Mijn bepalingen

Ezechiël 5:1-10

1 Mensenkind, neem een scherp zwaard en gebruik dat als een scheermes om je hoofdhaar en je baard mee af te scheren. Het haar moet je op een weegschaal leggen en verdelen. 2 Zodra de dagen van het beleg voorbij zijn, moet je een derde deel ervan in de stad verbranden, een derde deel buiten de stad met dat zwaard fijnhakken en een derde deel uitstrooien in de wind-Ik zal de vluchtelingen met getrokken zwaard achtervolgen. 3 Een aantal haren houd je apart en bewaar je in een plooi van je mantel. 4 Gooi nog een paar daarvan in de vlammen, zodat ze verbranden. Het vuur dat daaruit oplaait, zal overslaan naar het hele volk van Israël. 5 Dit zegt God, de HEER: Dit is Jeruzalem. Ik had het midden tussen andere landen geplaatst, het werd door andere volken omringd. 6 Het is in opstand gekomen tegen mijn regels en heeft zich nog goddelozer gedragen dan de andere volken. Het heeft erger tegen mijn bepalingen gezondigd dan de omringende landen; zijn inwoners hebben mijn regels verworpen en zich niet gehouden aan mijn bepalingen. 7 Daarom-dit zegt God, de HEER: Omdat jullie je nog erger hebben misdragen dan de volken om je heen, omdat jullie je niet aan mijn bepalingen hebben gehouden en mijn regels niet hebben nageleefd, en evenmin die van de volken die jullie omringen, 8 daarom-zegt God, de HEER -keer Ik me tegen jullie en zal Ik je voor de ogen van die volken straffen. 9 Omdat je je zo gruwelijk hebt misdragen, Jeruzalem, zal Ik je zwaarder straffen dan Ik ooit met iemand heb gedaan of doen zal. 10 Binnen jouw muren zullen ouders hun kinderen eten en kinderen hun ouders, en wie er nog overblijven, zal Ik in alle windrichtingen verstrooien. Zo zal Ik je straffen. (NBV21)

Ezechiël blijft de profeet van het zien. Hoe stamp je nu in de koppen dat de ballingschap toch echt aan het volk zelf te wijten was geweest en dat de woede van God die was opgewekt doordat het volk vreemde goden na ging lopen nog steeds niet was uitgewoed. Ezechiël pakte een zwaard, want door het zwaard was het volk gevangen genomen ook al hadden ze zich met het zwaard tegen een overmacht verweerd, zonder te letten op de boodschappen die God had gezonden. Het mooiste werd met het zwaard afgeschoren, zijn haar en en zijn baard. Dat haar staat dus symbool voor het mooiste dat het volk had, Jeruzalem, en wat zou daar mee gebeuren. Nu dat was 1,2,3 nog niet klaar.
.
Het haar moest in drie delen verdeeld worden. Nauwkeurig, met een weegschaal. Het eerste deel wordt verbrand. Vuur verwoest de stad en de Tempel, er valt niet meer te wonen, je kunt er door te offeren niet meer laten zien dat je je aan het verbond met God wil houden. Wie dit inferno overleeft vlucht de stad uit. Het tweede gedeelte van het haar wordt fijngehakt en uitgestrooid in de wind. Zelfs wie vlucht kan niet aan de woede van God ontkomen en zal door het zwaard omkomen.

Het derde deel wordt verborgen in de plooi van de mantel van de profeet. Een paar haren moet hij nog in het vuur gooien want wie een schuilplaats bij God zoekt als het eigenlijk te laat is ontvangt geen bescherming maar gaat evengoed ten onder. Zo zal het gaan, zo ging het ook als het volk het verbond met God verlaat en andere goden volgt, goden die zelfs het offeren van kinderen vraagt, als religie maar ook op een slagveld. Ook wij vertrouwen meer op bondgenootschappen met onberekenbare leiders van grootmachten dan op de God van Israël die vraagt om zorg voor de minsten en het met fatsoen behandelen van hier gewortelde kinderen. Ook wij zien oorlog, vuur en verwoesting. Werk daarom weer aan de vrede des Heren. Elke dag opnieuw.

Vuur en zwavel

Psalm 11

1 Voor de koorleider. Van David. Schuilen doe ik bij de HEER. Hoe kunnen jullie dan zeggen: ‘Vogel, vlieg weg naar de bergen! 2 Zondaars spannen de boog en leggen hun pijlen al op de pees om de oprechte in het duister te treffen. 3 Wat kan een rechtvaardige anders doen, als de grond onder alles wegzinkt?’ 4 De HEER in zijn heilig paleis, de HEER op zijn troon in de hemel, met aandacht beziet Hij, nauwlettend keurt Hij de mensen op aarde. 5 De HEER keurt rechtvaardigen en zondaars. Wie het geweld liefhebben, haat Hij. 6 Vuur en zwavel stort Hij over hen uit, storm drinken zij uit de beker die Hij aanreikt. 7 Rechtvaardig is de HEER, Hij heeft rechtvaardigheid lief. De oprechte zal zijn gelaat aanschouwen. (NBV21)

De wereld wordt meer en meer een chaos. Oorlog op oorlog, geweld en onderdrukking, leugens en bedrog, niets heeft het meer van vrede en zorg voor elkaar. De zorg in ons land moet minder omdat er dure wapensystemen voor gekocht moeten worden waar de rijken nog rijker door worden. Land inpikken wordt door sommigen als een Bijbelse opdracht gepresenteerd en als iemand het niet met je eens is ga je eerst slaan en dan pas praten. Hoe houdt een volgeling van de God van Israël, van heb je naaste lief als jezelf in een dergelijke wereld stand.

