Davids aartsvijand.

1 Samuël 18:17-30

17 Toen zei Saul tegen David: ‘Hier is mijn oudste dochter Merab. Ik bied je haar als vrouw aan, op voorwaarde dat je in mijn dienst je heldhaftigheid blijft tonen en voor de HEER ten strijde trekt’ -want hij dacht bij zichzelf: Ik hoef hem niet zelf om het leven te brengen, laten de Filistijnen dat maar doen. 18 David antwoordde: ‘Wie ben ik en wat heeft mijn familie, de verwanten van mijn vader, in Israël te betekenen, dat ik een schoonzoon van de koning mag worden?’ 19 Toen de dag was aangebroken dat Merab, de dochter van Saul, met David in het huwelijk zou treden, werd ze uitgehuwelijkt aan Adriël uit Mechola. 20 Ondertussen was Sauls dochter Michal verliefd geworden op David. Saul hoorde hiervan en het kwam hem goed uit. 21 Ik bied hem Michal als vrouw aan, dacht hij, dan loopt hij door haar in de val en kunnen de Filistijnen hem om het leven brengen. Tegen David zei hij: ‘Je kunt alsnog mijn schoonzoon worden, door met mijn tweede dochter te trouwen.’ 22 En zijn hovelingen droeg hij op: ‘Gaan jullie eens met David praten, maar doe dat onopvallend. Zeg tegen hem: “Zie je wel dat de koning op je gesteld is? En al zijn dienaren mogen je graag. Grijp dus je kans om de schoonzoon van de koning te worden.”’ 23 Sauls hovelingen brachten deze woorden aan David over, maar hij antwoordde: ‘Jullie denken zeker dat het zo eenvoudig is om schoonzoon van de koning te worden. Ik ben anders maar een arm en eenvoudig man.’ 24 Toen ze aan Saul vertelden wat David gezegd had, 25 zei hij: ‘Zeg tegen David dat de koning niet aan een bruidsprijs hecht en dat hij genoegen neemt met de voorhuiden van honderd Filistijnen, als wraak op zijn vijanden.’ Het was zijn bedoeling dat David op die manier zou sneuvelen in de strijd tegen de Filistijnen. 26 De hovelingen brachten Sauls woorden aan David over, en die stemde er toen mee in om schoonzoon van de koning te worden. Nog binnen de termijn voldeed hij aan de gestelde voorwaarde. 27 Hij rukte met zijn troepen uit en doodde tweehonderd Filistijnen. Hun voorhuiden nam hij mee om ze aan de koning af te dragen. Het waren er meer dan genoeg om de hand van de koningsdochter te verwerven, en Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw. 28 Uit dit alles maakte Saul op dat de HEER David bijstond. Bovendien had zijn dochter Michal David lief. 29 Zijn angst voor David nam nog toe, en van toen af was hij Davids aartsvijand. 30 En telkens als de Filistijnse bevelhebbers een aanval op Israël ondernamen, streed David met meer succes tegen hen dan een van Sauls andere dienaren. Zo oogstte hij steeds meer roem.(NBV21)

David werd een concurrent van Saul, in de populariteit met het volk die aan David tienduizend dode Filistijnen toedichtte en aan Saul maar duizend. Maar Saul had David ook nodig als therapeut, de harp verzachtte zijn woede. Saul probeert nu David in die dubbele relatie te treffen. Hij biedt hem de hand van zijn oudste dochter en maakt hem legeroverste over duizend soldaten. Maar als David zal trouwen met Merab trouwt zij met een ander en als legeroverste staat David tegen een overmacht van Filistijnen. Op beide fronten wordt David echter toch winnaar Want de andere dochter van Saul wordt verliefd op David zodat het huwelijk dat zal volgen een huwelijk uit liefde wordt en niet uit berekening. En de oorlogen die David moet voeren worden door hem steeds gewonnen.

Zelfs als Saul terugvalt op de gewoonte van Abraham, voorhuiden van vijanden afsnijden als bewijs van overwinning, wint David nog. In de eerste oorlog die in Genesis wordt beschreven voert Abraham oorlog om Lot en de bondgenoten in Kanaän te beschermen. Als teken van overwinning neemt Abraham de voorhuiden van de vijanden. Daarna laat hij zichzelf besnijden zodat hij onoverwinnelijk wordt. Nu moet David de voorhuiden van de onbesneden Filistijnen nemen om Michal voor zich te winnen. Een riskante operatie want je kunt niet letten op wat de vijand doet. Maar weer heeft David succes en hij neemt het dubbele aantal mee naar huis.

Het is het uiteindelijke bewijs voor Saul dat hij niet langer in de gunst staat bij de God van Israël. Het lukt hem niet zijn rivaal te laten sneuvelen in de strijd met de Filistijnen. Het zal veel verder in het verhaal David overigens wel lukken een rivaal te laten sneuvelen in de strijd om Batseba. Saul wordt gewoon bang voor David en angst is een slechte raadgever. Het verhaal laat het contrast zien tussen Koningen en bestuurders zoals wij ze ook kennen en Koningen en bestuurders zoals de God van Israël die wil. David blijft volhouden een eenvoudig man te zijn die zich in dienst van volk en koning stelt ter ere van zijn God. Saul blijft streven naar eer en glorie voor zichzelf, desnoods ten koste van zijn eigen onderdanen en ten koste van zijn meest succesvolle legeraanvoerder. Wij mogen dus leren te letten op regeerders die meer letten op eigen eer en glorie, op eer en glorie voor het volk dat ze regeren dan dat ze letten op vrede en recht, ook vandaag weer.

