Geloven zonder te twijfelen

Matteüs 21:18-22

18 Toen hij vroeg in de morgen naar de stad terugkeerde, kreeg hij honger. 19 Langs de weg zag hij een vijgenboom staan. Hij liep ernaartoe, maar er zaten alleen maar bladeren aan. Daarop zei hij tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zul je meer vrucht dragen!’ Ogenblikkelijk verdorde de vijgenboom. 20 Toen de leerlingen dat zagen, vroegen ze verbaasd: ‘Hoe kan het dat die vijgenboom zo plotseling verdorde?’ 21 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloven zonder te twijfelen, zul je niet alleen teweeg kunnen brengen wat er gebeurde met de vijgenboom, maar zul je zelfs tegen ie berg kunnen zeggen: “Kom van je plaats en stort je in zee, ”en het zal gebeuren. 22 Alles waarom jullie in je gebeden vragen zullen jullie krijgen, als je maar gelooft.’ (NBV)

Gewoon kijken naar een dode boom en dan niet verbaasd zijn dat ook de bladeren er af vallen hebben we verleerd. Gewoon beginnen aan het verwijderen van ook de zwaarste obstakels als dat nodig is durven we niet meer. Daar heeft Jezus van Nazareth het over. Hij had uit Psalm 8 geleerd dat dat de manier is waarmee kinderen naar hun wereld kijken. Die onbevangenheid brengt je het dichtst bij God. En als de mensen iets te grote woorden lijken te gebruiken om hem aan te duiden dan wijst hij al die knappe geleerden op die Psalm. Ze weten wel veel maar ze zijn vergeten er mee te spelen, ze zijn vergeten dat het gaat om het geluk en de vreugde van gewone mensen, ja zelfs van de minsten onder hen. Het gaat er om de mensen die vastgelopen zijn in hun leven weer in beweging te krijgen, het gaat er om mensen die het niet meer zien in het leven weer een toekomst te laten zien en het licht doen opgaan.

Het gaat er dus uitdrukkelijk niet om om godsdienst en religie te verbinden met geld en verdienste. Overal in de Bijbel klinkt de oproep dat iedereen moet kunnen meedoen en als er mensen zijn die daar moeite mee hebben of te weinig bezitten om mee te doen dan moet je delen, dan moet je samen delen als gemeenschap. Daarom zie je in veel kerken dat er terughoudend wordt gecollecteerd, dat als er wordt gecollecteerd er eerst voor de armen een bijdrage wordt gevraagd. In de Protestantse Kerken in Nederland gaat het dan vaak eerst om Kerk in Actie, om de vergeten rampen, de armsten in de hele wereld, om de steun aan de bevrijding van de allerarmsten, de eerste slachtoffers van oorlog, geweld en armoede. Daarna volgen dan de armen in eigen omgeving, want ook al hebben we het rijk in ons land, ook in een rijk land kunnen mensen in de knel komen. Als gemeenten en deurwaarders te veel terug vragen, op een te groot deel van een klein inkomen beslag leggen dan is er ook in ons land voor veel gezinnen geen morgen meer waarop zelfs een simpel ontbijt voor kinderen ligt te wachten.

Dan kunnen kerken soms een uitkomst bieden. Voor de eigen kerk, voor de kosten van de dienst en het kerkgebouw wordt vaak pas bij de uitgang gecollecteerd. En in Protestantse Kerken krijg je vaak het gevoel dat je niet hoeft te geven, het mag, het is welkom, maar als je niet hebt dan ben je er zelf niet minder welkom om. En twijfel? Mag je dan niet twijfelen aan het bestaan van God? Aan de waarheid van de Bijbel? Aan de boodschap van Jezus van Nazareth? Waar twijfel je dan aan? Aan de wetenschappelijke houdbaarheid van de stellingen die je door een kerk worden voorgehouden? Daar mag je best aan twijfelen, al die zekerheden zijn maar betrekkelijk. Of twijfel je aan de zin van het leven als je leven ingericht is op de zorg voor de minsten. Daar is geen twijfel over mogelijk, dode dingen blijven dood en zijn zinloos, alle genot en lust is uiteindelijk leeg, maar de zorg voor de minsten, het opstaan van mensen die geen stap meer verder kunnen, het inzicht dat mensen krijgen die het niet meer zien zitten, dat geeft een rijkdom die onbetaalbaar is, daar hoef je nooit aan te twijfelen, ook vandaag niet.

Zij allen waren rein.

Ezra 6:13-22

13 Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, Setar-Boznai en hun ambtgenoten voerden nauwgezet uit wat koning Darius bevolen had. 14 De oudsten van de Judeeërs vorderden gestaag met de bouw, dankzij het optreden van de profeet Haggai en van Zacharia, de kleinzoon van Iddo. Zij voltooiden de tempelbouw zoals de God van Israël en de Perzische koningen Cyrus, Darius en Artaxerxes bevolen hadden. 15 In het zesde regeringsjaar van koning Darius, op de derde dag van de maand adar, was de tempel gereed. 16 De Israëlieten, de priesters, de Levieten en de overige teruggekeerde ballingen, vierden de inwijding van de tempel van God met vreugde, 17 en daarvoor brachten zij de volgende offers: honderd stieren, tweehonderd rammen en vierhonderd lammeren. Daarnaast offerden zij nog twaalf geitenbokken als reinigingsoffer voor heel Israël, één voor elk van de twaalf stammen. 18 Ook werden de priesters ingedeeld in hun klassen en de Levieten in hun afdelingen, voor de dienst van God in Jeruzalem, volgens de voorschriften in het boek van Mozes. 19 De teruggekeerde ballingen vierden Pesach op de veertiende dag van de eerste maand. 20 De priesters en de Levieten hadden zich allemaal gereinigd, zij allen waren rein. Ze slachtten het pesachlam voor alle ballingen, voor hun medepriesters, en voor zichzelf. 21 De Israëlieten die teruggekeerd waren uit de ballingschap aten het pesachlam, en ook allen die zich hadden afgekeerd van de onreinheid van de plaatselijke bevolking en zich bij de Israëlieten hadden aangesloten om de HEER, de God van Israël, te vereren. 22 Ze vierden vrolijk het feest van het Ongedesemde brood, zeven dagen lang, want de HEER had hen met vreugde vervuld: hij had de koning van Assyrië op andere gedachten jegens hen gebracht, zodat de koning hen krachtig steunde bij het werk aan de tempel van God, de God van Israël. (NBV)

