In de kronieken

1 Koningen 22:41-54

41 Josafat, de zoon van Asa, werd koning van Juda in het vierde regeringsjaar van koning Achab van Israël. 42 Hij was vijfendertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. 43 Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Asa en deed wat goed is in de ogen van de HEER. 44 Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden. 45 Met de koning van Israël stond hij op goede voet. 46 Verdere bijzonderheden over Josafat en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 47 Degenen die ook na de tijd van zijn vader Asa nog aan afgoden gewijd waren, heeft hij uit het land verjaagd. 48 In Edom was geen koning; het land werd bestuurd door een stadhouder. 49 Josafat bouwde een handelsvloot om goud te halen in Ofir, maar de reis ging niet door want de schepen vergingen al bij Esjon-Geber. 50 Achazja, de zoon van Achab, had Josafat voorgesteld: ‘Laat mijn knechten met uw knechten meevaren,’ maar dat had Josafat geweigerd. 51 Toen Josafat stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Joram volgde hem op. 52 Achazja, de zoon van Achab, werd koning van Israël in het zeventiende regeringsjaar van koning Josafat van Juda. Twee jaar regeerde hij vanuit Samaria over Israël. 53 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, en volgde zo het voorbeeld van zijn vader en zijn moeder en van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. 54 Hij tergde de HEER, de God van Israël, door voor Baäl neer te knielen en hem te vereren, precies zoals zijn vader gedaan had. (NBV21)

Is het nu allemaal waar wat er in de Bijbel staat? Het antwoord is misschien en nee. Twee antwoorden dus. Want de vraag of iets waar is gaat niet over geloof maar gaat over natuurwetenschappen. Daar zijn in de loop van de geschiedenis regels opgesteld waarmee je stellingen in de wetenschap, ook de geschiedeniswetenschap, kunt toetsen op waar en onwaar. De vraag of de verhalen over Achab en Josafat, Isebel, Elia en Micha nu waar gebeurd zijn zou je misschien kunnen beantwoorden als we die kronieken van de koningen van Juda zouden kennen. Er moet overigens ook nog een boek bestaan hebben dat de kronieken van de koningen van Israël heeft geheten. Maar die boeken kennen we niet. Die zijn in de loop van de geschiedenis verloren gegaan, of ze zijn nog nooit gevonden. Soms wijzen opgravingen uit dat in de Bijbel genoemde figuren echt hebben bestaan, soms blijken ze ook anders geheten te hebben. Van sommige verhalen weten we echt dat ze niet waar gebeurd zijn in de zin van de natuurwetenschappen.

In de Bijbel staan ook sprookjes, mythen en legenden. Soms ook liederen waarin net als in de liederen van vandaag bepaalde zaken worden overdreven. Maar waar of onwaar is niet belangrijk, daar gaat de Bijbel niet over. In het stuk dat we vandaag lezen worden twee koningshuizen naast elkaar gezet. Het koningshuis van Juda en het koningshuis van Israël. Toen de Bijbel na de ballingschap in Babel definitief werd opgeschreven viel het op dat het koningshuis van Juda er nog steeds was terwijl het koningshuis van Israël in de schemering van de geschiedenis was verdwenen. Daar moest toch een reden voor zijn. En aangezien men geloofde dat de verhouding die mensen met God hadden ook hun invloed in de geschiedenis bepaalde zocht men naar verhalen waar dat duidelijk werd. En dat werd in dit verhaal duidelijk. Achab was slecht en zijn zoon was ook slecht. Josafat was redelijk goed. Hij probeerde te regeren zoals God dat gevraagd had. Geen Tempelprostitutie bijvoorbeeld.

Maar een centrale Tempeldienst in Jeruzalem was er ook in de dagen van Josafat niet gekomen. Hij was wel met Koning Achab ten strijde getrokken maar hij had er kennelijk van geleerd want samenwerking met Achazja de zoon van Achab wees hij af. Hij wilde net als Salomo het goud uit Ofir laten halen maar dat ging niet door. De schepen vergingen op de laatste halteplaats in het verhaal van de uittocht, voor het volk de woestijn Zin introk. Zo wordt in het verhaal nog eens op de oorsprong en betekenis van het volk gewezen. Dat was het volk dat de Wet van Heb-Uw-naaste-lief-als-Uzelf tot hart van het bestaan zou hebben moeten maken. Als je dat doet oefen je invloed uit op de geschiedenis. En dat is dus ook aan ons, ook wij hebben de mogelijkheid die invloed uit te oefenen. Elke dag opnieuw en de Bijbel vertelt ons dat we nooit verder dan een dag hoeven te kijken.

Wend de teugel

1 Koningen 22:29-40

29 De koning van Israël trok samen met Josafat, de koning van Juda, ten strijde tegen Ramot in Gilead. 30 Hij zei tegen Josafat: ‘Ik wil niet als koning gekleed de strijd in gaan, maar houdt u uw koninklijke gewaad aan.’ De koning van Israël verkleedde zich dus voordat hij ten strijde trok. 31 De koning van Aram had de bevelhebbers van zijn strijdwagens, tweeëndertig man, het volgende opgedragen: ‘Vecht niet met een willekeurige soldaat, maar alleen met de koning van Israël.’ 32 Toen de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, riepen ze: ‘Dat moet de koning van Israël zijn!’ Ze gingen op hem af om met hem te vechten, en Josafat schreeuwde om hulp. 33 Maar toen de bevelhebbers van de strijdwagens merkten dat hij niet de koning van Israël was, lieten ze hem met rust. 34 Een soldaat spande zijn boog en trof nietsvermoedend de koning van Israël tussen de schubben van zijn pantser. De koning zei tegen zijn wagenmenner: ‘Wend de teugel en breng me buiten het strijdgewoel; ik ben zwaargewond.’ 35 Maar de strijd liep zo hoog op dat ze de koning voor de ogen van de Arameeërs in zijn wagen overeind moesten houden. Tegen de avond stierf hij; zijn wagen zat onder het bloed. 36 Toen de zon onderging, werd in het kamp het sein tot opbreken gegeven. 37 De koning was dus gesneuveld. Na terugkomst in Samaria werd hij daar begraven. 38 De strijdwagen werd schoongespoeld bij het waterbekken van de stad, waar de hoeren zich baadden, en de honden likten zijn bloed op zoals de HEER had voorzegd. 39 Verdere bijzonderheden over Achab, over het paleis van ivoor dat hij heeft laten bouwen en over alle steden die hij heeft versterkt, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 40 Toen Achab bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij opgevolgd door zijn zoon Achazja. (NBV21)