 

Zingend en dansend

1 Samuël 18:6-16

6 Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, liepen in alle steden van Israël de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. 7 Opgetogen zongen ze: ‘Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.’ 8 Saul ergerde zich aan dit lied en werd woedend: ‘David geven ze er tienduizenden en mij maar duizenden. Nog even en ze geven hem het koningschap!’ 9 Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen. 10 De volgende dag werd Saul opnieuw overmand door een kwade geest van God. Hij liep als een razende door het huis, met zijn speer in de hand, terwijl
David zoals gewoonlijk op de lier tokkelde. 11 ‘Ik spies die jongen aan de muur!’ riep Saul uit. Hij wierp zijn speer, maar David kon hem tot tweemaal toe ontwijken. 12 Toen begon Saul bang te worden voor David, omdat hij merkte dat de HEER hem verlaten had en David bijstond. 13 Hij wilde David niet meer in zijn buurt hebben en stelde hem aan als bevelhebber over een eenheid van duizend man. Aan het hoofd van zijn troepen ondernam David verschillende veldtochten, 14 en hij bracht ze alle tot een goed einde omdat de HEER hem bijstond. 15 Toen Saul zag dat David slaagde in alles wat hij ondernam, werd hij nog banger voor hem. 16 Maar verder droeg iedereen in Israël en Juda David op handen, omdat hij hen steeds opnieuw aanvoerde in hun veldtochten. (NBV21)

We hebben twee verhalen gelezen over de komst van David aan het hof van Saul. In het eerste verhaal werd hij gevraagd als muzikant die met zijn muziek de boze geest moest verdrijven die de God van Israël Saul had gestuurd. In het tweede verhaal kwam David aan het hof als krijgsman, de overwinnaar van Goliat. Er was dus een dubbele relatie tussen Saul en David. Saul had David nodig als therapeut, muziektherapeut die hem verloste van zijn aanvallen, maar tegelijk werd David een concurrent in de populariteit met het volk die aan David tienduizend dode Filistijnen toedichtte en aan Saul maar duizend.

Saul kennen we als een ijdel man. Van ijdelheid hebben meer machthebbers last. Zeker als ze niet kunnen hebben dat er iemand is die hen de waarheid over hun optreden zegt. Mensen die dat durven worden snel uit de omgeving van de machthebber verwijderd. Ontslag, als crimineel vervolgd of opgesloten in een psychiatrische inrichting. en als het zelf machthebbers zijn die bondgenoten zouden moeten zijn dan kunnen ze rekenen op een vernederende scheldpartij. Saul zoekt nog naar trucs om van die concurrent af te komen.

In het gedeelte van vandaag zien we er twee. Saul wordt af en toe bezeten door een boze geest. Dat hij zelf niet met zijn onvrede en angsten om kon gaan en dat die af en toe tot uitbarstingen konden leiden was nog niet bekend. David was ingehuurd om die boze geest te verdrijven. En nu kon het aan de boze geest worden toegeschreven als Saul David vermoordde. Maar dat ging niet op. Dan de volgende truc. Laat hem sneuvelen. David zou de truc later ook gebruiken. Maar Saul lukt het niet. David sneuvelt niet maar wint en wordt ,steeds populairder. Het verhaal leert ons uiterst voorzichtig te worden als het gaat om ijdele machthebbers, ze zijn een ramp voor de mensen, maar lastig te bestrijden, ook vandaag weer.

 

Een innige vriendschap

1 Samuël 17:55–18:5

55 Terwijl Saul toekeek hoe David de Filistijn tegemoet trad, vroeg hij aan zijn opperbevelhebber Abner: ‘Zeg eens, van wie is die jongen een zoon?’ ‘Zo waar u leeft, koning,’ antwoordde Abner, ‘ik weet het niet.’ 56 ‘Zoek dan uit van wie die jongeman een zoon is,’ droeg de koning hem op. 57 Toen David na zijn overwinning op de Filistijn terugkwam, wachtte Abner hem op en leidde hem naar Saul. Het hoofd van de Filistijn had hij nog in zijn hand. 58 ‘Van wie ben jij een zoon, jongen?’ vroeg Saul, en David antwoordde: ‘Ik ben de zoon van uw dienaar Isaï uit Betlehem.’ 1 ¶ Jonatan, die bij dit gesprek aanwezig was, voelde zich meteen sterk tot David aangetrokken en vatte een innige vriendschap voor hem op. 2 Saul nam David vanaf die dag bij zich en liet hem niet meer teruggaan naar zijn ouderlijk huis. 3 En Jonatan, die David zo liefhad als zijn eigen leven, sloot vriendschap met hem: 4 hij deed zijn mantel af en gaf die aan David. Ook gaf hij hem zijn uitrusting, tot en met zijn zwaard, zijn boog en zijn koppelriem. 5 Alle veldtochten die David in opdracht van Saul ondernam, bracht hij tot een goed einde. Daarom benoemde Saul hem tot legeraanvoerder, met instemming van de soldaten en ook van de hovelingen. (NBV21)

