hamat rust het woord van de HEER, en op Tyrus en Sidon, ondanks al hun vernuft. 3 Tyrus bouwde voor zichzelf een bolwerk, het hoopte zilver op als stof en goud als slijk in de straten, 4 maar de Heer zal de stad in bezit nemen, haar rijkdom in zee storten, en de stad zelf gaat in vlammen op. 5 Wanneer Askelon dat ziet, zal het schrikken, en Gaza zal beven van angst. Zo ook Ekron, dat zijn hoop in rook ziet opgaan. Uit Gaza verdwijnt de koning, Askelon raakt ontvolkt, 6 en in Asdod woont nog slechts een onzuiver volk. Zo zal ik de hoogmoed van de Filistijnen breken. 7 Vlees waar nog bloed in zit zal ik hun uit de mond rukken, en ook het andere voedsel dat ik verafschuw. Maar een deel van hen zal gespaard worden, en ook zij zullen toebehoren aan onze God. Ze zullen in Juda worden opgenomen, en Ekron zal met ons verbonden zijn zoals de Jebusieten. 8 Ik zal de wacht betrekken en mijn land beschermen tegen doortrekkende legers. Geen tiran zal het nog binnenvallen, want nu waak ik er met eigen ogen over.(NBV)

Het is de vierde juli. De Amerikaanse onafhankelijkheidsdag. Ooit waren de Verenigde Staten de morele leider van de wereld. Overal waar het kon werden mensenrechten aan de orde gesteld, probeerde men vrede te stichten en stond de vrijheid om handel te drijven zoals men zelf wil hoog in het vaandel. Maar volken die zichzelf zo verheven vinden boven de anderen lopen het risico stuk te lopen op hun eigenwaan. De Bijbel waarschuwt daar tegen Vooral de profeten kunnen daar tegen te hoop lopen en op dagen als deze mogen we daar over lezen ook om er zelf van te leren. Vandaag dus uit het boek Zacharia. Het tweede gedeelte, want geleerden hebben ontdekt dat het boek Zacharia in twee delen is ontstaan. Het is een profetie die thuis is gekomen zo begint dit gedeelte, een profetie die er op wijst dat alle volken zich naar Jeruzalem zullen wenden, daar waar de Wet van eerlijk delen wordt bewaard. Dat begint voor de profeet met de omringende volken. Damascus, de hoofdstad van Syrië. Tyrus en Sidon, veel betwiste grenssteden van Israel, Hamat, de hoofdstad van Noord Syrië.

Hoe dichterbij hoe meer de profeet er van af weet en hoe zekerder hij is dat er een omwenteling te wachten staat. Nu zijn profeten geen toekomstvoorspellers die met een soort glazen bol de toekomst kunnen zien of via instralingen boodschappen van boven krijgen die ze dan moeten doorgeven. Profeten zijn waarheidssprekers. Op basis van het verhaal van God zoals dat doorverteld is en ons is doorgegeven in de Bijbel kijken zij naar hun samenleving en zien waar het op uit zal lopen. Als je als stad, of tegenwoordig als land, een muur bouwt rondom en je hoopt de schatten van de aarde, de winsten die je maakt, maar op en je laat alleen je eigen bevolking daarvan profiteren dan zal het uiteindelijk uitlopen op een ondergang van je stad. De armen die je hebt veroorzaakt zullen zoveel liefde en sympathie opwekken dat er voldoende kracht kan worden verzameld om ook de sterkste muren te slopen waarna je rijkdom verdeeld kan worden over de talloze armen die je gemaakt hebt.

Misschien dat als we zo deze profetie vertellen iemand zegt dat dat ook nu uitgekomen is. De bankiers die de winsten van hun banken lieten ophopen, die financiële producten verkochten die ze zelf niet meer begrepen, die bonussen en salarissen opstreken waar hele volken van hadden kunnen leven, zijn uiteindelijk aan hun eigen hebzucht ten onder gegaan, hun rijkdom is als sneeuw voor de zon verdwenen. Weten wij daarvan te leren? Zoeken wij nu naar een koning die afziet van pracht en praal en genoegen neemt met het jong van een ezelin? Een hybride auto die goedkoop is en nauwelijks brandstof gebruikt? Natuurlijk niet. De grijze streepjespakken, uniformen van bankiers, machthebbers en rijken, konden in ons parlement komen getuigen dat ze niets verkeerd hadden gedaan en dat de overheid voortaan maar moest proberen te snappen welke producten zij aan het verhandelen waren. Ze werden niet weersproken. Het toezicht op die producten zal wel verscherpt worden maar de eerste bankier die nieuw wordt benoemd krijgt al een inkomen waar een gemiddelde stad in ons land de werklozen van aan het werk kan zetten. Ook dit zal uitlopen op ondergang, we moesten dus nog maar even wachten met het juichen waartoe de profeet oproept.

