Laat ons juichen

Psalm 20

1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Moge de HEER u antwoorden in dagen van nood en de naam van Jakobs God u beschermen, 3 moge Hij hulp zenden uit zijn heiligdom, uit Sion u bijstaan. 4 Moge Hij al uw gaven gedenken, uw brandoffers welwillend aanvaarden. sela 5 Moge Hij geven wat uw hart verlangt, en al uw plannen doen slagen. 6 Laat ons juichen om uw overwinning, het vaandel heffen, in de naam van onze God. Moge de HEER al uw wensen vervullen. 7 Nu weet ik zeker: de HEER schenkt de overwinning aan zijn gezalfde, Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de overwinning door zijn machtige hand. 8 Anderen vertrouwen op paarden en wagens, wij op de naam van de HEER, onze God. 9 Anderen buigen en vallen ter aarde, wij richten ons op en houden stand. 10 HEER, schenk de koning de overwinning, antwoord ons wanneer wij U aanroepen. (NBV21)

Vandaag een wat bijzondere psalm. Een psalm die je de regering mag toezingen en waar de regering dan op kan antwoorden. De psalm besluit met een gebed tot God dat je ook samen met de regering zou kunnen zingen. Wij hebben het over de regering want onze Koning regeert met instemming van het parlement en de ministers van de Koning zijn dan ook in de eerste plaats verantwoording schuldig aan het parlement. Zelfs voor het gedrag en de uitspraken van de Koning in zijn rol als staatshoofd zijn de ministers verantwoordelijk. Om te voorkomen dat de Koning toch stiekem andere meningen heeft dan de regering kan verantwoorden zijn de ministers ook verantwoordelijk voor de uitlatingen en het gedrag van het gezin van de Koning. Alles wat gezegd wordt moet verantwoord kunnen worden voor het parlement. En uiteindelijk voor ons want wij kiezen dat parlement.

De eerste 6 verzen van deze Psalm zijn een wens die wordt uitgesproken voor de Koning. Een soort begroeting is waarbij God wordt gevraagd de Koning te zegenen. En voor Koning lezen we in onze dagen dus de regering. Die regering regeert niet alleen en niet op grond van hoe de wind waait. De Psalm vraagt God of de Koning mag regeren in naam van God, alsof die God zelf zou regeren. Hoe reageer je als je land wordt bedreigd? In Israël was dat een belangrijke vraag. De Koningen van Israël hadden de neiging om verdragen te sluiten met buurvolken die net zo klein waren als zij. Soms sloten ze ook verdragen met de wereldmachten uit hun dagen. Profeten waren er om de Koningen er op te wijzen dat ze beter konden vertrouwen op de God van Israël en zijn weg gaan. Natuurlijk gaat een Koning regelmatig naar de Tempel om offers te brengen. Dat was natuurlijk een mooie vertoning, daar houden Koningen van. Deze Psalm werd hen dan ook toegezongen door een koor van Priesters en Levieten.

In deze Psalm antwoord de Koning het koor. Hij weet zeker dat hij als gezalfde Koning de overwinning zal behalen. Anderen buigen voor de vijand maar zij vallen ter aarde. En waaraan ontleend die Koning zijn zekerheid? Als het goed is aan de Tora, de leer van Mozes die je in de eerste vijf boeken van de Bijbel tegenkomt. Het hart van die leer is dat je God lief moet hebben boven alles en je naaste als jezelf. Die regel zegt dus ook dat de Koning rechtvaardig is, zijn onderdanen tot hun recht laat komen. Dat hij de weduwe en de wees, de armen, beschermt. Dat hij de vreemdelingen behandelt zoals ook de eigen onderdanen behandelt worden. Hij zorgt voor een eerlijke rechtspraak die voor iedereen toegankelijk zal zijn. Duidelijk zal zijn dat ook onze regering deze Psalm nog wel eens uit het hoofd mag leren. Want de zwaksten in de samenleving zijn bij hen niet veilig. En als je in Nederland geboren kinderen naar voor hen vreemde landen stuurt omdat je vindt dat ze vreemdeling zijn dan heb je van de Tora nog helemaal niks begrepen. Wij moeten dus maar wat vaker op onze manier de regering deze boodschap meegeven.

Er staat geschreven

Matteüs 3:13–4:11

13 Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. 14 Johannes probeerde Hem tegen te houden met de woorden: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden, en dan komt U naar mij?’ 15 Maar Jezus antwoordde: ‘Toch moet je het doen, want zo dienen wij de gerechtigheid geheel en al tot vervulling te brengen.’ Toen deed Johannes het. 16 Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor Hem en zag Hij hoe de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde. 17 En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’ 1 Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger. 3 Toen kwam de beproever naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’ 4 Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op het hoogste punt van de tempel 6 en zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om U op hun handen te dragen, zodat U uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7 Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8 De duivel nam Hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9 en zei: ‘Dit alles zal ik U geven als U zich voor mij neerwerpt en mij aanbidt.’ 10 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’ 11 Daarna liet de duivel Hem met rust, en meteen kwamen er engelen om Hem te dienen. (NBV21)

Net nadat Johannes de leidende Farizeeën tot adderengebroed had bestempeld komt daar Jezus aan. Johannes kende zijn neef en herkende de autoriteit die deze uitstraalde. Maar Jezus voelde zich niet verheven boven de massa. Gerechtigheid is iedereen tot recht laten komen en dan maak je geen onderscheid, ook niet voor jezelf. Mooi natuurlijk dat God er nog even bij zegt dat het zo hoort. Maar dan. We geloven niet in de duivel. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien. Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen. Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Deuteronomium , een van de boeken van de leer van Mozes, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus.

Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs. De duivel nam Jezus mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de leer van Mozes en antwoordt weer met een citaat uit het boek Deuteronomium: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de leer van Mozes, zoals verwoord in het boek Deuteronomium waarmee Matteüs aantoont hoe trouw die Jezus wel niet was, er is maar één God. Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreekt. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen.

En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten. Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het zijn de politieke spelletjes die mensen van de politiek vervreemden, het zijn de verborgen machtspelletjes in bedrijven die de exorbitante zelfverrijkers tot miljonairs maken, het zijn de machinaties in kerkelijke organisaties die mensen de kerken uitdrijven of slachtoffers maken van gewetenloze oplichters in sektes. Drie keer is er een antwoord van Jezus waar we ook vandaag nog wat mee kunnen. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog.

Breng liever vruchten voort

Matteüs 3:1-12

1 In die tijd trad Johannes de Doper op in de woestijn van Judea. Hij verkondigde: 2 ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ 3 Dit was de man over wie de profeet Jesaja sprak toen hij zei: ‘Een stem roept in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden.”’ 4 Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing. 5 Uit Jeruzalem, uit heel Judea en uit de omgeving van de Jordaan stroomden de mensen toe 6 en ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, waarbij ze hun zonden beleden. 7 Toen hij zag dat veel farizeeën en sadduceeën op zijn doop afkwamen, zei hij tegen hen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je het komende oordeel kunt ontlopen? 8 Breng liever vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn. 9 En denk niet dat je bij jezelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 10 De bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 11 Ik doop jullie met water als teken van jullie inkeer, maar na mij komt iemand die machtiger is dan ik; ik ben het zelfs niet waard om zijn sandalen voor Hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 12 Hij houdt de wan in zijn hand, Hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.’ (NBV21)

Het is al weer een aantal jaren geleden dat vakbondsvrouw en politica Karin Adelmund werd gecremeerd. Zij kwam in 2005 plotseling te overlijden. Een hartaanval. Dat overkomt ons. Mensen zoals Karin Adelmund werken te hard en leven te ongezond. Ze was kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Ze was staatssecretaris geweest en daarvoor ook vicevoorzitster van de FNV. Voor echt bewogen en betrokken mensen een uitermate ongezond leven. Want na een vergadering kunnen de brieven nog even getekend worden, en voordat vergaderingen beginnen kunnen de stukken nog even doorgenomen worden. En tijdens het eten kan er overlegd worden met de medewerkenden. En als je dan ’s avonds laat thuiskomt is er nog aandacht voor de andere gezinsleden. Van zo’n leven slijt je hart. Ontspannen, bewegen, lol, het schiet er allemaal te vaak en te veel bij in.

Karin Adelmund was een bewogen vrouw. Bewogen met de armsten in de samenleving, met mensen die door ziekte en handicap niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Voor die mensen stond ze op de bres. Bij het afscheid dat van haar genomen werd in de Amsterdamse Kerk de Duif sprak ook de toenmalige Minister President Balkenende. “Ze stond voor een goede zaak” was het thema van zijn toespraak. En bij het lezen van het bovenstaande Bijbelgedeelte kun je aan die toespraak denken. Dat wat Jezus van Nazareth over de Farizeeën en Schriftgeleerden zegt leek wel op maat gesneden voor Jan Peter de minister-president. Jan Peter had natuurlijk gelijk. Karin Adelmund stond zeker voor een goede zaak. De zorg voor zieken, gehandicapten, armen en zwakken. Een zorg die zo zorgvuldig door het eerste kabinet van Jan Peter werd afgebroken. Op de hoeken van de straten staan ze te pronken met hun goedheid de leiders als Rutte en Kaag.

In de wereld van de economie stonden de voorspellers op. De ene econoom na de andere had de financiële crisis aan zien komen. Alleen de domme spaarders wisten het niet. Die hadden niet moeten vertrouwen op de toezichthouders die namens hen in de boeken hadden mogen kijken of het goed was met de banken op IJsland. Want je kunt toch nagaan dat als die toezichthouders iets verkeerd zien ze het niet kunnen vertellen, ze zouden maar schade aan kunnen richten. Dat je als minister president of als toezichthouder op banken dienaar bent van de armsten in de samenleving komt niet bij hen op. Het was iemand als Karin Adelmund die zich niet bekommerde om haar imago, maar zich openlijk bekommerde om de armsten. In deze dagen waar de leiders en toezichthouders in de financiële wereld de verantwoordelijkheid op gewone mensen afschuiven mogen we wel weer eens haar denken. En aan Jezus van Nazareth die het ons al had voorgeleefd. In zijn geest mogen wij er aan werken.

Ze zijn er niet meer.