Zo kwam David aan het hof van Saul, of opnieuw aan het hof van Saul. Hij was toch al de harpspeler geweest die in staat was Saul van zijn woeste buien af te brengen? Nu komt hij als verlosser van Israël aan het hof. Hoewel hij alleen, op de manier van de herder die met de slinger wilde dieren dood, heeft gevochten wordt hij gelijk ook maar legeraanvoerder. Het lijkt er een beetje op of de biografie van Koning David hier toch een beetje een propaganda verhaal is. Leuk dat harpspelen maar dat is niet waar het om draait. Regeren, de vijand verslaan, het leger aanvoeren, dat zijn de zaken waaraan iemands belang wordt afgemeten. Vandaag zouden we misschien toch wel willen dat een wereldleider een harpspeler had die hem van al te spontane oorlogsbeslissingen zou kunnen weerhouden.

Hier begon ook de vriendschap tussen David en Jonatan, wie denkt dat Jonatan verliefd werd op David kon wel eens gelijk hebben. Jonatan draagt zijn wapenuitrusting over op David, net als zijn mantel, tekenen van zijn rang en waardigheid. David schopt het dus direct tot legeraanvoerder. Jonathan maakt hem tot gelijke en volgens de Bijbel kunnen twee mannen dus heel goed intens van elkaar houden. Een mooi verhaal. Toch moeten wij vooral letten op de rol van de Weg van de God van Israël, dat wat wij wet noemen en dat zich laat samenvatten in het heb uw naaste lief als uzelf als de manier om God lief te hebben boven alles. Opkomen voor het recht van de armen zullen de profeten het gaan noemen. Opkomen voor het recht van de armen wordt ook vandaag nog van ons gevraagd. We mogen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

De genadestoot

1 Samuël 17:41-54

41 Met zware stappen kwam de Filistijn op David af, voorafgegaan door zijn schildknecht. 42 Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar, geringschattend op 43 en zei: ‘Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me afkomt?’ En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. 44 ‘Kom maar op,’ zei hij, ‘dan maak ik jou tot aas voor de roofvogels en de wilde dieren.’ 45 ‘Jij daagt me uit met je zwaard en je speer en je kromzwaard,’ antwoordde David, ‘maar ik daag jou uit in de naam van de HEER van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt. 46 Maar vandaag zal de HEER je aan mij uitleveren: ik zal je verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de roofvogels en de wilde dieren ten prooi geven, zodat de hele wereld weet dat Israël een God heeft. 47 Dan zal iedereen hier beseffen dat de HEER geen zwaard of speer nodig heeft om te overwinnen, want Hij is degene die de uitslag van de strijd bepaalt en Hij zal jullie aan ons uitleveren.’ 48 Toen de Filistijn aanstalten maakte om David aan te vallen, was David hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, 49 stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. 50 Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had. 51 Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht. 52 Nu sprongen de Israëlieten en Judeeërs op, hieven de strijdkreet aan en achtervolgden hen tot aan de vallei en de poorten van Ekron. De hele weg van Saäraïm tot aan Gat en Ekron lag bezaaid met gesneuvelde Filistijnen. 53 En toen de Israëlieten van hun achtervolging terugkwamen, plunderden ze het Filistijnse legerkamp. 54 David nam het hoofd van de Filistijn mee om het naar Jeruzalem te brengen; de wapens die hij hem had afgenomen legde hij in zijn tent.
(NBV21)

Het verloop van de strijd tussen David en Goliat is over bekend. Met één steen in de slinger weet David Goliat te verslaan. Er zijn geen dure speciaal voor de oorlog ontworpen strijdmiddelen nodig om een overwinning te krijgen voor God. Nog een keer wordt de aandacht gevestigd op de betekenis van de God van Israël voor deze strijd. Het is geen strijd met de jonge David, maar met de God van Israël zelf. Goliat valt voorover en verliest zijn hoofd net als het beeld van de Filistijnse God Dagon voorover viel en zijn hoofd verloor toen de Ark van het Verbond in zijn tempel werd gezet.

De angst van Israël sloeg nu over op de Filistijnen en die sloegen op de vlucht. de Filistijnen zien het verlies van de reus Goliat als de uitkomst van een godsgericht, de strijd tussen twee goden. Gevolg is wel dat David aan het hof van Saul kwam als krijgsman. Het verhaal is zo bekend dat er diverse versies van zijn. Wij knippen de Bijbel nog wel eens in stukjes maar toen de Bijbel in Babel werd samengesteld had men ook te maken met allerlei verhalen die wel belangrijk waren maar niet samen verteld werden. Daarom was het verhaal dat David als jonge knaap als harpspeler bij Saul aan het hof was gekomen de verteller van de strijd tussen David en Goliat onbekend. Het hoofd van Goliat zal nog lang in de geschiedenis van Israël tot de verbeelding spreken.