De tegenstand is na de brief van Koning Darius voorgoed gebroken. Tattenai zal blij geweest zijn dat hij zo voorzichtig was geweest door de Koning te vragen eens in de archieven te laten kijken. Nu kon het bevel van Cyrus ook onder zijn opvolgers worden uitgevoerd. Voor de Judeeërs bleven de profeten Hachai en Zacharia belangrijk. Die bleven de bouwers aansporen het Huis van de God van Israël weer in ere te herstellen. We zien twee keer Darius genoemd en daar tussen Artaxerxes. Was dit nu een fout in de Bijbel? Darius zal toch niet een tijdje afgetreden zijn? Uit onderzoek naar de geschiedenis van het Perzische Rijk blijkt dat er een Darius I is geweest die werd opgevolgd door Artaxerxes. Deze werd op zijn beurt weer opgevolgd door Darius II. De Bijbel is geen geschiedenisboek, al die Koningen zijn niet zo belangrijk, het draait om de God van Israël die weer een woning krijgt temidden van het volk. Er wordt dus feest gevierd. Opvallend is dat hier de Tempelschatten niet worden genoemd.

Ook een intrek van God, zoals in de Tabernakel en bij de inwijding van de Tempel van Salomo plaats had gevonden, wordt nu niet genoemd. Wel wordt de Tempel geheiligd, apart gezet van het gewone, door de offers te brengen die horen bij reiniging, bijzonder maken, en de offers die duidelijk maakten dat heel het volk besefte dat alles uit Gods hand ontvangen was en dat het volk bereid was dat te delen. Uitdrukkelijk wordt heel het volk betrokken, alle twaalf stammen. We spreken nog wel eens over de verloren 10 stammen van Israël na de ballingschap maar van die 10 stammen waren toch mensen teruggekomen die ook later bij het lidmaatschap van hun stam worden genoemd. Van Hanna die in de Tempel de pasgeboren Jezus verwelkomde werd uitdrukkelijk gezegd dat ze uit de stam Aser was. Ook de Priesters en de Levieten kregen hun taken toegewezen, de zangers vormden weer koren en dan wordt het feest. De herbouw van de Tempel was begonnen met het Loofhuttenfeest, dat een herinnering was geweest aan de reis door de woestijn.

Nu wordt het Pesachfeest gevierd. Het feest van de gersteoogst, de eerste oogst, maar ook de herinnering aan de bevrijding van de slavernij in Egypte en de uittocht uit het slavenhuis. Er was toen een lam geslacht waarvan het bloed aan de deurposten werd gesmeerd en het vlees werd gebraden en er werden ongezuurde broden gebakken en gegeten. Die handelingen worden nu herhaald door de teruggekeerde ballingen en al die achterblijvers die de afgoderij van Baäl en de Asjerapalen hadden afgezworen en zich weer geheel aan de Tora wilden houden. Dat het allermaal gelukt was werd toegeschreven aan God. Ze hadden er een paar jaar over gedaan, het was niet zonder slag of stoot gegaan. Zo is het voor ons ook. Het geloof in God betekent niet dat alles voortaan vanzelf gaat. We hebben mensen nodig die ons aansporen, we hebben moed en volharding nodig om het werk aan het Koninkrijk vol te houden. Maar dat geloof kan ons daarbij helpen, uiteindelijk breekt de dag van de bevrijding aan.

Bidden voor het leven van de koning

Ezra 6:6-12

6 ‘Wat uw vraag betreft, Tattenai, gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai en uw ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie: laat de bouw ongemoeid. 7 Laat het werk aan de tempel van God ongestoord voortgang vinden. De gouverneur en de oudsten van de Judeeërs mogen de tempel herbouwen op zijn vroegere plaats. 8 En ik heb bevel gegeven dat u de oudsten van de Judeeërs moet steunen bij de bouw van de tempel van God: zij moeten de kosten steeds volledig vergoed krijgen uit de koninklijke schatkist, uit de belastingopbrengst van de provincie Trans-Eufraat, zolang als nodig is. 9 Alles wat de priesters in Jeruzalem nodig hebben, moet hun dagelijks, zonder enige terughoudendheid, gegeven worden: jonge stieren en rammen en lammeren om te offeren aan de God van de hemel, en tarwe, zout, wijn en olie, 10 zodat zij offergaven aan de God van de hemel kunnen brengen, en zullen bidden voor het leven van de koning en zijn zonen. 11 Ook heb ik het bevel gegeven dat er bij iedereen die dit besluit overtreedt een balk uit zijn huis moet worden gesloopt, waaraan hij vervolgens rechtop zal worden vastgenageld. Zijn huis moet worden verwoest. 12 Moge de God die zijn naam laat wonen in deze tempel, de tempel van God in Jeruzalem, alle koningen en volken neerslaan die een poging doen om dit besluit te overtreden door de tempel te verwoesten. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven, en het moet nauwkeurig worden uitgevoerd.’ (NBV)

Mooi hè zo’n oude brief die eer bewijst aan de God van Israël. Je leest in zo’n tekstgedeelte niet alleen wat er staat, wat je er ook van verwacht maar ook vanuit hetgeen je weet. Natuurlijk het decreet van Koning Cyrus is gevonden en dat wat de bouwende ballingen hadden verteld aan Tattenai klopt. Tattenai moet zich verder niet bemoeien met de herbouw van de Tempel, integendeel, hij moet de kosten op zich nemen en zorgen dat er voldoende vee, graan, wijn en olie is om de dagelijkse offers en de bijzondere offers te brengen. Dan kan ook de God van de hemel zorgen voor de koning en zijn zonen, hoe meer Goden daarvoor worden ingeschakeld hoe beter.