Als de Koning of de generaal valt raken de soldaten in verwarring. Vechten op eigen verantwoordelijkheid wordt in een leger nu eenmaal niet aangemoedigd. Daarom is het zo bijzonder als manschappen in het heetst van de strijd wel de verantwoording voor hun kameraden op zich nemen, soms worden ze daarvoor ook onderscheiden, vaker worden ze daarvoor bestraft. Koning Achab heeft ervaring met oorlog voeren en weet dat het doden van de leiding de overwinning voor de vijand dichterbij brengt. Hij laat Josafat dan ook in vol koningsornaat de strijd in gaan terwijl hij zelf de kleding aantrekt van een gewone boogschutter in een strijdwagen. Helpen doet het niet. De vermomming van Josafat wordt doorzien en de pijlen vliegen zo talrijk rond dat er altijd wel een pijl is die je kan treffen. Als je niet gedood wil worden moet je geen oorlog voeren. Dat is de boodschap van dit verhaal. Al die profeten hadden Achab alleen maar gesterkt in zijn oorlogszucht.

Maar zelfs die ene profeet die de waarheid sprak en de ondergang van Achab voorspeld had kon hem niet van zijn plannen afbrengen. Micha had dus niet de toekomst voorspeld maar alleen verteld hoe de dingen af zouden lopen. Naar waarschuwers voor onheil moeten we ook vandaag de dag luisteren. Dat de voortdurende honger en armoede in Afrika steeds weer wanhopige mensen naar Europa doet gaan is geen toekomstvoorspelling maar de gewone waarheid. Het is dan een profetie die als waarheid verbonden wordt met onze weigering met Afrika te delen en te zorgen voor eerlijke handelsverhoudingen. Juist in onze energie crisis dreigt de armoede en de wanhoop in Afrika vergroot te worden. De druk op onze eigen samenleving wordt daardoor groter en de angst bij mensen die nog wat te verliezen hebben ook waardoor ze naar sterke mannen gaan zoeken die uit angst muren willen bouwen om ons volk en alles wat hen vreemd is willen verwijderen.

In het verhaal van de Bijbel gaat Achab dood en sterft hij een onreine dood als teken hoe slecht hij wel niet is, de bron waarin zijn wagen wordt gewassen is door hoeren verontreinigd en de honden likken zijn bloed op. Hij had de kans gehad dat lot te ontlopen door vrede te bewaren en te zorgen voor de armen in zijn land. Wij kunnen de druk op onze samenleving verlichten door werkelijk te gaan delen en eerlijke handelsverhoudingen te scheppen. Angst hoeven we dan ook niet te hebben, onze overtuigingen houden het door de eeuwen heen uit, de liefde voor de naaste is zelfs door de dood heen uit te houden. Angst dient daarom alleen bestreden te worden. We zullen het per slot niet alleen in ons land samen moeten doen maar in de hele wereld samen doen. Als Josafat en Achab dat hadden begrepen zou het met hen beter zijn afgelopen, laten wij er tenminste lering uit trekken.

 

Trek op

1 Koningen 22:13-28

13 De bode die Micha was gaan halen, zei tegen hem: ‘Luister, alle profeten verzekeren de koning eensgezind dat de strijd goed zal aflopen. Mogen uw woorden even gunstig zijn als die van hen.’ 14 Maar Micha zei: ‘Zo waar de HEER leeft, ik zeg alleen wat de HEER mij in de mond legt.’ 15 Hij ging naar de koning toe, die hem vroeg: ‘Micha, zullen wij tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kunnen we er beter van afzien?’ ‘Trek op,’ antwoordde Micha. ‘Uw veldtocht zal slagen en de HEER zal u de stad in handen geven.’ 16 Hierop zei de koning: ‘Hoe vaak heb ik u niet bezworen om in de naam van de HEER niets dan de waarheid tegen mij te spreken?’ 17 Toen zei Micha: ‘Ik zag Israël verspreid over de berghellingen, als een kudde schapen die geen herder heeft. De HEER zei: “Ze hebben geen leider, laat ieder in vrede naar huis terugkeren.”’ 18 De koning van Israël zei tegen Josafat: ‘Heb ik het u niet gezegd: hij profeteert nooit iets goeds over mij, alleen maar onheil!’ 19 Micha zei: ‘Luister naar wat de HEER te zeggen heeft. Ik zag de HEER op zijn troon zitten, en aan weerszijden van hem stonden alle hemelse machten opgesteld. 20 De HEER vroeg: “Wie gaat Achab overhalen om tegen Ramot in Gilead ten strijde te trekken, zijn ondergang tegemoet?” De een zei dit en de ander dat, 21 en ten slotte trad een van de geesten op de HEER toe en zei: “Ik zal hem overhalen.” “Hoe wil je dat doen?” vroeg de HEER. 22 “Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten,” zei de geest. “Doe dat,” zei de HEER. “Het zal je beslist lukken.” 23 Welnu, zo heeft de HEER in de mond van al deze profeten van u leugens gelegd. Hij heeft het juist slecht met u voor.’ 24 Sidkia, de zoon van Kenaäna, kwam op Micha af en sloeg hem in zijn gezicht. ‘Wilt u soms beweren dat de geest van de HEER van mij naar u is overgestoken om tegen u te spreken?’ vroeg hij. 25 ‘Dat zult u wel merken,’ zei Micha, ‘op de dag dat u probeert u te verschuilen op een verborgen plek in een huis.’ 26 De koning van Israël zei: ‘Breng Micha naar Amon, de stadscommandant, en naar mijn zoon Joas. 27 Zeg tegen hen dat ze hem in de gevangenis moeten opsluiten en op water en brood moeten zetten totdat ik behouden ben teruggekeerd.’ 28 Hierop zei Micha: ‘Als u behouden terugkeert, is het niet de HEER die door mijn mond gesproken heeft.’ (Micha was het ook die zei: ‘Luister, volken, allemaal!’) (NBV21)

