Geldzuchtig, zelfingenomen en arrogant.

2 Timoteüs 3:1-9

1 Weet dat de laatste dagen zwaar zullen zijn. 2 De mensen zullen egoïstisch zijn, geldzuchtig, zelfingenomen en arrogant. Ze zullen God lasteren, geen ontzag tonen voor hun ouders, ondankbaar zijn en niets heilig achten. 3 Ze zullen harteloos zijn, onverzoenlijk, lasterziek, onbeheerst en wreed. Ze zullen het goede haten 4 en onbetrouwbaar, roekeloos en verblind zijn. Het genot zullen ze meer liefhebben dan God, 5 ze zullen de schijn van vroomheid ophouden, maar de kracht ervan miskennen. Keer je af van zulke lieden. 6 Sommigen van hen komen de huizen binnen door zich op te dringen en weten het soort vrouwen in hun macht te krijgen dat zich gemakkelijk laat meevoeren door allerlei begeerten en met zonde beladen is, 7 dat almaar wil leren maar nooit in staat zal zijn de waarheid te kennen. 8 Zoals Jannes en Jambres zich tegen Mozes hebben verzet, zo verzetten deze dwaalleraren zich tegen de waarheid. Het zijn mensen met een zieke geest en een onbetrouwbaar geloof. 9 Maar ze zullen niet veel bereiken, want iedereen zal hun dwaasheid snel doorzien, zoals ook met Jannes en Jambres gebeurde. (NBV21)

Leuk om op een vroege zondagmorgen in de herfst zo’n stuk uit een brief van Paulus te mogen lezen. Al die gelovigen doen wel vroom, verbieden iedereen van alles, maar ondertussen doen ze zelf alles wat God verboden heeft. Daar gaat het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk niet over maar op het eerste gezicht krijg je wel die indruk. Want waar gaat het dan wel over? Het gaat over menselijk gedrag dat zeker tot ellende en soms zelfs tot de dood leidt. Wie kent de mensen niet die zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, praalziek, hoogmoedig, lasterlijk? Hadden we aan die mensen niet de financiële crisis te danken? Werden die mensen in het bedrijfsleven niet de exorbitante zelfverrijkers genoemd? En dan die mensen die aan hun ouders ongehoorzaam zijn, ondankbaar, onheilig, ongevoelig, onverzoenlijk, tweespalt-zaaiend, onbeheerst, onhandelbaar. Komen jongeren niet op de gedachte die jeugdbendes te vormen en hele buurten kunnen terroriseren?

Jongeren waar ouders geen greep meer op hebben maar waar ook scholen en overheden geen raad en geen weg meer mee weten. Kortom we hebben volgens Paulus te maken met een ik maatschappij waar mensen meer genotsvrienden dan Godsvrienden zijn. Maar pas op. Paulus heeft het niet alleen over de anderen, over die mensen die dingen doen die ons vrome lieden niet welgevallig zijn. Het gaat ook, en in de eerste plaats, over mensen met een schijn van vroomheid. Het gaat ook over voorgangers die wel doen of ze het woord van God prediken maar ondertussen misbruik maken van vrouwelijke gemeenteleden, of nog erger van kinderen. Hier worden Jannes en Jambres genoemd die Mozes zouden hebben weerstaan. In de Bijbel zoeken we tevergeefs naar deze namen. Wie Grieks heeft gestudeerd kent ze wellicht uit de werken van Plinius. In de tijd dat Paulus deze brief schreef waren het zeer bekende namen. Ze waren gegeven aan de Egyptische tovenaars die de wonderen imiteerden die Mozes voor de Farao deed als bewijs dat hij werkelijk door God was gezonden.

Dat soort namaak voorgangers kwam in de dagen Paulus en Timoteüs kennelijk veelvuldig voor. Het is het soort voorgangers dat ook wij kunnen tegenkomen en waarvoor we gewaarschuwd worden. Niet de mooie verhalen die voorgangers kunnen vertellen maken hen dienaren van het Goddelijke Woord. Wel daden zoals hun zoeken samen met de gemeente gestalte te geven aan het Koninkrijk van God, de vruchten van hun werk waardoor er zorg voor de armen ontstaat, aandacht voor de minsten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Die leer van het vormen van een gemeenschap waar het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf de maat en de norm is opdat het zich verspreid over de hele aarde kenmerkt zich door het gedrag in de samenleving, de liefde voor de minsten en de volharding er van ook in tijden dat het ingaat tegen de heersende maatschappelijke mode. Daar mogen we dus op deze herfstdag ook op letten als we weer voorgangers horen vertellen over hoe goed God kan zijn. Zijn zij en is hun gemeente ook op weg het goede te doen en niet dan het goede? En kunnen wij ons daarbij aansluiten? Hoe sterker die beweging wordt hoe meer de lof van God gezongen kan worden. Laten we dus beginnen die Weg te gaan vandaag.

