Van brood alleen

Deuteronomium 8:1-6

1 Leef alle geboden die ik u vandaag voorhoud strikt na. Dan zult u in leven blijven, in aantal toenemen en het land dat de HEER uw voorouders onder ede heeft beloofd, binnengaan en het in bezit nemen. 2 Denk aan de tocht die de HEER, uw God, u door de woestijn heeft laten maken, veertig jaar lang. Hij wilde u zijn macht laten voelen en u op de proef stellen, om te ontdekken wat er in uw hart leefde: gehoorzaamheid aan zijn geboden of niet. 3 U hebt zijn macht leren kennen: hij liet u honger lijden en gaf u toen manna te eten, voedsel dat u nooit eerder had gezien en uw voorouders evenmin. Zo maakte hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van de HEER voortbrengt. 4 Veertig jaar lang raakten uw kleren niet versleten en zwollen uw voeten niet op. 5 Laat ieder van u dan beseffen dat de HEER, uw God, u opvoedt zoals een vader zijn kind opvoedt. 6 Leef daarom zijn geboden na door de weg te volgen die hij u wijst en door ontzag voor hem te tonen.(NBV)

“Een mens leeft niet van brood alleen maar van alles wat de mond van de Heer voortbrengt”, staat er in het stuk dat we vandaag lezen. Maar wat brengt de mond van de Heer dan wel voort? Heel vaak wordt er dan gezegd dat het iets geestelijks is. Iets dat je nauwelijks onder woorden kan brengen en dat je zeker niet kunt vastpakken. Zoiets als de wind, of het vuur dat geen vorm heeft. Maar als je kijkt waar dit gedeelte over gaat dan wordt het toch een heel stuk tastbaarder. Dit gedeelte gaat over de richting die God heeft aangegeven. Die richting laat zich onder woorden brengen in het “heb Uw naaste Lief als Uzelf”, die kant moet het op met onze samenleving. Pas als je onvoorwaardelijk op elkaar weet te bouwen dan kun je de woestijn overleven. Dat bleek al bij het manna dat het volk in de woestijn vond. Als Mozes niet geweten had wat het was en dat je het zou kunnen eten dan zou het volk verhongerd zijn. Maar vertrouwen op iemand als Mozes lag niet voor de hand. Telkens was het volk tegen zijn leiding in opstand gekomen. Telkens ook had het het voortbestaan van het volk in gevaar gebracht. Vaak waren er doden bij gevallen.

Toch, na 40 jaar, op de grens van het beloofde land zijn de lessen van de woestijn duidelijk geworden. Pas als je als volk onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen, alles voor elkaar over hebt en de kennis en vaardigheden van elk lid van het volk respecteert, waardeert en benut dan kun je zo’n tijd in de woestijn overleven. Dan raken je kleren niet versleten omdat er mensen zijn die weten hoe je kleren kunt maken van wol en andere dierenhuiden, dan zwellen je voeten niet op omdat er nooit verder gelopen wordt dan de zwakste leden van het volk aankunnen. Dat is de geest van de God van Israël waarin alles gedaan wordt. Laat elk mens tot zijn en haar recht komen, zorg voor de zwaksten en de minsten, de weduwe en de wees. Dat maakt het volk Israël tot een voorbeeld, tot een licht voor alle volken. Maar nu staat het volk op de drempel van het beloofde land, het land waarheen ze 40 jaar lang op weg waren geweest. Dat land was het land overvloeiende van melk en honing. In dat land zou je verwachten dat iedereen zichzelf wel zou kunnen redden. In zo’n land is er altijd voor iedereen werk en hoeft niemand armoede te lijden. Dat hoor je ook zo vaak over ons land vertellen. Al die zorg door de samenleving maakt mensen maar afhankelijk, net zo afhankelijk als het volk Israël in de woestijn van het manna was geworden.

Maar juist op de drempel van het beloofde land wordt het volk Israël nog eens de Weg van de God van Israël ingescherpt. Juist in een land dat overvloeit van melk en honing heb je de kracht nodig die er uit gaat van de Weg van de God van Israël. Als iedereen mee mag doen, als er voor iedereen gezorgd wordt, als niemand bang hoeft te zijn voor de toekomst van zichzelf of het gezin waarvoor gezorgd moet worden, dan durft iedereen ook alles op te offeren, inclusief zichzelf, als dat nodig is om het land te verdedigen. Angst zal de samenleving in het beloofde land aantasten. De neiging om alles zelf te gaan doen, om op je eentje oplossingen te vinden voor problemen wakkert de angst alleen nog maar aan. Samen leven, samen werken en samen delen is moeilijk. Bij ons is dan ook het samen delen maar achterwege gelaten want ieder voor zich geeft de sterksten de beste kansen en daar zou iedereen beter van moeten worden. Het boek Deuteronomium bestrijdt dat. Niet de sterksten bepalen de kracht van het volk maar de zwaksten. Pas als iedereen tot zijn of haar recht is gekomen is er gerechtigheid geschied. De waarschuwing van Mozes mogen wij ons daarom ook aantrekken. Zeker nu we nadenken over delen in de toekomst. Ook bij ons zijn de zwaksten de maat voor goed of slecht. Blijf dus kijken naar hen, blijf geloven in de Weg van de God van Israël en blijf op weg naar de samenleving die ons door die God in het vooruitzicht is gesteld.

