Wat de wet voorschrijft

Handelingen 21:15-26

15 Korte tijd later maakten we ons reisvaardig en gingen naar Jeruzalem. 16 Enkele leerlingen uit Caesarea gingen met ons mee. Ze brachten ons naar Mnason, een Cyprioot die al vanaf het begin bij de leerlingen hoorde en bij wie we zouden verblijven. 17 Bij onze aankomst in Jeruzalem ontvingen de gelovigen ons gastvrij. 18 De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, bij wie alle oudsten waren samengekomen. 19 Nadat Paulus hen begroet had, vertelde hij tot in bijzonderheden wat God door zijn verkondigingswerk onder de andere volken tot stand had gebracht. 20 Toen ze dat hoorden, prezen en eerden ze God en zeiden: ‘Je hebt kunnen zien, broeder, dat ook vele
duizenden Joden tot geloof zijn gekomen, en allen leven vol overtuiging volgens de wet. 21 Nu is hun verteld dat jij de Joden die te midden van de andere volken wonen aanspoort tot ontrouw aan Mozes; je zou beweren dat ze hun kinderen niet hoeven te besnijden en dat ze zich niet aan de voorschriften hoeven te houden. 22 Hoe weerleggen we dit? Ze zullen ongetwijfeld horen van je komst. 23 Doe daarom wat wij je zeggen. Er zijn bij ons vier mannen die een gelofte hebben afgelegd. 24 Neem hen met je mee, laat je samen met hen reinigen en betaal voor hen de kosten van de offers, waarna ze hun haar kunnen laten afscheren. Dan zal iedereen inzien dat de verhalen die over jou worden verteld onwaar zijn, en dat ook jij doet wat de wet voorschrijft. 25 De niet-Joden die tot geloof gekomen zijn hebben we schriftelijk op de hoogte gesteld van onze beslissing dat ze zich in acht moeten nemen voor vlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, voor bloed, voor vlees waar nog bloed in zit, en voor ontucht.’ 26 Daarop nam Paulus de vier mannen met zich mee. De volgende dag liet hij zich samen met hen reinigen en ging de tempel binnen, waar hij bekendmaakte wanneer de reinigingsperiode zou aflopen, zodat daarna voor ieder van hen het offer gebracht kon worden. (NBV21)

Paulus en zijn reisgenoten komen na een lange reis met veel enerverende gebeurtenissen eindelijk terug in Jeruzalem. De oudsten in Jeruzalem houden niet van welles nietes spelletjes. Er sluimert een oud conflict tussen Paulus en de Christenen uit de Joden. Paulus vroeg van de Joden de wetten van Mozes te houden zoals ze gewend waren maar vroeg van de Heidenen dat ze alleen afzagen van de afgoderij maar ze hoefden geen Joden te worden. Dat afzien van afgoderij bleek dan uit het stoppen met eten van offervlees als mede Christenen zich er aan ergerden en het afzien van het gebruik van de tempelprostitutie. Maar de in de Synagogen waar Paulus had gepreekt waren herhaaldelijk conflicten uitgebroken over zijn boodschap. Door Paulus gevormde gemeenten waar Joden en Heidenen samen kwamen en waar het onderscheid tussen hen was opgeheven besloten dan elders samen te komen en de Synagoge te mijden.

Volgens zeer strenge Joden was het bezoek van het huis van een Heiden niet toegestaan. Het maakte de Jood onrein. Ook Jezus van Nazareth was hier herhaaldelijk op aangesproken zo wordt in de Evangeliën gemeld. Die liet zich er overigens niet door weerhouden. Als mensen er blijk van gaven te geloven in de boodschap van Jezus van Nazareth, in de nieuwe wereld die hij kwam brengen, dat was het dat geloof dat hen deed behouden. Bij onrein worden hoort een reinigingsprocedure. En de gemeente in Jeruzalem had bedacht dat als strenge Joden samen met Paulus naar de Tempel zouden gaan en zich zouden laten reinigen op kosten van Paulus dan zou duidelijk moeten zijn dat Paulus geen afbreuk had gepromoot aan de Wet van Mozes.

Zo is het ook gebeurd. De reinigingsperiode zou zeven dagen duren, dat zou toch voldoende moeten zijn. Het onderscheid dat mensen maken tussen mensen die op de goede manier en mensen die op de verkeerde manier geloven leidt altijd tot wrijving en tot spanning in de samenleving. Ook in onze dagen worden Christenen  die met moslims omgaan met de nek aangekeken. Ook al helpen ze moslima’s met emancipatie, moslimgezinnen met inburgering of geven ze taallessen, volgens de zogenaamde goed gelovigen deugen ze niet. Het is en blijft onbijbels. De Bijbel gaat er van uit dat je alleen let op het goede dat mensen doen en dat je ze daarbij helpt. Voor de rest is het oordeel aan God en niet aan mensen. Overigens beroepen moslims zich er op dezelfde God te aanbidden als de Joden en de Christenen, de God van Abraham. Wie zijn wij om dat te ontkennen? Gelukkig kunnen en mogen we het goede voor de naaste nog elke dag doen en kan niemand ons daarvan weerhouden. Ook vandaag kunnen we er weer mee aan de slag.

Wat de Heer wil

Handelingen 21:1-14

1 Nadat we ons met moeite van hen hadden losgemaakt, kozen we zee en zetten rechtstreeks koers naar Kos. De dag daarop bereikten we Rhodos, en van daar voeren we naar Patara. 2 Daar vonden we een schip dat de oversteek naar Fenicië zou maken. We gingen aan boord en voeren weg. 3 We kregen Cyprus in zicht, maar lieten het links liggen en zeilden verder naar Syrië, waar we de haven van Tyrus binnenliepen. Daar moest het schip zijn lading lossen. 4 We gingen op zoek naar de leerlingen en bleven een week bij hen. Sprekend door de Geest ontraadden ze Paulus naar Jeruzalem door te reizen. 5 Maar toen ons oponthoud ten einde liep, vertrokken we weer, uitgeleide gedaan
door alle leerlingen met hun vrouwen en kinderen. We gingen de stad uit en knielden samen neer op het strand om te bidden. 6 Toen namen we afscheid van elkaar. Wij gingen aan boord van het schip en de leerlingen keerden terug naar huis. 7 Vanuit Tyrus kwamen we in Ptolemaïs aan, waar we onze zeereis beëindigden. We begroetten de broeders en zusters en bleven één dag bij hen. 8 De volgende dag vertrokken we weer en gingen op weg naar Caesarea. Daar vonden we onderdak bij Filippus, verkondiger van het evangelie en een van de zeven wijze mannen. 9 Hij had vier ongetrouwde dochters, die de gave van de profetie bezaten. 10 Na enkele dagen kwam er een profeet uit Judea, die Agabus heette. 11 Hij zocht ons op, pakte Paulus’ gordel en bond daarmee zijn eigen handen en voeten vast. Toen zei hij: ‘Dit zegt de heilige Geest: “Zo zal de man van wie deze gordel is, worden vastgebonden door de Joden in Jeruzalem, die hem aan de heidenen zullen uitleveren.”’ 12 Toen we dit hoorden, drongen wij en de gelovigen van Caesarea er bij Paulus op aan om niet naar Jeruzalem te reizen. 13 Maar Paulus antwoordde: ‘Waarom proberen jullie me door je tranen te vermurwen? Ik ben niet alleen bereid me in Jeruzalem gevangen te laten nemen, maar ook om er te sterven omwille van de naam van de Heer Jezus.’ 14 Omdat hij zich niet liet overreden, deden we er het zwijgen toe en zeiden alleen nog: ‘Laat gebeuren wat de Heer wil.’ (NBV21)

