Toen bedaarde de woede van de koning.

Ester 7:1-8:2

1 Zo waren de koning en Haman weer bij koningin Ester te gast. 2 Ook op deze tweede dag zei de koning, terwijl de wijn geschonken werd, tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen, koningin Ester? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.’ 3 Koningin Ester antwoordde: ‘Majesteit, als u mij goedgezind bent en als het de koning goeddunkt, schenk mij en ook mijn volk dan het leven; dat is wat ik wil vragen, dat is mijn wens. 4 Want we zijn verkocht, mijn volk en ik, om gedood te worden en volledig te worden uitgeroeid. Als we waren verkocht als slaven en slavinnen, dan zou ik hebben gezwegen, want zo’n ramp zou de belangen van de koning niet schaden.’ 5 ‘Wie is die man, waar is die man die zijn zinnen erop heeft gezet om zoiets te doen?’ vroeg koning Ahasveros aan koningin Ester. 6 En Ester antwoordde: ‘Die meedogenloze vijand, dat is die ellendeling daar, Haman!’ Haman kromp ineen van angst voor de koning en de koningin. 7 Woedend stond de koning van tafel op en ging de paleistuin in. Maar Haman bleef, om koningin Ester om zijn leven te smeken, want hij besefte dat hij van de koning niets goeds te verwachten had. 8 Toen de koning uit de paleistuin terugkwam in het vertrek waar de maaltijd werd gehouden, had Haman zich juist laten neervallen op de bank waarop Ester lag. ‘Ook nog de koningin aanranden in mijn aanwezigheid?!’ riep de koning uit. Nauwelijks had hij deze beschuldiging geuit of men bedekte Hamans gezicht. 9 Charbona, een van de eunuchen die de koning dienden, zei: ‘Staat er bij Hamans eigen huis niet al een paal van vijftig el hoog, die Haman heeft neergezet voor Mordechai, dezelfde Mordechai die de koning ooit zo’n grote dienst heeft bewezen?’ ‘Hang hem daaraan, ‘zei de koning. 10 Zo werd Haman aan de paal gehangen die hij had laten klaarzetten voor Mordechai. Toen bedaarde de woede van de koning. 1 Diezelfde dag nog schonk koning Ahasveros de bezittingen van Haman, de vijand van de Joden, aan koningin Ester. En Mordechai kreeg vrij toegang tot de koning, want Ester had verteld in welke relatie hij tot haar stond. 2 De koning deed de zegelring af die hij Haman had afgenomen en gaf die aan Mordechai. En Ester gaf Mordechai het beheer over Hamans bezittingen. (NBV)

Het is een mooi Carnavalsverhaal dat in alle eeuwen een grote populariteit heeft gekregen. Het arme weesmeisje uit een vreemd land Ester wordt Koningin, en de wrede hooghartige regeerder Haman hangt aan de paal die hij voor zijn vijand had opgericht. Kan het? mooier? Nou het zou mooier kunnen. Waar blijft de vergeving in dit verhaal? Zulke subtiliteiten passen natuurlijk niet een Carnavalsverhaal. Het Joodse Purimfeest kent net zulke feesten en verkleedpartijen als ons eigen Carnaval. Hoewel het het enige feest is dat niet aan een bijzondere gebeurtenis in het jaar is gekoppeld, begin van de oogst of het einde daarvan bijvoorbeeld, maar het volgens het verhaal valt op een datum die ooit door het lot is bepaald, valt het altijd in het voorjaar.

Voor het seizoen van zaaien, planten, maaien en oogsten begint mogen de armen nog eenmaal uit de band springen. Alle overgebleven voedsel uit de wintertijd moet nu echt worden opgemaakt anders is het bedorven. Daarom volgt er in de Christelijke traditie ook een vastentijd op het Carnaval. Met het laatste beetje uit de winter moeten we de tijd tot de eerste vruchten van het land overbruggen tot het feest van de ongezuurde broden. Voor echte dictators is dit verhaal een blijvende waarschuwing. Altijd zijn er mensen uit hun directe omgeving die als de tijd rijp is hen kunnen aanwijzen als de aanstichters van wreedheden. Voor de onderdrukten kan het hoop betekenen. De dictator in dit verhaal wordt immers ontmaskerd en krijgt de straf die hij zelf heeft uitgedacht.

Zijn slachtoffer kreeg de eer die door de beul voor zichzelf was uitgedacht. Maar is het noodlot afgewend als de dictator verdwenen is? In de viering van ons Carnaval weten we dat het maar spel is. De prins Carnaval kan wel de sleutels van de stad krijgen, hij is daarmee nog niet echt de baas over de samenleving. Zijn Raad van Elf kan wel in de meest deftige pakken door de straten trekken ze zijn daarmee nog niet het bestuur van de stad. Drie dagen verdwijnt het onderscheid tussen arm en rijk, hoog en laag, geschoold en ongeschoold, heiden en Jood, man en vrouw, jong en oud, maar na die drie dagen weet iedereen weer de plaats die zogenaamd in de samenleving moet worden ingenomen. Alsof het een wet van Meden en Perzen is, een heidense wet die onveranderlijk is. Vandaag vieren we mee met de val van de dictator, maar wanneer de opstanding en bevrijding komt van de armen moeten we nog even afwachten.

Is er iemand in de hof?

