Mijn burcht is God

Psalm 59:1-18

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen Saul opdracht had gegeven David thuis vast te houden en hem te doden. 2 Bevrijd mij van mijn vijanden, mijn God, bescherm mij tegen mijn belagers. 3 Bevrijd mij van wie onrecht doen, red mij van hen die bloed vergieten. 4 Zij hebben het op mijn leven voorzien en vallen mij aan met geweld. Niet om mijn misdaad, niet om mijn zonde, HEER, 5 ik ben onschuldig, maar zij dringen op en sluiten de rijen. Verhef u om mij te helpen, zie naar mij om, 6 HEER, God van de hemelse machten, God van Israël, ontwaak en straf alle volken, heb geen genade met verraad en onrecht. sela 7 Avond aan avond keren zij terug en zwerven rond in de stad, grommend als honden. 8 Hun mond loopt over van venijn, de woorden op hun lippen zijn zwaarden, zij denken: Wie hoort het? 9 U, HEER, zult om hen lachen, U drijft de spot met alle volken. 10 Mijn sterkte, aan U houd ik mij vast, ja, God is mijn burcht. 11 God, die trouw is, zal mij te hulp komen, God zal mij doen neerzien op wie mij aanvallen. 12 Dood hen nog niet-mijn volk mag niet vergeten-, laat hen ronddolen en sla hen dan neer, met uw kracht, Heer, ons schild. 13 Zonde is de taal uit hun mond, het woord van hun lippen. Laat hen stikken in hun trots, in hun vloeken en leugens. 14 Sla toe in uw toorn, sla vernietigend toe. Tot aan de einden der aarde zullen zij weten dat God over Jakob heerst. sela 15 Ze keren terug, avond aan avond, grommend als honden zwerven ze rond door de stad, 16 dolend op zoek naar voedsel, jankend als ze niet worden verzadigd. 17 Maar ik, ik zal uw sterkte roemen, in de morgen uw trouw bezingen: U bent voor mij altijd een burcht geweest, een toevlucht in tijden van nood. 18 Mijn sterkte, voor U wil ik zingen, mijn burcht is God, de God die mij trouw blijft. (NBV21)

Er zijn van die momenten in het leven dat het lijkt of de hele wereld tegen je is, alles is zwart, alles mislukt en tegenover iedereen moet je je te weer stellen. Kennelijk hebben de zangers van de Psalm die we vandaag met hen meezingen gedacht dat ook David er zo aan toen moet zijn geweest toen hij vluchtte voor Saul. Hij was getrouwd met de dochter van Saul maar hij was in de oorlogen tegen de Filistijnen zo populair geworden dat Saul hem als een concurrent en bedreiging was gaan zien. Saul had daarop soldaten naar het huis van David gestuurd om hem gevangen te nemen zodat David gedood zou kunnen worden. Maar de vrouw van David koos partij tegen haar vader. Ze liet David door een raam ontsnappen en maakte de soldaten wijs dat hij nog lag te slapen in een bed zodat ze tijd genoeg zouden hebben om David te vangen. David vluchtte naar de woestijn en had binnen de kortste keren een klein legertje van tegenstanders van Saul om zich heen verzameld.

De dichter van de Psalm die we vandaag lezen vertrouwt alleen nog op de God van Israël. Drie keer uit hij zijn klachten, zwart is de nacht voor hem, overal wordt hij belaagd, iedereen verspreid leugens over hem. Maar de God van Israël zal hem helpen, ja de God van Israël heeft hem al geholpen. De stellige overtuiging dat God al geholpen heeft zorgde in de loop van de eeuwen voor een hoop verwarring. Het lijkt er op dat alle gebeden altijd en overal verhoord zullen worden. En zo is het maar net niet. Natuurlijk trekt de God van Israël met je mee, maar die God lijdt ook mee. In deze Psalm komt de reis van de diepste ellende naar de redding door de allerhoogste wel drie keer voor. Het maakt duidelijk hoe ellendig de Psalmdichter zich voelt, maar het maakt ook duidelijk dat die ellende niet zo maar voorbij is. Je mag er op vertrouwen dat de God van Israël de goddelozen uiteindelijk op hun plaats zal zetten, hij spot met goddelozen, maar dat gaat niet op afroep of op commando van nietige mensenkinderen.

Het thema van deze Psalm is door Maarten Luther gebruikt toen hij gevangen zat tijdens de vlucht voor de Rooms Katholieke heersers van zijn tijd. Bijna niemand wilde hem opvangen en in het kasteel waar hij opgevangen was moest hij zich verborgen houden onder een schuilnaam om te voorkomen dat trouwe Rooms Katholieken aanslagen op hem zouden plegen. Bij hem leek niet alleen de hele wereld tegen hem, de hele wereld was aanvankelijk ook tegen Maarten Luther. Hij had immers het hart van de Rooms Katholieke Kerk aan de kaak gesteld: de enorme geldstroom die met het bedrog door de kerk gepaard ging. Alsof je bij de Rooms Katholieke Kerk tegen je geld de straf voor je zonden kwijtgescholden kon krijgen. De Rooms Katholieke Kerk heeft niet de macht zonden te vergeven, alleen God kan dat doen en het mooie is dat wij God kennen als een barmhartig en genadig God die de zonden van gelovigen hen niet aanrekent maar vergeeft. Daar hoeven we niet anders voor te doen dan te geloven dat die God onze burcht is. Als iedereen tegen ons lijkt mogen we gewoon volhouden onze naaste lief te hebben als onszelf, mogen we gewoon volhouden te hongeren en dorsten naar gerechtigheid, elke dag opnieuw, ook vandaag. Het is daarom dat een Kerkasiel meer dan een jaar kan duren en ook in het nieuwe jaar voort duurt, totdat aan kinderen recht wordt gedaan.

