Zie mij in erbarmen aan

Psalm 69:14-30
14 En nu, HEER, richt ik mijn gebed tot u, laat dit een uur zijn van mededogen. Groot is uw ontferming, God, antwoord mij, toon uw trouw en red mij. 15 Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink, laat mij ontkomen aan wie mij haten, haal mij uit dit diepe water. 16 Laat de stroom mij niet meesleuren, het slijk mij niet verzwelgen, de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten. 17 Antwoord mij, HEER, u bent genadig en goed, keer u tot mij, zie mij in erbarmen aan. 18 Verberg uw gelaat niet voor uw dienaar, antwoord mij snel, want de angst benauwt mij. 9 Wees mij nabij en bevrijd mij, verlos mij van mijn vijanden. 20 U kent mijn smaad, mijn schande, mijn schaamte, al mijn belagers staan voor u. 21 Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos, ik hoopte op mededogen-vergeefs; op troost-die ik niet vond. 22 Nee, ze mengden gif door mijn eten en lesten mijn dorst met azijn. 23 Laat hun tafel hun valstrik worden en een valkuil voor hun vrienden. 24 Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, beroof hun lendenen van alle kracht. 25 Stort over hen uw toorn uit, laat hen aan uw woede niet ontkomen. 26 Maak hun woonplaats tot een woestenij, verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner. 27 Want zij vervolgen wie u hebt geslagen, en wegen het leed van wie door u is verwond. 28 Voeg dit alles toe aan hun schuld, sluit hen uit van uw genade, 29 schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen. 30 Ik ben verzwakt, ik ben verwond, maar uw hulp, o God, zal mij beschermen. (NBV)
We zijn ook vandaag nog niet van het klaaglied af. Want waar kun je over klagen. over je vijanden, die je niet tot je recht laten komen. Neem nu de dichter van deze psalm. Hij is verzwakt en verwond. Misschien is dat wel het werk van God. Maar waarom komen de mensen hem niet tot hulp. Nee ze beschuldigen hem, ze vervolgen hem. Ze vergiftigen zijn eten en geven azijn te drinken. Het komt ook vandaag de dag nog voor. Als je ziek bent of gehandicapt dan is dat een straf van God zeggen sommigen. Mensen gaan nu eenmaal graag op de stoel van God zitten en vinden dat normaal ook. De Bijbel spreekt een andere taal. Toen aan Jezus eens gevraagd werd of een verlamde door God gestraft werd vanwege zijn eigen zonden of vanwege de zonden van zijn ouders riep Jezus dat het helemaal niet ging om de zonden, maar opdat de heerlijkheid van God duidelijk zou worden en hielp vervolgens de verlamde weer op weg.
Zo mogen wij ook nog wel eens kijken naar onze zieken en gehandicapten. De mensen die aangewezen zijn op verpleging en verzorging. Zijn zij ons niet alles waard? Kunnen ook wij niet zeggen dat de liefde die God ons gegeven heeft zichtbaar wordt in de wijze waarop wij zorg en verpleging beschikbaar stellen aan hen die het nodig hebben? Dus komt in onze dagen aan het licht hoe onze samenleving in elkaar zit. Kijk maar eens rond in de verpleeghuizen. Overbelast personeel kan nauwelijks de zorg verlenen die nodig is. Wij leven in een samenleving van ikke ikke ikke en de rest kan stikken. De zorg wordt de rijken te duur. Wie alles voor een ander over heeft dreigt drie dagen preventief opgesloten te worden wegens gevaarlijk gedrag. Je moet immers voor jezelf leven, in grote auto’s zo hard mogelijk rijden zonder je aan de snelheidsregels te houden, die regels zijn alleen voor de armen.
Moet je de zorg voor jezelf voorop stellen en de ander maar laten barsten? De dichter doet een beroep op de God van Israël. Die God heeft ontferming, ook voor slechte mensen, hij laat het regenen voor de goeden en de kwaden. Tot die God mag je roepen om je niet te laten verdrinken in een zee van kwaad. Aan die God mag je vragen om je recht te doen. Dan zal die God je genezen van je blindheid en al die goede mensen laten zien die het kwade met het goede bestrijden. Want die mensen zijn er ook, die schreeuwen niet, die laten zich er niet op voorstaan, die zijn niet uit op eigen heil en eigen verlossing. Ze proberen mensen in nood weer tot hun recht te laten komen. Die mensen zien we in deze dagen de straat op gaan. Niet altijd omdat ze zelf of hun kinderen worden gediscrimineerd maar omdat ze niet willen leven in een samenleving waar discriminatie getolereerd wordt. Onverschillig blijven voor het kwaad is er aan meedoen. Dat mogen we best van deze Psalm leren.

