Kijk, daar zijn ze!

Jesaja 41:21-29

21 Voer jullie rechtsgeding, zegt de HEER, lever overtuigende bewijzen, zegt Jakobs koning. 22 Kom ermee voor de dag en vertel ons wat er gebeuren zal. Vertel ons over wat eertijds is gebeurd, zodat wij de afloop kunnen nagaan.
Licht ons in over wat komen gaat, 23 kondig aan wat de toekomst zal brengen, dan weten wij dat jullie goden zijn. Doe het, hetzij goed, hetzij slecht, zodat wij het met eigen ogen kunnen zien. 24 Maar nee, jullie zijn minder dan niets en jullie daden hebben geen enkele waarde; verafschuwd wordt ieder die voor jullie kiest. 25 In het noorden liet Ik iemand opstaan, en hij kwam, in het oosten, waar de zon rijst, riep hij mijn naam. Hij vertrapt stadhouders als leem, zoals een pottenbakker de klei treedt. 26 Wie heeft hem vanaf het begin aangekondigd, lang tevoren, zodat wij het wisten en nu kunnen zeggen: ‘Het is waar!’? Geen van jullie kondigde iets aan, geen van jullie lichtte ons in, niemand heeft een woord van jullie vernomen. 27 Ik was de eerste die Sion verkondigde: ‘Kijk, daar zijn ze!’ Ik stuurde Jeruzalem een vreugdebode. 28 Ik kijk om me heen, maar er is niemand, onder jullie zie Ik geen enkele raadgever, niet één die op mijn vragen kan antwoorden. 29 Jullie zijn allemaal even armzalig en jullie daden betekenen niets; wind en leegte zijn jullie beelden. (NBV21)

Als je ruzie met iemand hebt dan kun je beter een rechtsgeding aanspannen dan geweld gebruiken. Geweld kan zich immers altijd tegen je keren, bij een rechtsgeding raakt er niemand gewond, je raakt hooguit een hoop geld kwijt. Vandaag lezen we over een rechtsgeding dat gevoerd wordt door de God van Israël en de goden van de andere volken. Jesaja en de ballingen zaten nog met het probleem dat het algemene geloof van de volken was dat als een volk een oorlog wint de god van dat volk de god van de tegenstander heeft overwonnen. En Israël en Juda hadden wel dezelfde God maar die had toch mooi twee maal verloren. Nu hadden de goden van Assyrië en Babel ook verloren. De god van Babel had eerst gewonnen van de God van Assyrië maar nu had de god van Babel, Marduk, verloren van de god van Perzië en de maangodin Sin had al helemaal niets in te brengen gehad. Maar waar was die God van Israël gebleven in dit verhaal? De goden worden in het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben opgeroepen om met bewijzen te komen voor hun overwinning op de God van Israël.

En die bewijzen moeten dan in het verlengde liggen van het bewijs van de God van Israël dat die helemaal niet overwonnen was, maar juist de regisseur van alle gebeurtenissen die het volk Israël hadden getroffen. Het bewijs er van vinden we in het eerste deel van het boek van de Profeet Jesaja, trouwens ook in het boek Koningen en in het boek van de profeet Jeremia. Namens de God van Israël hadden profeten al van af het begin gewaarschuwd dat het nalopen van andere goden zou betekenen dat er van Israël en Juda weinig zou overblijven. De pracht en praal van die andere goden, de mooi beelden, de fraaie priestergewaden, de plechtigheid waarmee offers werden opgedragen, het was allemaal belachelijk gemaakt door de profeten van de God van Israël. Maar het volk had niet geluisterd en dus was het verkeerd gegaan. Maar vanaf het begin van de ballingschap hadden de profeten er op gewezen dat die ballingschap niet eeuwig zou duren. De God van Israël zou de volken laten zien dat hij uiteindelijk altijd de sterkste zou zijn.

Nu werd dat waar. De God van Israël had een eind willen maken aan de ballingschap en daarvoor Kores, eigenlijk Cyrus van Perzië, geroepen om met Babel af te rekenen en te zorgen dat de kinderen van Juda weer terug konden keren naar Jeruzalem om de stad te herbouwen en de Tempel in oude glorie te herstellen. De nederlaag die de God van Israël geleden zou hebben leidt niet tot het verdwijnen van de eredienst maar tot grotere luister en ontzag bij de mensen voor deze God. Die God helpt je bij het goede en laat je gaan bij het slechte. De beelden van die andere goden, waar dat volk zo graag achteraan had gelopen, waren lucht en leegte gebleken. De mode van pracht en praal, de mode van de grootste en de beste willen zijn bleek alleen maar schijn. Ook in onze dagen mogen we van dat verhaal leren. Ook wij lopen allerlei wedstrijdjes na om maar de mooiste, de beste, de knapste of de sterkste te zijn. Aan de minsten wordt schijnbaar niet meer gedacht. Elke dag roept de God van Israël ons op om van die weg terug te keren, om weer te gaan leven in liefde voor de naaste, elke dag mogen we dat, ook vandaag weer.