Aan wie wordt er dus geofferd? Aan de God van de hemel. De Heidenen hadden overal goden voor. Goden voor de vruchtbaarheid, goden voor de aarde en het gewas, goden voor de rivieren, goden voor het weer, met een aparte god voor het onweer die in Babel de oppergod was en kennelijk was er ook een God van de hemel die in Jeruzalem werd aanbeden. Hier zullen de Judeeërs iets anders verstaan hebben als de Meden en de Perzen. In de Psalmen wordt gesproken over de God van Israël als de baas over de raad van de goden. Uiteindelijk waren het de profeten die er de nadruk op legden dat er maar één God was, de God van Israël wiens Naam nooit werd genoemd uit eerbied maar die door een ieder als Heer werd aangesproken.

Die God was niet alleen de God van de Hemel maar de God van alles. Die God had immers de hemel en de aarde geschapen. Is dit nu een brief van Koning Darius? Daar wordt door geleerden aan getwijfeld. De Koning schrijft over een God die zijn Naam laat wonen in de Tempel. Dat is een uitdrukking uit Deuteronomium. In de Tempel stond immers geen beeld van de God van Israël. Dat was voor Heidenen toch redelijk onvoorstelbaar, En natuurlijk krijgt iedereen die zich niet aan het bevel van de Koning houdt straf. Daar zijn wij een beetje van afgestapt. Ook al zijn er regels om elkaar te beschermen tegen een dodelijk virus, als je je er niet aan houdt krijg je nog geen straf. Hooguit loop je wat meer kans op besmetting maar dat is geen straf van God, het is je eigen stommiteit.

De fundamenten moeten dezelfde blijven

Ezra 6:1-5

1 Toen gaf koning Darius bevel om een onderzoek in te stellen in de Babylonische archieven, waar de schatten worden bewaard.2 In de burcht van Ekbatana, in de provincie Medië, vond men een rol waarin de volgende gedenkwaardige gebeurtenis beschreven was: 3 ‘In zijn eerste regeringsjaar heeft koning Cyrus het volgende bevel gegeven aangaande de tempel van God in Jeruzalem: De tempel moet worden herbouwd, op de plaats waar geofferd wordt. De fundamenten moeten dezelfde blijven, en hij moet zestig el hoog worden en zestig el breed. 4 Hij moet bestaan uit drie lagen steenblokken en één laag hout, en de kosten moeten worden betaald uit de koninklijke schatkist. 5 Ook moeten de gouden en zilveren voorwerpen uit Gods tempel, die Nebukadnessar uit het heiligdom in Jeruzalem heeft gehaald en naar Babel heeft gebracht, worden teruggegeven en worden overgebracht naar het heiligdom in Jeruzalem, waar ze horen, en daar worden neergezet, in de tempel van God.’ (NBV)

Heeft een dergelijk klein stukje verhaal toch ook een boodschap voor ons. De Bijbel lijkt hier wel op een geschiedenisboek maar dat is het natuurlijk niet. Het is een boek over het geloof in de God van Israël en hoe mensen daar mee omgaan. Er staan een paar feiten in die geleerden na kunnen gaan. Dat archieven verbonden zijn aan schatkamers kwam wel eens meer voor. Dat Ekbatana zou het zomerverblijf kunnen zijn van de Pezische Koning. In de zomer kun je ook de beste feesten organiseren, zeker in een land waar het warm is. Maar de beschrijving van hoe de Tempel er uit zou moeten zien is merkwaardig. De nieuwe Tempel zou twee maal zo hoog worden als de Tempel van Salomo.

Het moet een Tempel worden waar geofferd kan worden. Nu hebben de offers in de Heidense samenleving een heel andere betekenis dan in de godsdienst van de God van Israël. In de Heidense opvatting stem je een God met je offers gunstig. De kans dat die God je gaat helpen wordt dan groter. Je houdt die God immers ook in leven. In de godsdienst van Israël is een offer het teken dat je je aan het verbond met die God wil houden. Dat wat je hebt heb je van die God gekregen hou je niet voor jezelf maar je deelt het. Door te offeren laat je dat delen zien. De heidense Cyrus zal er op gerekend hebben dat offers aan de God van Israël tot gevolg zouden hebben dat ook die God hem zou steunen, net als alle andere goden.

De terugkeer van de Tempelschatten naar Jeruzalem worden een aantal keren genoemd. Kennelijk was dat voor de Bijbelschrijvers heel belangrijk. Maar waarom is goud en zilver zo belangrijk voor het volk. De liefde tot God en de liefde tot de naaste zouden toch veel belangrijker moeten zijn? Goud en zilver zijn in de geschiedenis van Israël gevaarlijk. Ze hadden een gouden kalf gemaakt waarvoor ze knielden, ze hadden houten beelden met goud en zilver bekleed en als goden vereerd. Dat goud en zilver voor de Tempel was toch niet om te vereren. Geleerden nemen aan dat met de terugkerende vermelding van het goud en zilver van de Tempel betekent dat men de plaats van de godsdienst die het in Israël had onder Salomo weer wilde voortzetten. Men zette zich in een traditie waarin het verbond centraal staat. Ook wij kunnen deelhebben aan die traditie door onze naaste lief te hebben als ons zelf, door vluchtelingen gastvrij te ontvaangen bijvoorbeeld.

Alle goeds!