 

Heilloos en hol gezwets

2 Timoteüs 2:14-26

14 Blijf dit de gelovigen voorhouden en roep hen ten overstaan van God dringend op om niet te redetwisten. Dat heeft geen enkel nut en leidt er alleen maar toe dat de toehoorders ten onder gaan. 15 Span je in om voor God te staan als iemand die betrouwbaar is. Zorg dat je je niet voor je werk hoeft te schamen en verkondig regelrecht de waarheid. 16 Luister niet naar heilloos en hol gezwets, want dat voert steeds verder van God weg. 17 Wat dwaalleraren vertellen woekert voort als een gezwel. Ook Hymeneüs en Filetus 18 zijn van de waarheid afgedwaald door te beweren dat de opstanding al heeft plaatsgevonden. Daarmee ondermijnen ze het geloof van anderen. 19 Maar het fundament dat God gelegd heeft, ligt onwrikbaar vast en draagt het opschrift: ‘De Heer weet wie Hem toebehoren’ en ‘Laat ieder die de naam van de Heer noemt, onrecht uit de weg gaan’. 20 In een groot huis zijn er niet alleen voorwerpen van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk. De eerste zijn voor bijzondere gelegenheden, de laatste voor dagelijks gebruik. 21 Als iemand zich van alle kwaad gereinigd heeft, wordt hij een bijzonder en geheiligd voorwerp, dat zijn eigenaar vele diensten kan bewijzen en geschikt is voor elk goed doel. 22 Mijd de begeerten van de jeugd, streef naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer met een zuiver hart aanroepen. 23 Verwerp dwaze en onzinnige speculaties; je weet dat ze tot ruzie leiden. 24 Een dienaar van de Heer moet geen ruzie maken, maar voor iedereen vriendelijk zijn; hij moet een goede leraar zijn en een verdraagzaam mens, 25 en zijn tegenstanders zachtmoedig terechtwijzen. Dan brengt de Heer hen misschien tot inkeer, zodat zij de waarheid leren kennen 26 en ontsnappen uit de valstrik van de duivel, die hen levend heeft gevangen en hen dwingt zijn wil te doen. (NBV21)

Van begin af aan zijn er mooipraters geweest in het Christendom. Mensen die vertelden dat we de hemel al in ons bezit hadden. De opstanding van de rechtvaardigen, waar veel christenen en Joden in geloofden, was volgens hen al gekomen, geestelijk. Wat de gevolgen waren laat zich raden. Paulus laat er in veel brieven geen misverstand over bestaan. Er zijn voortdurend voorgangers die de gemeente voorhouden dat zij zich aan geen enkele wet meer hoeven te houden want ze zijn immers al verlost, ze zijn immers al opgestaan uit de dood net als Christus was opgestaan uit de dood. Nu heeft het geen zin twistgesprekken aan te gaan met dit soort voorgangers, het leidt maar tot ruzie en ze zijn meesters in het woordenspel, de woorden zo draaien en uitleggen dat het lijkt of ze altijd gelijk hebben. De waarheid komt altijd vanzelf boven. In de gemeente van Jezus van Nazareth, de gemeente zoals Paulus ze gesticht heeft, is de een niet meer dan de ander en ben je samen broeders en zusters in de Heer. Wie beweert al opgestaan te zijn of wie beweert meer te mogen dan een ander op grond van zijn of haar geloof valt dus door de mand, die kan niet de waarheid spreken.

Maar hoe zit het dan met die vergelijking van zilveren voorwerpen en houten voorwerpen. Als je goed leest zegt Paulus dat die voorwerpen in de gemeente van Jezus van Nazareth evenveel waarde hebben. De waarde in geld is niet de vraag maar of ze geheiligd zijn, of ze in dienst staan van de boodschap van Jezus van Nazareth. Als dat zo is dan is elk voorwerp in staat vele diensten te verlenen. Iedereen heeft dus de mogelijkheid van de naaste houden als van zichzelf en pas als iemand dat doet dan kun je zien wat de waarheid is. Mensen die streven naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede horen er bij. En denk er om dit is niet een willekeurig rijtje waar je uit kunt kiezen, ze horen bij elkaar en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Paulus adviseert zijn knecht Timoteüs hier de begeerten van de jeugd te mijden. Nu weten we uit het boek Handelingen dat Timoteüs al op jonge leeftijd met Paulus mee ging om hem te helpen en om als zijn gezant en postbode op te treden. Paulus maakt hier dus kennelijk een grapje met een serieuze ondertoon.

Want zoals vele jongeren zal ook Timoteüs wel eens de eerste viool hebben willen spelen door gemeenten te vertellen waar het op staat. Al dat geruzie, al die valse predikers die met de mooiste verhalen over kristallen hemelen die je kapot moest geloven om de brandende vlam van God in jezelf te bevrijden en zich te laten verenigen met de enige God. Het leidt maar af van de zwakken in de samenleving, de hongerigen, de bedelaars in de straat, de kinderen zonder ouders en verzorgers. Maar Timoteüs moet leren zijn woede te temperen en de gemeente mee te nemen naar het leven als volgelingen van Jezus van Nazareth door ze het voor te leven en ze te vertellen van al die mensen die langs de weg zittend ineens de aandacht kregen van Jezus van Nazareth zelf en konden opstaan en lopen of zien of horen. Daar moet de gemeente zich mee bezig houden, daar moeten wij ons dus mee bezig willen houden, ook vandaag weer.

 

Zoek rust

Psalm 62

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Jedutun. Een psalm van David. 2 Alleen bij God vindt mijn ziel haar rust, van Hem komt mijn redding. 3 Hij alleen is mijn rots en mijn redding, mijn burcht, nooit zal ik wankelen. 4 Hoe lang nog vallen jullie aan op één man en bedreigen jullie hem met de dood? Hij is als een muur die omvalt, als een wal die op instorten staat. 5 Zij willen hem van zijn hoogte storten, de leugen is hun lust en hun leven, een zegenwens ligt op hun lippen, maar in hun hart verbergt zich een vloek. sela 6 Zoek rust, mijn ziel, bij God alleen, van Hem blijf ik alles verwachten. 7 Hij alleen is mijn rots en mijn redding, mijn burcht, ik zal niet wankelen. 8 Bij God is mijn redding en mijn eer, mijn machtige rots, mijn schuilplaats is God. 9 Vertrouw op Hem, mijn volk, te allen tijde, stort uw hart uit bij Hem, God is onze schuilplaats. sela 10 Niets dan lucht zijn de kinderen van Adam, niets dan een leugen de mensenkinderen, in de weegschaal gaan zij omhoog, samen zijn zij lichter dan lucht. 11 Vertrouw niet op geweld, op iets vluchtigs als geroofd bezit, ook al groeien geld en goed, houd je hart ervan vrij. 12 Eenmaal heeft God gesproken, tweemaal heb ik het gehoord: ‘De macht is aan God.’ 13 U, Heer, bent liefdevol, U beloont ieder mens naar zijn daden. (NBV21)