Paulus had tegen de oudsten uit Efeze verteld dat hij tijdens zijn reis naar Jeruzalem in allerlei plaatsen de waarschuwing had gekregen daar niet heen te gaan maar hij had gevoeld dat God hem toch naar Jeruzalem wilde hebben. Daarom zette hij door. In het verhaal dat voor het verhaal van het oponthoud met de vertegenwoordigers uit Efeze is niet over die waarschuwingen verteld. Dus hoe zit het? Daarover wordt in het verslag over het vervolg van de reis een en ander uit de doeken gedaan. Paulus en zijn gezelschap reisden niet op luxe passagiersschepen de Middellandse Zee rond maar ze maakten gebruik van het handelsverkeer uit hun dagen. In het grote Romeinse Rijk was een levendige handel. Niet alleen in voedsel maar ook in producten als vaatwerk, gebruiksvoorwerpen en sieraden. Ook bij opgravingen in ons land zijn voorwerpen gevonden die de Romeinen hadden laten komen uit landen en streken die ver weg in de Middellandse Zee liggen. Dat het reisgezelschap een week oponthoud had omdat het schip de lading moest lossen was zo vreemd dus nog niet.

Paulus was al eens eerder op Cyprus geweest en had daar een gemeente gesticht. De leden van die gemeente ontvingen het reisgezelschap en toen ze hoorden dat men onderweg was naar Jeruzalem werd dat zeer sterk afgeraden. In Jeruzalem liep Paulus het gevaar gevangen genomen te worden en aan de Romeinen te worden overgeleverd met de beschuldiging een oproerkraaier te zijn. Hij had immers overal verkondigd dat er maar één Keizer was, één Kurios in het Grieks, één Heer. Dat was niet de Keizer in Rome die zich als een god liet vereren maar dat was Jezus van Nazareth die door de Romeinen was gekruisigd onder de beschuldiging dat die zich uit had gegeven voor Koning van de Joden. Paulus had Joden en Christenen in gemeenten verenigd rond die belijdenis dat Jezus, de Christus, gezalfde betekent dat, de enige Heer was. De gemeente van Cyprus waarschuwde Paulus. Zij hadden geleerd in de Geest van die Jezus te letten op mensen die gevaar liepen, op de minsten in hun samenleving. Dus zagen ze ook de gevaren die hun geliefde Paulus liep. Maar Paulus trok zich er niks van aan en zo reisde men verder naar Palestina.

Daar kwam men aan land in een belangrijke stad, de stad van Caesar, de Keizersstad. Hier had de landvoogd zijn paleis gebouwd. Hier heersten de Romeinen. De belangrijkste man van de gemeente in Caesarea was Filippus. Hier word hij een van de zeven wijze mannen genoemd zonder verdere uitleg. Wie uit het boek Handelingen leest wordt door de schrijver geacht het hele boek te lezen en niet steeds korte stukjes. Die zeven wijze mannen staan aan het begin en horen eigenlijk nog een beetje bij het verhaal van Pinksteren. Toen hadden duizenden zich aangesloten bij die beweging van de Weg, de volgelingen van Jezus van Nazareth. Die hadden wat ze hadden gedeeld met elkaar. Maar ze waren wel verschillende talen blijven spreken. Zo waren er weduwen die Grieks spraken en die zich achtergesteld hadden gevoeld bij de anderen. Om hun belangen te behartigen waren er zeven diakenen gekozen, Filippus was één van hen. Het was dan ook geen wonder dat zijn dochters heel goed in de gaten hadden gekregen hoe zaken in elkaar staken. Ze waren profetessen. Maar hun waarschuwing hielp niet. Ook niet die van Agabus die liet zien wat er zou gaan gebeuren, gebonden handen, gevangenschap. Maar Paulus bleef er bij, zijn missie was de terugkeer naar Jeruzalem voor het Pinksterfeest. Dat was zijn opdracht en los van gevolgen voor zijn persoon had hij daar gevolg aan te geven. En daarmee land het verhaal ook in onze dagen. Zonder te letten op gevolgen voor onszelf zullen we Jezus als enige Heer moeten erkennen en onze naaste lief blijven hebben als onszelf, iedere dag opnieuw. Laat maar gebeuren wat de Heer wil.

 

Je bent een goede dienaar.

Lucas 19:11-28

11 Aan de mensen die stonden te luisteren, vertelde Hij nog een gelijkenis, aangezien Hij nu dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het koninkrijk van God nu spoedig zou aanbreken. 12 Hij zei: ‘Een man van voorname afkomst ging op reis naar een ver land om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. 13 Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen één mine zilver en zei tegen hen: “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” 14 Maar zijn landgenoten haatten hem en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: “We willen niet dat die man koning over ons wordt!” 15 Bij zijn terugkeer, toen hij het koningschap had ontvangen, liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven bij zich roepen om te vernemen wat ze met handeldrijven hadden verdiend. 16 De eerste kwam en zei: “Heer, uw mine zilver heeft tien mine opgeleverd.” 17 Zijn meester zei: “Voortreffelijk, je bent een goede dienaar. Omdat je betrouwbaar bent geweest in iets zeer gerings verleen ik je het bestuur over tien steden.” 18 De tweede kwam zeggen: “Uw mine, heer, heeft vijf mine opgebracht.” 19 Tegen hem zei hij: “Jij krijgt het bestuur over vijf steden.” 20 Toen kwam de derde dienaar, die zei: “Heer, hier is uw mine, die ik in een doek voor u heb bewaard. 21 Ik was bang voor u, omdat u een streng man bent die terugvordert wat hij niet heeft gestort en oogst wat hij niet heeft gezaaid.” 22 Zijn meester zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar, met je eigen woorden zal ik je veroordelen! Je wist dat ik een streng man ben en terugvorder wat ik niet heb gestort en oogst wat ik niet heb gezaaid? 23 Waarom heb je mijn geld dan niet bij de bank in bewaring gegeven? Dan had ik het bij mijn terugkeer met rente kunnen opeisen.” 24 En tegen degenen die erbij stonden zei hij: “Neem hem zijn mine af en geef die aan de knecht die er tien verworven heeft.” 25 Ze zeiden tegen hem: “Heer, hij heeft er al tien!” 26 “Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs het laatste worden ontnomen. 27 En die vijanden van mij die niet wilden dat ik koning over hen werd, breng hen hier en dood ze voor mijn ogen.”’  28 Na deze woorden trok Jezus verder, op weg naar Jeruzalem. (NBV21)