Ester 6:1-14

1 Die nacht kon de koning niet in slaap komen. Daarom gaf hij bevel de kronieken te brengen, het boek met de gedenkwaardige gebeurtenissen van het rijk. Daaruit liet hij zich voorlezen. 2 Op zeker moment kwam men bij het gedeelte waarin stond dat Mordechai iets had onthuld over Bigtan en Teres, twee eunuchen die de koning als lijfwacht dienden, en wel dat zij een plan hadden beraamd om koning Ahasveros om het leven te brengen. 3 ‘Welk eerbewijs of welke onderscheiding is daarvoor aan Mordechai gegeven?’ vroeg de koning. ‘Er is hem niets gegeven, ‘antwoordden zijn kamerdienaars. 4 Daarop vroeg de koning: ‘Is er iemand in de hof?’ Nu was Haman zojuist in de buitenhof van het paleis gekomen om de koning te zeggen dat hij Mordechai aan de paal moest hangen die Haman voor hem had laten klaarzetten. 5 De kamerdienaars antwoordden dus: ‘Ja, Haman staat in de hof te wachten.’ ‘Laat hem binnen, ‘zei de koning. 6 Toen Haman binnengekomen was, vroeg de koning hem: ‘Wat moet er gedaan worden als de koning iemand eer wil bewijzen?’ Haman dacht bij zichzelf: Aan wie zou de koning meer eer willen bewijzen dan aan mij? 7 En hij antwoordde de koning: ‘Als de koning iemand eer wil bewijzen … 8 Er zou een koninklijk gewaad moeten worden gehaald dat de koning zelf heeft gedragen en een paard waarop de koning zelf heeft gereden en dat een koninklijke kroon op het hoofd heeft. 9 Dat gewaad en dat paard moeten worden toevertrouwd aan een van de rijksgroten van de koning, aan iemand die tot de adel behoort. En die moet dan degene aan wie de koning eer wil bewijzen het gewaad omhangen, hem op het paard over het stadsplein laten rijden en, voor hem uit gaand, roepen: “Dit valt eenieder ten deel aan wie de koning eer wil bewijzen!”’ 10 Daarop zei de koning tegen Haman: ‘Haal snel het gewaad en het paard waarover u hebt gesproken en handel op de voorgestelde manier met de Jood Mordechai, die dienst doet in de Koningspoort. Laat niets van wat u hebt voorgesteld achterwege.’ 11 Haman haalde het gewaad en het paard, hing Mordechai het gewaad om en liet hem over het stadsplein rijden. En terwijl hij voor hem uit ging, riep hij: ‘Dit valt eenieder ten deel aan wie de koning eer wil bewijzen!’ 12 Mordechai ging hierna terug naar de Koningspoort. Maar Haman haastte zich naar huis, treurend, het hoofd bedekt. 13 Aan zijn vrouw Zeres en aan al zijn vrienden vertelde hij wat hem was overkomen. Zijn raadgevers en zijn vrouw zeiden daarop tegen hem: ‘Als die Mordechai, van wie je nu voor het eerst hebt verloren, tot het Joodse volk behoort, kun je niet tegen hem op; je zult het volledig van hem verliezen.’ 14 Ze waren nog niet uitgesproken, of daar waren de eunuchen van de koning al, die Haman zo snel mogelijk naar het feestmaal brachten dat Ester had bereid. (NBV)

We leren vandaag hoe het de hooggeplaatsten in het land kan vergaan. Zelfs onze democratisch benoemde ministers zullen dat moeten leren. Haman was zo’n hooggeplaatste, de allerhoogste na de koning. In het voorgaande is dat duidelijk gemaakt. Iedereen moest voor hem buigen als hij het paleis betrad. Mordechai was niet zo hoog als Haman, hij werkte bij de Koninklijke Rechtbank en weigerde te buigen voor deze hooggeplaatste mens. Haman had daarop de koning overgehaald een wet te tekenen waarbij alle volksgenoten van Mordechai, de Joden dus, gedood zouden mogen worden. Een maaltijd met Koningin Ester voelde als een beloning voor de eer die hij verdiende. Maar met Carnaval worden de rollen graag omgedraaid. De grootste zot wordt Prins en krijgt de sleutel van de stad.

Zo ook in het verhaal van Israel en het Ester verhaal is immers een carnavalsverhaal. Vooruitlopend op de Holocaust wet van Haman had deze alvast een paal laten oprichten om Mordechai aan te hangen. Hij haastte zich naar het paleis om de Koning om toestemming te vragen. Maar die Koning was nog eens in de kronieken gaan neuzen. Hij had de krant van de laatste tijd nog eens doorgenomen zouden wij zeggen. En daarin stond nog het bericht dat Ester, zijn lieve koninginnetje, hem namens haar oom Mordechai had gewaarschuwd voor een complot tegen het leven van de Koning. Burgers, die zo opletten en terroristische aanslagen weten te voorkomen, moeten worden beloond nietwaar. Haman, als liefhebber van pracht en praal, weet vast een goede beloning te verzinnen.

En jawel, gekleed in een Koninklijke mantel en op het Koninklijke paard wordt Mordechai door de stad gereden terwijl Haman als een dienstknecht het paard bij de teugel houdt en roept hoe goed die Mordechai wel niet is. Je zien het voor je, een echte carnavalsoptocht. Joodse commentaren op dit verhaal maken het nog erger. Het mooiste commentaar laat Haman treuren omdat zijn dochter zich van het dak had gestort. Ze had daar staan kijken hoe haar vader geëerd zou worden en schrok van de omkering. Haman had een doek over zijn hoofd getrokken zodat ze uit spot de nachtemmer over de paardenknecht had uitgestort en daarna pas had gemerkt dat dit haar vader was. Wij lachten om het verhaal en weten dat wie zijn naaste dient het meest wordt geëerd. Als nu onze ministers zich als dienaren van de zwaksten in de samenleving weten op te stellen dan wordt die samenleving misschien een klein beetje beter.