Vandaag zingen we Psalm 62. En die psalm moet je samen zingen. Dat staat er tenminste boven. Wij zien dat niet direct maar dat komt omdat we verder nooit van die Jedutun hebben gehoord. Dat was een Leviet, één van de vele dienaars in de Tempel en in Israël. Want de Levieten woonden door heel Israël verspreid. Ze hadden geen land en leefden van de offergaven van de Israëlieten. Een offer in Israël was immers een maaltijd voor je familie, je slaven en dienstknechten, de vreemdelingen in je midden en voor de Levieten en Priesters. Ze spraken vaak recht, legden de Wet van Liefde uit en vervulden allerlei taken in de Heilige Tent en later bij de Tempel in Jeruzalem. Eén van de taken was het zingen van de Psalmen. Dat kun je soms alleen doen, of met het volk, of met een koor. Jedutun was ooit waarschijnlijk een componist die een drietal psalmen op muziek heeft gezet.

Zijn nakomelingen, het geslacht van Jedutun, werden beroemde koorzangers. En als je wil leren om samen te zingen, echt samen, dan moet je lid worden van een koor. Toen de kerken leegliepen was er even de angst dat de koren zouden verdwijnen maar niets is minder waar. Popkoren, smartlappenkoren, klassieke koren, ouderen koren, jongerenkoren, gospelkoren, kinderkoren, Nederland heeft nog steeds een rijke koorcultuur. En daar past deze psalm wonderwel in. Mensen willen er maar op los slaan zegt de Psalm, maar het koor zingt dat je rust moet zoeken en bij God alleen moet zijn, alleen de Liefde kan dus wat betekenen, de Liefde is als een rots, een burcht waardoor je overeind blijft. Er maar op los slaan is maar niks, lucht en leegte, een leugen is het dat geweld zou kunnen helpen. Ook bezit van geld en goed, laat ze je niet beheersen zingt de Psalm, de macht is aan God, niet geld en goed maar Liefde bestuurt de aarde als het goed is.

En als je nu toch de fout bent ingegaan? Als je niet bereid bent geweest om te delen en de arme aan de kant van de weg hebt laten liggen? Als je toch mee bent gaan werken aan geweld, ook aan economisch geweld? Dan mag je van deze God van Liefde altijd omkeren, elk moment opnieuw beginnen. Dat is het wonder van het geloof in de God van Liefde. Altijd opnieuw kun je je bewust maken van je fouten, van de verkeerde weg die je bent ingeslagen, en altijd opnieuw mag je opnieuw beginnen. De Psalm noemt dat ontferming en als je het goede wilt en niets dan het goede dan zul je uiteindelijk beoordeeld worden naar het goede dat je gedaan hebt. Van de doden niets dan goeds, maar ook van de levenden als ze zich mengen in het koor dat het lied van Liefde en rechtvaardigheid zingt, dag en nacht.

 

Die weduwe recht verschaffen

Lucas 18:1-8

1 Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven: 2 ‘Er was eens een rechter in een stad die voor God geen ontzag had en zich van de mensen niets aantrok. 3 Er woonde ook een weduwe in die stad, die steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: “Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander.” 4 Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei hij bij zichzelf: Ook al heb ik voor God geen ontzag en trek ik me van de mensen niets aan, 5 toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.’ 6 Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het recht. 7 Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen? Hij hoort hen immers geduldig aan. 8 Ik zeg jullie dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?’ (NBV21)

Het komt nog steeds voor dat recht verkregen wordt door mensen die vasthoudend om het recht blijven vragen omdat de instanties die recht moeten verschaffen liever blij zijn er af te zijn. Tegenwoordig worden mensen daarbij geholpen door TV programma’s als Radar, Kassa en Ook dat nog, want bedrijven willen nu eenmaal niet geportretteerd worden als bedrijven die mensen geen recht doen. Mensen worden tegenwoordig ook tegengewerkt door een overheid die de kosten voor toegang tot de rechtspraak zo hoog maakt dat de armen in ons land er nauwelijks of geen gebruik van kunnen maken. Recht doen aan individuele mensen in onze samenleving is sinds de tweede helft van de vorige eeuw een item dat steeds weer om aandacht vraagt. Na de sociale rechtshulp, die inmiddels weer is weg bezuinigd, hebben we ook de Nationale Ombudsman gekregen die er voor kan zorgen dat ook de overheid haar onderdanen recht doet. Helaas wordt er vaak ook niet naar de Ombudsman geluisterd.