Het grootste geschenk dat we gekregen hebben is de Liefde. Nu is het zo dat die softe Liefde gemakkelijk verwaarloosd kan worden. Wat moet je er mee zeggen veel mensen. Met Liefde wordt de wereld niet beter, mensen zijn immers boosaardig en denken alleen om zichzelf. In de verhalen van Jezus van Nazareth wordt geprobeerd ons en iedereen te overtuigen van het tegendeel. Daarom kan ook gezegd worden dat wie heeft nog meer zal krijgen. Want wie Liefde voor de naaste heeft, zal nog meer Liefde krijgen, liefde in ruil voor de liefde gegeven, maar je leert ook nog nog meer mensen lief te hebben. Want mensen zijn niet altijd boosaardig en denken niet altijd alleen om zichzelf. Als we leren luisteren naar mensen en als we proberen te verstaan wat ze echt nodig hebben dan is onze liefde zeer op z’n plaats. We moeten dan wel bereid zijn om echt te delen en mensen echt een plek te geven in onze samenleving.

Het ergste wat je mensen aan kan doen is ze een aalmoes te geven. De gift die uitdrukt dat de gever rijk is en de ontvanger arm. Dat is niet delen maar dat is tot uitdrukking brengen dat je ongelijk bent. Daarom wordt in dit verhaal ook verteld dat de dienaren werken met het geld dat hun werd toevertrouwd. Natuurlijk kan de een meer verdienen dan de ander. Mensen zijn gelijkwaardig, zijn broeders en zusters, maar zijn niet gelijk. Er zijn mensen die handig zijn en er zijn mensen die slim zijn en er zijn mensen die slim en handig zijn. Er zijn mensen die lang hetzelfde kunnen volhouden en er zijn mensen die veel dingen tegelijk of kort na elkaar kunnen doen. Al die mensen zijn nodig in onze samenleving. Al die mensen kunnen elkaar aanvullen en elkaar rijker maken. Daarom is het ook onrechtvaardig als mensen hun eigen eigenschappen tot de meest belangrijke verklaren en daarvoor het grootste deel van de winst in hun zak steken.

Maar wie de Liefde ter zijde schuift en daar niets mee wil doen die wordt vanzelf boosaardig en kan niets anders meer dan alleen aan zichzelf denken. Die deelt niet, die profiteert alleen. Wees niet bang door zo iemand uitgebuit en voor de gek gehouden te worden. Als je werkelijk let op de armsten, op de minsten onder ons, dan zul je zien dat die liefdeloze mensen nooit iets voor iemand anders over hebben, nooit willen delen, geen stap voor een ander willen zetten, maar ook nooit de ander zien of horen. Doof zijn ze en blind voor wat er om hen heen met hun broeders en zusters gebeurd. Daarom kan hen zelfs het beetje liefde dat ze zouden kunnen krijgen van jou en mij worden ontnomen. Het kan ze immers gestolen worden zeggen ze zelf. Wie een schat wil hebben in het leven, wie werkelijk blijvend rijk wil worden, die werkt dag in dag uit met het grootste geschenk dat we ooit kregen, met de liefde.

 

Aan de armen geven

Lucas 19:1-10

1 Jezus ging Jericho in en trok door de stad. 2 Er was daar een man die Zacheüs heette. Deze Zacheüs was hoofdtollenaar, en hij was erg rijk. 3 Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk. 4 Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer Hij voorbijkwam. 5 Toen Jezus daarlangs kwam, keek Hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis verblijven.’ 6 Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. 7 Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’ 8 Maar Zacheüs was gaan staan en zei tegen de Heer: ‘Luister, Heer, de helft van mijn bezittingen zal ik aan de armen geven, en als ik iemand iets heb afgeperst, zal ik het viervoudig vergoeden.’ 9 Jezus antwoordde: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham. 10 De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ (NBV21)

Kan een rijke die ook nog met de vijand samenwerkt een rechtvaardige zijn en bij het Koninkrijk horen waar Jezus van Nazareth toe oproept? Het kan, leren we in dit verhaal over de zuivere hoofdman van de Tollenaars. Want de naam Zacheüs betekent “zuivere”. In onze armzalige vertalingen valt soms veel weg, soms ook te veel. We kunnen niet beter en verhalen als deze over Zacheüs zijn al zo lang verteld dat ook vertalers niet ontkomen aan de traditie waarin ze zijn opgegroeid. We hebben immers altijd gehoord over dat kleine mannetje dat ze er niet door wilden laten en dat niks zag als hij achteraan stond omdat hij te klein was. In zo’n mannetje kunnen we ons nog wel verplaatsen. We hebben bij de intocht van Sint Nicolaas, het bloemencorso of een andere optocht ook wel eens achteraan gestaan en niks kunnen zien. Opgeschoten jongens klimmen dan wel eens in een lantaarnpaal. Zo klom Zacheüs in een vijgenboom.

Waarom nu juist een vijgenboom? Daar hebben we al een spreekwoord dat in de vertaling verloren gaat. De Naardense Bijbel heeft gewoon vertaald wat er stond “iemands vijgen schudden” maar dat spreekwoord kennen we niet en dan zou het mogelijk zijn dat we de betekenis over het hoofd zien. Bij de Nieuwe Bijbelvertaling zien we de betekenis namelijk iemand afpersen. Als je in een vijgenboom van iemand anders klimt dan kun je natuurlijk per ongeluk wel een aantal vruchten uit de boom schudden en zo schade aan de oogst toebrengen. In de leer van Mozes staat de straf daarvoor: je hoort viervoudig de schade vergoeden. Dat belooft Zacheüs dus, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling aangeeft. Maar er zijn ook geleerden die zeggen dat je eigenlijk zou moeten vertalen met “zoals ik gewoon ben te doen”. Het is dus een rijke, die ook nog als belastinginner voor de vijand werkt, die zich aan de richtlijnen uit de Woestijn houdt. Hij deelt met de armen en als hij per ongeluk iemand nadeel bezorgt dan vergoed hij dat viervoudig zoals de leer van Mozes hem dat voorschrijft in het boek Leviticus.