Een hartgrondige afkeer

Deuteronomium 7:12-26

12 Wanneer u zich gehoorzaam houdt aan deze voorschriften zal de HEER, uw God, zich van zijn kant houden aan wat hij uw voorouders in zijn goedheid heeft beloofd. 13 Hij zal u zijn liefde betonen, u zegenen en u talrijk maken. Zijn zegen zal rusten op de vrucht van uw schoot en de vrucht van het land-koren, wijn en olie-, op de dracht van uw runderen, schapen en geiten, in het land dat hij u zal geven, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd.14 Meer dan alle andere volken zult u gezegend worden. Onvruchtbaarheid zal bij u niet voorkomen, niet onder mannen en niet onder vrouwen, en evenmin bij uw dieren.15 De HEER zal u vrijwaren voor elke ziekte, hij zal u alle kwalen die u zich uit Egypte herinnert besparen en ze voor uw vijanden bestemmen.16 Daarom moet u alle volken die hij aan u uitlevert vernietigen, zonder medelijden te tonen. Dien hun goden niet, want dat zou uw ondergang betekenen.17 Misschien denkt u bij uzelf: Die volken zijn groter dan wij, hoe zouden wij ze kunnen verslaan?18 Wees niet bang voor hen; bedenk wat de HEER, uw God, de farao en heel Egypte heeft aangedaan.19 Herinner u de grootse daden die u met eigen ogen hebt gezien, de tekenen en wonderen en uw bevrijding met sterke hand en opgeheven arm! Zo zal de HEER ook optreden tegen alle volken die u angst aanjagen. 20 Daarna zal hij horzels op hen afsturen, tot iedereen die er nog over is of zich voor u schuilhoudt, zal zijn omgekomen.21  Wees dus niet bang voor hen, want de HEER, uw God, een machtige en ontzagwekkende God, is in uw midden.22 Wanneer hij die volken voor u op de vlucht drijft zal hij dat geleidelijk doen. U moet hen niet in één keer uitroeien, anders krijgt u te maken met grote aantallen roofdieren.23 De HEER zal u de overwinning schenken en paniek onder hen zaaien, tot ze zijn uitgeroeid. 24 Hij zal hun koningen aan u uitleveren en u zult het land zuiveren van alles wat aan hen herinnert; steeds verder zullen ze teruggedrongen worden, tot u ze allemaal uitgeroeid hebt.25 Hun godenbeelden moet u verbranden, zonder u het zilver en goud ervan toe te eigenen, want dat zou uw ondergang worden omdat de HEER, uw God, ze verafschuwt.26 Geef die gruwelijke beelden geen plaats in uw huizen, anders wordt u net als zij aan de vernietiging prijsgegeven. U moet er een diepe afschuw, een hartgrondige afkeer van hebben; de ban van de HEER rust erop.(NBV)

Het verhaal zoals dat in het boek Deuteronomium wordt verteld is gehoord en gelezen, misschien zelfs ook pas opgeschreven, in de eeuwen nadat het volk het beloofde land was binnengetrokken. Van begin af aan was het niet mogelijk gebleken om de Tora van de God van Israël helemaal te volgen. Bij de verovering van Jericho was het nog wel gegaan maar toen Ai veroverd werd had de eerste roof al plaatsgevonden. Daarom was het niet gegaan met het volk zoals de bedoeling was geweest. Uiteindelijk was het zelfs uitgelopen op een ballingschap in Babel en de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem. Toch had het volk keer op keer dit verhaal weer opnieuw gehoord, verteld, gelezen. Het zou toch kunnen dat ze door weer opnieuw te beginnen toch de belofte zouden vervullen die ze God hadden gedaan en dat die God ze vergeven zou voor alles wat ze kwaad hadden gedaan. Maar moeilijk is het. Ze werden omringt door talrijke machtige volken. Die volken hadden goede oogsten en bescherming van, zoals werd gezegd, machtige goden. In Israël moesten ze maar afwachten of ze een goede oogst zouden krijgen. Als ze een goede oogst hadden gekregen dan moesten ze maar afwachten of roversbenden niet die oogst zouden komen stelen.

Toch beseften ze dat die goden waarvan de beelden rond de akkers waren opgericht, waarvan de altaren op de dorsvloeren werden ingericht niet de vruchtbaarheid en de bescherming konden brengen die een mens nodig heeft. Zelfgemaakte goden stellen immers niks voor. En die roversbenden konden het ene jaar wel met succes een oogst roven, het andere jaar werden ze verslagen door een machtiger leger of door een handje vol Israëlieten. Uiteindelijk had je toch altijd het meest aan goede vrienden en die krijg je door te delen, door alles te delen wat je hebt en daarbij zeker niet de minsten, de zwaksten te vergeten. Als een heel volk het eerst let op de zwaksten dan wordt er zeker op jou gelet als het je een keer niet mee zit. Je moet daarom de tegenstanders geleidelijk verdrijven. Langzaam maar zeker moet die verkeerde godsdienst verdwijnen en moeten de mensen tot de overtuiging komen dat de Weg van de God van Israël veel meer voordeel brengt, de enige godsdienst is die eigenlijk pas echt voordeel brengt. Voordeel, niet in de vorm van individuele rijkdom of macht maar voordeel omdat niemand uit de samenleving wordt uitgesloten, voordeel omdat iedereen mag meedelen en meedoen. Daarom hoef je voor die machtige volken eigenlijk ook niet bang te zijn.

Ook in onze tijd geld dat. De ongelovigen lijken de overhand te hebben. Eigenbelang staat voorop. Dienstverleners in de samenleving worden maar al te vaak als slaven behandeld, vernielingen en geweld zijn aan de orde van de dag en in sommige kringen lijken alle andere mensen wel beschouwd te worden als voorwerpen om je eigen lusten aan te kunnen bevredigen. Mensen die het opnemen voor de zwakken in de wereld, voor de hongerigen en gevangenen worden uitgelachen. Hulpverleners die bij ongevallen te hulp schieten worden bedreigd en mishandeld. Wie een rechtvaardige behandeling van vreemdelingen vraagt loopt de kans zelf uitgestoten te worden. Maar voor gelovigen is er maar één keus, je zult je naaste liefhebben als jezelf of je zult God verlaten en voor wie kennis heeft gemaakt met de God van Israël, wie door die God is gegrepen,  is het verlaten zijn van God hetzelfde als dood gaan. We moeten dus de zaak omdraaien, we zullen mensen moeten afbrengen van het geloof in eigen kracht en ze moeten brengen tot het geloof in God, in het geloof in de naaste liefhebben als zichzelf, ook vandaag weer.