Ezra 5:6-17

6 Afschrift van de brief die Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai, en diens ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie, aan koning Darius hebben gezonden. 7 Het bericht aan hem luidde als volgt: ‘Aan Darius, de koning: alle goeds! 8 Het zij de koning bekend dat wij naar de provincie Juda zijn gegaan, naar de tempel van de grote God. Die tempel wordt opgetrokken van steenblokken, en in de muren worden balken gelegd. Het werk wordt zorgvuldig uitgevoerd en vordert gestaag. 9 Wij hebben de oudsten gevraagd wie hun het bevel had gegeven tot de bouw van de tempel en de voltooiing van het heiligdom. 10 Ook hebben wij hun namen gevraagd, zodat we, te uwer informatie, de namen van de leiders schriftelijk konden vastleggen. 11 Dit was hun antwoord: “Wij zijn dienaren van de God van de hemel en de aarde, en wij herstellen de tempel die reeds vele jaren geleden werd gebouwd; een groot koning van Israël heeft de bouw ervan destijds voltooid. 12 Maar omdat onze voorouders de God van de hemel hebben vertoornd, heeft hij hen aan de koning van Babylonië, de Chaldeeër Nebukadnessar, uitgeleverd. Hij heeft deze tempel verwoest en het volk in ballingschap naar Babylonië weggevoerd. 13 Koning Cyrus van Babylonië echter heeft in zijn eerste regeringsjaar bevel gegeven de tempel van God te herbouwen. 14 Ook de gouden en zilveren voorwerpen die Nebukadnessar uit Gods heiligdom in Jeruzalem had weggenomen en naar het heiligdom in Babel had gebracht, zijn door koning Cyrus daar weer vandaan gehaald en aan een zekere Sesbassar gegeven, die door hem was aangesteld als gouverneur. 15 Hij zei hem: ‘Neem deze voorwerpen en zet ze terug in het heiligdom van Jeruzalem. Zorg ervoor dat Gods tempel op zijn vroegere plaats herbouwd wordt.’ 16 Genoemde Sesbassar is hier gekomen en heeft de fundamenten gelegd van Gods tempel in Jeruzalem, en van toen af aan tot nu toe is eraan gebouwd, maar hij is nog niet gereed.” 17 Welnu, als het de koning behaagt, laat hij dan in Babylonië een onderzoek instellen in de koninklijke archieven naar de vraag of het werkelijk zo is dat koning Cyrus bevel heeft gegeven om deze tempel van God in Jeruzalem op te bouwen. Laat hij ons vervolgens op de hoogte brengen van zijn wil in dezen.’ (NBV)

Bureaucratie kan ook mooi zijn. Alles wordt opgeschreven en alles wordt bewaard. Alle ongerechtigheid kan dan ook boven water komen. In onze dagen hebben we daar zelfs een wet voor. De wet openbaarheid van bestuur. Alle brieven, aantekeningen, nota’s en adviezen die geleid hebben tot een beslissing van de overheid kunnen worden opgevraagd en zo bekend gemaakt. Vaak vindt die overheid dat helemaal niet leuk, maar als een zogenaamd WOB verzoek wordt geweigerd, of gesaboteerd door stukken weg te laten of zwart te lakken, dat heeft die overheid iets te verbergen. Het verhaal over de bouw en de verwoesting van de Tempel, gevolgd door het bevel van Koning Cyrus klinkt kennelijk zo overtuigend dat de autoriteiten van Jeruzalem de Koning gingen vragen om eens in het archief te laten kijken om te zien of het verhaal ook waar was.

Het verloop van de bouw, de verwoesting en de ballingschap wordt beschreven als een reactie van de God van Israël op de afvalligheid van het volk van het verbond dat God ooit met het volk had gesloten. Toen het volk zich in de ballingschap weer ging richten op het verbond met hun God zorgde die God er voor dat Koning Cyrus het bevel gaf de stad en de Tempel weer te herbouwen. Die herbouw was dus ook op de eerste plaats voor de ballingen een Goddelijke opdracht. Koning Cyrus was daarvoor een instrument geweest. Zo’n verhaal was natuurlijk zeer indrukwekkend. Dat moet wel een heel machtige God geweest zijn die op die manier de geschiedenis kon beïnvloeden. Het is ook de redenering die Haggaï aan het volk had voorgehouden. Die had er ook nog aan toegevoegd dat de prioriteit leggen bij het bouwen van mooie huizen voor de mensen die van de terugkeer en het herstel het meeste profijt hadden gehad een verkeerde keuze was.

Opvallend in dit verhaal is de rol van Tattenai. Dat was een gouverneur van een groot gebied. Juda en Jeruzalem waren daarvan maar kleine onderdelen. Maar in plaats van het sturen van soldaten zoals bij het bevel tot stilleggen was gebeurd stelde hij nu een onderzoek in. Dat is des te vreemder omdat het stilleggen van de herbouw van de Tempel kwam na een beschuldiging van een mogelijk komende opstand. De gouverneur stelt nu echter eerst een onderzoek in naar het waarom van het negeren van het Koninklijke bevel tot stilleggen van de herbouw. Hij hoort de herbouwers, stelt vast wie de leiders zijn en vraagt dan de koning een onderzoek in te stellen naar de juistheid van het verhaal. Hij hoort dus beide partijen en daarvan zal het oordeel van de Koning afhangen. Veel mensen mogen aan deze manier van handelen een voorbeeld nemen. Het zal blijken dat het horen van beide conflicterende partijen en zorgvuldig onderzoek naar de feiten het Koninkrijk van God dichterbij zal brengen.