Daar gaat dat kleine liedje over dat we vandaag met de kerk mee mogen zingen. De God van Israël is voor de volgeling het meest betrouwbaar. Naar de bergen vluchten zoals een opgejaagd vogeltje zou doen heeft geen zin. Ook daar is geweld, ook daar is bedrog, ook daar is onderdrukking en onfatsoen. De maat over wie hoort bij de God van Israël is nog steeds te vinden in diens Woord. Daar staat wat rechtvaardigheid is, recht is als ook de zwaksten tot hun recht komen. Daar staat dat die herbewapening geen vrede zal brengen en versterking van de zorg wel.

Het is uitermate onfatsoenlijk om hier gewortelde kinderen naar vreemde verre landen te verbannen, toch gebeurt het door hen die beweren ook bij de volgelingen van de God van Israël te horen. We hoeven volgens de Psalm ons geen zorgen te maken over deze zogenaamde fatsoensrakkers, zij zullen in hun eigen leugens trappen en gedwongen worden te zorgen voor de kinderen die ze nu als afval proberen weg te zetten. Recht blijven doen aan de minsten, stem geven aan de stemlozen en gesmoorden dat is de verdediging tegen het verbaal en fysiek geweld dat wordt uitgestort. En volgens Gods Woord zal dat blijven helpen, ook vandaag weer.

 

Een koningsmaal

1 Samuël 25:36-44

36 Bij haar thuiskomst zag Abigaïl dat Nabal een feestmaal had aangericht, het leek wel een koningsmaal. Hij had zeer veel gedronken en was in een uitgelaten stemming, daarom repte ze die avond met geen woord van het gebeurde. 37 De volgende ochtend, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde ze hem wat ze had gedaan. Zijn hart bleef stilstaan in zijn borst, en hij zakte roerloos in elkaar. 38 Tien dagen later trof de HEER Nabal zo zwaar dat hij bezweek. 39 Toen David hoorde dat Nabal dood was, zei hij: ‘Geprezen zij de HEER; Hij heeft het voor mij opgenomen tegen Nabal, die me zo beledigd heeft. Op die manier heeft Hij mij ervan weerhouden iets verkeerds te doen en heeft Hij toch Nabal zijn verdiende loon gegeven.’ Daarop stuurde hij boden naar Abigaïl om haar ten huwelijk te vragen. 40 In Karmel aangekomen zeiden Davids dienaren tegen Abigaïl: ‘David heeft ons gestuurd om u te vragen zijn vrouw te worden.’ 41 Abigaïl knielde neer, boog diep voorover en zei: ‘Ik ben uw dienares. Ik ben bereid de slavin te zijn die de voeten wast van de dienaren van mijn heer.’ 42 Snel maakte ze zich klaar om te vertrekken. Toen reed ze op haar ezel, met vijf slavinnen in haar gevolg, achter de boden van David aan en werd zijn vrouw. 43 David had ook Achinoam uit Jizreël tot vrouw genomen; zij beiden waren nu zijn vrouw. 44 Davids vrouw Michal was door haar vader Saul inmiddels uitgehuwelijkt aan Palti, de zoon van Laïs, uit Gallim. (NBV21)

In de Bijbel staat vaak dat de rijken aan hun eigen hebzucht ten onder gaan. Nabal is daar een voorbeeld van. Hij had een ruim oogst kunnen binnenhalen omdat zijn personeel beschermd werd door het legertje van David. Die had hem zeer beleefd gevraagd mee te mogen delen van die ruime opbrengst. Bot was dat geweigerd. Nabal mocht blij zijn met een vrouw die hem had gecorrigeerd maar zelfs daar was hij niet dankbaar voor. Nabal kan dus doodvallen en van de arme Nabal houdt het hart dan op met kloppen. Het hele verhaal laat ook zien hoe je met vrouwen moet omgaan. Luister je er naar, beschouw je die als gelijke of als handelswaar?

Terloops wordt gemeld dat Saul zijn dochter Michal, die zo verliefd was op David, aan een ander heeft uitgehuwelijkt. David gaat pas achter Abichail aan als Nabal echt dood is. Kennelijk is David bereid de steun van haar te aanvaarden. Hij wordt er ook meer Koninklijk door want Koningen hebben nu eenmaal meer vrouwen. Abichail werd de derde vrouw, naast Michal en Achinoam. Ook voor ons geldt vaak dat we de regels voor de menswaardige samenleving voor een ander moeten houden. Onze staat kan niet altijd  gastvrij zorgen voor vreemdelingen die hier aangespoeld en vastgelopen zijn.

Voor die papierlozen moeten wij dan onze kerken maar openen om hen te voeden, te kleden en te helpen weer op weg te komen naar een veilige plaats onder de zon. Als men iedereen de slaaf wil maken van de economie door productie en consumptie op zeven dagen van de week mogelijk wil maken moeten wij ons maar verzetten om de bevrijding van de slavernij van productie en consumptie vol te houden. Als niemand meer zorgt voor zieken en eenzamen dan zullen we dat zelf moeten organiseren. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw werken aan die menselijke samenleving, ook vandaag weer.