Je kent ze wel die evangelisten die de mond vol hebben van “Gods plan met jou”. En jij maar denken wat zouden ze toch bedoelen? En maar terugkomen bij ze, en maar bidden, en maar geld geven. Maar dat plan is steeds niets anders dan die evangelist volgen en geld geven. De sfeer is goed, de muziek is prachtig en dat moet dus wel van God komen want er wordt veel over God, over Jezus en over de hemel gesproken. Maar kijk uit. Soms stuurt God leugengeesten om duidelijk te maken waar Gods plan niet werkt. Dat plan van God is eigenlijk voor iedereen gelijk. Als je je naaste lief hebt als jezelf dan volg je Gods plan en als iedereen op aarde dat doet dan is Gods plan volvoert. Het verhaal van vandaag gaat over dat soort mooie Evangelisten en het plan van God. In de tijd van Israël heetten die sprekers van God nog profeten, maar ook profeten zijn mensen en die praten maar al te graag de machtigen der aarde naar de mond. Er is toch niets mooiers dan de Koning van Israël goede boodschappen te geven.

De sfeer is goed, de muziek is hemels, dat moet wel van God komen. Als een stier met ijzeren hoorns is die God van Israël. Alleen de profeet Micha let op de gewone mensen, de armen, de zwakken, de mensen die wel uitkijken om een oorlog te beginnen, ze hebben al niks en dan verliezen ze ook nog het laatste dat hen in leven houdt. Micha ziet ze, als de Koning de oorlog verliest dan zwerven ze als schapen zonder herder over de bergen, dan zijn ze aan alles en iedereen overgeleverd. Daar houdt die mooie koning in zijn staatsiegewaad voor de sterke muren van de stad geen rekening mee. Wij zien dat soms ook, als een evangelist vertrekt dan valt de gemeente uit elkaar en blijkt er geen enkel plan te zijn om iets te doen. Kerken hebben taaie structuren, daar is vaak geen hemelse muziek, daar wordt je maar steeds opgeroepen om je naaste lief te hebben als jezelf, daar moet je je met zieken, met gevangen, met armen, met verre arme landen bezig houden. Daar gaat het eerst over zaken waar jezelf niks aan hebt, waar je je niet beter van gaat voelen, waar je geen maatschappelijk succes door krijgt.

Prachtige bondgenootschappen en fraaie statiegewaden zoals Koning Achab heeft zitten er niet in. Die Koning heeft dat zelf wel door. Als ook Micha zegt dat hij maar oorlog moet gaan voeren dan voelt de Koning de adder die in het gras van Micha’s boodschap verborgen zit. En jawel, God wil van zo’n koning af, die brengt uiteindelijk de armen van het volk alleen maar onheil. De mooi pratende profeet Sidkia, die van de ijzeren hoorns, wil de zaak nog redden. Maar er is geen redden aan. Niet Micha is verantwoordelijk voor de keuzes die Achab maakt, niet God is verantwoordelijk voor de oorlogen van de mensen, niet God stelt zich op als concurrent van de goden van winst en profijt. Het zijn de mensen zelf die de keuzes maken. Daarom is elke dag aan ons de vraag welke keuzes wij maken. Volgen wij het plan van God om onze naaste lief te hebben als onszelf? Of luisteren we naar zoete vogelaars die ons verstrikken in hun netten.

Mijn leger is uw leger

1 Koningen 22:1-12

1 Er verstreken ruim twee jaren waarin geen oorlog werd gevoerd tussen Aram en Israël. 2 In het derde jaar bracht Josafat, de koning van Juda, een bezoek aan de koning van Israël. 3 De koning van Israël zei tegen zijn raadsheren: ‘U weet dat Ramot in Gilead ons toebehoort. Wat weerhoudt ons ervan die stad op de koning van Aram te heroveren?’ 4 Hij vroeg aan Josafat of deze met hem mee ten strijde wilde trekken tegen Ramot in Gilead, en Josafat antwoordde: ‘U en ik zijn één; mijn leger is uw leger, mijn paarden zijn uw paarden.’ 5 En hij voegde eraan toe: ‘Vraag vandaag nog raad aan de HEER.’ 6 De koning van Israël ontbood ongeveer vierhonderd profeten en vroeg hun: ‘Zal ik tegen Ramot in Gilead ten strijde trekken, of kan ik er beter van afzien?’ ‘Trek op,’ antwoordden ze. ‘De Heer zal u de stad in handen geven.’ 7 Maar Josafat vroeg: ‘Is hier niet nog een profeet van de HEER die wij kunnen raadplegen?’ 8 De koning van Israël antwoordde: ‘Er is nog wel iemand die de HEER voor ons zou kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem. Hij profeteert nooit iets goeds over mij, alleen maar onheil. Dat is Micha, de zoon van Jimla.’ ‘Zegt u dat toch niet!’ zei Josafat. 9 De koning van Israël liet een hoveling komen, aan wie hij opdroeg om Micha, de zoon van Jimla, zo snel mogelijk te halen. 10 De koning van Israël en de koning van Juda, Josafat, zaten ieder in hun staatsiegewaad op een troon op de dorsvloer voor de stadspoort van Samaria, in gezelschap van de in vervoering geraakte profeten. 11 Sidkia, de zoon van Kenaäna, had twee ijzeren hoorns gemaakt en zei: ‘Dit zegt de HEER: Met deze hoorns zult u de Arameeërs neerstoten, tot u ze allemaal verslagen hebt.’ 12 Ook de andere profeten voorspelden dergelijke dingen. ‘Trek op tegen Ramot in Gilead,’ zeiden ze. ‘Uw veldtocht zal slagen en de HEER zal u de stad in handen geven.’

Daar moet je dus altijd voor uitkijken. Als de ene koning bij de andere op bezoek gaat dan kan het gemakkelijk weer op oorlog uitdraaien. Hoe je samen de vrede kan verzekeren is heel wat moeilijker te bedenken. Of het nu gaat om een verbond tussen Zuid Korea en Amerika om Noord Korea op de knieeën te krijgen of een verbond tussen Israël en Juda om Ramos in Gilead te heroveren. Er kan gemakkelijk oorlog van komen. En waarom niet? Als U niet verder hebt gelezen zou je toch zeggen dat de beide koningen de zegen van de Heer hebben. Ze hadden 400 profeten van de God van Israël ontboden. Die hadden hun verzekerd dat ze konden optrekken en dat ze echt zouden winnen. De profeet Sidkia had zelfs twee ijzeren hoorns gemaakt, daarmee zou symbolisch het leger van de vijand verslagen worden. De koning als jonge vruchtbare stier uitgebeeld, een stier die onverslaanbaar zou zijn. Een boodschap van de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Ook de andere profeten hadden dit geprofeteerd. Het is onvoorstelbaar. God stuurt die protserige koningen er op uit om oorlog te voeren.