Het hoofd in de tempel in Jeruzalem wijst er op dat de versie van het verhaal zoals dat in de Bijbel staat een late versie is. Jeruzalem zal pas veel later een rol in het verhaal van David spelen. Het zwaard ontmoeten we al eerder in het verhaal van David. Als die bij de Tabernakel in Nob het brood van de tafel voor de toonbroden eet krijgt hij het zwaard van Goliat om zich tegen Saul te verdedigen. Wij mogen vooral letten op de rol van de Weg van de God van Israël, dat wat wij wet noemen en dat zich laat samenvatten in het heb uw naaste lief als uzelf als de manier om God lief te hebben boven alles. Opkomen voor het recht van de armen zullen de profeten het gaan noemen. Opkomen voor het recht van de armen wordt ook vandaag nog van ons gevraagd. Het heeft geen zware wapens nodig maar alleen onze eigen inzet. We mogen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Vijf gladde stenen

1 Samuël 17:31-40

31 Davids vragen bleef niet onopgemerkt. Men vertelde het aan Saul, en die liet hem bij zich komen. 32 David zei tegen Saul: ‘We hoeven om die Filistijn toch niet de moed te verliezen, heer. Ik zal met hem het gevecht aangaan.’ 33 ‘Maar je kunt hem toch onmogelijk aan,’ wierp Saul tegen. ‘Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan gewend om te vechten.’ 34 ‘Ik heb altijd de kudde van mijn vader gehoed,’ antwoordde David. ‘Wanneer er een leeuw of een beer kwam om een schaap of een geit uit de kudde te roven, 35 ging ik erachteraan, overmeesterde hem en redde het dier uit zijn muil. En als hij me wilde aanvallen greep ik hem bij zijn keel en sloeg ik hem dood. 36 Leeuwen en beren heb ik verslagen en die onbesneden Filistijn zal het net zo vergaan, omdat hij de gelederen van de levende God heeft beschimpt! 37 De HEER, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn.’ ‘Ga dan,’ zei Saul tegen David, ‘en moge de HEER je bijstaan.’ 38 Hij gaf hem zijn eigen uitrusting en hielp hem die aan te doen: een bronzen helm voor op zijn hoofd en een borstkuras. 39 Ten slotte gordde David het zwaard om en probeerde een paar passen te lopen, omdat hij aan zo’n zware uitrusting niet gewend was. ‘Ik kan hier niet mee lopen,’ zei hij tegen Saul, ‘ik ben dat niet gewend.’ En hij deed de uitrusting weer af. 40 ¶ Hij pakte zijn stok, zocht vijf gladde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand. (NBV21)

Saul gaat een risico aan als hij met de jonge David in zee gaat. De voorwaarde van Goliat is immers dat wie wint de baas wordt over de tegenpartij en door David te aanvaarden als kampvechter legt Saul het lot van het hele volk in de handen van David. Maar een jonge man zonder vrees en met de ervaring van het doden van de meest vreeswekkende roofdieren als leeuwen en beren maakt diepe indruk. Saul is immers zelf een man die met kop en schouders boven allen uitsteekt, hij is eigenlijk ook een reus zoals Goliat, maar de God van Israël stond hem niet meer terzijde. David blijft uitroepen dat hij die verschrikkelijke wilde dieren verslagen heeft met behulp van de God van Israël. Kennelijk stond die God wel die jonge knaap terzijde want die beriep zich voortdurend op die God moet Saul gedacht hebben.

Saul was verweten dat hij niet genoeg op die God had geleund, gewacht, er naar geluisterd. Dan maar een wapenrusting geschonken zoals wapenrustingen horen bij de strijd die komt. Voor David is dit te zwaar, hij is niet een krijger zoals Goliat en Saul krijgers zijn. Hij is een herder die voor de schapen opkomt en voor hen vecht met leeuwen en beren. Op die manier zou hij ook een herder voor Israël kunnen zijn. Iemand die opkomt voor de God van het volk, een God die het volk al eens had bevrijd uit slavernij en die ook David had beschermd tegen gevaar. David gaat de strijd aan met zijn slinger en vijf stenen. Waarom vijf stenen? Hij zal er maar één nodig hebben.
Het getal vijf is niet voor niks gekozen zeggen de geleerden.

David wapent zich met de vijf boeken van de Tora, de Weg van de God van Israël, wij zeggen de wet van God. En David neemt de stok van zijn herderschap. Als je zo een reus van een strijder benadert dan beledig je die strijder zeer diep. Uren training waren er voor de Griekse hoplieten nodig om te leren zo efficiënt mogelijk te vechten met hun wapens en harnas. Voor een strijder van Israël was het dus humor dat iemand zo’n strijder zo diep kon beledigen. Maar David houdt het serieus. Hij beroept zich op de kracht van zijn God die net zo diep beledigd is door Goliat als Goliat door David. David trekt hier een wapenrusting aan die we in de kerk de Wapenrusting Gods zijn gaan noemen. Paulus zal zijn bedreigde gemeenten oproepen die wapenrusting ook aan te trekken. Het lijkt een zwaktebod maar het blijkt onoverwinnelijk, ook vandaag nog.