Vrolijk met de koning aan tafel gaan

Ester 5:1-14

1 Toen de derde dag aangebroken was, hulde Ester zich in een koninklijk gewaad en ging naar de binnenhof van het koninklijk paleis. Daar bleef ze staan, tegenover de troonzaal. In de zaal zat de koning op zijn koninklijke troon, tegenover de ingang. 2 Zodra hij koningin Ester in de hof zag staan, voelde hij zo veel genegenheid voor haar dat hij haar de gouden scepter toestak die hij in zijn hand hield. Ester ging naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan. 3 Toen vroeg de koning haar: ‘Wat is er, koningin Ester? Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, het zal u gegeven worden.’ 4 En Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, laat hij dan vandaag nog samen met Haman bij mij komen en deelnemen aan de feestelijke maaltijd die ik voor hem heb bereid.’ 5 Daarop gaf de koning bevel om Haman zo snel mogelijk te halen. ‘We zullen doen, ‘zei hij, ‘wat Ester verzoekt.’ Zo kwamen de koning en Haman om deel te nemen aan de maaltijd die Ester had bereid. 6 Toen de wijn geschonken werd, zei de koning tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.’7 ‘Wat ik wil vragen, wat ik wens … ’antwoordde Ester, 8 ‘als de koning mij goedgezind is en als de koning genegen is mij te geven wat ik wil vragen en mijn wens te vervullen, laat de koning dan nogmaals met Haman bij mij komen en deelnemen aan een feestmaal dat ik voor hen zal bereiden. Morgen zal ik op de vraag van de koning antwoord geven.’9 Haman verliet het paleis die dag vrolijk en goedgehumeurd. Maar zodra hij in de Koningspoort Mordechai zag, die niet opstond en niet van ontzag voor hem beefde, werd hij woedend. 10 Hij beheerste zich echter en ging naar huis. Daarop liet hij zijn vrienden bij zich komen en Zeres, zijn vrouw. 11 Hij wees hun op zijn geweldige rijkdom, het grote aantal zonen dat hij had en de eervolle positie die de koning hem had gegeven door hem boven alle rijksgroten en hoge functionarissen te plaatsen. 12 ‘En daar komt nog bij, ‘zei Haman, ‘dat koningin Ester een feestmaal heeft bereid waarvoor ze behalve de koning niemand anders dan mij heeft uitgenodigd. En ook voor morgen ben ik door haar gevraagd, samen met de koning. 13 Maar dit betekent allemaal niets voor mij zolang ik Mordechai, die Jood, in de Koningspoort zie zitten.’ 14 Zijn vrouw Zeres en al zijn vrienden zeiden toen tegen hem: ‘Laat een paal neerzetten van vijftig el hoog en zeg morgenochtend tegen de koning dat Mordechai daaraan moet worden gehangen. Dan kun je daarna vrolijk met de koning aan tafel gaan.’ Dat voorstel beviel Haman, en hij liet de paal klaarzetten. (NBV)

Het boek Ester zit van maaltijden aan elkaar. Een koning die maanden achtereen kon feesten, een koningin die eigen feesten houdt en niet bij de koning wil komen, die koning die daarna voor zijn nieuwe geliefde een feestmaal aanricht en nu Ester die de Koning en zijn nieuwe gunsteling een aantal keren te eten uitnodigt. Door de koning uit te nodigen stemt ze hem gunstig, want ze was er immers voor plezier en gehoorzaamheid, en door ook Haman uit te nodigen geeft ze die een gevoel van onschendbaarheid en belangrijkheid. Mannetjes die zich god wanen zijn daar nu eenmaal extra gevoelig voor. Ondertussen is de maaltijd wel het middel waarmee mensen met elkaar communiceren en wat de verhouding tussen mensen duidelijk maakt. Het boek Ester hangt van belangrijke maaltijden aan elkaar. En wie de Bijbel leest weet dat het delen van eten en drinken uiteindelijk vooruitloopt op de komst van het Koninkrijk van Recht en Vrede. En om recht en vrede gaat het ook in het verhaal van Ester.

In het verhaal van het volk Israel is de maaltijd de herinnering aan de bevrijding uit de slavernij in Egypte, in het verhaal van Jezus van Nazareth is de maaltijd de herinnering van de bevrijding van de dood, niets en niemand hoeft ons te weerhouden te delen, van wat we hebben en wat we zijn, met hen die niets hebben, of waarvan men vindt dat ze niets zijn. In het gebed dat Jezus ons heeft geleerd is alles wat we echt nodig hebben om te leven het dagelijks brood. Al het andere gaat om anderen. Onze wens is daarom net als die van Ester, dat we samen mogen eten en dat we er voor mogen zorgen dat iedereen aan onze maaltijd kan deelnemen. In ons eigen land blijft dat eten met iedereen nog even gevoelig, maar hoe meer mensen uit hun schulp kruipen en ook met de vreemdeling weten te eten, ja zelfs met een vijand als Haman, dan breekt ook in ons land de vrede aan.

Nooit zullen mannetjes als Haman zich afvragen wat anderen eigenlijk drijft. Het lijkt of de hele wereld alleen maar om henzelf draait. Ze vinden zichzelf zo goed dat het lijkt of ze geen enkele fout meer kunnen maken. Maar Haman heeft ook gezorgd dat we een spreekwoord hebben gekregen als “hoogmoed komt voor de val”. Die hoogmoed blijkt hier natuurlijk uit de rede die hij afsteekt tegen zijn vrouw en zijn vrienden. Om te beginnen pronkt hij met zijn vruchtbaarheid, die tot uitdrukking komt in zijn rijkdom en het aantal zonen dat hij heeft. Verder pronkt hij met zijn positie en het feit dat de koningin speciaal voor hem een maaltijd heeft aangericht. Maar iemand die zo hoog opgeeft van zichzelf kan het niet hebben dat een ander niet voor hem wil buigen. Het opkijken naar succes, glamour en klatergoud kan ons duur komen te staan.

Al is dat tegen de wet.