Geen wonder dus dat Jezus van Nazareth bij hem wil eten. Dat geeft de arme Zacheüs die achteraan moet staan weer een nieuwe plaats in de samenleving, als voorbeeld namelijk. Zo hoort het, delen met de armen en de schade vergoeden die je veroorzaakt. Deze Zacheüs hoort dus niet bij de Romeinen maar bij het volk van Israël. Daarmee is de belastingbaas van Jericho ineens het lichtend voorbeeld voor het volk geworden dat ooit Jericho veroverde. Jezus hoefde dus inderdaad niet om Jericho heen te trekken om het te veroveren, hij trok Jericho in om onderdak te vinden voor de nacht en veroverde Jericho in het hart van de stad. Het roept natuurlijk wel de vraag op hoe wij dat doen, we houden ons wellicht verre van onchristelijke goddelozen, maar delen we ook met de armen van ons bezit en vergoeden we de schade die we veroorzaken? Doen we wat tegen de afbraak van het regenwoud? Tegen de woestijnvorming door de aanleg van tijdelijke plantages? Doen we wat tegen al die milieuschade waar wij geen last van hebben maar die de armen steeds armer maken op deze wereld? En voor de toeslagenaffaire kan een voorbeeld aan Zacheüs worden genomen.

Om recht te spreken

Psalm 76

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van Asaf, een lied. 2 Vermaard is God in Juda, groot is zijn naam in Israël. 3 In Salem sloeg Hij zijn tent op, in Sion lag Hij in hinderlaag. 4 Daar brak Hij bogen en pijlen, schilden en zwaarden, oorlogstuig. sela 5 Hoe stralend bent U, hoe machtig, vanuit het gebergte loerend op prooi. 6 Dapperen werden beroofd, in slaap verzonken, geen held die zijn kracht nog hervond. 7 Al door uw dreigen, God van Jakob, bezweken ruiters en paarden. 8 Vreeswekkend bent U; wie kan uw toorn trotseren? 9 Vanuit de hemel klonk uw oordeel, de aarde vreesde en hield de adem in: 10 U, God, rees op om recht te spreken, te redden alle vernederden op aarde. sela 11 Wie in woede tegen U opstond, zal U loven, wie ontkwam aan uw woede, omgordt zich met gejuich. 12 Doe geloften aan de HEER, uw God, en los ze in. Laat allen rondom Hem gaven brengen aan Hem die ontzagwekkend is, 13 die machtigen de moed beneemt, koningen der aarde met vrees vervult. (NBV21)

Vandaag zingen we een Psalm met de kerk mee die in de Joodse traditie een lied is geworden dat bij het Loofhuttenfeest hoort. Dit oogstfeest in het najaar herinnert de gelovigen er aan dat, voordat er huizen waren, het volk jarenlang door de woestijn heeft moeten trekken voordat het beloofde land kon worden binnengetreden. Er hoort dan ook niemand beter te zijn dan een ander. Maar als je vanuit je loofhut de stad bekijkt is het niet minder dan een wonder dat een klein volkje van zwervers door de woestijn dit allemaal bereikt heeft. Een schitterende stad met een prachtige Tempel waar een heerlijke godsdienst wordt beleden. Het kan niet anders dan de God van Israël heeft dit voor elkaar gemaakt en je zult er de God van Israël dankbaar voor moeten zijn. Dat het ook allemaal kan blijven bestaan en niet ingepikt wordt door al die zogenaamd zo machtige en belangrijke wereldrijken moet ook wel te danken zijn aan de God van Israël.

Toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald vroeg men zich af wanneer dit lied zou kunnen zijn ontstaan. Uiteindelijk is Jeruzalem, hier aangeduid als Salem en Sion, verschillende keren ingenomen en verwoest. Waarna het weer kon worden opgebouwd als het volk de afgodendienst had afgezworen en zich weer had geschaard onder de dienst aan de God van Israël. Men herinnerde zich toen het verhaal over de belegering van Jeruzalem door de Assyriërs, toen Hizkia koning van Israël was. Hizkia had alle altaren en tempels van de afgoden als Baäl en Astarte laten vernietigen in Juda. Toen de Assyriërs het beleg voor Jeruzalem hadden opgeslagen en riepen dat er geen God was geweest die hen hadden kunnen tegenhouden had Hizkia bevolen de poorten gesloten te houden en te vertrouwen op de God van Israël. In het grote en sterke leger van Assyrië was toen een epidemie uitgebroken en dat leger was op de vlucht geslagen achterna gezeten door het leger van koning Hizkia. Die verwijzing van de Griekse vertaling naar deze gebeurtenis is er dus achteraf bij gezet.

Het loflied op de prachtige stad is dus eigenlijk een tijdloos loflied. Van de Joden leren we dat het het beste gezongen kan worden vanuit het besef dat we ook allemaal in een tent als zwervers zouden kunnen wonen. Dan beseffen we pas dat ook onze steden en onze huizen een geschenk zijn van de God van Israël. Want die huizen en die steden blijven alleen leefbaar als daar liefde heerst. Als buren bereid zijn voor elkaar te zorgen en elkaar te beschermen tegen onrecht en kwaad. Als overheden toezicht houden op onderhoud en veiligheid omdat de zorg voor hun burgers bij hen voorop staat. En zoals Paulus ons heeft geleerd, daar waar liefde voor mensen is, is God zelf aan het werk. God zelf maakt ook uit wie hij voor zijn werk wil gebruiken. Wij mogen alleen dankbaar zijn en onze dankbaarheid tonen door oog te blijven hebben voor de minsten onder ons en ons in te zetten voor de minsten zodat Gods liefde ook door ons zichtbaar wordt voor de wereld. Dat zal ook de profiteurs en de oplichters afschrikken misbruik te maken van onze behoefte in steden te wonen en ons dagelijks naar ons werk te verplaatsen. Gelukkig mogen wij ons elke dag opnieuw bij die beweging van Gods liefde aansluiten ook vandaag weer.

 

Hoed Gods gemeente

Handelingen 20:25-38

25 Ik weet dat niemand van u, aan wie ik op mijn reizen het koninkrijk heb verkondigd, mij terug zal zien. 26 Daarom verklaar ik hier op deze dag dat ik voor niemands ondergang verantwoordelijk ben; 27 ik heb er immers alles aan gedaan om u Gods bedoeling bekend te maken. 28 Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als leiders heeft aangesteld; hoed Gods gemeente, die Hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon. 29 Ik weet dat er na mijn vertrek woeste wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet zullen ontzien. 30 Uit uw eigen kring zullen mensen voortkomen die de waarheid verdraaien om de leerlingen voor zich te winnen. 31 Wees daarom waakzaam en vergeet niet hoe ik ieder van u drie jaar lang dag en nacht onder tranen steeds weer raad heb gegeven. 32 Nu vertrouw ik u toe aan God en aan het woord van zijn genade, dat onze gemeenschap kan opbouwen en dat ons deel zal geven aan zijn koninkrijk samen met allen die Hem toebehoren. 33 Geld of kleding heb ik van niemand verlangd; 34 u weet wel dat ik eigenhandig heb voorzien in mijn levensonderhoud en dat van mijn metgezellen. 35 In alles heb ik u getoond dat u de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus, die immers gezegd heeft: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.”’ 36 Toen hij uitgesproken was, knielde hij samen met de aanwezigen neer om te bidden. 37 Niemand kon zijn tranen bedwingen. Allen vielen ze Paulus om de hals en kusten hem. 38 Ze waren vooral zo ontdaan omdat hij gezegd had dat ze hem niet terug zouden zien. Toen deden ze hem uitgeleide naar het schip. (NBV21)

