Het Woord dat leven is.

1 Johannes 1:1-7

1 Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. 2 Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. 3 Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. 4 We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken. 5 Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis. 6 Als we zeggen dat we met Hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. 7 Maar gaan we onze weg in het licht, zoals Hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde. (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in de eerste brief van Johannes. Door de lengte en hoeveelheid van de brieven van Paulus zijn de andere brieven van het Nieuwe Testament soms een beetje verwaarloosd. Ze zijn het echter niet minder waard om te lezen. Welke Johannes de brieven geschreven heeft, er zijn drie brieven op zijn naam, dat weten we niet precies. In elk geval sluit de inhoud van de brieven en de manier waarop ze geschreven zijn aan bij het Evangelie van Johannes. Vanaf het begin van de kerk wordt aangenomen dat de schrijver dezelfde is geweest die het Evangelie van Johannes heeft geschreven. In het begin van deze eerste brief, het gedeelte dat we vandaag lezen, komen we al een soort conflict tegen dat we ook bij het lezen van het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes tegen kwamen.

De brieven en het evangelie zijn geschreven na honderd jaar na het begin van de jaartelling. Leven, sterven en opstanding van Jezus van Nazareth waren toen al geruime tijd geleden. Het Christendom had zich over het Romeinse Rijk verspreid en allerlei mensen aangetrokken, rijken, armen, geleerden, slaven, arbeiders, noem maar op. Het is dan ook niet vreemd dat invloeden van andere culturen en godsdiensten binnenslopen in dat vroege christendom. Johannes is de naam die verbonden is met het verzet tegen die intellectuele en culturele invloeden. Daarom begint deze brief met de verzekering dat het Woord van God geen abstracte zaak is waar je vrij over kunt filosoferen maar dat het heeft geleefd en dat mensen het hebben beleefd, gezien en gehoord, ja zelfs aangeraakt.

Voor de Rabbijnen waren er twee getuigen nodig om iets waar te verklaren en die moesten dat dan ook met twee zintuigen hebben waargenomen, horen en zien dus in dit geval. Dat Woord was Jezus van Nazareth, de manier waarop hij leefde, de boodschap die hij verkondigde en de manier waarop hij met mensen omging was het Woord van God dat gedaan moet worden. Zijn sterven was niet het einde maar het begin en daarmee bevrijdde het de mensen aan wie deze brief geschreven werd, ons dus ook, van wat de Bijbel zonde noemt. Iedere keer als we niet leven en werken volgens de weg van Jezus van Nazareth zondigen we. Iedere keer dus als we oorlog en geweld proberen te rechtvaardigen, als we hongerigen laten hongeren, als we vervolgden en verdrukten vervolgd en verdrukt laten, dan zondigen we. Iedere keer dat we zondigen mogen we echter omkeren en opnieuw de weg opgaan van Jezus van Nazareth. Elke dag opnieuw en gedurende de dag net zo vaak als nodig is.

Woorden van vrede.

Deuteronomium 2:26-37

26 Ik stuurde toen vanuit de woestijn van Kedemot gezanten naar koning Sichon van Chesbon met woorden van vrede. Ik vroeg hem: 27 ‘Sta mij toe door uw land te trekken. Ik verzeker u dat ik de hoofdweg zal volgen en er niet van zal afwijken, naar links noch naar rechts. 28 Verkoop me het voedsel dat ik nodig heb en laat me voor mijn drinkwater betalen. Vergun me slechts om te voet uw land door te trekken, 29 zoals Esaus afstammelingen in Seïr en de Moabieten in Ar me dat hebben toegestaan, tot ik de Jordaan ben overgestoken naar het land dat de HEER, onze God, ons zal geven.’ 30 Maar koning Sichon van Chesbon weigerde ons door zijn land te laten trekken. Want de HEER, uw God, had hem koppig en onverzettelijk gemaakt omdat Hij hem aan u wilde uitleveren, wat ook gebeurd is. 31 De HEER zei tegen mij: ‘Ik laat je zegevieren over Sichon en zijn land. Val hem aan en neem zijn land in bezit.’ 32 Sichon trok tegen ons ten strijde. Hij rukte met zijn hele leger op naar Jahas. 33 Maar de HEER, onze God, schonk ons de overwinning. We brachten Sichon en zijn zonen ter dood en versloegen zijn hele leger. 34 We veroverden toen al zijn steden en doodden er de mannen, vrouwen en kinderen; we lieten niemand in leven. 35 Maar het vee en de goederen van de veroverde steden maakten we voor onszelf buit. 36 Vanaf Aroër aan de rand van het Arnondal-vanaf de stad in het dal-tot aan Gilead toe was geen stad voor ons onneembaar; de HEER, onze God, liet ons over dit hele gebied zegevieren. 37 Maar het land van de Ammonieten, het hele stroomgebied rond de bovenloop van de Jabbok en de steden in de bergen, hebben we ongemoeid gelaten, want die gebieden had de HEER, onze God, ons ontzegd. (NBV21)

In het verhaal van Deuteronomium komen we steeds dichter bij de intocht in het beloofde land. Er staat nog één volk in de weg. Israël laat zien niet op oorlog en geweld uit te zijn. Alle volken dienen behandeld te worden alsof het broedervolken zijn. Voor woestijnzwervers is er een plechtig protocol om toestemming te vragen het land te mogen doortrekken. Dat loopt vaak uit op een soort vredesverdrag waarbij de woestijnzwervers ook een vergoeding betalen aan het volk waar ze doorheen trekken. Zo stuurt Mozes een groep gezanten naar Koning Sichon van Chesbon. Onderdanig vragen zij toestemming het land door te trekken. Niet zomaar, zonder plan, nee keurig via de hoofdweg zodat het volk er zo min mogelijk last van zal hebben. Ze vragen zelfs om voedsel en drinken tegen betaling. Dat zou de landbouwers van Chesbon toch een aardige meevaller in inkomsten opleveren.