Stank voor dank!

1 Samuël 25:20-35

20 Abigaïl reed op haar ezel door de kloof, terwijl David en zijn mannen van de andere kant optrokken. Omdat ze door de bergwand aan het zicht onttrokken was, werd David door haar komst verrast. 21 Hij had net nog gezegd: ‘Wat denkt die vent wel? Heb ik daarom al die tijd zijn bezittingen beschermd? Ik had het net zo goed kunnen laten! Nog niet één schaap is hij kwijt, en wat krijg ik? Stank voor dank! 22 God mag met me doen wat Hij wil als ik morgenvroeg van zijn familie ook maar iemand van het mannelijk geslacht in leven heb gelaten!’ 23-24 Zodra Abigaïl David zag, sprong ze van haar ezel af. Ze viel voor zijn voeten op haar knieën, boog diep voorover en zei: ‘Mij treft alle schuld, mijn heer. Sta me toe het woord tot u te richten en luister naar wat uw dienares te zeggen heeft. 25 Schenk alstublieft geen aandacht aan die domme praatjesmaker van een Nabal. Hij is een onbenul, zoals zijn naam al zegt. Maar ik had natuurlijk uw boden moeten zien! 26 Zo waar de HEER leeft, mijn heer, en zo waar u zelf leeft, de HEER heeft u ervan weerhouden om het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op u te laden. Maar ik hoop dat het al uw vijanden en tegenstanders zal vergaan zoals Nabal. 27 Aanvaard de geschenken die ik voor u heb meegebracht, mijn heer; ze zijn bestemd voor de mannen die u op uw tochten vergezellen. 28 Vergeef me alstublieft dat ik heb gefaald. Ik weet zeker dat de HEER uw huis zal laten voortbestaan, u trekt immers voor de HEER ten strijde. Er mag bij u dus uw leven lang geen spoor van kwaad te vinden zijn. 29 Mocht iemand het wagen om u te achtervolgen en u naar het leven te staan, dan zal uw leven veilig zijn, als een steentje geborgen in de buidel waarin de HEER, uw God, de mensenlevens bewaart, maar het leven van uw vijanden zal worden weggeslingerd. 30 Wanneer de HEER al zijn goede beloften aan u inlost en u aanstelt tot vorst van Israël, 31 zult u niet gehinderd worden doordat u uw geweten hebt belast door het recht in eigen hand te nemen en onschuldig bloed te vergieten. Wanneer het eenmaal zover is, mijn heer, vergeet uw dienares dan niet.’ 32 David antwoordde: ‘Ik dank de HEER, de God van Israël, dat Hij u vandaag op mijn weg heeft gestuurd. 33 En u dank ik voor uw verstandig optreden van zojuist,
waarmee u hebt voorkomen dat ik het recht in eigen hand nam en me schuldig zou maken aan moord. 34 Maar zo waar de HEER leeft, de God van Israël, die me ervan heeft weerhouden om u kwaad te doen, als u niet zo snel naar me toe was gekomen, was er van Nabals familie morgenvroeg niemand van het mannelijk geslacht meer in leven geweest!’ 35 En hij aanvaardde haar geschenken met de woorden: ‘Ga gerust naar huis; ik heb uw woorden aangehoord en uw verontschuldigingen aanvaard.’ (NBV21)

Soms moet je de geboden uit de Bijbel ook voor een ander houden. Wij zijn gewend dat ieder voor zich de wetten van het rijk moet houden en dat er een overheid is die daar op toezicht houdt en overtreders aanpakt. Zo zit het niet met de regels voor een menselijke samenleving die we in de Bijbel terugvinden. Voor die regels zijn we samen verantwoordelijk en als iemand ze niet kan of wil houden dan moeten we dat zelf maar doen voor die iemand omdat het doel, de menselijke samenleving, bij ons altijd voorop staat. Dat wil de God van Israël immers van ons, dat we door te houden van onze naaste als van onszelf die menselijke samenleving een stukje dichterbij brengen. Het is ook eigenlijk de boodschap die Abichaïl eerst aan David en dan aan Nabal brengt.

David was woest geworden om de botte weigering van Nabal iets bij te dragen aan het onderhoud van de beschermers van zijn bezit. Nabal was er rijker door geworden want hij had geen dier, geen schaap of lam, verloren in het seizoen dat ze buiten liepen, zich hadden vetgemest en voordat ze geschoren werden. David trok op met zijn mannen om de mannen van de clan van Nabal te doden, je doet het niet voor niks. Ze waren anders gedood geweest door plunderende Filistijnen. Maar Abichaïl de vrouw van Nabal, die door had hoe de verhoudingen lagen, was met eten bepakt naar David gereden. En haar toespraak overtuigde de krijgsheer.

Haar complete toespraak vormt een literair hoogtepunt uit het eerste boek Samuël en verdient het meerdere malen gelezen te worden. Maar door de schuld op zich te nemen voor de afwijzing laat Abichaïl zien dat het houden van de wetten voor een ander de redding van een volk kan zijn. David krijgt nu de gelegenheid zich te houden aan het “Gij zult niet doden” Nabal krijgt de gelegenheid toch te delen. In de Bijbel krijgt iedereen eigenlijk altijd een tweede kans, als je die niet aanneemt kun je doodvallen, maar dat is een ander verhaal. Wij worden geroepen om te delen en zo God lief te hebben boven alles.