U kent mijn lichtzinnig leven

Psalm 69:1-13
1 Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van David. 2 Red mij, God, het water staat aan mijn lippen, 3 ik zink weg in bodemloos slijk en vind geen grond voor mijn voeten, ik ben in diep water geraakt, de stroom sleurt mij mee. 4 Uitgeput ben ik van het roepen, mijn keel is schor geschreeuwd, mijn ogen zijn verzwakt van het uitzien naar mijn God. 5 Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden, met velen zijn mijn belagers, mijn vijanden die mij bedriegen: teruggeven moet ik wat ik niet heb geroofd. 6 God, u kent mijn lichtzinnig leven, mijn schuld is u niet ontgaan. 7 Laat ik niet beschamen wie naar u uitzien, HEER, God van de hemelse machten, laat wie u zoekt niet om mij te schande staan, God van Israël. 8 Om u moet ik smaad verduren en bedekt het schaamrood mijn gezicht. 9 Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden, een onbekende voor de zonen van mijn moeder.10 De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd, de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen. 11 Ik huilde tranen toen ik vastte, maar wat ik oogstte was hoon, 12 ik hulde mij in een boetekleed, maar verachting werd mijn deel. 13 In de stadspoort wordt over mij gepraat, en de liedjes van drinkers spotten met mij.  (NBV)
Vandaag lezen we het eerste gedeelte van een klaagzang, geschreven op een in Israël heel vroeger populaire melodie. De dichter vraagt zijn God om bevrijding. Nu kennen we in de Theologische Verloskunde ook die klachten wel. De gelovige  moet dan verlost worden van de eigen zonden al heeft die gelovige dat niet verdient. Dat laatste klopt dan wel met de Bijbelse gegevens want alleen maar vragen om verlossing voor jezelf is behoorlijk egoïstisch en daar gaat het bij het geloven in de God van Israël nu juist niet om. Het gaat hier om een schreeuw om verlossing van de vijanden, van de goddelozen. Die brengen je steeds in verleiding het verkeerde te doen. Je lijkt te gaan verdrinken in een samenleving die in alles het tegengestelde is van hetgeen je op grond van de Bijbel lijkt te geloven. Je wordt van alle kanten bedrogen, niemand is meer te vertrouwen.
Ze halen je bankrekening leeg als je iemand een glas water hebt gegeven. Misschien dat je houding tegenover vreemden wat lichtzinnig is en dat je er zelf ook mede schuld aan hebt maar vriendelijkheid, hulpvaardigheid en gastvrijheid zijn ook voorbeelden voor anderen, voorbeelden over hoe je kunt zijn als je luistert naar de God van Israël. Maar in plaats van je recht te doen gaat iedereen je verwijten dat je zo stom was die ander te helpen. Die diefstal, die nood waar je in verzeilt geraakt bent is je eigen schuld. En zelfs als je je schuld toont wordt je nog bespot, een stommerd ben je, een naïeveling die altijd anderen vertrouwt en die ellende krijg je als je onbevangen de God van Israël volgt. Je zou willen dat je recht zou worden gedaan, dat je erkenning krijgt voor het goede dat je hebt gedaan voor iemand die een beroep op je deed.
In Israël werd het recht gesproken in de poort van de stad. Daar zaten de oudsten die op grond van de Tora, de leer van Mozes, mensen tot hun recht moesten laten komen. De armen, de slachtoffers van ziekte, onderdrukking, geweld, de weduwen en de wees kregen daar de voorrang die ze nodig hadden en het recht waarmee ze door konden gaan. Maar in plaats van recht krijgt de dichter spot. In de kroegen van de stad zongen de drinkebroers spotliedjes. Van broederschap, van erkenning en ondersteuning is geen sprake meer. Moet je dan veranderen? Moet je dan meegaan in de wereld van het grote ik? Kennelijk heeft de Psalmdichter door dat je als je twijfelt aan de manier waarop je leeft en handelt de God van Israël een manier biedt om te ontdekken wat een betere en meer vruchtbare manier is van leven. Dat aanbod hebben wij ook.