 

Ik heb gezondigd

Numeri 22:21-40

21 De volgende morgen maakte Bileam zich gereed, zadelde zijn ezelin en ging met de Moabitische leiders mee. 22 Maar nauwelijks was hij op weg, rijdend op zijn ezelin en vergezeld door twee van zijn dienaren, of God ontstak in woede. De engel van de HEER ging op de weg staan om Bileam tegen te houden. 23 De ezelin zag de engel van de HEER op de weg staan, met een getrokken zwaard in de hand, en ze ging opzij, van de weg af het veld in. Bileam sloeg de ezelin om haar weer naar de weg te drijven. 24 Hierop ging de engel van de HEER op een smalle weg tussen de wijngaarden staan. Aan weerszijden was een muur. 25 Toen de ezelin de engel van de HEER zag, drukte ze zich tegen de muur, zodat Bileams voet bekneld raakte. Weer sloeg hij haar. 26 De engel van de HEER ging opnieuw een stuk verderop staan, in een nauwe doorgang, waar geen ruimte was om naar links of rechts uit te wijken. 27Toen de ezelin de engel van de HEER zag ging ze liggen, met Bileam nog op haar rug. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok. 28 Toen opende de HEER de mond van de ezelin. Ze vroeg Bileam: ‘Wat heb ik u misdaan, dat u me nu al drie keer geslagen hebt?’ 29 ‘Je solt met me,’ zei Bileam. ‘Als ik een zwaard bij me had, dan had ik je allang gedood!’ 30 De ezelin vroeg Bileam: ‘Ben ik niet de ezelin waarop u al uw hele leven rijdt? Heb ik me soms eerder zo gedragen?’ ‘Nee, nooit,’ antwoordde hij. 31 Toen opende de HEER Bileam de ogen, zodat hij de engel van de HEER op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in de hand. Hij knielde en boog diep voorover. 32 De engel van de HEER vroeg hem: ‘Waarom heb je je ezelin nu al drie keer geslagen? Ik ben gekomen om je tegen te houden; doordat Ik hier sta is de weg afgesloten. 33 Driemaal zag je ezelin Mij, en driemaal is ze voor Me opzij gegaan. Had ze dat niet gedaan, dan had Ik jou gedood maar haar in leven gelaten.’ 34 Bileam zei tegen de engel van de HEER: ‘Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat U tegenover mij stond. Maar als wat ik doe slecht is in uw ogen, ga ik terug naar huis.’ 35 De engel van de HEER zei tegen Bileam: ‘Ga maar met die mannen mee. Maar je mag alleen zeggen wat Ik je opdraag.’ Dus ging Bileam met Balaks gezanten mee. 36 Toen Balak hoorde dat Bileam eraan kwam, ging hij hem tegemoet tot aan de Moabitische stad die helemaal aan de rand van het stroomgebied van de Arnon ligt. 37 ‘Ik had u toch dringend ontboden?’ zei Balak tegen Bileam. ‘Waarom bent u niet eerder gekomen? Dacht u soms dat ik niet in staat zou zijn om u te belonen?’ 38 ‘Ik ben er nu toch?’ antwoordde Bileam hem. ‘Maar of ik iets zal kunnen zeggen? Alleen wat God mij in de mond legt kan ik zeggen.’ 39 Bileam ging met Balak mee naar Kirjat-Chusot. 40 Balak offerde runderen, geiten en schapen en liet stukken daarvan naar Bileam brengen en naar de gezanten die hem vergezelden. (NBV21)

Een profeet die zo veel waarde hecht aan zijn eigen profetie verdient wat meer aandacht. Dat die profetie waardevol is wil Barak van Moab wel tot uitdrukking brengen. Hij stuurt daarom  niet zomaar een delegatie maar de vorsten van Moab en Midjan, leden van zijn hofhouding, zijn directe raadgevers. Bileam spraakt ze met de eretitel “knechten van Balak” aan. Balak heeft er alles voor over om zo’n machtige profeet een vervloeking over zijn vijanden te laten uitspreken. Opnieuw besluit Bileam er een nachtje over te slapen. Dat die Balak er alles voor over lijkt te hebben is toch ook wel wat waard. Ook in die nacht droomt Bileam over de God van Israël. Maar nu wordt niet het vierletterwoord gebruikt dat in het Hebreeuws nooit wordt uitgesproken maar vervangen wordt door HEER, bij ons vaak met hoofdletters geschreven, maar staat er gewoon de meervoudsvorm voor God. De eerste keer was er een absoluut nee op de vraag of Bileam naar Balak mocht, nu is er een voorwaardelijk ja. Alleen als Bileam beloofd datgene te zeggen dat de God van Israël hem ingeeft te zeggen.

Bileam is ook een Ziener, iemand die meer ziet dan de oppervlakte. Hij ziet ook de verborgen agenda’s, de machtsspelletjes die worden gespeeld. Hij ziet waar bepaalde ontwikkelingen op uit zullen lopen. Een ziener is dus geen voorspeller, maar spreekt de waarheid zoals die te zien is voor hen die de ogen niet sluiten voor machten en krachten die hun eigen belang dienen. Maar de grote Bileam ziet het toch niet allemaal zo duidelijk als het om de God van Israël gaat. Zelfs zijn ezelin ziet het duidelijker. Die ziet de boodschapper van de God van Israël die hen probeert tegen te houden. Bileam ziet alleen een koppige ezel. Het is jammer dat het woord boodschapper hier vertaald wordt met engel. Engelen bestaan niet, veel later in de geschiedenis van Israël zal het beeld van een engel als speciale boodschapper van God uit een andere godsdienst worden overgenomen. Er staat boodschapper en die kan van een koning komen of van God. Deze boodschapper heeft een tweesnijdend zwaard. Het was de ezelin die het Bileam moest laten zien. En sprak de ezelin? We zijn er niet bij geweest, maar soms vertelt een gebeurtenis zelf een verhaal. zo dichtte Guido Gazelle eens: “mij spreekt de blomme een tale” De koppigheid van de ezel is al een verhaal op zich.

