Alle voorschriften

2 Kronieken 8:12-18

12 Toen de tempel eenmaal voltooid was, bracht Salomo brandoffers op het altaar van de HEER dat hij tegenover de voorhal van de tempel had laten maken. 13 Daar bracht hij de offers die Mozes had voorgeschreven voor sabbat, nieuwemaan en de drie grote jaarlijkse feesten: het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. 14 Hij stelde het dienstrooster in werking dat zijn vader David had opgesteld voor de afdelingen van de priesters en voor de Levieten die tot taak hadden de lofzang ten gehore te brengen en de priesters bij de eredienst behulpzaam te zijn. Ook de poortwachters voor de verschillende poorten liet hij volgens wachtdienst aantreden, alles overeenkomstig de voorschriften van David, de godsman. 15 Alle voorschriften van de koning aangaande de priesters en de Levieten, ook wat betreft het beheer van de tempelschatten, werden stipt opgevolgd. 16 Zo werd het werk van koning Salomo volledig uitgevoerd, vanaf de dag van de grondvesting van de tempel van de HEER tot aan zijn uiteindelijke voltooiing. 17 Daarna ging Salomo naar Esjon-Geber en Elat, aan de kust van Edom. 18 Churam stuurde hem onder bevel van zijn gezagvoerders een vloot met een ervaren bemanning, die samen met de zeelieden van Salomo naar Ofir voer, van waar ze vierhonderdvijftig talent goud voor koning Salomo meebrachten. (NBV21)

Toen de Tempel klaar was nam het leven weer haar gewone gang. Dat is wat de schrijver van de Kronieken ons wil vertellen. Dat was belangrijk voor de teruggekeerde ballingen. Ze waren in een nieuw land terecht gekomen. Een land dat de meesten van hen nooit gekend hadden. Ze waren geboren en getogen in Babel. Daar hadden ze gehoord bij een godsdienstige minderheid. Zo af en toe was die minderheid ook vervolgd geweest. Dat ze daar niet bang voor hoefden te zijn hadden ze geleerd uit het verhaal over Esther. Maar wat was nu het gewone leven in het land waar ze een meerderheid hadden gevormd. Het land waar ze hun godsdienst weer vorm en aanzien hadden gegeven. De Priesters en levieten hadden hun eigen verhalen en geschriften mee terug genomen. Dienstroosters waren daarbij geweest die vertelden welke priesters wanneer tempeldienst hadden en welke levieten werden aangewezen om te helpen. Omdat die dienstroosters terug zouden gaan op de tijd van David kregen ze geldigheid. Ook Salomo had er immers na voltooiing van de Tempel gebruik van gemaakt.

David had ook wachters aangesteld bij de Tent die hij in Jeruzalem voor de Ark van het verbond had opgericht. Ook die voorschriften waren bewaard gebleven en door Salomo al gebruikt. Daar konden de teruggekeerde ballingen van profiteren. Zo kunnen ook wij natuurlijk profiteren van de verhalen die ons door de eeuwen heen bereikt hebben. Waar we best over van mening kunnen verschillen maar waarvan de kern steeds hetzelfde blijft. God heeft ons lief als wij God liefhebben. Een land opbouwen zullen we elke generatie weer opnieuw moeten doen. Ooit heeft de oorlog ons land bereikt, daarna kwam een periode van wederopbouw. Tijdens die wederopbouw heeft ook ons sociaal stelsel vorm gekregen. We bouwden dus niet alleen een land op waar door weinigen veel geld verdient kon worden maar waar ook plaats was voor ouderen, zieken en gehandicapten, mensen zonder werk, en voor vreemdelingen. Een land waar gezorgd werd voor iedereen die zorg nodig had. En als iemand ons vroeg waarom dan wezen we op de Bijbel die ons in beweging had gebracht voor een land gebouwd op liefde en zorg.

Salomo bracht offers in de Tempel staat er. Elke week weer en op de feestdagen van Israël. Offers worden in de Bijbel niet gebracht om God in leven te houden, maar om te laten zien dat je beseft dat wat je gekregen hebt, wat je verdiend hebt met werk en handel van God afkomstig is. Op de drie grote feesten die wij kennen als Pasen, Pinksteren en het Loofhuttenfeest moest men zelfs maaltijden houden met de familie, de meiden en de knechten, de slaven en slavinnen, de armen en de vreemdelingen. Ook Salomo volgde dus deze regels. Salomo was overigens rijk genoeg. Maar ook die rijkdom had een eindigheid. Al die bouwwerken, al die offers werden ook een last, een belasting. Die burgers van vreemde volken kun je wel voor niks laten werken maar ze moesten toch te eten hebben en ergens wonen. Churam, de koning die Salomo voortdurend had geholpen, wist waar het goud te vinden zou zijn. Israëlieten hadden het niet zo op varen op zee, dus stelde Churam een vloot beschikbaar die samen met Salomo het goud uit Ofir liet halen. Ook voor ons wacht dat goud. Als wij delen, als wij vrede weten te bewaren met iedereen op aarde, als we blijven hongeren naar gerechtigheid dan wordt de hele aarde van goud. Daar mogen we elke dag aan werken.