Daar zitten ze op hun troon voor de poort op de dorsvloer, als vruchtbaarheidsgoden in een tempel. Maar er is nog een profeet. Volgens Achab ligt die Micha altijd dwars, die zegt altijd lelijke dingen over hem, net als Elia. Achab weet natuurlijk best waar de schoen wringt. Die oorlog is er niet voor om de naam van de God van Abraham, Izaak en Jacob groot te maken maar die oorlog is er om de namen van Achab en Josafat groot te maken. En dat soort gedrag wordt door de profeten altijd veroordeeld. Maar Josafat dringt aan, ook die profeet moet het bewijs leveren dat het die God is die de oorlog goedkeurt. Zijn er andere wegen om vrede te bewaren en toch gerechtigheid te krijgen? Misschien wel. In de jaren voor de muur viel hadden vele kleine groepen mensen, vooral uit Europese kerken, vriendschap gesloten met groepen uit kerken in de DDR. Vanuit die groepen ontstonden de vreedzame demonstraties die uiteindelijk de muur deden vallen.

De Nobelprijs voor de vrede gaat dit jaar naar mensen uit landen die in oorlog zijn. Een vredesactivist uit Belarus, en vredesbewegingen uit Oekraïne en Rusland, daar moeten we dus op letten. Als regeringen in China of Iran de mensenrechten op grove wijze schenden dan sluiten ze eerst het internet en de telefoonverbindingen af opdat gewone mensen over de hele wereld niet mee kunnen kijken. Verbindingen tussen gewone mensen maken kennelijk de vrede en de gerechtigheid mogelijk zonder dat er geweld aan te pas komt. We moeten dat misschien nog leren om goed en effectief te doen, maar we kunnen er stem aan geven en mee doen. Straks als onze voetballers in Quatar hun best doen ligt daar misschien voor ons allemaal wel een taak. Er zijn altijd andere wegen om het goede te doen en niet dan het goede. Misschien dat we er dan ook achter komen waarom al die profeten, namens God, de koningen Achab en Josafat de oorlog in wilden sturen.

Je hebt een moord gepleegd

1 Koningen 21:17-29

7 De HEER richtte zich tot de Tisbiet Elia met de woorden: 18 ‘Kom, ga Achab, de koning van Israël, tegemoet. Hij is vanuit Samaria naar de wijngaard van Nabot gekomen om die in bezit te nemen. 19 Zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER: Je hebt een moord gepleegd en je het bezit van een ander toegeëigend.” Zeg hem ook: “Dit zegt de HEER: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot hebben opgelikt, zullen ze ook jouw bloed oplikken.”’ 20 Toen Achab Elia zag, zei hij: ‘Mijn vijand heeft me dus weer weten te vinden.’ ‘Ik heb u gevonden,’ antwoordde Elia. ‘U hebt u ertoe geleend iets te doen dat slecht is in de ogen van de HEER. 21 Daarom breng Ik onheil over u: U zult worden weggevaagd en alle mannelijke leden van uw koningshuis, van hoog tot laag, zullen worden uitgeroeid. 22 Omdat u de HEER hebt getergd door de Israëlieten aan te zetten tot zonde, zal het uw familie vergaan zoals het de familie van Jerobeam, de zoon van Nebat, vergaan is, en de familie van Basa, de zoon van Achia. 23 En over Izebel heeft de HEER gezegd: “De honden zullen Izebel opvreten onder de stadsmuur van Jizreël.” 24 Wie van de familie van Achab in de stad sterft, zal door de honden worden opgevreten, en wie sterft in het open veld, zal worden opgevreten door de roofvogels.’ 25 (Inderdaad, niemand heeft zich er meer dan Achab op toegelegd te doen wat slecht is in de ogen van de HEER. En het was zijn vrouw Izebel die hem daartoe aanzette. 26 Het was gruwelijk, zoals hij afgoden vereerde naar het voorbeeld van de Amorieten, die door de HEER voor de Israëlieten waren verdreven.) 27 Bij het horen van deze woorden scheurde Achab zijn kleren. Hij trok een boetekleed aan, dat hij op zijn blote lijf droeg en waarin hij ook sliep. Hij vastte en gedroeg zich ook verder zeer berouwvol. 28 De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: 29 ‘Heb je gezien hoe Achab zich voor Mij vernedert? Omdat hij berouw toont, zal Ik het onheil over zijn koningshuis niet tijdens zijn leven voltrekken, maar tijdens het leven van zijn zoon.’ (NBV21)

Elia is een diplomaat, de scherpe straf die God hem opdraagt te brengen aan Koning Achab, de honden zullen jouw bloed oplikken op de plek waar ze ook het bloed van Nabod hebben opgelikt, brengt hij in keurige diplomatieke taal over. Het is niet minder effectvol. “Je hebt een moord gepleegd” is het oordeel van Elia. Zijn er soms bestuurders die zo bang zijn voor dat oordeel dat ze een onderzoek naar hun beweegredenen om mee te doen aan de oorlog tegen Irak steeds hebben tegengehouden en toen dat niet meer mogelijk was zo lang mogelijk hebben uitgesteld? Want net zomin er Godslastering was te vinden bij Nabod, daar werd hij van beschuldigd, waren er massavernietigingswapens te vinden in Irak, de reden toch om met dat land een oorlog te beginnen. Maar dat soort fouten maken leidt in de Bijbel zelden tot een eeuwige veroordeling. Als je dat soort fouten maakt hoeft het verhaal niet slecht af te lopen. In dit geval toont Achab berouw, hij laat op gepaste wijze zien dat hij verdriet heeft, hij trok een boetekleed aan.