Altaren slopen

Deuteronomium 7:1-11

1 Straks zal de HEER, uw God, u naar het land brengen dat u in bezit zult nemen en veel volken voor u op de vlucht jagen: de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten-zeven volken die groter en machtiger zijn dan u.2 Wanneer de HEER, uw God, u de overwinning op hen schenkt, moet u hen doden. U mag geen vredesverdrag met hen sluiten en hen niet sparen.3 Sta ook geen huwelijksverbintenissen met hen toe; sta uw dochter niet af aan een van hun zonen en zoek bij hen geen vrouw voor uw eigen zoon. 4 Want zij zouden uw kinderen ertoe verleiden de HEER ontrouw te worden en andere goden te dienen. Daarmee zou u zijn toorn over u afroepen en dat zou u meteen met de dood moeten bekopen. 5 Nee, dát staat u te doen: u moet hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen, hun Asjerapalen omhakken en hun godenbeelden verbranden. 6  Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd. U bent door hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. 7  Het is niet omdat u talrijker was dan de andere volken dat hij u lief kreeg en uitkoos-u was het kleinste van allemaal! 8 Maar omdat hij u liefhad en zich wilde houden aan wat hij uw voorouders onder ede had beloofd, heeft de HEER u met sterke hand bevrijd uit de slavernij, uit de macht van de farao, de koning van Egypte.9 Besef dus goed: alleen de HEER, uw God, is God en hij houdt woord; hij komt zijn beloften na en is trouw aan ieder die hem liefheeft en die doet wat hij gebiedt, tot in het duizendste geslacht. 10 Maar ieder die hem haat zal daarvoor boeten met zijn leven; de HEER zal hem niet laten begaan, hij laat hem persoonlijk boeten.11  Neem daarom de geboden, wetten en regels die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig in acht.(NBV)

Een harde tekst, zeker in de vertaling die we hier lezen, de Nieuwe Bijbelvertaling. In de oudere vertalingen, maar ook in de Naardense Bijbel, wordt gesproken over het verbannen van de overwonnen volken, niet over het doden. In een aantekening bij de nieuwste Willibrordusvertaling vinden we dat er eigenlijk staat dat die volken aan de “vernietiging gewijd” moeten worden en dat dat betekent dat ze aan het gewone gebruik moeten worden onttrokken. Als we ons dat bedenken bij het lezen van deze passage wordt ook de nadruk op het vernietigen van de godsdienst en het benadrukken van de eigen godsdienst van Israël duidelijk. Volken werden en worden immers gekend naar hun godsdienst. Er zijn christelijke, joodse, moslim staten en staten die nog andere godsdiensten aanhangen. Wij leven in een staat die het zonder God doet als staat, scheiding van kerk en samenleving heet dat.

Het voordeel bij ons is dat gelovigen in de God van Israël en in Jezus van Nazareth onafhankelijk van wie dan ook kunnen blijven wijzen op het falen van de staat als het gaat om de zorg voor de minsten en de armsten in de wereld. Maar het volk Israël staat in dit gedeelte van de Bijbel op de drempel van een nieuw land, een land waar voor iedereen genoeg is en waar de richtlijnen van de God van Israël, de Tora, de samenleving zouden moeten gaan bepalen. Vruchtbaarheid komt daarbij van de natuur en niet van de een of andere god. Welvaart is in die richtlijnen hetzelfde als welzijn van iedereen die in dat land leeft en dat kan alleen als er ook met iedereen gedeeld wordt. Daarvoor is nodig dat ook de laatste spoortjes van de heidense culturen worden verwijderd uit het land. Je kunt nu eenmaal niet net doen of jij een vruchtbaarheidsgod beter dient en beter offert dan je buurman en tegelijk alles over hebben voor je naaste die juist een misoogst of een ramp is overkomen. In de zorg voor de minsten en de armen, voor de weduwen en de wees, botsen de godsdiensten, is er eigenlijk een voortdurende oorlog met andere godsdiensten. De God van Israël bevoordeeld niet de rijken boven de armen. Wie beter geloofd dan een ander krijgt niet meer maar kan meer delen.

De God van Israël is altijd met de armen en zolang er armen zijn in de samenleving behoren er geen rijken te zijn die alles voor zichzelf houden. In die strijd tussen godsdiensten klinken de harde woorden uit het Bijbelgedeelte van vandaag. En dan is het even schrikken. Want in een samenleving waarin het eigendom heilig wordt verklaard en mensen met hun eigendom kunnen doen wat ze willen zonder dat eigendom in dienst van die samenleving te hoeven stellen zien we ineens een andere godsdienst opdoemen dan de godsdienst die in de Bijbel wordt voorgeschreven. Gelovigen in de Bijbel stellen immers alles wat ze hebben bijna per definitie in dienst van de ander en willen elkaar daar ook op aanspreken. Ze doen dit niet omdat het hen beter maakt, of omdat ze er zich op voor kunnen laten staan, maar omdat het nodig is in een samenleving waarin bezit ongelijk is verdeeld. Bezit hebben we om daarmee de naam van God groot te maken heette het vroeger wel. Daarmee werd bedoeld dat hoe meer mensen mee konden delen van dat bezit hoe groter de naam van God werd geprezen. Juist in de Heidense godsdiensten van Asjeerapalen en bijbehorende altaren ging het er om meer te bezitten en meer te krijgen dan de ander. Het geloof in de God van Israël staat daar diametraal tegenover, daar gaat het er om de ander recht te doen. Ook vandaag, ook in onze samenleving.

Recht en vrede begroeten elkaar

Psalm 85

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 U bent uw land genadig geweest, HEER, u keerde het lot van Jakob ten goede, 3 nam de schuld van uw volk weg en bedekte al zijn zonden. sela 4 U bedwong uw woede en wendde u af van uw brandende toorn. 5 God, onze helper, keer tot ons terug, onderdruk uw afschuw van ons. 6 Wilt u voor eeuwig uw toorn laten duren, verbolgen zijn van geslacht op geslacht? 7 Breng ons weer tot leven, dan zullen wij ons in u verheugen. 8 Toon ons uw trouw, HEER, en geef ons uw hulp. 9 Ik wil horen wat God ons zegt. De HEER spreekt woorden van vrede tegen zijn volk, zijn getrouwen. Laten zij niet weer vervallen in dwaasheid! 10 Voor wie hem eren is zijn hulp nabij: zijn glorie komt wonen in ons land, 11 trouw en waarheid omhelzen elkaar, recht en vrede begroeten elkaar met een kus, 12 uit de aarde bloeit de waarheid op, het recht ziet uit de hemel toe. 13 De HEER geeft al het goede: ons land zal vruchten geven. 14 Het recht gaat voor God uit en baant voor hem de weg. (NBV)

Vandaag zingen we een lied dat in twee delen uit elkaar valt. Eerst is er een gebed van het volk, dan klinkt de verkondiging van de boodschap van de Bijbel. Je hoort het op deze manier ook in veel kerken. De gemeente bidt samen en dan wordt de boodschap verkondigd. Maar wat wordt er dan gebeden en wat wordt er dan verkondigd? Een heel andere vraag is natuurlijk wat we er aan hebben. Het was in elk geval een lied dat in de Tempel gezongen werd. Het kwam van een zanggroep in de Tempel, de Korachieten. In de Tempel werd de Tora, de richtlijn van eerlijk delen bewaard. Wij hebben het vaak over een Tempel van God maar een beeld van God was er niet te vinden, alleen die Tora. Volgens die richtlijn moest elke gelovige een paar keer per jaar naar de Tempel om daar samen met de familie, de armen, de vreemdelingen en de dienaren van de Tempel een maaltijd te houden. Deden ze dat dan zou God weer voor hen zorgen.