Matteüs 2:13-23

13 Nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer, die zei: ‘Maak je gereed en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’ 14 Jozef maakte zich gereed en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte, 15 waar hij bleef tot de dood van Herodes. Zo moest in vervulling gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.’ 16 Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. 17 Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 18 ‘Er klinkt een stem in Rama, geween en luid geklaag. Rachel beweent haar kinderen en wil niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ 19 Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer, 20 die zei: ‘Maak je gereed en ga met het kind en zijn moeder naar het land Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven.’ 21 Jozef maakte zich gereed en ging met het kind en zijn moeder naar Israël. 22 Maar hij durfde niet naar Judea te gaan toen hij hoorde dat Archelaüs daar zijn vader Herodes als koning was opgevolgd. Nadat hij in een droom een aanwijzing had gekregen week hij uit naar Galilea, 23 waar hij ging wonen in de stad Nazaret. Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeten: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’ (NBV21)

Met het opruimen van de kerstboom en bijbehorende kerstversiering smijten we alle kerstromantiek voor een heel jaar weer de deur uit. Als je dan na de kerst ook nog het verhaal van vandaag leest zoals dat door Matteüs wordt verteld zijn alle herdertjes bij nachte in het veld en door het luchtruim zwevende engeltjes samen met het goud, de wierook en de mirre helemaal verdwenen. Er blijft alleen nog een droomengel over die je zo af en toe kan waarschuwen voor het ergste gevaar. Want Matteüs schroomt niet voor gruwelverhalen. Stel je voor, alle jongetjes beneden de twee jaar die vermoord moeten worden. Herodes maakt met één klap van Bethlehem het Egypte uit de tijd toen de Farao bevel gaf pasgeboren jongetjes te doden en alleen Mozes dat overleefde. Jozef had het op tijd in de gaten en zo overleefde Jezus deze moord. Want een afschuwelijke wrede moord blijft het. In de geschiedenis is het een kanttekening. In het Romeinse Rijk zal het nauwelijks opgemerkt zijn. Een vazal van de Keizer stelt de macht van het Rijk veilig.

Zo zijn er in de geschiedenis miljoenen kinderen omgebracht. In de Tweede Wereldoorlog stierven er anderhalf miljoen Joodse kinderen in de gaskamers, daarnaast ook nog zigeunerkinderen. Wat nu nieuwe koningen die worden geboren. Koningen worden door de Keizer aangewezen en als het goed gaat worden ze geboren in Paleizen, ook al regeren ze bij de gratie Gods. De machtigen moeten machtig blijven en als het nodig is beschermen ze hun positie met geweld. Het is vandaag in de wereld niet anders dan in de dagen van Herodes. Egypte staat in de symboliek van Israël voor het soort rijk van de dood waar het op deze manier toegaat. En daarom kon met recht gezegd worden dat Jezus uit Egypte naar Israël gekomen was. Dat terugkomen was overigens niet met veel tromgeroffel en fanfare. Om geen enkel risico te lopen vestigde Jozef zich met zijn gezin in Galilea, in Nazareth dus. Daar waren de Romeinen via de stadhouder de baas. Je weet maar nooit hoe ver de machtige arm van het paleis reikt en Galilea stond niet onder direct bestuur van Koning Archelaüs, een van de drie zonen van Herodes die na de dood van Herodes de Grote het land hadden verdeeld. Archelaüs zou worden afgezet omdat hij te wreed was voor de bevolking.

Dat Nazareth was zo klein en onbeduidend dat het nergens in de oude geschriften verder vermeld wordt. De naam wijst op de aanwezigheid van kreupelhout. Jozef duikt dus met zijn gezin onder in het kreupelhout. Dat Jezus een Nazoreeër genoemd zou worden is een merkwaardige uitspraak. Dat staat namelijk nergens in de boeken van de Profeten. Wel dat de Messias verachtelijk en nietswaardig genoemd zou worden. Dat hij dus opgroeide in het kreupelhout klopt dus wel met de voorspelling. Maar dat Jezus door een gelofte van zijn ouders apart gezet is en voorbestemd is zijn volk te bevrijden, zoals van Simson werd verteld, en wat “Nazoreeër” is volgens de geboden die in het boek Numeri worden beschreven, klopt hier niet in het verhaal. Maar dat namen in de Bijbel om hun klankverwantschap tot onverwachte verbindingen leiden komt vaker voor. Het verhaal gaat ook hier van dood naar leven. Van een gruwelijke moord die niet werd tegengehouden naar de komst van de Weg van Jezus van Nazareth. Een verhaal dat daardoor de Weg van Liefde, Recht en Vrede des te meer doet oplichten en een verhaal dat begint met een geboorte op een kale akker waar de schapen worden gevoed en een kind dat opgroeit in het struikgewas langs de weg..

Waar is de koning

Matteüs 2:1-12

1 Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, tijdens de regering van koning Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2 Ze vroegen: ‘Waar is de koning van de Joden die onlangs geboren is? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem te aanbidden.’ 3 Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. 5 ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet: 6 “En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.”’ 7 Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, 8 en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het te aanbidden.’ 9 Nadat ze de koning hadden aangehoord gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. 10 Toen ze de ster zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. 11 Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich in aanbidding voor het kind neer. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het geschenken aan: goud en wierook en mirre. 12 En omdat ze in een droom de aanwijzing hadden gekregen dat ze niet naar Herodes terug moesten gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land. (NBV21)

We lezen vandaag nog een kerstverhaal. Per slot van rekening viert een deel van de Christenheid het kerstfeest gelijk met het feest dat wij Drie Koningen noemen. Dit kerstverhaal is het verhaal zoals Matteüs dat heeft opgeschreven. Toen Jezus was geboren in Bethlehem kwamen er  magiërs in Jeruzalem aan die de nieuwe Koning van de Joden zochten. In de Roomse Kerk spreekt met graag over drie Koningen, die heten dan ook nog Melchior, Caspar en Balthasar en zijn uiteindelijk begraven in de Dom van Keulen. Volgens de Protestantse geleerden, die het ook bij de vertaling gewonnen hebben, is het beter te spreken van “magiërs”, astrologen. De orde van deze magiërs werd al genoemd bij de profeet Daniël. Ze hadden een ster gezien waarvan de verschijning werd uitgelegd als een teken dat er een nieuwe koning in Israel was geboren. Ze gingen dus naar het paleis van Herodes. Mensen die de geschiedenisboekjes hebben gelezen zullen zeggen dat Herodes in het jaar 0 al een paar jaar dood was.