 

Wat hij maar wilde

2 Kronieken 8:1-11

1 Twintig jaar had Salomo besteed aan de bouw van de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 2 De steden die koning Churam hem gegeven had breidde hij uit, zodat daar Israëlieten konden wonen. 3 Hij trok op tegen Hamat-Soba en veroverde het. 4 Hij versterkte Tadmor, dat in de woestijn ligt, en de steden die hij in Hamat had laten bouwen om er voorraden op te slaan. 5 Van Hoog-Bet-Choron en Laag-Bet-Choron maakte hij vestingsteden met muren en vergrendelbare stadspoorten, 6 en hij versterkte ook Baälat en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 7-8 Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten hen niet hadden uitgeroeid. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 9 De Israëlieten zelf, die soldaten waren en bevelhebbers van de garde, de wagenmenners en de ruiterij, waren dus niet verplicht tot herendienst. 10 Tweehonderdvijftig van hen stelde Salomo aan als opzichters die de leiding over het werkvolk hadden. 11 De dochter van de farao liet hij van de Davidsburcht verhuizen naar de vertrekken die hij voor haar in het paleis had laten bouwen, ‘want,’ zei hij, ‘geen vrouw van mij zal in de burcht van koning David van Israël wonen. De plaatsen waar de ark van de HEER heeft gestaan zijn immers heilig.’ (NBV21)

Het gedeelte dat we vandaag uit de boeken Kronieken lezen is het begin van een verhaal over het tweede deel van de regering van Salomo. Eerder was ons al verteld dat Salomo veertig jaar heeft geregeerd, het aantal jaren dat God gegeven heeft om zijn doel te bereiken. De eerste twintig jaar heeft Salomo besteed aan de bouw van de Tempel in Jeruzalem. De volgende twintig jaar aan het regeren over zijn rijk. Wat dat rijk nu precies geweest is was de vraag. En het was zeker een vraag voor de ballingen die teruggekeerd waren uit de ballingschap in Babel. Het antwoord van de schrijver van de Kronieken was eenvoudig. Het rijk van Salomo was een groot rijk geweest, groter dan het rijk van Dan tot Berseba waar Israël ooit mee begonnen was. Zowel naar het noorden als naar het zuiden strekte het zich verder uit. Zelfs de Libanon werd tot het rijk van Salomo gerekend. Salomo was de koning van de bouw. De bouw van de Tempel stond natuurlijk voorop. Maar daar bleef het niet bij.

Salomo bouwde zijn rijk uit en in de steden die er vanouds waren en die de sporen van oorlogen droegen bouwde hij opnieuw. Natuurlijk hoefde hij niet zelf te bouwen. Daar waren mensen voor. Als je die mensen zou moeten betalen dan kon zelfs de rijke Salomo dat niet dragen. Maar er is een andere mogelijkheid. Die van de Herendiensten. Gratis arbeid dat je ten behoeve van de gemeenschap moet leveren. Een vijftal volkeren die hadden moeten worden uitgeroeid maar die toch in het land bleven wonen hielpen bij de herbouw en de renovatie. En dat tot op de dag van vandaag schrijft de Kronist. Dat was handig voor de teruggekeerde ballingen die het land weer aan het opbouwen waren. Op grond van de Bijbel kregen ze ineens een groot aantal hulparbeiders aangeboden. Die herendiensten zijn overigens niet vreemd. Zelfs onze gemeentewet kende een bepaling die burgers konden verplichten gratis arbeid te verrichten. Van de bouwers die onder Ezra en Nehemia Jeruzalem weer opbouwden en de Tempel weer herstelden staat geschreven dat ze de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand hadden.

Dat was onder Salomo wel anders. Iedereen die geroepen was om het land en het volk te beschermen was vrijgesteld van de Herendienst, hooguit werden ze opzichters. De godsdienst van Israël wilde het tegendeel zijn van de godsdienst van Egypte. In Egypte heerste de aanbidding van de dood. Met geweldige bouwwerken moest de dood ongedaan gemaakt worden. Israël had een godsdienst van het leven. Niet het leven voor iedereen afzonderlijk maar het leven voor het volk. Wat er ook zou gebeuren de God van Israël zou er voor zorgen dat het leven van het volk geen einde zou kennen. Salomo moest daarom afstand nemen van Egypte. Maar ja, hij was met een Egyptische prinses getrouwd. Voor haar werd dus een apart onderkomen gebouwd. Helemaal afstand nemen van de vrouwen van vreemde volken hoefden de ballingen dus ook niet echt, maar afstand houden en trouw blijven aan de godsdienst bleven voor op staan. En dat laatste geld ook voor ons. Angst voor vreemdelingen hoeven we niet te hebben, ze kunnen een belangrijk aandeel leveren aan onze samenleving, maar trouw aan onze godsdienst van delen en liefhebben moet voorop blijven staan.

 

Wat jezelf betreft

2 Kronieken 7:11-22

11 Toen Salomo het werk aan de tempel van de HEER en het koninklijk paleis voltooid had, en alles wat hij zich omtrent de bouw van de tempel en het paleis had voorgenomen geheel volgens plan was uitgevoerd, 12 verscheen de HEER hem in de nacht. Hij zei tegen hem: ‘Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze tempel aangewezen als de plaats waar men Mij offers mag brengen. 13 Wanneer Ik de hemel gesloten houd zodat er geen regen valt, of de sprinkhanen beveel het land kaal te vreten, of pest onder mijn volk laat uitbreken, 14 en wanneer dan mijn volk, het volk dat Mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend mijn aanwezigheid zoekt en breekt met zijn kwalijke praktijken, dan zal Ik luisteren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen. 15 Ja, Ik zal opmerkzaam zijn en luisteren naar de gebeden die vanaf deze plaats tot Mij worden gericht. 16 Ik wijs deze tempel aan en heilig die om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal Me ontgaan; Ik zal alles ter harte nemen. 17 En wat jezelf betreft, als je Mij toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat Ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, 18 zal Ik ervoor zorgen dat jouw koninklijke troon niet wankelt, zoals Ik met je vader David overeengekomen ben toen Ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen over Israël zou heersen. 19 Maar mochten jullie je van Mij afwenden en je afkeren van de bepalingen en geboden die Ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren en voor hen neerknielen, 20-21 dan zal Ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat Ik hun gegeven heb en wil Ik niets meer weten van deze tempel, die Ik voor mijn naam heb geheiligd. Deze tempel, ooit hoogverheven, zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot; ieder die er voorbijkomt zal huiveren. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, 22 zal als antwoord krijgen: “Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze hebben neergeknield voor andere goden en zijn die gaan vereren, en daarom heeft Hij hun al deze rampspoed bezorgd.”’ (NBV21)