Iedereen snapt wel dat bij het volgen van die richtlijn het gemakkelijk mis kon gaan. Alles delen wat je hebt, je naaste liefhebben als jezelf, zorgen voor de armen en de zwakken in de samenleving, de vreemdelingen opnemen, het is maar aan weinigen gegeven om daar dag in dag uit voortdurend mee bezig te zijn. Daarom die maaltijden bij de Tempel, dan kon je weer opnieuw beginnen. En daar gaat in dit lied het gebed over. In het verleden was God wel eens boos op zijn volk geweest maar iedere keer als het zich weer tot de Tora, de richtlijn van eerlijk delen had gewend was God een nieuwe weg met het volk ingeslagen. Dat mag dus gerust nog eens gevraagd worden. En dan volgt de boodschap, het verhaal van de Bijbel. Je mag er van uit gaan dat God vrede wil, dat God zorgt voor mensen die de vrede willen stichten, die goed willen doen, die trouw willen blijven aan de zorg voor de minsten, die zorgen dat gerechtigheid en vrede elkaar ontmoeten.

Je mag er dus van uit gaan dat recht wordt gedaan aan mensen zonder ze te onderdrukken. Dat recht voor mensen daar gaat het per slot om. En wat hebben we daar vandaag nog aan? Nou, dat er oorlog is hoeft ons niet tegen te houden om vrede te stichten. Er is altijd oorlog geweest en misschien zal er nog heel lang van tijd tot tijd oorlog uitbreken. Vast staat dat als wij mee willen doen in het verhaal van God wij in elk geval vrede willen stichten. En ook dat er honger is hoeft ons niet tegen te houden. De honger in ons eigen land brengt ons bij de voedselbanken om hen te steunen, donateur worden kan nog steeds, de voedselcrisis in de wereld brengt ons bij de Fair Trade winkels om te helpen eerlijke handelsverhoudingen voor elkaar te krijgen, en bij de organisaties die de directe honger kunnen stillen. Dat er niet voor zieken en stervenden gezorgd kan worden brengt ons regelmatig bij giro 555 of de Wilde Ganzen. Dat het tot nu toe altijd mis is gegaan hoeft ons niet tegen te houden opnieuw te beginnen met gerechtigheid en vrede, we kunnen elke dag opnieuw beginnen, we mogen elke dag opnieuw beginnen, al zingend.

Geloven wat ik zeg

Johannes 5:41-47

41 Niet dat de mensen mij moeten eren, 42 maar ik ken u: u hebt geen liefde voor God in u. 43 Ik ben gekomen namens mijn Vader, maar u accepteert mij niet, terwijl u iemand die namens zichzelf komt, wel zou accepteren. 44 Hoe zou u ooit tot geloof kunnen komen? Van elkaar wilt u wel eer ontvangen, maar u zoekt niet de eer die de enige God u kan geven. 45 U moet niet denken dat ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. 46 Als u Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven, hij heeft immers over mij geschreven. 47 Maar als u niet gelooft wat hij geschreven heeft, hoe zou u dan geloven wat ik zeg?’ (NBV)

Jezus verbiedt vaak de mensen te vertellen wat hij heeft gedaan om ze weer een plek in de samenleving te geven. Hoe kan heet dat blinden zien en lammen lopen. Hoe kan het dat melaatsen door de priesters genezen worden verklaard. Telkens weer wordt Jezus uitgedaagd om te laten zien namens wie hij dat doet. Want er zit een tegenstrijdigheid in het verhaal van Jezus. Iemand die aan de lopende band zieken kan genezen door een hand oplegging hoort op een podium met een trillend hammondorgel op de achtergrond, of met een blauwe jurk aan zodat zelfs het water waarover ze haar hand uitstrekt genezend gaat werken. Mensen die op zulke manier mensen genezen horen een grote bekendheid en beroemdheid te krijgen. Zij doen immers de de wonderen die Jezus ook deed.

Is dat het werk dat Jezus van Nazareth doet? De Evangelist Johannes spreekt niet over wonderen maar over tekenen. En die tekenen staan voor de betrokkenheid van Jezus van Nazareth bij de minsten in de samenleving, de zieken en gehandicapten, maar ook voor de mensen die buiten de samenleving zijn geplaatst, de mensen waarvan we er minder in ons midden zouden willen hebben, de hoeren en de tollenaars, sommigen zouden in onze dagen zeggen de Marokkanen. Daar is Jezus van Nazareth bij uitstek te vinden. Dan is er de God van Israël, die God heeft het volk Israël eerst uit de slavernij van Egypte bevrijdt en later uit de ballingschap weer thuis gebracht.

Te zien is dat Jezus van Nazareth ook de mensen bevrijdt van de slavernij van gewoonte en traditie, niet meer het “hoort zo” staat centraal maar de liefde zoals de God van Israël die heeft voorgeschreven. Als laatste mag je ook de woorden van de profeten nog eens nalezen, profeten die het volk oproepen recht en gerechtigheid te betrachten, mensen tot hun recht te laten komen, niemand uit te sluiten en te zorgen voor de zwaksten. Iedere keer zul je zeggen, ja dat doet Jezus ook, daartoe roept hij ons ook op. Maar als Jezus een mens is die onder ons heeft gewoond dan kunnen wij dat dus ook, dan kunnen wij ook opstaan tegen de samenleving van dood, dan kunnen wij ook mensen bevrijden van uitsluiting en uitbuiting. Elke dag opnieuw mogen we daarmee bezig zijn. Het gaat Jezus om die boodschap, daarbij zet je jezelf niet centraal, en ook God en Jezus van Nazareth niet maar de mens die lijdt. Werk voor ons. Ook vandaag.