Rechtvaardig mensen behandelen is in onze samenleving de norm, we hechten er veel waarde aan. Waarom zou het dan zo weinig gebeuren? In de eerste plaats omdat veel mensen niet om hun recht vragen. Dat is op zich jammer want vaak is het zo dat als aan één persoon recht is gedaan aan velen recht kan worden verschaft. Maar ook heeft het te maken met macht. TV programma’s en een Nationale Ombudsman zijn nodig omdat machthebbers en rijken misbruik maken van hun positie als het gaat om recht te verschaffen aan kleine mensen. Jezus van Nazareth raad aan om te blijven vragen om recht. Bidden is voor hem kennelijk ook zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, want als hem gevraagd wordt wat het effect is van bidden komt hij met het verhaal over de weduwe die maar niet ophoudt. Aan het eind is er echter de vraag of er nog mensen zijn die voldoende vertrouwen hebben in het feit dat ook echt aan mensen recht kan worden gedaan. Zoals de profeten het hadden uitgedrukt die “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”

Dat is een vraag die aan ons wordt gesteld. Helpen wij mensen als hen onrecht wordt aangedaan of wanneer aan hen geen recht wordt gedaan? Hebben wij oog voor de bedrijven, overheden en instanties in onze eigen buurt, waar we misschien zelfs zelf werken, die mensen onvoldoende recht doen? Staan we naast mensen die geen recht worden gedaan? Hongeren en dorsten we inderdaad onophoudelijk naar gerechtigheid? In de woorden van Jezus van Nazareth: geloven we wel? Bidden we wel? Smeken we de overheid die de weduwe afwijst om haar te helpen in het vertrouwen dat onze politici zich laten vermurwen en de armen zullen helpen als we het ze maar onophoudelijk vragen. Kloppen we op de muren van de regering met de vraag nu eindelijk de onrechtvaardige tolmuren te slopen in het vertrouwen dat wij net zo hard moeten roepen als onze broeders en zusters uit de armste landen in de wereld? Zijn we vandaag net als de weduwe uit het verhaal? Of horen we liever bij de goddelozen van wie geen recht te verwachten is?

Waar een lijk is

Lucas 17:20-37

20 Toen de farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, 21 en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’ 22 Tegen de leerlingen zei Hij: ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen een van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die dag niet meemaken. 23 Dan zullen de mensen tegen jullie zeggen: “Kijk daar!” of: “Kijk hier!” Maar doe dat niet en schenk er geen aandacht aan. 24 Want zoals de bliksem licht geeft wanneer hij van de ene naar de andere kant van de hemel flitst, zo zal de Mensenzoon verschijnen. 25 Maar eerst moet Hij veel lijden en door deze generatie verworpen worden. 26 En zoals het eraantoe ging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: 27 ze aten, ze dronken, ze trouwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. 28 Of zoals het eraantoe ging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; 29 maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. 30 Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard. 31 Wie op die dag op het dak van zijn huis is moet niet beneden nog zijn bezittingen gaan halen, en wie op het land is moet niet naar huis terugkeren. 32 Denk aan de vrouw van Lot! 33 Wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden. 34 Ik zeg jullie, die nacht zullen er twee in één bed liggen: de een zal worden meegenomen, de ander achtergelaten. 35 Twee vrouwen zullen samen aan het malen zijn: de een zal worden meegenomen, de ander achtergelaten.’ 36 37 Ze vroegen Hem: ‘Waar, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Waar een lijk is, daar verzamelen zich de gieren.’ (NBV21)

Op het moment dat het over vreemdelingen gaat zijn mensen geneigd grenzen te gaan trekken. Daarom begint dit stuk met de vraag naar het Koninkrijk van God. En voor grenzentrekkers komen er dan verwarrende antwoorden. Je kunt dat Koninkrijk niet zien, je kunt het niet aanwijzen, als je er niet aan meedoet kun je beter niet willen dat het komt, als je er wel aan meedoet kan het niet vlug genoeg komen, en, wat nog het meest zal verbazen is, dat het vlakbij is, onder handbereik, zomaar voor het grijpen. Maar de leerlingen van Jezus zullen de dag zelfs niet meemaken dat het komt. Voor hen was de dag van de Mensenzoon immers al begonnen met het volgen van Jezus. In de Kerken en onder de geleerden is heel lang gestreden over hoe het nu zit met de komst van dat Koninkrijk, de komst van de Mensenzoon en het oordeel over goed en kwaad dat mensen te wachten zou staan.  Nu zijn wetenschappers echte grenzentrekkers en voor grenzentrekkers was dit hoofdstuk heel verwarrend.

Voor de volgelingen van Jezus van Nazareth zal het heel wat minder verwarrend geweest zijn. Zij kenden immers ook het verhaal dat dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat in de wereld kennen, koninkrijken met grenzen en grensbewaking, waar koningen gaan en komen, waar staatsgrepen zijn en legers en waar machtigen elkaar bevechten om de macht. In het Koninkrijk van Jezus van Nazareth mag iedereen meedoen, met dat meedoen kun je zelfs elke dag al beginnen. Als de mensen de sporen van dat Koninkrijk herkennen dan weet je dat het er nog niet echt is. Niets is immers volmaakt en we kunnen altijd beter. Maar als er voor de armen wordt gezorgd, als hongerigen worden gevoed, als naakten worden gekleed, als er voor gevangenen wordt gezorgd, als vreemdelingen gastvrij worden ontvangen, dan weten we dat er aan de ene wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, de enige wet van dat bijzondere Koninkrijk, al vast wordt gedaan.Daarom kunnen we er ook niet op wachten. Dat zou mooi zijn, als we ouder worden gaan we wel goed doen, als het zomer is gaan we wel goed doen, of juist als het winter is. Misschien ben je morgen wel dood.

We hebben het boek Prediker gelezen die daar steeds maar weer voor waarschuwt. Je rijkdom, je aanzien, je macht kun je niet meenemen. Als de donkere dagen komen kan alleen een bondgenootschap je redden en dat bondgenootschap kun je maken door te delen met wat je nu hebt. Daarom wijst Jezus van Nazareth op het lijden dat hij moet doormaken. Pas als wij het lijden zien, en het lijden van de minsten onder ons is ook zijn lijden, dan pas komen wij in beweging, dan pas worden wij geroerd en zijn we bereid de handen uit de mouwen te steken en dat Koninkrijk te grijpen. Let maar op als de gruwelbeelden uit de Oekraïne op de TV komen, dan komt de beweging voor de armen daar pas goed op gang. Beter is het natuurlijk elke dag de ogen open te houden. ook in je eigen nabijheid. En ga nu niet op de stoel van God zitten uitmaken wie opgenomen wordt en wie niet. Het is genoeg te weten dat je misschien wel gelijk hebt maar het niet altijd krijgt. Energie besteden aan tegenstellingen heeft geen zin, besteed het maar voor de minsten.