Die boodschapper maakt Bileam nog eens duidelijk dat het geen zin heeft op weg te gaan om het volk Israël te vervloeken. Zelfs als iemand daar al zijn goud en zilver voor over heeft. De keus die de God van Israël maakt over de kant waarvoor hij er zal zijn staat vast. Israël is het volk van God. Bileam realiseert zich dit nu ten volle en hij weet dat vloek en zegen niet van hem afhangen maar van de keuze die door die God gemaakt wordt. Hij had al tegenover de deftige delegatie uit Moab over die God van Israël gesproken als “mijn God” Tegen een God die een volk uit de slavernij in Egypte had bevrijdt en de macht had gegeven de Amorieten te bestrijden kon zelfs een grote ziener niet op. De angst van Balak was terecht, het had ook geen zin die God op andere gedachten te brengen. Bileam wilde daarom bijna weer naar huis gaan. Maar de boodschapper wilde dat hij verder trok om juist die boodschap over de keus van die God over te brengen. Wij zien in onze dagen God graag als een God van liefde en benadrukken dat die God ons zijn vrede wil aanbieden. Maar als wij ten oorlog worden geroepen, zoals indertijd naar Irak, dan steunen we die oorlog maar wat graag. Zelfs als het aangaan van die oorlog achteraf op leugens gebaseerd blijkt te zijn. Daarom doen we er goed aan om eerst eens een nachtje te slapen als we ten strijde moeten trekken. Zeker nu we weten dat wie wapens zaait oorlog oogst. Wellicht is het beter naar de boodschap van de boodschappers van de God van Israël te luisteren.

 

Wat Ik je opdraag.

Numeri 22:2-20

2-4 Balak, de zoon van Sippor, die in die tijd koning van Moab was, hoorde wat Israël de Amorieten had aangedaan. De Moabieten waren buitengewoon bang voor het volk van Israël, omdat het zo talrijk was. Ze raakten in paniek en zeiden tegen de oudsten van Midjan: ‘Die horde vreet hier de hele streek nog kaal, als een rund dat een veld afgraast.’ 3 4 5 Balak stuurde gezanten naar Bileam, de zoon van Beor, die zich in Petor aan de Eufraat bevond, in zijn geboortestreek. Ze moesten hem ontbieden met deze woorden: ‘Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is neergestreken. Ze zijn hier vlakbij gelegerd. 6 Dat volk is te sterk voor mij. Kom daarom hierheen om het voor mij te vervloeken. Misschien kan ik het dan verslaan en het uit mijn land verjagen. Immers, wie door u wordt gezegend is gezegend, en wie door u wordt vervloekt is vervloekt.’ 7 De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen op weg. Ze hadden een beloning voor de waarzegger bij zich. Bij Bileam gekomen brachten ze hem Balaks woorden over. 8 ‘Blijf vannacht hier,’ zei hij, ‘dan zal ik u daarna antwoorden wat de HEER mij zal ingeven.’ Dus bleven de Moabitische leiders bij Bileam. 9 God verscheen aan Bileam en vroeg: ‘Wie zijn die mannen hier bij jou?’ 10 Bileam antwoordde God: ‘Die zijn naar mij toe gestuurd door koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, met deze boodschap: 11 “Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is neergestreken. Kom hierheen en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan aanvallen en verjagen.”’ 12 God zei tegen Bileam: ‘Ga niet met hen mee en vervloek dat volk niet, want het is gezegend.’ 13 De volgende morgen zei Bileam tegen Balaks gezanten: ‘Keer naar uw land terug. De HEER geeft mij geen toestemming om met u mee te gaan.’ 14 De Moabitische leiders vertrokken, en toen ze weer bij Balak terug waren, meldden ze hem dat Bileam geweigerd had met hen mee te komen. 15 Opnieuw stuurde Balak gezanten, meer dan de eerste keer en met groter aanzien. 16 Bij Bileam gekomen zeiden ze: ‘Dit zegt Balak, de zoon van Sippor: “Laat niets u ervan weerhouden naar mij toe te komen. 17 Ik zal u rijk belonen en ik zal alles doen wat u zegt. Kom toch en spreek een vloek over dat volk uit.”’ 18 Bileam antwoordde Balaks dienaren: ‘Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets maar dan ook niets kunnen doen dat ingaat tegen het bevel van de HEER, mijn God. 19 Maar blijft ook u een nacht hier, dan kan ik horen wat de HEER mij ditmaal zal zeggen.’ 20 ’s Nachts verscheen God aan Bileam en zei: ‘Als die mannen gekomen zijn om je te ontbieden, ga dan maar met hen mee. Maar je mag alleen doen wat Ik je opdraag.’ (NBV21)

Een heel oud methode, zoek een opinieleider of influencer die waarschuwt en mensen bang maakt als ze niet mee gaan in jouw beleid. De Moabieten en de Midjanieten gebruikten hem ook. Laat een betrouwbare opinieleider die in hoog aanzien bij het volk staat en laat die je tegenstander vervloeken. Als dat goed gebeurt gaat je eigen volk daarin geloven en misschien jaagt het zelfs je tegenstander angst aan. Het is een methode die ook vandaag de dag nog wordt gebruikt. Spreek over een Tsunami van onbekenden die ons land bedreigt en de meeste mensen zien ineens onbekenden die ze niet verstaan en voelen zich daardoor bedreigd. Allerlei maatregelen om de rechten van alle mensen in te perken krijgen ineens grote steun ook al wijzen de feiten uit dat van die Tsunami van onbekenden helemaal geen sprake is. Het volk Israël was onderweg naar het land dat God had beloofd. Dat volk was nog niet in het beloofde land, dat zou aan de andere kant van de Jordaan liggen. Maar de reactie van Moab op het talrijke volk dat zich daar aan de oever van de Jordan tegenover Jericho had gelegerd was dezelfde als de reactie die Egypte had getoond bij het begin van het verhaal. Angst voor het aantal.

In het Oude Testament komt het maar zelden voor dat de God van Israël in een droom aan een Heiden verschijnt. Die Bileam is ook al een vreemde waarzegger want die neemt de God van Israël serieus. In de dagen van Bileam hoorde een God bij de grond waarop een volk woondde. Zo’n God hoorde te zorgen voor de vruchtbaarheid van de grond en voor de bescherming van het volk dat hem diende. Die God van Israël trok mee met een volk. Van die God bestond ook geen beeld dat beschermd moest worden. Toch nam Bileam die God serieus. Dat volk met die bijzondere God moest je maar met rust laten was de boodschap in de droom. En voor ons rest de vraag waarom wij ons toch zo bang laten maken voor die zogenaamde Tsunami van onbekenden. Moab was een broedervolk van Israël. Die onbekenden die hier zo graag willen werken zijn onze broeders en zusters. Misschien wordt het anders als we een welkomsmaaltijd voor ze organiseren. De komende dagen zijn daarvoor een goede gelegenheid. Zet je deur, of de deur van je kerk maar vast open.