Met geweld dwongen zij hen

Ezra 4:17-5:5

17 De koning stuurde het volgende antwoord: ‘Aan Rechum, het hoofd van de kanselarij, en aan Simsai, de hofschrijver, en aan hun overige ambtgenoten die wonen in Samaria en de rest van de provincie Trans-Eufraat: wij wensen u vrede!18 Het schrijven dat u ons heeft doen toekomen, is mij woordelijk voorgelezen. 19 Ik heb bevel gegeven de zaak te onderzoeken, en er is aan het licht gekomen dat deze stad zich van oudsher tegen haar koningen verzet heeft en dat ze een bron is van opstand en oproer. 20 Er blijken in Jeruzalem zelfs sterke koningen geweest te zijn die hun macht hebben doen gelden in de hele provincie Trans-Eufraat, en aan wie belasting, cijns en tol werd betaald. 21 Geef daarom de mannen bevel het werk te staken, want deze stad mag niet worden herbouwd totdat ik daartoe opdracht geef. 22 Hoed u in dezen voor nalatigheid, opdat het koninkrijk geen grote schade zal lijden.’ 23 Toen het afschrift van het schrijven van koning Artaxerxes was voorgelezen aan Rechum, aan de hofschrijver Simsai en aan hun ambtgenoten, gingen zij zo snel mogelijk naar de Judeeërs in Jeruzalem, en met geweld dwongen zij hen de werkzaamheden te staken. 24 Het werk aan de tempel van God in Jeruzalem werd stilgelegd, en daarin kwam geen verandering tot het tweede regeringsjaar van koning Darius van Perzië. 1 Toen begonnen de profeten Haggai en Zacharia, de kleinzoon van Iddo, in opdracht van de God van Israël te profeteren tegen de Judeeërs die in Juda en in Jeruzalem woonden. 2 Daarop hervatten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, de bouw van de tempel van God in Jeruzalem. Ze kregen daarbij de steun van Gods profeten. 3 Kort daarna kwamen Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai met hun ambtgenoten naar hen toe, en vroegen: ‘Wie heeft u bevel gegeven deze tempel te herbouwen, dit heiligdom te voltooien?’ 4 Ook vroegen ze: ‘Hoe heten de mannen die hier aan het bouwen zijn?’ 5 Maar hun God waakte over de oudsten van de Judeeërs: ze werden niet gedwongen het werk stil te leggen voordat er aan Darius zou zijn gerapporteerd en er een schriftelijk antwoord zou zijn ontvangen. (NBV)

Voor een koning van een wereldrijk is het schrikken als die bericht krijgt dat er een opstand op uitbreken staat. In dit geval niet helemaal vreemd want die hele ballingschap was het gevolg van de manier waarop de Koningen van Israël en Juda omgegaan waren met de wereldmachten van hun tijd. Ze hadden de afgoderij en afperserij in hun landen getolereerd en zouden zelf wel even met behulp van bondgenootschappen met andere kleine landjes die wereldmachten wel even verslaan. De God van Israël had ze gelaten. Als ze God niet nodig hadden en het verbond verbraken dan was er voor de God van Israël geen enkele reden om ze nog langer te helpen. De Koning gaf dus het bevel de herbouw van de Tempel te stoppen en de autoriteiten stuurden soldaten om met geweld de herbouw stil te laten liggen.

Daar lag de droom van een nieuw Jeruzalem dus in duigen, die nieuwe Tempel zou er niet komen. Hoe langer het duurde, en het duurde toch minstens een jaar, hoe minder kans er was dat er een nieuwe stad zou kunnen ontstaan. Er werden wel huizen gebouwd voor de mensen die succes hadden met de handel. De landbouw was weer gaan bloeien en door het begin van de Tempelbouw waren er ook weer handelsbetrekkingen met omliggende landen ontstaan. Er ontstond dus een middenklasse die profiteerden van de verbeterde levensomstandigheden en het leek er op dat de herbouw van de Tempel wat minder noodzakelijk was. Daar kwam verzet tegen. Profeten, Haggaï en Zacharia traden op om het volk weer te bewegen aan het werk te gaan. Dat verhaal van Haggaï is in de Bijbel bewaard gebleven.

In het boek van de profeet Haggaï is zijn preek tot de bewoners van Jeruzalem terug te lezen. Hij herinnert er aan dat de opdracht tot de herbouw van de Tempel uiteindelijk van de God van Israël zelf afkomstig was. Die had daarvoor Koning Cyrus gebruikt en er was geen enkele reden om met die goddelijke opdracht op te houden. Dan gebeurt er iets vreemds. Het volk gaat weer aan de herbouw en nu komen er geen soldaten maar ambtenaren die vragen waar ze de moed vandaan haalden. Van God die er voor gezorgd had dat Koning Cyrus hen een uitdrukkelijke opdracht had gegeven. Dat was een passend antwoord op de brief van Koning Darius, ze waren gestopt maar dat stoppen was ook ongehoorzaam zijn aan de Koning. We mogen dus altijd blijven hopen dat het werk aan het Koninkrijk van God door mag gaan. Zelfs geweld, zoals we zien in Wit Rusland, kan ons niet afhouden van de plicht op te komen voor recht en gerechtigheid.

Het zij de koning bekend

Ezra 4:1-16

1 De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een heiligdom voor de HEER, de God van Israël, aan het bouwen waren. 2 Zij gingen naar Zerubbabel en de familiehoofden, en zeiden: ‘Wij willen meehelpen met de bouw, want ook wij vereren uw God, wij offeren al aan hem sinds de dag dat Esarhaddon, de koning van Assyrië, ons hierheen heeft gebracht.’ 3 Zerubbabel en Jesua en de andere familiehoofden van Israël antwoordden hun: ‘Wij mogen niet samen met u een tempel bouwen voor onze God. Wij alleen zullen die bouwen voor de HEER, de God van Israël, want alleen aan ons heeft Cyrus, de koning van Perzië, deze opdracht verstrekt.’ 4-5 Vanaf de tijd dat Cyrus, de koning van Perzië, regeerde, tot onder de regering van koning Darius, probeerde de bevolking van het land het moreel van de Judeeërs te ondermijnen en hen bang te maken, om hen af te houden van de bouw. Ze kochten zelfs raadgevers om opdat die de plannen van de Judeeërs zouden verijdelen. 6 In het begin van het bewind van Xerxes werd een schriftelijke aanklacht ingediend tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem, 7 en later, tijdens het koningschap van Artaxerxes, schreven Bislam, Mitredat, Tabeël en hun ambtgenoten een brief aan de koning. Deze brief was in het Aramees geschreven, en was vertaald. 8 Rechum, het hoofd van de kanselarij, en Simsai, de hofschrijver, schreven de volgende brief aan koning Artaxerxes over Jeruzalem: 9 ‘Van Rechum, het hoofd van de kanselarij, en van Simsai, de hofschrijver, en van hun overige ambtgenoten: rechters, afgezanten, ambtenaren, mannen uit Sippar, Uruk, Babel en Susa (dat zijn Elamieten), 10 en van de andere volken die de grote en doorluchtige Asnappar in ballingschap heeft weggevoerd en heeft laten wonen in de steden van Samaria en het overige gebied van de provincie Trans-Eufraat. 11 (Dit is een afschrift van de door hen geschreven brief.) Aan koning Artaxerxes, van uw dienaren, inwoners van de genoemde provincie.
12 Het zij de koning bekend dat de Judeeërs die bij u zijn weggegaan bij ons in Jeruzalem zijn aangekomen, en dat zij deze opstandige en slechte stad aan het herbouwen zijn: ze herstellen de muren en repareren de fundamenten.
13 Het zij de koning bekend dat wanneer deze stad zal zijn herbouwd en de muren zullen zijn hersteld, er niet langer belasting, cijns of tol zal worden afgedragen, wat de belangen van het koninkrijk zeker zal schaden. 14 Welnu, omdat wij ons gebonden weten aan het paleis, en omdat het ons niet past lijdzaam toe te zien hoe de macht van de koning wordt uitgehold, stellen wij u hiervan op de hoogte, 15 zodat onderzoek kan worden gedaan in de boeken met de gedenkwaardige gebeurtenissen van uw voorgangers. Als u daarin leest, zult u ontdekken dat deze stad een opstandige en vanouds oproerige stad is, waar de belangen van koningen en provincies worden geschaad. Daarom ook werd deze stad verwoest. 16 Wij wijzen de koning erop dat wanneer deze stad zal zijn herbouwd en de muren zullen zijn hersteld, u de macht over de provincie Trans-Eufraat kwijt zult raken.’ (NBV)