Een lamp die helder brandde

Johannes 5:31-40

31 Als ik nu over mezelf zou getuigen, dan was mijn verklaring niet betrouwbaar, 32 maar iemand anders getuigt over mij, en ik weet dat zijn verklaring over mij betrouwbaar is.33 U hebt boden naar Johannes gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. 34 Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar ik zeg dit om u te redden.
35 Johannes was een lamp die helder brandde, en u hebt zich een tijd in zijn licht verheugd. 36 Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan Johannes: het werk dat de Vader mij gegeven heeft om te volbrengen. Wat ik doe getuigt ervan dat de Vader mij heeft gezonden. 37 De Vader die mij gezonden heeft, heeft dus zelf een getuigenis over mij afgelegd. Maar u hebt zijn stem nooit gehoord en zijn gestalte nooit gezien, 38 en u hebt zijn woord niet blijvend in u opgenomen, want aan degene die hij gezonden heeft, schenkt u geen geloof. 39 U bestudeert de Schriften en u denkt daardoor eeuwig leven te hebben. Welnu, de Schriften getuigen over mij,40 maar bij mij wilt u niet komen om leven te ontvangen. (NBV)

Een ingewikkeld stukje vandaag. Mooie theologische taal die de Nieuwe Bijbelvertaling niet heeft weg vertaald en zeker niet dichterbij gewone mensen heeft gebracht. Toch zijn de vragen die hier aan de orde zijn niet onbelangrijk. Als Jezus over zichzelf zou getuigen zou dat volgens de Hebreeuwse wet niet voldoende zijn. Of iets waar is, of gebeurd is moet door twee getuigen worden verklaard. Zeker in deze tijd waarin steeds meer mensen wel willen geloven dat er iets is en dat die Jezus toch wel een aardige vent is. Maar in de God van Israël geloven en in al die verhalen in de Bijbel geloven dat is er niet meer bij. Nu ligt dat niet aan die God of aan die Bijbel maar meer aan al die mensen die zeggen er wel in te geloven. Zij laten een God van Israël zien waar je van rilt en gruwt.

Geen liefhebbende God die zich bemoeit met de steun aan mensen die steun en zorg nodig hebben maar een oordelende God die voortdurend de mensen toeschreeuwt wat ze wel niet allemaal verkeerd doen. Die zogenaamde gelovigen lezen dat allemaal in hun eigen Bijbelvertaling, de eigenlijke Bijbel kunnen ze niet lezen omdat die in Hebreeuws, Aramees en Grieks is geschreven. Nu is dat vervormen van de eigenlijke boodschap tot een eigen boodschap niet nieuw. Dat gebeurde ook al in de dagen dat Johannes zijn Evangelie schreef en daarom heeft Johannes een hoofdstuk opgenomen over de vraag wat je nu eigenlijk gelooft als je in Jezus van Nazareth gelooft. Jezus heeft dus zelf niet beweerd dat hij de Messias, de bevrijder van Israël was. Hij heeft van zichzelf ook niet gezegd dat hij de Zoon van God was die in de Hebreeuwse Bijbel aan de mensen beloofd was.

Als hij dat van zichzelf beweerd had dan hadden we gelijk geweten dat het niet waar kon zijn. Dat geloof in Jezus van Nazareth als de mens die de wil van God heeft doorleefd komt niet van hem vandaan maar ergens anders. In zijn dagen was er Johannes de Doper die de mensen opgeroepen had anders te gaan leven, te gaan leven volgens de wil van God, als je twee mantels hebt geef er dan een aan iemand die er geen heeft. Dat van die mantels is een uitspraak van die Johannes. Volgens Johannes de Doper was Jezus de mens die bij uitstek zo leefde. En die doper had Jezus al aangewezen als de bevrijder van Israël. Toen Johannes werd vastgezet nam Jezus zijn werk over, en na zijn tijd gaf hij zijn leerlingen de opdracht dat werk voort te zetten, een opdracht die voor ons allen geldt.

 

Ik oordeel naar wat ik hoor

Johannes 5:19-30

19 Jezus reageerde hierop met de volgende woorden: ‘Waarachtig, ik verzeker u: de Zoon kan niets uit zichzelf doen, hij kan alleen doen wat hij de Vader ziet doen; en wat de Vader doet, dat doet de Zoon op dezelfde manier. 20 De Vader heeft de Zoon immers lief en laat hem alles zien wat hij doet. Hij zal hem nog grotere dingen laten zien, u zult verbaasd staan! 21 Want zoals de Vader doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie hij wil. 22 De Vader zelf velt over niemand een oordeel, maar hij heeft het oordeel geheel aan de Zoon toevertrouwd. 23 Dan zal iedereen de Zoon eer betuigen zoals men de Vader eert. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet die hem gezonden heeft. 24 Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven. 25 Ik verzeker u: er komt een tijd, en het is nu al zover, dat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en dat wie hem horen, zullen leven. 26 Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo heeft ook de Zoon leven in zichzelf; dat heeft de Vader hem gegeven. 27 En omdat hij de Mensenzoon is, heeft hij hem ook gezag gegeven om het oordeel te vellen. 28 Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen 29 en uit hun graf zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om veroordeeld te worden. 30 Ik kan niets doen uit mijzelf: ik oordeel naar wat ik hoor, en mijn oordeel is rechtvaardig omdat ik mij niet richt op wat ik zelf wil, maar op de wil van hem die mij gezonden heeft. (NBV)

Er is een uitspraak in de Bijbel die zegt dat de God van Israël een God van levenden is en niet een God van doden. In de Heidense godsdiensten van bijvoorbeeld Egypte en van de Grieken en Romeinen speelden dodenrijken een grote rol. In de godsdienst van Israël niet. Volgens Genesis had God de mens gemaakt uit rode klei van de aarde en als de mens dood ging dan zou de mens weer de stof worden waaruit de mens was gemaakt. Leven was gekomen omdat God zijn adem in de mens had ingeblazen en de Prediker had er nog eens op gewezen dat de adem van God weer naar God terugkeerde als de mens dood ging. Van een leven als mens na de dood was dan ook geen sprake. Wel was er een opvatting over een opstanding van de doden op, wat profeten hadden genoemd, de dag des Heren. Een deel van de Joodse religieuze elite, de Sadduceeën, geloofde dan ook niet in die opstanding van de doden. In de loop van de geschiedenis was het gewone volk de traditionele opvatting als oneerlijk gaan beschouwen. Het volk was zo wreed onderdrukt geweest, zoveel onschuldige mensen waren omgebracht om de macht van wrede heersers te verstevigen, dat men het ongestraft blijven van dit onrecht zelf als onrecht was gaan beschouwen.