Dat klopt, later kwam er wel weer een andere Herodes maar in het jaar 0 was die er nog niet. In de middeleeuwen was er een monnik die het begin van de jaartelling wilde stellen op het geboortejaar van Jezus van Nazareth. Dat vergde wel wat rekenwerk en daar vergiste hij zich ook wat mee. Daarom neemt men tegenwoordig aan dat Jezus werd geboren in het jaar 6 voor het begin van de jaartelling, toen Herodes heel het volk trouw wilde laten zweren aan Keizer Augustus. Wanneer precies is niet echt bekend en ook niet zo belangrijk, volgens Lucas was het uitdrukkelijk voor Quirinius in het jaar 6 na het begin van de jaartelling landvoogd over Syrië werd. De magiërs waren inmiddels vergeten dat je voor een echte koning van Israel niet in een paleis moet zijn maar op de akker die de familie van de Koning bij de verdeling van het land onder Jozua had gekregen en elke 50 jaar weer terug zou moeten krijgen. Daar had ook ooit de profeet Micha op gewezen. Op die manier zouden de wetten van Israel, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, zorgen voor bevrijding van de armen.

Dat duidelijk maken was immers ook het doel van Matteüs. Toen de magiërs hun geschenken hadden gebracht in Bethlehem snapten ze wel dat ze niet bij die koning Herodes moesten zijn, dat er heel wat anders aan de hand was en ze gingen langs een andere weg terug. Kunnen we nu uit de sterren de toekomst voorspellen? Welnee, daar gaat het verhaal toch niet over. Dat verhaal gaat over de droom van Israel dat Koning David, het huis van David, de opvolger van David dus, door de hele wereld erkend zou worden als de echte heerser van Israël. Herodes was niet langer de echte koning van Israël, de echte koning was geboren in Bethlehem zoals de profeten hadden voorzegd. In de diepste duisternis van de Romeinse bezetting, die naar eigen willekeur koningen op de troon van Israël had gezet, komt het bericht dat de hoop die profeten in het bangst van de ballingschap hadden uitgesproken vervuld zou worden. De bevrijding van de armen is eindelijk aangebroken. Toen Jezus was geboren in Bethlehem, toen begon het en vandaag de dag mogen wij er aan mee gaan doen. Dat is pas kerstfeest vieren en dat kan elke dag opnieuw.

Op bevel

Numeri 9:15-23

15 Op de dag waarop de tabernakel met de verbondstekst was opgebouwd, werd hij overdekt door een wolk. Die avond was de wolk zichtbaar als een vuur boven de tabernakel, en dat bleef zo tot de volgende morgen. 16 Zo was het voortdurend: de wolk overdekte de tabernakel en was ’s nachts te zien als een vuur. 17 Telkens als de wolk zich van de tent verhief trokken de Israëlieten verder, en op de plaats waar de wolk stilhield sloegen ze hun kamp op. 18 Op bevel van de HEER trokken de Israëlieten verder, en op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op. Zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven ze op de plaats waar ze waren. 19 Bleef de wolk lange tijd boven de tabernakel hangen, dan braken de Israëlieten al die tijd niet op; ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER. 20 Soms bleef de wolk maar een paar dagen boven de tabernakel hangen. Ook dan sloegen ze hun kamp op wanneer de HEER daartoe bevel gaf en trokken ze weer verder wanneer de HEER het beval. 21 Soms ook bleef de wolk alleen van de avond tot de morgen. Als hij zich dan ’s morgens verhief, trokken ze verder. Zodra de wolk zich verhief, of dat nu overdag gebeurde of ’s nachts, trokken ze verder. 22 Rustte de wolk langere tijd boven de tabernakel – een paar dagen of een maand of een jaar – dan bleven de Israëlieten al die tijd op de plaats waar ze waren; pas wanneer hij zich verhief trokken ze weer verder. 23 Op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op, en op bevel van de HEER trokken ze verder. Ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER, die de HEER hun bij monde van Mozes gegeven had. (NBV21)

Als je de Bijbel in stukjes leest, zoals we hier elke dag doen aan de hand van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbel genootschap, dan loop je de kans de meest noodzakelijke informatie te missen en daardoor kan de boodschap van een gedeelte uit de Bijbel je gemakkelijk ontgaan. Zo lezen we vandaag het tweede gedeelte van het negende hoofdstuk uit het boek Numeri. Dit boek hoort bij de eerste vijf boeken van de Bijbel. Daar staan verhalen en richtlijnen voor het opbouwen van een menselijke samenleving in het land dat overvloeit van melk en honing. De eerste zin van het gedeelte van vandaag zet veel geleerden op het verkeerde been. Het is duidelijk dat dit gedeelte één verhaal vertelt, er komt een wolk, die zich in de nacht als een vuur voordoet en als die wolk optrekt trekt ook het volk op en als die wolk het aangeeft dan slaat het volk weer een kamp op. Die wolk kwam er op de eerste dag dat de opbouw van de tabernakel was opgebouwd, een mooi beeld dus.