In het land van de levenden

Psalm 27

1 Van David. De HEER is mijn licht, mijn behoud, wie zou ik vrezen? Bij de HEER is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zijn? 2 Kwaadwilligen kwamen op mij af om mij levend te verslinden, mijn vijanden belaagden mij, maar zij struikelden, zij vielen. 3 Al trok een leger tegen mij op,  mijn hart zou onbevreesd zijn, al woedde er een oorlog tegen mij, nog zou ik mij veilig weten. 4 Ik vraag aan de HEER één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de HEER alle dagen van mijn leven, om de liefde van de HEER te aanschouwen, hem te ontmoeten in zijn tempel. 5  Hij laat mij schuilen onder zijn dak  op de dag van het kwaad,  hij verbergt mij veilig in zijn tent, hij tilt mij hoog op een rots. 6  Daarom heft zich mijn hoofd fier boven de vijanden rondom mij, ik wil offers brengen in zijn tent, hem juichend offers brengen, ik wil zingen en spelen voor de HEER. 7 Hoor mij, HEER, als ik tot u roep, wees genadig en antwoord mij. 8 Mijn hart zegt u na: ‘Zoek mijn nabijheid!’ Uw nabijheid, HEER, wil ik zoeken, 9 verberg uw gelaat niet voor mij, wijs uw dienaar niet af in uw toorn. U bent mij altijd tot hulp geweest, verstoot mij niet, verlaat mij niet, God, mijn behoud. 10 Al verlaten mij vader en moeder, de HEER neemt mij liefdevol aan. 11 Wijs mij uw weg, HEER, leid mij op een effen pad, bescherm mij tegen mijn vijanden, 12 lever mij niet uit aan mijn belagers. Valse getuigen staan tegen mij op en dreigen met geweld. 13 Mag ik niet verwachten de goedheid van de HEER te zien in het land van de levenden? 14 Wacht op de HEER, wees dapper en vastberaden, ja, wacht op de HEER. (NBV)

Thuis mogen we van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat we hier volgen weer zingen. En we zingen één van die lofzangen die de leerlingen gezongen zouden kunnen hebben toen ze vol vreugde naar Jeruzalem waren teruggekeerd nadat Jezus van Nazareth was opgenomen in de hemel. Het lied loopt voor ons dus vooruit op Pasen toen de vrouwen een leeg graf vonden nadat ze op de dag er voor, de Sabbat, onze zaterdag, de voorgeschreven rust in acht hadden genomen. Wij zingen een Psalm van David mee. De Heilige Tent heeft hem er kennelijk toe gebracht zich te beseffen dat hij geen enkele angst meer hoeft te hebben voor zijn vijanden. Als hij doet wat er in de richtlijnen staat die in die Heilige Tent worden bewaard, zorgen voor de armen, de zieken, de zwakken, de weduwen en de wees, als koning recht en gerechtigheid betrachten, dan is er in het land niets aan de hand.

Het is niet om straks na de dood in een eventuele hemel al dat geluk te verdienen maar het gaat er om hier en nu dat geluk te verwerven, in het land van de levenden. Bijgelovige Christenen spreken dezer dagen nog al eens over de hemel, en of je wel geloofd dat je daar na je dood terecht komt en dat er dan ook nog een streng oordeel staat te wachten over alles waar je verkeerd hebt gedaan in je leven. Het enige wat de Bijbel er over zegt is dat het leven een einde kent, dat je adem van God komt en na het einde van het leven weer naar God terugkeert. Hoe, wat en waar staat er niet bij en soms lijkt het wel of het ook helemaal niet belangrijk is. Wat belangrijk is is hoe het met levende mensen gaat. Met Pasen klonk dat al toen aan de vrouwen bij het graf werd gevraagd wat ze kwamen doen, de levenden soms zoeken bij de doden ? Het heeft geen zin.