In het boek Daniël is een visioen terecht gekomen dat aan de behoefte tegemoet komt om de slachtoffers van onrecht en onderdrukking recht te doen. De dag waarover profeten hadden gesproken waarop de God van Israël een oordeel over de onderdrukkers zou vellen en die zou komen brandend als een oven wordt in Daniël verder uitgewerkt. Daar is sprake van de Mensenzoon die naast God op de troon plaatsneemt en een oordeel velt over de onderdrukkers en beulen van het volk. De onderdrukten en gemartelden zijn daar getuige van en klagen hun onderdrukkers en beulen dan ook aan. Als dat kan, dat de slachtoffers uiteindelijk recht wordt gedaan dan moeten die slachtoffers opstaan uit de dood. Maar dan moeten ook die onderdrukkers en beulen opstaan uit de dood om hun oordeel te kunnen ondergaan. Daar nu gaat het gedeelte van vandaag uit het verhaal van Johannes over. Jezus van Nazareth laat als Zoon van God zien hoe dat oordeel uitpakt. Voor de minsten van het volk, voor de onschuldigen pakt dat zo uit dat hen recht wordt gedaan. Als je daar nu in gaat geloven valt gelijk elke dreiging door onderdrukkers weg. Die winnen uiteindelijk niet en ook als ze je dood weten te maken dan nog zullen zij hun gerechte straf niet ontlopen. Je gaat leven alsof je het eeuwige leven hebt en dat heb je dus dan ook.

Jezus wijst er in dit verhaal van Johannes nog maar eens op dat de God van Israël een God van de levenden is. Tegelijk wijst hij op dat visioen uit het boek Daniël over de Mensenzoon die op de wolken kwam, plaats nam aan de rechterhand van de God van Israël en de macht kreeg het oordeel over goeden en kwaden te vellen. De goeden mogen leven en de slechten ontlopen hun gerechte straf niet. In onze dagen roepen we de geschiedenis graag te hulp om een oordeel te vellen over het slechte. Dat oordeel over mensen en praktijken uit het verleden hebben we kennelijk nodig om het slechte aan mensen en gedrag uit het heden te herkennen. Jezus waarschuwt daar in een ander gedeelte van de evangeliën tegen. Wij zien zo gemakkelijk de splinter in het oog van de ander en vergeten de balk in onze eigen ogen. Natuurlijk is het slecht om een groep Nederlanders en medelanders als groep te veroordelen en te willen kleineren, maar het is ook slecht om geen oog te hebben voor de toekomst van jonge mensen wier ouders uit een heel andere cultuur komen en er niet voor te zorgen dat ook die jonge mensen in onze samenleving tot hun recht kunnen komen en een deel van leven krijgen. Jezus begint dit gedeelte van het verhaal van Johannes met te zeggen dat hij niet anders kan dan zijn Vader doet. Daarmee roept hij ook ons op hem te volgen, hij had een zieke genezen, laten wij zo ook voor de minsten zorgen, of dat de samenleving nu uitkomt of niet, we kunnen niet anders.

 

Wilt u gezond worden?

Johannes 5:1-18

1 Daarna was er een Joods feest, en Jezus ging naar Jeruzalem. 2 In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata heet. 3-4 Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden.5 Er was ook iemand bij die al achtendertig jaar ziek was. 6 Jezus zag hem liggen; hij wist hoe lang hij al ziek was en zei tegen hem: ‘Wilt u gezond worden?’ 7 De zieke antwoordde: ‘Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water.’ 8 Jezus zei: ‘Sta op, pak uw mat op en loop.’ 9 En meteen werd de man gezond: hij pakte zijn slaapmat op en liep. Nu was het die dag sabbat. 10 De Joden zeiden dan ook tegen de man die genezen was: ‘Het is sabbat, het is niet toegestaan een slaapmat te dragen!’ 11 Maar hij zei tegen hen: ‘Degene die mij genezen heeft, zei tegen mij: “Pak uw mat op en loop.”’ 12 ‘Wie zei dat tegen u?’ vroegen ze. 13 Maar de man die genezen was kon niet zeggen wie het was, want Jezus was al verdwenen omdat daar zoveel mensen waren. 14 Later kwam Jezus hem tegen in de tempel en toen zei hij tegen hem: ‘U bent nu gezond; zondig daarom niet meer, anders zal u iets ergers overkomen.’ 15 De man ging aan de Joden vertellen dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. 16 Het was omdat Jezus zulke dingen deed op sabbat, dat de Joden tegen hem optraden. 17 Maar Jezus zei: ‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook.’ 18 Vanaf dat moment probeerden de Joden hem te doden, omdat hij niet alleen de sabbat ondermijnde, maar bovendien God zijn eigen Vader noemde, en zichzelf zo aan God gelijkstelde. (NBV)

Er waren drie feesten waarop het volk Israël moest optrekken naar Jeruzalem: Pesach, het Wekenfeest dat wij kennen als Pinksteren en het Loofhuttenfeest dat niet is overgenomen in de Christelijke feestkalender. Als Johannes ons vertelt dat Jezus ter gelegenheid van een feest naar Jeruzalem optrekt dan zal dat ter gelegenheid van een van de drie feesten geweest zijn. Het is een feest dat verder in het verhaal ongenoemd blijft maar het is aannemelijk dat hier sprake was van het Loofhuttenfeest. Op elk van die feesten was de opdracht om bij het Heiligdom een maaltijd te houden met de familie, de levieten, de armen, de knechten en de slaven en de vreemdelingen. Delen stond dus centraal en de zorg voor de minsten. Maar elk van die feesten moest ook als een Sabbat gevierd worden. Al het werk moest worden gestaakt. Niet alleen door de gelovigen zelf maar ook door het personeel en de slaven en zelfs door de dieren die bij het werk werden gebruikt. Voordat het feest gevierd kon worden bij het Heiligdom moest de gelovige zich eerst reinigen, een ritueel bad nemen.

Zo komt Jezus van Nazareth in dit verhaal van Johannes terecht in een badhuis met vijf zuilengangen. Als we in een dergelijk verband vijf lezen dan denken we gelijk aan de vijf boeken van Mozes, de Tora, waar de voorschriften voor de gelovigen in opgeschreven staan. Dat badhuis had een naam die op twee manieren te vertalen is, als “huis van genade” of als “stromend water” Dat badhuis had kennelijk een geneeskrachtige bron. Soms begon het water te bewegen en als je dan in het water kon springen dan genas je van je ziekten. De genezing zou dan komen omdat de God van Israël door een boodschapper, een engel, het water in beweging zou brengen. Temidden van de zieken, blinden, kreupelen en misvormden ontwaard Jezus in dit verhaal iemand die al net zo lang ziek ligt als het volk Israël nodig had om door de woestijn te trekken van de eerste rustplaats na de uittocht tot aan de laatste rustplaats voor de intocht. Jezus laat zien dat er voor al die zieken, blinden, kreupelen en misvormden een moment komt dat ze kunnen opstaan uit hun doodswoestijn en het land kunnen binnen gaan dat overvloeit van melk en honing.

