Volg dan het spoor van de kudde.

Hooglied 1:8-17

8 Als je mij niet vinden kunt, mooiste van alle vrouwen, volg dan het spoor van de kudde, weid je geiten waar de herders schuilen. 9 Vriendin van mij, met een merrie voor farao’s wagen vergelijk ik jou! 10 Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen, hoe sierlijk zijn je hals en je ketting. 11 Laten we een gouden sieraad voor je maken, bezaaid met zilveren stipjes. 12 Nu mijn koning op zijn rustbed ligt, geurt mijn nardus zoet. 13 Mijn lief is mij een bundel mirre, hij slaapt tussen mijn borsten. 14 Mijn lief is mij een hennatros in de wijngaarden van Engedi. 15 Je bent zo mooi, vriendin van mij, je bent zo mooi! Je ogen zijn duiven. 16 Wat ben je mooi, mijn lief, wat ben je bekoorlijk. Het groen is ons bed, 17 de balken van ons huis zijn ceders, de binten zijn cipressen. (NBV)

De geliefde in het Hooglied is te vinden bij zijn of haar werk. Daar waar je de sporen van dat werk vindt kom je uit bij de persoon die je zoekt. Aan de vruchten herkent men de boom zou Jezus later zeggen. We zien dat bijvoorbeeld bij Willem Alexander, opgeleid tot Koning. Het zou een beetje zielig voor hem zijn geweest als we hadden besloten dat we een republiek zouden willen worden. Natuurlijk ligt dat wel voor de hand. Er is immers maar één Heer en een Koning die ons aangereikt wordt door de geschiedenis hebben we niet nodig. Integendeel want zo’n koning zou ons af kunnen houden van het dienen van de ene Koning die we al hebben. Gelukkig maar dat onze ministers verantwoordelijk zijn, die kunnen we naar huis sturen. Ondertussen moet de Koning zich bezig houden met werk waaraan noch de armen noch de rijken zich kunnen storen.

Op advies zijn vader koos hij als Prins ooit voor waterbeheer. De rijken kregen daardoor toegang tot baggerprojecten, havenaanleg en riviersaneringen over de hele wereld. En de armen kunnen zich herkennen in het streven goed drinkwater te brengen aan alle mensen op aarde, ook de allerarmsten. Beide doelstellingen lijken elkaar niet al te zeer te bijten. De conferenties spelen zich meestal ook zover weg af dat de details ons ontgaan. Dat de aanleg van kunstmatige eilanden voor de kust van Dubai heel wat harder opschiet dan het aanleggen van dijken en waterwerken in Banglahdesh merken we alleen als twee maal per jaar de armen in dat laatste land weer worden opgeschrikt door overstromingen. En voor een hele goede verstaander blijkt het uit het aantal dode arbeiders die in Dubai werden geteld. Beide projecten worden wel degelijk door Nederlandse bedrijven uitgevoerd en de Nederlandse regering is er mede verantwoordelijk voor en de Nederlandse Kroonprins heeft er de deur voor geopend. Deze Koning was als Kroonprins dus niet te vinden als je het spoor van een kudde volgt, maar ook niet als je de loop van het water zou volgen.

Die kudde en dat water trekken zich niks aan van grenzen die mensen getrokken hebben. Die Prins was wel een symbool van de grenzen die mensen getrokken hebben, zijn werk met al die handelsdelegaties vertegenwoordigt ook het nationalisme. Op de Olympische Spelen, die hij eens bestuurde, zijn het niet de mensen die zich met elkaar meten, maar de landen. Landen kunnen worden uitgesloten. Een aantal jaren geleden heeft de Wereldraad van Kerken na uitvoerige bestudering van de Bijbel gezegd dat Nationalisme eigenlijk een zonde is. Wij maken immers deel uit van een koninkrijk zonder grenzen waar iedereen mee kan doen. Het versterken van wereldlijke, nationale identiteiten brengt mensen in grote problemen. Het sluit eerder mensen uit dan in. Het roept de behoefte aan verdediging tegen buitenwerelden op, geweld dus. Zelfs de allerarmste landen hebben over het algemeen een militair apparaat. Wij houden ons misschien toch maar beter bezig met de liefde, te vinden in het werk en bij de loop van het water, daar waar mensen zijn namelijk.

Jouw liefde is zoeter dan wijn.

Hooglied 1:1-7

1 Hooglied, van Salomo. 2 Laat hij mij kussen, laat zijn mond mij kussen! Jouw liefde is zoeter dan wijn, 3 zoet is de geur van je huid, je naam is een kostbaar parfum. Daarom houden de meisjes van jou. 4 Neem mij met je mee. Laten we rennen! Mijn koning brengt mij in zijn kamers. Laten we juichen en zingen om jou! Laten we jouw liefde prijzen, meer nog dan wijn. Natuurlijk houden de meisjes van jou! 5 Meisjes van Jeruzalem, donker ben ik, en mooi, als de tenten van Kedar, als het doek van Salomo’s tenten. 6 Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben, omdat de zon mij heeft gebrand. Mijn moeders zonen waren hard voor mij: ik moest hun wijngaarden bewaken. Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt. 7 Zeg mij toch, mijn allerliefste, waar laat jij je kudde weiden, waar laat jij die ‘s middags rusten? Laat me toch niet dwalend langs de kudden van je vrienden gaan. (NBV)