 

Die onheilstichter

1 Samuël 25:1-19

1 Omstreeks die tijd kwam Samuel te overlijden. Heel Israël kwam bijeen om over hem te rouwen. Hij werd begraven bij zijn huis in Rama. 2 David trok verder, naar de woestijn van Paran. Nu woonde er in Maon iemand die zijn bedrijf in Karmel had. Hij was schatrijk: hij bezat drieduizend stuks schapen en duizend geiten. Hij was voor het scheren van de schapen naar Karmel gekomen. 3 Zijn naam was Nabal en zijn vrouw heette Abigaïl. Zij had een helder verstand en was mooi om te zien; hij was hard en onbeschoft. Hij was een nakomeling van Kaleb. 4 Toen David in de woestijn hoorde dat bij Nabal de schapen werden geschoren, 5 stuurde hij tien van zijn knechten naar Karmel met de opdracht: ‘Ga naar Nabal en groet hem hartelijk namens mij. 6 Zeg tegen hem: “Ik wens u en uw familie en uw bedrijf alle goeds, ook voor volgend jaar. 7 Ik heb gehoord dat ze uw schapen aan het scheren zijn. Nu zit het zo: toen uw herders bij ons in de buurt waren, hebben we hen niet lastiggevallen; al die tijd dat ze hier in Karmel waren is hun niets ontvreemd. 8 Vraag het uw knechten maar, zij zullen het u bevestigen. Ik hoop dat u op uw beurt mijn knechten goed zult behandelen, ze komen immers op een feestdag bij u. Daarom verzoek ik u beleefd om mijn knechten en mij, David, te geven wat u missen kunt.”’ 9 Toen Davids knechten bij Nabal kwamen, brachten ze uit Davids naam dit alles over en wachtten af wat hij zou zeggen. 10 Nabal antwoordde Davids knechten als volgt: ‘Wie is die David? Wie is die zoon van Isaï? Het wemelt vandaag de dag van de slaven die bij hun meester weggelopen zijn. 11 Denken jullie heus dat ik mijn brood en mijn water en het vlees dat ik voor mijn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste onbekende ga weggeven?’ 12 Davids knechten gingen onverrichter zake terug en vertelden David alles wat Nabal had gezegd. 13 Daarop beval David zijn mannen: ‘Te wapen!’ Allen gordden hun zwaard om, ook David zelf, en met vierhonderd man trokken ze onder aanvoering van David naar Karmel op; tweehonderd man bleven achter om het kamp te bewaken. 14 Intussen was Nabals vrouw Abigaïl door een van de knechten op de hoogte gesteld. ‘David heeft uit de woestijn boden gestuurd om onze heer met een zegenwens te groeten,’ zei hij, ‘maar die is tegen hen uitgevaren. 15 En dat terwijl David en zijn mannen ons juist zo goed behandeld hebben: ze hebben ons niet lastiggevallen en al die tijd dat we in hun buurt rondtrokken om de schapen te weiden is ons niets ontvreemd. 16 Ze zijn juist dag en nacht als een muur om ons heen geweest, al die tijd dat we in hun buurt onze kudde hoedden. 17 U moet er iets op verzinnen, want onze heer heeft zichzelf en ons allemaal in het ongeluk gestort. Maar die onheilstichter weigert naar ons te luisteren.’ 18 Haastig liet Abigaïl tweehonderd broden, twee zakken wijn, gedroogd vlees van vijf schapen, vijf schepel geroosterd graan, honderd plakken rozijnen en tweehonderd plakken gedroogde vijgen op ezels laden 19 en ging zonder met haar man te overleggen op weg. ‘Rijden jullie voor me uit,’ beval ze haar knechten, ‘ik kom achter jullie aan.’ (NBV21)

Samuël sterft. De profeet die de beide Koningen heeft gezalfd en zo gezorgd heeft dat Israël een land werd om rekening mee te houden. Een land met twaalf stammen die zich voortaan als één volk zullen gedragen. De eerste Koning deed niet wat de bedoeling was. Hij spiegelde zich aan de Koningen van de Heidenen, de buurvolken. Maar er was nog een koning die wachtte tot hij geroepen werd. David de herder en strijder uit Bethlehem, uit het huis van brood. Na de begrafenis van Samuël trekt David weer de woestijn in met zijn legertje. Nu is een guerrillaleger altijd afhankelijk van de vredelievende boeren. Dat is ook in onze dagen nog steeds het geval en als de boeren niet vrijwillig geven dan worden ze gedwongen en als ze zich laten dwingen dan worden ze gestraft door het leger van de machthebbers.

Na de dood van Samuël, hoeder van de wetten van de God van Israël, is er natuurlijk de vraag hoe David met zijn positie van guerrillaleider zal omgaan. Daarvoor is het verhaal dat we vandaag en morgen zullen lezen Een verhaal dat zich laat lezen als een sprookje, er was eens een rijk man die heel rijk was. Hij heette Nabal en was een afstammeling van Kaleb. Wie weet wat Nabal wil zeggen en wie Kaleb geweest is weet waar het verhaal heen zal gaan. Nabal betekent dwaas en Kaleb betekent hond of slaaf. Maar we kennen Kaleb als verkenner voor Mozes die samen met Jozua het land verkende en herkende als het land dat de God van Israël het volk had beloofd, het volk hoefde er niet bang voor te zijn. Van Nabal wordt dan vertelt dat hij getrouwd was met Abichaïl, dat betekent “mijn vader is blijdschap” en met die vader wordt ook de vader in de hemel bedoeld.