Alleen deze vreemdeling

Lucas 17:11-19

11 Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. 12 Toen Hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen Hem tien mensen tegemoet die door een huidziekte onrein waren; ze bleven op een afstand staan. 13 Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’ 14 Toen Hij hen zag, zei Hij tegen hen: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’ Terwijl ze gingen werden ze gereinigd. 15 Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide stem. 16 Hij viel neer aan Jezus’ voeten om Hem te danken. Het was een Samaritaan. 17 Toen zei Jezus: ‘Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? 18 Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?’ 19 Hij zei tegen de Samaritaan: ‘Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.’ (NBV21)

Je moet maar durven, laten Wilders, Baudet en mevrouw Zederius het maar niet horen, een vreemdeling behandelen als een landgenoot, net doen of die vreemdeling geen millimeter anders is dan de anderen. Dat zou volgens het Evangelie van Lucas de weg van Jezus van Nazareth zijn, de zogenaamde Joods Christelijke traditie waar met name Wilders de mond van vol had. Lees dit verhaal maar over die 10 mensen die onrein zijn door een huidziekte. Lang werd die huidvraat aangezien voor melaatsheid maar de laatste jaren wordt aan die vertaling toch wat getwijfeld. De Naardense Bijbel blijft overigens huidvraat wel vertalen met melaatsheid. Hoe het ook zij, het was een ziekte die al voorkwam in de boeken van Mozes. De zuster van Mozes kreeg de ziekte omdat ze kwaad sprak over Mozes, hert zou dan ook een ziekte van kwaadsprekerij zijn. In de Thora stond in elk geval dat mensen die genezen waren zich aan de Priester moesten laten zien. Die Priester kon ze dan weer hun plaats in de samenleving teruggeven. Die plaats waren ze kwijt geraakt zolang ze besmet waren met de huidvraat.

Maar een Samaritaan, dat was iemand van verdachte komaf, die werden niet tot de Joden gerekend, dat was een vreemdeling. En vreemdelingen hoefden zich helemaal niet aan de Priester te laten zien. Dat nu stelt Jezus van Nazareth ter discussie. Volgens de richtlijnen van Mozes hadden vreemdelingen immers ook hun rechtmatige plaats in de samenleving. Je moest ze zelfs uitnodigen bij de religieuze maaltijden die je op de feestdagen met je familie, de tempelbedienden en de armen moest houden. Waarom zouden die Priesters dan ook de vreemdelingen niet hun rechtmatige plaats in de samenleving kunnen teruggeven? Die Samaritanen hielde zich overigens ook aan de eerste vijf boeken van de Bijbel, Ooit had een profeet zelfs een vijandige krijgsheer die met die huidziekte was besmet de huidziekte van zich af laten wassen in de Jordaan en hem een nieuwe plaats in de samenleving gegeven. Dat afwassen leek toen al wel wat op de doop die ook Johannes de Doper bij de Jordaan gepredikt had. Een nieuw leven begon voor mensen die het op een andere manier wilden proberen.

En de mensen met die onreine huidziekte wilden zeker een ander leven dan dat als buitengeslotenen. Zijn wij in onze dagen nu anders dan de 9 die niet terugkeerden bij Jezus van Nazareth? Als je de kranten leest en de TV kijkt konden we daar wel eens heel sterk aan moeten twijfelen. Wij bekijken mensen van een andere komaf als de traditioneel Nederlandse toch ook als vreemdelingen, als mensen die buitengesloten zijn. Hoe vaak hoor je Nederlandse jongens met Marokkaanse ouders niet bestempelen als “vervelende Marokkaantjes” in plaats van als “lastige hangjongeren. Die “Marokkaantjes ”gaan zich dus als buiten geslotenen gedragen en houden zich aan geen enkele wet of regel meer. Waarom zouden ze ook, ze horen niet bij de Marokkaanse samenleving, daar weten ze de weg niet, maar ze mogen ook niet bij onze samenleving horen. Jezus van Nazareth wijst ons een andere weg, die traditie levert meer op. Gelukkig krijgen we elke dag opnieuw de kans zijn Weg te volgen, ook vandaag.

 

Eenvoudige knechten

Lucas 17:1-10

1 Tegen zijn leerlingen zei Hij: ‘Het is onvermijdelijk dat er valstrikken zijn, maar wee degene die ervoor verantwoordelijk is! 2 Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee werd geworpen dan dat hij ook maar een van deze geringe mensen ten val zou brengen. 3 Let dus goed op jezelf! Indien een van je broeders of zusters zondigt, spreek die dan ernstig toe; en als ze berouw hebben, vergeef hun. 4 En als ze zevenmaal op een dag tegen je zondigen en zevenmaal naar je terugkeren en zeggen: “Ik heb berouw,” dan moet je hun vergeven.’ 5 Toen zeiden de apostelen tegen de Heer: ‘Geef ons meer geloof!’ 6 De Heer zei: ‘Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in de zee!” en hij zou jullie gehoorzamen. 7 Als iemand van jullie een knecht heeft die ploegt of de kudden weidt, dan zal hij, wanneer die thuiskomt van het land, toch niet tegen hem zeggen: “Kom aanliggen en eet mee”? 8 Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak iets te eten voor me klaar, doe je gordel om en bedien me terwijl ik eet en drink, en daarna kun je zelf eten en drinken”? 9 Hij bedankt de knecht toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen? 10 Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar eenvoudige knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”’ (NBV21)