Ik kom een wig drijven

Matteüs 10:34-11:1
34  Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35  Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; 36  de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten! 37  Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard. 38  Wie niet zijn kruis op zich neemt en mij volgt, is mij niet waard. 39  Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden. 40  Wie jullie ontvangt ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt hem die mij gezonden heeft. 41  Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, zal als een profeet beloond worden, en wie een rechtvaardige ontvangt omdat het een rechtvaardige is, zal als een rechtvaardige beloond worden. 42  En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van mij is, ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.’ 1 Toen Jezus uitgesproken was en de twaalf leerlingen zijn opdrachten had gegeven, trok hij weer verder om in hun steden onderricht te geven en er het goede nieuws te verkondigen. (NBV)
Polarisatie, dat is het duidelijk stellen van tegenstellingen, was een aantal decennia geleden populair, maar werd even hard veroordeeld als aangehangen. Het lijkt er op dat hier ook Jezus van Nazareth aan bewuste polarisatie doet. We zien Jezus van Nazareth altijd als de grote vredebrenger. “Vrede op aarde en in mensen een welbehagen”, daarmee begint toch voor veel mensen het leven van Jezus van Nazareth. En zij herinneren zich zijn uitspraak dat allen die het zwaard zullen opnemen door het zwaard zullen vergaan. Toch begint de Bijbelpassage van vandaag met de belijdenis dat Jezus van Nazareth niet is gekomen om vrede te brengen maar het zwaard. Dat hij een wig drijft tussen mensen en dat hij waarschuwt dat de eigen huisgenoten de vijanden van de mensen zijn. Een ieder wordt hier op eigen verantwoordelijkheid aangesproken. Niet de familiebanden bepalen of je bij het Koninkrijk hoort, niet of je goed voor je eigen familie zorgt of gehoorzaam bent aan je familie maar of je de Weg gaat van Jezus van Nazareth.
De profeet en de rechtvaardige worden geringe mensen genoemd, maar als je ze een beker water geeft, alleen een beker koel water, dan pas hoor je er bij en zal je beloond worden. Dat is het goede nieuws. Het hangt niet en nooit niet van anderen af. Wat de mensen er ook van mogen zeggen, zorgen voor de minsten in de samenleving staat altijd, onder alle omstandigheden voorop. Moet je dan ruzie maken met je familie? Kan er alleen maar oorlog zijn met de mensen die je het meest na staan? Komt hier de aversie tegen schoonmoeders in veel moppen vandaan? Nee zeker niet. Maar veel jonge vrouwen doen zoals ze denken dat hun schoonmoeder wil dat ze doen. Ze verliezen zichzelf daarbij vaak. Als hun schoonmoeder een keer op visite komt verandert de zelfbewuste jonge huisvrouw in een zenuwachtig wrak. Pas als iemand daar een keer met de schoonmoeder over begint blijkt dat die zich nergens van bewust is en zelfs de eigen persoon, de eigen gewoonten en oplossingen van de schoondochter zou willen zien.
Zo gaat het ook vaak tussen vaders en zonen en tussen moeders en dochters. En als het over opvattingen en geloofszaken gaat kan het nog erger. Dan slaan vaders, vooral oudere vaders, maar ook vaak moeders, hun kinderen dood met Bijbelteksten, dan wordt er niet meer geluisterd naar elkaar, dan wordt het eigen godsbeeld opgedrongen. En juist Bijbelteksten in het Nederlands, soms zelfs geciteerd uit een vertaling die eeuwen geleden werd gemaakt, kunnen zo gemakkelijk uit hun verband gerukt zijn en zo gemakkelijk een anti-Bijbelse opvatting weergeven. Vertalen is immers stamelend en stotterend herhalen wat er in de oorspronkelijke taal staat. Kinderen horen daartegen in opstand te komen, zij horen te eisen dat er een werkelijk gesprek over opvattingen en geloofszaken mogelijk is. God verschijnt aan mensen zoals mensen de God van Israël nodig hebben, dat kan voor kinderen anders zijn dan voor hun ouders. Dat is namelijk ook het goede nieuws waar de leerlingen mee op pad zijn gestuurd, dat er voor iedereen plaats is in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth, als men wil delen, als men voor de minsten op de wereld een beker koel water over heeft.

Wees dus niet bang

Matteüs 24-33
24  Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. 25  Een leerling moet er genoegen mee nemen te worden als zijn leermeester, en de slaaf als zijn heer. Als ze de heer des huizes al Beëlzebul genoemd hebben, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet uitmaken? 26  Wees dus niet bang voor hen. Want niets is verborgen dat niet onthuld zal worden en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 27  Wat ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken. 28  Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna. 29  Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil. 30  Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld. 31  Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. 32  Iedereen die mij zal erkennen bij de mensen, zal ook ik erkennen bij mijn Vader in de hemel. 33  Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal ook ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel. (NBV)
Het gedeelte uit het Evangelie dat we vandaag lezen zou zo weggehaald kunnen zijn uit een boek als Spreuken. Het klinkt als de wijsheid van Salomo. Maar het heeft voor Jezus en zijn leerlingen een heel actuele betekenis. In de dagen van Jezus van Nazareth snapte iedereen direct dat een slaaf op de onderste ladder van de samenleving stond. Het leven van een slaaf is eigenlijk niks waard en op het doden van je eigen slaaf stond ook geen straf. Matteüs begint dan ook met de uitspraak van Jezus te citeren dat de slaaf niet meer hoeft te zijn dan de meester, of de leerling meer dan de leraar, maar toch.  Je kunt je ook vandaag de dag niet voorstellen dat de buschauffeur niet boven de bestuursvoorzitter van de busmaatschappij gesteld met worden.
Dat ze gelijk zijn is dus duidelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Jezus waarschuwt voor de oorlog die je ontketent als je dit van de daken gaat schreeuwen. Toch is het ook een waarschuwing voor de leermeester en de slavenmakers. Die Beëlzebub is in het spraakgebruik uit de tijd van Jezus het hoofd van de duivels, het opperste kwaad. Als je als heer of leermeester zo wordt genoemd dan straalt dat af op alles dat aan jou ondergeschikt of van jouw afhankelijk is. Beiden moeten dus zorgen voor een goede verhouding. Want als ze geheimen hebben dan worden die vanzelf wel ergens duidelijk. En niemand hoeft bang te zijn om geheimen te onthullen. Uiteindelijk gaat het niet om jezelf maar om de samenleving die er recht op heeft om geheimen te kennen.
Dat is ook in onze dagen zo. Je kiest wel steeds de goede kant, en hij heeft er weet van als je ten val komt en uiteindelijk zal het allemaal wel goed komen, maar Jezus is ook gekomen om het zwaard te brengen. Onrecht mag niet ongenoemd blijven.  Journalisten die onderzoek doen naar geheimen bij overheid en bedrijfsleven doen uiteindelijk niet anders dan Jezus vraagt. Goed en kwaad zullen eindelijk duidelijk worden. Het kind van de uitgeprocedeerde asielzoekster is niet minder dan een van de dochters van Maxima en Alexander, en we worden geroepen om van allebei evenveel te houden. Je mag van anderen houden als van jezelf en als je merkt hoeveel je van een ander kan houden dan weet je ook hoeveel jezelf waard bent. In de vijftiende eeuw schreef iemand eens op dat het eigenlijk de enige troost is die we hebben, dat God er weet van heeft wat er met je gebeurt. Sinds die tijd is dat aan heel veel mensen geleerd. Maar je leert het pas echt als je weet hebt van de ellende van de anderen, en daar wat aan wil doen.