We hebben een God die niet alleen gebeden hoort maar ze ook verhoort. Salomo had niet iets voor zichzelf gevraagd. Hij was het volk voorgegaan in gebed voor alle Israëlieten. Zelfs de vreemdelingen had hij in het gebed betrokken. Nu kreeg hij antwoord. Meestal moeten we het doen met het soort antwoorden dat we in de Bijbel lezen. Dat iemand God in een droom ontmoet gebeurt maar zelden. en als iemand beweert God ontmoet te hebben in een droom moet je je afvragen of dat niet een zeer gewenste droomuitleg is die ook een heel andere duiding kan hebben. Het antwoord op het gebed is vaak te vinden in de loop van de geschiedenis. En dan nog hangt het er van af of de mensen mee willen werken aan de gewenste gang van zaken. God werkt namelijk nooit op basis van een knip met de vingers. Dat God mensen geneest in een show van een zogenaamde gebedsgenezer is dan ook een leugen. Dat sluit niet uit dat een gebed om genezing van een zieke haar werking kan hebben, zelfs een genezende werking.

De schrijver van de Kronieken heeft uitvoerig verteld wat een feest de opening van die geweldige Tempel van Salomo is geweest. Duizenden dieren waren geofferd, grote priesterkoren en priesterorkesten hadden er opgetreden. Het hele volk had de pracht en praal gezien. Maar wat vindt de God van Israël er zelf van? Om dat te vertellen is een droom een goede manier. We dromen immers allemaal wel eens van een betere wereld. Dat we die niet alleen tot stand kunnen brengen is duidelijk. Dat de weg naar een betere wereld geplaveid is met daden van onbaatzuchtige liefde is ons ook duidelijk. Maar hoe we de last kunnen dragen van die onbaatzuchtige liefde is lang niet altijd duidelijk. De Bijbel geeft het volk, de gemeenschap, de geloofsgemeenschap als mogelijkheid voor elk van ons om samen de weg te gaan. Een weg waarop we elkaar ondersteunen. Daarom heeft God de Tempel aanvaard als samenbindend symbool voor het hele land.

De nood die iemand uitschreeuwt in de richting van de Tempel zal dan ook gehoord moeten worden door die leden van het volk die de mogelijkheden hebben te hulp te komen. God geeft ons immers dat wat we hebben om daar het goede mee te doen, dat is de naaste lief te hebben als onszelf. Pas als we andere goden gaan aanbidden, de God van de eigen samenleving waarvan niets mag veranderen, de goden van winst en profijt, de goden van winnaars van talentenjachten en loterijen. Steeds vaker kijken we op naar machtige en zogenaamd wijze mensen die durven te zeggen wat ons op de lever brand. Zelf in de richting van de Tempel, het hart van de gelovige, roepen komt steeds minder voor. Daarom blijven onze angsten onze angsten, daarom blijft het gevoel niet gehoord te worden. De liefde die nodig is is niet de liefde voor onszelf, het is de liefde die weet om te delen, die werkt aan een betere wereld. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Eeuwig duurt zijn trouw.

2 Kronieken 7:1-10

1 Toen Salomo zijn gebed tot de HEER beëindigd had, daalde er vuur uit de hemel neer, dat het brandoffer en de vredeoffers verteerde. De majesteit van de HEER vulde de tempel. 2 De priesters konden niet naar binnen gaan, want de tempel was gevuld door de majesteit van de HEER. 3 Alle Israëlieten zagen het vuur en de majesteit van de HEER op de tempel neerdalen. Ze knielden op het plaveisel neer, bogen diep voorover en loofden de HEER: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’ 4 Samen met de Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. 5 Hij liet tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten slachten om samen met het volk de tempel in te wijden. 6 De priesters stonden op hun vaste plaatsen. De Levieten loofden de HEER met het lied ‘Eeuwig duurt zijn trouw’, zoals dat ook onder koning David gebeurde, en begeleidden die lofzang op de instrumenten die David voor dat doel had laten maken. Tegenover hen stonden de priesters die op de trompetten bliezen, en heel het volk van Israël was gaan staan. 7 Salomo wijdde het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar dat Salomo had laten maken, was niet groot genoeg voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren. 8 Toen vierde Salomo het Loofhuttenfeest, zeven dagen lang, samen met de Israëlieten, die in zeer groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. 9 Op de achtste dag hielden ze een feestelijke samenkomst. Het inwijdingsfeest van het altaar had zeven dagen geduurd, en daarna hadden ze zeven dagen het Loofhuttenfeest gevierd. 10 Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde de koning het volk naar huis terug. Allen waren opgewekt en verheugd om het goede dat de HEER voor David, Salomo en zijn volk Israël had gedaan. (NBV21)

Opnieuw stelt de schrijver van Kronieken de nieuwe Tempel van Salomo in de traditie van Mozes en David. Toen Mozes de Tent der Ontmoeting, de Tabernakel, had laten bouwen had God vuur gezonden voor het brandoffer, toen David een altaar voor de God van Israël had gezonden had God zelf voor het vuur gezorgd dat het offer verbrandde. Het volk zal zich ook de verhalen over de zeer populaire profeet Elia hebben herinnerd. Op de Berg Karmel had hij de priesters van Baäl, de god van Kanaän, kunnen verslaan omdat zijn God, de God van Israël vuur stuurde om het offer op het altaar aan te steken. De Tempel staat dus zeer uitdrukkelijk in de religieuze en staatkundige traditie van Israël. Tijd dus om de Tempel met een geweldige hoeveelheid offers in te wijden. Nu wordt het eetbare deel van het offer samen gegeten. Er werd dus een geweldige maaltijd gehouden waar heel het volk aan kon deelnemen.