Een mens wil ook wel eens bedankt worden nietwaar, een schouderklopje zo af en toe maakt dat je blijft weten wat je waard bent. Maar zo langzamerhand nemen we die schouderklopjes en die beloningen zo voor vanzelfsprekend dat het ontbreken er van ons direct doet ophouden met werken. Stank voor dank heet het dan, je doet iets goeds maar je krijgt er niets voor terug. Het is niet de levenshouding die Jezus van Nazareth ons hier voor houdt. In de eerste plaats maken mensen voortdurend fouten. Daar moet je ze niet voortdurend op aanspreken, maar je moet ze de kans geven het de volgende keer foutloos te doen. Dat vraagt soms wel even meer dan zeggen dat je ze vergeeft. Soms moet je uitleggen wat er fout was en wat er anders zou kunnen maar dan moeten ze weer een nieuwe kans krijgen. Vergeven heet dat proces. Vergeven is dus niet van zand er over, voor vergeven zijn er twee nodig, een die de kans geeft en een die de kans te baat wil nemen.

Maar wat dan als er weer een fout wordt gemaakt? Dan moet je weer vergeven zegt Jezus van Nazareth, zeven maal als dat nodig is. En zeven is het heilige getal, dus niet vergeven van 1,2,3,4,5,6,7, maar net zo lang tot het volmaakt is, tot het goed gaat en de fouten niet meer gemaakt worden. Met eindeloos geduld dus. Je wilt immers zelf ook geen fouten maken? Je bent zelf immers ook blij als iemand je de kans geeft het weer goed te gaan doen als je een keer de fout ingegaan bent? Je hoop toch ook steeds weer de kans te krijgen het op de goede manier te doen? Daarom is het dat als je je naaste net zo liefhebt als jezelf je telkens opnieuw samen met de die ander er aan werkt de fouten te herstellen en in plaats van het verkeerde het goede te doen, tot het volmaakt is. Jezus van Nazareth wijst er op dat de beste houding die van de knecht is. Die klopt zich niet op de borst, verwacht geen andere beloning dan die welke is afgesproken, die hoeft niet iets extra te krijgen maar zal zeggen dat enkel en alleen de plicht is gedaan.

“We deden wat we moesten doen” horen we zelfs de helden uit de oorlogen van onze dagen zeggen, de gewonden uit Afghanistan, de in de steek gelaten soldaten uit Srebrenica. Net als de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog die Europa bevrijd hebben van wrede tirannie. Ze deden slechts wat nodig was voor mensen in nood. In die houding mogen we ons dag in dag uit oefenen. We kunnen niet de hele wereld op onze schouders nemen maar samen kunnen we veel. We kunnen aandacht blijven vragen voor kinderen in gevangenissen, voor vluchtelingen die hier door onze overheid worden bedreigd, voor de slachtoffers in Gaza, voor de armen in Afrika die slachtoffer worden van de onrechtvaardige handelsakkoorden, voor de slachtoffers van de oorlogen om de grondstoffen waarmee onze mobiele telefoons en tablets gemaakt worden. Elke dag opnieuw kunnen we daarmee beginnen, zodat er een andere wereld ontstaat, waar de dood niet meer heerst en onze schuld vergeven is. Ook vandaag mag dat weer.

 

Geen hindernis

Psalm 119:161-168

161 Machtigen vervolgen mij zonder reden, maar alleen voor uw woorden huivert mijn hart. 162 Ik schep vreugde in uw belofte, als de vinder van een rijke buit. 163 Ik haat, ik verafschuw de leugen, maar uw wet heb ik lief. 164 Ik zing U dagelijks zevenmaal lof om uw rechtvaardige voorschriften. 165 Groot is de vrede voor wie uw wet beminnen, zij vinden geen hindernis op hun weg. 166 Ik verwacht dat U mij redt, HEER, uw geboden zal ik volbrengen. 167 Ik houd mij aan uw richtlijnen, mijn ziel heeft ze innig lief. 168 Ik houd mij aan uw regels en richtlijnen, al mijn wegen zijn U bekend. (NBV21)

Als je het gedeelte uit Psalm 119 dat we vandaag lezen moet geloven dan ontmoeten gelovigen geen problemen meer in hun leven. Wie gelooft en al enige tijd heeft geleefd weet dat dat onzin is. Gelovigen worden net zo goed ziek, verliezen geliefden, krijgen ongelukken, worden werkloos, gaan scheiden, hebben kinderen die niet willen deugen, als ongelovigen. Geloof in God, in een betere wereld waar tranen gedroogd zijn, helpt op geen enkele wijze tegen rampen en tegenspoed in het leven. Waar zijn al die optimistische uitlatingen dan voor die in dit Bijbelgedeelte worden genoemd? “Groot is de vrede voor wie Uw wet beminnen, zij vinden geen hindernis op hun weg?” Voor het antwoord moet je naar het laatste zinnetje van dit Bijbelgedeelte “al mijn wegen zijn U bekend”. In Psalm 119 wordt het Woord van God voorgesteld als een lamp. Een zaklantaarn in je hand of een mijnwerkerslamp op je hoofd. Die lamp kan in het nachtelijk duister je weg verlichten en je behoeden voor struikelen en vallen.