We lezen uit het Lied der Liederen “Sjier Hasjierim”, het allermooiste lied dat er bestaat. Luther vertaalde dat met het “Hohe Lied” en zo is het in ons taalgebruik het Hooglied geworden. God komt in dit Bijbelboek niet voor. Dat klinkt misschien een beetje raar, het is per slot van rekening een Bijbelboek. Maar dit boek gaat over de liefde, en liefhebben is het hart van ons geloof. Liefhebben van andere mensen, van je naaste. Het mooiste dat we ons daarbij kunnen voorstellen is de liefde tussen twee mensen die elkaar hun hele leven trouw willen blijven, die volledig in elkaar willen opgaan. Dat brengt dit lied op een bijzondere manier onder woorden. Oorspronkelijk werd dit lied gezongen op bruiloften en omdat van Salomo wordt gezegd dat hij wel duizend liederen dichtte werd het aan Koning Salomo toegeschreven. Oud is het in elk geval wel.

In het Joodse volk staat de liefde tussen de twee mensen uit dit boek symbool voor de liefde tussen het volk en God, en in het Christendom wordt het vaak uitgelegd als voorbeeld van de liefde tussen God en de gelovigen. Maar lees gerust wat er staat, de liefde tussen twee mensen. De eerste vraag die je mag stellen is of je vanavond je geliefde zo mag toezingen als in dit eerste hoofdstuk. Of je nu vrouw of man bent beiden kun je het zingen, en of je partner nu van hetzelfde of het andere geslacht is, aan elke partner kan het worden toegezongen. En kun je werkelijk zingen dat de liefde van je partner je zoeter smaakt dan wijn? Of is in de loop van een persoonlijke geschiedenis de wijn verzuurd en moet je eigenlijk nieuwe wijn laten rijpen. Dat kan natuurlijk, ook in elke relatie kun je steeds opnieuw beginnen, steeds opnieuw van elkaar gaan houden. Meestal verdiept een relatie zich dan, maar je moet er wel bewust aan werken en niet langzaam de wijn van je liefde laten bezinken, het bezinksel is een smerig goedje en de wijn wordt echt zuur.

Hoe je er uit ziet moet er niet toe doen. Hard werken kan een mens tekenen maar eigenlijk maakt dat een mens alleen maar mooier. De zangeres uit dit eerste stuk is donker gebrand van de zon, er moesten wijngaarden worden bewaakt. De liefde doet haar niet verlangen naar een make-over, ze is mooi zoals ze is. Ze houdt van zichzelf zoals ze is en dat is haar genoeg voor haar geliefde. Zoveel ze van zichzelf houdt kan ze ook van haar geliefde houden. Kijk zelf eens in een spiegel en zie of je net zo naar jezelf kan kijken als deze zangeres naar zichzelf kijkt. En dan tot slot van het stuk van vandaag zoekt de zangeres alleen haar eigen geliefde. Natuurlijk zijn er vrienden, maar dat dwalend langs hun kudden gaan wordt meestal vertaald met gesluierd op zoek gaan. Gesluierd heeft bij ons geen betekenis meer. De Islam dwingt ons nu wel de betekenis opnieuw te doordenken. De zangeres van het Hooglied drukt uit dat zij haar schoonheid reserveert voor haar geliefde alleen. Het is niet voor Jan en alleman. bestemd.

Die mijn handen oefent voor de strijd

Psalm 144

1 Van David. Geprezen zij de HEER, mijn rots, die mijn handen oefent voor de strijd, die mijn vingers schoolt voor het gevecht, 2 mijn beschermer, mijn vesting, de burcht die mij veiligheid biedt, het schild waarachter ik schuil, hij die volken aan mij onderwerpt. 3 HEER, wat is de mens dat u om hem geeft, de sterveling dat u aan hem denkt? 4 Een mens is vluchtig als een ademtocht, zijn dagen glijden als een schaduw weg.5 HEER, schuif uw hemel open en daal af, raak de bergen aan zodat ze roken. 6 Werp uw bliksem, sla de volken uiteen, schiet uw pijlen en verdrijf hen. 7 Reik mij uw hand van omhoog, bevrijd mij, ontruk mij aan de woeste wateren, aan de greep van vreemdelingen 8 die leugens spreken met hun mond, bedrog verbergen in hun handen. 9 Ik wil een nieuw lied voor u zingen, God, voor u spelen op de tiensnarige harp, 10-11 want u brengt koningen redding, u hebt David, uw dienaar, bevrijd. Bevrijd ook mij van het moordende zwaard, ontruk mij aan de greep van vreemdelingen die leugens spreken met hun mond, bedrog verbergen in hun handen. 12 Onze zonen zijn als jonge planten, in hun jeugd met liefde verzorgd, onze dochters als de hoekzuilen van een paleis, zo sierlijk gesneden, 13 onze schuren gevuld, van voorraad en voedsel voorzien, onze schapen en geiten, met duizenden, met tienduizenden op onze velden, 14 onze kudden doorvoed, geen inval, geen uittocht, geen weeklacht op onze pleinen. 15 Gelukkig het volk dat zo mag leven, gelukkig het volk dat de HEER als God heeft. (NBV)