Maar wie standhoudt tot het einde

Matteüs 10:16-23
16 Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. 17  Pas op voor de mensen, want ze zullen je voor het gerecht brengen en je geselen in hun synagogen. 18  Jullie zullen omwille van mij worden voorgeleid aan gouverneurs en koningen, en een getuigenis moeten afleggen ten overstaan van hen en de heidenen. 19  Wanneer ze je uitleveren, vraag je dan niet bezorgd af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven. 20  Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt. 21  De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen laten terechtstellen. 22  Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. 23  Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, zal de Mensenzoon gekomen zijn. (NBV)
Er zijn van die predikers die beloven een gemakkelijk leven als je de weg van Jezus van Nazareth volgt. “Laat Jezus in je hart en je zult de vrede kennen” Afgezien van de vraag hoe “Jezus in je hart” moet komen is de suggestie dat het leven vredig en gemakkelijk wordt geheel in strijd met wat Jezus er in het verhaal van Mattheüs zelf over te zeggen heeft. We kennen natuurlijk de uitdrukking over de wolf in schaapskleren, een vijand die zich onder de nietsvermoedende onschuldige kudde begeeft om daar kwaad aan te richten. Maar kennen we het omgekeerde ook? Schapen die zich onder de wolven begeven om andere schapen te helpen?  We staan er waarschijnlijk niet zo bij stil maar organisaties als Artsen zonder Grenzen kennen dit soort schapen.  In oorlogsgebieden vindt je hen terug, onafhankelijk en alleen daar waar mensen zonder hulp zijn gaan ze hun gang, wat overheden of gewapende troepen er ook van mogen vinden.
Regelmatig vallen er slachtoffers onder deze hulpverleners, of ze worden ontvoerd of gevangen gezet, of ter dood gebracht. Ooit was er een tijd dat de kerken de verantwoordelijkheid voor dit soort hulp op zich hadden genomen. De geschiedenis kent dan ook vele slachtoffers van geweld die alleen hulp aan de armsten en de zwaksten kwamen brengen. Veel kerken hebben zich echter zozeer met de machthebbers in de wereld verbonden dat het aantal kerkelijke hulpverleners zeer is teruggelopen. Van veel kerken is voor de machthebbers zeker geen gevaar meer te duchten.  En toch waarschuwt Jezus er voor dat het volgen van zijn weg een hoop onrust en conflict teweeg zal brengen.  Kinderen tegen hun ouders, burgerlijke en kerkelijke overheden tegen de volgelingen van Jezus.
Jullie zullen door iedereen worden gehaat zegt hij tegen zijn zendelingen, en daarmee kunnen ze op pad. Wie in onze dagen voor de armen opkomt wordt vreemd aangekeken. Wie maaltijd houdt met vreemdelingen in plaats van hen te veroordelen loopt de kans gemeden te worden en met de nek te worden aangekeken. Wie racisten veroordeeld en opkomt voor een rechtvaardige samenleving waar mensen recht hebben op hun eigen overtuiging en manier van leven loopt de kans met geweld bedreigd te worden. Het gaan van de Weg van Jezus van Nazareth betekent dat gaan op die weg volhouden, ondanks wat er gebeurd, ondanks wat vrienden, familie en de mensen om je heen er van vinden, ondanks de heersende opinie, volhouden tot het einde toe. Elke dag opnieuw.