 

Israël honen

1 Samuël 17:16-30

16 Ondertussen trad de Filistijn elke ochtend en elke avond naar voren, veertig dagen lang, en dan stelde hij zich op in het dal. 17 Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: ‘Hier heb je een zak geroosterd graan en tien broden. Breng
die snel naar je broers in het legerkamp. 18 En deze tien kazen moet je aan hun bevelhebber geven. Vraag je broers hoe het met ze gaat en neem een levensteken van hen mee terug.’ 19 Saul was met de soldaten van Israël, onder wie Davids broers, nog steeds gelegerd in de Terebintenvallei, tegenover de Filistijnen. 20 De volgende ochtend vroeg ging David met de proviand op weg, zoals Isaï hem had opgedragen. De kudde liet hij achter onder de hoede van iemand anders. Hij kwam juist bij het wagenkamp aan toen het leger onder het aanheffen van strijdkreten de linies betrok. 21 De Israëlieten en de Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover elkaar op. 22 David gaf zijn spullen af aan de foerier en haastte zich naar de gevechtslinie. Daar vond hij zijn broers en hij vroeg hun hoe het met ze ging. 23 Terwijl hij met ze aan het praten was, trad uit de Filistijnse gelederen de kampvechter naar voren, Goliat uit Gat, en David hoorde hem de Israëlieten uitdagen zoals hij dat elke dag deed. 24 Bij het zien van Goliat deinsden de Israëlieten van schrik achteruit. 25 ‘Zien jullie die man daar?’ zeiden ze tegen elkaar. ‘Israël honen, daar is het hem om te doen! Wie hem verslaat, zal door de koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van schatting en herendienst.’ 26 David vroeg aan de soldaten die in zijn buurt stonden: ‘Wat gebeurt er met degene die die Filistijn daar verslaat en Israël van deze schande bevrijdt? Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen!’ 27 De soldaten herhaalden tegen hem wat ze zojuist gezegd hadden. 28 Toen Davids oudste broer Eliab hem met de soldaten hoorde praten, viel hij woedend uit: ‘Wat doe je hier eigenlijk? Hoor jij niet in de woestijn op je schaapjes te passen? Echt iets voor jou, om met je brutale neus vooraan te willen staan als er gevochten gaat worden.’ 29 ‘Wat doe ik nu weer verkeerd?’ antwoordde David. ‘Ik vraag het toch alleen maar!’ 30 Hij draaide zijn broer de rug toe en legde zijn vraag nog aan anderen voor, en kreeg weer hetzelfde antwoord. (NBV21)

De reuzen uit Kanaän hadden al eerder veel indruk op het volk gemaakt. Toen de woestijnzwervers aan de rand van het vruchtbare land Kanaän stonden hadden ze verkenners gestuurd. Die hadden verteld over de reuzen die zich onder de volken van Kanaän hadden gemengd. Uit angst had het volk zich omgekeerd en was opnieuw de woestijn ingetrokken. Nu stond een reus recht tegen over hen. Die reus spotte zelfs met hun God. Die God zou wel eens een pak slaag van die reus kunnen krijgen. Al de soldaten van Israël stonden als verlamd toe te kijken. Hier was een kracht waar geen van hen als individu tegen op kon. En er was een individu nodig om het tegen de reus op te nemen.

We zijn in het lezen van de Bijbel aangekomen bij het beroemde verhaal van de strijd tussen David en Goliath. Een verhaal dat het begin vormt van de verantwoording van de ondergang van Saul en de opkomst van David. Dat David door Samuël gezalfd was en Saul de mededeling had gekregen vervloekt te zijn was niet genoeg geweest. Nu zou de kracht van de jonge David duidelijk moeten worden. Harpspelen aan het hof was een mooie en nuttige leerplaats maar een Koning over Israël zou Israël moeten bevrijden van de plunderaars die elk jaar de oogst kwamen stelen.

Saul had de nodige overwinningen behaald, maar nu er een reus opgedoken was werd er ook van hem niet iets anders vernomen dan dat het individu dat de strijd zou winnen een grote beloning zou krijgen. Het verhaal van de strijd tussen David en Goliath begint daarom met het benadrukken van de onafhankelijkheid van David. Die komt de vruchten van de oogst brengen voor zijn broers. Uit zijn vragen blijkt dat niet de omvang van de reus voor hem opvallend en beangstigend was maar de godslasteringen die de reus naar Israël stuurde. De beloning die in het vooruitzicht was gesteld maakte geen indruk. De vraag waar het ook vandaag om gaat is of je oorlog voert uit liefde voor slachtoffers die bevrijd en voorkomen moeten worden of dat je oorlog voert om er zelf rijker en machtiger van te worden. Het verhaal van David spreekt voor zichzelf.

Een tweegevecht!