Vandaag lezen we het tweede gedeelte van de preek die Paulus hield voor de oudsten van de gemeente in Efeze van wie hij afscheid nam op weg naar Jeruzalem. Net als Jezus van Nazareth deed voor hij gekruisigd werd maakt ook Paulus zijn leerlingen vertrouwd met het idee dat hij een hoop ellende zal tegenkomen en niet zal kunnen terugkeren naar Efeze. De opzieners zullen dus zelf moeten zorgen voor de gemeente die hen is toevertrouwd en waaruit ze zelf zijn voortgekomen. Paulus zelf heeft drie jaar in Efeze gewerkt. We hebben we eens het beeld dat Paulus een rondreizend prediker was die rusteloos van de ene plaats naar de andere plaats reisde. Er zijn tegenwoordig zelfs reisbureaus die de reizen van Paulus samenvatten in vakanties waar in een paar weken de reis wordt gedaan waar Paulus jaren over deed. Geen van de reisbureaus biedt overigens een driejarig verblijf in Efeze aan.

Paulus spreekt de oudsten van de gemeente in Efeze aan als “bisschoppen” Het idee dat een Bisschop een soort religieuze machthebber is over een hele streek is pas van veel later in de geschiedenis van de kerk. Dat Bisschoppen ook nog verantwoording schuldig zijn aan een soort superbisschop is van nog veel later datum. In Efeze zijn het oudsten die door de gemeente aangewezen zijn, volgens Paulus door de Heilige Geest geroepen. De ouderlingen in onze huidige Protestantse Kerken zijn daar een navolging van. Als er dus binnen de Protestantse Kerk in Nederland gepleit wordt voor aanstelling van Bisschoppen is het antwoord dat we die volgens Paulus al lang hebben, in de ouderlingen die de gemeenten besturen. Paulus draagt het bestuur van de gemeente en de prediking van Jezus van Nazareth hier uitdrukkelijk over aan de oudsten van Efeze. Zij zullen de gemeente moeten voorgaan en onderwijzen in de zorg voor de minsten, voor de armen. Niet door te gaan leven op kosten van de gemeente maar door net als Paulus door zelf hard te werken en te zorgen dat ze zelf het goede voorbeeld kunnen geven.

De terugkeer die na de reformatie plaatsvond naar het kerkmodel dat hier in Handelingen geschetst wordt heeft ook tot gevolg gehad dat mensen sober gingen leven en door te sparen steeds rijker werden. Die reformatie, vooral onder invloed van Johannes Calvijn, is daarmee de grondslag geworden van onze kapitalistische samenleving. Paulus waarschuwt er voor, zelfs aan de mensen die hij drie jaar als leerlingen had gehad moet hij voorhouden dat geven gelukkiger maakt dan ontvangen. Wat ons toevalt in materiële rijkdom is bedoeld om te delen met de armen. De Kerk is daarbij niet gebonden aan één plaats. Paulus zelf heeft bijvoorbeeld wel collecten gehouden in rijkere gemeenten voor de gemeenten in Jeruzalem die zo werden vervolgd dat ze tot de armsten gingen behoren. Maar als het om geld en rijkdom gaat dan sluipen er snel dwaalleringen in de gemeente. Paulus waarschuwt daartegen. Je kunt niet met alle armen delen, je moet mensen toch betalen wat anderen ook krijgen anders lopen ze weg. In Bijbelse zin zijn dat onzin verhalen. Wie alleen hart heeft voor het eigen bezit kan nooit een dienende functie naar de samenleving vervullen. Het gaat immers niet om aalmoezen maar om het recht van de armen. Ook in onze dagen spelen die vragen van eerlijk delen, ook in onze dagen moeten we mensen er van overtuigen dat geven gelukkiger maakt. Dat mogen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag.

 

In alle nederigheid

Handelingen 20:13-24

13 Wij scheepten ons in en voeren alvast naar Assus, waar we Paulus overeenkomstig zijn wens aan boord zouden nemen, want hij wilde het eerste stuk te voet afleggen. 14 Toen hij zich in Assus weer bij ons had gevoegd aan boord van het schip, voeren we verder naar Mitylene, 15 van waar we de volgende dag vertrokken om bij Chios voor anker te gaan. De dag daarna staken we over naar Samos en weer een dag later kwamen we aan in Milete. 16 Paulus had namelijk besloten Efeze voorbij te varen om te voorkomen dat hij in Asia zou worden opgehouden. Hij wilde als het maar enigszins mogelijk was op het Pinksterfeest in Jeruzalem zijn. 17 Vanuit Milete stuurde hij iemand naar Efeze met het verzoek aan de oudsten van de gemeente om bij hem te komen. 18 Toen ze waren gearriveerd, sprak hij hen als volgt toe: ‘U weet hoe ik te midden van u geleefd heb, vanaf de eerste dag dat ik in Asia was: 19 ik heb de Heer in alle nederigheid gediend en heb al het verdriet en de beproevingen als gevolg van de samenzweringen van de Joden doorstaan. 20 U weet ook dat ik alles bekend heb gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en dat ik u daarover in het openbaar en thuis heb onderricht. 21 Zowel Joden als Grieken heb ik opgeroepen zich te bekeren tot God en te geloven in Jezus Christus, onze Heer. 22 Nu ben ik op weg naar Jeruzalem, gedreven door de Geest, zonder te weten wat me daar te wachten staat, 23 behalve dan dat de heilige Geest me in iedere stad verzekert dat gevangenschap en vervolging mijn deel zullen zijn. 24 Ik hecht echter geen enkele waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade. (NBV21)

Paulus vertrekt naar Jeruzalem. Drie jaar lang heeft hij in Efeze en omgeving gewerkt aan de stichting van gemeenten van de Weg, wat wij nu Christelijke gemeenten noemen. Om afscheid te nemen laat hij de oudsten van de gemeente van Efeze naar Milete komen, een plaatsje zo’n 50 kilometer van Efeze vandaan. Duidelijk wordt hier dat Paulus de mensen heeft verkondigd dat er maar één Heer is, één Kurios of keizer, en dat is Jezus van Nazareth als de zoon van de God van Israël. Daar was Paulus, en dus daar waren de oudsten, slaaf van en van niemand anders. Die gemeente in Efeze was zelf ook geen gemakkelijke gemeente. Paulus had er de nodige spanningen meegemaakt, naast de spanningen in de stad met mensen als die zilversmid Demetrius.