Schud het stof van je voeten

Matteüs 10:5-15
5  Deze twaalf zond Jezus uit, en hij gaf hun de volgende instructies: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. 6  Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. 7  Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” 8  Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven! 9  Neem in je beurs geen gouden, zilveren of koperen munten mee, 10  schaf je voor onderweg geen reistas aan, geen extra kleren, geen sandalen en geen stok, want een arbeider is het waard dat er in zijn onderhoud wordt voorzien. 11  In elke stad en in elk dorp waar je komt, moet je uitzoeken wie het waard is je te ontvangen; blijf daar dan tot je weer verder gaat. 12  Groet de bewoners van het huis dat je binnengaat. 13  Laat jullie vrede over dat huis komen als het dat waard is, maar als het dat niet waard is, laat dan die vrede naar je terugkeren. 14  En als ze je niet willen ontvangen noch naar je woorden willen luisteren, verlaat dan dat huis of die stad en schud het stof van je voeten. 15  Ik verzeker jullie: de dag van het oordeel zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad. (NBV)
De 12 zendelingen die Jezus er op uit stuurt krijgen heel nauwkeurige instructies mee. Jezus zelf was net weggestuurd uit het 10 stedenland, omdat hij de gekkigheid van een paar bewoners aan varkens had verbonden die zich vervolgens van de rotsen hadden gestort, dus naar het buitenland mogen ze voorlopig niet gaan. Het blijft bij de mensen van hun eigen volk want die kunnen snappen waar het om gaat. Een koninkrijk waar de Thora, de richtlijn voor de menselijke samenleving, heerst, de regel van je naaste liefhebben als jezelf. Daarom mogen ze ook niks verdienen aan het brengen van de boodschap, aan het genezen van ziekten en het laten ophouden van allerlei gekkigheid. Zeker niet aan het wegnemen van kwellingen en aan het weerbaar maken van het volk, zoals je het “genezen van alle ziekten en kwalen” eigenlijk ook zou kunnen vertalen.
Van die plaatsen waar ze niet ontvangen worden moeten ze het stof van hun voeten schudden. Ofwel ze moeten opnieuw op weg gaan en zich niet laten besmetten door het negativisme waar men kennelijk voor kiest, we kunnen toch niet anders doen als we gewend zijn te doen klinkt het. Ook in onze dagen keren veel mensen zich van de politiek af. Problemen in de wereld zijn ingewikkeld en het kost moeite en energie je daarin te verdiepen. Dat het eigenlijk gaat om te zorgen voor minsten in de wereld wordt door de rijken en machtigen handig verborgen achter moeilijke woorden en ingewikkelde conflicten. Goedkopen slagzinnen lijken de keuze voor de juiste politiek makkelijker te maken. Populisten worden dus vandaag de dag populair, maar over zorg voor de zwakken, zorg voor weerbaarheid en bevrijding van kwelling hoor je weinig meer. Verzet tegen onrechtvaardige verhoudingen is er daarom door demonstranten, er wordt op zoveel terreinen tegelijk geknaagd dat de wortels van de samenleving op zijn voor we het weten.
Vergeleken bij hun einde zal het lot van Sodom en Gommorra nog zacht zijn, zei Jezus over de mensen die zijn zendelingen niet wilden ontvangen. Niet commercieel, vrede brengend, alle mensen liefhebbend, niemand weggooiend. Een koninkrijk dat ongeveer op alle fronten het tegendeel was van wat het onze aan het worden is. Natuurlijk willen mensen wel samen een volk vormen. De enorme massa’s die zich scharen achter een voetbalelftal dat namens ons land wint bewijst dat wel. De omvang lijkt op de massa die in de dagen van Jezus van Nazareth bij hem sterkte en bevrijding van kwelling zoekt. Wij zijn een rijk land, tienduizenden konden het zich permitteren een paar weken in Brazilië te verblijven bij een WK voetbal. Maar wanneer lopen er bij ons Apostelen langs die de massa’s bewegen om te gaan delen met de minsten, te zorgen voor de zwaksten? Of zouden ze bij ons het stof van hun voeten moeten schudden?

Iedere ziekte en elke kwaal.