1 Samuël 17:1-15

1 De Filistijnen bereidden opnieuw een oorlog voor. Ze verzamelden zich in Socho in Juda en sloegen hun kamp op in Efes-Dammim, tussen Socho en Azeka. 2 Saul riep het leger van Israël op en sloeg zijn kamp op in de Terebintenvallei. Daar stelden ze zich op tegenover de Filistijnen: 3 op de ene helling stonden de Filistijnen en op de andere de Israëlieten; het dal lag tussen hen in. 4 Uit de gelederen van de Filistijnen trad een kampvechter naar voren, een zekere Goliat uit Gat, een man van zesenhalve el lang. 5 Hij had een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een bronzen schubbenpantser, dat wel vijfduizend sjekel woog. 6 Ook zijn scheenplaten waren van brons, evenals het kromzwaard dat over zijn schouder hing. 7 De schacht van zijn speer was zo dik als de boom van een weefgetouw en de punt was gemaakt van zeshonderd sjekel ijzer. Een schildknecht ging voor hem uit. 8 In het dal bleef de Filistijn staan en riep het leger van Israël toe: ‘Waarom zouden jullie optrekken en slag leveren? Ik ben de trots van de Filistijnen, en jullie zijn maar slaven van Saul! Kies iemand uit jullie midden en laat hem hier beneden komen. 9 Als hij me aankan en me verslaat, zullen wij aan jullie onderworpen zijn, maar als ik hem aankan en hem versla, zullen jullie aan ons onderworpen zijn en ons als slaven dienen. 10 Hierbij daag ik het leger van Israël uit: stuur iemand hierheen voor een tweegevecht!’ 11 Bij het horen van deze woorden stonden Saul en het leger van Israël verlamd van schrik. 12 David was een zoon van Isaï uit Betlehem, dat in de streek Efrata in Juda ligt. Deze Isaï had acht zonen. Hijzelf was in de tijd van Saul al te oud om nog onder de wapenen te gaan, 13 maar zijn oudste drie zonen trokken met Saul ten strijde. De oudste heette Eliab, de tweede Abinadab en de derde Samma. 14 David was de jongste. Zijn oudste drie broers waren met Saul ten strijde getrokken, 15 maar David ging heen en weer tussen het kamp van Saul en Betlehem, waar hij de kudde van zijn vader hoedde. (NBV21)

Van Saul werd gezegd dat hij met kop en schouders boven zijn volksgenoten uitstak. Hij was dus bijna al eeen reus en zo gedroeg hij zich ook. Waar dat op kan uitlopen lezen we vandaag Allereerst wordt ons de reus Goliat voorgesteld. Een mens als een boom, wel drie meter hoog en met de bepantsering van een Griekse soldaat, zo’n soldaat van het leger dat de wereld had veroverd. Deze man is er op uit te beledigen, te onderwerpen, te vernietigen.

Dag in dag uit daagt hij de Israëlieten uit om een tweestrijd met hem aan te gaan. Maar gewone mensen zijn terecht bang voor hem. Wie kan een reus als een oude boomstam aan. Wie doorbreekt het pantser van een Griekse hopliet. Daar zijn geen wapens tegen gesmeed, daar is geen kruid tegen gewassen. Heel het leger van Israël siddert van angst als deze reus zich weer opstelt en begint te schreeuwen tegen het leger van Israël. Veel van de volken die nu in oorlog zijn sidderen onder dezelfde soort dreiging. Hoe kan je als relatief klein volk een wereldmacht tegenhouden. Soms lukt het door schouder aan schouder te blijven staan. Maar hoe dat af loopt blijft ongewis.

Wij kennen de afloop van de Bijbelse verhalen. In het rooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat we hier volgen worden die verhalen vaak opgeknipt in kleinere stukjes. Soms is dat jammer maar soms geeft het ons de gelegenheid om wat nauwkeuriger te lezen wat er eigenlijk staat. Hier staat de beschrijving van een reus, zoals Saul zou kunnen worden. En de vraag is of we er bang voor zouden moeten zijn. De afloop is dat beide reuzen worden verslagen. Bang voor een wrede dictator, voor machtige bazen, voor onderdrukkers hoeven we dus niet te zijn. Het is de boodschap die de Bijbel ons vaak voor houdt, vrees niet maar streef gerechtigheid na. Dat mogen we ook vandaag weer doen.

Welbespraakt en goedgebouwd

1 Samuël 16:14-23

14 De geest van de HEER had Saul verlaten; in plaats daarvan stuurde de HEER hem een kwade geest, die hem kwelde. 15 Zijn hovelingen zeiden tegen hem: ‘Het is duidelijk dat u door een kwade geest wordt gekweld. 16 U hebt maar te bevelen, heer, en uw dienaren staan klaar om iemand voor u te zoeken die lier kan spelen. Hij kan dan muziek voor u maken wanneer u door de kwade geest van God wordt bezocht; dat zal u goeddoen.’ 17 ‘Doe dat,’ zei Saul. ‘Zoek iemand voor me uit die goed kan spelen en laat hem bij me komen.’ 18 ‘Ik weet iemand die goed kan spelen,’ zei een van de hovelingen. ‘Hij is een zoon van Isaï uit Betlehem. Hij behoort tot een vooraanstaande familie en is een goed krijgsman, en hij is welbespraakt en goedgebouwd. Bovendien staat de HEER hem bij.’ 19 Saul stuurde boden naar Isaï met het verzoek: ‘Stuur me uw zoon David, die uw schapen en geiten hoedt.’ 20 Isaï gaf zijn zoon David voor Saul een ezel beladen met brood mee, en ook een zak wijn en een geitenbokje. 21 Zo kwam David bij Saul in dienst. Saul raakte zeer op hem gesteld en benoemde hem tot zijn wapendrager. 22 Aan Isaï liet hij vragen: ‘Ik ben zeer tevreden over uw zoon. Mag hij voorgoed bij mij in dienst komen?’ 23 En steeds wanneer de geest van God Saul overmande, nam David zijn lier en tokkelde op de snaren. Dat luchtte Saul op en het deed hem goed: de kwade geest liet hem dan voor even met rust. (NBV21)