Heel lang geleden was er in Chicago een demonstratie van arbeiders die niet langer wilden werken dan 8 uur per dag. Die demonstratie werd een groot succes en werd ook in veel andere steden en andere landen nagevolgd. Uiteindelijk wonnen de arbeiders, kregen vakbonden een onderhandelingspositie met de werkgevers en ontstonden collectieve arbeidsovereenkomsten. De dag waarop die eerste grote demonstratie viel werd een internationale feestdag voor de rechten van arbeiders, de eerste mei. Ook de Bijbel pleit voor een rechtvaardige behandeling van arbeiders. Uit het begin van de Psalm die we vandaag met de kerk meezingen leren we dat voor een rechtvaardige behandeling ook strijd nodig is. Verschuilen achter God is niet voldoende.

Natuurlijk zal het God zijn die de grenzen bepaald van de strijd. Je kunt wel willen dat er bliksem geworpen wordt, dat er pijlen worden afgeschoten maar zo werkt de God van Israël niet. Die God heeft richtlijnen gegeven hoe de samenleving in te richten en te voorkomen dat geweld nodig is. Het gaat er om volgens die richtlijnen te leven. Als je dat als heel volk doet dan wordt iedereen die leugens verspreid, nepnieuws heet dat tegenwoordig, een vreemdeling die zich buiten de gemeenschap stelt, zoals ook de dieven en bedriegers doen. Deze Psalmdichter wil daarom worden net als David die de Koning kalmeerde met harpspel. Die een einde maken aan het roven van oogst door de vijanden van Israël.

David had daarom niet genoeg aan overwinningen. Hij legde in steden die hij had veroverd een militaire macht neer die bleef om toezicht te houden op de ontwikkelingen. Een hergroepering van vijanden met een nieuwe plundertocht in Israël werden daardoor voorkomen. Dat is de richtlijn die God ons gegeven heeft, Gij zult niet doden. Dat is de manier waarop vakbonden in onze dagen werken. Proberen stakingen te voorkomen en oplossingen te vinden in onderhandelingen. We zijn dat zo normaal gaan vinden dat we vergeten lid te worden van een vakbond en onze collega’s aan te sporen ook lid te worden. Juist in een veranderende samenleving als de onze is een rechtvaardige behandeling van arbeiders alleen te behalen door er samen voor te strijden. De eerste mei is een goede dag om deze psalm zo na te zingen dat er meer mensen mee gaan doen.

Een geschenk van de Israëlieten.

Leviticus 7:28-38

28 De HEER zei tegen Mozes: 29 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wie een vredeoffer aan de HEER wil aanbieden, moet een deel ervan naar de HEER brengen; 30 eigenhandig moet hij naast het vet ook het borststuk als offergave aan de HEER aanbieden. Het borststuk moet ten overstaan van de HEER omhooggeheven worden. 31 Het vet moet door de priester op het altaar worden verbrand, maar het borststuk is bestemd voor Aäron en zijn zonen. 32 De rechterachterbout moet apart gehouden worden en aan de priester worden geschonken als zijn aandeel in jullie vredeoffer; 33 die achterbout is bestemd voor diegene van Aärons zonen die het bloed en het vet van het vredeoffer aanbiedt. 34 Want van de vredeoffers van de Israëlieten neem ik het borststuk en de achterbout om ze voor altijd aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen te geven, als een geschenk van de Israëlieten. 35 Ze zijn bestemd voor Aäron en zijn zonen, het is hun aandeel in de offergaven voor de HEER, vanaf de dag dat ze zijn ontboden om voor de HEER het priesterambt te bekleden. 36 De HEER heeft bevolen dat als geschenk van de Israëlieten aan hen te geven, vanaf de dag dat hij hen heeft gezalfd. Dit voorschrift blijft voor de Israëlieten en hun nakomelingen voor altijd van kracht.”’ 37 Tot zover de voorschriften voor het brandoffer, het graanoffer, het reinigingsoffer, het hersteloffer, het wijdingsoffer en het vredeoffer, 38 die de HEER op de Sinai aan Mozes heeft bekendgemaakt toen hij de Israëlieten in de Sinaiwoestijn opdroeg hem hun gaven aan te bieden. (NBV)

Vandaag lezen we het einde van de voorschriften over de offers in Israël zoals die in het boek Leviticus staan. Het lijkt er op dat God van alles aan offers vraagt en aan het einde een deel ook voor de Priesters bestemd, cadeautjes uitdeelt als het ware. Maar als we het zo lezen dan hebben we van de betekenis van het offer in Israël nog niet heel veel begrepen. In de eerste plaats het begrip dat je aan God offert. God krijgt het vet van het dier, plus wat organen die in het vet zwemmen. Als er graan wordt geofferd dan deelt God het offer met de Priester. De rest van het dier dat wordt geofferd is altijd al voor de Priester. God hoeft door offers dus niet in leven gehouden te worden. Het draait ook niet om de offers maar om de gerechtigheid.

