Deze dag is er een van angst

2 Koningen 19:1-13

1 Zodra koning Hizkia de boodschap hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een rouwkleed aan en begaf zich naar de tempel van de HEER. 2 Hofmeester Eljakim, hofschrijver Sebna en de oudsten van de priesters stuurde hij gehuld in rouwkleren naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos. 3 Ze zeiden hem: ‘Dit zegt Hizkia: “Deze dag is er een van angst, straf en vernedering: het is als bij een geboorte waarbij de baarmoeder ontsloten is maar de kracht om te baren ontbreekt. 4 Maar misschien slaat de HEER, uw God, acht op wat de rabsake gezegd heeft, die door zijn heer, de koning van Assyrië, hierheen is gestuurd om de levende God te honen, en misschien zal Hij die belediging vergelden. Bid daarom voor degenen van ons volk die nog over zijn.”’ 5 Zo kwamen de hovelingen van koning Hizkia bij Jesaja, 6 en Jesaja antwoordde hun: ‘Zeg tegen uw koning: “Dit zegt de HEER: Laat je niet ontmoedigen door de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij hebben bespot. 7 Ik zal hem een geest sturen en hem een gerucht laten influisteren waardoor hij naar zijn eigen land terugkeert, en daar zal Ik hem een gewelddadige dood laten sterven.”’ 8 Inmiddels had de rabsake zich weer bij zijn koning gevoegd, die, zoals hij had vernomen, zijn kamp bij Lachis had opgebroken en nu de aanval had geopend op Libna. 9 Maar toen Sanherib het gerucht opving dat koning Tirhaka van Nubië was uitgetrokken om de strijd met hem aan te binden, zond hij opnieuw gezanten naar Hizkia, met de opdracht: 10 ‘Zeg tegen koning Hizkia van Juda: “Laat u niet misleiden door de HEER, uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld omdat Hij u heeft toegezegd dat Jeruzalem niet in handen zal vallen van de koning van Assyrië. 11 U hebt toch zelf gehoord hoe de koningen van Assyrië alle landen vernietigd hebben. Zou u dan gered worden? 12 Gozan, Charan, Resef en de inwoners van Eden in Telassar, die door mijn voorouders werden uitgeroeid, zijn toch ook niet door hun goden gered? 13 En wat is er geworden van de koningen van Hamat en Arpad, en van de koningen van de stad Sefarwaïm en van Hena en Iwwa?”’ (NBV21)

Vandaag worden we door de Bijbel verder ingewijd in de geheimen van een propaganda oorlog. De Koning van Assyrië, Sanherib, had bij monde van zijn hoogste legerleiding iedereen laten weten dat hij veel en veel sterker was dan al die kleine volkjes die rondom Juda lagen en dus ook veel sterker was dan hun goden. Waar haalde Juda het rare idee vandaan dat zij wel opgewassen zouden kunnen zijn tegen de macht van Assyrië. Toch niet van een zwakke bondgenoot als Egypte, als ze daar op zouden vertrouwen en zeker niet als ze zouden vertrouwen op de God van Israël want waarom zou die nu sterker zijn dan de godjes van de landjes die om Juda heen lagen. Een boodschap die luid en duidelijk bij de inwoners van Jeruzalem de hoofdstad van Juda was binnengekomen, ook al had de leiding van het land gesmeekt het niet al te hard te roepen en liefst nog in een andere, onverstaanbare, taal.

Er zat natuurlijk wel wat in wat de Koning van Assyrië had laten weten bij monde van zijn hoogste legerleiders. Koning Hizkia zag zich en zijn land al verslagen en dat stemt niet vrolijk. Hij trok daarom zijn rouwkleren aan. Dit was een serieuze aanslag op zijn land, zijn stad, de Tempel van de God van Israël en vooral op zijn mensen. In dit verhaal komen namelijk ook de gewone mensen voor. Als toehoorders, als schapen die stil en gedwee moeten ondergaan wat de machthebbers voor hen in petto hebben, maar toch, tot nu toe waren ze in het verhaal uit 2 Koningen wat we gelezen hebben volstrekt afwezig. Hizkia besluit op de ingeslagen weg voort te gaan. Hij had besloten alle afgoden het land uit te bannen en te gaan vertrouwen op de God van Israël. Hij had geluisterd naar de profeet Jesaja en nu wordt het tijd dat Jesaja in beraad gaat met die God en zorgt voor de hulp die het volk zo duidelijk nodig heeft.

En die hulp is er. Niet direct met bliksem en donder zoals je zou kunnen verwachten. Ook niet met toverkracht voor de soldaten van Juda. Maar met het wapen dat in elke propagandaoorlog een zekere werking heeft: het gerucht. Het gerucht dat een andere machtige staat zou optrekken naar Assyrië. De soldaten die voor Jeruzalem lagen waren dus nodig om Assyrië te beschermen. Het antwoord is duidelijk. Niet langer de hoogste legerleiding die Koning Hizkia aanspreekt maar een gezantschap, met een briefje waarin de boodschap nog eens wordt herhaald. Ook in onze dagen spelen geruchten een grote rol. Via de sociale media vinden ze een snelle verspreiding en een gewillig oor. We worden er steeds voor gewaarschuwd de verhalen over het verloop van de oorlog in Oekraïne te serieus te nemen. Het verhaal van Hizkia en Jesaja waarschuwt ons daarom voor propaganda en voor geruchten. Elders in de Bijbel staat dat we niet moeten vertrouwen op wie roept dat de God van Israël Heer is maar dat we moeten vertrouwen op wie doet wat die God heeft gevraagd: zorgen voor de zwaksten en de minsten. Dat is ook vandaag, dat is ook in propagandaoorlogen, nog steeds de beste raad. Zorgen voor de minsten mogen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Het volk op de muur luistert mee.