De God van Israël heeft de handen van Saul afgetrokken en David tot Koning laten zalven. Nu moet David nog naar het hof, leren om koning te worden. David weet overigens niet dat de God van Israël Koning Saul heeft verworpen net zo min als Saul zal weten dat David al tot koning is gezalfd. God kan goede en kwade geesten zenden zegt de Bijbel hier. We moeten dus oppassen al te gemakkelijk iemand te beschuldigen van de duivel bezeten te zijn. De kwade geest, geest van God zegt de Bijbel hier, heeft als doel het mogelijk te maken dat David spelenderwijs aan het hof komt. David wordt de wapendrager van Saul.

Hij wordt de knecht die Saul er toe had gebracht zich in de zoektocht naar de ezelinnen van zijn vader tot de profeet Samuël te wenden. De muziek die David maakt verdrijft dan ook de kwade geesten. Dat was ook de bedoeling van de muziek die veel en veel later bij de Tempel van Salomo zou worden gemaakt. Daarom werd ook die muziek voor een groot deel aan David toegeschreven. Het effect was zo groot dat David permanent aan het hof van Saul mocht blijven. Hij was nu dus een krijgsman, bracht rust bij onrustige mensen, had inzicht in het Woord van de God van Israël, een knappe verschijning en had de God van Israël aan zijn zijde.

Hij was het spiegelbeeld van Saul geworden. Saul zal ook iets van zichzelf in deze herder uit Bethlehem hebben herkend. Hij was zelf immers achter de ploeg vandaan gehaald om Israël van de plaag van de Filistijnen te bevrijden. Voor ons is belangrijk dat we er bij het kiezen van onze bestuurders op letten of ze herder kunnen zijn, dienstbaar aan de zwaksten, en broeder kunnen zijn, zich de gelijke weten van de mensen over wie ze moeten besturen. Want zulke bestuurders zoekt de God van Israël ook vandaag nog. Let dus bij verkiezingen niet op de mooie pakken of jurken, niet op het brede glimlachen, maar op de bereidheid iets over te hebben voor een ander, de gehandicapten en zieken voor op, de mensen die niet met geld kunnen omgaan als eersten, de jongeren die een huis zoeken een plek geven. Zoek mensen als David, bescheiden van nature maar sterk als het gaat om Gods wil.

 

Een knappe jongen

1 Samuël 16:1-13

1 De HEER vroeg aan Samuel: ‘Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die Ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor Mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb Ik als koning uitgekozen.’ 2 ‘Hoe kan ik dat nu doen?’ wierp Samuel tegen. ‘Saul zal me vermoorden als hij het hoort.’ De HEER antwoordde: ‘Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de HEER een offer te brengen. 3 Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal Ik je laten weten wat je doen moet.Wie Ik je aanwijs, die moet je voor Mij zalven.’ 4 Samuel deed wat de HEER had gezegd. Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem geschrokken tegemoet en vroegen: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’ 5 ‘Wees gerust,’ antwoordde Samuel. ‘Ik ben gekomen om de HEER een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.’Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging. 6 Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de HEER wil zalven. 7 Maar de HEER zei tegen Samuel: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’ 8 Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuel voor, maar die zei: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 9 Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuel: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 10 Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuel voor, maar telkens zei Samuel dat dit niet degene was die de HEER gekozen had. 11 ‘Zijn dit alle zonen die u hebt?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuel tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ 12 Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de HEER zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ 13 Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers.Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama. (NBV21)

Wie meegelezen heeft met het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat we ook hier volgen, heeft gelezen dat het God berouwde dat Saul tot koning werd gezalfd. God trok zijn handen van Saul af. Het volk Israël moest het volk van de God van Israël blijven. Dat volk had een koning gevraagd net als de omringende volken hadden. Maar wilde het bondgenootschap met de God van Israël echt tot ontwikkeling kunnen komen dat moest die koning een koning naar het hart van God zijn, een koning die het volk bevrijden zou van de invloeden van de omringende Heidense volken. De profeet Samuël wordt er daarom op uit gestuurd om een begin te maken met de komst van een dergelijke koning. Isaï in Bethlehem uit de stam Benjamin is de vader van die toekomstige koning.

En Isaï stelt vol trots zijn zeven zonen voor, een voltallig span zonen. Maar geen van hen is de gezochte. Nu was er nog een achtste zoon, eigenlijk overbodig dus, die was als herder in diezelfde landstreek. De God van Israël kiest altijd de minste, de meest onverwachte en zo ook hier. Temidden van zijn broers wordt deze zoon tot koning gezalfd. De nieuwe Koning is dus eerst herder en broer en daarna pas Koning. Zo staat het er niet voor niks. Dat het een knappe jongen is lijkt meegenomen maar is niet essentieel. God kijkt niet langer naar iemand die er met kop en schouders boven uit steekt, zoals bij Saul het geval was geweest, maar naar wat voor persoon iemand is. In het geval van David zoekt God iemand die kan zorgen voor de zwaksten, zoals een herder moet zorgen voor schapen en lammeren.