Wie de geschiedenis niet kent is gedwongen die te herhalen. De herbouw van de Tempel in Jeruzalem en Jeruzalem zelf komen niet zomaar ergens vandaan. Maar koning Cyrus was gestorven en opgevolgd door koning Xerxes. En met het verdwijnen van Cyrus verdween ook de herinnering aan de politieke beslissing ballingen uit Babel terug te sturen naar het land van herkomst om daar onder Perzisch toezicht de verwoeste steden en tempels weer in gebruik te nemen. Nu was niet iedereen uit Israël in ballingschap gevoerd. En voor de ballingschap was het rijk van David en Salomo uiteen gevallen in een Noordrijk, Israël genoemd, en een Zuidrijk, Judea genoemd. Die landjes concurreerden met elkaar. Ze hadden allebei een godsdienstig centrum, Jeruzalem en Gizeh. Nu de Tempel in Jeruzalem weer werd herbouwd kreeg de Tempel in Gizeh er dus een geduchte concurrent er bij.

Als je je vijand niet kunt verslaan dan moet je je er bij aansluiten. Ook die regel wordt in dit gedeelte van het verhaal van Ezra toegepast. De tegenstanders van Juda en Benjamin, de bewoners van Samaria, het Noordrijk, willen dus wel meedoen met de bouw van de Tempel. De kans dat die Tempel dan een afdeling van het heiligdom in Gizeh zou worden werd dan een stuk groter. Maar er was ook nog een gerucht dat die bewoners van Samaria helemaal geen afstammelingen waren van Israël maar door Babel naar Samaria waren gebracht en dus eigenlijk ook ballingen waren. Ze hadden de godsdienst voor de God van Israël overgenomen, naast hun eigen goden. De samenwerking werd daarom door de teruggekeerde ballingen afgewezen. Er bleef niks anders over voor de tegenstanders dan te stoken in de goede relaties tussen de Perzische koningen, Xerxes en diens opvolger Artaxerxes.

Het is duidelijk uit het verhaal dat het de bestaande regeerders en hoge ambtenaren het verzet tegen de herbouw van de Tempel aanvoerden. Zij konden ook de gemene brieven schrijven die de Koningen op het besluit van Cyrus zouden doen terugkomen. Om maar even duidelijk te maken waar het over gaat is hier een vertaling opgenomen van de brief die aan Artaxerxes is gestuurd. Dit volk van Juda en Benjamin zou zelfs wel eens in opstand kunnen komen. Denk nu niet dat fake nieuws van onze sociale media zijn. Fake nieuws staat dus ook in de Bijbel, als voorbeeld van hoe het niet moet. Ook de Antisemitische propaganda van voor de tweede wereldoorlog en fake nieuws, dat je dus tegenwoordig herhaald ziet. We zullen altijd kritisch moeten staan tegenover de feiten die als feiten worden gebracht maar die we niet kunnen controleren. Geloven doen we in God en die God wijst altijd op het gevolg van beslissingen voor de minsten, de armen, de blinden, de lammen en de doven. Daar mogen ook wij ons handelen op afstemmen.

Op zijn oude fundamenten

Ezra 3:1-13

1 Aan het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich in Jeruzalem. 2 Jesua, de zoon van Josadak, en zijn medepriesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en zijn verwanten, bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop te kunnen offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes, de godsman. 3 Ondanks hun angst voor de bevolking van het land richtten ze het altaar op zijn oude fundamenten op en offerden aan de HEER. Ze droegen de brandoffers voor de morgen en de avond op, 4 en vierden het Loofhuttenfeest volgens de voorschriften: elke dag brachten ze het vereiste aantal brandoffers, zoveel offers dus als er voor iedere dag zijn voorgeschreven. 5 Van toen af aan brachten ze ook het dagelijkse offer, het offer op nieuwemaan en de offers bij alle andere heilige hoogtijdagen van de HEER, en verder alle vrijwillige gaven aan de HEER. 6 Al vanaf de eerste dag van de zevende maand droegen ze brandoffers op aan de HEER, ook al waren de fundamenten van het heiligdom van de HEER nog niet gelegd. 7 De steenhouwers en andere vaklieden werden uitbetaald in zilver; de Sidoniërs en Tyriërs ontvingen voedsel, drank en olie om, met toestemming van Cyrus, de koning van Perzië, cederhout over zee van de Libanon naar Jafo te vervoeren. 8 In het tweede jaar nadat zij naar Gods tempel in Jeruzalem waren gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, en de rest van hun broeders-priesters en Levieten en allen die uit de ballingschap naar Jeruzalem waren teruggekeerd-met het aanstellen van Levieten van twintig jaar en ouder, om toezicht te houden op de werkzaamheden aan de tempel van de HEER. 9 Jesua, zijn zonen en verwanten, en Kadmiël en zijn zonen, nakomelingen van Juda, waren gezamenlijk verantwoordelijk voor het toezicht op de arbeiders die werkten aan Gods tempel, met de zonen van Chenadad en hun zonen en verwanten, allen Levieten. 10 Terwijl de bouwers de fundamenten van het heiligdom van de HEER legden, stelden de priesters, gekleed in ambtsgewaad, zich op met trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, stelden zich op met cimbalen, om de HEER te prijzen volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël. (NBV)