2 Koningen 18:26-37

26 Eljakim, Sebna en Joach zeiden tegen de rabsake: ‘Spreek alstublieft Aramees met ons, heer; wij verstaan dat. Spreek toch geen Judees met ons, het volk op de muur luistert mee.’ 27 Maar de rabsake antwoordde: ‘Dacht u dat mijn heer mij gestuurd heeft om het woord uitsluitend tot uw heer en u te richten? Onze woorden zijn net zo goed bestemd voor de mensen daar op de muur, die binnenkort net als u hun eigen drek zullen eten en hun eigen pis zullen drinken.’ 28 En hij rechtte zijn schouders, verhief zijn stem en zei, in het Judees: ‘Luister naar wat de grote koning, de koning van Assyrië, u te zeggen heeft! 29 Dit zegt de koning: “Laat u niet door Hizkia misleiden, hij is niet in staat u uit mijn greep te redden. 30 Laat u niet door hem overhalen uw vertrouwen te stellen in de HEER. Als hij beweert: ‘De HEER zal ons vast en zeker redden en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië,’ 31 luister dan niet naar hem. Want dit zegt de koning van Assyrië: ‘Geef u over en stel u onder mijn hoede, dan kan ieder van u van zijn wijnstok en zijn vijgenboom eten en het water uit zijn eigen put drinken, 32 tot ik kom en u meevoer naar een land dat niet onderdoet voor dat van u: een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden, van olierijke olijfbomen en honing. U zult in leven blijven en hoeft niet te sterven. Luister toch niet naar Hizkia, die u valse hoop geeft met zijn bewering dat de HEER u zal redden. 33 Hebben de goden van andere volken hun land soms gered uit de handen van de koning van Assyrië? 34 Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven, waar waren de goden van Sefarwaïm, Hena en Iwwa? Hebben die Samaria soms uit mijn handen gered? 35 Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?’”’ 36 Maar het volk zweeg en antwoordde met geen woord, want zo had de koning het bevolen. 37 Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen met gescheurde kleren naar Hizkia om hem de woorden van de rabsake over te brengen. (NBV21)

Vandaag leren we allereerst waarom onderhandelingen tussen naties achter gesloten deuren worden gevoerd. We zien dat over de hele wereld gebeuren. Keurige mannen in strak gesneden pakken, nette mevrouwen in broekpakken of mantelpakjes die glimlachend naar de onderhandelingstafel gaan en nog even gefotografeerd worden als ze samen zitten. Maar dan gaan de deuren dicht en mag het gewone volk raden wat er achter de gesloten deuren gebeurd en afwachten wat het resultaat wordt. Heel af en toe komt er iemand naar buiten die komt dan vertellen hoe dapper die wel niet is en hoe ferm hij of zij zich opstelt in de onderhandelingen. Ook stiekum komt er informatie naar buiten, dat heet lekken en gaat er heel vaak over wie zo stijfhoofdig is om populaire uitkomsten van de onderhandelingen tegen te houden. Dat is om de druk op te voeren heet dat dan.

In het gedeelte dat we vandaag uit de Bijbel lezen horen we waarom er zo wordt omgesprongen met de belangen van de mensen waarover wordt onderhandeld. De hoogste legerleiding van Assyrië onderhandelt met de hoogste paleisvertegenwoordigers van Juda, alleen de koning van Assyrië en de koning van Juda zijn er niet zelf bij. Ze praten Judees. Opmerkelijk is natuurlijk de vraag om Aramees te praten. Dat was de eigen taal van de Assyriërs maar zou den duur de algemene rijkstaal worden van het rijk van Meden en Perzen. Zelfs in de Romeinse tijd spraken de mensen in Israël en omgeving nog Aramees. In het Nieuwe Testament hoor je Jezus van Nazareth regelmatig de taal van de gewone mensen spreken, Aramees. De deftige taal was toen het Grieks geworden, de taal waarin ook het Nieuwe Testament was geschreven. In de dagen van Koning Hizkia was dus de deftige taal het Aramees, de taal waarin een deel van het boek Daniël is geschreven.

Maar de legerleiding van Assyrië blijft Judees praten zodat alle mensen op de muren van Jeruzalem kunnen horen wat de Koning van Assyrië heeft aan te bieden. Allereerst macht, die koning is zo machtig dat geen bondgenootschap maar ook geen enkele god de macht van die koning heeft kunnen weerstaan. En die koning is zo machtig dat hij voor het volk van Juda een geweldig vruchtbaar en rijk land in de aanbieding kan doen. En als de God van Israël net zo zwak, of sterk, is als al die andere goden dan is het aanbod van de Koning van Assyrië toch wel een heel aantrekkelijk aanbod lijkt het. De propaganda druipt er af en propaganda kennen we onder meer uit de Tweede Wereldoorlog. Toen waren er mensen die dachten dat de Duitsers wel zo machtig waren dat ze niet te verslaan zouden zijn, je moest het maar op een akkoordje gooien. In het gedeelte dat we vandaag lezen zwijgt het volk, zoals opgedragen, maar het wacht af. Voor ons is het zaak te leren door de propaganda heen te kijken. Wie ons wil hebben onder dreiging van geweld kan nooit iets goeds te bieden hebben moeten we maar bedenken. En dan blijkt het zorgen voor de minsten in de samenleving een heel erg sterk wapen te zijn, zeker als je zelfs je vijanden weet lief te hebben. Wij kunnen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Vernietig het

2 Koningen 18:13-25

13 In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia trok koning Sanherib van Assyrië op tegen de versterkte steden van Juda en nam ze in. 14 Koning Hizkia van Juda stuurde afgezanten naar de koning van Assyrië, die in Lachis verbleef, met de boodschap: ‘Ik ben tegenover u in gebreke gebleven. Staak uw aanval. Wat u mij oplegt, zal ik dragen.’ De koning van Assyrië eiste van koning Hizkia van Juda driehonderd talent zilver en dertig talent goud. 15 Hizkia droeg al het zilver af dat zich in de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis bevond. 16 Ook liet hij het gouden beslag verwijderen dat hij zelf op de deuren en deurposten van de grote zaal van de tempel had laten aanbrengen, en gaf dat aan de koning van Assyrië. 17 De koning van Assyrië stuurde vanuit Lachis drie hoogwaardigheidsbekleders, de tartan, de rabsaris en de rabsake, met een geweldig leger naar koning Hizkia in Jeruzalem. Zij trokken naar Jeruzalem op. Daar hielden ze halt bij de watertoevoer naar het bovenste waterbekken, aan de straat van het bleekveld, 18 en vroegen de koning te spreken. Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen naar hen toe. 19 De rabsake zei tegen hen: ‘Zeg tegen Hizkia: “Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: ‘Waarop berust toch dat vertrouwen van u? 20 Denkt u soms dat mooie beloften opwegen tegen strategie en militaire macht? En in wie stelt u zo veel vertrouwen dat u tegen mij in opstand durft te komen? 21 In Egypte, die
geknakte rietstok die je hand doorboort wanneer je probeert erop te leunen! Want meer heeft de farao, de koning van Egypte, niet te betekenen voor degenen die hun vertrouwen in hem stellen.’” 22 En u kunt mij nu wel zeggen: “Wij stellen ons vertrouwen in de HEER, onze God,” maar was het niet juist die God wiens offerplaatsen en altaren Hizkia heeft laten verwijderen? Hizkia heeft immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd dat ze alleen voor het altaar in Jeruzalem mogen neerknielen? 23 Welnu, waag uw kans met mijn heer, de koning van Assyrië. Hij zal u tweeduizend paarden geven, mits u in staat bent de ruiters ervoor te leveren. 24 Zolang u voor strijdwagens en ruiters op Egypte vertrouwt, zult u immers nog niet één enkel provinciehoofd, een van de minste dienaars van mijn heer, kunnen weerstaan. 25 U denkt toch niet dat hij zonder instemming van de HEER is opgetrokken om Jeruzalem te vernietigen? De HEER heeft hem gezegd: “Val dit land aan en vernietig het.”’ (NBV21)