Ester 4:9-17

9 Hatach ging naar Ester terug en bracht haar Mordechais woorden over. 10 Ester droeg Hatach op om Mordechai het volgende te antwoorden: 11 ‘Alle dienaren van de koning en de inwoners van alle provincies van het koninkrijk weten dat er maar één wet geldt voor iedere man of vrouw die zonder ontboden te zijn naar de koning gaat en in de binnenhof komt: die persoon wordt ter dood gebracht. Alleen degene wie de koning zijn gouden scepter toesteekt, brengt het er levend af. Wat mijzelf betreft, ik ben nu al in geen dertig dagen bij de koning ontboden.’ 12 Esters woorden werden aan Mordechai overgebracht. 13 Toen liet Mordechai het volgende antwoord aan Ester geven: ‘Beeld je maar niet in dat jij, omdat je in het koninklijk paleis woont, als enige van alle Joden zult ontkomen. 14 Als jij nu je mond niet opendoet, nu het moment daar is, komt er van een andere kant wel uitkomst en redding voor de Joden. Maar jij en je vaders familie komen dan om. Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze.’ 15 Toen liet Ester het volgende antwoord aan Mordechai geven: 16 ‘Roep alle Joden die in Susa wonen bij elkaar en vast voor mij: eet niet en drink niet, overdag niet en ‘s nachts niet, drie dagen lang. Ook ik zal op die manier vasten met mijn dienaressen. En na die voorbereiding zal ik naar de koning gaan, al is dat tegen de wet. Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen.’ 17 Mordechai ging weg en deed wat Ester hem had opgedragen. (NBV)

Het is aan elk van ons persoonlijk om te beslissen wat te doen. Natuurlijk het Evangelie gaat over het Koninkrijk van Jezus van Nazareth, het eerste deel over het volk Israel, maar of we deel uitmaken van dat Koninkrijk, of mee doen in het verhaal van Israel hangt af van wat we zelf doen. Dat kan risico’s in zich hebben. Een aantal jaren geleden was er de oproep om allemaal tegelijk 1 uur het licht uit te doen als demonstratie dat we graag in een duurzame wereld willen leven en niet langer de consumptie van stroom opgedrongen willen krijgen. Tegen die demonstratie was veel verzet, er werd zelfs gedreigd met het stilleggen van het hele elektriciteitsnet en grote schade zou ons deel worden als we stopten met consumeren. Ook al was dat stoppen maar 1 uur. Toch was het aan elk van ons of we wel of niet wilden meedoen.

Ester kiest uiteindelijk voor haar volk als dat volk tenminste mee wil doen. Samen de overvloed opgeven en je voorbereiden op de strijd om te overleven. Dat lijkt op samen het licht uitdoen voor 1 uur. Ester is bereid het risico te nemen dat er bij hoort en voor haar betekende dat mogelijk haar leven verliezen. Voor ons was het een risico op een paar uur, of misschien een paar dagen zonder stroom. Wij kunnen in elk geval nu begrepen hebben hoe afhankelijk we zijn geworden van stroomproducenten en stroomleveranciers. Zijn zij de goden die ons in leven houden? Of wordt het tijd te zorgen dat niet zij de macht over ons hebben en wordt het dus tijd ons weer te stellen onder de macht van de Liefde, ook voor komende generaties.

Steeds vaker wordt duidelijk dat de Bijbel vraagt aan welke kant we staan. Maken we groene kerken in de discussie over de klimaatverandering? Hangen we de regenboogvlag uit als teken dat wij niet vragen naar een seksuele geaardheid? Doen wij mee met de doorlopende kerkdienst in de Bethelkapel voor een rechtvaardig kinderpardon?
Als je dat zo op schrijft dan lijkt het er op dat veel mensen zich van ons afkeren. Maar de dienst in de Bethelkapel leerde ons hele andere dingen. Dat de ene richting van Christendom meedeed weerhield al die andere richtingen er niet van om ook mee te doen. Zelfs atheïsten en humanisten melden zich. En wie met de bezoekers sprak kwam er achter dat velen helemaal nooit naar een kerk gaan maar nu hun ideaal van kerkzijn herkenden in deze oecumenische humanitaire kerkelijke actie. Ester maakt misschien ook wel zoiets mee. Wij kunnen er elke dag op vertrouwen.

Ze moet hem om genade smeken

Ester 4:1-8

1 Toen Mordechai vernam wat er was gebeurd, scheurde hij zijn kleren, hulde zich in een rouwkleed en wierp stof over zijn hoofd. Zo ging hij de stad door, terwijl hij luid en bitter klaagde. 2 Voor de Koningspoort bleef hij staan, want het was niet toegestaan deze in rouwkleding binnen te gaan. 3 In alle provincies heerste onder de Joden diepe rouw zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden: ze vastten, huilden en weeklaagden, en velen hulden zich in een rouwkleed en legden zich neer in het stof. 4 Esters dienaressen en de eunuchen die haar dienden, brachten Ester op de hoogte. De koningin was hevig geschokt en liet Mordechai kleren brengen, opdat hij die zou dragen in plaats van zijn rouwkleed. Maar hij wilde ze niet aannemen. 5 Toen ontbood Ester Hatach, een van de eunuchen die de koning haar als persoonlijke dienaar had gegeven. Ze droeg hem op uit te zoeken wat de reden was van Mordechais gedrag. 6 Dus ging Hatach naar Mordechai, die op het stadsplein voor de Koningspoort stond. 7 Mordechai vertelde hem alles wat hem was overkomen. Ook wist hij hem precies mee te delen hoeveel zilver Haman beloofd had te zullen afdragen aan de koninklijke schatkist als hij de Joden mocht uitroeien. 8 Bovendien gaf hij hem een afschrift van de wet die in Susa was uitgevaardigd, waarin stond dat ze moesten worden omgebracht. Dat moest Hatach aan Ester laten zien om haar op de hoogte te brengen. ‘En, ‘zei hij, ‘verzoek haar met klem naar de koning te gaan. Ze moet hem om genade smeken en bij hem voor haar volk pleiten.’ (NBV)

Hoe maak je nu duidelijk dat je het ergens niet mee eens bent of dat je je bedreigd voelt. Het verhaal over Ester geeft een duidelijk voorbeeld, hul je zelf in rouwkleren. Nadat Haman zijn zin had gekregen en het volk dat zich niet aan de wetten van Ahasveros wenste te houden op papier had laten uitroeien hulde dat volk zich in rouw. Zelfs Mordechai bracht het op dat te doen bij de ingang van de plek waar het conflict was begonnen, de Poort van de Koning. Daar had hij geweigerd te buigen voor Haman, daar stond hij nu met gescheurde kleren en stof op zijn hoofd terwijl hij luid en bitter klaagde. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest. Als ze het zo op je gemund hebben dan zorg je toch dat je niet opvalt, dat het net lijkt of je er niet bijhoort. Maar nee, iedereen lijkt mee te doen met deze manier van protesteren.