Maar als je het verhaal leest in het Hebreeuws waarin de Hebreeuwse Bijbel geschreven is dat stuit je toch op een paar verbazende opmerkingen. Wat de Nieuwe Bijbelvertaling als “Tabernakel” vertaalt heet in het Hebreeuws iets als de “Woning van de getuige, of getuigenis” Het verhaal over de opbouw van dit Heiligdom staat beschreven in het boek Exodus. Daar staat tot in het kleinste detail beschreven hoe dat Heiligdom er moet uitzien, wat er allemaal in moet staan en wie er wat mee mag doen. Ook als het volk onderweg gaat dan sleept het niet zomaar het Heiligdom mee maar er staat precies wie wat moet dragen en waar die dragers hun eigen tent moeten opslaan als het volk weer halt houdt. Maar in het boek Exodus heet dat Heiligdom “Tent der Ontmoeting” en dat is toch een iets andere naam. Het is alleen duidelijk dat er in die Tent geen beeld van een God staat, alleen een kist van acaciahout met daarin de tekst van het verbond dat tussen God en het volk was gesloten en op die kist een paar gouden figuren die het symbool waren van de bescherming van dat verbond.

Waar komt dat “getuige” nu vandaan? Daarvoor hadden we eigenlijk het eerste deel van het negende hoofdstuk moeten lezen. Daarin wordt verteld dat het volk voor het verder ging eerst de maaltijd herhaalde die het had gehouden op de avond dat ze uit het land Egypte waren gejaagd. Alle eerstgeborenen van Egypte waren die avond doodgegaan. Alleen bij de Hebreeën, die het volk Israël zouden vormen, ging de eerstgeborene niet dood. Zij hadden een lam geslacht, het vlees gebraden en het bloed aan de deurposten gesmeerd. Dat doden van die eerstgeborenen werd aan de God van die Hebreeuwse slaven toegeschreven en daarom werden ze het land uitgegooid. Die Hebreeën geloofden zelfs overigens ook in het ingrijpen van die God. Ze hadden broden gebakken zonder gist of zuurdesem zodat ze lang in de woestijn houdbaar zouden blijven. Met de maaltijd herdachten ze de bevrijding door God uit het land van de dood. Dat Heiligdom, die wolk, waren daar de getuige van. De bevrijding uit de dood was niet zomaar, dat hadden ze gekregen, daar hoefden ze niets anders voor te doen. Bij de maaltijd moesten ze delen, met de armen, met de vreemdelingen en zelfs met slaven en slavinnen. Dat delen is het belangrijkste voor het volk, zonder delen overleef je de woestijn niet. Voor ons geldt dat zonder delen onze samenleving tot een dodende woestijn wordt. God heeft ons genoeg gegeven om te delen. De Bijbel legt ons daarom ook een keuze voor, tussen leven en dood. Laten we dus opstaan en kiezen voor het leven. God gaat ons in een wolk vooruit.

Hoe lang nog

Psalm 89:39-53

39 Toch hebt U hem verstoten en verworpen, uw toorn over uw gezalfde uitgestort, 40 het verbond met uw dienaar versmaad, zijn kroon vertrapt en ontwijd. 41 U hebt de wallen van zijn stad gesloopt, al zijn vestingen afgebroken, 42 voorbijgangers beroofden hem, naburige volken bespotten hem. 43 U gaf zijn tegenstanders de overhand, zijn vijanden verheugden zich, 44 U beroofde zijn zwaard van zijn scherpte, U hield hem niet staande in de strijd. 45 U hebt zijn glans gedoofd, zijn troon omvergeworpen, 46 de dagen van zijn jeugd verkort, hem met schande overdekt. sela 47 Hoe lang nog, HEER? Verbergt U zich voor altijd, blijft het vuur van uw woede branden? 48 Gedenk mij en mijn vluchtig bestaan. Hoe nietig hebt U de mens geschapen! 49 Leeft er iemand die de dood niet zal zien, die ontkomt aan de greep van het dodenrijk? sela 50 Waar is uw liefde van vroeger, Heer, hebt U David geen trouw gezworen? 51 Gedenk, Heer, dat uw dienaren worden bespot, dat ik lijd onder de hoon van vele volken. 52 Uw vijanden, HEER, bespotten mij, spotten met uw gezalfde, waar hij ook gaat. 53 Geprezen zij de HEER in eeuwigheid. Amen, amen. (NBV21)

Wie het verhaal van Koning David kent weet dat zelfs die koning uiteindelijk niet heel zijn leven de koning is gebleven die God had gewild. Hij kreeg te maken met de pest toen hij een volkstelling liet uitvoeren, alsof God er niet voor kon zorgen dat zijn volk groot en sterk werd. Hij kreeg te maken met opstandige zonen en verraderlijke generaals, hij stuurde een officier de oorlog in en wel zo dat hij zou omkomen zodat hij met diens weduwe kon trouwen en hij voerde uiteindelijk toch meer oorlogen dan nodig was om zijn volk vrede te brengen. Door die oorlogen mocht hij niet de Tempel bouwen die hij zo graag in zijn hoofdstad had gezet. David moest leren dat hij een mens was, dat niet zijn eerzucht en heerszucht de overhand mochten krijgen, juist omdat hij Koning was. De heerser die in de Bijbel door God wordt gewaardeerd en geliefd is altijd de dienende heerser, de heerser die recht en gerechtigheid brengt en de vrede nastreeft. Door dat niet na te streven gaat uiteindelijk de dynastie van Koning David ten onder en wordt Jeruzalem verwoest, het volk in ballingschap gevoerd en lijkt het met het volk Israël afgelopen.