In dit gedeelte wordt geregeld hoe de verdeling van de priesters onderling is. Een dier wordt bekeken als in twee delen, het borststuk en de achterschenkel. Het borststuk is voor alle Priesters samen en de achterschenkel voor de Priester van dienst. De Priester van dienst kreeg ook al het brood. Hoe groter het volk hoe meer Priesters en rond de Tempel nodig waren. Er zijn in de loop van de tijd dan ook Priestersteden ontstaan. Anatoth was zo’n Priesterstad en daar kwam zelfs een profeet vandaan. Doordat het borststuk verdeeld moest worden onder de Priesters werden ook de Priesters er aan herinnerd dat delen het hart van de Godsdienst van Israël was.

Met het offer laat je aan God weten nog steeds in die gerechtigheid te geloven en bereid te zijn alles wat je hebt te delen met hen die van delen afhankelijk zijn. Uiteindelijk kun je desnoods je zelf opofferen. Aan het eind van deze week herdenken we niet alleen de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, toen bevolkingsgroepen fabrieksmatig werden omgebracht, maar we herdenken ook de mensen zich zelf opofferden om daar een eind aan te maken en de aarde van deze hel te bevrijden. Dat herdenken kun je bijna vergelijken met een offer zoals in Leviticus beschreven. Wij herdenken om de gerechtigheid in stand te houden. Als wij niet meer bereid zijn voor een ander te zorgen kan die ander doodvallen. Gelovigen kiezen voor het leven en dus voor delen en zorgen voor elkaar.

Het vredeoffer

Leviticus 7:11-27

11 Dit zijn de voorschriften voor het vredeoffer dat aan de HEER wordt aangeboden: 12 Wie het offer als dankbetuiging aanbiedt, offert bij het offerdier dikke ongedesemde broden, met olijfolie bereid, dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken, en dikke broden van fijne tarwebloem, doordrenkt met olijfolie. 13 Aan deze gaven, die hij tegelijk met het offerdier moet brengen, moet hij ook gedesemde broden toevoegen. 14 Van elke soort brood wordt er één apart gehouden en aan de HEER geschonken. Die zijn bestemd voor de priester die het bloed van het offerdier tegen de zijkanten van het altaar heeft gegoten. 15 Het vlees van dit dankoffer moet gegeten worden op de dag dat het wordt aangeboden, het mag niet tot de volgende dag bewaard worden. 16 Een dier dat wordt aangeboden als gelofteoffer of als vrijwillige gave, moet gegeten worden op de dag dat het wordt aangeboden, maar wat overblijft mag de volgende dag worden gegeten. 17 Wat er daarna nog van het vlees van het offerdier over is, moet op de derde dag worden verbrand. 18 Als er op die dag nog van het offervlees wordt gegeten, zal het offer niet worden aanvaard en komt het de offeraar niet ten goede. Het is verwerpelijk en wie ervan eet, zal de gevolgen van zijn zonde dragen. 19 Ook offervlees dat met iets onreins in aanraking is geweest, mag niet gegeten worden maar moet worden verbrand. Iedereen die rein is mag van het offervlees eten, 20 maar wie onrein is en van het vredeoffer voor de HEER eet, wordt uit de gemeenschap gestoten. 21 Wie iets onreins van een mens of een dier heeft aangeraakt of in aanraking is geweest met onrein gedierte en daarna van het vlees van het vredeoffer voor de HEER eet, wordt uit de gemeenschap gestoten.”’ 22 De HEER zei tegen Mozes: 23 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Vet van een rund, een schaap of een geit mogen jullie niet eten. 24 Het vet van een dier dat een natuurlijke dood is gestorven en het vet van een doodgebeten dier mag overal voor worden gebruikt, maar het mag niet worden gegeten. 25 Wie vet eet van een dier dat als offergave aan de HEER mag worden aangeboden, zal uit de gemeenschap worden gestoten. 26 Bloed mogen jullie evenmin eten, waar jullie ook wonen, geen bloed van vogels en geen bloed van landdieren. 27 Wie bloed eet, zal uit de gemeenschap worden gestoten.”’ (NBV)

“Vrede op aarde” Rond de kerst kunnen we dat niet hard genoeg zingen. En het bereiken van een vrede met een vijand wordt vele jaren herdacht. Maar vrede krijgen we niet zomaar. Voor het krijgen van vrede is heel wat nodig. We moeten bereid zijn om met de vijand te gaan praten en rond de tafel te gaan zitten. Uit de geschiedenis moeten we leren dat het vernederen van de vijand niet helpt bij het krijgen van een blijvende vrede. Beter voor het bereiken van een vrede is het samen maaltijd houden. Aan elkaar laten weten dat je bereid bent zelfs je voedsel met elkaar te delen in plaats van met elkaar strijd te voeren en elkaar het leven te benemen. Juist omdat het bereiken van vrede zo moeilijk is geeft het sluiten van vrede extra vrede.