Maar hoe zit het dan? Het is een feestdag. Een feestdag die als Sabbat gevierd moet worden. Een dag waarop elk werk gestaakt moet worden. Mag het werk van genezing dan wel? Mag de zieke zijn matras oppakken en het leven van elk gezond mens binnengaan? Waar zijn de regels en waar moet men zich aan houden en vooral waar mag je elkaar op aanspreken? Wij denken graag dat Jezus wonderen verrichtte en dat we daarom maar moeten geloven dat hij de Zoon van God was. Maar zo zit het niet. Johannes spreekt niet over wonderen maar over tekenen. En tekenen zijn er om iets duidelijk te maken. De symboliek die we in het verhaal kunnen ontdekken maakt dat nog meer duidelijk. Hier wordt verteld wat de bedoeling is van de feesten waarbij je naar de Tempel moet optrekken. Daarom staat er ook niet bij welk feest het is, het gaat om elk feest. De bedoeling is het beleven van de bevrijding en het gaan leven vanuit de bevrijding. De mens is niet langer slaaf van productie en consumptie, van vruchtbaarheid en welvaart, de mens is bevrijd en daarmee ook bevrijd van ziekte en handicap. Niet langer houden ziekte en handicap de mens op zijn plaats. De mens is daarmee ook geen slaaf meer van de autoriteiten, geen wonder dat die van die bevrijder af willen. Je kunt het risico niet lopen dat mensen zelf zonder regels gaan leven. Ook wij vergeten vaak dat die ene vrije dag in de week ons is gegeven om samen als volk vrij te zijn van alle overheersing. Wij gooien die ene gezamenlijke vrije dag maar over boord. Tegelijk zien we dat de zorg voor zwakken in de samenleving af neemt. Zou daar verband tussen bestaan?

De omtrek van de stad

Ezechiël 48:20-35

20 Het heilige domein dat jullie moeten afzonderen, inclusief de eigen grond van de stad, is dus vierkant en meet 25.000 bij 25.000 el. 21 Wat overblijft aan weerskanten van het heilige domein en de eigen grond van de stad, is voor de vorst: het gebied vanaf de 25.000 el van het heilige domein tot aan de oostgrens, en westelijk vanaf de 25.000 el tot aan de westgrens, evenwijdig aan de stamgebieden, is voor de vorst. Het heilige domein met het tempelheiligdom bevindt zich in het midden. 22 Afgezien van de eigen grond van de Levieten en de eigen grond van de stad, die midden in het gebied van de vorst liggen, is al het land tussen het gebied van Juda en het gebied van Benjamin voor de vorst. 23 Vervolgens de overige stammen: Benjamin krijgt een deel, van oost naar west. 24 Grenzend aan Benjamin krijgt Simeon een deel, van oost naar west. 25 Grenzend aan Simeon krijgt Issachar een deel, van oost naar west. 26 Grenzend aan Issachar krijgt Zebulon een deel, van oost naar west. 27 Grenzend aan Zebulon krijgt Gad een deel, van oost naar west. 28 Grenzend aan Gad, in het zuiden, loopt de grens vanaf Tamar tot aan het water van Meribat-Kades en dan langs de wadi naar de Grote Zee. 29 Dit is de indeling van het land dat jullie door loting moeten verdelen onder de stammen van Israël-zo spreekt God, de HEER. 30 Dit zijn de omtrekken van de stad. Aan de noordkant meet ze 4500 el. 31 De poorten van de stad zijn genoemd naar de stammen van Israël. Er zijn drie poorten op het noorden: de Rubenpoort, de Judapoort en de Levipoort. 32 Aan de oostkant 4500 el, met drie poorten: de Jozefpoort, de Benjaminpoort en de Danpoort. 33 De zuidkant meet 4500 el, met drie poorten: de Simeonpoort, de Issacharpoort en de Zebulonpoort. 34 De westkant 4500 el, met deze drie poorten: de Gadpoort, de Aserpoort en de Naftalipoort. 35 De omtrek van de stad bedraagt 18.000 el. Voortaan heet de stad: ‘De HEER is daar!’ (NBV)

De Bijbel staat niet los van maatschappelijke discussies die in de samenleving worden gevoerd. In dit slot van het boek van profeet Ezechiël herinnert de profeet zijn volgelingen aan een aantal van die discussies die afgesloten moeten worden voordat aan de terugkeer en de herbouw zou kunnen worden begonnen. Wat is de verhouding tussen Jeruzalem en de Tempel bijvoorbeeld. Daarover zwijgt Ezechiël bijna. Bij de priesters was er een stroming die vond dat er een tempelterrein was waar alleen de gelovigen konden komen, zij die bij het volk behoorden, en dat daaromheen een stad lag waar iedereen mocht komen. Volgens Ezechiël is het zo eenvoudig nog niet. Er zijn priesters en levieten die samen een gebied hebben. Er is een vorst die een gebied moet hebben en er is de stad van een zekere omvang.

Alle gebieden zijn gericht op de Tempel en het verbond van Israël met de God van Israël. Uitdrukkelijk is dat zo met de poorten van de stad. Er zijn twaalf poorten waardoor je de stad kunt uitgaan en ingaan. Die poorten dragen de namen van de stammen van Israël. Als waar is dat Israël een licht is voor de volken dat geven die poorten en de namen van de poorten al aan dat iedereen welkom is. De stammen van Israël zijn immers toonbeelden van gastvrijheid. Niemand wil verweten worden niet gastvrij te zijn. Vanuit Jeruzalem en de Tempel gaan als het ware 12 stralen de wereld in, de hele bewoonde wereld tot aan de einden der aarde. Ezechiël neemt de unieke en exclusieve positie van Jeruzalem en de Tempelberg voor lief. Voor de ballingschap, en daarna ook, zijn er ook andere vormen geweest. Iedere stam had ongeveer haar eigen heiligdom.