Opkomen voor de vreemdelingen onder ons wekt niet altijd sympathie. De angst voor vreemdelingen is groot. Zoals Haman spreekt over een volk dat zich niet naar de wetten van de Koning wil voegen, zo spreekt Wilders over een godsdienst die niet bij de onze zou passen. Een kwart van je pas geslachte schaap of koe weggeven aan de armen, zoals in de Islam de gewoonte is, past niet in de traditie zoals Wilders en de zijnen onze traditie kennen. Nemen we het risico meer van ons christendom te herkennen in de weggeef traditie van de Islam dan in het zaaien van angst door Wilders? Ester kiest uiteindelijk voor haar volk als dat volk tenminste mee wil doen. Samen de overvloed opgeven en je voorbereiden op de strijd om te overleven.

Mordechai vertrouwt er op dat Ester zal kiezen voor haar volk en niet voor haar bevoorrechte positie. De wet van Haman betekent immers dat ook zij weigert om de wetten van Ahasveros te volgen? En die weigering had Koningin Wasti haar positie gekost. Mordechai vraag via de persoonlijke dienaar van Ester haar om haar bevoorrechte positie in de waagschaal te zetten. Hij blijkt overigens goed op de hoogte. Hij heeft niet alleen weet van een wet die algemeen is afgekondigd maar hij weet ook voor hoeveel zilver Haman het genoegen van de wet heeft gekocht. Eerder had hij al gehoord over een complot tegen Ahasveros. Die Mordechai heeft iets van een klokkenluider zoals wij die tegenwoordig kennen. Ook die hebben steun nodig van de onwetenden. Zij zetten hun positie op het spel om maatschappelijk kwaad aan de orde te stellen. Een veilige plek als het Huis voor Klokkenluiders kan helpen maar nog meer kan helpen dat wij als onwetenden de klokkenluiders beschermen. Ester is daarvoor ons dagelijks voorbeeld.

Er werd een bevel op schrift gesteld

Ester 3:12-15

12 Zo werden op de dertiende dag van de eerste maand de schrijvers van de koning ontboden. Er werd een bevel op schrift gesteld dat precies zo luidde als Haman het wilde en dat gericht was aan de satrapen die de koning vertegenwoordigden, aan de gouverneurs van alle provincies en aan de vorsten van alle volken. Voor elke provincie was er een bevel in haar eigen schrift en voor elk volk in zijn eigen taal. Het werd geschreven in naam van koning Ahasveros en met de zegelring van de koning verzegeld. 13 En er werden door boden in alle provincies van het koninkrijk brieven verspreid waarin stond dat op één bepaalde dag, en wel op de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar, alle Joden moesten worden gedood en volledig uitgeroeid, jong en oud, vrouwen en kinderen inbegrepen, en dat hun bezittingen mochten worden buitgemaakt. 14 In elke provincie moesten afschriften van de brief worden verspreid; de inhoud ervan moest overal als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekendgemaakt, zodat ze zich tegen de genoemde dag gereed konden houden. 15 Op bevel van de koning vertrokken de boden met spoed. Ook in de burcht van Susa werd de wet uitgevaardigd. En terwijl de koning en Haman rustig zaten te drinken, raakte de stad Susa in rep en roer. (NBV)

In Den Haag loopt al maanden een kerkdienst die dag en nacht door gaat. Tijdens een kerkdienst mag de politie niet een kerk betreden en mensen aanhouden. In Den Haag wordt met deze kerkdienst een gezin beschermd dat hier al tien jaar woont, drie kinderen heeft waarvan er een paar ook hier geboren zijn maar dreigt te worden uitgezet. Als reactie op deze actie hoor je nog wel eens dat je de overheid toch moet gehoorzamen, dat zou een Bijbels gebod zijn. Vandaag lezen we over een overheid die een wet uitvaardigd waarvan je je moet afvragen of je ook zelf aan die wet zou gehoorzamen. In de Tweede Wereldoorlog kregen de Joden een verplichte ster op hun kleding. In de meeste landen van Europa werd dat geaccepteerd, ook door de Joden zelf, maar in Denemarken spelde iedereen, tot en met de koning, een ster op en moest die wet worden ingetrokken.

In kringen van de Islam zijn er vrouwen die zich van top tot teen verhullen, mede als protest tegen een samenleving waar vrouwen tot object verworden zijn en niets meer verbergen. Die kleding dreigt te worden verboden. Zouden er vrouwen zijn, zelf geen moslima, die mee gaan protesteren tegen een westerse samenleving die aanrandingen, misbruik en prostitutie niet weet uit te bannen maar wel vrouwen verbiedt zich met hun kleding daartegen te weer te stellen? Het zal niet moeten komen van vrouwen die vinden dat mannen hen te allen tijde zomaar moeten kunnen aanraken en zelfs het weigeren van een hand niet kunnen zien als teken van respect. Het hele verhaal van Ester, Ahasveros en Mordechai is begonnen met koningin Wasti die weigerde te paraderen voor de dronken elite van het rijk.