Dat je mensen, ook je vijanden, serieus mag nemen, dat je met ze mag eten en drinken, leren we ook van de God van Israël. Pas als vijanden dat blijven weigeren worden ze door de God van Israël verworpen. Als er vrede gesloten wordt dan mag je de God van Israël daar extra dankbaar voor zijn. Alleen een offerdier, of alleen een graan of broodoffer volstaat niet. Een complete maaltijd moet geofferd worden. Een maaltijd die laat zien hoeveel rijkdom en geluk vrede wel niet kan opbrengen. Verschillende soorten brood moeten worden geofferd en van elk van die broden graat er één naar de dienstdoende priester. Die mag het brood opeten. Ook het vlees mag gegeten worden maar welk direct in het verlengde van het brengen van het offer. Je mag het niet lang bewaren.

Maar uit het brengen van een offer waarvoor een dier moet worden gedood moet ook de eerbied blijken die je voor het leven van een dier hoort te hebben. Je mag er niet zomaar mee omgaan, zo onverschillig dat het onrein wordt, maar je moet alle ongerechtigheid hebben verwijderd. Iedereen die van het vlees eet moet zich dan ook ritueel gewassen hebben zodat iedereen die mee eet rein is. Het vet van een dier is het voedsel dat een dier voor slechte tijden nodig heeft, dat eet je dus niet. In het bloed zit het leven van het dier, dat eet je dus ook niet. De priester giet het bloed voorzichtig langs de zijkanten van het altaar geschonken. Het leven dat God heeft gegeven keert weer terug naar God. Het brengen van een offer en alle voorschriften daar drukken de dankbaarheid en de vreugde uit voor de vrede. Wij mogen daar ook wel eens aan denken als wij feesten ter gelegenheid van vrede uit de hand laten lopen. Ook onze vrede hebben wij van God gekregen.

Het hersteloffer

Leviticus 7:1-10

1 Dit zijn de voorschriften voor het hersteloffer: Het is een allerheiligst offer. 2 De dieren voor het hersteloffer moeten worden geslacht op dezelfde plaats als de dieren voor het brandoffer. Het bloed giet de priester tegen de zijkanten van het altaar. 3 Al het vet moet worden geofferd: het vet van de staart en al het vet van de buikholte, 4 de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. 5 De priester verbrandt dit alles op het altaar als een offergave voor de HEER. Zo is het geschikt als hersteloffer. 6 Alle mannelijke leden van de priesterfamilie mogen ervan eten, op een heilige plaats; het is allerheiligst. 7 Net als bij het reinigingsoffer geldt dat het vlees van het hersteloffer bestemd is voor de priester die met dit offer de verzoeningsrite voltrekt. 8 De priester die voor iemand een brandoffer brengt, krijgt de huid van het dier dat als brandoffer is aangeboden. 9 Een graanoffer dat in de oven wordt gebakken, of in de kookpan of op de bakplaat wordt bereid, is bestemd voor de priester die het opdraagt. 10 Elk ander graanoffer, al dan niet met olie bereid, is bestemd voor alle zonen van Aäron en wordt onder hen verdeeld. (NBV)

Het boek Leviticus maakt deel uit van de Tora. De goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving. De kern er van zijn de tien woorden die zelfs op stenen tafelen werden geschreven en die zo bijzonder waren dat ze in een kist van acaciahout werden bewaard in het hart van de Tent der Ontmoeting, later in het allerheiligste van de Tempel in Jeruzalem. De Tora wordt een verbond genoemd. Een verbond tussen God en het door God uitverkoren volk. Die Tora zou laten zien wat de menselijke samenleving is waarvoor God de aarde heeft geschapen.

Maar houdt men het verbond? Of wordt het verbond door de mensen verbroken. In die 10 woorden staat dat je niet moet doden, niet moet stelen, niet moet liegen en niet moet willen hebben wat van een ander is. In de Tora staan nog vele andere regels, moderne Joden stellen dat er 163 richtlijnen in de Tora staan waar je je leven op moet baseren. Niet doden, niet stelen, niet liegen zijn heel voor de hand liggende regels maar als we om ons heen kijken dan is het kennelijk ook voor de hand liggend dat mensen zich daar niet aan willen houden. Is dat dan het einden van het verbond? Bij de God van Israël kan dat niet. Die laat nooit varen het werk waarmee die God is begonnen.

Er moet dus een manier zijn om het verbond met de God van Israël weer te herstellen. Daar is het hersteloffer voor. Om het herstel duidelijk te maken eten de priesters het vlees van het brandoffer op. Het is niet meer onrein, dit vlees valt niet meer buiten het verbond, maar dit offer tekent het herstel van het verbond. Delen van wat je hebt is het hart van de Tora, zorgen voor de armen, de weduwen en de wezen en de vreemdelingen en dat delen wordt ook gedaan met God. Het is niet alleen voor de rijken die zich een dier kunnen permitteren maar ook voor de armen die niet meer hebben dan een handvol graan. Samen eten is ook vandaag de dag het recept om de vrede in de samenleving te bevorderen.