Paulus heeft zijn plicht gedaan. Hij heeft in vergaderingen en bij mensen thuis het Evangelie verkondigd en alles verteld wat hij weet over het geloof in Jezus van Nazareth. De reis terug naar Jeruzalem zal niet eenvoudig zijn, ook dat beseft Paulus maar al te goed. Maar terug naar de Wet, het heb Uw naaste lief als Uzelf zoals die in de Tempel wordt bewaard en terug naar de bakermat van het geloof in Jezus van Nazareth voelt Paulus als een absolute noodzaak. Opvallend is dat er drie maal op het komende lijden van Paulus wordt gezinspeeld alsof er een parallel getrokken wordt met de reis die Jezus van Nazareth maakte naar Jeruzalem. Paulus zou daar immers gevangen genomen worden en na een beroep op zijn Romeins burgerschap naar Rome gestuurd worden.

Uit de Evangeliën weten we lang niet alles wat Jezus van Nazareth gezegd en gedaan heeft. Wie de evangeliën leest komt daar zelf ook achter. Paulus heeft het niet vaak over het leven van Jezus van Nazareth. Voor hem lijkt dat leven soms pas te beginnen met de bekering van Paulus zelf op de Weg naar Damascus. Hij en zijn metgezellen hadden niet geteerd op de zakken van de Efeziërs, ze hadden hun eigen inkomen verdiend. Het zal duidelijk zijn dat Paulus daarmee ook nieuwe leiders van de gemeente laat beoordelen. Zorgen ze voor de zwakken of voor zichzelf. Een criterium dat ook vandaag nog zeer toepasbaar is in kerken en gemeenschappen. Werken voor de zwakken in de samenleving kunnen we allemaal, dat mogen we dus ook allemaal en elke dag opnieuw. Het is ook voor ons de maat of we bij die beweging van de Weg horen, ook vandaag weer.

Het feest van het Ongedesemde brood

Handelingen 20:1-12

1 Toen het tumult bedaard was, riep Paulus de leerlingen bij zich om hun moed in te spreken. Daarna nam hij afscheid en vertrok naar Macedonië. 2 Op zijn reis door dat gebied bemoedigde hij de gelovigen op velerlei wijze. Ten slotte kwam hij in Griekenland aan, 3 waar hij drie maanden bleef. Kort voordat hij per schip naar Syrië wilde afreizen, bleek dat de Joden een aanslag op hem beraamden, zodat hij besloot terug te keren via Macedonië. 4 Hij werd vergezeld door Sopatrus, de zoon van Pyrrhus, uit Berea, door Aristarchus en Secundus uit Tessalonica, Gajus uit Derbe en Timoteüs, Tychikus en Trofimus uit Asia. 5 Zij reisden naar Troas en bleven daar op ons wachten. 6 Wijzelf voeren na het feest van het Ongedesemde brood weg uit Filippi en kwamen vijf dagen later eveneens in Troas aan, waar we zeven dagen doorbrachten. 7 Op de eerste dag van de week kwamen we bijeen voor het breken van het brood. Paulus, die van plan was om de volgende dag verder te reizen, hield een toespraak voor de leerlingen die tot midden in de nacht duurde. 8 We waren bijeengekomen in een bovenvertrek, waar veel olielampen brandden. 9 Een jongeman die Eutychus heette, zat in het venster en werd, toen Paulus zo lang sprak, door slaap overmand. Diep in slaap verzonken viel hij van de derde verdieping naar beneden; toen men hem optilde bleek hij dood te zijn. 10 Paulus ging naar beneden, ging op hem liggen, sloeg zijn armen om hem heen en zei: ‘Houd op met dat misbaar, want hij leeft!’ 11 Hij ging weer naar boven, brak het brood en at. Daarna sprak hij nog lange tijd, tot het aanbreken van de ochtend. Toen vertrok hij. 12 De leerlingen namen de jongeman, die weer tot leven was gekomen, met zich mee en voelden zich buitengewoon gesterkt. (NBV21)

We weten niet zo heel veel van de allereerste gemeenten van de Weg. Hier en daar zijn er in het boek van de Handelingen en in sommige brieven van Paulus aanwijzingen te vinden die ons op het spoor brengen van wat er werd gedaan. Vandaag hebben we een stuk uit de Handelingen op het leesrooster staan waaruit we een klein beetje een indruk kunnen krijgen van de gewoonten in die eerste gemeenten. Dat Paulus met een groot gezelschap rondreisde dat wisten we al. Na de opstand in Efeze splitste dat gezelschap zich. Paulus ging met een aantal verwanten vooruit en Lucas, met een aantal anderen, kwam er achteraan. Eerst gingen ze naar Filippi waar ze het Joodse Pesach vierden. Kennelijk was dat feest van het ongezuurde brood, het Pesachfeest, in het begin nog niet niet ons Paasfeest. Lucas had er vast wel wat van verteld als ze op dat Paasfeest ook de opstanding van Jezus van Nazareth gevierd zouden hebben. Maar hij noemt het het feest van de Ongezuurde Broden en dat is het feest over de uittocht uit Egypte, de bevrijding uit de slavernij. Het grootste van de Joodse feesten.

Waarschijnlijk is dat feest pas veel later in de geschiedenis samen gaan vallen met het feest van de opstanding van Jezus van Nazareth. In de loop van de tijd werden de gemeenten van de Weg ook meer gekleurd door de Heidenen dan door de Joden. En de heidenen hadden niet zoveel met de bevrijding van een slavenvolk uit Egypte. Een beetje al te veel nadruk op bevrijding van slaven maakte het voor Romeinen en Grieken ook niet ongevaarlijk. Maar belangrijk is de opmerking dat ze op de eerste dag van de week bijeen kwamen voor het breken van het brood. Daarin horen we Jezus van Nazareth die het brood brak terwijl hij zei: dit is mijn lichaam dat voor U gebroken wordt, doet dit tot mijn gedachtenis. Dat deden ze dus op de eerste dag van de week. Dat is onze zondag. Paulus houdt op die zondag een preek. Die zondag was nog geen vrije dag. De Joden hielden de zaterdag, de zevende dag van de week in ere en werkten dan niet, maar voor de mensen van Weg was de achtste dag een belangrijke dag geworden.