Als Nabal zijn oogst binnenhaalt, hij laat zijn schapen scheren, stuurt David een paar van zijn mannen met het verzoek van de oogst mee te mogen delen. Het verzoek is uiterst beleefd gesteld. Maar Nabal wijst het bot van de hand. Die zoon van Isaï ken ik niet, dus geef ik niet. Hij weet dus heel goed wie David is maar wil niet met hem geassocieerd worden. Een gevaarlijk standpunt. Dat snapt zijn vrouw ook als die hoort dat Nabal zo bot geweest is. Zij hoort dat David optreedt als beschermer van de herders van Israël. Er wordt niets meer gestolen of geroofd en van die soldaten hebben ze zelfs geen last. Van zulke beschermers wordt je rijk en ze laad haar ezels vol met voedsel en gaat zelf naar David. Weer leren we dat we moeten letten op de daden van de mensen die wat van ons willen. Beschermen ze de zwakken, zijn ze uit op het goede, of jagen ze alleen hun eigen voordeel na en als ze zeggen dat ze onbaatzuchtig zijn blijkt dat dan ook ergens uit. We leren dat het beste onderscheiden als we zelf het goede doen en niet dan het goede. Gelukkig mogen we daar elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Genade en glorie

Psalm 84

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van de Korachieten, een psalm. 2 Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. 3 Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God. 4 Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, bij uw altaren, HEER van de hemelse machten, mijn koning en mijn God. 5 Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij U loven. sela 6 Gelukkig wie bij U hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar U. 7 Trekken zij door een dal van dorheid, door hen verandert het in een oase; rijke zegen daalt als regen neer. 8 Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen. 9 HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. sela 10 God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde. 11 Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, liever op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen. 12 Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet aan wie oprecht hun weg gaan.13 HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op U vertrouwt. (NBV21)

Vandaag zingen we mee met de drempelwachters van de Tempel, de Korachieten, die in het boek van de Psalmen hun eigen verzameling hebben. Het gaat op een voor ons onbekende melodie, de Gatitische, die melodie is in de tijden verloren gegaan. De Psalm bezingt de heerlijkheid van de Tempel. De voorhoven van de Tempel waren voor de meeste Israëlieten de plaats waar ze het dichtst bij het Heiligste van hun volk waren. Dat was niet een beeld van hun God. Wat ze zeker wisten was dat daar de richtlijnen werden bewaard die ooit in de woestijn aan Mozes waren gegeven. De richtlijnen die zich samen lieten vatten in het heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat kwamen ze ook weer oefenen in de Tempel. De voorschriften waren immers dat ze een paar keer per jaar op moesten trekken naar de Tempel om daar een maaltijd te houden met de hele familie, inclusief al het personeel en de slaven, de dienaren in de Tempel, de armen en de vreemdelingen uit hun stad of dorp. Het was daar dus een voortdurend feestgedruis want niemand liet zich graag zo’n feestelijke maaltijd ontgaan.

De Korachieten moesten er op letten dat alles goed bleef gaan, dat er geen beelden van afgoden de Tempel werden binnengesmokkeld bijvoorbeeld. In de Bijbel staan diverse voorbeelden van perioden waarin ook vreemde goden werden aanbeden in de Tempel. Zo’n kist met stenen platen die je niet eens mag zien spreekt natuurlijk niet erg aan. Dat je in de ogen van je naaste het beeld van God kunt zien wordt ook in onze dagen maar al te gemakkelijk vergeten. De psalm straalt een zekere onbezorgdheid uit. Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen. Dat is zeker zo op een plaats waar altijd iedereen welkom is aan de maaltijd, waar iedereen altijd bereid is te delen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth deze Psalm aanhalen in een waarschuwing en geruststelling. De Zoon van de mensen heeft zelfs geen plaats om zijn hoofd neer te leggen vulde hij het citaat van de mus en de zwaluw aan.

Je wordt er niet rijk van als je onvoorwaardelijk de naaste liefhebt. Tegelijkertijd is het een geruststelling, nooit zal je immers iets ontbreken zingt een andere psalm. Zeker als je het aandurft met de minsten om te gaan, de mensen die buiten de samenleving gezet zijn. Als je niet bang bent, je angst weet te overwinnen zoals de Bijbel zegt, zul je merken dat vreemdelingen, illegalen en asielzoekers incluis, vaak verrassend gastvrij zijn. Ze horen bij de armsten in ons land, maar er is altijd een plek aan tafel. Het lijkt voor velen zelfs een eer te zijn een gast een maaltijd voor te zetten, zonder er overigens iets voor terug te verwachten. Wij mogen ons dat ook wel eens bedenken als we deze Psalm meezingen. En wie zijn of haar huis als een Tempel beschouwt mag vandaag de deur openzetten om een maaltijd te houden met de familie, de armen en de vreemdelingen.