Maar de Koning weigert van zijn overvloed te delen met de woestijnzwervers. Voor het volk Israël is dat maar een rare houding. Met armen en met vreemdelingen die aan je deur kloppen daar deel je toch mee van alles wat je hebt? Niet koning Sichon. Voor ons is dat niet zo raar. Kinderen die hier geboren zijn, of hier meer dan tien jaar zijn opgegroeid worden ook als ze nog geen 12 jaar zijn als  vreemdelingen aangemerkt en gedeporteerd naar landen die ze niet kennen, waar ze de taal niet spreken en waar ze dus geen enkele toekomst hebben. Voor  Israël betekent het dat kennelijk de God van Israël wil laten zien hoe sterk die wel is, zodat andere volken voor Israël zouden sidderen. Het zal dus God zelfs wel zijn die het hart van de Koning heeft verhard. Israël hoeft niet bang te zijn. Mozes is er vast van overtuigd dat ze zullen winnen.

Dat gebeurt dan ook. Niet omdat Israël ten strijde trekt tegen Chesbon maar omdat Koning Sichon zijn leger mobiliseerde en tegen het volk Israël optrok naar Jahas. Zoals ze al verwacht hadden won het volk Israël. En die winst werd duidelijk toen ze de Koning en zijn zonen hadden gedood. Daarmee was het hele leger verslagen. En dan komt er een lastig stuk. Zoiets verwachten we niet. We kunnen eigenlijk niet leven met de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Wij vergeten graag de bombardementen op Rotterdam en Dresden. Het is wat Israël deed met de steden van het volk Chesbon. Geen stad bleef onneembaar. Van steden die geleerd hadden van het verlies bij Jahas is hier geen sprake. Israël werd kennelijk gedwongen om stad voor stad met geweld in de nemen. Dat ze daarbij iedereen gedood hebben willen we eigenlijk niet horen. Het zegt in elke geval dat de overwinning van de woestijnzwervers op de stedelingen volledig is. En dat je geen steden moet bombarderen moet iemand nog eens uitleggen.

In de buurt van Gaza

Deuteronomium 2:16-25

16 Toen dus alle weerbare mannen waren gestorven, 17 zei de HEER tegen mij: 18 ‘Vandaag trek je door Ar heen, het gebied van Moab. 19 Je zult dan in de buurt komen van de Ammonieten. Bejegen ook hen niet vijandig en daag hen niet uit. Ook van het land van de Ammonieten geef Ik je niets in bezit; Ik heb het aan de nakomelingen van Lot in eigendom gegeven.’ 20 (Ook dat wordt beschouwd als land van de Refaïeten, die daar vroeger woonden; in Ammon worden ze Zamzummieten genoemd. 21 Het was een groot en machtig volk. Ze waren zo lang als de Enakieten. De HEER heeft hen uitgeroeid, zodat de Ammonieten zich meester konden maken van hun land en zich daar in hun plaats konden vestigen. 22 Hetzelfde heeft Hij gedaan voor de afstammelingen van Esau in Seïr. Ter wille van hen heeft Hij de Chorieten uitgeroeid, waarna zij zich meester maakten van hun land en zich daar in hun plaats vestigden; zij wonen er tot op de dag van vandaag. 23 En zo hebben ook de Kretenzers die hun eiland hadden verlaten de Awwieten uitgeroeid, die in de buurt van Gaza in dorpen woonden, en zich daar in hun plaats gevestigd.) 24 De HEER zei: ‘Breek nu het kamp op en steek het dal van de Arnon over. Hierbij lever Ik Sichon, de Amoritische koning van Chesbon, met zijn land aan je uit. Val aan, daag hem uit en neem zijn land in bezit. 25 Vanaf dit moment laat Ik alle volken ter wereld van angst voor jullie sidderen. Wanneer ze de geruchten over jullie horen, zullen ze jullie komst met schrik en beven tegemoetzien.’ (NBV21)

Waar haalt Israël de moed vandaan om Kanaän te veroveren? Ze  zijn en blijven woestijnzwervers en hebben weinig of geen ervaring met het voeren van oorlog. Mozes is zich dat goed bewust. Er was ooit een slag met de Ammelakieten geweest. Die slag was nog door de vorige generatie gevoerd. Bij die slag was het uitermate belangrijk geweest dat Mozes had gewezen op de hulp van de God van Israël, hij hield zijn armen omhoog. Zo lang hij zijn armen omhoog hield ging het goed voor het volk. Op het laatste moest Jozua zijn armen ondersteunen en dat ging nog maar net goed. Maar nu was er een nieuwe generatie, alle weerbare mannen van de eerste generatie waren gestorven. Tegenwoordig lijkt het voeren van oorlog wel de eerste taak van de staat Israël maar in de dagen van de Bijbelse intocht wordt er zeer voorzichtig om gegaan met het voeren van oorlog.

God had Mozes al eens gewaarschuwd geen oorlog te voeren met broedervolken. Edom en Moab moesten met rust gelaten te worden. Dat blijkt ook te gelden voor de Ammonieten, dat waren bastaarden maar toch afstammelingen van Lot. In dat land hadden ook reuzen gewoond maar die waren verslagen, met de hulp van God dus. Ook de afstammelingen van Esau hadden moeten vechten om het door God gegeven land in bezit te kunnen nemen. De Chorieten hadden verloren. De Kaftorieten uit Gaza behoorden bij de zeevolken die de kusstreek van Kanaän in bezit hadden genomen. Wij kennen ze uit de Bijbel beter als de Filistijnen. Die hadden hun land dus ook van de God van Israël gekregen maar werden vijanden omdat ze plunderden in plaats van het geschenk dat ze hadden gekregen te delen.