Dat die profetie van Bileam waardevol is wil Balak van Moab wel tot uitdrukking brengen. Hij stuurt daarom niet zomaar een delegatie maar de vorsten van Moab en Midjan, leden van zijn hofhouding, zijn directe raadgevers. Bileam spraakt ze met de eretitel “knechten van Balak” aan. Balak heeft er alles voor over om zo’n machtige profeet een vervloeking over zijn vijanden te laten uitspreken. Opnieuw besluit Bileam er een nachtje over te slapen. Dat die Balak er alles voor over lijkt te hebben is toch ook wel wat waard. Ook in die nacht droomt Bileam over de God van Israël. Maar nu wordt niet het vierletterwoord gebruikt dat in het Hebreeuws nooit wordt uitgesproken maar vervangen wordt door HEER, bij ons vaak met hoofdletters geschreven, maar staat er gewoon de meervoudsvorm voor God. De eerste keer was er een absoluut nee op de vraag of Bileam naar Balak mocht, nu is er een voorwaardelijk ja. Alleen als Bileam beloofd datgene te zeggen dat de God van Israël hem ingeeft te zeggen. Blijf dus luisteren naar God, wat er ook van je wordt gevraagd. angst hoort niet te regeren.

Blijf het herhalen

Psalm 124:1-8

1 Een pelgrimslied van David. Was de HEER niet voor ons geweest, -Israël, blijf het herhalen- 2 was de HEER niet voor ons geweest toen de mensen zich tegen ons keerden, 3 ze hadden ons levend verslonden, zo hevig was hun woede. 4 Dan had het water ons meegesleurd, de stroom ons overspoeld, 5 wij zouden zijn overspoeld door het ziedende water. 6 Geprezen zij de HEER, die ons niet ten prooi gaf aan hun tanden: 7 wij zijn als een vogel ontsnapt uit het net van de vogelvangers, het net is gescheurd en wij, wij zijn ontkomen. 8 Onze hulp is in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft. (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk mee de honderd en vierentwintigste psalm. In heel veel Protestantse kerken in Nederland klinkt het laatste vers van deze psalm als opening van de kerkdienst, “Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft”. Dat is een heel oude protestantse traditie en deze tekst wordt soms ervaren als een soort toverspreuk die van een bijeenkomst van mensen ineens een kerkdienst maakt. Zo is het natuurlijk niet, maar het is goed om, als je je met elkaar bezint op de betekenis van het verhaal van Israel en het verhaal van Jezus van Nazareth voor deze tijd, je te richten op het Algoede. Dat is wat de mensen zongen toen ze op weg gingen naar de Heilige Tent of de Tempel waar de Wet werd bewaard om de jaarlijkse maaltijd met familie, armen en vreemdelingen te houden.

Het volk Israël trok drie maal per jaar op naar het Heiligdom om daar de maaltijd te houden met de tempeldienaren, de familie, de armen en de vreemdelingen. Dat was tijdens de gerst oogst, als de bevrijding uit Egypte werd gevierd, dat was tijdens de tarweoogst, als de sluiting van het verbond tussen God en het volk in de Woestijn werd gevierd en dat was tijdens het Loofhuttenfeest in het najaar bij de oogst van fruit en noten, als je je moest herinneren dat God ook in de Woestijn voor voedsel had gezorgd. Wij kennen dit soort maaltijden alleen nog van de Moslims, die noemen dat Iftar maaltijden, of misschien dat ook het Avondmaal een oefening is in het delen met elkaar. Dat je gaat delen met armen en vreemdelingen wordt je overigens meestal niet in dank afgenomen.

Ook dat bezingt de psalm, dat als je niet op de weg van het Algoede zou zijn geweest dan hadden de mensen je levend verslonden. Het is alsof je de politici hoort die angst zaaien voor de Islam en elk contact met anders gelovigen veroordelen. Die angst voor vreemdelingen is echter onterecht. De kinderen van Abraham, hebben we gezien, zijn familie. En ook de Moslims stammen wat hun geloof betreft van Abraham af, het zijn de nakomelingen van Ismaël. Mocht je dus uitgenodigd worden voor een Iftar maaltijd ga dan op de uitnodiging in en geneer je niet zelf vreemdelingen aan tafel uit te nodigen. Dat maakt onze samenleving pas echt veilig. Een oud Nederlands spreekwoord zegt dat onbekend ook onbemind maakt. We moeten dus zorgen dat we ons niet onbekend laten bij onze medemensen, waar ze ook vandaan komen en wie ze ook zijn, maaltijden zijn volgens de Bijbel een goed instrument om gemeenschap te vormen, maar in Holland kennen we ook het kopje koffie en elke dag mogen we er aan werken, ook vandaag weer.

 

Ze zijn er niet meer

Matteüs 2:13-23

13 Nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer, die zei: ‘Maak je gereed en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’ 14 Jozef maakte zich gereed en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte, 15 waar hij bleef tot de dood van Herodes. Zo moest in vervulling gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.’ 16 Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. 17 Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 18 ‘Er klinkt een stem in Rama, geween en luid geklaag. Rachel beweent haar kinderen en wil niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ 19 Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer, 20 die zei: ‘Maak je gereed en ga met het kind en zijn moeder naar het land Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven.’ 21 Jozef maakte zich gereed en ging met het kind en zijn moeder naar Israël. 22 Maar hij durfde niet naar Judea te gaan toen hij hoorde dat Archelaüs daar zijn vader Herodes als koning was opgevolgd. Nadat hij in een droom een aanwijzing had gekregen week hij uit naar Galilea, 23 waar hij ging wonen in de stad Nazaret. Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeten: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’ (NBV21)

Met het opruimen van de kerstboom en bijbehorende kerstversiering smijten we alle kerstromantiek voor een heel jaar weer de deur uit. Als je dan na de kerst ook nog het verhaal van vandaag leest zoals dat door Matteüs wordt verteld zijn alle herdertjes bij nachte in het veld en door het luchtruim zwevende engeltjes samen met het goud, de wierook en de mirre helemaal verdwenen. Er blijft alleen nog een droomengel over die je zo af en toe kan waarschuwen voor het ergste gevaar. Want Matteüs schroomt niet voor gruwelverhalen. Stel je voor, alle jongetjes beneden de twee jaar die vermoord moeten worden. Herodes maakt met één klap van Bethlehem het Egypte uit de tijd toen de Farao bevel gaf pasgeboren jongetjes te doden en alleen Mozes dat overleefde. Jozef had het op tijd in de gaten en zo overleefde Jezus deze moord. Want een afschuwelijke wrede moord blijft het. In de geschiedenis is het een kanttekening. In het Romeinse Rijk zal het nauwelijks opgemerkt zijn. Een vazal van de Keizer stelt de macht van het Rijk veilig.