Ons gaat het om de levenden, de armen in Zuid Soedan, de hongerenden in Somalië, de zieken in Zuid-Afrika, de kinderen met Aids, de gevangenen in China, de kinderarbeiders in India en Indonesië, de vluchtelingen uit het Midden Oosten en al die andere broeders en zusters van ons, veraf en dichtbij, die worden uitgebuit, uitgehongerd, geknecht en vernederd en beroofd van de meest elementaire mensenrechten. Dat is het land van de levenden waarin wij leven en waar wij een klein stukje van wat we verstaan onder hemel op die aarde zouden moeten kunnen laten zien. Ook als we een dag vrij zijn van arbeidsverplichtingen zouden we daaraan mee kunnen werken. In Wereldwinkels, met Fair Trade, met FSC hout en met datgene wat ons beschikbaar staat. Dan staan we vandaag al op tegen alle dood in de wereld.

Het diepst van het dodenrijk

Matteüs 11:16-30

16 Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: 17 “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.” 18 Want toen Johannes kwam, en niet at en dronk, zei men: “Hij is door een demon bezeten.” 19 Nu is de Mensenzoon gekomen, hij eet en drinkt wel, en nu zegt men: “Kijk toch eens, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.” En toch is de Wijsheid door heel haar optreden in het gelijk gesteld.’ 20 Daarop maakte hij de steden waar bijna al zijn wonderen hadden plaatsgevonden, het verwijt dat ze niet tot inkeer waren gekomen: 21 ‘Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn. 22 Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan dat van jullie. 23 En jij dan, Kafarnaüm, je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepst van het dodenrijk zul je afdalen! Want als in Sodom de wonderen waren gebeurd die bij jou gebeurd zijn, dan was het tot op de huidige dag blijven bestaan. 24 Ik zeg je dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van jou.’ 25 In die tijd zei Jezus ook: ‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. 26 Ja, Vader, zo hebt u het gewild. 27 Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren. 28 Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. 29 Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, 30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’ (NBV)

Een paar keer per jaar komen de leiders van de 9 rijkste landen bij elkaar, ze noemen zich de G9. Ze kunnen niet zeggen dat ze het niet hebben geweten, de Verenigde Naties hebben het besloten, miljoenen hebben het geroepen: laat ons geschiedenis van “armoede” maken, dan maken we samen geschiedenis. Dan leren onze achterkleinkinderen dat in de eenentwintigste eeuw de mensheid zo verstandig was geworden dat het niet meer werd gepikt dat er elke 3 seconden een kind stierf aan armoede. Maar lijken deze leiders op de kinderen die op het marktplein spelen en elkaar toeroepen dat ze als het goed gaat niet willen dansen en als het slecht gaat niet willen rouwen? Jezus wijst op de wonderen die kunnen gebeuren, als je zoveel mensen in beweging ziet komen, iedere keer weer rond de G9 bijeenkomsten, dan kun je niet achter blijven dan wil je meedoen in de beweging tegen de armoede. Gerechtigheid heeft iets dwingends er valt niet aan te ontkomen. Toch zul je merken dat er omheen gedraaid zal worden. In de dagen van Jezus waren de dorpen waar de zendelingen van Jezus, de Apostelen, heen gegaan waren hardnekkig, volgens Jezus waren de steden van de heidenen meer bereid de richtlijnen voor de menselijke samenleving te gaan volgen dan de dorpen die juist door het volgen van die richtlijnen waren ontstaan.