Het plan van Haman om de Joden uit te roeien kwam omdat Mordechai weigerde te buigen voor iemand die zich meer waande dan de God van Mordechai. Wasti gehoorzaamde niet aan de koning, daardoor veroverde zij haar vrijheid want ze werd afgezet als Koningin. Wie wil er nu Koningin zijn om slechts gekleed in de Koninklijke hoofdband aan de rijksgroten ten toon gesteld te worden. Mordechai gehoorzaamde niet aan het fatsoen. Wij kunnen in dit verhaal gemakkelijk uitmaken tot welke partij we hadden willen behoren. Maar in het dagelijks leven zullen we ons ook door dit verhaal mede moeten laten leiden. En dan blijkt maar al te vaak dat de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen, en het bijbehorende respect voor elkaar bij ons net zo afwezig is als in het verhaal over Ester. Laten we daar dan verandering in brengen.

Doe ermee wat u het beste lijkt

Ester 3:1-11

1 Na verloop van tijd gaf koning Ahasveros een hoge positie aan Haman, de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag: hij plaatste hem boven alle rijksgroten aan zijn hof. 2 Alle hoge functionarissen van de koning die in de Koningspoort waren, vielen telkens voor Haman op de knieën en bogen zich voor hem neer, want zo had de koning het geboden. Alleen Mordechai knielde of boog nooit voor hem. 3 De functionarissen van de koning in de Koningspoort spraken Mordechai daarover aan: ‘Waarom overtreedt u steeds het gebod van de koning?’ 4 Dit vroegen ze hem elke dag weer, zonder dat hij zich iets van hun woorden aantrok. Toen lichtten ze Haman erover in, om te zien of Mordechai in zijn houding zou kunnen volharden; hij had hun namelijk verteld dat hij een Jood was. 5 Toen Haman te weten kwam dat Mordechai niet voor hem knielde of boog, werd hij woedend, 6 en hij besloot Mordechai uit de weg te ruimen. Maar nadat men hem had verteld uit welk volk Mordechai stamde, was de dood van Mordechai alleen hem niet genoeg: vanaf dat moment zon Haman op middelen om alle Joden in Ahasveros’ rijk om te brengen, heel Mordechais volk. 7 In de eerste maand van het twaalfde regeringsjaar van koning Ahasveros, de maand nisan, liet Haman in zijn persoonlijke aanwezigheid het poer werpen, dat wil zeggen het lot, over alle dagen en over alle maanden, een voor een, tot en met de twaalfde maand, de maand adar. 8 Daarna zei Haman tegen koning Ahasveros: ‘Er is een bepaald volk dat over alle provincies van uw rijk verspreid leeft en te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de koning houden ze zich niet. De koning is er niet bij gebaat hen maar rustig hun gang te laten gaan. 9 Als het de koning goeddunkt, laat er dan een bevel op schrift worden gesteld dat ze moeten worden uitgeroeid. Dan zal ik tienduizend talent zilver afdragen aan de ambtenaren die de koninklijke schatkist beheren.’ 10 De koning deed zijn zegelring af en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling van Agag, de vijand van de Joden. 11 ‘Over uw zilver kunt u vrij beschikken, ‘zei hij tegen Haman, ‘en ook over dat volk: doe ermee wat u het beste lijkt.’ (NBV)

We maken kennis met Haman. Tenminste in het verhaal, want in onze geschiedenis kennen we Haman al heel lang. Haman was de nakomeling van Agag en daarmee was hij een Amelekiet. Eens, toen het volk Israel door de woestijn trok, weigerden de Amelekieten het volk de doortocht en probeerden ze het volk uit te roeien. Sindsdien was er diepe vijandschap tussen de twee volken. In de Joodse geschiedenis duikt er sindsdien altijd een afstammeling van Agag op die er op uit is het Joodse volk te vernietigen. Zo ook in dit verhaal over Ester. De aanleiding is de weigering van Mordechai te buigen voor Haman. Een weigering die tot vandaag de dag mensen in verwarring kan brengen. Want moet je geen respect betonen voor hen die boven je gesteld zijn?

Voor Mordechai is er echter maar één die boven hem gesteld is en dat is God. Ook wij zeggen Heer tegen onze God en erkennen daarmee dat er geen ander de baas is over ons doen. Als je echt denkt boven iedereen te staan dan moet je tegen die houding van gelijkwaardigheid wel in verzet gaan. Dat doet Haman dan ook. In onze geschiedenis zal direct de persoon van Adolf Hitler in gedachten komen. Toen Duitsland voorzitter was van de Europese Unie kwam ook de vraag op tafel hoe om te gaan met zijn erfenis. Duitsland had een aantal voorstellen. Ten eerste een verbod op het Hakenkruis. Dat verbod is van tafel omdat het hakenkruis voor Hindoes een heilig symbool is. Een reden die ons te denken moet geven. Hindoes geloven dat het kwade telkens in een andere vorm opnieuw geboren wordt tot het geworden is tot het goede.

Elke keer als wij het hakenkruis zien moeten we ons dus afvragen of het kwade dat leidde tot de Holocaust niet weer onder ons is opgedoken in een of andere vorm. Ten tweede werd voorgesteld de ontkenning van de Holocaust strafbaar te stellen. Die ontkenning doet tot vandaag de dag nog steeds de wonden openrijten die bij slachtoffers en nabestaanden zijn geslagen. Een ontkenning effent ook de weg voor een nieuwe holocaust, het is het denken van Haman. Dat de oude bondgenoot van Duitsland, Italië, zich het meest verzet tegen dit verbod moet ons wantrouwig tegenover de Italiaanse regering maken. Beschermen zij het kwade? Het verhaal over een Haman, vijand van de Joden, die zich boven alle anderen verheven wil zien, moet ons dag in dag uit waarschuwen voor alle heersers en heersertjes. Jezus van Nazareth leerde ons dat alleen een dienaar kan heersen. Laten wij dus niet buigen voor hen die denken boven ons te kunnen staan.