Voeg dagen toe aan de dagen van de koning

Psalm 61

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Van David. 2 Hoor, o God, mijn smeken, sla acht op mijn gebed, 3 van het einde der aarde roep ik u aan, want mijn hart bezwijkt. Breng mij op de rots hoog boven mij, 4 u bent altijd mijn schuilplaats geweest, een toren te sterk voor de vijand. 5 Laat mij altijd wonen in uw tent, veilig verscholen onder uw vleugels, sela 6 u hoort mijn geloften, God, u beloont wie uw naam vereren. 7 Voeg dagen toe aan de dagen van de koning, dat zijn jaren duren van geslacht op geslacht. 8 Wil zijn troon altijd beschermen, God, laten trouw en waarheid over hem waken. 9 Dan zal ik uw naam voor altijd bezingen, en mijn geloften volbrengen, dag na dag. (NBV)

Waarmee zal ik mijn God vergelijken? Het is een vraag die vandaag de dag gemakkelijk als een inleiding tot spotternij opgevat wordt. Maar als je de Psalmen goed leest dan tuimelen de vergelijkingen over God over elkaar heen. Zo ook in de Psalm die we vandaag meezingen, begeleid door snarenspel overigens. Het is een Psalm die uit de bundel David komt en heel misschien gaat het lied ook wel terug op de harpspelende David. De dichter van de Psalm heeft in elk geval een behoorlijk aantal vergelijkingen nodig om God duidelijk te maken waarom hij juist op die God een beroep doet. Die God is immers een schuilplaats, een toren waarop je je terug kunt trekken als je belaagd wordt door vijanden, die God heeft vleugels waaronder je kunt schuilen. Een toren met vleugels? Is dat een beeld van God? Als je de vertaling van de Bijbel letterlijk neemt zoals dat in sommige kringen gevraagd wordt, van kaft tot kaft zelfs, dan is de God van Israël een toren met vleugels. Maar zo lezen wij de Bijbel niet. Voor ons is er een zekere geborgenheid die moet worden uitgedrukt.

En die toren kennen we nog wel. In Barneveld sprong Jan van Schaffelaar van de toren toen zijn vijand dreigde zijn dorpsgenoten te doden omdat ze hem niet konden krijgen, hij had zich teruggetrokken in een toren. En er zijn grote roofvogels die hun jongen opvangen op hun vleugels als die gaan uitvliegen en het vliegen nog niet meester zijn. Dat beeld van die grote vogels die hun jongen op hun vleugels opvangen heeft vanouds diepe indruk gemaakt. Andere vogels beschermen hun jongen met hun vleugels als hun nesten worden aangevallen. Die beschermende en opvangende houding is een houding die je ook aan de God van Israël kunt toeschrijven. Natuurlijk kennen we dat allemaal wel wat minder dichterlijk. Als je een probleem hebt, als je bedreigd wordt, door pesters bijvoorbeeld, dan is het geweldig dat mensen van je houden, dat er mensen zijn die het voor je opnemen. De God van Israël roept in de Bijbelse verhalen altijd mensen op om om hun arm om anderen heen te slaan, om namens die God, in zijn Geest beschermend te zijn voor anderen, voor bedreigden, voor de zwakken, voor mensen in gevaar, voor mensen die worden onderdrukt.

Moeilijker hebben we het met de bede voor de Koning. Als de dagen van een koning verlengd worden van geslacht op geslacht, van generatie op generatie, dan moet zo’n Koning eeuwig leven. Dat kan toch niet bedoeld zijn. Waarom zouden we dat aan God vragen? Dat wordt dus ook niet gevraagd. Het gaat hier niet om een mens die Koning is, maar om een instituut Koning waar aan de verlangens van de God van Israël wordt beantwoord. Daar waken trouw en waarheid. Niet een meneer Trouw of een mevrouw Waarheid, ook niet de gelijknamige kranten zoals we die hebben gekend in en na de Tweede Wereldoorlog, maar de inhoud van het regeren. Wij willen eerlijk geregeerd worden. In trouw aan de geboden van God en in waarheid van politici. De zorg voor de armen moet daarbij dus voorop staan, bescherming van de zwakken. Dan wordt die tent ook duidelijk. In het Hebreeuws wordt gesproken over een eeuwige tent, maar dat klinkt zo raar, dus vragen we maar om altijd te mogen wonen in die Tent. Maar de Bijbel belooft ook dat God zijn tent op aarde zal spannen. Dan is er geen angst en bedreiging meer, dan zijn alle tranen gedroogd. Het is er de hoogste tijd voor, tijd om de wereld daarvoor klaar te maken. Daar mogen we elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Het vlees is bestemd voor de priester

Leviticus 6:17-23

17 De HEER zei tegen Mozes: 18 ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen: “Dit zijn de voorschriften voor het reinigingsoffer: Op de plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden, moeten ook de dieren voor het reinigingsoffer worden geslacht, ten overstaan van de HEER; dit offer is allerheiligst. 19 Het vlees is bestemd voor de priester die het reinigingsoffer opdraagt. Het moet op een heilige plaats worden gegeten, binnen de omheining van de ontmoetingstent. 20 Alles waarmee het vlees van het offer in aanraking komt, wordt zelf ook heilig: het valt de HEER toe. Als het bloed ervan op iemands kleren spat, moeten die op een heilige plaats worden gewassen. 21 Het aardewerk waarin het vlees gekookt is, moet worden stukgebroken, en als het in bronzen of koperen gerei is gekookt moet dat worden geschuurd en met water schoongespoeld. 22 Alle mannelijke leden van de priesterfamilie mogen van het reinigingsoffer eten; het is allerheiligst. 23 Maar reinigingsoffers waarvan het bloed naar de ontmoetingstent is gebracht om te worden gebruikt voor de verzoeningsrite in het heiligdom zelf, mogen niet gegeten worden; ze moeten worden verbrand.(NBV)