Dat moet je letterlijk nemen, tegenwoordig is sorry zeggen ook al het boetekleed aantrekken maar dat ziet men maar even. Bij Achab kon je dat boetekleed dag en nacht zien. Achab werd heen en weer geslingerd tussen twee culturen. De cultuur van Elia, met een strenge aanbidding van de God van Israël met uitsluiting van andere goden en de cultuur van Izebel die van de God van Israël niets wil weten maar die de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän aanbidt, de goden van winst en profijt. Aan de cultuur van Izebel zal ook de zoon van Achab zich niet kunnen onttrekken. De grootheid waar Achab zich mee kan tonen, met belangrijke vrienden en al, is zo verleidelijk dat machthebbers daar altijd voor zullen gaan. Ook onze machthebbers vinden het maar al te mooi als ze een kwartietje worden ontvangen op het Witte Huis in Washington, wie daar ook president is en wat voor fouten die president ook weet te maken.

Zorg voor de armen en rechtvaardigen en vrede komen dan altijd achter de zorg voor eigen eer en eigen ambitie. Wij kunnen dat onze politici verwijten maar wij kiezen ze zelf of we kiezen voor laffe angsthazen die meer oorlog veroorzaken dan ze weten te voorkomen. En ook bij die laffe angsthazen lijkt het eigen voorkomen, de kleur van het haar en de snit van het pak met de stropdas, belangrijker dan het lot van de armen in de wijken met de goedkoopste woningen en het minste onderhoud. In de Bijbel staan er voortdurend mensen op die de grootheidswaan van regeerders aan de orde stellen. Uiteindelijk zullen in het verhaal van de Bijbel gelovigen, in die beweging van heb Uw-naaste-lief-als-Uzelf, gemeenschappen vormen die zich over de hele bewoonde wereld zouden verspreiden. Bij die beweging kunnen we ons ook vandaag weer aansluiten, om machthebbers als Achab te bewegen de goede weg te gaan, de weg van gerechtigheid en vrede.

Jij bent toch de koning

1 Koningen 21:1-16

1 Enige tijd later gebeurde het volgende. De Jizreëliet Nabot had een wijngaard die grensde aan het paleis dat koning Achab van Samaria in Jizreël bezat. 2 ‘Sta mij uw wijngaard af,’ zei Achab tegen Nabot. ‘Hij ligt naast mijn paleis; ik kan hem goed gebruiken om er groente te verbouwen. Ik zal u er een betere wijngaard voor teruggeven, of ik zal u, als u dat liever hebt, de prijs ervan in zilver uitbetalen.’ 3 Maar Nabot zei tegen Achab: ‘De HEER verhoede dat ik de grond die ik van mijn voorouders heb geërfd aan u zou afstaan.’ 4 Achab ging terug naar zijn paleis, woedend en terneergeslagen omdat Nabot tegen hem had gezegd dat hij hem de grond die hij van zijn voorouders had geërfd niet zou afstaan. Hij ging op zijn bed liggen, met zijn gezicht naar de muur, en weigerde te eten. 5 Toen kwam zijn vrouw Izebel naar hem toe en vroeg: ‘Wat is er gebeurd, dat je zo mismoedig bent en niet eten wilt?’ 6 ‘Ik heb met de Jizreëliet Nabot gesproken,’ antwoordde hij. ‘Ik heb hem gevraagd mij zijn wijngaard te verkopen. Of, als hij dat liever had, kon hij er een andere wijngaard voor terugkrijgen. Maar hij weigerde zijn wijngaard aan mij af te staan.’ 7 Daarop zei Izebel: ‘Wat? Jij bent toch de koning van Israël? Sta op en eet wat, dat zal je goeddoen. Ik zal ervoor zorgen dat jij de wijngaard van Nabot krijgt.’ 8 Uit naam van Achab schreef Izebel brieven, verzegelde die met het koninklijke zegel en stuurde ze naar de oudsten en aanzienlijksten in de stad waar Nabot woonde. 9 In die brieven stond het volgende: ‘Kondig een vastendag af en zet Nabot vooraan wanneer het volk samenkomt. 10 Laat dan twee mannen die nergens voor terugdeinzen tegenover hem plaatsnemen en hem beschuldigen van godslastering en majesteitsschennis. Daarop moet u hem buiten de stad brengen en stenigen.’ 11 Nabots stadsgenoten, de oudsten en aanzienlijksten van zijn woonplaats, deden wat Izebel hun had opgedragen in de brieven die ze had gestuurd. 12 Ze kondigden een vastendag af en lieten Nabot vooraan zitten toen het volk samenkwam. 13 Twee mannen namen tegenover hem plaats en beschuldigden hem ten overstaan van het volk van godslastering en majesteitsschennis. Daarop werd hij buiten de stad gebracht en gestenigd. 14 Ze stuurden Izebel bericht dat Nabot door steniging ter dood was gebracht. 15 Toen Izebel hoorde dat Nabot gestenigd was, zei ze tegen Achab: ‘Je kunt de wijngaard die de Jizreëliet Nabot je weigerde te verkopen in bezit nemen, want Nabot leeft niet meer, hij is dood.’ 16 Toen Achab hoorde dat Nabot dood was, ging hij naar Jizreël om de wijngaard van Nabot in bezit te nemen.(NBV21)

Waar ging het ook al weer om? We hebben gelezen over Koning Achab, hoe goed hij was, hoe slim hij was getrouwd, hoe goed hij kon profiteren van een overwinning in de oorlog. Maar we leerden ook dat profeten niet zomaar alles konden zeggen, Elia moest vluchten naar de woestijn. We hoorden ook van een weduwe en haar zoon die bijna om kwamen van de honger. We zagen een tweestrijd tussen Elia en honderden profeten van Baäl om het bewijs van de machtigste God voor het volk. We hoorden hoe Achab wist te profiteren van een oorlog die uitdrukkelijk door de God van Israël was gewonnen. Nu is dus de vraag hoe goed of hoe slecht Achab eigenlijk was. Daarvoor moeten we het verhaal van vandaag nauwkeurig lezen. Want ook de machthebbers van vandaag maken gebruik van de tactieken die in dit verhaal gebruikt worden. We hebben het over een Koning die een paleis heeft en daarnaast een wijngaard ziet die hij als groentetuin zou kunnen gebruiken. Die koning stelt een ruil voor.