Zeven dagen duurde het feest van de inwijding van de Tempel. Zeven dagen feest voor heel het volk. We lezen gemakkelijk over het muzikale optreden van priesterkoren en priesterorkesten heen. Wij kennen geen muzikale feesten meer die zeven dagen duren. Feesten waaraan iedereen mee doet, waar geen honger is en geen dorst, waar de altaren nauwelijks de offers aankunnen, waar het hele plein een altaar werd. Op die manier wordt een dergelijke tempel wel het centrum van het religieuze leven van het volk. Maar het is niet genoeg. Want na de zeven dagen voor de grootheid van de Tempel en het geweldige belang dat die Tempel heeft werden er zeven dagen Loofhuttenfeest gevierd. Voor dat feest bouwde iedereen hutten van takken en bladeren. Je kon er in de nacht de sterren door heen zien. Dat feest herinnerde aan de reis door de woestijn naar het beloofde land, nu was het beloofde land echt bereikt.

Dat blijkt ook op de achtste dag. De Bijbel kent twee begrippen voor de dag na het feest. De achtste dag en de eerste dag. De achtste dag is de dag van de afsluiting, de feesten die er waren zijn ten einde. Nog een keer spreekt de Koning, nu om iedereen naar huis te sturen en een blij volk verspreidde zich weer over het land. Het zullen wellicht optochten geweest zijn, waar gezongen werd en gedanst, zoals later ook de pelgrims naar Jeruzalem in optocht en zingend optrokken naar het feest bij de Tempel. Dat loofhuttenfeest is het enige feest dat door Christenen niet is overgenomen. In Israël werd het een afsluitend oogstfeest in de herfst waar nog een keer gevierd was dat alles van God gekregen was om met elkaar te delen. Christenen vieren elke week de eerste dag. Die staat voor het nieuwe dat met Jezus van Nazareth is begonnen. Het licht van Israël schijnt met hem voor alle volken. En op die eerste nieuwe dag komen Christenen bij elkaar om met elkaar te delen en te vieren dat alles van God gegeven is en wij dat mogen delen. Elke zondag is iedereen daarbij welkom.

 

Luister

2 Kronieken 6:32-42

32 Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen vanwege uw grote naam, vanwege uw sterke hand en opgeheven arm-wanneer zo iemand hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, 33 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij U vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor U tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel die ik heb gebouwd. 34 Wanneer uw volk op uw bevel tegen vijanden ten strijde trekt en tot U bidt in de richting van deze stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 35 luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. 36 Wanneer ze tegen U zondigen-er is immers geen mens die niet zondigt-en U hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar een ander land, hetzij ver weg of dichtbij, 37 en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot U wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, 38 wanneer ze zich in het land waarheen ze zijn weggevoerd weer met hart en ziel aan U toewijden en bidden in de richting van het land dat U aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 39 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen U begaan heeft. 40 God, wees opmerkzaam en luister naar de gebeden die vanaf deze plaats tot U worden gericht. 41 Nu dan, HEER God, trek op naar uw rustplaats, U en uw machtige ark. Mogen uw priesters bekleed zijn met bevrijding, uw getrouwen zich verheugen in geluk. 42 HEER God, wijs uw gezalfde gedenk de trouw van uw dienaar David.’ (NBV21)

Er zijn mensen in ons land die vinden dat we een natie zijn in de Joods Christelijke traditie en dat we de waarden van die traditie hoog moeten houden. Christenen geloven inderdaad dat de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals die aan het volk Israël zijn gegeven in onze harten gebeiteld zouden moeten zijn. Maar volgen wij die traditie? Als een vreemdeling uit een ver land naar ons land kom om de bescherming te vinden die de goddelijke richtlijnen ons opdraagt steunen wij die vreemdeling dan in zijn verzoek om een veilige woonplaats en zijn wij dan bereid de handen en voeten van de God van Israël te zijn? Laten wij alle volken op aarde zien wat het betekent dat een volk de richtlijnen voor de menselijke samenleving volgt, dus in de traditie van Joden en Christenen wil staan? Het lijkt er soms helemaal niet op. De roep om grenzen te sluiten klinkt maar al te luid. Die zogenaamde veilige plaatsen worden in brand gestoken en als er een gebouwd moet worden is het geschreeuw er tegen niet van de lucht. Kerken voelen zich gedwongen asiel te verlenen om de roep om recht kracht bij te zetten.

Zelfs als een land op bevel van God ten strijde trekt. Om vrede te brengen waar oorlog is, om mensen te beschermen tegen onderdrukking en uitbuiting, dan nog zal dat volk niet uit eigen belang mogen handelen en het Gij zult niet doden moeten eerbiedigen. Daar zit een tegenstrijdigheid in. Salomo beseft dat en vraagt God het volk te helpen als het zich, ook onder oorlogsomstandigheden blijft richten naar de richtlijnen van de Tempel en het vertrouwen dat de God van Israël meetrekt. Wij hebben wel eens geprobeerd om in tijden van oorlog vrede te stichten en een bevolking te helpen een vreedzame en welvarende samenleving op te bouwen. Maar de roep om verdelging van wat dan ongelovigen wordt genoemd is zo groot dat bescherming van het leven van de soldaten en de eigen economie belangrijker zijn dan de gevolgen van ons handelen voor het volk waar wij onze diensten hadden aangeboden.