Het moet ook iemand zijn die weet heeft van samenwerking. Als broer overleef je niet als je niet weet samen te werken. David zal het verhaal van Jozef en zijn broers gekend hebben. Nu moet David nog naar het hof, leren om koning te worden. David weet overigens niet dat de God van Israël Koning Saul heeft verworpen net zo min als Saul zal weten dat David al tot koning is gezalfd. God kan goede en kwade geesten zenden zegt de Bijbel hier. We moeten dus oppassen al te gemakkelijk iemand te beschuldigen van de duivel bezeten te zijn. De kwade geest heeft als doel het mogelijk te maken dat David spelenderwijs aan het hof komt. Wij kunnen ook vandaag God niet narekenen.

 

Het is de zonde

Romeinen 7:13-25

13 Is het dan het goede dat mij heeft gedood? Natuurlijk niet, het is de zonde, die van het goede gebruikgemaakt heeft om mij te doden. Zo toonde de zonde haar ware gezicht en werd ze door het gebod te gebruiken nog slechter dan ze al was. 14 Wij weten immers dat de wet het werk van de Geest is, maar door mijn aardse natuur ben ik overgeleverd aan de zonde. 15 Ik begrijp zelf niet wat ik doe, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. 16 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, erken ik dat de wet goed is. 17 Dan ben ik het niet meer die handelt, maar de zonde die in mij woont. 18 Immers, ik besef dat in mij, in mijn aardse natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. 19 Want ik doe niet wat ik wil, het goede, maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik. 20 Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet meer zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij woont. 21 Ik ontdek in mezelf dus de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. 22 Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, 23 maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij, in heel mijn doen en laten, een gevangene van de wet van de zonde. 24 Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? 25 God zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer. Want aan mezelf overgelaten onderwerp ik me weliswaar met mijn verstand aan de wet van God, maar door mijn aardse natuur onderwerp ik me aan de wet van de zonde. (NBV21)

Bij het lezen van dit kleine stukje uit de Bijbel moeten we voortdurend voor ogen houden dat het Paulus is die dit schrijft. Paulus, de Apostel, de zendeling, die onvermoeibaar van de ene naar de andere stad reist om het Evangelie van Jezus van Nazareth te verkondigen en om gemeenschappen te stichten waar het Koninkrijk van God alvast zou kunnen beginnen. Hij schrijft aan de gemeente in Rome dat hij doet wat hij haat. Dat kan toch moeilijk zijn datgene wat wij weten dat hij gedaan en bereikt heeft. Dat reizen en dat stichten van gemeenschappen, dat vertellen van Jezus van Nazareth, het dicteren van brieven, dat kan toch niet hetgeen zijn dat hij haat? Dat was toch geen zonde? Door het werk van Paulus hebben we het nog steeds over die nieuwe wereld die zal komen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het werk van Paulus zet ons nog steeds er toe aan om aan dat nieuwe Koninkrijk alvast te beginnen.

Wat is het dan dat Paulus in zichzelf zozeer haat? Het kerkelijk antwoord is “de zonde”. Maar dat begrip is uitgekauwd en versleten. Er zijn onder ons predikers die niet anders roepen dan dat je moet geloven in Jezus van Nazareth zodat je gered zal worden van de zonde. Maar wat geloof je dan en waarom zou je ergens van gered moeten worden? Paulus schrijft hier ook dat wat hij wil hij niet doet. Misschien maakt dat ons wat duidelijker. Wij willen immers ook zo vaak dat het beter gaat in de wereld? Dat de onrechtvaardige handelsverhoudingen rechtgezet worden, dat homo’s en andere minderheden niet meer gediscrimineerd worden, dat er geen onderscheid meer is tussen vrouwen en mannen, dat gevangenen als mensen behandeld worden en een eerlijk proces krijgen, dat iedereen mag meepraten in de samenleving en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. En vooral willen we dat er een einde komt aan al die oorlogen en het geweld in de wereld. Maar we kunnen niet alles op onze nek nemen. Door alle regeltjes die ons opgedrongen zijn weten we dat we niet onophoudelijk het goede kunnen doen en niet dan het goede.

Ooit, toen God begon met de mensen, was de zonde het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Omdat wij ons dus voortdurend afvragen wat het kwade is waar we ons tegen moeten verzetten vergeten we het goede te doen. Is het wel het goede? Zit er geen eigenbelang achter? Worden we niet voor de gek gehouden? Wordt er geen misbruik van ons gemaakt? Zo vaak slaan we de plank mis, zien we de mensen langs de kant van de weg niet staan, zijn de hongerigen en dorstigen mensen in een ver van ons bed show. We vergeten gemeenschappen te vormen die de wereld aankunnen. We vergeten bondgenootschappen te vormen zodat zaken veranderen. Maar we hoeven ons er niet schuldig over te voelen. Het is onze natuur, wat wij doen deed Paulus ook al. En door Jezus van Nazareth, door God, mogen we elk moment weer opnieuw beginnen het goede te doen, dag in dag uit, elk ogenblik, in de Geest van God, in Bijbelse en kerkelijke termen heet dat “genade”.