Door het niet volgen van de richtlijnen die door God zijn gegeven voor een menselijke samenleving is er als het ware een smet gekomen op het verbond dat God met zijn volk had gesloten. Reiniging is dan geboden, je moet de verhouding die in het verbond is besloten weer goed maken. De schending van het verdrag moet worden weggenomen. Die schending is niet door God veroorzaakt, God laat immers nooit los wat zijn hand is begonnen. Maar het erkennen van de schending door het brengen van een offer is wel de manier waarop de schender, de zondaar genoemd, de smet kan wegnemen.

Nu worden de offers bij de Tempel gewoonlijk voor een groot deel verbrand om God via de geur van het offer te laten weten nog steeds volgens de goddelijke richtlijnen te leven. Maar bij het wegnemen van een smet, bij de reiniging, speelt God niet de eerste rol. God hoeft de smet niet weg te poetsen. Nu staan er bij een offer Priesters tussen God en de mensen. De Priesters krijgen dan ook een bijzondere rol in het reinigingsoffer. Ze moeten het opeten, ze eten als het ware de smet op het verbond op zodat de smet voor altijd weg is en het delen van de maaltijd weer het centrum wordt van het verbond.

Dat delen is niet met gelijkgestemden, niet met de burgers van de eigen stand. De maaltijd die voor alle gelovigen is voorgeschreven is een maaltijd met de familie, de meiden en de knechten, de slaven en slavinnen, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die daar wonen. De maaltijd van de Priesters staat daar boven, die maaltijd zorgt er voor dat de gelovigen de eigen voorgeschreven maaltijd weer kunnen houden. En een gezamenlijke maaltijd brengt vrede. Wij houden mensen graag gescheiden, op grond van geloof, op grond van afkomst, op grond seksuele geaardheid, op grond van de rijkdom of armoede. Iedereen kan zoiets wel verzinnen. De Bijbel doorbreekt die scheidingslijnen. De belangrijkste scheidingslijn, die tussen God en mensen wordt hier door de Priesters doorbroken. Dan is de verbinding tussen God en de gelovigen weer hersteld. Samen eten dus.

Als een geurige gave

Leviticus 6:12-16

12 De HEER zei tegen Mozes: 13 ‘Dit is de offergave die Aäron en zijn opvolgers vanaf de dag dat ze tot priester gezalfd zijn dagelijks aan de HEER moeten aanbieden: een graanoffer bestaande uit een tiende efa tarwebloem, de helft ‘s ochtends en de helft ‘s avonds. 14 Nadat de bloem met olijfolie is vermengd, moeten er op de bakplaat broden van worden gebakken. Die broden moeten in stukken worden gebroken en als graanoffer worden aangeboden, als een geurige gave die de HEER behaagt. 15 Alle nakomelingen van Aäron die hem opvolgen, moeten dit offer brengen. Het is voor altijd bestemd voor de HEER; het moet volledig worden verbrand. 16 Elk graanoffer dat een priester brengt, moet in zijn geheel geofferd worden, er mag niet van worden gegeten.’ (NBV)

We kijken naar het oude Israël graag als naar een primitieve samenleving. Zeker van een groep voortvluchtigen slaven in een woestijn, trekkend van oase naar oase kan toch moeilijk een samenhangend stel regels voor de gemeenschap worden verwacht. Misschien is dat ook wel de reden dat van dat samenhangend stel regels wordt gezegd dat die rechtstreeks van God afkomstig zijn. Een God overstijgt immers de menselijke omstandigheden en de God van Israël had de zorg voor zijn volk op zich genomen. Wat Mozes van God had gekregen was dus meer dan die 10 leefregels die op stenen platen stonden geschreven.

Het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek Leviticus leest daarom als een uitroepteken voor de zorg die God voor zijn volk op zich heeft genomen. We hebben al stukken uit dat boek gelezen en we weten dan dat Priesters geen eigen land hadden. Hun zorg was alleen en bij uitsluiting van alles gericht op de band tussen God en zijn volk. Zij waren verantwoordelijk voor het goed offeren. Zij waren er verantwoordelijk voor dat het offervuur op het altaar dag en nacht bleef branden. Zij maakten in de ochtend het altaar weer gereed voor de offers van de komende dag. Hoe komen ze dan aan het graan om zelf God te offeren? Dat kregen ze van de gelovigen.

Van een graanoffer dat door de gewone Israëliet werd gebracht mocht maar een deel worden verbrand. De rest was voor de Priester. En was de Priester er nu op uit om zo veel mogelijk graan te krijgen zodat hij van de verkoop alsnog rijk zou kunnen worden? Misschien wel maar een Priester moest wel aan God laten weten ook van zijn bezit te willen delen. Daar was het offer van de Priester voor bestemd. Alles mocht dan verbrand worden. Ook wat de Priester had verzameld was hem immers uit de hand van God toegevallen. Priesters zijn als het er op aan komt ook maar gewone gelovigen. Daarom geld het gebod om te delen met de armen niet alleen voor bestuurders en priesters in de kerken maar voor iedereen die de weg van de God van Israël wil volgen.