Salomo besluit met een gebed dat bijna een dankgebed kan worden genoemd. Hij vraagt om bij een mogelijke ballingschap de ballingen terug te laten keren als die ballingen zich weer richten naar de richtlijnen die God het volk had gegeven. De lezers van Kronieken, het volk dat het boek hoorde voorlezen, zullen instemmend geknikt hebben. Ze zijn immers teruggekeerd nadat ze zich de verhalen over het verbond met de God van Israël weer hadden herinnerd en ze serieus waren gaan nemen. Het was dus al sinds Salomo zaak de samenleving zo op te bouwen dat die overeen kwam met de richtlijnen van God, zoals die in de Tempel werden bewaard. Daar was dus ook die nieuwe Tempel voor bedoeld die de ballingen aan het bouwen waren. Daar lag hun toekomst, van de priesters moest het goede uitgaan, niet alleen voor het eigen volk maar voor iedereen op aarde. Ook voor ons dus als ook wij weten te leven naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God de mensen heeft gegeven.

Spreek recht

2 Kronieken 6:22-31

22 Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, 23 luister dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, vergeld de boosdoener zijn misdaad en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht. 24 Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan tot inkeer komen, uw naam prijzen en tot U in deze tempel bidden en smeken, 25 luister dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat U aan hen en hun voorouders hebt gegeven. 26 Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en zich afkeren van hun zonden omdat U hen antwoord geeft, 27 luister dan vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat U uw volk als grondgebied gegeven hebt. 28 Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door vijanden bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte 29 ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot U richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel-ieder gebukt onder zijn eigen leed en verdriet-, 30 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Geef hem wat hem toekomt, want U weet wat er in hem omgaat. Alleen U kunt immers de mens doorgronden. 31 Dan zullen ze in het land dat U aan onze voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor U tonen en U gehoorzamen. (NBV21)

De Tempel in Jeruzalem was het middelpunt van de godsdienst van Israël geworden. Geen andere heilige plaats kon op tegen de glans en de luxe die Salomo in de Tempel had aangebracht. In de omringende volken kon je een beschuldiging wegens een misdrijf voorleggen aan de goden die dan recht moesten spreken. Ook de Tent van de Ontmoeting kende een dergelijke voorziening. Aan het grote brandofferaltaar dat voor de Tent was opgericht zaten op de hoeken vier hoorns. Iemand die van een moord werd beschuldigd kon naar dat altaar vluchten. Zolang hij een hoorn vasthield was hij onaantastbaar. De gedachte was dat als iemand onschuldig was dan zou dat na verloop van tijd blijken en anders kon er een overeenkomst gesloten worden waarbij een dader de slachtoffers of nabestaanden een vergoeding kon geven. Salomo maakt in zijn gebed de Tempel tot centrum van het strafrecht. Wie van een misdrijf werd beschuldigd kon dit aan de Tempel voorleggen en daar werd dan recht gesproken.

Ook het oorlogsrecht werd door Salomo aan de Tempel toebedeeld. Hiermee geeft hij een traditionele taak van Koningen uit handen. Het was immers de Koning die moest uitmaken of een oorlog gerechtvaardigd was of niet. Nu kon het oordeel achteraf door de priesters van de Tempel worden geveld. We moeten daarbij niet vergeten dat in die richtlijnen voor de menselijke samenleving staat dat je niet mag doden. Als je een oorlog wint dat mag je er van uit gaan dat God je handelen heeft goedgekeurd, maar als je een oorlog verliest dan staat dat niet vast. Voor Israël kon de God van Israël geen oorlog verliezen en als het volk dus een nederlaag leed dan had God zijn handen van het volk afgetrokken. Dat volk moest dan schuld belijden en vergeving vragen aan de God van Israël. Dan kon volgens Salomo alleen bij de Tempel. Dus niet op het slachtveld waar het afsmeken van de steun van God ook als een versterking van het moreel der soldaten gebruikt worden.

Heel duidelijk is Salomo over het eigendom van het land. Het is niet van het volk, niet van de boeren en de akkerbouwers. Voor een landbouwnatie is dat een vreemde houding, maar van begin af heeft het volk van Israël die kant gekozen. Het land was een erfdeel. Het bleef van God en bleef in erfenis van de familie die er van moest leven. Elke vijftig jaar moesten de families die de grond waren kwijtgeraakt die grond weer terugkrijgen. Maar er zijn ook factoren die buiten de macht van de mens liggen. Storm, hagel, plunderingen, ziekte, pest en nog meer rampen die het kunnen leven van het land bedreigen. Offeren aan een God om die God weer gunstig te stemmen is in Israël niet nodig. Die God trekt immers altijd met zijn volk mee. Als het volk daar werkelijk op weten te vertrouwen dan mag God daar ook op antwoorden, een smeekgebed in de richting van de Tempel moet dan voldoende zijn. De richtlijnen voor de menselijke samenleving en het vertrouwen op God bepalen dus het leven in Israël. Wij mogen ons afvragen of ze ook het leven van onze samenleving bepalen.

 

De smeekbeden

2 Kronieken 6:12-21

12 Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, en hief zijn handen. 13 Hij had een bronzen podium laten maken van vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en dat midden in de voorhof laten neerzetten. Daarop had hij plaatsgenomen, en nu knielde hij neer, ten aanschouwen van de hele gemeenschap van Israël, hief zijn handen ten hemel 14 en zei: ‘HEER, God van Israël, er is geen god zoals U, noch in de hemel, noch op de aarde. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die U met heel hun hart toegewijd zijn. 15 U hebt u gehouden aan wat U uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar U bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. 16 Daarom vraag ik U, HEER, God van Israël, of U zich ook wilt blijven houden aan wat U uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat U zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door uw wetten in acht te nemen, zoals ook hij U toegewijd was. 17 Welnu, HEER, God van Israël, moge de belofte die U uw dienaar David hebt gedaan, bewaarheid worden. 18 Zou God werkelijk bij de mensen op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan U niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor U heb gebouwd. 19 HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik tot U richt. 20 Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan U zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. 21 Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, luister naar ons vanuit de hemel, uw woonplaats, luister en schenk ons vergeving. (NBV21)