 

De timmerman

Matteüs 13:47-58

47 Het is met het koninkrijk van de hemel ook als met een sleepnet dat in een meer werd geworpen en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. 48 Toen het net vol was, trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen; de slechte vis werd weggegooid. 49 Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen eropuit trekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden, 50 en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden. 51 Hebben jullie dit alles begrepen?’ ‘Ja,’ antwoordden ze. 52 Hij zei hun: ‘Zo lijkt iedere schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden op de heer des huizes die uit zijn schatkamer nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.’ 53 Toen Jezus deze gelijkenissen beëindigd had, verliet Hij die plaats. 54 Hij kwam aan in zijn vaderstad en gaf de inwoners onderricht in hun synagoge, zodat ze stomverbaasd waren en zeiden: ‘Hoe komt Hij aan die wijsheid en hoe kan Hij die wonderen doen? 55 Hij is toch de zoon van de timmerman? Maria is toch zijn moeder, en Jakobus, Josef, Simon en Judas, dat zijn toch zijn broers? 56 En wonen zijn zussen niet allemaal bij ons? Waar heeft Hij dat alles dan vandaan?’ 57 En ze namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei tegen hen: ‘Een profeet wordt overal erkend behalve in zijn vaderstad en in zijn eigen familie.’ 58 En Hij verrichtte daar niet veel wonderen, vanwege hun ongeloof. (NBV21)

We spotten wel eens met de betekenis van Jezus. Als iemand doet of hij de wijsheid in pacht heeft, eigenwijs blijft doordrammen, dan zeggen we dat hij denkt dat hij Jezus is maar hij is slechts de zoon van een timmerman. Zo ging het met Jezus zelf ook toen hij op rondreis door het land in zijn eigen stad kwam. Waar haalt hij de wijsheid vandaan vroegen de mensen zich af, het is toch maar de zoon van Jozef en Maria. Er is echter een spreekwoord uit die tijd dat zegt dat niemand de schriften kent zoals een timmerman. Dat waren kennelijk slimme mensen die de Thora en de Profeten, wij noemen dat nu het Oude Testament, goed hadden bestudeerd. Jezus zette zichzelf in die traditie. Daar hoorden overigens ook de zogenaamde Farizeeën bij, ook zij bestudeerden de wet en de profeten, met dit verschil dat bij Jezus de wet er voor de mensen was en bij de Farizeeën soms de schijn werd gewekt dat de mensen er voor de wet zijn.

Nu is die houding een stuk gemakkelijker en voor machthebbers ook een stuk aantrekkelijker. Machthebbers bepalen hoe de wet moet worden toegepast en dus moet dat altijd zo dat hun macht er groter door wordt. Machthebbers die rechters kunnen benoemen zijn dan ook gevaarlijk. In de ontwikkeling van de democratie, trouwens lang voor de democratie bestond zoals wij die kennen, was er al de leer van de scheiding van de machten. Wie de wetten maakten moesten anderen zijn dan die de wetten uitvoerden en beiden behoorden niet tot de rechters die het nakomen van de wetten beoordeelden. Maar in de discussie tussen Jezus van Nazareth en de Farizeeën speelde een ander conflict een rol. Wij hebben wetten waar we ons allemaal onder alle omstandigheden altijd op dezelfde manier aan moeten houden. De Thora, de richtlijnen die het volk Israël had ontvangen voor de menselijke samenleving kan ook anders gelezen worden. Die Thora zet mensen in beweging om die ideale samenleving ook voor elkaar te krijgen en het oordeel is niet over mensen, maar over de samenleving, pas als mensen een samenleving vol onrecht en onderdrukking beter gaan vinden dan volgt een oordeel over die mensen.

Voor leerlingen van Jezus is daarom het voorgaan in de synagoge wat moeilijker, dan put je wel uit de oude geschriften maar laat je er een nieuw licht over schijnen, want voor dat koninkrijk heb je alles over. Voor dat Koninkrijk moeten mensen in beweging komen. Als een pot met goudstukken die je in een stuk grond vindt, eerst de grond kopen en dan de schat opgraven, of als de handelaar die eindelijk de langgezochte waardevolle parel vindt, alles wegdoen en zorg dat je die parel krijgt, of als de vissers die hun net vol hebben, ze zoeken echt de goede en de slechte vissen uit en nemen daar dan de tijd voor. Het gaat er dus om voortdurend bezig te zijn met de vraag of het gaat om anderen lief te hebben als jezelf of alleen om er zelf beter van te worden. En haal je mensen dan naar beneden, het is maar…. zeg maar de zoon van de timmerman, dan wordt het niks, dan wordt de wereld er niet beter van. Daar wist zelfs Jezus maar weinig wonderen te verrichten.