Matteüs 9:35-10:4
35 Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal. 36  Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder. 37  Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. 38  Vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’ 1 Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen. 2  Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, 3  Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, 4  en ten slotte Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die hem zou uitleveren. (NBV)
Geen wonder dat Jezus van Nazareth handen te kort komt als je iedereen van elke ziekte en elke kwaal weet te genezen. Maar staat dat er eigenlijk wel? Het Griekse woord dat hier met ziekte wordt vertaald kan ook worden vertaald als kwelling en het woord dat met kwaal wordt vertaald kan ook worden vertaald als zwakte. En dan staat er iets anders dan een beschrijving van het werk van de gemiddelde dokter. Dan staat er dat Jezus van Nazareth de mensen weer moed en kracht gaf, zoals schapen weer kracht kunnen krijgen als ze goed en vers gras te eten krijgen. Maar daar is een herder voor nodig die ze naar grazige weiden brengt. Het ene beeld heeft verband met het andere. Maar sterke zieken die verzekeringen en overheden kunnen aanspreken op de zorg waar ze recht op hebben zijn heel wat lastiger dan zwakke en zielige figuren die maar moeten bidden met gevouwen handen en gesloten ogen of ze misschien beter mogen worden. Om de massa sterker en weerbaarder te maken is kader nodig, zijn mensen nodig die het goede voorbeeld geven en zelf ook de mensen helpen sterker en weerbaarder te worden.
Zo koos Jezus van Nazareth 12 mensen die hij er op uit kon zenden om al die mensen die opnieuw wilden beginnen, die geloofden beter te kunnen worden, ook daadwerkelijk te helpen weerbaarder en sterker te worden. Mattheüs geeft een hele rij namen en bij een paar discussiëren de geleerden nog wie nou wie is. Je vindt de rij ook bij Lukas die de mannen zendelingen of Apostelen noemt omdat ze er op uit worden gestuurd. Eén ervan is Simon bijgenaamd Kananeüs. Die bijnaam onderscheidt hem van Simon Petrus waar we waarschijnlijk meer van gehoord hebben. Dat Kananeüs staat in de Nieuwe Bijbelvertaling. Het stond ook al in de Statenvertaling uit 1619 op deze manier vertaald. In de Bijbelvertaling van 1951, die de laatste 50 jaar bijna overal is gebruikt staat nog Simon de Zeloot. Je moet dus nooit de Bijbel letterlijk nemen, want je moet altijd vragen naar welke Bijbel, of beter naar welke vertaling uit welke grondtekst je moet luisteren. Het gaat om de betekenis.  Die bijnaam Kananeüs gaat terug op een woord dat in het Bijbelboek Exodus wordt gebruikt voor IJveraar. En dat was ook de bijnaam voor de beweging van de Zeloten die in de tijd van Jezus verzet pleegden tegen de Romeinse bezetting. Ze gingen gewelddadig verzet niet uit de weg. Deze Simon, zo wordt aangenomen, had zich na verloop van tijd bij Jezus aangesloten, maar hij bleef “de IJveraar”.
De reuk van terrorisme bleef hem volgen. Niet zo vreemd want terrorisme heeft tot in onze tijd vaak een religieuze bodem. Maar dat Jezus van Nazareth juist die leerlingen leerde de tijdgeest van fatalisme en negativiteit te bestrijden en om te zetten in de geest van saamhorigheid en oog hebben voor de zwaksten is duidelijk. Dat er mensen rondtrokken om de massa te bevrijden van kwelling en weerbaarder te maken is ook duidelijk. Veel mensen vinden dat we vandaag net zo gezonden worden als de Apostelen in de dagen van Jezus van Nazareth. We weten nu waar we dan aan moeten werken. Niet met geweld en terreur, we worden door geweld en terreur onderdrukt, maar met tekenen van liefde en saamhorigheid. Want mensen die kracht nodig hebben om beter te worden, om onafhankelijk te blijven van de medische industrie en in staat moeten blijven zelf beslissingen te nemen over hun eigen lot hebben die saamhorigheid nodig. Ze moeten weten dat er mensen zijn die om hen geven en die hen willen steunen in de beslissingen die ze nemen, bij de vragen die ze willen stellen, bij de keuzes die ze willen maken. Dat is mensen kracht geven en moed om de situatie onder ogen te zien. Zo maak je blinden ziende en zet je lammen weer in beweging. Een dagtaak waar wel elke dag weer aan mogen gaan staan.