We horen dezer dagen van geweld en oorlog en van onderhandelingen en mooie praatjes. Wie goede voorbeelden wil bestuderen kan in de Bijbel terecht. Het verhaal van Koning Hizkia was al begonnen bij zijn vader Achaz. Die had een verbond gesloten met de koning van Assyrië zodat hij zelf koning kon blijven en Juda geen last zou hebben van de legers van Assyrië. Hij had daarvoor het goud en zilver uit de Tempel en het Paleis moeten laten halen en dat aan de Koning van Assyrië gegeven. Toen de kleine vorstendommen in de buurt optrokken tegen Juda omdat zij een verbond met Egypte hadden gesloten was de koning van Assyrië koning Achaz te hulp gekomen. Maar die had nog meer moeten betalen en de prachtige koperen altaren en versieringen die voor de Tempel stonden ook naar de koning van Assyrië moeten brengen.

Hizkia was een andere weg ingeslagen. De afgodendienst waar zijn vader zich schuldig had gemaakt had zijn broer het leven gekost toen die in het vuur werd geofferd aan de god Moloch. Hizkia ging weer terug naar de God van Israël als enige God voor het volk van Juda. Afgodsbeelden en vruchtbaarheidspalen werden vernietigd en alleen voor de God van Israël mochten nog offers worden gebracht. Maar Hizkia stopte ook met het verbond met Assyrië. Hij droeg geen schatting meer af. En dat pikte de koning van Assyrië niet. Hij stuurde een leger op Jeruzalem af dat zich legerde naast de watervoorziening voor de stad. Een bedreiging die je wel serieus moest nemen, een stad zonder water is als een mens zonder bloed. In het gedeelte dat we vandaag lezen erkent Hizkia dat hij stom is geweest. Een verdrag hoor je te respecteren. Zo doet ook de God van Israël met zijn verbond. Een enorm bedrag aan goud, zilver, edelstenen en slavinnen en kostbare voorwerpen wordt als afkoopsom betaald.

Maar het gaat er ook om de machtsverhoudingen zuiver te stellen. Volgens de koning van Assyrië kan zelfs een vertrouwen op de God van Israël niet op tegen de macht van de wereldmacht Assyrië. De macht van de andere wereldmacht Egypte stelt al helemaal niets voor in de ogen van Assyrië. Of dat waar is moeten we maar afwachten, we hebben het spannende verhaal uit dit spannende verhalenboek nog niet tot het eind gelezen. Maar wat toen gold en vandaag nog geldt is dat je een verdrag niet zomaar kan opzeggen. Zoals Europa nu georganiseerd is hebben we voor een groot deel zelf mee bepaald, we kunnen het veranderen, maar we kunnen er niet zomaar af. Europa is zo georganiseerd om wereldoorlogen als in de vorige eeuw te voorkomen. Als kleine landjes zich losmaken uit eigen belang kunnen grote dat ook en komen de gevaren die geleid hebben tot wereldoorlogen weer terug. De God van Israël blijft trouw aan zijn verbond en roept op voor de minsten en de zwaksten te zorgen. Misschien moeten we in Europa daar ook maar eens mee beginnen. We krijgen er elke dag een nieuwe kans voor, ook vandaag weer.

 

Breng hem bij Me.

Matteüs 17:14-23

14 Toen ze zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar Hem toe die voor Hem op zijn knieën viel 15 en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water. 16 Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’ 17 Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Me.’ 18 Daarop sprak Jezus de demon streng toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen. 19 Toen de leerlingen met Jezus alleen waren, vroegen ze Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ 20 Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’ 21 22 Toen ze bij elkaar waren in Galilea, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen. 23 Die zullen Hem doden, maar op de derde dag zal Hij uit de dood worden opgewekt.’ Dit maakte hen zeer bedroefd. (NBV21)

We geloven het nog steeds niet. Als je maar een klein piezeltje geloof hebt kun je een berg verzetten. Niet dat je nu letterlijk bergen moet willen verzetten, zelfs van Jezus van Nazareth wordt nergens verteld dat die tegen een berg zei : “Stort je in zee”, waarop mensen sindsdien kunnen aanwijzen waar die berg zich in zee heeft gestort. Maar zodra mensen zich gaan inzetten om de wereld een klein beetje beter te maken krijg je dat ongeloof te horen: Het lukt je toch niet. De kruisraketten waren hard nodig, die zouden er echt wel komen. Geloof in de mogelijkheid van vrede tussen mensen was niet mogelijk en dat propageren was onvruchtbaar. Het geloof van een elektricien in Polen en vele Nederlanders die ondanks alles vriendschap sloten met mensen in Oost Duitsland heeft uiteindelijk de geschiedenis veranderd. De industrie zou ook niet milieuvriendelijk te krijgen zijn. Er was er ooit één die met Greenpeace begon, en de drijfgassen uit koelkasten en spuitbussen zijn verdwenen en heel langzaam herstelt de ozonlaag zich, iets te langzaam overigens.