 

Jammeren en knarsetanden

Matteüs 13:36-46

36 Daarop stuurde Hij de mensen weg en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij Hem en vroegen: ‘Wilt U ons de gelijkenis van het onkruid op de akker uitleggen?’ 37 Hij antwoordde hun: ‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, 38 de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad, 39 de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals het onkruid bijeengebracht wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: 41 de Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk al wat ten val brengt en al wie onrecht pleegt bijeenbrengen 42 en in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden. 43 Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren! 44 Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde verkocht hij alles wat hij had en kocht die akker. 45 Ook is het met het koninkrijk van de hemel als met een koopman die op zoek was naar mooie parels. 46 Toen hij een uitzonderlijk waardevolle parel vond, verkocht hij alles wat hij had en kocht die parel. (NBV21)

Je hebt de keus of je onkruid of graan wil zijn. Uiteindelijk krijgen beiden de kans op te groeien. maar als de dag van de oogst komt dan wordt het onkruid bijeen gebonden en in het vuur gegooid, verbrand. Jezus legt in het bovenstaande uit dat het met name geldt voor hen die de Thora hebben verkracht, mensen uitgebuit en vermoord en misdrijven tegen de menselijkheid hebben gepleegd. Sommige van die misdadigers weten dat ook zelf wel. Van de Nazi’s kon uiteindelijk maar een handjevol leiders worden berecht, de rest had er zelf een einde aan gemaakt en maar een enkeling wist te ontkomen. Tot op de dag van vandaag wordt op de ergste van die misdadigers jacht gemaakt tot in de verste hoeken van de aarde. Ook in Japan heeft zo’n berechting plaatsgevonden. Er waren bijzondere rechtbanken voor Rwanda en voor voormalig Joegoslavië zijn tribunalen nog aan het werk. En inmiddels hebben we een internationaal strafhof waar zelfs zittende machthebbers worden aangeklaagd.

Die berechtingen zelf zijn niet zonder betekenis. Lange tijd is er gedacht dat de berechtingen in Duitsland en Japan uitzonderingen zouden zijn. De vonnissen en de rechtszaken van vlak na de Tweede Wereldoorlog hebben de normen gezet voor wat wel en niet kan op het gebied van mensenrechten. De Verenigde Naties als organisatie is er een gevolg van maar ook de Veiligheidsraad, met de regel dat geen land een gewapend conflict mag beginnen zonder toestemming van de VN. Die toestemming is verleend om Korea te beschermen, die toestemming is verleend om Koeweit te bevrijden maar die toestemming werd niet gevraagd, dus ook niet verleend om Irak binnen te vallen. Nu is er ook wel een regel dat je je eigen land gewapenderhand mag verdedigen en daar beroepen Amerika en Engeland zich op maar dat is dubieus. Die bijzondere tribunalen, die inmiddels zijn opgericht, hebben ook geleid tot het inzicht dat berechting van internationale misdadigers, tegen criminelen die het ontstaan van een meer ideale wereldsamenleving in de weg staan, een meer permanent karakter moet hebben.

Daarom is er dus in Den Haag het internationale strafhof. Nog niet alle landen doen daar aan mee, Amerika houd zich er angstig buiten. Dat Amerikaanse beslissingen om oorlog te voeren of mensen zonder vorm van proces jarenlang gevangen te houden en te verhoren buiten de regels van internationale verdragen om, waardoor ze niet door een onafhankelijke rechtbank beoordeeld kunnen worden is duidelijk, maar dat die beslissingen en die acties ook niet goedgekeurd kunnen worden zou ten nadele van de Amerikanen kunnen zijn. Juist daar waar rechtvaardigheid wordt gedaan gaan rechtvaardigen stralen als de zon. We maken dus stappen vooruit naar een samenleving waarin uiteindelijk het onkruid wordt vernietigd. De keus tussen graan zijn of onkruid ligt daarom voor de hand, al is het niet eenvoudig je niet te laten verstikken.

 

Uitsluitend in gelijkenissen

Matteüs 13:24-35

24 Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. 25 Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand giftig onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. 26 Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid tevoorschijn. 27 De knechten kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?” 28 Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.” De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij het onkruid weghalen?” 29 Hij antwoordde: “Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. 30 Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Haal eerst het onkruid weg, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.’”’ 31 Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand in zijn akker zaaide. 32 Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een boom, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’ 33 Hij vertelde hun een andere gelijkenis: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die een vrouw mengde met drie zakken meel tot alle meel doordesemd was.’ 34 Al deze dingen zei Jezus in gelijkenissen tot de menigte; Hij sprak uitsluitend in gelijkenissen tot hen. 35 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet: ‘Ik open mijn mond om in gelijkenissen te spreken; Ik zal bekendmaken wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen was.’ (NBV21)

De gelijkenissen tuimelen over elkaar heen in dit Bijbelgedeelte. Zo graag wilde Jezus van Nazareth duidelijk maken hoe het zit met de komst en de groei van dat Koninkrijk waar hij het steeds over heeft. Je denkt dat je het goede woord hebt verkondigd en dan zie je in een kerk de prachtige gewaden, de machthebbers, de show en je hoort dat de armen en hun bevrijding verdwijnen achter eigenbelang en eerzucht. Hoe kan dat toch? Dat is het kwade dat altijd het goede zal vergezellen, pas als het Koninkrijk er echt is zal het kwade ten onder gaan. Moet je dan wanhopen en maar ophouden met de vertellen over dat Koninkrijk van eerlijk delen waar de minsten de belangrijksten zijn en er voor iedereen een plaats is? Welnee. Het groeit vanzelf uit tot het mooiste en het grootste dat we ooit hebben gezien. Zoals dus die mosterdboom die wij niet meer in die vorm kennen maar die we ons best kunnen voorstellen.