Zo zijn er in de geschiedenis miljoenen kinderen omgebracht. In de Tweede Wereldoorlog stierven er anderhalf miljoen Joodse kinderen in de gaskamers, daarnaast ook nog zigeunerkinderen. Tegenwoordig horen we over duizenden omgekomen kinderen in Gaza. Wat nu nieuwe koningen die worden geboren. Koningen worden door de Keizer aangewezen en als het goed gaat geboren in Paleizen, ook al regeren ze bij de gratie Gods. De machtigen moeten machtig blijven en als het nodig is beschermen ze hun positie met geweld. Het is vandaag in de wereld niet anders dan in de dagen van Herodes. Egypte staat in de symboliek van Israël voor het soort rijk van de dood waar het op deze manier toegaat. En daarom kon met recht gezegd worden dat Jezus uit Egypte naar Israël gekomen was. Dat terugkomen was overigens niet met veel tromgeroffel en fanfare. Om geen enkel risico te lopen vestigde Jozef zich met zijn gezin in Galilea, in Nazareth dus. Na de dood van Herodes de Grote was daar een andere baas als in Bethlehem.. Je weet maar nooit hoe ver de machtige arm van het paleis reikt en Galilea stond niet onder direct bestuur van Koning Archelaüs, een van de drie zonen van Herodes die na de dood van Herodes de Grote het land hadden verdeeld. Archelaüs zou worden afgezet omdat hij te wreed was voor de bevolking.

Dat Nazareth was zo klein en onbeduidend dat het nergens in de oude geschriften verder vermeld wordt. De naam wijst op de aanwezigheid van kreupelhout. Jozef duikt dus met zijn gezin onder in het kreupelhout. Dat Jezus een Nazoreeër genoemd zou worden is een merkwaardige uitspraak. Dat staat namelijk nergens in de boeken van de Profeten. Wel dat de Messias verachtelijk en nietswaardig genoemd zou worden. Dat hij dus opgroeide in het kreupelhout klopt dus wel met de voorspelling. Maar dat Jezus door een gelofte van zijn ouders apart gezet is en voorbestemd is zijn volk te bevrijden, zoals van Simson werd verteld, en wat “Nazoreeër” is volgens de geboden die in het boek Numeri worden beschreven, klopt hier niet in het verhaal. Maar dat namen in de Bijbel om hun klankverwantschap tot onverwachte verbindingen leiden komt vaker voor. Het verhaal gaat ook hier van dood naar leven. Van een gruwelijke moord die niet werd tegengehouden naar de komst van de Weg van Jezus van Nazareth. Een verhaal dat daardoor de Weg van Liefde, Recht en Vrede des te meer doet oplichten en een verhaal dat begint met een geboorte op een kale akker waar de schapen worden gevoed en een kind dat opgroeit in het struikgewas langs de weg..

De koning van de Joden

Matteüs 2:1-12

1 Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, tijdens de regering van koning Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2 Ze vroegen: ‘Waar is de koning van de Joden die onlangs geboren is? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem te aanbidden.’ 3 Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. 5 ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet: 6 “En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.”’ 7 Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, 8 en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het te aanbidden.’ 9 Nadat ze de koning hadden aangehoord gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. 10 Toen ze de ster zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. 11 Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich in aanbidding voor het kind neer. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het geschenken aan: goud en wierook en mirre. 12 En omdat ze in een droom de aanwijzing hadden gekregen dat ze niet naar Herodes terug moesten gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land. (NBV21)

We lezen vandaag nog een kerstverhaal. Per slot van rekening viert een groot deel van de Christenheid het kerstfeest gelijk met het feest dat wij Drie Koningen noemen. Dit kerstverhaal is het verhaal zoals Matteüs dat heeft opgeschreven. Toen Jezus was geboren in Bethlehem kwamen er  magiërs in Jeruzalem aan die de nieuwe Koning van de Joden zochten. In de Roomse Kerk spreekt met graag over drie Koningen, die heten dan ook nog Melchior, Caspar en Balthasar en zijn uiteindelijk begraven in de Dom van Keulen. Volgens de Protestantse geleerden, die het ook bij de vertaling gewonnen hebben, is het beter te spreken van “magiërs”, astrologen. De orde van deze magiërs werd al genoemd bij de profeet Daniël. Ze hadden een ster gezien waarvan de verschijning werd uitgelegd als een teken dat er een nieuwe koning in Israel was geboren.

Ze gingen dus naar het paleis van Herodes. Mensen die de geschiedenisboekjes hebben gelezen zullen zeggen dat Herodes in het jaar 0 al een paar jaar dood was. Dat klopt, later kwam er wel weer een andere Herodes maar in het jaar 0 was die er nog niet. In de middeleeuwen was er een monnik die het begin van de jaartelling wilde stellen op het geboortejaar van Jezus van Nazareth. Dat vergde wel wat rekenwerk en daar vergiste hij zich ook wat mee. Daarom neemt men tegenwoordig aan dat Jezus werd geboren in het jaar 6 voor het begin van de jaartelling. Wanneer precies is niet echt bekend en ook niet zo belangrijk. De magiërs waren inmiddels vergeten dat je voor een echte koning van Israel niet in een paleis moet zijn maar op de akker die de familie van de Koning bij de verdeling van het land onder Jozua had gekregen en elke 50 jaar weer terug zou moeten krijgen. Daar had ook ooit de profeet Micha op gewezen. Op die manier zouden de wetten van Israel, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, zorgen voor bevrijding van de armen.