Het eerste volk dat nu  verslagen moet worden zijn de Ammorieten. Die wonen aan de overzijde van de Arnon, een riviertje dat zich door een dal kronkelt. Militair gezien niet direct voor de hand liggend om dat met een groot aantal mensen over te steken. Maar God heeft beloofd om de koning van de hoofdstad van de Ammorieten, Chesbond, aan hen uit te leveren. Die Koning was Sichon. De overwinning die hen te wachten staat zal de andere volken van Kanaän, van de hele wereld staat er eigenlijk, grote schrik aanjagen. Het klinkt natuurlijk mooi dat je wint als God aan je zijde staat maar dat is niet vrijblijvend. De Filistijnen die hun land van die God hadden gekregen werden later met behulp van die God verslagen door Koning David. Maar ook Israël zelf had uiteindelijk het land verloren. Zo mogen ook wij ons niet zomaar verzekerd weten van de steun van God als we oorlog gaan voeren. Het “Gij zult niet doden” geldt voor het volk Israël en ook van ons. Voorop staat dat we vriendschappelijke betrekkingen met volken moeten onderhouden, zeker met volken met wie we het land moeten delen.

God stond jullie terzijde.

Deuteronomium 2:2-15

2 Toen zei de HEER tegen mij: 3 ‘Jullie zijn nu lang genoeg om dit gebergte heen getrokken. Keer om en ga naar het noorden. 4 En jij moet het volk voorhouden: “Straks komen jullie door het gebied van jullie broeders, de afstammelingen van Esau, die in Seïr wonen. Zij zullen bang voor jullie zijn, maar jullie moeten jezelf goed in acht nemen 5 en hen niet uitdagen. Ik geef jullie nog niet het kleinste stukje van hun land; het Seïrgebergte heb Ik immers aan Esau in eigendom gegeven. 6 Het voedsel dat jullie nodig hebben zul je van hen moeten kopen, en ook voor je drinkwater moet je hen betalen. 7 Want de HEER, jullie God, heeft jullie gezegend in alles wat je ondernomen hebt. Hij is heel die tocht door de grote woestijn met jullie meegegaan. De HEER, jullie God, stond jullie terzijde, veertig jaar lang, en het heeft je aan niets ontbroken.”’ 8 Toen wij onze broeders in Seïr, Esaus afstammelingen, achter ons gelaten hadden, verlieten we de route die van Elat en Esjon-Geber door de Araba loopt, en trokken we naar de woestijn van Moab. 9 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Je mag de Moabieten niet vijandig bejegenen en hen niet uitdagen, want Ik geef je van hun land niets in bezit; Ik heb Ar immers aan de nakomelingen van Lot in eigendom gegeven.’ 10 (Vroeger woonden daar de Emieten, een groot en machtig volk; ze waren zo lang als de Enakieten. 11 Evenals de Enakieten worden zij tot de Refaïeten gerekend; in Moab worden ze Emieten genoemd. 12 En in Seïr woonden vroeger de Chorieten, maar de afstammelingen van Esau hebben zich van hun land meester gemaakt door hen uit te roeien en zich in hun plaats daar te vestigen, net zoals de Israëlieten gedaan hebben met het land dat de HEER hun in bezit heeft gegeven.) 13 De HEER zei: ‘Breek op en steek het dal van de Zered over,’ en dat hebben we gedaan. 14 Tussen ons vertrek uit Kades-Barnea en de oversteek van de Zered waren er achtendertig jaar verstreken. Uiteindelijk was er van de eerste generatie geen weerbare man meer over in ons kamp, zoals de HEER gezworen had. 15 De HEER had zich tegen hen gekeerd: Hij had hen uit het kamp weggerukt tot er niemand meer over was. (NBV21)

De Hebreeuwse Bijbel wordt nog wel eens verweten zeer gewelddadig te zijn. Hele volken worden er uitgeroeid. We komen nog wel eens op het falen van deze stelling maar vandaag komen we een zeer uitgesproken verbod op het voeren van oorlog met een tweetal volken tegen. Het volk Israël stamt af van Jacob, de zoon van Izaäk en de broer van Esau. De nakomelingen van Esau vormden ook een volk, Edom. En van het oorlog voeren met broedervolken kan geen sprake zijn. Aan het eind van het verhaal over Israël en het beloofde land, te vinden in het eind van het boek 2 Koningen, wordt wel oorlog gevoerd met Edom. Het volk is dan zo ver van de God van Israël afgedwaald dat het leidt tot de ballingschap. En als antwoord op de vraag hoe het zo ver gekomen is dat Israël het beloofde land is kwijtgeraakt wordt hier gezegd dat Israël onvoldoende de broedervolken in ere had gehouden. Geen oorlog, maar omtrekken, geen plunderingen, maar gewoon betalen voor wat je nodig hebt.

Nog sterker geldt het misschien voor de vrede die het volk met Moab moet bewaren. Ooit had Israël aan Moab gevraagd om water en voedsel. Met een groot militair vertoon was dat geweigerd. De koning van Moab had zelfs de profeet Barak ingehuurd om Israël te vervloeken. Zo ver was het niet gekomen wat Barak was niet in staat geweest om Israël te vervloeken, integendeel hij had het volk gezegend. Er zou dus alle reden zijn om niet zo voorzichtig met Moab om te gaan. Het was een volk dat niet met Israël wilde delen. Maar het wordt Israël zeer uitdrukkelijk verboden. Ook het volk van Moab is aan Israël verwant. Het zijn de nakomelingen van Lot, de neef van Abraham. En de belofte aan Abraham van veel volken met een eigen land en een eigen plek op aarde geldt ook voor Moab. Een beetje zielig waren ze ook nog. Het waren immers afstammelingen van de dochters van Lot die hun vader hadden ingeschakeld om zich van een toekomst te verzekeren. En voor onze dagen moeten we bedenken dat ook Palestijnen Semieten zijn, een broedervolk van Israël.