Ook de apartheid in Zuid Afrika zou nooit op een vreedzame wijze kunnen worden afgeschaft. Tegen demonstranten voor Nederlandse banken, die demonstreerden tegen een investeringsbeleid dat de apartheid ondersteunde, werd gezegd dat ze oorlog stonden uit te lokken. Maar toen kerken hun investeringen gingen terugtrekken en gelovigen hun bankrekeningen opzegden, automobilisten de Shell pompen voorbij reden, en Nelson Mandela hardnekkig een onvoorwaardelijke vreedzame overgang naar democratie bleef nastreven ging het onaantastbare apartheidsregiem aan het wankelen en kunnen we het nu opzoeken in geschiedenisboekjes. Natuurlijk gaat het verdrijven van die demonen niet van de ene op de andere dag. Iedereen die met moeilijke jongeren werkt zal dat weten. Maar ook het helpen van ontspoorde jongeren of jongeren die dreigen te ontsporen is meer dan de moeite waard. Steeds weer geldt dat iedereen bij de samenleving mag horen, en dat iedereen bij een samenleving kan gaan horen als liefde voorop staat.

Hangjongeren uit een winkelcentrum weren brengt voor dat winkelcentrum misschien rust, maar er wordt niets mee opgelost. Waarom geven de winkeliers en de gemeente de jongeren die er rondhangen geen werk? Waarom gaan de ouderen uit die Utrechtse wijk samen met de wijkagent niet met die jongeren in gesprek om hen duidelijk te maken hoe bedreigend ze overkomen en hoe schadelijk dat voor die jongeren zelf kan zijn? We sluiten tegenwoordig liever mensen buiten onze samenleving dan dat we moeite doen om mensen op te nemen. De gevolgen zijn soms zeer ernstig. Voortdurend roepen dat de Islam een gevaar is voor onze heersende cultuur maakt dat jonge mensen die intens die godsdienst beleven, extremisten en fanatici vindt je bij elke overtuiging, zich zo buiten de samenleving gesteld voelen dat ze met hun gezinnen willen emigreren naar landen waar hun radicale vorm van geloven de bovenliggende religie dreigt te worden. Toch is maar weinig nodig om de wereld een beetje beter te maken, ga met elkaar in gesprek, neem elkaar serieus en blijf met elkaar in gesprek. Thee is een sterker wapen dan traangas. Maar het moet van veel mensen komen. Doe mee dus, vandaag kan het weer.

 

Sta op, wees niet bang.

Matteüs 17:1-13

1 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. 2 Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. 3 Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren. 4 Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als U wilt zal ik hier drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ 5 Hij was nog niet uitgesproken of een stralende wolk overdekte hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’ 6 Toen de leerlingen dit hoorden, werden ze overvallen door een hevige angst en wierpen ze zich ter aarde. 7 Jezus kwam dichterbij, raakte hen aan en zei: ‘Sta op, wees niet bang.’ 8 Ze keken op en zagen niemand meer, Jezus was alleen. 9 Toen ze de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’ 10 De leerlingen vroegen Hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad en herstelt alles. 12 En Ik zeg jullie dit: Elia is al gekomen, maar in plaats van hem te erkennen hebben ze met hem gedaan wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hun toedoen moeten lijden.’ 13 Toen begrepen de leerlingen dat Hij op Johannes de Doper doelde. (NBV21)

Jezus van Nazareth was sterk verbonden met de geschiedenis van zijn volk. Met Mozes die het volk uit slavernij leidde en de Wet van de woestijn, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, op twee stenen platen kreeg en de tent van God mocht oprichten. Jezus van Nazareth was ook verbonden met de profeet Elia van wie wordt verteld dat hij op een vurige wagen ten hemel steeg en die zich openlijk bleef verzetten tegen een overmacht van priesters die andere goden wilden volgen en tegen de Koningen die dat wel mooi vonden en politiek aantrekkelijk. Het is geen wonder dat de volgelingen van Jezus van Nazareth een weg zochten om die eenheid met de geschiedenis te bewaren. Maar Jezus van Nazareth wilde in elk geval niet dat de volgelingen hem al direct op een lijn gingen stellen met Mozes en Elia. Pretenties waren Jezus vreemd. Hoeveel glans er van die illustere voorgangers ook op hem afstraalde hij bleef maar liever gewoon mens.

We willen tijdlijnen, logische volgorde van de dingen, van hetgeen gebeurde, hetgeen nu gebeurt en hetgeen zal gebeuren. In het verleden ligt het heden in het nu wat komen zal, dat bepaalt ons leven, daar rekenen we mee. De Bijbel rekent soms anders. Sommige beloften lijken we gemakkelijk te kunnen begrijpen maar als ze worden vervuld blijkt er iets anders gebeurd te zijn. God grijpt in in onze geschiedenis, loodrecht van boven, we weten niet waar het vandaan komt en we waren er meestal niet op voorbereid. Als een dief in de nacht zegt Jezus ergens en niemand kan de dag en het uur weten. Zo ging het met de wegbereider van de komst van de bevrijder. Elia zou terugkomen zo luidde de belofte. Die zou opnieuw de vreemde priesters van de afgoden verdrijven, die zou de Koningen aan de kaak stellen die het volk uitbuitten en onderdrukten. Maar waar bleef die Elia nu Jezus als Messias toch al bij de volgelingen was?

Elia heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Nog steeds houden de Joden een stoel vrij voor Elia bij het vieren van de maaltijd van de bevrijding uit de slavernij, het Pesachmaal. Bovendien kunnen er vreemde legenden ontstaan rond profeten en wonderdoeners. Dat wat Elia had beleefd met priesters en koningen, lees de verhalen in het Oude Testament er maar op na, getuigde van zoveel macht dat mensen uit de dagen van Jezus van Nazareth wilden dat het ook zou gebeuren met de zware bezetting waaronder ze zelf leefden. Maar toen Johannes de Doper opriep om anders te gaan leven, zoals Elia had gedaan, herkenden ze de boodschap niet. Zelfs wij herkennen het belang van Johannes de Doper vaak niet. De uitspraak dat als je twee mantels hebt je er een moet weggeven aan iemand die er geen had wordt door de Bijbel aan Johannes de Doper toegeschreven, in die voetsporen is Jezus van Nazareth getreden. Zien wij nog dat de aarde bevrijd kan worden van het kwaad door het goede te doen en niet dan het goede? Dat vruchtbaarheidsgoden nalopen, de goede van winst en profijt, geen welzijn voor mensen brengt maar alleen samen zorgen voor de minsten de boodschap is die ons wordt aangereikt. Daar mogen we elke dag opnieuw mee aan de slag, ook vandaag weer.