Na de splitsing van Israël moest elk van de beide delen toch een eigen heiligdom hebben. Na de ballingschap probeerden de teruggekeerde ballingen de exclusiviteit van het volk vorm te geven door iedereen uit te sluiten die niet de godsdienst bedreven zoals zij dat deden. Die heiligdommen buiten Jeruzalem hadden uiteindelijk tot afgoderij geweest. Elk heiligdom wilde zich onderscheiden van de andere. Maar tijdens de ballingschap waren er Israëlieten achter gebleven. Armen, zwakken, ouderen. Zij hadden zo goed en zo kwaad als het ging de Godsdienst proberen te onderhouden. Na de ballingschap vormden zij het volk van de Samaritanen, met een eigen Heiligdom en alleen de Tora als de leer van God. De profeten en boeken als de Psalmen werden niet erkend. Voor Christenen is in dit gedeelte te lezen dat we inderdaad welkom zijn in de dienst aan de God van Israël, de hongerigen voeden, de naakten kleden en de dorstigen te drinken geven. Dar blijft. Volgens Ezechiël wordt dit door de herbouw van de Tempel alleen maar benadrukt.

 

Dit heilige domein

Ezechiël 48:8-19

8 Grenzend aan Juda, van oost naar west ligt het domein dat jullie moeten afstaan, 25.000 el breed en even lang als de andere delen, van oost naar west. In het midden komt het heiligdom. 9 Het domein dat jullie aan de HEER moeten afstaan is 25.000 el lang en 10.000 el breed. 10 Dit heilige domein is bestemd voor de priesters. Aan de noordkant is het 25.000 el lang, aan de westkant 10.000 el breed, in het oosten is het 10.000 el breed en aan de zuidkant is het weer 25.000 el lang. In het midden staat het heiligdom van de HEER. 11 Het heilige gebied is voor de priesters, die nakomelingen van Sadok zijn, die mij trouw bleven dienen en zich niet, zoals de Levieten deden, van mij afkeerden toen de Israëlieten zich van mij afkeerden. 12 Zij krijgen binnen het domein een allerheiligst eigen domein, naast het gebied van de Levieten. 13 De Levieten krijgen een gebied dat grenst aan dat van de priesters en even groot is: 25.000 bij 10.000 el. De hele lengte bedraagt 25.000 el en de breedte 10.000 el. 14 Ze mogen er niets van verkopen of verruilen. Men mag het beste deel van het land niet in andere handen laten overgaan, want het is aan de HEER gewijd. 15 De rest van het gebied van 5000 bij 25.000 el is niet heilig; het is bestemd voor de stad, als woongebied en weidegrond. De stad zelf komt in het midden te liggen. 16 Dit zijn de afmetingen ervan: aan de noordkant 4500 el, aan de zuidkant 4500 el, aan de oostkant 4500 el, en aan de westkant ook 4500 el. 17 De strook weidegrond rondom de stad is in het noorden 250 el breed, in het zuiden 250 el, in het oosten 250 el en in het westen 250 el. 18 Langs het heilige domein blijft aan de oostkant 10.000 el en aan de westkant 10.000 el over. Die stroken lopen langs het heilige domein, en de opbrengst ervan is bestemd voor hen die in de stad werken. 19 Zij zijn het ook die deze grond moeten bewerken. Ze komen uit alle stammen van Israël. (NBV)

Het publiek waartegen Ezechiël spreekt zijn alle ballingen, maar sommige ballingen meer dan andere. De oudsten van het volk komen regelmatig bij hem op bezoek en vragen om raad. En bij die oudsten horen ongetwijfeld ook de Priesters en Levieten. Bij de uitgebreide beschrijving van de plattegrond van de nieuwe Tempel werden al de ruimten op het Tempelcomplex genoemd die bestemd waren voor de dienst door de Priesters en de Levieten. Maar wat nu ht land is verdeeld. Ondanks dat er Priestersteden geweest waren kregen bij de toewijzing zoals Ezechiël die opgesomd had de Priesters en de Levieten geen eigen grond waarmee ze in hum onderhoud zouden kunnen voorzien. Maar alleen offervlees eten maakt de mensen er niet gezonder op. Daarom komt er een stuk heilig domein, bij voorrang bestemd voor de Priesters.

Met die grond kan niet gehandeld worden. Die grond is allerheiligste grond en hoort toe aan de God van Israël zelf. De dienaren van die God, zij die dienst doen in het Heilige en het Allerheiligste in de Tempel kunnen daarvan leven. Wie ploegt er en zaait er dan? Wie weidt de runderen en de schapen die nodig zijn voor het dagelijks voedsel maar ook voor de melk en de wei. De mensen uit de stad staat hier. Soms is de Bijbel heel praktisch. Arbeidsmigranten zijn in dit Israël niet nodig. Het volk komt immers zelf naar de Tempel toe. Ze komen daar om de voorgeschreven offers te brengen. Om ook een maaltijd te houden met de familie, het personeel, de slaven en slavinnen en de vreemdelingen die in hun midden zijn. Dat vee moeten ze eigenlijk zelf meenemen, maar als ze nu heel ver weg wonen dan mogen ze ook hun eigen vee in hun woonplaats verkopen en van de opbrengst in Jeruzalem de voorgeschreven offerdieren kopen. Dat brengt al een levendige handel in Jeruzalem.

Maar wie zou stadsbewoners verhinderen om zich te verhuren om het gebied van de Priesters te onderhouden. Om daar tegen een vergoeding van Pelgrims, te zaaien en te maaien. Maar ook te zorgen voor het eigen vee van de Priesters. Dat brengt melk op en wei. Schapen worden geschoren en leveren zeer nuttige wol. Runderen hebben eem huis waar je leer van kunt maken. Zo kun je ook bomen aanplanten. Niet alleen vruchtbomen maar ook snelgroeiende bomen waarvan het hout gebruikt kan worden om te verwarmen, om meubels en gebruiksvoorwerpen van te maken. Voor de zorg voor de Priesters zijn in de stad dus ook ambachtslieden nodig die voor onderhoud, voor de verwerking van de producten en daarmee voor een aangenaam leven van de Priesters werken. De stad krijgt daarmee een heilige economie die in haar geheel draait om de aanbidding van de God van Israël en het onderhouden van het verbond met die God. Onze kerken lijken soms wel op die stad. Er moet worden schoongemaakt, gestookt en apparatuur onderhouden en bediend. Wij trekken daarvoor vrijwilligers aan. Hoe meer vrijwilligers hoe hechter de gemeenschap. Wat doe jij eigenlijk binnen je eigen geloofsgemeenschap?