Die dorpen, waaronder Kafernaüm, het dorp waar Jezus zijn toevlucht had gezocht, konden afdalen tot in het diepst van het dodenrijk, die dorpen konden doodvallen. In onze dagen zou dat voor de wereldleiders kunnen gelden als ze de onrechtvaardige tariefmuren in stand houden en met enorme landbouwsubsidies de oneerlijke concurrentie op de wereldmarkten in stand blijven houden. Maar het lijkt wel of er steeds nieuwe excuses gezocht worden voor uitstel van het eerlijk delen. Als het goed gaat in de wereld en er door de rijke landen meer en meer verdient wordt dan groeien nieuwe economieën als India en China te hard en moet er gematigd worden. Dat de armen in India en China nog helemaal niet meedoen in de nieuw verworven rijkdom blijft buiten beschouwing. Dat de hongerenden in de wereld moeten wachten op voeding tot de auto’s in de rijke landen vrolijk en goedkoop rijden op biobrandstof is het omkeren van de wereld zelf, zoals de bodem onder Sodom werd omgekeerd, lijken we dat nu zelf te gaan doen. Hoogste tijd voor gerechtigheid. Op zich is het allemaal niet zo ingewikkeld wat er nodig is, we zoeken een God die het voor elkaar maakt. Waar is God? We weten het niet. Wat kan God? We weten het niet. Zo eenvoudig is het. Zoals een beroemd Zwitsers theoloog in de vorige eeuw al schreef, als we God zeggen weten we niet wat we zeggen en voor wie gelooft is het zeker dat we dat niet weten. Daarom moet je niet vragen naar God maar naar wat er met de minsten gebeurd. Eenvoudige mensen, die niet zo veel gestudeerd hebben, die hard moeten werken om te overleven, zij weten waar het op aan komt. Komt het naar je toe of wordt het van je afgenomen.

En daar waar alle mensen tellen, waar iedereen belangrijk is, waar niemand beter is dan een ander, waar liefde voor alle mensen de norm is, daar komt het voor gewone mensen zeker naar je toe. In de gewone wereld is dat nu juist bijna nergens het geval. Daar moet je je mond houden en doen wat zogenaamd belangrijke mensen zeggen. Dat blijkt bijvoorbeeld vaak bij de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij, en de herdenking dus van het leed van de slaven. Daar zijn veel afstammelingen van slaven bij aanwezig. Een deel van die afstammelingen komt uit Suriname maar kunnen die hun familie over laten komen? Bejaarde ooms en tantes, of grootouders voor wie ze eigenlijk moeten zorgen? Nee dus, keurig Nederlands spreken, hard werken of anders terugkeren dat is het beleid. Andere afstammelingen van slaven komen van de Antillen, dat beleid is nog duidelijker, aanpassen of oprotten. Er zijn zelfs politieke partijen die ongestraft kunnen oproepen de eilanden en de bijbehorende mensen maar te verkopen. Slaven werden gehaald, door Nederlandse handelaren, uit Afrika. Tegen de sprekers en spreeksters bij de jaarlijkse herdenking is herhaaldelijk luid en niet mis te verstaan geprotesteerd. Mijn juk is zacht, mijn last is licht zei Jezus. Wij denken dan aan het juk van het melkmeisje met haar twee emmertjes. Maar slaven en hun afstammelingen denken aan het juk van de ossen voor de ploeg, als de os het niet trekt mogen slaven het proberen. Het beeld dat Jezus van Nazareth gebruikt doet vermoeden dat hij dat juk mee op zich neemt. Daarom is zijn juk zacht, gewerkt moet er worden, maar als we zijn voorbeeld willen volgen dan nemen we het juk van de slaven van vandaag mee op ons en werken we schouder aan schouder met hen aan de rechtvaardige samenleving, aan het koninkrijk van God.

Het goede nieuws

Matteüs 11:2-15

2 Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar hem toe 3 met de vraag: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ 4 Jezus antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: 5 blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 6 Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’7 Toen ze weer vertrokken, begon Jezus met de mensen over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind? 8 Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die rijk gekleed ging? Welnee, wie rijk gekleed is, verkeert in koninklijke kringen. 9 Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet. 10 Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.” 11 Ik verzeker jullie: er is onder allen die uit een vrouw geboren zijn nooit iemand opgetreden die groter was dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk van de hemel is de kleinste nog groter dan hij. 12 Sinds de dagen van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van de hemel door geweld bedreigd en proberen sommigen er zelfs met geweld beslag op te leggen. 13 Want de profetieën van alle profeten en van de wet reiken tot de dagen van Johannes. 14 En voor wie het wil aannemen: hij is Elia die komen zou. 15 Laat wie oren heeft goed luisteren! (NBV)