Het verdrijven van volken om een eigen land te kunnen stichten was kennelijk heel normaal. Ook daar had het volk Israël eigenlijk niks mee te maken. Ze zouden het ook gaan doen. En zowel Edom als Moab waren volken die de oorspronkelijke bevolking hadden verdreven of uitgeroeid om hun land te kunnen vestigen. Ook in hun landen hadden reuzen gewoond. Israël had dus al een voorbeeld dat de God van Israël in staat was hen zelfs reuzen te laten overwinnen. Daarom hadden ze nog achtendertig jaar in de woestijn rond moeten zwerven tot er geen weerbare man over was van de generatie die zich liet leiden door het lot en door angst en die eigenlijk geweigerd hadden alleen te vertrouwen op de God van Israël. Andere goden achterna lopen zal ook het vervolg van Deuteronomium steeds de reden zijn waarom het met Israël verkeerd gaat. Als wij meer op het lot vertrouwen dan op de door God gegeven vaccinatie lopen we vergelijkbare risico’s. Gelovigen in de God  van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth zijn dan ook voortdurend bezig iedereen te bewegen aan de vaccinaties deel te nemen.

 

Goed en kwaad

Deuteronomium 1:34-2:1

34 Toen de HEER u hoorde klagen, ontstak Hij in woede. Hij zwoer: 35 ‘Niemand van deze verdorven generatie zal het goede land zien dat Ik jullie voorouders onder ede heb beloofd. 36 Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, zal het zien; aan hem en zijn zonen zal Ik het gebied geven dat hij betreden heeft, want hij bleef volledig op de HEER vertrouwen.’ 37 Door uw schuld werd de HEER ook kwaad op mij: ‘Ook jij mag het land niet in,’ zei Hij. 38 ‘Maar je rechterhand Jozua, de zoon van Nun, zal het wél binnengaan. Bereid hem voor op zijn taak; hij zal het land aan Israël in bezit geven. 39 En jullie kinderen, die volgens jullie buitgemaakt zouden worden, jullie kinderen die zich nog niet bewust zijn van goed en kwaad, mogen dat land ook binnengaan. Aan hen zal Ik het geven, zij zullen het in bezit nemen. 40 Maar jullie moeten nu omkeren en de woestijn weer in trekken, in de richting van de Rode Zee.’ 41 Toen hebt u mij geantwoord: ‘Wij hebben gezondigd tegen de HEER. Maar nu zullen we ten strijde trekken, zoals de HEER, onze God, ons heeft opgedragen.’ En nadat ieder van u zijn wapens had aangegord, wilde u in uw overmoed naar de bergen trekken. 42 Maar de HEER droeg mij op u te waarschuwen: ‘Trek niet ten strijde-anders zullen jullie door je vijanden verslagen worden, want Ik ben niet in jullie midden.’ 43 Ik heb u dat gezegd, maar u wilde niet luisteren en verzette u tegen het bevel van de HEER. U had de euvele moed om toch naar de bergen op te trekken. 44 De Amorieten, die daar wonen, kwamen op u af en achtervolgden u als een zwerm bijen. Ze brachten u in het Seïrgebergte een verpletterende nederlaag toe en joegen u na tot aan Chorma. 45 Na terugkomst klaagde u uw nood bij de HEER, maar Hij wilde niet naar u luisteren en hield zich doof. 46 Zo bent u lange tijd in Kades gebleven. 1 Ten slotte zijn we omgekeerd en de woestijn weer in getrokken, in de richting van de Rode Zee, zoals de HEER mij had opgedragen. Jarenlang trokken we om het Seïrgebergte heen. (NBV21)

Zelfs Mozes mag het beloofde land niet in. Iedereen wordt door de God van Israël weer de woestijn ingejaagd. En waarom? Als je het verhaal nauwkeurig leest dan gaat het om de kennis van goed en kwaad. Die waren we in het begin van het boek Genesis, het begin van de Bijbel al tegengekomen. De mens had gedacht dat de kennis van goed en kwaad de mens gelijk zou maken aan God. In plaats daarvan werden ze gelijk aan de dieren. Man en vrouw waren niet langer een eenheid maar gericht op de voortplanting, net als de dieren dus. Genieten van elkaar, respecteren van elkaar, werden zaken van ondergeschikt belang. Het volk Israël trok uit het verslag van de verkenners een vergelijkbare conclusie. Het leven kent altijd goed en kwaad. Ook al doe je niets dan het goede je zult altijd weer het kwade tegenkomen. Het is van een soort fatalisme dat je ook vandaag de dag nog wel tegenkomt. Omdat alles wat we krijgen uit Gods hand ons gegeven is lijkt ook ziek worden een geschenk van God. De een wordt wel ziek de ander niet.

De Heidenen, met name de Grieken en de Romeinen hadden daar hun eigen god voor, die heette het lot en die had hulp van drie weefsters die het lot voor de mens vastlegden. Daar viel weinig of niets tegen te doen. Wie echter de God van Israël verwart met de god van lot loopt een vreemde god achterna. Als God ons iets beloofd dan mogen wij daarop  vertrouwen. Zo mocht het volk Israël vertrouwen op de belofte dat het volk het beloofde land zou krijgen. Als we geloven dat alles wat we krijgen ons uit Gods hand is toegevallen dan mogen we God ook heel dankbaar zijn voor vaccins. Het is het geschenk dat mensen behoeden kan voor ziekten. Niet alleen de gevaccineerden maar ook hun omgeving. Liefde voor de naaste betekent dat je jezelf en je kinderen laat vaccineren. Het volk moest nog veel leren. Jozua en Kaleb, de twee verkenners die hadden gelet op de overvloedige aanwezigheid van vruchten in het land mochten wel dat land in.

Als God beloofd dat je vijanden kan overwinnen dan zal dat ook gebeuren. Aan het eind zal altijd het goede de overhand krijgen. Alleen als wij ons daar zelf van afkeren zal het kwade ons komen plagen. Het volk moest weer de woestijn in. Daar valt veel te leren. Je kunt in het zand vrijblijvend nieuwe sporen uitzetten. Opnieuw de samenleving waarin je verstrikt bent geraakt vorm geven. Wij moeten hopen en bidden dat wij niet ook geplaagd gaan worden door ziekten omdat te veel mensen in plaats van de God van Israël de god van het lot na lopen. Geloven in het zoete fluit van de verwarrer die met onzinargumenten over vaccinatie ons allen in gevaar willen brengen. Alleen het vertrouwen dat kinderen hebben in het goede kan ons helpen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth ons oproepen te worden als een kind. En de kinderen uit het verhaal van vandaag mogen het beloofde land binnentrekken.