Dat duidelijk maken was immers ook het doel van Matteüs. Toen de magiërs hun geschenken hadden gebracht in Bethlehem snapten ze wel dat ze niet bij die koning Herodes moesten zijn, dat er heel wat anders aan de hand was en ze gingen langs een andere weg terug. Kunnen we nu uit de sterren de toekomst voorspellen? Welnee, daar gaat het verhaal toch niet over. Dat verhaal gaat over de droom van Israël dat Koning David, het huis van David, de opvolger van David dus, door de hele wereld erkend zou worden als de echte heerser van Israël. Herodes was niet langer de echte koning van Israël, de echte koning was geboren in Bethlehem zoals de profeten hadden voorzegd. In de diepste duisternis van de Romeinse bezetting, die naar eigen willekeur koningen op de troon van Israël had gezet, komt het bericht dat de hoop die profeten in het bangst van de ballingschap hadden uitgesproken vervuld zou worden. De bevrijding van de armen is eindelijk aangebroken. Toen Jezus was geboren in Bethlehem, toen begon het en vandaag de dag mogen wij er aan mee gaan doen. Dat is pas kerstfeest vieren en dat kan elke dag opnieuw.

 

Een wijs beleid

Jeremia 23:1-8

1 Wee de herders die de schapen van mijn weiden in het verderf storten en verstrooien-spreekt de HEER. 2 Daarom-dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: Jullie hebben mijn schapen verstrooid en verdreven, en jullie zijn ze niet gaan zoeken. Daarom ga Ik jullie zoeken: Ik zal jullie straffen voor je kwalijke praktijken-spreekt de HEER. 3 Wat er nog van de schapen over is, zal Ik bijeenbrengen uit alle landen waarheen Ik ze verdreven heb. Ik breng ze terug naar hun weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen. 4 Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist-spreekt de HEER. 5 De dag zal komen-spreekt de HEER -dat Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. 6 Dan wordt Juda verlost en zal Israël veilig wonen. Zijn naam zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”. 7 Daarom, de dag zal komen-spreekt de HEER -dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” 8 maar: “Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen Hij hen verdreven had.” Dan zullen ze weer in hun eigen land wonen.’ (NBV21)

Op het eerste gezicht vraag je je misschien af wat we aan moeten met een lezing op eerste kerstdag over herders die de schapen in het verderf storten. We hadden het toch over herders die bij nachte lagen en trouw de wacht bij hunne kunne hielden? We praten deze dagen nog het liefst over herdertjes ook. Maar dan komt God kennelijk om tegen de herders te zeggen dat ze de schapen hebben verjaagd en laten verdwalen en maakt ze verwijten dat ze de schapen niet zijn gaan zoeken. Dat moet toch gemakkelijk te verdedigen zijn door die herders, ze hadden immers een engel gezien die ze naar de stal in Bethlehem had gestuurd om daar naar een kind in een kribbe te kijken? Wat dan nog straf. Maar het gaat in dit gedeelte uit het boek van de profeet Jeremia natuurlijk helemaal niet over de herders in het veld van Efrata. Dit is geen gedeelte over kerstmis. Maar over de hoop van arme mensen die met Kerstmis is beginnen uit te komen.

In de dagen van Jeremia had de politiek van de machthebbers er voor gezorgd dat het volk alle kanten op was verdeeld. Een groot deel was in ballingschap weggevoerd en een ander deel was gevlucht. Die machthebbers, die als herders over hun volk hadden moeten waken, werden daar dus voor gestraft. Maar de arme mensen die het slachtoffer van verkeerde politiek geworden waren bleven daar niet het slachtoffer van. Overal op de aarde zou de roep klinken om terug te keren naar het land dat God hen had gegeven, het land dat overvloeit van melk en honing. Daar zijn dan machthebbers, herders, aangesteld die vertrouwen op de God van Israël en hun politiek niet laten bepalen door de angst voor vreemde machten en omringende volken. Herders die letten op het volk en de zorg voor de rijken niet laten betalen door de armen. Herders die vreemdelingen weten te respecteren en te behandelen als hun eigen volk en niet de ene groep in de samenleving opzetten tegen de andere.

Dan komt er weer een koning net als David is geweest. David verenigde het volk en wist de vijanden af te houden. Die plaatste weer in het hart van het volk de Tent der Ontmoeting, de Tent waarin de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf werd bewaard. Dan komt de dag, dan zal het zijn, dat er weer recht en gerechtigheid in het land heersen. De vervulling van die droom is begonnen in Bethlehem geloven de Christenen. De Wet van de God van Israël dat alle mensen voor elkaar moeten zorgen is immers van daaruit over de hele aarde verspreid. Armen zou recht worden gedaan enze zouden niet meer bang hoeven te zijn voor uitbuiting en onrecht. Daarvoor moet nog veel gebeuren en als wij in het kind van Bethlehem de rechtmatige koning van de wereld willen zien dan moeten we ons gedragen als zijn onderdanen, gehoorzaam aan het woord dat we de weduwe en de wees recht moeten doen, de hongerigen moeten voeden, de dorstigen laven, de gevangenen bevrijden, de vreemdeling opnemen en leven in vrede. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

 

Vredevorst

Jesaja 8:23b–9:6

23 En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen.1 Zoals het land van Zebulon en Naftali in het verleden smadelijk bejegend is, zo wordt weldra eer bewezen aan de kuststreek, het land aan de overkant van de Jordaan en het domein van andere volken. Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen. 2 U hebt het volk weer groot gemaakt, diepe vreugde gaf U het, blijdschap als de vreugde bij de oogst, zij jubelen als bij het verdelen van de buit. 3 Het juk dat op hen drukte, de stok op hun schouder, de staf van de drijver, U hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds. 4 Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel die doordrenkt is van bloed, ze worden verbrand, ze vallen ten prooi aan het vuur. 5 Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; de heerschappij rust op zijn schouders. Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, Sterke God, Eeuwige vader, Vredevorst. 6 Groot is de heerschappij en zonder einde de vrede voor de troon van David en voor zijn koninkrijk; ze zijn gegrondvest op recht en gerechtigheid en staan vast voor altijd en eeuwig. De HEER van de hemelse machten brengt dit in zijn vurige liefde tot stand. (NBV21)

Aan de vooravond van Kerstmis zingen we met de profeet Jesaja een stuk van het lied van het licht mee. Een tekst die veel gelezen en gezongen wordt in de Kerstnacht, de donkerste nacht van het jaar waarin we vieren dat het licht is opgegaan onder de volken. Het lied sluit aan bij het vorige hoofdstuk uit het boek Jesaja waarin staat dat de mensen moedeloos en hongerig door het land zullen zwerven. Overal heerst verstikkende duisternis, donker en somber is het, nacht overal. En dan begint de profeet het lied te zingen over het volk dat in duisternis ronddoolt en een schitterend licht ziet. Die honger en die moedeloosheid zijn de gevolgen van onrecht en onderdrukking. Dat licht is het gevolg van liefde, liefde die het recht zal herstellen en de mensen weer moed zal geven. Diepe vreugde staat er, als bij de oogst.