Angst ken ik niet

Psalm 56

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Een roerloze duif in de verte. Van David, een stil gebed, toen de Filistijnen hem in Gat hadden gegrepen. 2 Wees mij genadig, God, want ze bedreigen mij, de hele dag bestoken en bestrijden ze mij. 3 Mijn tegenstanders bedreigen mij, heel de dag, en bestrijden mij vanuit hun hoge vesting. 4 In mijn bangste uur vertrouw ik op u. 5 Op God, wiens woord ik prijs, op God vertrouw ik, angst ken ik niet, wat kan een sterveling mij aandoen? 6 Hun woorden krenken mij de hele dag, tegen mij zijn hun boze plannen gericht. 7 Ze wachten hun kans af en bespieden mijn gangen, loerend op mijn leven. 8 Gaan zij hun straf ontlopen? Toon uw toorn, God, en sla dat volk neer! 9 Mijn omzwervingen hebt u opgetekend, vang mijn tranen op in uw kruik. Staat het niet alles in uw boek? 10 In het uur dat ik u aanroep wijken mijn vijanden, want dit weet ik: God staat mij ter zijde.11 Op God, wiens woord ik prijs, op de HEER, wiens woord ik prijs, 12 op God vertrouw ik, angst ken ik niet, wat kan een mens mij aandoen? 13 Aan u, God, heb ik geloften gedaan, met dankoffers wil ik u betalen, 14 u hebt mijn leven aan de dood ontrukt, mijn voet voor struikelen behoed. Nu kan ik wandelen onder Gods hoede in het licht van het leven. (NBV)

Vandaag zingen we met de kerk een romantisch lied mee. Tenminste een melodie ontleend aan een lied dat een romantisch klinkende melodie had “Een roerloze duif in de verte”. Er zijn mensen die doen dan net of ze die melodie kennen, er wel eens over gelezen hebben, of zelfs weten waar dat lied over die roerloze duif over ging. Mensen die dat vertellen zijn grootsprekers en leugenaars. We weten van de herkomst van de Psalmen weinig tot niks. We weten zeker niks van melodieën. De aanwijzingen die er boven staan zijn verwijzingen naar andere zangbundels. Zo was er een bundel die “David” heette. Of de Psalmen die in die bundel hebben gestaan ook door Koning David gedicht zijn is allerminst zeker. Alleen van de Psalmen waarboven een verwijzing staat naar een gebeurtenis die we ook elders in de Bijbel terugvinden wordt aangenomen dat ze echt van David zouden kunnen zijn, maar zeker is dat niet. Het is ook niet zo belangrijk.

Psalmen zijn liederen waarin de grootheid van God bezongen wordt en die iets laten horen van de manier waarop God ook met ons zou willen omgaan. En voor ons is het allerbelangrijkste dat de God van Israël ook in onze dagen voor ons een grote betekenis heeft. De Psalm die we vandaag meezingen gaat over gevangenschap en bevrijding. Het roept in herinnering een verhaal over David die met zijn mannen toevlucht had gezocht bij de koning van Gad en daar uiteindelijk gevangen genomen werd. Maar de Psalm dankt God voor de bevrijding. Dat roept vragen op. Hoe kan het dat een benauwde en benarde situatie doorstaan wordt met het gevoel bevrijd te zijn. In het oude liedboek voor de kerken staat ook een lied dat over een dergelijke voor ons herkenbare situatie gaat. Het is van de dichteres Jaqueline E. van der Waals. Een dichteres uit het begin van de vorige eeuw. Ze schreef het lied “Wat de toekomst brengen moge, mij geleid des Heren hand” Gemakkelijk te zingen als het goed gaat. Maar het werd gedicht op de dag dat ze te horen had gekregen dat ze leed aan ongeneeslijke kanker.

In dat gedicht ligt de vraag verscholen door wie we ons laten regeren, door ziekte, door dood, of door de liefde die de dood overstijgt? Het antwoord ligt in de vraag. De dood, de gevangenschap, de tegenslagen regeren ons niet. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer verzette zich van begin af tegen de nazi’s en hij bestempelde hen als heidenen. Hij belandde daardoor uiteindelijk in het concentratiekamp. Maar vlak voor hij vermoord zou worden dichtte hij een lied dat als Lied 511 in het Nieuwe Liedboek voor de Kerken staat: “Door goede machten trouw en stil omgeven, behoed getroost, zo wonderlijk en klaar” Ook hij weigerde zich door angst voor de dood en angst voor de moordenaars te laten regeren. Alleen de liefde voor de naaste, voor de minste telde, dat was immers de liefde van en voor God. In onze crisistijd zullen we van die bevrijding moeten gaan leven. Niet de economie regeert ons, niet de wetten van winst en profijt, maar de liefde van God regeert ons. Voor gelovigen geldt dat ze van delen rijker worden, dat wordt juist in deze tijd van ons gevraagd en daar mogen we dankbaar voor zijn, elke dag opnieuw, ook vandaag.