Waar gaan we eigenlijk heen?

Deuteronomium 1:19-33

19 We zijn dus bij de Horeb weggegaan en dwars door die grote, verschrikkelijke woestijn getrokken, zoals u zelf ervaren hebt, naar het bergland van de Amorieten, zoals de HEER, onze God, ons had opgedragen. Ten slotte kwamen we bij Kades-Barnea. 20 Toen zei ik tegen u: ‘U bent nu het bergland van de Amorieten genaderd, dat de HEER, onze God, ons zal geven. 21 Hij is het die u dat land schenkt. Welnu, trek verder en neem het in bezit, zoals de HEER, de God van uw voorouders, u heeft opgedragen. Wees niet bang en laat u door niets ontmoedigen.’ 22 Toen bent u allemaal bij me gekomen en u zei: ‘We willen mannen vooruitsturen om het land te verkennen. Dan kunnen zij ons verslag uitbrengen en ons vertellen welke route we moeten nemen en langs welke steden we komen.’ 23 Ik vond dat een goed voorstel en koos twaalf mannen uit, één per stam. 24 Zij zijn eropuit gegaan, het bergland in getrokken en uiteindelijk in het Eskoldal aangekomen. Na verkenning van het dal 25 plukten ze daar vruchten, namen die mee en deden ons verslag. ‘Het is prachtig,’ vertelden ze, ‘het land dat de HEER, onze God, ons zal geven!’ 26 Maar u wilde niet verder trekken en verzette u tegen het bevel van de HEER, uw God. 27 U zat in uw tenten te klagen: ‘De HEER moet ons wel haten! Hij heeft ons alleen maar uit Egypte weggehaald om ons uit te leveren aan de Amorieten en om ons te laten uitroeien. 28 Waar gaan we eigenlijk heen? De angst sloeg ons om het hart toen onze verkenners vertelden dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij, dat ze in grote steden met hemelhoge versterkingen wonen en dat ze daar zelfs Enakieten hebben gezien.’ 29 Toen heb ik u geantwoord: ‘Laat u daardoor niet afschrikken, wees niet bang. 30 De HEER, uw God, die voor u uit gaat, zal voor u strijden. U hebt toch gezien hoe Hij het in Egypte voor u opnam, 31 en ook in de woestijn, waar u ervaren hebt dat de HEER, uw God, u gedragen heeft zoals een vader zijn kind draagt, de hele weg die u gegaan bent tot uw aankomst hier.’ 32 Desondanks vertrouwde u niet op de HEER, uw God, 33 die u voorging op uw weg om een plaats voor u te zoeken waar u uw kamp kon opslaan, en u ’s nachts met een vuur en overdag met een wolk de weg wees die u moest gaan. (NBV21)

Het is niet de eerste keer dat het volk zicht heeft op het land overvloeiende van melk en honing. Deze tweede keer is er niemand meer die de tijd in Egypte nog heeft meegemaakt en dat is niet voor niks. De eerste keer dat het land van God in zicht was vroeg het volk het land eerst te mogen verkennen. Dat mocht en uit elke stam ging een verkenner op pad. Twaalf mannen samen. Ze gingen een fors deel van het land in en namen de vruchten van het land mee. Het verhaal over die vruchten wordt hier niet herhaald maar vergeet niet dat er een druiventros bij was die door twee man samen hangend aan een stok moest worden gedragen zo zwaar was die druiventros. Voor wonen in zo’n land in plaats van rond te zwerven in de woestijn zou je toch heel wat over moeten hebben.

Dat viel dus zwaar tegen. Ook Israël liet zich leiden door angst. Zeker als het gaat om vreemdelingen wordt ook bij ons wel een de angst belangrijker geacht dan de medemenselijkheid. Veel mensen en zeker de regering vinden het zelfs niet erg als daar jonge kinderen het slachtoffer van worden. Mozes vertelt hier dat de verkenners dat nieuwe prachtig vonden. Maar dat het volk in hun tenten ging zitten klagen en hun angst voor de vijand de voorrang gaven. In het oorspronkelijke verhaal waren het ook het merendeel van de verkenners die er voedsel aan gaven. Zij hadden namelijk reuzen gezien en ze waren bang geworden dat die reuzen onoverwinnelijk zouden blijken. Bovendien hadden ze als woestijnvolk weinig ervaring met het innemen van zwaar ommuurde steden.

Vertrouwen op de God van Israël was toch te mager om de angst  weg te nemen. Mozes vatte toch nog maar eens samen wat het volk had meegemaakt. Ze waren in slavernij geweest, een leven telde daar niet bij en als ze vroegen om een offer aan hun God te mogen brengen in de woestijn werd de last van de slavernij nog eens verzwaard. Toen heeft die God alle eerstgeborenen laten sterven. De eerstgeborenen van het volk Israël bleven leven. Ze waren het land uitgejaagd, maar toen het leger van Egypte hen toch achtervolgde was de zee gespleten en werden ze gered. Elke dag hadden ze van God te eten gekregen, brood van manna uit de hemel. Steeds weer was die God in een wolkkolom voor hen uitgegaan en had hen in de nacht met een vuurkolom beschermd. Nu stond de volgende generatie voor de grens en ook zij kregen te horen dat angst een wel heel slechte raadgever zou zijn. En dat geldt ook voor ons. Medemenselijkheid brengt vrede, onmenselijkheid geweld en dood. Soms is de boodschap heel eenvoudig.