Tot zover is er niks aan de hand. Dat voorstel is het goed recht van de koning. Maar de eigenaar van de wijngaard, Nabot, dat betekent vruchten, weigert de akker te ruilen of te verkopen. Hij beroept zich op de verdeling door Jozua. Deze akker was bestemd om ook zijn familie, ook in moeilijke tijden, een kans op overleven te geven. Zelfs als ze die akker zouden hebben moeten verkopen uit armoede dan zouden ze die na 50 jaar weer terugkrijgen. Dat weigeren was goed recht van Nabod. Hiermee zou het verhaal afgelopen hebben moeten zijn. Maar de vrouw van Achab, Izebel, dat betekent Baäl prijst, liet het er niet bij zitten. De invloed van de vruchtbaarheidsgodsdienst laat zich gelden. Die godsdienst van winst en profijt werkt net als vandaag de dag met list en bedrog. Of je vaardigt wetten uit die een beroep op het recht uitsluiten of moeilijker maken of je bespeelt de publieke opinie zo dat jouw zin wordt doorgedreven.

Het begint met de dreiging van een ramp of een oorlog op te roepen. In Israël deden ze dat in de dagen van Achab door een vastendag uit te roepen met een volksvergadering. Dan moest er wel wat aan de hand zijn. Tegenwoordig doen we dat met een persconferentie zo vlak voor het journaal waarin op plechtige toon de dreiging wordt aangekondigd. Dan komen er twee getuigen die Nabod beschuldigen van godslastering. Tegenwoordig komt er een wetenschappelijk onderzoek, of nog liever een onderzoek van veiligheidsdiensten, waarin de dreiging wordt bewezen. Dat bewijs kunnen we niet controleren, maar we moeten evengoed handelen. Ook de stadgenoten van Nabod laten zich er toe verleiden. Alsof hij massavernietigingswapens klaar had om een aanval op het paleis te laten doen. Het loopt dus slecht af met Nabod. Net als zijn stadgenoten trappen mensen er in de loop van de geschiedenis steeds weer opnieuw in. Wij zo af en toe ook. Laten we daarom vandaag eens opletten, bewijs controleren en ons afvragen wie nu eigenlijk de sterkste is, de regering of de benadeelde partij. Voor die laatste neemt God het op, want onze God is met de zwaksten, de vraag is aan welke kant wij gaan staan.

Eén ding ontbreekt

Lucas 18:18-30

18 Een hooggeplaatst persoon vroeg hem: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 19 Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, behalve God. 20 U kent de geboden: pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’ 21 De man zei: ‘Aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.’ 22 Toen Jezus dat hoorde, zei Hij: ‘Nog één ding ontbreekt u. Verkoop alles wat u hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg Mij!’ 23 Toen de man dat hoorde, werd hij diepbedroefd. Hij was namelijk zeer rijk. 24 Toen Jezus zag dat de man zo bedroefd werd, zei Hij: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. 25 Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 26 Daarop zeiden zijn toehoorders: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 27 Jezus zei: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’ 28 Toen zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles wat we bezaten achtergelaten om U te volgen.’ 29 Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die huis of vrouw, broers of zussen, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van God, 30 zal reeds in deze tijd het veelvoudige ontvangen, en in de tijd die komt het eeuwige leven.’ (NBV21)

Wat is het moeilijk voor rijken om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Jezus van Nazareth is niet tegen de rijken maar tegen de armoede. Voorop staan de richtlijnen zoals die in de boeken van Mozes staan opgetekend: geen overspel plegen, niet moorden, niet stelen, geen valse getuigenis afleggen en niet verloochenen wie je vader en moeder zijn. Als je dat allemaal gedaan hebt dan zou er eigenlijk geen armoede meer moeten zijn, maar die is er wel. Die armoede kun je ook opheffen, daar kun je tenminste wat aan doen. De hypotheekrente afschaffen zodat niet de rijksten in het land de meeste subsidie krijgen. Het geheel van aftrek van hypotheekrente en huurtoeslagen vervangen door individuele woonsubsidie. Woonkosten naar draagkracht. Dat zou in ons land de armoede al een heel eind bestrijden en gedwongen verkoop van woningen niet meer nodig maken. Ook huurachterstanden zouden dan veel minder voorkomen. Op twee fronten zou je dan veel verdriet en ellende voor mensen voorkomen.

Ook de onrechtvaardige tolmuren kunnen worden afgeschaft. De armen in de wereld zullen dan hun producten tegen een eerlijke prijs op onze markten kunnen aanbieden. Daarmee vergroten we hun koopkracht en verminderen we dus oorlog, ziekte, hongersnood en andere ellende die de arme landen nu nog teisteren. Dan blijft natuurlijk nog de werkloosheid. Volgens Jezus van Nazareth is dit delen van inkomen, werk en kennis namelijk economisch zeer voordelig. In een samenleving waar de problemen zijn opgelost behoor je tot de allerrijksten. In de samenleving zoals we die nu kennen moeten rijken nog steeds diep willen buigen voor ze mee kunnen doen in het Koninkrijk van God. Dat oog van de naald is namelijk niet dat kleine oogje uit het naaldje van de naaister of de kleermaker, maar het kleine poortje in de muur van de stad. Dat kleine poortje dat ook staat voor het kleine beetje rechtvaardigheid dat nodig is om gezonde mensen met veel ervaring weer een volwaardige plaats in de samenleving te geven.

Het volgen van Jezus van Nazareth is het dienen van de armsten in de samenleving voorop te stellen. Hoe daarbij je huis, je vrouw of je man, je broers of zusters, je ouders of kinderen er uit zien en bijlopen is daarbij van veel minder belang. Die stellen we niet voorop. Maar zijn we echt bereid om zo diep te bukken dat we delen met de minsten onder ons? Jezus belooft ons wel dat we reeds tijdens ons leven het veelvoudige zullen ontvangen wat we als rijken opgeven maar er zijn toch geen villabewoners te vinden die daar konden gaan wonen omdat ze zoveel hebben weggegeven. De belofte aan Petrus is dan ook een andere. Als je werkelijk de weg van Jezus van Nazareth volgt dan is materiële welvaart ineens totaal niet meer belangrijk. Vogels hebben nesten maar de Zoon van God had geen huis of een plek om zijn hoofd ter ruste te leggen. De rijkdom zit in het geluk dat je ziet opbloeien bij een ieder die je goed hebt gedaan. Dat geeft een rijk gevoel, zo rijk dat niemand je meer iets kan doen. Dat is ook door niemand af te nemen en elke dag mag het weer opnieuw, ook vandaag weer.