De Tempel in Jeruzalem was het middelpunt van de godsdienst van Israël geworden. Geen andere heilige plaats kon op tegen de glans en de luxe die Salomo in de Tempel had aangebracht. In de omringende volken kon je een beschuldiging wegens een misdrijf voorleggen aan de goden die dan recht moesten spreken. Ook de Tent van de Ontmoeting kende een dergelijke voorziening. Aan het grote brandofferaltaar dat voor de Tent was opgericht zaten op de hoeken vier hoorns. Iemand die van een moord werd beschuldigd kon naar dat altaar vluchten. Zolang hij een hoorn vasthield was hij onaantastbaar. De gedachte was dat als iemand onschuldig was dan zou dat na verloop van tijd blijken en anders kon er een overeenkomst gesloten worden waarbij een dader de slachtoffers of nabestaanden een vergoeding kon geven. Salomo maakt in zijn gebed de Tempel tot centrum van het strafrecht. Wie van een misdrijf werd beschuldigd kon dit aan de Tempel voorleggen en daar werd dan recht gesproken.

Ook het oorlogsrecht werd door Salomo aan de Tempel toebedeeld. Hiermee geeft hij een traditionele taak van Koningen uit handen. Het was immers de Koning die moest uitmaken of een oorlog gerechtvaardigd was of niet. Nu kon het oordeel achteraf door de priesters van de Tempel worden geveld. We moeten daarbij niet vergeten dat in die richtlijnen voor de menselijke samenleving staat dat je niet mag doden. Als je een oorlog wint dat mag je er van uit gaan dat God je handelen heeft goedgekeurd, maar als je een oorlog verliest dan staat dat niet vast. Voor Israël kon de God van Israël geen oorlog verliezen en als het volk dus een nederlaag leed dan had God zijn handen van het volk afgetrokken. Dat volk moest dan schuld belijden en vergeving vragen aan de God van Israël. Dan kon volgens Salomo alleen bij de Tempel. Dus niet op het slachtveld waar het afsmeken van de steun van God ook als een versterking van het moreel der soldaten gebruikt worden.

Heel duidelijk is Salomo over het eigendom van het land. Het is niet van het volk, niet van de boeren en de akkerbouwers. Voor een landbouwnatie is dat een vreemde houding, maar van begin af heeft het volk van Israël die kant gekozen. Het land was een erfdeel. Het bleef van God en bleef in erfenis van de familie die er van moest leven. Elke vijftig jaar moesten de families die de grond waren kwijtgeraakt die grond weer terugkrijgen. Maar er zijn ook factoren die buiten de macht van de mens liggen. Storm, hagel, plunderingen, ziekte, pest en nog meer rampen die het kunnen leven van het land bedreigen. Offeren aan een God om die God weer gunstig te stemmen is in Israël niet nodig. Die God trekt immers altijd met zijn volk mee. Als het volk daar werkelijk op weet te vertrouwen dan mag God daar ook op antwoorden, een smeekgebed in de richting van de Tempel moet dan voldoende zijn. De richtlijnen voor de menselijke samenleving en het vertrouwen op God bepalen dus het leven in Israël. Wij mogen ons afvragen of ze ook het leven van onze samenleving bepalen, zou het leven menselijker kunnen maken.

 

Een donkere wolk

2 Kronieken 6:1-11

1 Toen sprak Salomo: ‘HEER, U hebt gezegd dat U in een donkere wolk wilde wonen. 2 Welnu, ik heb voor U een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.’ 3 Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, 4 zei hij: ‘Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: 5 “Nooit, vanaf de dag dat Ik mijn volk uit Egypte heb weggeleid, heb Ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. En nooit heb Ik iemand uitgekozen om als vorst over mijn volk Israël te regeren. 6 Maar nu heb Ik mijn keus laten vallen op Jeruzalem als woning voor mijn naam, en op David om mijn volk Israël te regeren.” 7 Toen nu mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, 8 zei de HEER tegen hem: “Je hebt er goed aan
gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. 9 Toch zul jij niet de tempel bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen.” 10 En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd 11 en daar de ark geplaatst die het verbond bevat dat de HEER met de Israëlieten heeft gesloten.’ (NBV21)

Er was altijd twijfel geweest. Wie was er de echte koning van Israël? Was dat de God van Israël of was het de gezalfde Koning? Volgens velen hoorde het de God van Israël te zijn. Dat was al begonnen met de profeet Samuël. Toen had het volk gevraagd om een koning zoals er koningen waren in alle andere volken. Samuël had ze gewezen op de Koninklijke taak die de God van Israël op zich had genomen. Hij had het volk ook gewaarschuwd, een Koning zoals de andere volken hadden zou belasting heffen om er een passende hofhouding op na te kunnen houden. Een Koning zoals de andere volken hadden zou de jonge mannen van de akkers willen halen om ze als soldaten in de lijven in de legers waarmee oorlogen moesten worden gevoerd en eer voor de Koning moest worden verkregen. Een dergelijke Koning hadden ze gekregen, Saul, die boven allen had uitgestoken.

Daarna kwam David. Ook die had oorlogen gevoerd. Aanvankelijk in dienst van Saul waar hij als generaal grote successen had geboekt en uiteindelijk ook met een dochter van Saul was getrouwd. Dat huwelijk maakte hem tot opvolger van Saul toen die met zijn zonen was gesneuveld in een van die vele oorlogen die hij had gevoerd. David had altijd geweigerd tegen zijn eigen volk te vechten. David had geprobeerd de godsdienst van Israël weer centraal te stellen door de ark met het verbond naar Jeruzalem over te laten brengen. Dansend achter die ark had David de eer bewezen die de God van het verbond toekwam. Maar ook onder David waren er spanningen oorlogen en epidemieën geweest. Hij had zich zelfs als een echte heidense Koning gedragen toen hij de vrouw van een ander inpikte. Maar ook de strijd tussen zijn zonen om de opvolging had de nodige onrust in het volk gegeven. De plunderingen van de oogst waren onder David voorgoed verleden tijd geworden.