Die gelijkenis met dat zuurdesem kunnen we ons misschien nog het beste voorstellen. Want wie wel eens brood bakt weet dat je van de gist maar een heel klein beetje nodig hebt om een heleboel lekker brood te kunnen bakken. Zuurdesem is net als gist en daar heb je eigenlijk nog minder van nodig. Zo kun je dus ook een ideale samenleving maken. Je hebt naar verhouding maar een paar mensen nodig die er echt in geloven, die het tot het bittere einde ook weten vol te houden. Deze vergelijking is van Jezus van Nazareth zelf. De vergelijking die er aan vooraf gaat is op dit moment eigenlijk nog veel actueler. Die van het zaad en het onkruid. Biologen zeggen dan direct dat onkruid niet bestaat. Alle planten hebben hun doel en bestemming. maar de boer zal zeggen dat dat mooi is, maar als je graan hebt gezaaid dan wil je ook dat er graan groeit en geen distels of papavers of andere struiken. Van graan moet die boer z’n huishouding draaiende houden. Jezus wijst er op dat het voor de boer geen zin heeft om het onkruid er uit te gaan trekken.

Lang hebben we gedacht dat we het onkruid wel konden vergiftigen maar daar komen we ook van terug. Uiteindelijk vergiftigen we onszelf daarmee. Laat het onkruid dus maar staan en verwijder het na het maaien. Het verwijderen van onkruid uit de samenleving nu heeft dus geen zin, en straffen moeten we maar aan de rechters overlaten, want dat wat verkeerd is moet benoemd worden en wie verkeerd doet verdient straf. Het enige wat we kunnen doen is bezig blijven voor een betere samenleving, dus moeten we steeds opnieuw mensen de kans geven opnieuw te beginnen maar dan op de goede weg. Jezus wijst daarbij op het mosterdzaadje, ongeveer het kleinste zaadje dat er is, maar het groeit uit tot een geweldige struik. We hebben daarom ook zelf de keus of we een mosterdzaadje willen zijn, als zuurdesem werken in onze stad, ons land, onze eigen wereld, of dat we onkruid willen zijn dat snel groeit, het grootste en het mooiste wil zijn maar dat het goede verstikt.

 

Die vrucht dragen

Matteüs 13:13-23

13 Dit is de reden waarom Ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. 14 In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling: “Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. 15 Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen.Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou Ik hen genezen.” 16 Gelukkig zijn jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! 17 Want Ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen. 18 Hoor en begrijp dan nu de gelijkenis van de zaaier: 19 Bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is om te roven wat in hun hart is gezaaid; dit is het zaad dat op de weg gezaaid is. 20 Het zaad dat op rotsachtige grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en het meteen met vreugde aannemen. 21 Maar doordat het geen wortel schiet in hen, is dat van korte duur. Worden ze vanwege het woord verdrukt of vervolgd, dan komen ze meteen ten val. 22 Het zaad dat tussen de distels is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen, maar bij wie de zorg om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom het woord verstikken, zodat het zonder vrucht blijft. 23 Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en begrijpen. Zij zijn het die vrucht dragen, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig.’ (NBV21)

Hoe krijg je het in die stomme koppen dat je van anderen moet houden als van jezelf. Dat het in het Koninkrijk met de wet van samen delen niet gaat om wie de eerste, de beste, de knapste, de sterkste of de rijkste is. Je legt het geduldig uit. Jezus gebruikt hele knappe voorbeelden. Gelijkenissen zijn die gaan heten. Maar hoe komt het toch dat als je dag in dag uit, jaar in jaar uit het meest voor hand liggende vertelt het toch niet altijd over komt. Niet altijd want soms, heel soms, willen mensen het best geloven. Voor Jezus van Nazareth maakte het eigenlijk niet zoveel uit. Het zorgen voor de minsten in de samenleving is niet vanzelfsprekend. Die zaaier kan er niets aan doen als het zaad op de weg valt en opgegeten wordt door de vogels, of als het op rotsige grond valt of verstikt wordt door de distels, maar wij kunnen dat wel.

Willen wij vruchtbare grond worden voor de boodschap van Jezus van Nazareth dan moeten we ons afwenden van wat ons meestal als goed voorgehouden wordt. Winst maken, succes behalen, persoonlijke groei nastreven, zelfs de groei van ons geloof opgeven. In Bijbelse termen heet dat bekering, een totale ommekeer in je leven. Dat is niet gemakkelijk. De distels van je omgeving kunnen dat eenvoudig verstikken. Want wie wil er nu geen succes behalen, winst maken en als persoon groeien? Geld verdienen, carrière maken, een stabiel en gezond mens zijn, is toch goed of niet? We houden zo gemakkelijk de ogen gesloten voor de minsten in de samenleving.

Juist het nastreven van al die door onze maatschappelijke omgeving opgelegde na te streven doelen houdt ons af van het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, het troosten van de bedroefden, het bevrijden van de armen. Als horen en begrijpen nu eens voldoende was. Zo ingewikkeld was die gelijkenis van de zaaier toch niet. Iedereen heeft toch wel eens gehoord dat je je naast moet liefhebben als jezelf, en iedereen snapt natuurlijk ook wel dat het leven een stuk prettiger wordt als we allemaal niet tegen een ander doen wat we niet willen dat tegen ons wordt gedaan. Moet het eerlijk zijn dat je de een wel helpt en de ander niet? Zijn er ingewikkelde juridische redeneringen die je afhouden de mouwen op te stropen en kinderen een toekomst geven? Doorzie het. Een oud Joods spreekwoord luidt dat als je één leven redt je de hele wereld hebt gered. Vandaag is die ene dus genoeg, aan het werk.