Als je die lamp even verkeerd richt dat struikel je wel of stoot je je tegen iets waarop je je lamp niet had gericht. En de richtlijn van Heb-je-naaste-lief-als-jezelf die werkt als een dergelijke lamp. Die geeft licht op al de beslissingen die je moet nemen in je leven. Met die richtlijn zit je nooit mis, je let voortdurend op het effect dat jouw handelen heeft op anderen, vooral op de minsten. Je koopt geen kleren die in slavenarbeid zijn gemaakt en als je in een winkel staat waar dat niet wordt gegarandeerd vraag je er naar en probeer je de eigenaar van de winkel ervan te overtuigen dat hij het zijn klanten niet moet aandoen om kleren te laten dragen die wel in slavenarbeid zijn vervaardigd. Hij wil toch ook zelf geen slaaf zijn van zijn zucht naar winst en nog meer winst? Zo spreken wij vreemdelingen aan en maken ruimte voor hen om in onze samenleving samen met ons te leven en spreken wij hen aan die dat willen tegengaan, die als laffe angsthazen allen bedreigen die samen willen leven met mensen die anders geloven. Iedere keer als er in onze wereld mensen onrecht wordt gedaan staan we daar tegen op.

En zo kun je met de psalmist roepen dat je leugens haat, maar de richtlijnen van de God van Israël lief hebt. Zo kun je dagelijks zevenmaal de lof van God zingen om diens rechtvaardige voorschriften. En zeven is hier echt het getal van de volmaaktheid. Iedere keer dat je van de weg van de God afwijkt kom je er eigenlijk ook achter hoe goed die richtlijnen wel niet zijn. Als je kennis hebt gemaakt met de vreugde van de Tora, waar de Joden zelfs een eigen feest voor hebben, dan stoot je je geweldig aan jezelf als je vergeet die lamp op je weg te richten. Je stoot je er aan als je er achter komt dat een deel van je belastinggeld niet wordt gebruikt om te delen met arme boeren in landen waar honger heerst maar wordt gebruikt om rijke boeren in ons eigen Europa te beschermen en een bevoorrechte positie te geven op de wereldmarkt. Je ergert je aan jezelf omdat je onze eigen politici niet hebt gewezen op hun plicht een schild voor de armen te zijn en te delen van wat we samen hebben. Daarom geeft het volgen van de richtlijnen van de God van Israël vrede, want het afwijken van zijn weg brengt onvrede, onvrede met jezelf, onvrede met een wereld die nog steeds niet gehoorzaamd aan die Wet. Die onvrede weg te werken is ook vandaag weer onze taak, opdat we samen de lof van God kunnen zingen.

Groot is uw mededogen

Psalm 119:153-160

152 Van uw richtlijnen weet ik sinds lang: U hebt ze voor eeuwig vastgesteld. 153 Zie mijn ellende en red mij, uw wet vergeet ik niet. 154 Strijd voor mij en verlos mij, houd mij in leven zoals U hebt beloofd. 155 Redding blijft ver van de zondaars, want uw wetten zoeken ze niet. 156 Groot is uw mededogen, HEER, houd mij in leven, U bent rechtvaardig. 157 Met velen zijn mijn vervolgers en belagers, toch wijk ik van uw richtlijnen niet af. 158 Ik zie de afvalligen en weerzin vervult mij, want zij houden zich niet aan uw woord. 159 Zie hoe ik uw regels liefheb, HEER, laat mij leven, U bent trouw. 160 Uw woord is volkomen betrouwbaar, elk van uw voorschriften rechtvaardig en eeuwig. (NBV21)

We vervolgen het lezen in de grootste Psalm uit het boek van de Psalmen, Psalm 119. Elk couplet daarvan begint met een letter van het Hebreeuwse alfabet en we zijn aangekomen bij de R, de rees. De Psalm gaat over de richtlijnen die God heeft gegeven voor een menselijke samenleving  en hoe goed het is die na te leven, hoe goed het is je in beweging te laten zetten door die richtlijnen van de God van Israël. Nu kent een Wet, zoals hier eigenlijk ten onrechte wordt vertaald, een Wetgever en een Rechter. Een Rechter kent ook een aanklager en een verdediger. In dit gedeelte van de Psalm komen ze ook heel even kijken. Want voor de strijd waarover in het begin van dit gedeelte wordt gesproken wordt als beeld gebruikt een strijd voor de rechtbank. De Statenvertaling sprak van een twistzaak en andere vertalingen spreken van een rechtsgeding. Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord dat hier staat laat al die vertalingen toe. Het beeld is dat het hier gaat om een strijd voor de rechter over het wel of niet houden van de wet. En dan klinkt er iets hoopvols. Want die strenge rechtvaardige God is bereid niet alleen als je Rechter op te treden maar ook als je advocaat en daardoor is die Rechter niet alleen rechtvaardig maar ook genadig.

Tenminste als je door hebt dat je een Wet van houden van je naaste als van jezelf nooit uit je zelf en alleen kan houden. Daar is die God voortdurend bij nodig die in zijn Woord je altijd weer de richting aangeeft waarlangs je moet gaan om die menselijke samenleving te bereiken. Ook in dit stuk van de Psalm zit de beweging uitdrukkelijk genoemd. Het beeld van de Rechter die ook advocaat is en voor je wil optreden bevrijdt ons ook van de angst voor het Goddelijk oordeel. Die angst kan nogal wat gelovigen verlammen. Hoe kunnen we onze naaste liefhebben als onszelf als we onszelf niet kunnen liefhebben omdat we Gods wetten niet kunnen houden klinkt het dan. De moderne mens vindt dat maar onzin. We mogen toch best van onszelf houden en trots zijn op wat we kunnen? Natuurlijk mogen we dat. Maar als we alleen oog voor onszelf hebben dan gaat de wereld naar de knoppen. Dan verspillen we zoveel energie dat er voor onze kinderen niets overblijft. Dan letten we alleen op ons eigen genot en lijden onze broeders en zusters honger en sterven hun kinderen een hongerdood. Dan wordt gevangenen onrecht aangedaan en worden mensenrechten geschonden.