 

Doe rechtvaardig uitspraak

Deuteronomium 1:1-18

1 Hier volgen de woorden die Mozes tot heel Israël heeft gesproken in de dorre vlakte aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Suf, tussen Paran aan de ene kant en Tofel, Laban, Chaserot en Di-Zahab aan de andere. 2 (Het is elf dagreizen van de Horeb naar Kades-Barnea, als men de route door het Seïrgebergte volgt.) 3 Veertig jaar na de uittocht uit Egypte, op de eerste dag van de elfde maand, sprak Mozes het volk van Israël toe zoals de HEER hem had opgedragen. 4 Dat gebeurde nadat hij Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde, had verslagen, alsook koning Og van Basan, die zetelde in Astarot en Edreï. 5 Aan de overkant van de Jordaan, in Moab, gaf Mozes het volk zijn onderricht; hier volgt alles wat hij uiteenzette: 6 De HEER, onze God, heeft bij de Horeb tegen ons gezegd: ‘Jullie zijn nu lang genoeg bij deze berg gebleven. 7 Breek het kamp op en trek naar het bergland van de Amorieten en naar het gebied van de naburige volken: de Jordaanvallei, het bergland, het heuvelland, de Negev en de kuststrook-de gebieden van de Kanaänieten-en de Libanon tot aan de grote rivier de Eufraat. 8 Heel dat gebied schenk Ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, het land dat de HEER jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.’ 9 Toen heb ik tegen u gezegd: ‘Ik alleen kan de verantwoordelijkheid voor u niet dragen. 10 De HEER, uw God, heeft u zo in aantal doen toenemen dat u nu zo talrijk bent als de sterren aan de hemel, 11 en moge Hij, de God van uw voorouders, u nog duizendmaal zo talrijk maken en u zegenen zoals Hij heeft beloofd. 12 Maar hoe zou ik alleen de last van uw problemen en geschillen kunnen dragen? 13 Wijs daarom in elke stam bekwame, verstandige en ervaren mannen aan, dan zal ik hen als leiders over u aanstellen.’ 14 Toen antwoordde u:‘Uw voorstel is goed, dat zullen we doen.’ 15 Daarop koos ik de hoofden van uw stammen uit, bekwame, ervaren mannen, en gaf hun de leiding over groepen van duizend man, van honderd, van vijftig en van tien; anderen stelde ik voor uw stammen als schrijver aan. 16 De rechters gaf ik toen deze instructie: ‘Hoor beide partijen en doe rechtvaardig uitspraak, zowel tussen twee volksgenoten als wanneer er een vreemdeling bij betrokken is. 17 Oordeel zonder aanzien des persoons, hoor de arme evengoed als de rijke. Laat u door niemand bang maken, want u spreekt recht namens God. Wanneer iets u te moeilijk is, leg het dan aan mij voor en ik zal me erover buigen.’ 18 En zo heb ik u destijds vele aanwijzingen gegeven. (NBV21)

Dit is het begin van het boek Deuteronomium. Een bijzonder boek. Het meeste dat er in staat vind je ook terug in de vier Bijbelboeken die er voor staan. Samen vormen ze de vijf boeken van de Tora. In die vijf boeken kun je leren hoe de God van Israël met mensen om gaat en hoe mensen met elkaar en met die God zijn omgegaan. Het boek Deuteronomium is gegoten in de vorm van een toespraak van Mozes op het moment dat het volk Israël op het punt staat de Jordaan over te steken en het land dat God had beloofd in ontvangst te nemen. We lezen over de eerste democratische samenleving. Voorop staat in dit boek dat God dat land aan Israël heeft beloofd en gegeven. Er is dan ook een zeer pijnlijke discussie over de vraag of de huidige staat Israël sinds 1948 niet de vervulling van die belofte door de God van Israël is geweest. Die staat Israël daar gaat het dus niet over. Het boek Deuteronomium staat niet alleen. Het staat aan het begin van een serie boeken in de Bijbel die uitlopen op de ballingschap. De vraag die door de schrijvers werd gesteld is hoe het mogelijk is dat de God van Israël zo’n heldere en duidelijke belofte heeft gedaan en dat in hun tijd zij het land volledig hadden verloren en in ballingschap waren gevoerd.

Daarvoor is de geschiedenis van het volk met haar God nauwkeurig onderzocht. Het begin lees je in Deuteronomium maar in de boeken Jozua, Rechters, Samuël en Koningen wordt dat onderzoek voortgezet. We vergeten nog wel eens dat Mozes, op advies van zijn schoonvader, het slavenvolk  omvormde tot een democratisch georganiseerde samenleving. Elke stam koos haar  eigen leiders. Die werden dan vertegenwoordigers van groepen van 1000 man, van 100, van 50 en van 10. Wat er besproken werd en wat er besloten werd legde men vast, daarvoor werden schrijvers aangesteld. Dit heeft alleen zin als het volk ook in de groepen met elkaar sprak. Naast de leiders van stammen en groepen binnen die stammen werden onafhankelijke rechters aangesteld. Uiteindelijk zou de stam Levi de taak van de rechtspraak op zich nemen. Zij kregen dan ook geen land en moesten leven van de offers die door het volk aan de God van Israël werden gebracht. Ze waren dus niet afhankelijk van individuele belangen.

Deze rechters konden volstrekt onafhankelijk recht spreken. De  hoogte van de offers stond namelijk vast in de richtlijnen voor het offeren. Dat offeren was dan ook niet een offer aan God, die had de offers niet nodige, maar een bewijs dat de gelovige bereid was om te delen van hetgeen de God van Israël had laten toevallen. Dat er rechtvaardig recht moet worden gesproken vond men toen net zo als nu. Met een groot verschil. Bij ons worden de vreemdelingen wel heel erg verschillend behandeld van de mensen die onze nationaliteit hebben. Zelfs als je hier geboren bent loop je de kans dat je ineens als vreemdeling wordt behandeld en gedeporteerd naar een jou volstrekt onbekend  land. Mozes roept de rechters op de vreemdelingen net zo veel recht  te geven als de leden van het volk. Die oproep zouden we vandaag moeten herhalen. Ook in Israël ging het uiteindelijk niet goed, de Prediker verzucht dat hij naar de plaats van het recht keek en daar onrecht zag, de tranen der verdrukten en geen trooster. Soms lijkt het er bij ons ook wel op.