Toen de zon was ondergegaan

Lucas 4:38-44

38 Na het verlaten van de synagoge ging hij naar het huis van Simon. Simons schoonmoeder had hoge koorts, en ze vroegen Jezus om haar te helpen. 39 Hij boog zich over haar heen en sprak de koorts bestraffend toe. Die verliet haar, en meteen stond ze op en begon voor hen te zorgen. 40 Toen de zon was ondergegaan, brachten de mensen al hun zieken naar hem toe, aan welke kwaal ze ook leden. Hij legde hun een voor een de hand op en genas hen. 41 Hij dreef ook veel demonen uit, die schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Hij sprak hen bestraffend toe en verbood hun iets te zeggen; ze wisten immers dat hij de messias was. 42 Bij het aanbreken van de dag vertrok hij en ging naar een eenzame plaats. De mensen gingen hem zoeken, en toen ze hem gevonden hadden probeerden ze hem ervan te weerhouden bij hen weg te gaan. 43 Maar hij zei tegen hen: ‘Ook in de andere steden moet ik het goede nieuws over het koninkrijk van God brengen, want daarvoor ben ik gezonden.’ 44 En hij maakte dat goede nieuws bekend in de synagogen van Judea. (NBV)

Je hebt pas een schoonmoeder als je getrouwd bent. Simon, die we beter kennen als Petrus was kennelijk getrouwd. Dit is het enige spoor dat we daarvan in de vier evangeliën vinden. Veel later zou Paulus in een van zijn brieven schrijven dat de apostelen zich soms laten onderhouden door de gemeente waar ze zijn en dat ze dan ook hun gezin meenemen. Of dat over Petrus gaat is niet duidelijk, hij wordt niet genoemd. Tijdens een griepgolf zijn er overigens veel patienten die een dokter zouden willen hebben die de koorts zo bestraffend kon toespreken dat de koorts verdwijnt. Wat voor koorts de schoonmoeder van Simon had weten we dan ook niet. Koortsig gedrag kennen we ook met mensen die grote bewondering en ontzag hebben voor iemand, de fans. En bij een plotselingen ontmoeting kan het hen te veel worden. In elk geval weet Jezus de schoonmoeder van Simon weer aan de gang te krijgen.

Genezen was in deze periode kennelijk het beroep van Jezus. De hand opleggen en de patiënt genas. Wij kennen dat ook. Bij ons heeft een dokter dan meestal een medisch instrument in de hand om metingen te doen die een diagnose kunnen ondersteunen. Soms worden onze dokters nog wel eens tegenover Jezus gezet. Zoals Jezus zouden ze eigenlijk moeten genezen, niet met die ingewikkelde technologie. Steeds staan er dan weer zogenaamde genezers op die instralen of met dwingende stem zogenaamde gebeden uitspreken die dan genezend moeten werken. We moeten niet vergeten dat de hele medische wetenschap ons door God gegeven is. En God geeft nog steeds, nog dagelijks worden er ontdekkingen gedaan en medicijnen ontwikkeld die meer mensen beter kunnen maken. Ooit heeft God een grens aan een mensenleeftijd gesteld, 120 jaar, en het lijkt er op dat we steeds dichter bij die grens komen.

Bevrijding van demonen was het goede nieuws dat verkondigd moet worden. Ja moet worden, want ook vandaag kunnen we beginnen door eerlijk te delen de armoede in de wereld op te heffen, we hoeven nergens bang voor te zijn. Onze leiders in de wereld hebben we niet gehoord over eerlijke handelsverhoudingen met de arme landen in de wereld dus moeten we er zelf maar aan beginnen. Natuurlijk kunnen we een deel van onze boodschappen doen in de Fair Trade winkels. Maar veel gemeenten willen gelukkig ook een Fair Trade gemeente zijn waar het inkoopbeleid rekening houd met eerlijke beloning voor producenten, boeren, en een duurzame productie. Als we dan ook nog in plaats van bommen vrede weten te brengen onder de volken dan begint de wereld een beetje te lijken op de wereld die in de synagogen door Jezus van Nazareth werd verkondigd.

Hij sprak met gezag.

Lucas 4:31-37

31 Hij ging naar Kafarnaüm, een stad in Galilea, waar hij de inwoners steeds op sabbat onderwees. 32 Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak met gezag. 33 Er was in de synagoge iemand die bezeten was door een geest, een onreine demon, en deze schreeuwde luidkeels: 34 ‘Aaah! Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ 35 Maar Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ De demon smeet de man op de grond en ging uit hem weg zonder hem te verwonden. 36 Allen waren verbijsterd. Ze bespraken het voorval met elkaar en zeiden: ‘Wat zijn dat voor dingen die hij zegt? Hoe komt het dat hij het gezag en de macht heeft om onreine geesten zijn bevelen te geven zodat zij de mensen verlaten?’ 37 Het nieuws over hem verspreidde zich overal in de streek. (NBV)

Het dorp waar Jezus van Nazareth zich terugtrekt heet eigenlijk “het dorp van rust” Jezus zou er nog een tijdje gaan wonen in een eigen huis. Maar rustig was het allerminst om Kafernaüm. Zelfs op de rustdag wordt er nog een beroep op hem gedaan. Als hij werkt als leraar valt dat niemand op, maar als hij iets doet voor een lijdende medemens maakt dat de tongen los. Het is nu eenmaal gemakkelijker te praten over dat wat anderen raakt dan over dat wat je zelf eigenlijk los moet laten. De manier waarop je de wereld om je heen benaderd, waarop je met mensen omgaat is vaak verkeerd. Je weet het dan wel maar een heilig boontje zoals Jezus van Nazareth dat van de mensen verlangt wil je nu ook weer niet zijn.

Jezus van Nazareth zorgde er voor dat mensen weer mee kunnen doen in de samenleving als gewaardeerde mensen. En je hoeft niet bang te zijn dat mensen je daarvoor uitlachen of bespotten. En een heilig boontje hoef je al helemaal niet te zijn. In dit gedeelte gaat het over de eerste van de vele genezingen die Jezus van Nazareth zou verrichten in zijn dorp. Ze hebben de schrijver van dit evangelie dan ook wel arts of medicijnmeester genoemd. Geleerden strijden er soms nog over. Eigenlijk weten we niet precies wie het evangelie geschreven heeft omdat er geen eigen naam van de schrijver in voorkomt en de brief waarin Lucas als arts genoemd wordt is ook al niet van Paulus al doet de schrijver van wel.