Al die ellende kun je terug horen in dit laatste deel van deze Psalm. De ellende van een volk mag je dus best onder woorden brengen. En als je goed leest in dit laatste gedeelte van deze Psalm dan zie je dat zelfs in de Bijbel die ellende aan God wordt toegeschreven. Want moet die ellende voor altijd duren? God heeft het toch met de zwakken, met de lijdenden? Die vraag wordt ook aan God gesteld. Maar de psalmdichter wend zich niet van God af. Het gaat toch uiteindelijk om het vertrouwen in God. Die ellende zal niet eeuwig duren. Dat is niet het laatste woord. Het laatste woord is het prijzen van de Heer en dat prijzen kun je als Jeruzalem weer is hersteld, als het volk uit ballingschap is teruggekeerd, als de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf weer in het hart van het volk is gezet, als recht en gerechtigheid weer hersteld zijn en vrede is gesticht. Natuurlijk is het slot van deze Psalm ook de traditionele keurige afsluiting van een reeks Psalmen zoals ze in de Tempel werden gezongen, maar er wordt net even meer gezongen als alleen Amen. En het contrast tussen de laatste zin van deze Psalm en wat er voor staat is groot.

Dat kun je niet zomaar over je lippen krijgen na de opsomming van al die ellende. Daarom eindigt de Psalm met een noot van hoop. Het hoeft niet over te zijn en misschien maken wij het nog wel mee. Daarmee krijgt deze psalm ook voor ons een extra betekenis. Ook wij roemen graag op alles wat we voor elkaar hebben gekregen. We geven hoge bedragen uit aan ontwikkelingssamenwerking, we helpen tegen hoge prijs andere volken vrede te vinden, tallozen onder ons doen aan vrijwilligerswerk en helpen mensen en de samenleving leefbaar te houden. Ze horen thuis in het eerste deel van de Psalm die we de afgelopen dagen hebben gelezen. Maar we worden tegen vreemdelingen opgezet, we verwaarlozen kinderen van ouders met een lager inkomen, we houden onrechtvaardige handelsovereenkomsten in stand, we geven miljarden uit aan wapensystemen die we alleen in oorlog kunnen gebruiken, we verkopen wapens aan regeringen die hun volk onderdrukken. Er valt ook nog heel veel in onze samenleving te verbeteren. En de hoop waarmee de psalm besluit maakt dat we met dat verbeteren en het volhouden van het goede vandaag weer verder mogen.

Mijn trouw en mijn liefde

Psalm 89:20-38

20 Ooit hebt U in een visioen gesproken tot uw getrouwen en gezegd: ‘Ik heb hulp geboden aan een held, een jongen uit het volk verheven. 21 In David vond Ik een dienaar, Ik zalfde hem met heilige olie. 22 Mijn hand geeft hem steun, mijn arm maakt hem sterk, 23 geen vijand zal hem overvleugelen, geen boosdoener hem bedwingen, 24 zijn belagers zal Ik voor zijn ogen verslaan, zijn haters vermorzelen. 25 Mijn trouw en mijn liefde vergezellen hem, door mijn naam zal hij in aanzien stijgen. 26 Zijn linkerhand leg Ik op de zee, zijn rechterhand op de rivier. 27 Hij zal tot Mij roepen: “U bent mijn vader, mijn God, de rots die mij redt!” 28 Ik maak hem tot mijn eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen der aarde. 29 Mijn liefde zal hem altijd beschermen, hecht is mijn verbond met hem. 30 Zijn dynastie houd Ik voor altijd in stand, zijn troon zolang de hemel bestaat. 31 Als zijn zonen zich afkeren van mijn wet, niet leven naar mijn voorschriften, 32 mijn wetten schenden, mijn bevelen niet opvolgen, 33 dan zal Ik hen tuchtigen voor hun misdaden, hun zonden bestraffen met slagen. 34 Maar mijn liefde zal Ik hem niet afnemen, mijn trouw aan hem niet breken, 35 Ik zal mijn verbond niet schenden, mijn woorden niet herroepen. 36 Eens heb Ik dat bij mijn heiligheid gezworen, nooit breek Ik mijn woord aan David. 37 Zijn dynastie zal altijd voortleven, zijn troon voor Mij staan als de zon, 38 als de maan die standhoudt voor eeuwig, trouwe getuige aan de hemel.’ sela (NBV21)

Hoewel deze Psalm gaat over David, de koning van Israël, de beste koning die ze ooit hebben gehad, zingt dezelfde Psalm dat niet David maar God op de troon van Israël zit. Het is dan ook een lied op de successen van Israël. Dat ging pas goed als er gerechtigheid en recht in het land heerste. Dan konden de armen, die vanouds het eerst onderdrukt worden, zich weer oprichten. De waarheid komt dan aan het licht en door de liefde kunnen mensen die het nodig hebben ook echt geholpen worden. Als een volk door heeft dat het door die God van Israël komt dan kan dat volk ook weer juichen voor die God. In ons land lijkt het er vaak op dat het geloof in de God van Israël alleen maar gaat over wat fatsoenlijke mensen niet meer mogen. Vooral bloot mag niet meer en elkaar stevig de waarheid zeggen dat mag ook niet. Maar over het uitbuiten van armen, de exorbitante zelfverrijking bij Banken en grote bedrijven wordt gezwegen. De oneerlijke handelsverhoudingen die arme boeren tot stoppen dwingen en duizenden in Afrika in honger laten worden zelfs verdedigd, we moeten onze eigen rijkdom beschermen.