Hun lot ten goede keren

Jeremia 33:19-26

19 De HEER richtte zich tot Jeremia: 20 ‘Dit zegt de HEER: Als mijn verbond met de dag en de nacht kon worden tenietgedaan, zodat de dag en de nacht niet meer op tijd zouden aanbreken, 21 dan zou ook mijn verbond met mijn dienaar David kunnen worden tenietgedaan. Dan zou er geen nakomeling van David op zijn troon zitten. Dan zou ook mijn verbond met mijn dienaren de Levitische priesters kunnen worden verbroken. 22 Zoals de sterren aan de hemel en het zand bij de zee niet te meten en niet te tellen zijn, zo ontelbaar veel nakomelingen zal Ik aan mijn dienaar David geven en aan de Levieten die Mij dienen.’ 23 De HEER richtte zich tot Jeremia: 24 ‘Heb je gehoord wat de mensen zeggen? “De HEER heeft de twee volken die Hij had uitgekozen, verworpen.” Ze schrijven mijn volk af en zien het niet langer als een volk. 25 Maar dit zegt de HEER: Ik heb een verbond met de dag en de nacht gesloten en de hemel en de aarde aan vaste wetten onderworpen. 26 Zomin als Ik die zal verwerpen, zal Ik het nageslacht van Jakob en van mijn dienaar David verwerpen. Ik zal altijd een van zijn nakomelingen laten heersen over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal hun lot ten goede keren en mij over hen ontfermen.’ (NBV21)

Als je de Bijbel als geschiedenisboek leest dan krijg je een aantal problemen. God heeft het tegen Jeremia steeds over “Het Volk” maar historisch is dat onzin. Al snel na de dood van David werd al onder de opvolger van Salomo het rijk in twee gedeelten gesplitst. Elk had een eigen koning en eigen godsdienstige gewoonten. Alleen in het Koninkrijk Juda stond de Tempel in Jeruzalem centraal, in Israël waren verschillende plaatsen van aanbidding, die soms een geschiedenis hadden die terugging op de tijd van de Rechters.

In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt geprobeerd helderheid te scheppen. God had beloofd om de macht over beide rijkjes te leggen in handen van de nakomelingen van David. Christenen hechten van het begin af veel waarde aan de afstamming van Jezus van deze Koning David. Jezus van Nazareth was net als David geboren in Bethlehem. De priesters waren de nakomelingen van Aäron, de broer van Mozes, de Levieten waren hun hulpen. Nu zaten de Priesters in Jeruzalem bij de Tempel en de Levieten woonden overal en vormden de rechterlijke macht en hielpen het volk de Tora te verstaan.

Met die historische ontwikkelingen heeft de God van Israël weinig te maken zo blijkt uit dit gedeelte. Die God heeft in de woestijn een verbond gesloten met heel het volk en dat verbond blijft dan ook voor heel het volk beschikbaar. Een nakomeling van David is de baas en een nakomeling van Aäron heeft de religieuze touwtjes in handen. Voor Christenen werd daarmee toch een probleem geschapen. Jezus van Nazareth riep het volk wel op zich te organiseren rond de Tora maar legde dat ook in religieuze zin uit. De liefde voor de naaste werd centraal gezet. In het Christelijk gedeelte van de Bijbel kom je dan ook tegen dat Jezus als Koning en Priester wordt geëerd en dat zijn volgelingen een volk van Koningen en Priesters zijn. De liefde voor de naaste staat dus dubbel centraal. Daar kunnen we nooit meer om heen.

Recht en gerechtigheid

Jeremia 33:12-18

12 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen in dit verwoeste land, waar mens noch dier meer leeft, rond alle steden weiden zijn, waar de herders hun schapen en geiten zullen laten rusten. 13 In de steden van het bergland, het heuvelland en de Negev, in het gebied van Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en rond de steden van Juda zullen de schapen onder de tellende hand van de herder doorgaan-zegt de HEER. 14 De dag zal komen-spreekt de HEER -dat Ik de belofte die Ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen. 15 Op die dag, in die tijd, zal Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. 16 Dan wordt Juda verlost en de inwoners van Jeruzalem zullen veilig wonen. En de naam van de stad zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”. 17 Want dit zegt de HEER: Er zal altijd een nakomeling van David op de troon van Israël zitten 18 en er zullen altijd Levitische priesters zijn die Mij dienen, die brandoffers zullen brengen, graanoffers zullen opdragen en vredeoffers zullen bereiden.’ (NBV21)

Geleerden vragen zich af of het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk wel in de Bijbel thuishoort. Toen namelijk de Bijbel in het Grieks werd vertaald, de vertaling van de 70, de Septuagint, is het gedeelte dat we vandaag lezen vanaf vers 14 daar niet in opgenomen. De ballingen die de Bijbel, of delen van de Bijbel, uit hun hoofd leerden kenden dit gedeelte wel en aangezien men later zo dicht mogelijk bij de Hebreeuwse Bijbel van de ballingen wilde komen is het gedeelte van vandaag toch in de Bijbel terechtgekomen. Maar tot op de dag van vandaag is er discussie over welke tekst je nu als uitgangspunt moet nemen om de Bijbel in je eigen taal te vertalen. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben bijvoorbeeld een andere tekst tot uitgangspunt genomen dan de vertalers van de Herstelde Statenvertaling en soms kan dat tot verhitte discussies leiden over wat er nu eigenlijk in de Bijbel staat.

Het begint zo mooi. Dat land waar de ballingen terugkomen en dat er verwoest en verlaten bij ligt zal gaan bloeien. Waar nu nog onkruid groeit zullen weer vruchtbare weiden zijn waar schapen en geiten weiden. Je zou willen dat de profeet het vandaag tegen de bewoners van de Gazastrook zou kunnen zeggen. Toch zal ook daar vrede komen, als wij ons best daarvoor doen. De tekst vanaf vers 14 gaat over het herstel van de Tempel in Jeruzalem en vooral van de dienst in de Tempel. In de eerste twee verzen van het gedeelte van vandaag lijkt het er juist op dat die Tempeldienst voortaan geen rol meer zou spelen. De Wet van Israël bepaalde namelijk dat er een belasting van een tiende van de opbrengst van het werk zou moeten worden betaald. Voor het innen van de belasting op schaapskudden waren daarvoor tellers aangesteld. Zij telden de schapen op hun vingers en elk tiende schaap was voor de Tempel. In de tekst van vandaag worden de schapen door de herders geteld. Om misverstanden te voorkomen moet er dus aan toegevoegd worden dat de Tempeldienst wel degelijk in ere hersteld zal worden. Zeker als de beloofde Koning uit het geslacht van David weer op de troon van Israël zal komen.