Wat goed is

2 Koningen 18:1-12

1 Hizkia, de zoon van Achaz, werd koning van Juda in het derde regeringsjaar van koning Hosea van Israël, de zoon van Ela. 2 Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Abi, de dochter van Zecharja. 3 Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn voorvader David gedaan had. 4 Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapaal omver en sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte om voor deze slang, die de naam Koperslang droeg, wierook te branden. 5 Hizkia stelde zijn vertrouwen in de HEER, de God van Israël. Nooit, noch voor noch na zijn tijd, is hij geëvenaard, door geen van de koningen van Juda. 6 Hij was de HEER toegedaan en heeft zich nooit van Hem afgekeerd; hij hield zich aan de geboden die de HEER aan Mozes heeft gegeven. 7 De HEER stond hem bij, zodat Hizkia alles wat hij ondernam tot een goed einde bracht. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en weigerde nog langer diens vazal te zijn. 8 Hij was het ook die de Filistijnen terugsloeg en het hele gebied tot aan Gaza en de omliggende dorpen veroverde, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad. 9 In het vierde regeringsjaar van koning Hizkia, dus het zevende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, trok koning Salmanassar van Assyrië tegen Samaria op en belegerde de stad. 10 Na een beleg van drie jaar, in het zesde regeringsjaar van Hizkia, dus het negende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, werd Samaria ingenomen. 11 De koning van Assyrië voerde de Israëlieten als ballingen mee naar zijn land, waar sommigen een woonplaats kregen aangewezen in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië. 12 Dit gebeurde omdat de Israëlieten de HEER, hun God, niet gehoorzaamd hadden. Ze hadden de regels van het verbond overtreden die Mozes, de dienaar van de HEER, hun gegeven had; ze hadden er niet naar geluisterd en er niet naar gehandeld. (NBV21)

Wie dit tweede boek Koningen leest zal het opvallen dat het nalopen van vreemde goden, andere goden dan de God van Israël, nogal sterk wordt veroordeeld. Het is dan ook iedere keer een verademing als er in Juda of Israël nog eens een Koning komt die de verering van vreemde goden afschaft en de verering van de God van Israël weer in ere hersteld. Over dat herstel lijkt het verhaal van vandaag wel te gaan. Nadat Achaz gestorven was komt een zoon van Achaz aan de macht, Hizkia. Er staat in de vertaling wel “de zoon” van Achaz maar er staat hiervoor in het verhaal ook dat Achaz een zoon had geofferd in het vuur. Hizkia was vijfentwintig toen hij koning werd. Voor ons lijkt dat jong maar de levensverwachting was meer dan honderd jaar terug in onze geschiedenis veel en veel minder dan tegenwoordig, onze discussie over de pensioengerechtigde leeftijd komt nu eenmaal omdat we met elkaar gemiddeld veel en veel langer leven dan in het verleden. Hizkia werd op een redelijke leeftijd Koning.

Voor de beoordeling van Hizkia moeten we ook de laatste verzen van het gedeelte van vandaag eerst even lezen. Daar staat dat het concurrende koninkrijk van Juda, het Noordrijk Israël ophield te bestaan omdat de mensen daar vreemde goden waren gaan aanbidden en hun identiteit als nazaten van Jacob hadden opgegeven. Zij waren de onderdanen van Koning Hosea en als Koning Hizkia gewoon was doorgegaan waar zijn vader gebleven was zou ook Juda hetzelfde lot hebben moeten treffen dat Israël had getroffen. Hizkia lijkt het echter anders te willen gaan doen. Hij wordt weer koning zoals David ooit koning was geweest. Hij maakte een eind aan de cultus van Asjeera, de vruchtbaarheidsgodin van Kanaän. En hij verbrijzelde een bronzen slang die het volk ooit onder Mozes in de woestijn behoed had voor slangenbeten, maar die ze waren gaan aanbidden. Onze keurige Nieuwe Bijbelvertaling laat een beetje in het midden hoe, maar letterlijk staat er dat ze de slang aanriepen als “bronstige slang”, ook een cultus voor vruchtbaarheid dus.

Wat moeten we nu met zo’n verhaal over een Koning die de afgoderij afschaft, zich losmaakt van de onderdanigheid van een wereldmacht en de vijanden in de buurt weet te verslaan. Dat terwijl die wereldmacht ondertussen het meest verwante volk, dat van het Noordrijk Israël, gevangen neemt en deporteert naar onbekende oorden. En werd uiteindelijk ook het volk van Juda niet in ballingschap weggevoerd? Ja dat is zo. Maar in het hart van het verhaal van vandaag staat dat de Koning zich hield aan de geboden die Mozes had doorgegeven. Die geboden laten zich samenvatten in het heb uw naaste lief als uzelf, een koning die die geboden onderhield deed ook de armsten in het land recht, liet mensen tot hun recht komen en zorgde dat honger en ellende uit het land verdween. Dat kan dus ook in tijden van crisis, het is dus geen natuurwet dat de armsten de crisis moeten betalen. Dat hoefde dus niet in de dagen van Hizkia, dat hoeft ook niet vandaag. De dreiging van de crisis is daarmee niet weg, maar wij hoeven daar eigenlijk niet zo bang voor te zijn. Als wij ons blijven inzetten voor de armsten in de wereld, dan zal het ons goed gaan. Gelukkig kunnen we dat elke dag weer opnieuw, ook vandaag weer.

Andere goden

2 Koningen 17:34-41

34 Ook de Israëlieten zelf vervielen telkens opnieuw in hun oude gewoonten en doen dat tot op de dag van vandaag: ze vereren de HEER niet en houden zich niet aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die de HEER heeft opgelegd aan de nakomelingen van Jakob, aan wie Hij de naam Israël heeft gegeven. 35 De HEER had met hen een verbond gesloten en hun opgedragen: ‘Jullie mogen geen andere goden vereren: niet voor hen neerknielen, hen niet dienen en hun geen offers brengen. 36 Alleen de HEER, die jullie met sterke hand en opgeheven arm uit Egypte heeft weggeleid, moeten jullie vereren, voor Hem moeten jullie neerknielen en aan Hem moeten jullie offers brengen. 37 Jullie moeten je altijd houden aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die Hij heeft vastgelegd, en geen andere goden vereren. 38 Jullie mogen het verbond dat Ik met jullie heb gesloten niet vergeten en geen andere goden vereren; 39 alleen de HEER, jullie God, moeten jullie vereren, dan zal Hij jullie redden uit de greep van al jullie vijanden.’ 40 Maar ze hebben niet geluisterd en houden nog altijd vast aan hun oude gewoonten. 41 De nieuwe bewoners van het land vereerden de HEER, maar dienden ook hun eigen godenbeelden. Hun kinderen en kindskinderen volgden het voorbeeld van hun ouders en leven tot op de dag van vandaag op dezelfde wijze voort. (NBV21)