Bergen zul je dorsen

Jesaja 41:8-20

8 Maar jou, Israël, mijn dienaar, Jakob, die Ik uitgekozen heb, nakomeling van Abraham, mijn vriend, 9 jou die Ik heb weggehaald van de einden der aarde, die Ik van haar verste uithoeken terugriep jou zeg Ik: Jij bent mijn dienaar, jou heb Ik uitgekozen, Ik heb je niet afgewezen. 10 Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God. Ik zal je sterken, Ik zal je helpen, je steunen met mijn bevrijdende rechterhand. 11 Allen die zich fel tegen je keerden zullen gehoond worden en te schande staan. Zij die jou bestreden worden minder dan niets en gaan te gronde. 12 Zij die jou onderdrukten zijn onvindbaar, je zoekt ze vergeefs. De vijanden die jou bevochten zullen verdwijnen in het niets. 13 Want Ik ben de HEER, je God, Ik neem je bij je rechterhand en zeg je: Wees niet bang, Ik zal je helpen. 14 Wees niet bang, kleine Jakob, arm volk van Israël, Ik zal je helpen – spreekt de HEER –, de Heilige van Israël is je bevrijder. 15 Ik maak van jou een scherpe dorsslede, een nieuwe slede met dubbele sneden. Bergen zul je dorsen en vermalen, van heuvels laat je niets over dan kaf. 16 Je zult ze wannen, en de wind neemt ze op, de stormwind jaagt ze uiteen. Dan zul je juichen om de HEER, je om de Heilige van Israël gelukkig prijzen. 17 Armen en behoeftigen zoeken water – niets! Hun tong verdroogt van de dorst. Ik, de HEER, zal hun antwoord geven, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten. 18 Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen en bronnen in de valleien. De woestijn maak Ik tot een waterplas, dor gebied tot een bronrijke streek. 19 Ik plant in de woestijn ceder en acacia, mirte en olijfwilg, en Ik laat in de wildernis den, sneeuwbal en cipres opschieten. 20 Dan zullen zij zien en beseffen, begrijpen en erkennen dat de hand van de HEER dit heeft verricht, dat de Heilige van Israël dit alles schiep. (NBV21)

God stelt zich voor. In deze korte passage uit het boek van de profeet Jesaja wordt duidelijk waar we bij de God van Israël als eerste aan moeten denken, aan mensen namelijk. Wij kunnen het ons eigenlijk niet meer goed voorstellen. Als wij het hebben over God dan spreken we vrijwel automatisch over de God van Israël. Maar in de dagen van Jesaja had elk volk, had elke stad zo haar eigen God en de ene God was sterker dan de andere. Als twee steden of twee volken ruzie met elkaar kregen dan vochten ook de goden van die steden of van die volken met elkaar en wie er onder de mensen won had een god die onder de goden wist te winnen. De God van Israël was een heel ander soort God. De profeet Jesaja probeert dat te zeggen met de aanduiding “Heilige van Israël”. Natuurlijk, die God was de God van Israël, maar niet zomaar. Eigenlijk was het de God van alle mensen op aarde en de minsten onder hen kwamen voor die God op de eerste plaats.Die God heeft niet vanuit een hoge ivoren toren allerlei spelletjes bedacht waardoor te merken was dat die God een almachtig God was, maar die God heeft vriendschap gesloten met een mens, met Abraham, de vader van vele volken. Die vriendschap bepaalde het handelen van die God.