Er is in dit Bijbelgedeelte dus al een begin van een andere manier van denken te bespeuren. Niet langer is de Tempeldienst alleen afhankelijk van Priesters en Levieten, maar het volk zelf speelt er een beslissende rol in. Kunnen zij het verbond met de God van Israël houden? Net als bij het bouwen van de muren om de vijand tegen te houden zullen ze ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor het onderhoud van de Tempel en het houden van de Wet die daar werd bewaard. Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zal de gedachte opkomen dat de richtlijnen van God in ieders hart geschreven zal moeten zijn en dat ieder persoon een Tempel voor God zou moeten zijn. Bedoeld wordt dat in iedere gelovige de Geest van God moet wonen die iedere gelovige op het spoor zet van de dienst aan de minsten, aan het houden van maaltijd met de armen en de vreemdelingen, want uiteindelijk ook volgens de profeet Jeremia brengt dat ons tot een land dat echt overvloeit van melk en honing. Ook in onze dagen kunnen we er nog elke dag opnieuw mee beginnen.

 

Zij werden niet geloofd

Marcus 16:9-20

9 Toen Hij vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, bij wie Hij zeven demonen had uitgedreven. 10 Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die Hem hadden vergezeld en die nu om Hem treurden en rouwden. 11 Toen ze hoorden dat Hij leefde en dat zij Hem had gezien, geloofden ze het niet. 12
Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad waren. 13 Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. 14 Ten slotte verscheen Hij aan de elf leerlingen terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, en Hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem hadden gezien nadat Hij uit de dood was opgewekt. 15 En Hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en verkondig het goede nieuws aan alle schepselen. 16 Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. 17 Het geloof zal gepaard gaan met de volgende tekenen: zij die geloven zullen in mijn naam demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, 18 met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hen niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’
19 Nadat Hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer opgenomen in de hemel en nam Hij plaats aan de rechterhand van God. 20 En zij gingen op weg om overal het goede nieuws te verkondigen. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen. (NBV21)

Het is ook een ongelofelijk verhaal. De gemeenten die het verhaal van Marcus hadden gelezen zullen gezocht hebben naar een passend einde van het verhaal over Jezus van Nazareth. Dat einde kon toch niet de verwarring van de vrouwen zijn waarmee Marcus oorspronkelijk zijn verhaal had afgesloten? Ook niet de boodschap dat iedereen maar weer gewoon naar huis moest gaan. Voor die eerste gemeenten was er iets nieuws begonnen, iets echt nieuws. Daarvoor waren ze bij elkaar op de eerste dag van de week, daarvoor lazen ze dat hele verhaal van Marcus aan elkaar voor. Hoe die laatste verzen aan het verhaal van Marcus zijn toegevoegd weten we niet. Misschien is het verhaal wel teruggestuurd naar de schrijver, met de vraag hoe het verder ging met dat verhaal van Jezus van Nazareth. Er zijn twee versies van een nieuw slot aan het Evangelie.

De ene zegt dat de vrouwen alles aan Petrus en de zijnen hadden verteld maar niet geloofd werden en dat Jezus van Nazareth toen maar zelf was verschenen en ze had opgedragen om dat goede nieuws aan iedereen te gaan vertellen. Het andere slot heeft het uiteindelijk gehaald en dat is wat we vandaag lezen. Ook daarin wordt benadrukt dat het niet werd geloofd. Nu worden vrouwen vaak niet geloofd en dat overkwam ook Maria van Magdala. Ze was vroeger niet helemaal goed bij haar hoofd geweest, Jezus van Nazareth had wel zeven demonen uitgedreven, een behoorlijk genezingsproces zouden we tegenwoordig zeggen. Maar geloven deden ze het niet. Ook niet toen twee van de volgelingen Jezus van Nazareth buiten de stad tegen waren gekomen, dat kan toch niet hebben ze geroepen. Maar uiteindelijk verscheen hij aan de elf, Judas was immers een andere weg ingeslagen, en was Jezus van Nazareth duidelijk ontstemd over dat ongeloof. Dat nam niet weg dat die volgelingen van Jezus van Nazareth de opdracht kregen om de hele wereld rond te trekken en aan iedereen het goede nieuws bekend te maken.

Als je gelooft en een nieuw leven wil beginnen, dat doe je door je oude leven af te spoelen en je dus te laten dopen, dan zal je gered worden van het je leven laten beheersen door de dood. Die eerste gemeenten dachten nog dat Jezus van Nazareth direct terug zou komen om te oordelen wie goed had gedaan en wie niet. Pas veel later zou een briefschrijver de gemeente er op wijzen dat je moet leven alsof Jezus van Nazareth vandaag of morgen echt terugkomt. Dan hou je het goede doen ook pas echt vol. Maar het kwade verdrijven en contact leggen met iedereen in de wereld, de taal spreken van iedereen , hoort nog steeds bij gelovigen. Immers oog hebben voor de minsten, liefde voor de naaste, maakt dat je mensen echt kunt helpen en ook echt contact krijgt met anderen. Waar Jezus van Nazareth ondertussen is? Bij God, zoals we mogen geloven dat onze gestorven geliefden bij God zijn. Maar zij gingen op weg, wij mogen op weg gaan om iedereen te laten weten dat er geen honger hoeft de zijn, dat iedereen gekleed kan worden, dat bedroefden getroost en gevangenen bevrijdt kunnen worden, dat vrede voor de hand ligt. Dat die nieuwe wereld ook voor ons voor het grijpen is.