Je kunt dan wel kritiek hebben op de Samaritanen, die naast de God van Israël ook de goden vereerden die ze van huis hadden meegenomen, je moet natuurlijk niet de ogen sluiten voor wat je eigen volk doet. Iedere keer weer vervielen de Israëlieten in de gewoonte andere goden dan de God van Israël te aanbidden. En uitdrukkelijk worden hier de inwoners van de koninkrijken Juda en Israël bedoeld, de afstammelingen van dat ene volk dat als voorbeeld was gekozen voor alle volken en dat bevrijd was uit de slavernij van Egypte. Zij hadden de wetten en voorschriften gekregen die zich lieten samenvatten in het Heb uw naaste lief als uzelf, de manier om God lief te hebben boven alles. Met die God hadden ze afgesproken geen andere goden te dienen, geen offers te brengen, alleen de God die hen uit Egypte had geleid zouden ze voortaan nog vereren en aan zijn wetten zouden ze zich houden.

De vraag rijst waarom dat allemaal zo belangrijk is. Die nieuwe mensen in Israël waren daar ook maar heen gedeporteerd en als de achterblijvers net als het buurvolk in Juda respect zouden betonen voor hun goden en af en toe ook een offer zouden brengen aan die nieuwe goden dan vermeed je toch een heleboel wrijving en een bron van vele conflicten. Wie die vraag zo stelt gaat voorbij aan het gans andere karakter dat de godsdienst voor de God van Israël heeft. De godsdienst van de nieuwe goden had het zogenaamde voor wat hoort wat karakter. Als je zo’n god een offer bracht dan kreeg je daar wat voor terug. De God van Israël die hoefde geen offers, die had alles al. Een offer voor die God bewees alleen dat je bereid was te delen van je bezit, dat je oog had voor zijn geboden en dus voor de minsten, de zwaksten in je samenleving. De belangrijkste offers werden dan ook gebracht in de vorm van een maaltijd met Tempeldienaren, familie, knechten en slaven, armen en de vreemdelingen die bij je woonden.

In onze cultuur lijken we die afgoden waartegen hier wordt gewaarschuwd niet meer te kennen. Natuurlijk weten we van de totale overgave aan het behalen van succes, van winst en profijt, het achternalopen van goud en glitter. Maar hoeveel we er ook voor opofferen, tot onze eigen persoonlijkheid en ons uiterlijk toe, we noemen het geen goden. En in onze kerken en zogenaamde christelijke gemeenschappen daar gaat het toch ook over voor wat hoort wat, als je gelooft dan wordt je immers gered en behouden? Waarvan gered is niet altijd duidelijk of het moet zijn van een vaag soort oordeel na je dood, waar je dus geen weet van hebt. De afgoden hebben dus bij ons andere vormen aangenomen en de eigenschappen die aan afgoden werden toegekend kennen we voor het gemak toe aan een God die we aanspreken alsof het de God van Israël is. Dat die God alleen gediend wordt als er wordt opgekomen voor de lijdenden in de wereld, voor de slachtoffers van oorlog en geweld, voor zieken en gehandicapten, voor de zwaksten wordt verzwegen. De samenleving hoort niet bij geloof klinkt het dan. De Bijbel leert anders, daar valt geloof samen met het geloof dat met de God van Israël van de samenleving een land van melk en honing gemaakt kan worden. Elke morgen weer mogen we daarheen op weg gaan en daaraan gaan werken, ook vandaag weer.

 

Daarnaast vereerden zij de HEER

2 Koningen 17:24-33

24 De koning van Assyrië voerde mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaïm naar de steden van Samaria, waar hij hun een woonplaats toewees in plaats van de Israëlieten. Deze mensen namen Samaria in bezit en gingen er wonen. 25 De eerste tijd dat zij daar woonden, vereerden ze de HEER niet. Daarom liet de HEER leeuwen op hen los, die een aantal van hen verscheurden. 26 Men zei tegen de koning van Assyrië: ‘De volken die u naar Samaria hebt weggevoerd om in de steden daar te gaan wonen, zijn niet op de hoogte van de regels die de God van dat land heeft gesteld. Nu heeft Hij leeuwen op hen losgelaten omdat de mensen de regels van de God van dat land niet kennen, en die hebben al een aantal van hen gedood.’ 27 Daarop beval de koning van Assyrië: ‘Stuur een van de priesters die jullie hebben weggevoerd terug naar het land waar hij vandaan komt. Hij moet daar gaan wonen en de mensen de regels van de God van dat land onderwijzen.’ 28 Zo keerde een van de priesters die waren weggevoerd terug naar Samaria en vestigde zich in Betel, waar hij de mensen leerde hoe ze de HEER moesten vereren. 29 Toch bleven al die volken hun eigen godenbeelden maken, die ze in hun nieuwe woonplaats neerzetten in de tempels die de bewoners van Samaria op de offerhoogten gebouwd hadden. 30 De mensen uit Babel maakten een beeld van Sukkot-Benot, de mensen uit Kuta maakten een beeld van Nergal, de mensen uit Hamat maakten een beeld van Asima, 31 de Awwieten maakten beelden van Nibchaz en Tartak, en de Sefarwieten verbrandden hun kinderen als offer voor hun goden Adrammelech en Anammelech. 32 Daarnaast vereerden zij de HEER en stelden ze uit hun eigen midden priesters aan om dienst te doen in de tempels op de offerhoogten. 33 Ze vereerden dus wel de HEER, maar dienden ook hun eigen goden zoals ze in hun land van herkomst gewoon waren geweest. (NBV21)

Echte godsdienst is niet gemakkelijk. Er zijn allerlei goden en die hebben allerlei taken en bevoegdheden. Je moet maar op tijd de juiste god weten aan te roepen. In de dagen van de ballingschap van de mensen van het noordelijk koninkrijk Israël had iedere stad en iedere streek een eigen god. Geen wonder dan ook dat toen er slachtoffers vielen onder de nieuwe bewoners van het verlaten en verwilderde gebied de mensen dachten dat ze de god van die streek niet goed hadden geëerd. Er werd dus een priester teruggestuurd naar die streek om de nieuwe bewoners te leren hoe je de god van die streek op de juiste manier moest eren. Voor de bewoners van Juda waren dat dus de Samaritanen, de mensen die naar het noordelijk rijk Israël waren gedeporteerd en de God van Israël aanbaden als een streekgod en daarnaast hun eigen goden hadden gehouden.