Die eerste dag van de week was er iets nieuws begonnen, een nieuwe manier van samen leven. In de avond kwam men bij elkaar. Die preek die tot middernacht voortduurde, toch al wel tien keer zo lang als wij gewend zijn, moet dan ook in de loop van de avond begonnen zijn. Nadat iedereen een dag hard gewerkt had. Bij het licht van een heleboel olielampen zat men bij elkaar. Reken maar op een grote opkomst, groot voor de bovenzaal waar men samenkwam. Dat er iemand indommelde en uit het raam viel was niet zo vreemd. We hebben het over een stad aan de Middellandse Zee waar het heerlijk warm was, waar olielampen een zacht licht verspreidde en waar een klein onooglijk mannetje een lang verhaal hield. Maar het woord van Paulus brengt leven wil dit verhaal maar zeggen. De jongen die uit het raam viel at brood om het te bewijzen. Dat samenkomen op de eerste dag van de week is voor ons dus ook niet onbelangrijk. Samenkomen om samen een gemeenschap te vormen en samen het brood te breken zodat rijken en armen allemaal evenveel hebben. Zoals Jezus van Nazareth deed die iedereen er bij betrok, hoeren en tollenaars, leerlingen en vreemdelingen. Zo mogen wij elke week weer op de eerste dag bijeen komen. Er is vast een kerk bij u in de buurt. Als het een PKN kerk is zult u zich er vast thuis voelen en in de gemeenschap worden opgenomen. Kom eens een keer kijken.

In rep en roer.

Handelingen 19:23-40

23 Omstreeks die tijd ontstond er grote opschudding naar aanleiding van de Weg. 24 Dat kwam door een zekere Demetrius, een zilversmid die Artemistempeltjes vervaardigde en zo zijn ambachtslieden een ruim inkomen verschafte. 25 Hij riep hen en de arbeiders die bij de werkzaamheden betrokken waren bijeen en zei tegen hen: ‘Mannen, jullie weten dat onze welvaart afhankelijk is van dit werk. 26 Maar jullie hebben uiteraard ook gemerkt dat Paulus niet alleen in Efeze, maar in bijna heel Asia een grote groep mensen heeft weten te overtuigen van zijn opvatting dat goden die door mensenhanden worden gemaakt geen goden zijn. 27 Daardoor dreigt niet alleen ons beroep in diskrediet te raken, maar bestaat ook het gevaar dat de tempel van de grote godin Artemis in aanzien zal dalen en dat zijzelf, die in heel Asia en overal ter wereld wordt vereerd, van haar luister zal worden beroofd.’ 28 Bij het horen van deze woorden ontstaken zijn toehoorders in hevige woede en barstten los in geschreeuw: ‘Groot is de Artemis van Efeze!’ 29 De hele stad raakte in rep en roer. De menigte liep te hoop bij het theater en sleurde Gajus en Aristarchus mee, twee Macedonische reisgenoten van Paulus. 30 Paulus wilde zich onder de menigte begeven, maar de leerlingen weerhielden hem daarvan. 31 Bovendien stuurden enkele hoge functionarissen, die hem vriendschappelijk gezind waren, een boodschap naar hem met het dringende advies om niet naar het theater te gaan. 32 Daar schreeuwde de menigte inmiddels van alles door elkaar, want er heerste grote verwarring en de meeste mensen wisten niet eens waarom ze bijeengekomen waren. 33 De Joden duwden Alexander naar voren, die van sommigen uit de menigte tekst en uitleg kreeg; met een handgebaar gaf hij te kennen dat hij een verdedigingsrede wilde houden voor het volk. 34 Maar toen men merkte dat hij een Jood was, hief de menigte de kreet aan: ‘Groot is de Artemis van Efeze!’ Dit geschreeuw hield wel twee uur aan. 35 Uiteindelijk bracht de stadssecretaris de menigte tot bedaren. Hij zei: ‘Efeziërs, er is toch geen mens die niet weet dat onze stad de zorg draagt voor de tempel van de grote Artemis en voor het beeld dat uit de hemel gekomen is? 36 Niemand kan dat feit ontkennen; daarom moet u kalm blijven en niet onbezonnen te werk gaan. 37 De mannen die u hierheen hebt gebracht, zijn immers geen tempelschenners en belasteren evenmin onze godin. 38 Mochten Demetrius en zijn ambachtslieden met iemand een geschil hebben, dan bestaan daar rechtszittingen en proconsuls voor; laten ze dan maar een aanklacht indienen. 39 Als er daarbuiten nog iets anders is dat u wenst, zal dat op een officiële volksvergadering behandeld worden. 40 We lopen toch al het gevaar dat we ter verantwoording worden geroepen voor het oproer van vandaag, daar we deze onlusten op geen enkele manier kunnen goedpraten.’ Na deze woorden maakte hij een einde aan de bijeenkomst. (NBV21)

Het is altijd weer een mooi verhaal. Het lijkt over Paulus te gaan die belaagd wordt door boze zilversmeden en afgodendienaars, maar het gaat over ons. Want zeg nu zelf, hoe vaak lopen we zelf achter populisten aan die ons opzwepen om hun eigen economische belang te dienen. Want dat is het geval. Onder het mom dat de godsdienst wordt beledigd worden mensen opgezweeept tegen de beweging van de Weg. Want de verkoop van de zilveren beeldjes van de Tempel van Diana van Efeze loopt terug. En daarom dreigen Demetrius, de zilversmeden en hun knechten werk en inkomen te verliezen. En ja, Joden en Christenen hebben nu eenmaal niks met goden gemaakt van zilver of goud, die hebben meer met mensen van vlees en bloed. Wij worden overigens ook zo vaak opgezweept. Dat de sociale voorzieningen niet meer te betalen zouden zijn. Dat het zo’n groot gedeelte van ons nationale inkomen zou opmaken dat er nodig wat aan gedaan moet worden.

Maar wie echt de cijfers over sociale voorzieningen op een rij zet ziet ineens dat het grootste deel van subsidies van de overheid gaat naar de mensen met de hoogste inkomens. Die mensen wonen namelijk in de duurste woningen met de hoogste hypotheken waarvoor ze het hoogste bedrag aan rente betalen en die rente kunnen ze aftrekken van het bedrag aan belasting dat ze betalen. Daarmee halen ze veel meer voordeel dan welke ontvanger van een sociale voorziening dan ook. Zo worden wij door mensen met hoge inkomens opgezweept tegen armen die wordt afgenomen het weinige dat ze nog krijgen ook. En denk er om dat er bijvoorbeeld bij de sociale werkplaatsen hard gewerkt wordt. Daar zijn geen vakanties in de Middellandse Zee, geen diners bij drie sterren restaurants. Daar puzzelen mensen met hun geld om rond te komen en zijn de maanden vaak een week te kort.