De God van Israël heeft dus mensen nodig. Iedereen die zich afvraagt waarom die God rampen toelaat, zieken niet geneest, kinderen tot wees maakt moet zich afvragen wat wij mensen daartegen hebben gedaan. God heeft ons de wetenschap gegeven. God heeft ons rijken en armen gegeven met het doel te delen zoals Hij zich deelt. In zijn Zoon Jezus van Nazareth werd ons nog eens voorgedaan hoe wij dat zouden kunnen. Jezus was immers mens die onder de mensen heeft gewoond, maar samenviel met zijn God omdat hij die God onvoorwaardelijk liefhad en ongeacht de gevolgen de Weg van die God volgde. De aanhangers van de marktwerking zijn altijd bang dat er misbruik gemaakt wordt van het werk dat ze doen. Maar de Bijbel roept ons op niet bang te zijn. Als we het delen met elkaar voorop stellen, als we iedereen daarin meekrijgen, dan verdwijnen oorlog, onderdrukking en ellende vanzelf. Israël was uitgekozen door die God om als voorbeeld te dienen. Als je de God van Israël volgde dan gaat het goed, loop je andere goden achterna dan gaat het fout. Israël zelf was een onbeduidend volkje, uit zichzelf kon het niks. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt hier het Hebreeuws zoals het bedoeld is met “kleine Jacob” maar letterlijk staat er “wormpje Jacob” zo werd het vroeger dan ook vertaald.

De richtlijnen die aan Israël waren gegeven houden in dat je alles wat je toevalt deelt met de minsten. In het gedeelte dat we vandaag lezen is het gevolg van het houden aan die richtlijnen dat de armen en behoeftigen te drinken krijgen. Wie in de wereld rond kijkt zal zien dat er nog heel erg veel armen zijn die niet de beschikking hebben over schoon en helder drinkwater. Daarvoor moeten bronnen geslagen worden en leidingen worden aangelegd. Daarvoor moeten mensen de gelegenheid krijgen hun drinkwater te onderzoeken op verontreiniging en ziektekiemen. In ons land is het wel geregeld, al moeten we uitkijken het drinkwater niet onbetaalbaar te maken voor de armsten, maar in Afrika zijn er miljoenen die verstoken zijn van schoon en helder drinkwater. Organisaties als Oxfam Novib, Kerk in actie en andere ontwikkelingsorganisaties proberen daar verandering in te brengen. Hoe rijker ons land is hoe minder we daaraan als land bijdragen. Het is daarom goed zelf bij te dragen aan die organisaties. Dan borrelt dorre grond op en kunnen er gewassen groeien waar men zichzelf maar ook ons mee kan voeden. Dan gaat de wereld lijken op de wereld die de God van Israël heeft bedoeld. We kunnen er elke dag opnieuw aan werken, ook vandaag weer.

Houd moed!

Jesaja 41:1-7

1 Zwijg en hoor Mij aan, eilanden. Laten de volken nieuwe krachten opdoen, laten ze naderbij komen, laten ze spreken. Laten we samen een rechtsgeding voeren. 2 Wie liet in het oosten een bevrijder opstaan, wie heeft hem in dienst genomen? Wie levert volken aan hem uit en onderwerpt koningen aan hem? Zijn zwaard maakt hen tot stof, zijn boog laat hen als kaf verwaaien; 3 hij achtervolgt hen en trekt ongehinderd verder, zijn voeten raken nauwelijks de grond. 4 Wie heeft dat tot stand gebracht? Wie roept de generaties vanaf het begin? Ik, de HEER, Ik was de eerste en ook bij de laatsten zal Ik zijn. 5 De eilanden zien het met angst en beven, de einden der aarde komen sidderend naderbij. 6 De mensen schieten elkaar te hulp, de een zegt tegen de ander: ‘Houd moed!’ 7 De beeldsnijder spoort de goudsmid aan, hij die met de hamer plet, prijst hem die op het aambeeld slaat. Hij bekijkt het soldeersel, zegt: ‘Het is goed,’ en zet het beeld met spijkers vast, zodat het niet omvalt. (NBV21)

Wie de geschiedenis kent schrikt bijna van de overmoed die de profeet hier God in de mond legt. Net bevrijd van de ballingschap door Cyrus van Perzië, een werktuig in Gods hand volgens de profeet, en nu komen de eilanden aan de beurt. Welke eilanden? Niet direct de grote eilanden in de Middellandse zee, die kunnen nauwelijks een bedreiging vormen, maar wel de Griekse eilanden en Griekenland zelf. Zij zullen op den duur inderdaad Israël bezetten en dat zal grote wonden in Israël slaan. Maar de profeet heeft een andere bedoeling met deze tekst dan bij voorbaat een grote mond op te zetten tegen toekomstige tegenstanders. Voor de profeet zijn er geen andere krachten in de wereld dan de God van Israël. Als de Grieken zo sterk worden dat zij ook Israël zullen bezetten dan komt dat door de kracht van de God van Israël, dan zullen zij daarvoor de God van Israël dankbaar moeten zijn. Zijn ze dat niet dan zullen ze op hun beurt verdreven worden door weer een andere macht.