Het is een manier om mensen apart van jou te houden. Ook in onze dagen speelt dat. Godsdienstgeleerden, Christelijke theologen, zijn er steeds meer en steeds duidelijker van overtuigd dat moslims dezelfde God aanbidden als Joden en Christenen. Moslims waren daar zelf al eerder van overtuigd maar de betekenis er van dringt maar langzaam tot ons door. Dat was voor de Samaritanen ook zo. Zijzelf beschouwden zich als afstammelingen van de achterblijvers, de mensen die niet waren gedeporteerd maar over het hoofd waren gezien. Ze bleven hun godsdienst onderhouden in de heiligdommen die altijd al in het gebied van Israël gewijd waren aan de God van Israël. Maar toen de ballingen terugkeerden en Jeruzalem gingen herbouwen bleven zij vasthouden aan de vijf boeken van Mozes als de enige bron van hun geloof. De boeken van de profeten, de geschriften als de Psalmen, de Spreuken en Prediker erkenden ze niet. Pas in de dagen van het ontstaan van het Christendom ontstond er binnen de Christelijke beweging weer een eenheid tussen Joden en Samaritanen.

Er staan voor ons zeer vreemde goden genoemd in het gedeelte van vandaag. Geleerden zoeken dan uit wat voor goden dat dan wel zijn geweest. En dan blijkt dat die goden niet voor niets worden genoemd. Nergal bijvoorbeeld was de god van de onderwereld, die allerlei rampen over de mensen brengt. Vanouds overigens een herdersgod. Maar zie eens wat voor onheilsgoden die mensen meebrachten. Ze hadden zelfs goden waar kinderen aan geofferd werden. In Bethel, waar les gegeven werd in de verering van de God van Israël, werd die God van Israël overigens aanbeden in de vorm van een kalf. Dat kalf stond voor het nieuwe leven dat die God je zou geven. Dat doet natuurlijk denken aan het gouden kalf uit de woestijnreis. Zo zijn er in het verhaal allerlei onderhuidse verwijzingen naar het waarom van het verwerpen van Samaritanen door de Joden. En is het verhaal tegelijk een waarschuwing aan ons zeer voorzichtig te zijn met onze taal rond vreemdelingen en minderheden. Het zal duidelijk zijn dat dit verhaal voor Samaritanen, die eeuwen en eeuwen de geboden van de God van Israël bewaard hadden en die God vereerd hadden, zeer kwetsend was. Zo kwetsend is soms ook ons taalgebruik over vreemdelingen. Gelukkig dat we elke dag een nieuwe morgen hebben waarop we opnieuw en als nieuw met onze naasten mogen omgaan, ook vandaag weer.

 

Nietige goden

2 Koningen 17:13-23

13 Telkens opnieuw vermaande de HEER Israël en Juda bij monde van alle profeten en zieners: ‘Breek met jullie kwalijke praktijken en houd je aan mijn geboden en bepalingen, aan de wet die Ik jullie voorouders heb opgelegd en die jullie door mijn dienaren, de profeten, is overgeleverd.’ 14 Maar even halsstarrig als hun voorouders, die geen vertrouwen stelden in de HEER, hun God, weigerden de Israëlieten te luisteren. 15 Ze trokken zich niets aan van zijn bepalingen en van het verbond dat Hij met hun voorouders had gesloten, en sloegen zijn waarschuwingen in de wind. Ze liepen achter nietige goden aan en werden zo zelf nietswaardig. Ze volgden het voorbeeld van de hen omringende volken, hoewel de HEER hun dat verboden had. 16 Ze veronachtzaamden alle geboden van de HEER, hun God. Ze goten twee beelden in de vorm van een stierkalf en maakten een Asjerapaal. Ze bogen zich in aanbidding neer voor de hemellichamen en dienden Baäl. 17 Ze verbrandden hun zonen en dochters als offer, deden aan waarzeggerij en probeerden voortekens te lezen. Zo tergden ze de HEER door zich erop toe te leggen te doen wat slecht is in zijn ogen. 18 De HEER werd woedend op de Israëlieten en verstootte hen. Niets bleef er van hen over, behalve de stam Juda. 19 Maar ook de Judeeërs hielden zich niet aan de geboden van de HEER, hun God, en volgden de bepalingen die de Israëlieten eigenmachtig hadden uitgevaardigd. 20 Daarom verwierp de HEER alle nakomelingen van Israël. Hij vernederde hen door hen uit te leveren aan plunderaars, en uiteindelijk verstootte Hij hen allemaal. 21 Want Israël had zich van het koningshuis van David losgescheurd en Jerobeam, de zoon van Nebat, als koning aangesteld. En Jerobeam dreef een wig tussen Israël en de HEER, door de Israëlieten aan te zetten tot grote zonde. 22 De Israëlieten volgden in alle opzichten het slechte voorbeeld van Jerobeam en braken niet met zijn zondige praktijken. 23 Uiteindelijk verstootte de HEER Israël, zoals Hij bij monde van alle profeten, zijn dienaren, had voorzegd, en de Israëlieten werden in ballingschap van hun grondgebied weggevoerd naar Assyrië, waar zij wonen tot op de dag van vandaag. (NBV21)

Zeg nu niet dat we niet gewaarschuwd zijn. Israël en Juda, de twee kleine koninkrijkjes waarin het Koninkrijk Israël van David uiteen was gevallen, waren gewaarschuwd en wij zijn het ook. Voor onze financiële crisis uitbrak wezen mensen er bezorgd op dat tophypotheken en aflossingsvrije hypotheken mensen wel in verleiding brachten een huis te kopen maar als de koper een ongeval kreeg en in de WAO of later de WIA terecht zou komen dan zou er een probleem ontstaan. Over werkloosheid werd nog niet eens gesproken en dat bij tweeverdieners ook beiden werkloos zouden kunnen worden werd al helemaal niet serieus genomen. De waarschuwingen werden in de wind geslagen net als de waarschuwingen van schuldhulpverleners dat het lenen van geld wel heel gemakkelijk werd en dat mensen daardoor in de problemen komen. Pas op het allerlaatste moment werd er een waarschuwing in advertenties verplicht dat lenen geld kost.