Salomo had dus nog werk liggen om ook de laatste twijfelaars te overtuigen van de goddelijke goedkeuring van zijn Koningschap. Het bouwen van de Tempel en het demonstratief plaatsen van de ark daarin hielpen bij de beeldvorming van een Koning onder God. Zijn toespraak onderstreepte het. Die God van Israël had nooit een Tempel gewild. Een tent om die God te kunnen ontmoeten was voldoende. Maar het was een tent zonder een beeld van die God. Het maken van een beeld was zeer uitdrukkelijk verboden, de tekst van dat verdrag tussen volk en God was meer dan voldoende. Brood dat op tafel bleef liggen om aan te tonen dat de God van Israël niet gevoed hoefde te worden, alles was immers al van die God. Licht dat bleef branden als teken dat het licht uitgaat van de Tempel zodat iedereen de richting kan zien die de goddelijke richtlijnen wijzen. Ook Salomo besluit zijn toespraak met een uitdrukkelijke verwijzing naar die richtlijnen. Zo worden wij er ook nog eens een keer op gewezen. Gij zult niet doden, heb uw naaste lief als uzelf. We weten het best, nu er nog gaan leven, elke dag weer opnieuw.

 

De twee platen

2 Kronieken 5:2-14

2 Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël en de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, naar Jeruzalem komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion. 3 Alle Israëlieten kwamen voor het feest in de zevende maand naar de koning. 4 Toen alle oudsten van Israël aanwezig waren, namen de Levieten de ark op. 5 De ark, de ontmoetingstent en de bijbehorende gewijde voorwerpen werden gedragen door de Levitische priesters. 6 Koning Salomo hield intussen met de Israëlieten, die zich met hem rond de ark verzameld hadden, een offerplechtigheid waarbij zo veel schapen, geiten en runderen werden geofferd dat hun aantal niet vast te stellen was. 7 De priesters brachten de ark van het verbond met de HEER naar zijn nieuwe plaats in de achterste zaal van de tempel, het allerheiligste, en zetten hem neer onder de vleugels van de cherubs, 8 zodat de gespreide vleugels van de cherubs zich over de ark en zijn draagbomen uitstrekten. 9 Deze draagbomen staken een stuk uit, en men kon de uiteinden ervan alleen zien wanneer men vlak voor de ark stond, dus vlak voor de toegang tot de achterzaal; van verder weg waren ze niet te zien. De ark bevindt zich daar tot op de dag van vandaag. 10 Hij bevat niets anders dan de twee platen die Mozes op de Horeb heeft doorgegeven toen de HEER een verbond sloot met de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte. 11 Op het moment dat de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen-alle priesters hadden zich zonder uitzondering geheiligd, ook zij die volgens het rooster geen dienst hadden, 12 en alle Levitische zangers, namelijk Asaf, Heman, Jedutun en hun zonen en verwanten, gekleed in fijn linnen, stonden met hun cimbalen, harpen en lieren aan de oostkant van het altaar klaar, en ook nog honderdtwintig priesters met trompetten-, 13 op dat moment moesten de blazers en zangers samen muziek ten gehore brengen ter ere van de HEER. Zodra het geluid van de trompetten, cimbalen en andere instrumenten opklonk en de zangers de lofzang voor de HEER aanhieven: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw,’ vulde de tempel, het huis van de HEER, zich met een wolk. 14 De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van God vulde de hele tempel. (NBV21)

Als dan de hele Tempel klaar is, met alle kostbaarheden, met het reukaltaar en de tafel met toonbroden, de Godslamp brand en de zevenarmige kandelaar, dan wordt het tijd om het allerbelangrijkste naar de Tempel te brengen. De Ark van het verbond. Een kist waarin de tekst wordt bewaard, in steen uitgehouwen, van het verdrag dat het volk Israël ooit had gesloten met de God van Israël. Die God zou er zijn voor het volk als het volk de richtlijnen voor de menselijke samenleving zou volgen. Toen het beloofde land door God aan Israël was gegeven had Jozua dat land onder de families verdeeld. Nu zijn het de hoofden van de families die samen met de oudsten en de stamhoofden naar Jeruzalem waren gekomen om de Ark naar de Tempel te brengen. Die richtlijnen hielden in dat je bereid moest zijn te delen van je bezit omdat alles wat je had van God gekregen was. Zelfs het land hadden ze te leen gekregen om het tot zegen te zijn voor alle mensen. Daarom worden er nu offers gebracht, zo veel dat het niet te tellen was.

Het was Koning David geweest die de stad Jeruzalem tot centrum van de regering had gemaakt. Maar het had niet bij de regering moeten blijven, ook de Godsdienst had haar centrum in Jeruzalem moeten vinden. In de woestijn had Mozes een tent gemaakt waar die ark met dat verdrag werd bewaard en waar het volk, of de leiding van het volk, haar God kon ontmoeten. De grote en belangrijke beslissingen bleven zo passen binnen de richtlijnen voor de menselijke samenleving. David had die ark met die tent naar Jeruzalem laten brengen. Hij had er een Tempel voor willen bouwen maar dat was niet voor hem weggelegd. Zelfs tijden de prachtige optocht die hij had georganiseerd was er iemand gestorven. Je moest niet aan dat verbond, of aan de ark, komen. Daarvan kun je doodvallen. In de woestijn waren het de mannen van de stam Levi, de levieten, aangewezen om de ark te dragen. Er waren speciale draagstokken voor gemaakt die konden voorkomen dat de ark werd aangeraakt. Ook nu zijn het de levieten die de tent en de ark van het paleis naar de Tempel dragen.