Er zijn mensen die graag Jezus als voorbeeld nemen en vandaag vragen we ons af of we daar ook wat aan hebben. Om de strijd tegen de armoede altijd bij ons te dragen is er zelfs eens een wit polsbandje ingevoerd. Soms zou je willen dat alle polsbandjes vervangen worden door een regenboogpolsbandje, dat herinnert ons aan de strijd tegen kanker, tegen aids, tegen zinloos geweld, tegen armoede en tegen alle andere slechte dingen in de wereld. Maar het eerste witte polsbandje werd ooit uitgereikt aan CDA politicus Jan Peter Balkenende. Dat Jan komt van Johannes, die immers het stof van de mensen afspoelde om ze op een nieuwe manier te laten beginnen, dat Peter komt van Petrus, de Simon die als zendeling door Jezus er op uit was gestuurd om de boodschap te brengen dat de slaaf gelijk was aan zijn meester en die C in het CDA komt van Christus wat in het Grieks gezalfde betekent en de titel was die men aan Jezus had gegeven. Je mag dan ook van een eerste minister of fractievoorzitter uit het CDA verwachten dat er iets verandert aan de armoede. Aan Jezus werd dat ook gevraagd, wat brengt u te weeg?

Hij zei alleen dat ze moesten kijken, blinden zagen weer licht, lammen leerden lopen, doden werden opgewekt en aan de armen werd goed nieuws verkondigd. Als je naar de huidige samenleving kijkt dan zie je daar toch nog weinig van. Natuurlijk de gezondheidszorg heeft wonderen verricht en bereid zich voor op nog meer wonderen in coronatijd. Maar het aantal werklozen neemt hand over hand toe zonder dat iemand plannen maakt voor de toekomst. De rijen voor de voedselbanken worden elke dag groter. De polsbandjes zijn uit de samenleving verdwenen maar daarmee kennelijk ook het verlangen structureel iets aan de samenleving te veranderen. Er zijn mensen die zoveel geld hebben dat huizen voor mensen met minder geld zo duur worden dat het aantal daklozen toeneemt en afzien van huurverhogingen is voor die rijken geen sprake. Het onderscheid tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen oud en jong is nog steeds niet verdwenen. We moeten zelfs de straat op om geweld tegen mensen te bestrijden die dat moeten ondergaan vanwege de kleur van hun huid of hun uiterlijk. Wie kijkt naar onze samenleving ziet van alles maar bijna niets van dat wat Jezus wilde laten zien.

Sinds Johannes opriep om juist die weg te gaan en het stof van het oude leven af te spoelen wordt dat Koninkrijk met geweld bedreigd. Het gaat zelfs zover dat mensen het zich willen toe eigenen en wie was het ook al weer die een beperking van de hypotheekrenteaftrek, waardoor de meeste subsidie in ons land bij de rijkste mensen terecht komt, onbespreekbaar heeft verklaard. Jezus neemt het zeer op voor Johannes, hoe verschillend ze ook zijn beiden gaat het om de mensen die weg van de dood zich naar het leven zouden moeten keren. Want de dag dat armen bevrijd worden zal komen, brandend als een oven. Johannes was, net als de profeet Elia, daar een wegbereider voor. Toen Jezus uiteindelijk afscheid nam van zijn leerlingen, nadat hij was gekruisigd en opgestaan, op de berg waar hij zijn interpretatie van de leefregels voor de mensen had gegeven, gaf hij zijn leerlingen de opdracht zijn boodschap over de hele wereld te verspreiden, tot de aarde voltooid zal zijn staat er. Als de aarde voltooid is zal de aarde goed zijn staat er geschreven. Er is dus nog veel werk aan de winkel, want de armen worden nog steeds armer en onrecht en geweld zijn overal te vinden.

Op grond van hun geloof

Romeinen 9:19-33

19 Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept God ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen zijn wil?’20 Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruitzie?’ 21 Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken? 22 God heeft degenen die het voorwerp van zijn toorn zijn en die hij heeft bestemd voor de ondergang, met veel geduld verdragen omdat hij zijn toorn ook wil tonen en zijn macht kenbaar wil maken. 23 En omdat hij zijn overweldigende majesteit wil tonen, heeft hij degenen die het voorwerp zijn van zijn barmhartigheid ertoe voorbestemd om in zijn majesteit te delen. 24 Hen heeft hij ook geroepen: ons, die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken, 25 zoals ook bij Hosea staat geschreven: ‘Wat mijn volk niet was, zal ik mijn volk noemen; wie mijn geliefde niet was, zal ik mijn geliefde noemen. 26 En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet, ”zullen ze kinderen van de levende God worden genoemd.’ 27  En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered. 28  Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort.’ 29  En zoals Jesaja al heeft gezegd: ‘Had de Heer van de hemelse machten ons geen nageslacht gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra.’ 30 Wat kunnen we hieruit nu opmaken? Hoewel ze er niet naar hebben gestreefd, zijn heidenen als rechtvaardigen aangenomen, op grond van hun geloof. 31  Maar Israël, dat ernaar streefde door de wet rechtvaardig te worden, heeft dat niet bereikt.  32  Wat is daarvan de oorzaak? Ze handelden alsof het van hun daden afhing, en niet van geloof. Ze zijn over de steen gestruikeld 33 waarover geschreven staat: ‘In Sion leg ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’ (NBV)