Daar dat je goed doet door mensen weer in de samenleving mee te laten doen is een heldere boodschap. Rust is er dan niet meer bij, overal blijken ineens mensen buiten de boot te vallen. Ook die Lucas zal zich verwonderd hebben. Hij schrijft zelfs over verbijstering. Wij kennen dat niet meer, wij weten wel dat Jezus geneest. Maar dat hij boze geesten kon uitdrijven is iets wat we vandaag de dag ook kunnen gebruiken. De harteloosheid naar kinderen die hier geworteld zijn, de idiotie die gesproken en geschreven wordt over homeseksualiteit, klimaatverslechtering en mensen die de Islam aanhangen maken dat ook wij maar moeten beginnen met het uitdrijven van boze geesten, in de geest van Jezus door liefde te tonen voor onze naaste.

Door allen geprezen.

Lucas 4:14-30

14 Jezus keerde, gesterkt door de Geest, terug naar Galilea. Het nieuws over hem verspreidde zich in de hele streek. 15 Hij gaf onderricht in de synagogen en werd door allen geprezen. 16 Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, 17 werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd, en hij rolde hem af tot de plaats waar geschreven staat: 18 ‘De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, 19 om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’ 20 Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging weer zitten; de ogen van alle aanwezigen in de synagoge waren op hem gericht. 21 Hij zei tegen hen: ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’ 22 Allen betuigden hem hun bijval en verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden, en ze zeiden: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’23 En hij zei tegen hen: ‘Ongetwijfeld zullen jullie me dit gezegde voorhouden: Geneesheer, genees uzelf. Doe alles waarvan wij gehoord hebben dat het in Kafarnaüm gebeurd is, ook hier in uw vaderstad.’ 24 Hij vervolgde: ‘Luister, ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad. 25 Maar ik zeg het jullie zoals het is: in de tijd van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden lang gesloten bleef en er in het land een grote hongersnood uitbrak, waren er veel weduwen in Israël. 26 Toch werd Elia niet naar een van hen gezonden, maar naar een weduwe in Sarepta bij Sidon. 27 En in de tijd van de profeet Elisa waren er veel mensen in Israël die leden aan huidvraat, maar niemand van hen werd gereinigd, behalve de Syriër Naäman.’ 28 Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede. 29 Ze sprongen op en dreven hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om hem in de afgrond te storten. 30 Maar hij liep midden tussen hen door en vertrok. (NBV)

Toen Nelson Mandela werd vrijgelaten waren er veel mensen bang dat het geweld in Zuid-Afrika tegen de blanken een ongekende omvang zou aannemen. Niets was minder waar. Het was juist aan Nelson Mandela te danken dat er geen burgeroorlog in Zuid Afrika uitbrak. Men begon, met alle problemen van dien, te proberen samen een nieuwe samenleving op te bouwen waar geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen mensen op grond van hun afkomst en waarin iedereen kan meedoen. Het grote van Nelson Mandela is niet zozeer dat hij 30 jaar in gevangenschap heeft gezeten zonder zijn opvattingen te hebben opgegeven, maar dat hij daarna verzoening wist te krijgen met zijn onderdrukkers. We moeten de Bijbel wel heel goed kennen om te begrijpen dat er in dit verhaal met Jezus van Nazareth net zo iets gebeurt. Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen, leren noemt men dat. Synagogen zijn plaatsen van bijeenkomst in de dorpen en steden buiten Jeruzalem opgezet door de Farizeërs om er voor te zorgen dat de kennis van de Joodse Bijbel niet verloren zou gaan door alle Romeinse en andere heidense invloeden in het land. Ze bestaan tot op de dag van vandaag en je vindt ze overal in de wereld.

Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja. Maar hij stopt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen. Na “het genadejaar zou uitroepen” staat namelijk “een de dag der wrake”. In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden zoals Elia had gedaan, of zelfs je bezig te houden met bezettende buitenlanders zoals bij Naäman, de Syrische generaal, was gebeurt. Dan is het mooi dat je aandacht en begrip voor de armen vraagt en hen bevrijding belooft maar gewone dorps en stadsbewoners zijn over het algemeen niet arm maar ze zijn wel slachtoffer van een wrede bezetting. Jezus van Nazareth sluit aan bij opvattingen van profeten als Jeremia die betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, die de Wet van de Liefde vraagt, altijd tot overwinning leidt.

We hebben het in onze dagen waar zien worden in Zuid-Afrika al hebben de mensen daar ons medeleven en onze hulp soms dubbel hard nodig. Niet alleen in geld, of kennis over medicijnen en huisvesting maar ook in voorbeeld van vreedzaam samenleven. Aan dat laatste wil het hier nog wel eens ontbreken, en aan dat laatste kunnen we allemaal zelf iets doen door vandaag te beginnen naar vrede met elkaar te streven. Dat is het echte goede nieuws voor de armen. Zo kunnen we ook onze zorg voor de vele vluchtelingen op een goede manier vormgeven. We lijken overspoeld te worden door mensen op de vlucht niet alleen voor geweld maar ook voor armoede en uitzichtloosheid. Dat onze rijkdom voor een deel rust op de armoede van anderen hoor je maar weinig. Opvang in eigen regio, terugsturen naar land van herkomst heeft alleen zin als er daar ook een toekomst voor mensen wordt geboden. Dat zou opnieuw het goede nieuws voor de armen betekenen. Daar zouden we in de eerste plaats aan moeten werken, maar ondanks de vluchtelingen blijven we bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking en de vraag is wie dat ter discussie zou willen stellen. Volgens Jezus van Nazareth kunnen we met die toekomst vandaag nog beginnen.