De gerechtigheid waarover deze Psalm zingt is dan ook bij ons meer dan nodig, ook in onze wereld moeten mensen zich oprichten die nu nog onderdrukt en uitgebuit worden. Het arme volk heeft altijd al een visioen, een droom gehad, van een held, een bevrijder die zou opstaan en de onderdrukkers zou bevrijden. De dichter van de Psalm denkt daarbij natuurlijk aan David maar ook in onze dagen lopen mensen maar al te graag leiders na die hen de hemel beloven. Dat is gevaarlijk, David liep er aanvankelijk voor weg, en ook David had de nodige fouten in zijn leven. De successen van David waren volgens deze Psalm de successen van God en daarom kunnen wij alleen spreken over leiders die ons zouden kunnen bevrijden als ze de wetten van de God van Israël in ons midden zouden zetten, de belangrijkste wet het heb Uw naaste lief als Uzelf. In Israël waren alle eerstgeborenen aan God gewijd, dat wat je het eerste krijgt was niet voor jezelf maar was voor God die het kon gebruiken om gerechtigheid te doen, om de zwakken te helpen. De eerstelingen van de oogst waren dan om de hongerigen te voeden.

Maar David was geen eersteling, hij was de jongste van zeven broers. Hij werd eersteling gemaakt zingt de Psalm. Daarmee kunnen we allemaal eerstelingen worden, daarmee kan iedereen gewijd worden aan de God van Israël en bestemd worden om de onderdrukten te bevrijden, om de armen gerechtigheid te doen, om de hongerigen te voeden. Dan kan iedereen een plaats krijgen in de dynastie van David, opvolger worden van de koning van vrede en gerechtigheid. Die koningen, opvolgers van David die zich niet aan die heerschappij van de God van Israël onderwerpen, die zichzelf verrijken, de armen onderdrukken, de vreemdelingen vernederen, zullen uit de dynastie verwijderd worden staat hier. Want, zo staat er, de liefde van de God van Israël voor zijn volk, voor alle volken, zal niet verminderen, God blijft trouw aan wat zijn hand begon. Een troostrijke Psalm, een troost die ons nieuwe moed mag geven om ook vandaag weer te werken aan die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, een aarde waar God zelf zal wonen.

 

Krachtig is uw hand

Psalm 89:1-19

1 Een kunstig lied van de Ezrachiet Etan. 2 Van uw liefde, HEER, wil ik eeuwig zingen, van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht. 3 Ik belijd: uw liefde houdt eeuwig stand, uw trouw hebt U in de hemel gevestigd. 4 ‘Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten, aan mijn dienaar David gezworen: 5 Jouw dynastie zal Ik voor eeuwig vestigen, je troon in stand houden, geslacht na geslacht.’ sela 6 HEER, laat de hemel dit wonder prijzen, laat de kring van hemelingen U loven om uw trouw. 7 Want wie daarboven kan de HEER evenaren, wie van de goden zich meten met de HEER, 8 met God, zeer geducht in de raad van de hemelingen, gevreesd bij allen die Hem omringen? 9 HEER, God van de hemelse machten, HEER, wie is zo sterk als U? Trouw omhult U als een mantel. 10 U heerst over de hoog rijzende zee – verheffen zich haar golven, U brengt ze tot rust. 11 U hebt Rahab verpletterd en doorboord, met krachtige arm uw vijanden verstrooid. 12 Van U is de hemel, van U ook de aarde, de wereld met alles wat er leeft, hebt U gegrond, 13 het noorden, het zuiden, U hebt ze geschapen, Tabor en Hermon bejubelen uw naam. 14 Uw arm verricht grote daden, krachtig is uw hand, geheven uw rechterarm, 15 uw troon rust op recht en gerechtigheid, liefde en trouw staan in uw dienst. 16 Gelukkig het volk dat van uw roem getuigt en leeft, HEER, in het licht van uw gelaat. 17 Juichend roepen zij uw naam, dag aan dag, door uw gerechtigheid richten zij zich op. 18 U bent de glans van onze kracht, door uw gunst verhoogt U ons aanzien. 19 Aan de HEER danken wij ons schild, aan de Heilige van Israël onze koning. (NBV21)

We zingen vandaag met de hele kerk een prachtig loflied op de God die met je meetrekt, de God van Israël, die ook met ons meetrekt. Liefde en trouw zijn de sleutelwoorden van dit loflied en de manier waarop die God zijn liefde heeft getoond is in het sluiten van zijn verbond. Heel vaak vatten we in het kerkelijk spraakgebruik dat verbond op als het verbond dat die God met zijn volk op de Sinaï heeft gesloten maar dat is toch te kortzichtig. Wie de Bijbel goed leest ontdekt dat God telkens weer met zijn mensen opnieuw een verbond sluit. Steeds is dat verbond afgestemd op de mensen en de omstandigheden waarin die mensen zijn komen te verkeren. Dat begon al met Eva die als belofte kreeg dat een nakomeling van haar die vreselijke slang de kop zou intrappen zodat er geen verleiding meer zou zijn het kwade te doen en alleen het goede zou overblijven. Ook Noach kreeg na de zondvloed de belofte dat nooit meer de hele aarde verwoest zou worden door een overstroming, als teken daarvan geldt de regenboog.