Zoals u gelooft

Matteüs 9:27-34
27 Toen Jezus van daar verderging, volgden hem twee blinden die luidkeels riepen: ‘Heb medelijden met ons, Zoon van David!’ 28  En nadat hij een huis was binnengegaan, kwamen de blinden naar hem toe. Jezus vroeg hun: ‘Gelooft u dat ik dit kan doen?’ Ze antwoordden: ‘Zeker, Heer!’ 29  Daarop raakte hij hun ogen aan en zei: ‘Zoals u gelooft, zo zal het ook gebeuren.’ 30  En hun ogen gingen open. Jezus waarschuwde hen uitdrukkelijk: ‘Zorg ervoor dat niemand het te weten komt!’ 31  Maar na hun vertrek verspreidden ze het nieuws over hem in de hele omgeving. 32  Terwijl ze het huis weer verlieten, bracht men iemand bij hem die bezeten was en niet kon spreken. 33  Nadat de demon was uitgedreven, begon de stomme te spreken. De mensenmassa stond versteld, men zei: ‘Zoiets hebben we in Israël nog nooit gezien!’ 34  Maar de Farizeeën zeiden: ‘Het is dankzij de vorst der demonen dat hij demonen kan uitdrijven.’ (NBV)
Waar geloven die mensen uit het Nieuwe Testament eigenlijk in? Niet in kruis en opstanding, die hadden in de verhalen uit de vier testamenten nog niet plaatsgevonden toen Jezus hen zei: “zoals u gelooft, zo zal het ook gebeuren”. De twee blinden uit het verhaal beginnen met Jezus aan te spreken als “Zoon van David” Uit de Hebreeuwse Bijbel hadden ze geleerd dat de “Zoon van David” zou komen om het volk van onderdrukking te bevrijden. Met name de profeet Jesaja had op lyrische wijze die bevrijding beschreven. De blinden zouden kunnen zien, de doven horen, de lammen weer huppelen, de bedroefden getroost en niemand zou sterven voor zijn of haar tijd. Het geloof in die belofte had Jezus zelf ook. Het verhaal vertelt dat toen hij eens in de synagoge van Nazareth de lezing mocht verzorgen en hij daar ook iets over mocht zeggen hij dat gedeelte over die blinden en doven en zo uit het boek van de profeet Jesaja las en tegen de mensen zei dat die belofte, dat visioen van Jesaja was uitgekomen.
Als een samenleving zo verandert dan is dat een bedreiging voor de bestaande machten en de bezoekers van de Synagoge in Nazareth hadden geprobeerd Jezus in een ravijn te gooien. Hij echter was uit Nazareth vertrokken. Maar hij had er van geleerd. Tegen de blinden zei hij heel nadrukkelijk dat ze het gebeurde tegen niemand mochten vertellen. Zoiets kan echter niet geheim blijven. De mensen kenden de twee als blinden die langs de kant van de weg zaten te bedelen. Nu waren ze opgestaan en hadden hun plaats in de samenleving weer opgeëist. Dat dat kon was onbestaanbaar. Ziekten werden veroorzaakt door boze geesten, of waren een straf van God. Beide opvattingen werden door Jezus bestreden. Toen vier vrienden een lamme vriend aan de voeten van Jezus neerlegden vertelde Jezus dat die verlamming er was opdat de grote daden van God duidelijk zouden worden.
 En die boze geesten lieten zich uitdrijven, Jezus had het er druk mee beschrijft Matteüs, ook in dit verhaal laat hij iemand weer meespreken die door een boze geest tot zwijgen zou zijn gebracht. De bedreiging van de samenleving blijkt uit de reactie van de Farizeeën. De kracht van Jezus is niet van God maar van de baas van de boze geesten. Nu wij meer voor elkaar zorgen, elkaar weer als volwaardige mensen willen erkennen hoor je ook die reacties van gevestigde machten, verstoring van de orde, belediging van de grootste geschiedenis, overschatting van het vermogen van onze samenleving in vrede en liefde met elkaar om te gaan. Geloof het niet zegt het verhaal over Jezus, dat visioen van Jesaja kan ook vandaag uitkomen. We kunnen echt rascisme uitbannen en leren van de fouten en misdaden uit het verleden, we kunnen echt voorkomen dat meer mensen ziek worden door van onze naaste te houen.

Hij pakte het meisje bij de hand

Matteüs 9:18-26
18 Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een leider van de synagoge naar hen toe die voor Jezus neerviel en zei: ‘Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.’ 19  Jezus stond op en volgde hem met zijn leerlingen. 20  Plotseling naderde hen van achteren een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze raakte de zoom van zijn bovenkleed aan, 21  want ze dacht: Als ik alleen zijn bovenkleed maar kan aanraken, zal ik al genezen worden. 22  Jezus draaide zich om, en bij het zien van de vrouw zei hij: ‘Wees gerust, uw geloof heeft u gered.’ En vanaf dat moment was de vrouw genezen. 23  Toen Jezus bij het huis van de leider van de synagoge aankwam en er de fluitspelers en de luid weeklagende menigte zag, 24  zei hij: ‘Ga naar huis, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt.’ Men lachte smalend. 25  Nadat iedereen was weggestuurd, ging hij naar binnen. Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op. 26  Het verhaal hierover verspreidde zich in de hele omgeving. (NBV)
Een lastig Bijbelgedeelte vandaag. Het wordt altijd heel romantisch ” het dochtertje van Jaïrus” genoemd. Dat verhaal over die vrouw met bloedverlies wordt dan als een storende factor bestempeld. Zoiets als het is toch vanzelfsprekend dat als je Jezus aanraakt je van alle kwalen genezen bent. Waarom juist dat verhaal binnen dat verhaal over dat dochtertje is binnengeslopen blijft dan buiten beschouwing. Hooguit is het een bewijs dat die Jezus een heleboel wonderen kon doen. Maar waarom lezen we dit Bijbelgedeelte dan na bijna 2000 jaar nog steeds? Heeft het toen in de krant gestaan? Was het de start van een belangrijke maatschappelijke omwenteling? Niets van dat alles en als je de Bijbel zo leest had het Nieuwe Testament zich kunnen beperken tot een verhaal over de kruisiging en de opstanding.
Er is met dit verhaal dus meer aan de hand dan het op het eerste gezicht lijkt. Het verhaal gaat over twee vrouwen en de leider van de synagoge. En bloedverlies speelt een rol. Die leider van de synagoge kent uiteraard de Tora en in de Tora staat dat je een vrouw tijdens haar maandelijkse bloeding niet mag aanraken. Dat ter bescherming van die vrouw. Zo wordt ze ook bevrijd van de maatschappelijke opvatting dat ze een bezit is waarmee een man zou kunnen doen wat hij wilde zonder met haar rekening te houden. Nee, die vrouw verloor een deel van haar leven en pas als ze dat had overleefd konden man en vrouw weer tot een volwaardige relatie komen. Maar wanneer weet je nu of een vrouw haar maandelijkse bloeding heeft of niet? Dat kun je als man niet weten, behalve als die vrouw je partner, je wederhelft, is. Daardoor is de gewoonte bestaan om vrouwen niet meer aan te raken.
De regel over de bescherming van vrouwen tijdens haar maandelijks bloedverlies is ook overgenomen in de Islam. Daarom vind je daar mannen, vaak de leiders van moskee, die vrouwen geen hand willen geven. Daarmee respecteren ze vrouwen en leggen ze de nadruk op dat respect. Die vrouw die Jezus genas behoorde dus tot de onaanraakbaren. Daar had ze zich niet bij neergelegd en jarenlang was ze bezig geweest dat op te doen houden. Pas toen Jezus haar aanraking accepteerde was ze er van bevrijd. En dat dochtertje? Lucas vertelt dat ze 12 jaar en nadat Jezus haar had wakker gemaakt beval Jezus dat ze moest eten. En door niet te eten kunnen meisjes voorkomen dat ze de maandelijkse bloeding krijgen, ze eten dan niet meer. Wij hebben daar fraaie termen en mooie diagnoses voor. Maar de bedreiging door mannen die vrouwen alleen als bezit, als voorwerpen, kunnen zien is niet verdwenen. Dit verhaal zou mannen kunnen leren vrouwen meer als gelijken  te beschouwen, misschien dat er één je wederhelft is, maar ook die is nooit je bezit.