In een dergelijke wereld willen we niet wonen, daar willen we niet aan bijdragen. Daarom hebben we een andere inspiratie nodig. En die komt van diezelfde God, want die God heeft ons zo lief dat we niet anders kunnen dan onszelf lief te hebben in de liefde tot de minsten op aarde. Zolang we ons daarop richten en instrumenten willen zijn in de handen van de God die met de mensen is, zolang mogen we rekenen op zijn genade die ons bevrijdt van de angst voor het oordeel en ons vergeeft wat we verkeerd doen. De Tora, zoals de Psalm de richtlijnen van God in het Hebreeuws noemt, is veel meer dan een wet. Het zijn richtlijnen voor een weg die we steeds opnieuw mogen gaan, wegwijzers op onze levensweg. Elk moment weer dat we ons bewust worden van de ellende waarin anderen verkeren en opstaan tegen die ellende om mensen tot hun recht te laten komen begint God met ons opnieuw de uittocht uit een wereld vol dood naar het land van de levenden, het land waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Voor die tocht zijn de richtlijnen van God bedoeld, langs de Weg staan talloze richtingborden die ons de armen en de minsten aanwijzen. Voor die armen en de minsten wordt dat geding gevoerd, hen wordt onrecht aangedaan, onrecht dat recht gezet moet worden, ook vandaag weer.

 

Houd mij in leven

Psalm 119:145-152

145 Ik roep met heel mijn hart, geef antwoord, HEER, ik wil uw wetten volgen. 146 Ik roep U aan, red mij, en ik zal mij houden aan uw richtlijnen. 147 Nog voor het morgenlicht roep ik om hulp, in uw woord stel ik mijn hoop. 148 In de uren van de nacht houd ik mijn ogen geopend en overdenk ik uw woord. 149 Luister goedgunstig naar mijn stem, houd mij in leven, HEER, U bent rechtvaardig. 150 Mijn sluwe vervolgers zijn nabij, ver zijn ze afgeweken van uw wet. 151 U bent nabij, HEER, al uw geboden zijn betrouwbaar. 152 Van uw richtlijnen weet ik sinds lang: U hebt ze voor eeuwig vastgesteld. (NBV21)

De Nieuwe Bijbelvertaling heeft het in de vertaling van Psalm 119 herhaaldelijk over “richtlijnen” daar waar oudere vertalingen het over “inzettingen” hebben. Nu is “inzettingen” een term die we in het dagelijks leven niet meer gebruiken. Je zou “wetten” kunnen zeggen of “geboden” maar dit “richtlijnen” geeft de bedoeling eigenlijk veel beter weer. Want de geboden van God zijn geen geboden om bij stil te staan maar geboden die je in beweging zetten. Ze staan als ANWB wijzers langs de levensweg en laten zien en horen welke weg we moeten inslaan. De Statenvertaling vertaalt hier met “getuigenissen”. Voor ons is de betekenis in het verband van deze Psalm van dat woord helemaal verdwenen maar het kan ons op het spoor zetten van de betekenis van de Wet uit het Oude Testament als zodanig. Die Wet verstard een samenleving niet in onpersoonlijke rechtspraak en een wir war van jurisprudentie, integendeel.

Want die Wet vertelt ons hoe God de wereld uit chaos schiep tot mensenland. Die Wet legt getuigenis af van God als Schepper van hemel en aarde. Dat heeft dus in het geheel niks te maken met de natuurwetenschappelijke opvattingen over het ontstaan van de aarde maar alles met een aarde die leefbaar is voor mensen. Dat is een aarde waar maar één God is, dat is een aarde zonder religie, zonder godenbeelden die je gunstig moet stemmen, dat is een aarde zonder moorden, zonder diefstal, zonder overspel, zonder leugen, waar niemand zich hoeft te schamen voor afkomst of overtuiging, waar iedereen de ander het beste gunt en waar werken minder belangrijk is dan samen gemeenschap volgen en waarom daar tenminste één dag in de week het werk samen wordt neergelegd. Samengevat is dat een wereld waar mensen houden van elkaar als van zichzelf. Nu komt die wereld er niet vanzelf. Hoe zeer je ook in de komst van die wereld geloofd, als je om je heen kijkt zie je dat die wereld er nog steeds niet is. En als je bij jezelf nagaat hoeveel je tot nu toe hebt bijgedragen aan de komst van die wereld dan moet je tot de ontdekking komen dat het maar heel erg weinig is. Toch komt die wereld er en stapje voor stapje komt die wereld dichterbij.

Die belofte van de God van Israël, dat Evangelie, wordt verkondigd en mensen laten zich daardoor geïnspireerd op weg sturen, in beweging zetten. Niet alleen meer mensen in dat kleine achteraf hoekje van het Romeinse Rijk dat Palestina werd genoemd maar mensen over de hele bewoonde wereld. Maar overal waar mensen in beweging komen voor een wereld van vrede en gerechtigheid zijn er mensen die hen proberen tegen te houden. In onze samenleving wordt nu gesproken over het agressieve atheïsme dat mensen probeert tegen te houden te blijven geloven in die nieuwe wereld, gesteund door een partij van laffe angsthazen die de samenhang tussen mensen in onze samenleving probeert te ondermijnen. In andere landen zijn het de rijken die de gerechtigheid proberen tegen te houden, of de machtigen die hun militaire macht inzetten om mensen te onderdrukken. Hoe het ook zij, die tegenkrachten tegen de komst van het Koninkrijk van God moeten we benoemen en doorzien zegt de Psalm ons vandaag. Maar dag en nacht moeten we in beweging blijven zegt de Psalm ons ook, want vast en zeker, die nieuwe wereld komt.