Maar het hielp weinig. Nog steeds lijkt het besef niet echt door te dringen. Mensen weten al lang dat ze niet meer moeten lenen om grote zaken te kunnen kopen. De teruggang in de binnenlandse consumptie komt dus niet omdat mensen de hand op de knip houden maar doordat ze geen nieuwe leningen afsluiten voor de oude zijn afbetaald en dan nog niet omdat het te veel problemen brengt. En al vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw worden we gewaarschuwd voor klimaatverandering. Zelfs nu het zichtbaar wordt willen mensen er niet aan. Ook in Juda en Israël werden de goden van winst en profijt vereerd, de stierkalveren en de Asjeerapalen. Goden van lucht en leegte, met eigen handen gemaakt, versierd met goud en zilver, maar stom en vergankelijk, als je ze in het vuur gooide dan verbrandden ze. Nee, zelfs kinderoffers werden niet geschuwd, net als waarzeggerij. In navolging van Assyriërs werden de maan en de sterren aanbeden, Baäl werd hun god.

Kwalijke praktijken

2 Koningen 17:1-12

1 Hosea, de zoon van Ela, werd koning van Israël in het twaalfde regeringsjaar van koning Achaz van Juda. Negen jaar regeerde hij in Samaria. 2 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, maar ging daarin niet zo ver als zijn voorgangers. 3 Koning Salmanassar van Assyrië rukte tegen Hosea op en maakte hem tot zijn vazal. Voortaan moest Hosea schatting afdragen aan de koning van Assyrië. 4 Na verloop van tijd ontdekte Salmanassar dat Hosea tegen hem samenspande en afgezanten had gestuurd naar koning So van Egypte. Ook had hij verzuimd de jaarlijkse schatting af te dragen. Daarom liet de koning van Assyrië Hosea in de boeien slaan en in de gevangenis opsluiten. 5 Hij viel het land binnen, trok op tegen Samaria en belegerde de stad drie jaar lang. 6 In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in. Hij voerde de Israëlieten als ballingen mee naar Assyrië. Sommigen wees hij een woonplaats aan in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië. 7 Dit alles gebeurde omdat de Israëlieten zondigden tegen de HEER, hun God, die hen had bevrijd uit de macht van de farao, de koning van Egypte, en hen uit Egypte had weggeleid. Ze waren andere goden gaan vereren 8 en volgden de levenswijze van de volken die de HEER voor hen verdreven had en de bepalingen die de koningen van Israël zelf uitvaardigden. 9 Ze namen praktijken over die indruisten tegen de wil van de HEER, hun God. Overal waar ze woonden, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad, bouwden ze offerplaatsen. 10 Op alle hoge heuvels en onder elke bladerrijke boom richtten ze gewijde stenen en Asjerapalen op 11 en op al die offerhoogten ontstaken ze offers, naar het voorbeeld van de volken die de HEER van hen had weggevoerd. Met deze kwalijke praktijken tergden ze de HEER. 12 Ze dienden afgoden, hoewel de HEER hun dat uitdrukkelijk verboden had. (NBV21)

We vallen vandaag midden in de verhalen over het volk Israël nadat Salomo koning was geweest. Onder zijn opvolger was het land uiteengevallen in twee Koninkrijken. Er was Juda, en als we hier beginnen te lezen was daar Achaz Koning, de hoofdstad was Jeruzalem. En er was het Koninkrijk Israël met als hoofdstad Samaria. En dat Koninkrijk kreeg een nieuwe koning. Toen Koning Achaz van Juda twaalf jaar had geregeerd, hij zou in totaal zestien jaar regeren, kwam er in Israël een nieuwe koning, koning Hosea. De vader van Hosea had een bondgenootschap gehad met een paar koningen van andere buurvolken van Juda en had geprobeerd Juda te veroveren. Maar alleen de Koning van Edom had een stukje in bezit kunnen krijgen. Koning Achaz had voor veel geld een bondgenootschap gesloten met de koning van Assyrië, die op verzoek van Achaz de stad Damascus had ingenomen en de bevolking gedeporteerd naar zijn eigen land.

Dat veroveren van kleine koninkrijkjes was de koning van Assyrië wel bevallen. Koning Achaz had hem nog kunnen afkopen met een serie tempelschatten maar die nieuwe koning Hosea stond vast niet zo stevig in zijn schoenen. Dat bleek want het noordelijke koninkrijk Israël werd onder de voet gelopen en koning Hosea kreeg de verplichting om belasting te betalen aan de koning van Assyrië. Dat was natuurlijk niet naar de zin van de jonge koning Hosea. Nu was er nog een wereldmacht op wie de kleine koninkrijkjes misschien een beroep zouden kunnen doen. Dat was Egypte, het machtige Egypte dat ooit het volk van Israël als slaven had gehouden en waaruit ze met de hulp van de God van Israël waren ontsnapt. Dat was geschiedenis en Hosea smeedde een complot om samen met Egypte Assyrië te verdrijven. Nu is het niet betalen van belasting niet de meest slimme start van een dergelijke onderneming, men komt er snel achter dat er iets niet klopt. Hosea ging het gevang in en ook hier werd een deel van de bevolking gedeporteerd, dat werkte had men in Assyrië gemerkt.

Er komen in deze verhalen geen arme mensen voor, geen boeren en arbeiders uit Israël en Juda. De God die geboden had je naaste lief te hebben als jezelf telde niet meer mee. De heidense volken van Kanaän en omgeving hadden leukere goden. Van goud en zilver en palen die je in moeder aarde, Asjeera, kon drijven om vruchtbaarheid te krijgen voor de akkers. Daar hoorden feesten bij van drinken en met elkaar de vruchtbaarheid beoefenen. Die afgoden van winst en proftijd waren veel leuker dan de saaie God van altijd maar moeten delen, altijd maar de ziektekosten voor armen te moeten betalen, altijd maar arme kinderen laten studeren op kosten van de rijken. De geboden van je zult niet doden en je zult niet stelen kun je toch niet altijd en onder alle omstandigheden houden? Die afgoden hadden priesters die je vertelden wanneer je je er niks van aan hoefde te trekken, die je wegen toonden om te laten zien hoe stoer en flink je wel niet kon zijn, al moest je een bondgenootschap met je vroegere slavenhouders sluiten. In onze dagen gaat het vaak niet anders. Er blijft gelukkig de oproep klinken om weer de Weg van de Liefde te gaan, elke dag weer de minsten en de armen in de wereld voorop te zetten, en elke dag mogen we gehoor geven aan die oproep, ook vandaag weer.