Waarom? Omdat er een kind is geboren. In de duistere tijden van de kernbewapening en de koude oorlog hoorde je nog wel eens mensen zeggen dat ze geen kinderen wilden hebben omdat de toekomst te onzeker was en de gevaren in de wereld te groot. Dat wil je kinderen niet aandoen. Wie dan toch kinderen wil moet wel vertrouwen hebben in een goede toekomst. En er zijn altijd mensen die vertrouwen op hun liefde, op hun bereidheid alles voor elkaar over te hebben, die mensen willen ook kinderen. En juist die bereidheid alles voor elkaar over te hebben maakt dat de toekomst schitterend kan worden. Want als de tijden duister zijn dan geef je ook je kinderen de bereidheid om alles voor elkaar over te hebben door, dan zal dat van generatie op generatie doorgaan. Die kinderen zullen vrede stichten, die zullen rechtvaardigheid brengen, die zullen wonderbare raad geven in moeilijke conflicten, die zullen het beeld van God dragen zodat iedereen het beeld van God kan zien.

In Israël denken ze direct aan de Koning naar Gods hart, Koning David, die weigerde het zwaard op te nemen tegen zijn eigen volksgenoten. Die weigerde de Koning die hem vervolgde te doden. Die de Heilige Tent met de Wet van eerlijk delen weer een voorname plaats gaf in het hart van het land. Die, ondanks alle verkeerde dingen die hij deed, toch altijd weer opnieuw de Weg van de God van Israël insloeg. Op die manier gaan recht en gerechtigheid weer regeren. Dan komen er in onze dagen eerlijke handelsverhoudingen, dan wordt het onmetelijke verschil tussen arm en rijk opgeheven. Dan hoeven we niet meer gewaarschuwd te worden tegen teveel delen om de rijken te beschermen. Dan gaan we de weg van God, dan zien we het licht. Ook in de donkerste nacht van voedselcrisis, economische crisis en vluchtelingen crisis. Dan blijven gewortelde kinderen hier, waar ze thuis zijn.

Velen zullen struikelen

Jesaja 8:11-23a

11 Toen greep de HEER mij bij de hand en hield me voor dat ik niet de weg van dit volk moest gaan. Hij zei: 12 ‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt,
heb er geen ontzag voor. 13 Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats. 14 Hij zal een heiligdom zijn, maar ook de steen waaraan men zich stoot, de rots waarover de twee koningshuizen van Israël struikelen, de valstrik en het net waarin de inwoners van Jeruzalem verstrikt raken. 15 Velen zullen struikelen, ze komen ten val en worden vermorzeld, raken verstrikt en worden gevangen.’ 16 Ik zal mijn getuigenis zorgvuldig bewaren, dit onderricht in mijn leerlingen verzegelen. 17 Ik zal wachten op de HEER, hoewel Hij zich van het volk van Jakob heeft afgewend; ik heb mijn hoop op Hem gevestigd. 18 Ik ben, met de kinderen die de HEER mij heeft gegeven, een teken voor Israël, een zinnebeeld van de HEER van de hemelse machten, die op de Sion woont. 19 Wanneer men jullie vraagt om de geesten van doden te raadplegen en te luisteren naar het gefluister en gemompel van schimmen-elk volk raadpleegt toch zijn goden en vraagt de doden om raad voor de levenden? -, 20 ga dan alleen af op dit onderricht, op mijn getuigenis. Want de woorden van schimmen kunnen het kwaad niet bezweren. 21 Moedeloos en hongerig zullen de mensen door het land zwerven. Ze zullen honger lijden en in hun woede de koning en hun God vervloeken. Ze kijken omhoog 22 of staren naar de grond, maar overal heerst verstikkende duisternis; donker en somber is het, nacht overal. 23 En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen. (NBV21)

We hebben het vroeger allemaal wel eens gehoord: “al springt je hele klas in het water dan hoef jij dat toch niet te doen?” Ook al lijken anderen goede plannen te hebben je moet zelf blijven nadenken. Die verhalen in de Bijbel staan er niet voor niets. Jesaja kent ze en de mensen die als eersten zijn boek lazen kenden ze ook. Wij moeten soms nog even wat verder zoeken om de verbanden te leggen. In dit gedeelte schrijft Jesaja over het raadplegen van de doden en het luisteren naar mompelende waarzeggers. Voor Bijbelkenners is zo’n zin als een lampje, daar hebben we eerder over gehoord. Wanneer? Toen Koning Saul wilde weten wat de net gestorven Samuël vond van zijn plannen. Hij ging toen naar een waarzegster die de geest van Samuël op riep. Het betekende het einde van Saul en zijn zonen. Samuël had zijn hele leven gesproken namens de God van Israël en die God is niet willekeurig op te roepen. Als je zo met de God van Israël om gaat dan wacht je alleen maar ellende.

Spreekt Jesaja nu tegen een koning of tegen het volk? Jesaja was in gesprek met koning Achaz van Juda. Die was gevraagd om mee te doen met Syrië en het van Juda afgescheiden Israël om de wereldmacht Assyrië tegen te houden. Achaz was bang  dat het Assyrië op verkeerde gedachten zou brengen en had de uitnodiging om mee te vechten afgeslagen. Dat  had tot gevolg dat Syrië en Israël, met als hoofdsteden Damascus en Samaria, een oorlog begonnen met Juda, met als hoofdstad  Jeruzalem. Die hoofdstad werd belegerd en Achaz wilde nu een bondgenootschap sluiten met wereldmacht Assyrië. Daar was Jesaja tegen. Alleen de God van Israël was immers echt machtig in de wereld. Landjes die oorlog voeren om wereldmachten buiten de deur te houden, bondgenootschappen tussen grote en kleine landen maken allemaal geen indruk als je de macht van de God van Israël volgt. Die God maakt het de mensen soms ook nog lastig.