Het hele verhaal van Demetrius en het volle stadion wijst er ook op dat de invloed van dat groepje van de Weg behoorlijk groot is. Die groep, die hun naaste lief heeft als zichzelf, die open staat voor rijken en armen, slaven en vrijen, Grieken en Joden, ouden en jongen, straalt kennelijk iets uit dat de makers van zilveren tempeltjes nooit zullen bereiken. Die mensen hoeven geen campagne te beginnen tegen de afgoderij maar alleen de zorg die ze hebben voor de mensen die zorg nodig hebben maakt hun invloed groot. Wij duiden zo’n groep wel eens aan met het griekse woord ecclesia, een mooi woord dat nu aanduidt dat mensen op die beweging van de Weg in Efeze willen lijken, maar in het verhaal wordt datzelfde woord gebruikt voor die opgewonden vergadering in het stadion.Alsof we samen er voor moeten zorgen dat er nu zo’n opgewonden beweging ontstaat tegen de kortingen op de sociale voorzieningen, t tegen de korting op het aangepast onderwijs voor gehandicapte kinderen, tegen een asielbeleid zonder menselijke maat. Mensen van de Weg van Jezus van Nazareth kunnen niet anders dan zich tegen die afbraak verzetten. Zo lang de rijken de meeste subsidies krijgen zullen we stem moeten geven aan de armen. Elke dag weer, ook vandaag weer, totdat die stem wordt gehoord en de medemenselijkheid weer voorop staat.

 

De zeven zonen van Skevas

Handelingen 19:8-22

8 De volgende drie maanden ging hij regelmatig naar de synagoge, waar hij vrijmoedig met de bezoekers sprak over het koninkrijk van God en hen met zijn uiteenzettingen trachtte te overtuigen. 9 Maar toen sommigen zijn boodschap halsstarrig bleven afwijzen en de Weg bij iedereen belachelijk maakten, vertrok hij en nam de leerlingen met zich mee. Voortaan sprak hij dagelijks in de school van Tyrannus, 10 iets dat hij twee jaar bleef doen, zodat alle inwoners van Asia kennismaakten met de boodschap van de Heer, Joden zowel als Grieken. 11 Door Gods toedoen verrichtte Paulus buitengewoon grote wonderen: 12 zelfs de doeken en de werkkleren die hij gedragen had werden naar de zieken gebracht, zodat ze genazen en de kwade geesten hen verlieten. 13 Ook enkele rondtrekkende Joodse geestenbezweerders probeerden kwade geesten uit te drijven door het uitspreken van de naam van de Heer Jezus. Ze zeiden: ‘Ik bezweer je bij Jezus, die door Paulus wordt verkondigd!’ 14 Het waren de zeven zonen van Skevas, een Joodse hogepriester, die dit deden. 15 Maar de kwade geest gaf hun ten antwoord: ‘Jezus ken ik, en Paulus ook, maar wie zijn jullie?’16 De man die door de kwade geest bezeten was, sprong op hen af en ging hen met zo veel geweld te lijf dat ze naakt en gewond uit het huis wegvluchtten. 17 Alle Joodse en Griekse inwoners van Efeze hoorden van dit voorval, dat hen met diep ontzag vervulde; allen prezen en eerden de naam van de Heer Jezus. 18 Veel nieuwe gelovigen kwamen in het openbaar hun praktijken opbiechten. 19 Onder hen waren ook velen die magie hadden bedreven, maar die nu hun boekrollen verzamelden en publiekelijk verbrandden. Toen de waarde ervan werd berekend, kwam men uit op een bedrag van vijftigduizend zilverstukken. 20 Zo zegevierde het woord van de Heer en vond het steeds meer gehoor. 21 Na deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op om eerst nog naar Macedonië en Achaje te reizen en vervolgens naar Jeruzalem te gaan. Hij verklaarde: ‘Als ik daar ben geweest, moet ik ook een bezoek aan Rome brengen.’ 22 Hij zond twee van zijn medewerkers, Timoteüs en Erastus, naar Macedonië en bleef zelf nog enige tijd in Asia. (NBV21)

Het is geen tovenarij. Het was geen tovenarij toen Jezus van Nazareth boze geesten uitdreef en het was geen tovenarij toen Paulus en de Apostelen boze geesten uitdreven. Wat wij nu ziekten en handicaps noemen waren in de tijd van de eerste Christengemeenten boze geesten. Mensen hadden geen andere mogelijkheid tot overleven dan te bedelen en een beroep te doen op het medelijden van aardige medemensen. Christenen weigerden daar op in te gaan. Volgens Christenen konden ook zieken en gehandicapten normaal met de samenleving meedoen. Blinden konden zien, doven konden horen en lammen kunnen lopen. Je moet niet kijken naar wat mensen niet kunnen maar naar wat ze wel kunnen. Daarom kunnen zogenaamde gebedsgenezers, hier de zonen van een hogepriester, en magiërs, die mensen met die dure boeken, de boze geesten ook niet uitdrijven.

En in onze dagen? De zorg voor de zwaksten, de zieken, de gehandicapten, de bejaarden staat onder druk. We moeten nog afwachten wat de nieuwe regering gaat doen maar het ziet er niet goed uit. Iedereen moet maar voor zichzelf zorgen is het devies van liberalen en Christen Democraten. Het wordt te duur om elkaar te helpen. Je rijkdom beperken om armen te helpen klinkt bij de rijken in de samenleving als een vloek. Zij hebben immers ook geen hulp nodig, ze huren het zo nodig in, dat moeten armen dan ook maar doen. Binnen de Christelijke gemeente zorgen we voor elkaar, staan we voor elkaar in, zorgen we er samen voor dat blinden kunnen zien en doven kunnen horen. Zonder dat worden ze zielige bedelaars.

Maar ook in de dagen van Paulus was het niet eenvoudig. Samen met de nieuwe gedoopten, de vroegere volgelingen van Johannes de Doper die de Weg van Jezus van Nazareth hadden leren kennen was hij een bezoeker van de Synagoge geworden. Daar immers had je moeten verwachten dat men gevoelig was voor de Wet van Heb Uw Naaste Lief als Uzelf. Dat was toch de kern van de Wet van Mozes waar men de mond vol van had. Maar soms hebben zogenaamde gelovigen meer met fraai verwoorde gebeden, enthousiast gezongen liederen en op toon in oude spraak gereciteerde teksten uit de Heilige Schrift. Naastenliefde is dan leuk voor medegelovigen maar om nu ook de hele samenleving er bij te betrekken bederft het plezier dat men samen heeft.

Het vormen van een samenleving waar de een alles over heeft voor de ander is belachelijk. Gelijkstellen van mannen en vrouwen, gelovigen en heidenen, slaven en vrijen, gezonden en gehandicapten is volstrekt buiten de bedoeling van het geloof werd er toen gezegd en hoor je vandaag de dag soms zelfs van de kansel verkondigen. Toch is de Weg van Jezus van Nazareth het opbouwen van een dergelijke wereld, een wereld ons door de God van Israël gegeven, een wereld waar we bij moeten willen horen door te doen wat er in die wereld hoort te gebeuren, tranen drogen en gevangenen bevrijden, de naakten kleden, de vreemdelingen ontvangen, de hongerigen voeden en de dorstigen te drinken geven. Elke dag opnieuw en elke dag mogen we er weer aan meedoen, ook vandaag weer.