Houd ze niet tegen

Lucas 18:9-17

9 Met het oog op degenen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde Hij de volgende gelijkenis. 10 ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër en de ander een tollenaar. 11 De farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank U dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. 12 Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” 13 De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich berouwvol op de borst en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” 14 Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.’ 15 De mensen probeerden ook kleine kinderen bij Hem te brengen om ze door Hem te laten aanraken. Toen de leerlingen dat zagen, berispten ze hen. 16 Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij Me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. 17 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind het koninkrijk van God ontvangt, zal er zeker niet binnengaan!’ (NBV21)

Het is weer oktober. Aan het begin van de maand de vrijheidsfeesten in Leiden en Alkmaar en aan het einde Hervormingsdag. In Amerika is het dan Halloween. En aangezien we alles uit de Verenigde Staten importeren, voeren we ook Halloween in. Het is een feest van wennen aan het enge donker en de angsten die dat kan opwekken en een feest voor kinderen die beloond worden voor het rondtrekken in het beginnende donker. Hun boodschap is “Trick or Treat” Wat betekende de uitdrukking “Trick or Treat”? Het is iets als “Struikel of Trakteer”. Als je niet deelt dan moge je alle ellende overkomen waar je bang voor bent. En als dat Engelse zinnetje klinkt dan kun je er van op aan dat de geesten, heksen, monsters, geraamten, vampiers en duivels niet veraf zijn. Het is een feest dat afkomstig is uit delen van Engeland en Ierland en dat eigenlijk hoort bij feesten als Sint Maarten en Sint Nicolaas. Hele oude volksfeesten die rond het winterseizoen de mensen er aan herinneren dat buiten in de kou mensen rondzwerven die geen warmte en geen wintervoorraad hebben.

Bedelfeesten zijn er de hele winter door. Halloween is de eerste, en Carnaval is de laatste maar de betekenissen zijn steeds weer dezelfde. Alleen door te delen van wat er nog is komen we samen de donkerste tijden door. Voor Protestanten is 31 oktober een hele andere feestdag. Het is de geboortedag van het Protestantisme. In 1517 spijkerde Maarten Luther de stelling op de slotkapel van Wittemberg dat het doorkomen van de donkerste dagen niet te koop was zoals de Paus van Rome wilde doen geloven. Alleen het vertrouwen dat de Liefde, dat God zelf, je door het donker heen zou leiden zou de redding zijn, verkondigde Maarten Luther. En wij kunnen daar aan toevoegen dat alleen kinderen zo gek zijn om daarin te blijven geloven, zij zijn zo gek dat ze in Amerika eind december verkleed als spook, in delen van Nederland half november met een uitgeholde suikerbiet, in Nederland en Vlaanderen begin december met een wortel en stro in de schoen, in Zuid-Nederland en Vlaanderen rond 6 januari met een ster en half februari op een kar door dorp en stad durven trekken. Die kinderen vertrouwen er op dat met dat plezier in het samen delen de donkerste tijden tot pleziertijden worden omgetoverd.

Maarten Luther was uit angst voor de Duivel in de Bijbel gaan zoeken naar manieren om de Duivel de baas te worden. Hij ontdekte dat je gewoon niet in de Duivel moest geloven maar je geloof moest stellen in Jezus van Nazareth. Juist als je gaat beseffen hoe ver je van het Koninkrijk af staat omdat je niet wilt en kunt delen met anderen begint dat Koninkrijk ook voor jou te leven. Als je denkt er bij te horen omdat je je zo keurig aan de regels houdt dan is het Koninkrijk nog heel ver weg. Kinderen weten dat, die kunnen alleen feest vieren als ze dat samen kunnen doen, samen met andere kinderen. Daarbij maakt kleur, afkomst of inkomen niet uit. Daar telt alleen het vermogen bij te dragen aan het plezier voor elkaar. Met die kinderlijke opstelling vieren we de komst van het Protestantisme en gaan we de donkere winterperiode in.  Met Halloween is iedereen gemaskerd. Het Protestantisme verbergt zich  niet dat vind je in de zorg voor vluchtelingen, voedselbanken, Fair Trade winkels en andere zorg voor zieken, gehandicapten en gevangenen. Zij zijn gelukkig niet de enigen die dat doen, maar dat is wel het hart van hun geloof.

Doe mij recht

Lucas 18:1-8

1 Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven: 2 ‘Er was eens een rechter in een stad die voor God geen ontzag had en zich van de mensen niets aantrok. 3 Er woonde ook een weduwe in die stad, die steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: “Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander.” 4 Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei hij bij zichzelf: Ook al heb ik voor God geen ontzag en trek ik me van de mensen niets aan, 5 toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.’ 6 Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het recht. 7 Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen? Hij hoort hen immers geduldig aan. 8 Ik zeg jullie dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?’ (NBV21)

Het komt nog steeds voor dat recht verkregen wordt door mensen die vasthoudend om het recht blijven vragen omdat de instanties die recht moeten verschaffen liever blij zijn er af te zijn. Tegenwoordig worden mensen daarbij geholpen door TV programma’s als Radar en Kassa want bedrijven willen nu eenmaal niet geportretteerd worden als bedrijven die mensen geen recht doen. Mensen worden tegenwoordig ook tegengewerkt door een overheid die de kosten voor toegang tot de rechtspraak zo hoog maakt dat de armen in ons land er nauwelijks of geen gebruik van kunnen maken. Recht doen aan individuele mensen in onze samenleving is sinds de tweede helft van de vorige eeuw een item dat steeds weer om aandacht vraagt. Na de sociale rechtshulp, die inmiddels weer is weg bezuinigd, hebben we ook de Nationale Ombudsman gekregen die er voor kan zorgen dat ook de overheid haar onderdanen recht doet. Helaas wordt er vaak ook niet naar de Ombudsman geluisterd.