Barmhartigheid wil ik, geen offers.

Matteüs 9:9-17
9  Toen Jezus van daar verderging, zag hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Hij stond op en volgde hem. 10  Toen hij thuis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. 11  De Farizeeën zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’ 12  Hij hoorde dit en gaf als antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. 13  Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ 14  Daarop kwamen de leerlingen van Johannes bij hem en vroegen: ‘Waarom vasten wij en de Farizeeën wel regelmatig, en uw leerlingen niet?’ 15  Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet treuren zolang de bruidegom bij hen is? Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, dan zullen ze vasten. 16  Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is. Want dan trekt de nieuwe lap de mantel kapot en wordt de scheur nog groter. 17  Evenmin giet men jonge wijn in oude leren zakken. Anders scheuren de zakken, dan wordt de wijn verspild en gaan de zakken verloren. Maar gaat de nieuwe wijn in nieuwe zakken, dan blijven beide behouden.’ (NBV)

Nu volgt op het  verhaal over de vrienden die met hun zieke vriend het dak op gingen de geschiedenis  van Matteüs. Een belastinggaarder. Tollenaar staat er in de diverse vertalingen en dat woord heeft bij ons een slechte klank. Toch koesteren wij ook onze historische tolhuisjes. Belasting heffen op de goederen die langs de weg worden vervoerd is al eeuwen oud. Wat ons er van is overgebleven is de douane. Bij ons moet de douane trouwens niet zozeer geld heffen op goederen maar er ook voor zorgen dat er geen ongewenste goederen het land worden ingesmokkeld. In de dagen van Jezus werkten die tollenaars voor de Romeinse bezetter. De Joden voelden het ook als hun plicht belasting te betalen aan de Tempel, dat stond immers in de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Twee keer belasting betalen is wel een heel zware last, vooral voor mensen die niet echt veel geld hebben.
Het is niet zo vreemd dat met name de Farizeeën zich hier druk over maakten. Zij wilden dat het volk zich zo veel mogelijk zou isoleren van de buitenlanders. Daarnaast was niet alleen de Tempelbelasting voor hen belangrijk maar ook het geven van aalmoezen. Hoe meer aalmoezen je gaf hoe belangrijker je werd. Als je ook nog belasting moet betalen aan de bezetters dan wordt dat toch moeilijker. Voor Jezus bestaat die isolatie niet. Iedereen zou moeten mee kunnen doen met de samenleving zoals die door de profeten als een ideale samenleving wordt geschetst. Daarom moet je maaltijden houden met die mensen die het met de regels niet zo nauw nemen. Daarbij gaat het ook niet over aalmoezen maar om een instelling waarbij de zwakken en de minsten voorop staan in je handelen. Dat zal ook aan tollenaars en anderen duidelijk gemaakt moeten worden.
Het wordt Calvinisten, overtuigde protestanten, nog wel eens verweten dat ze niet kunnen genieten, dat ze geen feest kunnen vieren. Als ze dat wel doen wordt ze overigens snel verweten dat ze geen echte protestanten zijn. Beide is onterecht. Gelovigen zorgen dat ze bij bewustzijn blijven, onmatig eten en drinken is er niet bij, maar genieten van eten en drinken wel degelijk. Gelovigen amuseren zich niet ten koste van anderen, anderen gebruiken als lustobject is er bijvoorbeeld absoluut niet bij. Gelovigen genieten nog het meest als het iemand in nood weer goed gaat, als iemand die aan de grond zat weer opstaat en verder kan in het leven, als iemand die het niet meer zag zitten weer een weg ziet in het leven. Dat is genieten zoals Jezus van Nazareth dat deed. Dat loopt als het ware vooruit op de samenleving die ook Johannes voor ogen had gehad.  En dan mag je best een feest bijwonen, alles is geoorloofd al is niet alles nuttig.