En Jezus van Nazareth beloofde zijn volgelingen dat hij met hen zou zijn al de dagen tot het einde van de geschiedenis. In dit lied gaat het over het verbond tussen de God van Israël en de Koning van Israël bij uitstek, David. In Koningen zoals David was kunnen we voor altijd het verbond van God met de mensen herkennen staat er eigenlijk. En van David weten we dat hij de armen in bescherming nam, dat hij wel veel oorlogen voerde maar altijd om zijn volk te beschermen en om vrede te winnen, dat hij recht en gerechtigheid betrachtte en dat hij niet voor zijn fouten wegliep maar ondanks zijn fouten vasthield aan het verbond met de God van Israël. Hij stelde de Wet van Israël, die ze in de woestijn hadden ontvangen, heb Uw naaste lief als Uzelf, in het midden van het volk, in de hoofdstad Jeruzalem.

Over zo’n verbond mag alles en iedereen juichen, want met de aanstelling en het voorbeeld van een dergelijke koning is elk monster dat de zwakken kan bedreigen verslagen. Hier wordt dat monster Rahab genoemd in de literatuur een verschrikkelijk monster, maar ook soms de aanduiding voor Egypte het doodsland dat het volk in slavernij hield, zoals zoveel machthebbers mensen in hun greep en in slavernij proberen te houden. Wie er ook door mensen tot god of godje wordt uitgeroepen, de idolen en de sterren uit onze dagen, de materiële doelen als winst en profijt waaraan alles ondergeschikt gemaakt moet worden, alles en iedereen en alle doelen die je je kunt voorstellen dienen onderworpen te worden aan die God. Uit dat verbond blijkt dat het moet gaan om de zwaksten in de wereld, de hongerigen, de lammen, de blinden, de weduwen en de wees, de armen. Die worden bevrijd door een regering als die van David, daar mogen we aan werken, ook vandaag weer.

 

Vrede geven

Numeri 6:22-27

22 De HEER zei tegen Mozes: 23 ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen: 24 “Moge de HEER u zegenen en u beschermen, 25 moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, 26 moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.” 27 Wanneer zij mijn naam over het volk uitspreken, zal Ik de Israëlieten zegenen.’ (NBV21)

Dit nieuwe jaar begint met een zegen. Wat is nu weer een zegen? Een zegen is een boodschap waarmee je kracht overdraagt van de ene mens op de andere. Dat is mooi gezegd maar wat moeten we er dan mee. We zegenen elkaar toch nooit? Dat is een vergissing, als iemand iets naars overkomt dan zeggen we “sterkte” in de hoop dat onze eigen kracht de ander tot steun mag zijn. Dat is de meest eenvoudige vorm van zegen. Als we voor lange tijd, misschien wel voor altijd, afscheid nemen zeggen we: “het ga je goed” en het argeloos gebruikte “adieu” zijn allebei zegeningen. Het eerste spreekt een wens uit die iemand mee kan nemen en hoop kan geven. Het andere is Frans voor “tot bij God” en bij God komen doen we alleen als we het goede gedaan hebben en niet dan het goede. We zegenen elkaar dus nog wel eens.

Maar dan het Bijbelgedeelte dat we vandaag lezen, wat moeten we daar nu mee? Voor gelovigen in de God van Israël is de kracht van die God de grootste kracht op aarde, die kracht is Liefde. Tussen het volk en zijn God stond in het volk Israël de priester. De eerste priester was Aäron en elke priester in Israël stamde van Aäron af. Die priester moest dus de kracht van de God van Israël overdragen op het volk. Daar is dus deze zegen voor bedoeld. In kerken is het op deze manier geven van de zegen overgenomen door de voorgangers. Nadat zij de boodschap van God hebben verkondigd en de boodschap uit de Bijbel hebben uitgelegd wordt de gemeente heengezonden met de kracht van God.

Wat krijg je dan als je gezegend wordt door de God van Israël. Allereerst de kracht van God, het vermogen je naaste Lief te hebben als jezelf. Maar je krijgt ook bescherming. Loop je dan geen tegenslag of rampspoed op? Integendeel, het overkomt gelovigen net als ongelovigen. Maar je hoeft je er niet bang voor te maken. Je wordt door het vertrouwen op God beschermt tegen alle angst. Vervolgens mag je steeds opnieuw beginnen als je het spoor van de liefde niet hebt gevolgd. Als je het opbrengt je naaste lief te hebben dan straal je, lukt het een keer niet maar probeer je het telkens weer dan is er vergeving. Wat je in elk geval mag weten is dat de kracht van de Liefde uiteindelijk vrede geeft, de afwezigheid van angst stelt je gerust, maar je liefde zelfs voor je vijanden behoed je voor onvrede. Dat wat je toevalt krijg je van God en daarvoor mag je dankbaar zijn. Veel heil en zegen dus voor het nieuwe jaar.