Dat is een mooi begin, alle ballingen verzamelen zich in Jerusalem. De datum die daar bij staat, het begin van de zevende maand, ontgaat ons. Dat soort deftige mededelingen komen vaak in de Bijbel voor en je moet wel erg diep in de Bijbelse verhalen duiken om te snappen waar dat over gaat. Maar als gewoon bij onze Joodse buren vraagt wat dat betekent dan hoor je gelijk Rosj Hasjana, en Hasjana Tov Op de eerste dag van de zevende maand wordt het Rosj Hasjana, het nieuwjaar gevierd. Er breekt in dit verhaal van Ezra dus niet alleen een nieuw jaar aan maar ook een nieuwe toekomst voor Israël. De band met de God van Israël wordt weer hersteld, op de oude manier worden offers gebracht. En er is een feest.

Dat zogenaamde loofhuttenfeest zal een dubbele betekenis gehad hebben. Het is een oogstfeest want als in de herfst de noten en vruchten zijn geoogst dan is alles binnen wat nodig is om de winter door te komen. Reden voor een feest dus. In dat feest klinkt ook de herinnering aan de tocht door de woestijn toen het volk bevrijdt was van de slavernij in Egypte. God zorgde elke dag dat er genoeg was om die reis door te komen. Elke morgen vond men het manna. Voor de teruggekeerde ballingen zal ook de herinnering aan de ballingschap hebben meegeklonken. Zo zaten zij nog aan de rivieren van Babylon en huilden als ze dachten aan Jeruzalem, lees dat maar na in Psalm 137, of ze zijn weer een volk dat bijeenkomt om hun eigen God te loven en te danken. Vanaf dat feest en dat nieuwe jaar werden weer elke dag de offers gebracht die ze met God hadden afgesproken.

Waar begint nu het feitelijke verhaal over de opbouw mee? Met de arbeiders. De steenhouwers en andere vaklieden werden betaald in zilver. Op de onderneming voor de God van Israël stonden de mensen, de arbeiders, het gewone volk met veel talent, voorop. We kunnen het niet genoeg benadrukken. Niet de winst, niet de voordelige inkoop, niet de plechtigheden maar de arbeiders staan voorop. En dan lezen we weer zo’n plechtige datumaanduiding. In het tweede jaar in de tweede maand. Dat staat er natuurlijk niet voor niets. In Numeri lezen we dat de God van Israël op de eerste dag van de tweede maand bij de tent der samenkomst spreekt met Mozes. Ook Salomo begon met de Tempelbouw in de tweede maand. De voorbereiding voor het starten van de bouw heeft dan een jaar geduurd. Wie denkt dat de geschenken van God vanzelf komen als je er in geloofd heeft het mis. Aan dat Koninkrijk van God moet elke dag hard worden gewerkt.

Dit zegt Cyrus

Ezra 1:1-11(-2:70)

1 In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken: 2 ‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. 3 Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich met de hulp van hun God naar Jeruzalem in Juda begeven om er de tempel van de HEER weer op te bouwen, de God van Israël, de God die in Jeruzalem woont. 4 Allen die hier nog als vreemdeling verblijven, waar zij zich ook mogen bevinden, dienen van hun medeburgers ondersteuning te krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Dit komt boven op de vrijwillige gaven voor de tempel van de God die in Jeruzalem woont.’ 5 De familiehoofden van de stammen Juda en Benjamin, de priesters en de Levieten, allen die God daartoe aanzette, maakten zich gereed om naar Jeruzalem te vertrekken en te beginnen met de bouw van de tempel van de HEER. 6 Al hun buren ondersteunden hen met voorwerpen van zilver en goud, met goederen, vee en kostbare geschenken, nog afgezien van wat vrijwillig aangeboden werd. 7 Koning Cyrus van Perzië gaf de voorwerpen vrij die uit de tempel van de HEER afkomstig waren en die Nebukadnessar uit Jeruzalem had meegenomen en in de tempel van zijn eigen god had neergezet. 8 Hij vertrouwde de teruggave toe aan Mitredat, de schatmeester, die ze met een inventarislijst aan Sesbassar, de leider van Juda, overdroeg. 9 Het betrof dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, 10 dertig gouden bekers, vierhonderdtien zilveren bekers van verschillende soort en duizend andere voorwerpen, 11 bij elkaar vijfduizendvierhonderd voorwerpen van zilver of goud. Dit alles liet Sesbassar meevoeren toen hij de ballingen uit Babylonië terugbracht naar Jeruzalem. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Ezra. Ooit waren de boeken Ezra en Nehemia één boek: het boek Ezra. Nehemia werd toen Ezra 2 en daarna zijn ze zo gesplitst als wij ze nu lezen. Er zijn ook nog een Ezra 3 en 4 maar zijn buiten de Bijbel gevallen zoals wij die nu in Protestantse Kerken kennen. Ezra en Nehemia gaat over de terugkeer van de ballingen uit Babel en het herstel van Jeruzalem en de herbouw van de Tempel wat de mogelijkheid gaf ook de godsdienst van Israël weer in ere te herstellen. Het verhaal van Ezra begint bij de profeet Jeremia. Die had ingezien dat er ooit een koning zou komen die zich zou afzetten tegen zijn voorgangers en in plaats van ballingen trouwe onderdanen zou willen die trots zouden zijn op hun eigen plaats en godsdienst en daarvoor de Koning dankbaar zouden zijn.