Het idee dat God mensen heeft uitverkoren als geliefden en verworpen omdat hij ze haat heeft veel mensen in verwarring gebracht. Paulus beschrijft een deel van die verwarring. Want als God vooraf al heeft uitgemaakt of we uitverkoren worden dan wel verworpen waar zouden wij ons dan nog druk over maken? Het antwoord van Paulus is dat we ons druk moeten maken omdat we het niet weten. We hebben zelf niet de criteria in handen, we kunnen ze zelfs niet bedenken, waarlangs God tot keuzes is gekomen of zal komen. Paulus illustreert dat aan de hand van uitspraken van profeten. Een aantal jaren geleden herdacht de Protestantse Kerk de vijfhonderdste geboortedag van Johannes Calvijn, de grote reformator die een geweldige invloed heeft gehad op het denken in alle Christelijke Kerken. Aan hem wordt de leer van de voorbeschikking, de predestinatie toegeschreven. Maar het is niet zo dat eerst Calvijn ging schrijven en toen pas Paulus, het is omgekeerd.

Calvijn heeft daarover wel geschreven in zijn leerboek over het christelijk geloof de Institutie. Maar daar waar velen zijn blijven steken in de ingewikkelde theologische zinnen over die predestinatie moet je eigenlijk ook even verder lezen. Calvijn schrijft dat het denken over de voorbeschikking van God een mens doet huiveren. Je bent als mens nergens meer als je God op die manier probeert te beschrijven. En dat doet geen recht aan God, want ook Paulus schrijft eigenlijk al dat God zich niet laat vangen in ons menselijk beschrijven van hetgeen God besluit. Calvijn schrijft dat je er dus beter aan doet net te doen of er geen voorbeschikking is. God is liefde, God roept ons op de naaste lief te hebben als onszelf. In die liefde voor de naaste maakt het ons niet uit wat we er zelf wijzer van worden, het is onbaatzuchtige liefde, zelfs een beloning van God hoeft er niet van te komen. Jezus van Nazareth beschrijft in het verhaal van Matteüs de verbazing van mensen als die tot de ontdekking komen dat ze met de hulp aan hun naaste eigenlijk Jezus zelf hebben geholpen.

Die liefde alleen behoort ons dus in beweging te zetten. En of wij dan al of niet zijn uitverkoren speelt daarbij geen rol. In sommige geloofsrichtingen speelt de vraag of je uitverkoren bent een grote rol. Soms noemt men het ook wedergeboren, een ander mens geworden. Voor Calvijn speelde het antwoord op die vragen geen rol meer. De twijfel en de strijd om uitverkoren of wedergeboren te worden zijn overbodig. God beschikt in zijn oneindige liefde en je mag er van uitgaan dat daar voor jou net zoveel plaats is als jij bij jou de naaste een plaats geeft. En denk nu niet dat we de liefde van God kunnen verdienen door goed te doen. We herdachten ook dat 500 jaar geleden Maarten Luther met de Hervorming begon. Hij verzette zich heel erg sterk tegen een voor wat hoort wat geloof. Alles uit genade. Maar die genade van God, de liefde die we ervaren als we geloven maakt dat we willen dat iedereen die liefde voelt. Daarmee laten we God God, de God van liefde,en zijn wij mensen die telkens opnieuw moeten beginnen onze naaste lief te hebben als onszelf, maar dat opnieuw beginnen mag, vandaag ook.