Rechtvaardig mensen behandelen is in onze samenleving de norm, we hechten er veel waarde aan. Waarom zou het dan zo weinig gebeuren? In de eerste plaats omdat veel mensen niet om hun recht vragen. Dat is op zich jammer want vaak is het zo dat als aan één persoon recht is gedaan aan velen recht kan worden verschaft. Maar ook heeft het te maken met macht. TV programma’s en een Nationale Ombudsman zijn nodig omdat machthebbers en rijken misbruik maken van hun positie als het gaat om recht te verschaffen aan kleine mensen. Jezus van Nazareth raad aan om te blijven vragen om recht. Bidden is voor hem kennelijk ook zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, want als hem gevraagd wordt wat het effect is van bidden komt hij met het verhaal over de weduwe die maar niet ophoudt. Aan het eind is er echter de vraag of er nog mensen zijn die voldoende vertrouwen hebben in het feit dat ook echt aan mensen recht kan worden gedaan. Zoals de profeten het hadden uitgedrukt die “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”

Dat is een vraag die aan ons wordt gesteld. Helpen wij mensen als hen onrecht wordt aangedaan of wanneer aan hen geen recht wordt gedaan? Hebben wij oog voor de bedrijven, overheden en instanties in onze eigen buurt, waar we misschien zelfs zelf werken, die mensen onvoldoende recht doen? Staan we naast mensen die geen recht worden gedaan? Hongeren en dorsten we inderdaad onophoudelijk naar gerechtigheid? In de woorden van Jezus van Nazareth: geloven we wel? Bidden we wel? Smeken we de overheid die de weduwe afwijst om haar te helpen in het vertrouwen dat onze politici zich laten vermurwen en de armen zullen helpen als we het ze maar onophoudelijk vragen. Kloppen we op de muren van de regering met de vraag nu eindelijk de onrechtvaardige tolmuren te slopen in het vertrouwen dat wij net zo hard moeten roepen als onze broeders en zusters uit de armste landen in de wereld? Zijn we vandaag net als de weduwe uit het verhaal? Of horen we liever bij de goddelozen van wie geen recht te verwachten is?

Kijk hier!

Lucas 17:20-37

20 Toen de farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, 21 en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’ 22 Tegen de leerlingen zei Hij: ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen een van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die dag niet meemaken. 23 Dan zullen de mensen tegen jullie zeggen: “Kijk daar!” of: “Kijk hier!” Maar doe dat niet en schenk er geen aandacht aan. 24 Want zoals de bliksem licht geeft wanneer hij van de ene naar de andere kant van de hemel flitst, zo zal de Mensenzoon verschijnen. 25 Maar eerst moet Hij veel lijden en door deze generatie verworpen worden. 26 En zoals het eraantoe ging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: 27 ze aten, ze dronken, ze trouwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. 28 Of zoals het eraantoe ging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; 29 maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. 30 Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard. 31 Wie op die dag op het dak van zijn huis is moet niet beneden nog zijn bezittingen gaan halen, en wie op het land is moet niet naar huis terugkeren. 32 Denk aan de vrouw van Lot! 33 Wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden. 34 Ik zeg jullie, die nacht zullen er twee in één bed liggen: de een zal worden meegenomen, de ander achtergelaten. 35 Twee vrouwen zullen samen aan het malen zijn: de een zal worden meegenomen, de ander achtergelaten.’ 37 Ze vroegen Hem: ‘Waar, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Waar een lijk is, daar verzamelen zich de gieren.’(NBV21)

Op het moment dat het over vreemdelingen gaat zijn mensen geneigd grenzen te gaan trekken. Daarom begint dit stuk met de vraag naar het Koninkrijk van God. En voor grenzentrekkers komen er dan verwarrende antwoorden. Je kunt dat Koninkrijk niet zien, je kunt het niet aanwijzen, als je er niet aan meedoet kun je beter niet willen dat het komt, als je er wel aan meedoet kan het niet vlug genoeg komen, en, wat nog het meest zal verbazen is, dat het vlakbij is, onder handbereik, zomaar voor het grijpen. Maar de leerlingen van Jezus zullen de dag zelfs niet meemaken dat het komt. Voor hen was de dag van de Mensenzoon immers al begonnen met het volgen van Jezus. In de Kerken en onder de geleerden is heel lang gestreden over hoe het nu zit met de komst van dat Koninkrijk, de komst van de Mensenzoon en het oordeel over goed en kwaad dat mensen te wachten zou staan.

Nu zijn wetenschappers echte grenzentrekkers en voor grenzentrekkers was dit hoofdstuk heel verwarrend. Voor de volgelingen van Jezus van Nazareth zal het heel wat minder verwarrend geweest zijn. Zij kenden immers ook het verhaal dat dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat in de wereld kennen, koninkrijken met grenzen en grensbewaking, waar koningen gaan en komen, waar staatsgrepen zijn en legers en waar machtigen elkaar bevechten om de macht. In het Koninkrijk van Jezus van Nazareth mag iedereen meedoen, met dat meedoen kun je zelfs elke dag al beginnen. Als de mensen de sporen van dat Koninkrijk herkennen dan weet je dat het er nog niet echt is. Niets is immers volmaakt en we kunnen altijd beter. Maar als er voor de armen wordt gezorgd, als hongerigen worden gevoed, als naakten worden gekleed, als er voor gevangenen wordt gezorgd, als vreemdelingen gastvrij worden ontvangen, dan weten we dat er aan de ene wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, de enige wet van dat bijzondere Koninkrijk, al vast wordt gedaan.

Daarom kunnen we er ook niet op wachten. Dat zou mooi zijn, als we ouder worden gaan we wel goed doen, als het zomer is gaan we wel goed doen, of juist als het winter is. Misschien ben je morgen wel dood. We hebben het boek Prediker gelezen die daar steeds maar weer voor waarschuwt. Je rijkdom, je aanzien, je macht kun je niet meenemen. Als de donkere dagen komen kan alleen een bondgenootschap je redden en dat bondgenootschap kun je maken door te delen met wat je nu hebt. Daarom wijst Jezus van Nazareth op het lijden dat hij moet doormaken. Pas als wij het lijden zien, en het lijden van de minsten onder ons is ook zijn lijden, dan pas komen wij in beweging, dan pas worden wij geroerd en zijn we bereid de handen uit de mouwen te steken en dat Koninkrijk te grijpen. Let maar op als de gruwelbeelden uit de Oekraïne op de TV komen, dan komt de beweging voor de armen daar pas goed op gang. Beter is het natuurlijk elke dag de ogen open te houden. ook in je eigen nabijheid.