In het boek van de profeet Jesaja klinkt die dankbaarheid door. Jesaja noemt Koning Cyrus de beloofde bevrijder van Israël, de Messias. In het verhaal dat vandaag begint leren we in elk geval dat de God van Israël ook heidense koningen kan gebruiken om zijn doel te bereiken. Ook in onze dagen mogen we dus eerder naar het resultaat kijken, de gevolgen die maatregelen hebben voor de armen, dan dat we zouden moeten oordelen over het al dan niet gelovige karakter van de regeerder. Toen Israël uit Egypte trok kregen ze van Egyptenaren goud, zilver en diamanten mee. Ook nu krijgen de ballingen zilver en goud , goederen, vee en kostbare geschenken mee. Veel belangrijker is dan het besluit van Koning Cyrus om het de voorwerpen mee te geven die Koning Nebukadnessar waren gestolen uit de Tempel in Jeruzalem.

Wie gingen er nu mee. We houden het bij de opsomming van hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 worden de terugkerende ballingen met name genoemd. Het zijn familiehoofden, Priesters en Levieten en ballingen die verspreid over Perzië woonden maar die zich nog steeds rekenden tot het volk van Israël. Deze verschillende groepen staan in hoofdstuk 2 dan ook verschillend benoemd: Priesters bij elkaar, Levieten bij elkaar, familiehoofden bij elkaar en groepen ballingen per plaats waar ze in ballingschap waren. De terugkeer uit de ballingschap blijkt door Cyrus ook goed georganiseerd te zijn. De schatmeester van de Koning maakte een inventarislijst van de goederen afkomstig uit de Tempel in Jeruzalem en de gouverneur van Juda, Sesbassar, bracht de ballingen thuis. Voor wie mocht denken dat God wel even zou zorgen voor zijn gelovigen heeft het mis. Ze moeten zelf aan het werk om samen met de Koning te zorgen dat de herbouw en het herstel ook zal plaatsvinden. Zo zullen ook wij zelf hard moeten werken aan het Koninkrijk waarvoor we door Jezus zijn uitgenodigd.

Daar zetelt het gerecht

Psalm 122

1 Een pelgrimslied van David. Verheugd was ik toen ik hoorde: ‘Wij gaan naar het huis van de HEER, ‘ 2 verheugd ben ik, nu onze voeten staan binnen je poorten, Jeruzalem. 3 Jeruzalem, als een stad gebouwd, hecht en dicht opeen. 4 Daar komen de stammen samen, de stammen van de HEER, om Israëls plicht te vervullen, te prijzen de naam van de HEER. 5 Daar zetelt het gerecht, daar troont het huis van David. 6 Vraag om vrede voor Jeruzalem: ‘Dat rust hebben wie van je houden, 7 dat vrede heerst binnen je muren en rust in je vesting.’ 8 Om mijn verwanten en vrienden zeg ik: ‘Vrede zij in jou.’ 9 Om het huis van de HEER, onze God, wens ik je al het goede. (NBV)

Volgens de richtlijnen in de eerste vijf boeken van de Bijbel gegeven moest het volk Israel een paar maal per jaar optrekken naar de centrale heiligdommen om daar een maaltijd te houden met de familie, de priesters en levieten van die heiligdommen, met de armen en met de vreemdelingen die er onder hen woonden. Aanvankelijk waren er verschillende heiligdommen in Israel, maar na de ballingschap was de godsdienst van Israel uitdrukkelijk en exclusief gecentreerd rond de tempel in Jeruzalem. Daar werden de stenen tafels bewaard als symbool voor de richtlijnen voor een menselijke samenleving die ze op hun tocht door de woestijn uit Egypte naar het land van overvloed en vrijheid hadden gekregen. De wet die zei dat ze alles moesten delen met hun naasten. Je kunt je voorstellen dat het optrekken naar Jeruzalem voor dergelijke feestelijke maaltijden op zich ook al een feest was.

Een deel van de oogst werd meegenomen, de feesten vielen samen met de verschillende oogsten door het jaar, en in alle boerengemeenschappen wordt er na de oogst uitbundig feest gevierd. Als je van heel ver kwam mocht je dat deel van de oogst dat geofferd moest worden ook verkopen en in Jeruzalem nieuw kopen, het feest werd er niet minder om. Een Psalm als deze leende zich bij uitstek om samen gezongen te worden. Het is dan ook een Pelgrimslied. En in die Psalm worden heel subtiel de verhoudingen weergegeven die van belang zijn. De Psalm begint met het noemen van David, die maakte Jeruzalem tot de hoofdstad van Israel, maar David mocht wel koning zijn, hij was niet de Heer van Israel, dat was God zelf. En God verschaft recht aan de rechtelozen, daarom zijn de poorten van de stad belangrijk want daar werd recht gesproken. Daar zaten de oudsten van het volk die hun leven gestudeerd hadden in het recht zoals dat in de Bijbel gegeven was en gaven antwoord op de vele vragen die bij je kunnen opkomen. David, zijn opvolgers als het huis van David aangeduid, zijn dan een garantie voor vrede en rust.

David zelf had nog de nodige oorlogen gevoerd om Israel vrede te geven maar dat was uiteindelijk gelukt en onder Salomo zijn zoon was de tijd van vrede en welvaart inderdaad uiteindelijk aangebroken. Dan kun je inderdaad met je verwanten en je vrienden optrekken en maaltijd houden. Zoals de moslims in onze dagen tijdens de Ramadan zogenaamde Iftar maaltijden houden. Op die maaltijden delen ze wat ze hebben met hun familie, hun vrienden, de armen en de vreemdelingen onder hen. In ons land gaat dat zelfs vaak omgekeerd. In tal van steden gebruiken Moslims de Iftar om samen met hun Nederlandse buren, in hun buurt of wijk, een maaltijd te houden. Die Iftar maaltijden blijken uitstekende instrumenten om spanningen in buurten en wijken te verminderen en mogelijke problemen onderling bespreekbaar te maken. Het voorschrift samen maaltijd te houden is bekend in Jodendom, Christendom en Islam. En in alle drie de godsdiensten gaat het om hetzelfde, om elkaar al het goede te wensen, door het goede te doen, dan komen mensen tot hun recht.