Nooit ofte nimmer

Jeremia 35:1-11

1 Tijdens de regering van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER zich tot Jeremia: 2 ‘Ga naar de Rechabieten en vraag hun met je mee te gaan naar een zijhal in de tempel van de HEER. Bied hun daar wijn aan.’ 3 Ik bracht Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Chabassinja, met zijn broers, zijn zonen en de andere Rechabieten 4 naar de tempel van de HEER, naar de hal van de leerlingen van de godsman Chanan, de zoon van Jigdaljahu. Die ligt naast de hal van de raadsheren en boven die van Maäseja, de zoon van Sallum, het hoofd van de tempelwacht. 5 Ik zette de Rechabieten enkele kannen wijn voor, gaf hun bekers en nodigde hen uit om te drinken. 6 Maar ze zeiden: ‘Wij drinken geen wijn. Onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons dat verboden. “Jullie mogen nooit ofte nimmer wijn drinken,” heeft hij gezegd, “en jullie kinderen evenmin. 7 Jullie mogen ook geen huizen bouwen, akkers inzaaien en wijngaarden planten of bezitten. Jullie moeten voor altijd in tenten wonen; alleen dan zullen jullie lang leven in het land waarin jullie verblijven.” 8 Wij zijn onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, gehoorzaam geweest in alles wat hij ons geboden heeft. Wijzelf en onze vrouwen, zonen en dochters drinken nooit wijn, 9 wij bouwen geen huizen om in te wonen, wij bezitten geen wijngaarden en geen akkers die we inzaaien. 10 Wij hebben altijd in tenten geleefd. Zo zijn wij onze voorvader Jonadab gehoorzaam geweest in alles wat hij ons geboden heeft. 11 Dat we nu in Jeruzalem zijn, komt doordat koning Nebukadnessar van Babylonië het land is binnengevallen. Toen besloten we uit vrees voor de legers van de Chaldeeën en de Arameeërs naar Jeruzalem te vluchten.’ (NBV21)

We weten uit het Bijbelverhaal dat het volk Israël in de woestijn kennis maakte met de God van Israël, de God van hun voorvaderen Abraham, Izaak en Jacob. De God van Mozes ook die ze uit de slavernij van Egypte had geleid. Het waren niet alleen de rechtstreekse afstammelingen van Jacob en zijn zonen die mee de woestijn waren ingetrokken. Ook Egyptenaren en afstammelingen van andere volken die zich gemengd hadden met de Hebreeën hadden zich bij hen aangesloten. Bij de Horeb was het volk een echt volk geworden. Daar hadden ze hun grondwet ontvangen, gegrift op stenen platen. Daar hadden ze de richtlijnen voor de menselijke samenleving ontvangen. Een stel richtlijnen die meer te maken hadden met de manier waarop ze met elkaar om moesten gaan dan hoe ze een God moesten vereren. Die God vereerden ze op hun best door hun naaste lief te hebben als zichzelf. De vraag is natuurlijk of ze het enige volk zijn geweest dat in die Woestijn kennis had gemaakt met die bijzondere God. In de Bijbel komt in elk geval nog één ander volk voor.

Dat zijn de Rechabieten waar we vandaag over lezen. Sporen van hun bestaan zijn in de Bijbel tot in de dagen van Jezus van Nazareth in de Bijbel te vinden. Altijd worden zij tot voorbeeld gesteld van een volk dat de geboden van de God van Israël bleef volgen daar waar het volk Israël een loopje ging nemen met die geboden. In het gedeelte van vandaag lezen we dat de leefregels van de Rechabieten anders zijn dan de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals het volk Israël die had gekregen. Maar die verschillen mochten niet verhullen dat het volgen van die regels en er aan vasthouden tekenen waren van het geloof in die God en dat ze het over dezelfde God hadden. Ook in onze dagen mogen we beseffen dat er misschien meer volken zijn die op hun eigen manier kennis hebben gemaakt met de God van Joden en Christenen. Christenen zijn het er over eens dat ze dezelfde God hebben als de Joden. Maar ook de Islamieten vertellen ons dat zij dezelfde God dienen. Of wij daar zomaar nee tegen mogen zeggen is dus maar de vraag. In elk geval is er geen enkele reden om bang te zijn voor de Islam.

Voor Jeremia is de aanwezigheid van Rechabieten in Jeruzalem een dankbare gelegenheid om duidelijk te maken hoe je wel en hoe je niet gehoorzamen kan aan de regels van de God van Israël. De regels worden bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Daar worden de offers gebracht daar wordt ook de maaltijd gehouden met de levieten, je familie, de armen en de vreemdelingen die bij je woonden. In de dagen van Jeremia hadden sommige families daarvoor zelfs kamers in het Tempelcomplex gekocht. Naar zo’n kamer neemt Jeremia de belangrijkste leden van de stam van de Rechabieten mee voor een maaltijd. Bij een maaltijd werd wijn geschonken, rode wijn als het bloed waarin het leven huisde zoals werd geloofd. Maar de Rechabieten weigerden wijn te drinken, zelfs in de Tempel die het volk Israël had gebouwd ook voor hun God. Hun regels immers hielden in dat ze in tenten woonden en geen wijn dronken. Het volk Israël had zich ook aan de regels van hun God gehouden. Ze hadden geen oorlog gevoerd met de vijanden waarvoor ook de Rechabieten waren gevlucht. Ze hadden hun slaven volgens voorschrift vrijgelaten. Maar toen het gevaar geweken was hadden ze gebroken met de regels en de vrijgelaten slaven weer slaaf gemaakt. Zo moet het niet. Neem een voobeeld aan de Rechabieten, hou je aan de Wet van heb je naaste lief als jezelf, ook al levert dat niks meer op. We mogen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.