Ik ben diepbedroefd

Romeinen 9:1-18

1 Omdat ik één ben met Christus spreek ik de waarheid, en mijn geweten, geleid door de heilige Geest, is mijn getuige dat ik niet lieg: 2  ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld. 3 Omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn; 4 omwille van hen, de Israëlieten, die God als zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie hij zijn nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken; 5 omwille van het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen. 6 God heeft zijn belofte niet gebroken. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël, 7 niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.’ 8 Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte. 9 Als iets een belofte is dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom ik terug en dan heeft Sara een zoon.’ 10 Sterker nog, Rebekka was van onze vader Isaak zwanger van een tweeling, 11-12 en al voor ze geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Gods besluit blijft namelijk van kracht: God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat hij hem roept. 13 Zo staat er ook geschreven: ‘Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat.’ 14 Moeten we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Natuurlijk niet. 15 Hij zegt immers tegen Mozes: ‘Ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn, ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken.’ 16 Alles hangt dus af van God en zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens. 17 Zo zegt hij volgens de Schrift tegen de farao: ‘Ik heb u alleen in leven gelaten om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben.’ 18  Dus God is barmhartig voor wie hij wil en maakt halsstarrig wie hij wil. (NBV)

Paulus is zich in de loop van de tijd steeds meer af gaan zetten tegen zijn landgenoten en de Judeeërs zijn zich steeds meer gaan afzetten tegen Paulus. Paulus werd door Judeeërs als een oproerkraaier gezien, een sektariër die hun veilige bestaan in het Romeinse Rijk in gevaar bracht. De Judeeërs hadden zich daar een plaats verworven naast andere godsdiensten. Ze werden soms nog wel als atheïsten gezien omdat ze geen beeld van hun God hadden en de andere goden niet wilden aanbidden, maar omdat ze hun eigen gebedsruimtes hadden, regelmatig daar samenkwamen en konden bidden waren ze een religie, zij het van een rare soort. Die Paulus fietste daar maar doorheen. Die wilde dat die Judeese gemeenschappen zich gingen bemoeien met de Heidense wereld er om heen. Ook die Heidenen moesten mee gaan doen met de leer van Mozes, in de zin van heb-Uw-naaste-lief-als-Uzelf. Dat was volgens die Paulus het hart van de leer van Mozes en alle andere wetten en voorschriften konden ze vergeten. Die golden misschien voor de Judeeërs maar niet voor de Heidenen.

Het vormen van gemeenschappen van Judeeërs en Heidenen die met elkaar gingen delen van bezit en inkomen had tot gevolg dat die Heidenen ook de goden gingen mijden die in het Romeinse Rijk talrijk aanwezig waren. Het ergste was nog dat ze ook de beelden van de Romeinse Keizer niet meer wilden aanbidden als die zich weer eens tot god hadden uitgeroepen. Dat was gezagsondermijnend. Van die Paulus moesten ze dus steeds minder hebben, die was maar gevaarlijk. Paulus had het daar maar moeilijk mee. Hij was afkomstig uit Turkije, was wel geboren uit Judeese ouders maar had in Israel jarenlang toch heel veel moeite moeten doen om er bij te horen. Hij had zelfs voor rabbijn gestudeerd bij een van de meest vooraanstaande geleerden, Gamaliël. En nu hoorde hij er niet meer bij. Zijn verzuchtingen in het gedeelte dat we vandaag lezen worden daardoor begrijpelijk. Het volk Israël had immers van oudsher al vreemden in zich opgenomen. Het was ook vanouds God geweest die had bepaald langs welke lijnen het volk zou groeien en wie er wel en wie er niet bij zou horen.

Nu was er de kans om de hele wereld mee te krijgen, om alle volken zich te laten keren naar Jeruzalem zoals vanouds was beloofd en nu deden juist de kinderen van Israël daar niet aan mee. Dat was een geweldige teleurstelling. Het geloof in de enige God, het houden van de enige Wet die telt, moet toch voortkomen uit Israël. De kinderen van Esau, de Edomieten, waren toch ook kinderen van Abraham maar die hoorden er niet bij. Wij mogen blij zijn met een God die ons de Jood Paulus stuurde. Wij mogen dankbaar zijn dat we onze naaste lief mogen hebben als onszelf, dat we geleerd hebben te delen van hetgeen wij hebben met onze naaste. Misschien wel omdat we het ook de staat Israël moeten voordoen zodat zij het opnieuw leren en vrede sluiten met de Palestijnen. Wat de bedoeling ook moge zijn, we kunnen vandaag weer laten zien dat Paulus geen ongelijk had.