Die God heeft de mensen opdracht gegeven de vrede te bewaren, geen oorlog te voeren en zeker geen mensen te doden. Zo werkt het niet zullen vele mensen zeggen. Als de rechten van de mens worden geschonden, als onze broeders en zusters worden vermoord, dan moeten we toch ingrijpen? Hebben we alleen geweld als instrument om in de grijpen vraagt dan de God van Israël of heb ik jullie niet de Liefde gegeven als de sterkste kracht op aarde. Als die landen die nooit hebben geloofd in de kracht van de God van Israël gebruiken geweld en tegengeweld om hun doelen te bereiken. Als gevolg daarvan gaan er een heleboel mensen dood, zijn er overal grote stromen vluchtelingen die moedeloos en hongerig door het land zwerven en hun God van Liefde vervloeken omdat zij zich in de steek gelaten voelen door die God. Jesaja roept op het anders te gaan doen. Laten we de mensen eens laten zien hoe sterk de macht van Liefde is, hoe zwak de macht van angst en geweld. Juist in onze dagen klinken die verhalen uit de Bijbel niet zo maar. Ze roepen ook ons op de vrede te bewaren en vreemdelingen en vluchtelingen te behandelen of ze bij ons eigen volk horen.

 

Haastige roof, spoedige buit

Jesaja 8:1-10

1 De HEER zei tegen mij: ‘Neem een groot schrijftablet en noteer daarop in leesbaar schrift: haastige roof, spoedige buit.’ 2 Als betrouwbare getuigen koos ik de priester Uria en Zecharja, de zoon van Jeberechjahu. 3 Ik had gemeenschap met de profetes; zij werd zwanger en baarde een zoon. De HEER zei tegen mij: ‘Geef hem de naam Maher-Salal-Chas-Baz. 4 Want nog voordat de jongen vader en moeder kan zeggen, zullen de rijkdommen van Damascus en de schatten van Samaria door de koning van Assyrië worden buitgemaakt.’ 5 De HEER zei verder nog tegen mij: 6 ‘Omdat dit volk het kabbelende water van Siloach verwerpt en zijn geluk zoekt bij Resin en de zoon van Remaljahu, 7 zal de Heer de koning van Assyrië en zijn geweldige legermacht over hen uitstorten als de grote watermassa’s van de Eufraat: ze zullen zwellen en buiten hun oevers treden. 8 Ze zullen Juda binnendringen en het overspoelen, zodat het water ieder tot de lippen stijgt. Ze zullen je land over de volle breedte overvleugelen, Immanuel.’ 9 Roep op tot de strijd, volken, beef van angst. Luister, volken van de verste hoeken van de aarde. Gord je wapens aan en beef van angst, ja, gord je wapens aan en beef van angst. 10 Smeed een plan-het zal verijdeld worden; sluit een overeenkomst-het zal nergens toe leiden. Want God is met ons. (NBV21)

Er zijn van die stukken in de Bijbel waarbij je soms drie keer moet lezen voor je één keer snapt waar het over gaat. Bij dit stukje moeten we allereerst bedenken dat namen in de Bijbel heel vaak een bijzondere betekenis hebben. Jezus bijvoorbeeld betekent God bevrijdt en dat bevrijdende van Jezus wordt in de kerken gevierd. In dit stukje uit Jesaja gaat het net andersom. Hier wordt wel de betekenis genoemd maar niet een naam die wij als naam herkennen. In het Hebreeuws is dat overigens anders. De naam die aan het kind van profeet en profetes gegeven wordt is Haastige roof, spoedige buit. Er zitten nog wel negen maanden tussen het horen van de naam door Jesaja en de geboorte van het nieuwe kind. In het nieuwe testament gaat dat bijna net zo bij Zacharias die in de Tempel de opdracht krijgt zijn zoon Johannes te noemen maar die zoon wordt pas negen maanden later geboren. Jesaja zorgt overigens voor een tweetal getuigen die de boodschap mee onderschrijven.

Het is een boodschap van God. Dat leesbare schrift is een interpretatie van de vertaler. Dat maakt het lezen van de Bijbel er niet gemakkelijker op. In het Hebreeuws staat er iets als met de schrijfstift van een man. Het moet geschreven worden op een papyrusblad dat net zo groot en goed bewerkt is als gepolijst metaal. Niks geheimzinnig dus, niks moeilijk leesbaar, maar Israël, het buurland van Juda waar Jesaja woont, is een land geworden dat voor haar vijanden gemakkelijke buit is geworden. Je hoeft er niet veel tijd aan te besteden om dit landje leeg te roven, je wordt er snel rijk van. Damascus en Samaria zijn hier twee hoofdsteden van landjes die graag met Juda samen opgetrokken waren tegen de wereldmacht Assyrië maar die zich gedwongen hadden gevoeld Jeruzalem te belegeren toen Juda dat weigerde. Jesaja voorziet dat het aangaan van heidense bondgenootschappen je eerder verzwakt dan versterkt. Die landjes zullen dan ook opgeslokt worden door Assyrië.

Jeruzalem staat in de dagen van Jesaja bekend als een bijna onneembare vesting. Ooit had David een list gebruikt om de stad in handen te krijgen maar daarna was er nooit meer iemand geweest die er in geslaagd was de stad te onderwerpen. Water speelde bij het weerstaan van een belegering een belangrijke rol. Dat water kwam van Siloach, een bron die de hele stad bevoorraadde. Maar de koning van Juda vertrouwde liever op koningen als bondgenoten, Resin en de zoon van Remaljahu. Dat betekent dat Assyrië de vrijheid neemt om ook Juda te onderwerpen. Assyrië heeft immers het water van de Eufraat waardoor het land vruchtbaar blijft en de legers gemakkelijk gevoed kunnen worden. Ook al is God met je, de betekenis van Immanuël, vertrouwen op anderen dan de God van Israël helpt niet. Afzien van geweld, regeren met liefde dat zijn de wapens die helpen. Maar mensen zoeken altijd andere wapens, wapens die tot de dood van mensen leiden. Jesaja roept hier dus eigenlijk zijn volk op anders te gaan doen dan Heidense volken, vrede in plaats van geweld, liefde in plaats van haat, daar zouden we ook vandaag wat meer op moeten durven vertrouwen.