Nu kwam de Tempel in zicht. Daar zijn de Priesters die het werk doen. Daar zijn de priesterkoren die de liederen zingen over de God van Israël. David was begonnen met het schrijven van die liederen en vele liederen die in het volk leefden waren aan David toegeschreven. Ook de koorleiders als Asaf en Korach hadden zulke liederen gemaakt. Naast de koren waren er orkesten met harpen, lieren en trompetten. Wij imiteren dat in onze kerken met de grote kerkorgels die zacht kunnen klinken als een herdersfluit en kunnen schetteren als een trompetterkorps. De pracht en praal, de muziek en het gezang ter ere van God moet een grote indruk hebben gemaakt. Eindelijk had het volk Israël kennelijk haar bestemming bereikt. Een volk onder de richtlijnen voor een menselijke samenleving, een Koning die die richtlijnen als wijsheid had aangenomen en een Tempel waar iedereen kon laten zien dat het volk de richtlijnen in ere hield. De geest van God vulde zo de Tempel. Wij kennen die richtlijnen als geschreven in ons hart. Ook wij worden daarom geroepen de Geest van God ons te laten vervullen. Zodat ook ons handelen een zegen kan zijn voor alle mensen op de wereld. Daar mogen we het elke dag mee doen, want eeuwig duurt de trouw van onze God.

 

Heer over de sabbat

Lucas 6:1-11

1 Toen Jezus op sabbat eens door de korenvelden liep, begonnen zijn leerlingen aren te plukken. Ze wreven die stuk tussen hun handen en aten ervan. 2 Enkele farizeeën zeiden tegen hen: ‘Waarom doet u iets dat op sabbat niet mag?’ 3 Jezus antwoordde: ‘Hebt u dan niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, 4 hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam, ervan at en ze uitdeelde aan zijn mannen, ook al mogen alleen de priesters van die broden eten?’ 5 En Hij voegde eraan toe: ‘De Mensenzoon is heer over de sabbat.’ 6 Op een andere sabbat ging Hij naar de synagoge, waar Hij onderricht gaf. Daar was ook iemand met een misvormde rechterhand. 7 De schriftgeleerden en de farizeeën letten op Hem om te zien of Hij op sabbat iemand zou genezen, want dan zouden ze Hem op grond daarvan kunnen aanklagen. 8 Maar Hij wist wat ze van plan waren en zei tegen de man met de misvormde hand: ‘Sta op en kom eens naar voren.’ Dat deed de man. 9 Jezus zei tegen de farizeeën en schriftgeleerden: ‘Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, of men een leven mag redden of verloren laten gaan.’ 10 Nadat Hij hen een voor een had aangekeken, zei Hij tegen de man: ‘Steek uw hand uit.’ Dat deed hij en zijn hand genas. 11 De schriftgeleerden en de farizeeën raakten buiten zinnen en begonnen onderling te overleggen wat ze met Jezus zouden doen. (NBV21)

Het antwoord op de vraag die hier boven staat is dat je zelf de baas bent over wat mag en niet mag op de Sabbat. Dat vertelt ons de schrijver van het Lucas Evangelie tenminste. Wij hebben de Sabbat vervangen door de zondag omdat we op de eerste dag van de week de bevrijding van de dood gingen vieren. En vieren maakt vrij. Toch hebben christenen heel lang hun vinger opgestoken als er iets werd gedaan waarvan ze dachten dat het niet mocht. Dat eten van die zendelingen in opleiding die achter Jezus aanliepen, en dat genezen door Jezus waren uitzonderingen. Dat er in een ziekenhuis moet worden gewerkt op Zondag dat is ook nog te begrijpen al moet er dan wel zondagsdienst gedraaid worden. Het hoogst nodige moet worden gedaan en verder niet.

Jezus zet op een aantal plekken in de Bijbel de liefde voor de mens tegenover dit strafrechtelijk denken. Wat wel of niet mag hangt niet af van de regeltjes maar van de mens die schade lijdt of het nodig heeft. Dat betekent niet dat er geen waarde moet worden gehecht aan een vrije dag in de week. Juist die dag waarop we allemaal vrij zijn en alleen de hoogst nodige arbeid wordt verricht is van belang voor mensen. Wanneer anders kunnen we allemaal samen komen en maaltijd houden. Als we allemaal op een andere dag in de week vrij zijn komt daar nooit meer wat van terecht. Als er dan ook nog veel mensen zijn die ’s avonds moeten werken, of ’s nachts, dan zien we elkaar in de samenleving eigenlijk nooit meer. Samen Werken en Samen Leven kan dan misschien nog wel, we komen elkaar immers in de file nog wel tegen, maar Samen Delen is er helemaal niet meer bij.

Samen Delen van plezier, van een maaltijd, van een goede sportwedstrijd, van de schoonheid van de natuur, van kennis, inkomen en macht het is allemaal onmogelijk geworden als we op zeven dagen in de week en op alle 24 uren van de dag ergens aan het werk zijn en die zeven dagen en die 24 uren onder elkaar verdelen zonder een dag te reserveren voor allemaal samen. Van de regering mag verwacht worden dat de liefde voor mensen weer boven regels van winst en profijt gaan en dat aan koopzondagen en eindeloos werken grenzen worden gesteld. Maar vrijheid wordt verward met kerkdwang. Christenen die roepen dat verstoring van de vrijheid op zondag hun geloof aantast zijn daar mede schuldig aan. Het gaat niet om geloof maar om bevrijding van de verslaving, aan werken en consumeren, daar zijn we dus geen slaven van. Wordt daar niet naar geluisterd dan moeten we via koopstakingen op zondag en onze vakbonden maar in actie komen voor die vrijheid. Zodat we ook op de zondag het goede kunnen doen, in alle vrijheid.