Jesaja schrijft er bij hoe het volk een dergelijke bezetter kan weerstaan. De mensen schieten elkaar te hulp. Er is niemand die zich beter vindt dan een ander. Integendeel de beeldsnijder en de goudsmid bewonderen elkaar, de ijzersmid kijkt naar de kwaliteit van het werk van de anderen en vindt het goed. Zo kan een beeld gemaakt worden. Zo’n beeld is geen god, maar zo’n beeld kan alleen maar zo mooi worden omdat mensen bereid waren met elkaar samen te werken, elkaar te vertrouwen, bewondering te hebben voor de uiteenlopende vermogens die mensen hebben. Dat is een voorbeeld dat een heel volk kan volgen. Zo beelden maken is de grootheid van de God van Israël verkondigen. Dat kan geen bezetter, dat kan geen vijand ongedaan maken en overwinnen. Wil een bezetter een dergelijk volk in haar macht krijgen dan zal ze op dezelfde manier met de mensen moeten omgaan, dan volgt ze dus de onderwijzingen, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, zoals de God van Israël die gegeven heeft.

Het gedeelte dat we vandaag uit het boek van Jesaja hebben gelezen zegt ons dus dat we geen angst hoeven te hebben voor andere machten, voor andere machthebbers, voor andere godsdiensten, voor fanatici, als we maar de richtlijnen van de God van Israël volgen. Bij de richtlijnen hoort ook het Gij zult niet doden, bij die richtlijnen hoort de vertaling die Jezus van Nazareth daaraan gaf: Heb uw vijanden lief. Te vaak omhelzen Christenen nog de roep om geweld tegen mensen die Christenen vervolgen, te vaak kiezen ze dezelfde middelen als onder de Heidense volken gewoon is, gewoon was door de eeuwen heen. Nieuwe wegen van samen maaltijd houden worden als soft en onbruikbaar afgewezen. Maar Jezus van Nazareth heeft met zijn lijden en sterven duidelijk gemaakt dat als de dood niet meer afschrikt de liefde door gaat. Pas als je je tegen dood en geweld gaat verzetten door dood en geweld te gebruiken blijf je dat ook over jezelf afroepen. Weer op weg van  de geboorte van een bevrijder, van mensen op het veld, op de akker van David de vredevorst, mogen we blijven zoeken naar geweldloos verzet tegen onrecht en onderdrukking. Dan kan er een wereld komen waar de vrede heerst. We kunnen er vandaag nog mee beginnen.

 

Een wijs hart

Spreuken 16:23-33

23 Wie een wijs hart heeft, schoolt zijn mond en geeft zo kracht aan het betoog van zijn lippen. 24 Een vriendelijk woord is een korf vol honing, zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam. 25 Soms denkt een mens de juiste weg te gaan, terwijl die eindigt bij de dood. 26 Een mens zwoegt omdat hij moet eten, het is de honger die hem dwingt. 27 Een onruststoker roept het kwaad op, wat hij zegt is een verzengend vuur. 28 Een vals karakter zaait voortdurend tweedracht, een lasteraar drijft vrienden uit elkaar. 29 Een boosdoener bedriegt zelfs zijn vriend, hij lokt hem op het slechte pad. 30 Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, heeft kwaad in de zin, wie zijn lippen samenperst, heeft het kwaad al gedaan. 31 De ouderdom is een prachtige kroon die je verwerft door rechtvaardig te leven. 32 Beter een geduldig mens dan een vechtjas, beter zelfbeheersing dan een stad veroveren. 33 Men werpt het lot in een mantel, de HEER bepaalt hoe het valt. (NBV21)

Opnieuw moeten we ons realiseren dat we steeds maar kleine stukjes uit de Bijbel lezen en daardoor de kans lopen de grote lijn uit het oog te verliezen. We lezen vandaag opnieuw een stukje “wijsheidsliteratuur” en het begin van alle wijsheid is het ontzag voor de God van Israël die de mens heeft opgedragen de naaste lief te hebben als zichzelf. Iemand die dat doet is een wijze, die heeft een wijs hart en spreekt dus verstandige woorden. Alle mooipraters dienen daaraan te worden gemeten. Het gaat er dus niet om of er mooie taal wordt gesproken, of het logisch klinkt wat er gezegd wordt, nee de maat is of datgene wat er gezegd wordt iets gaat uitmaken voor de armsten onder ons, de minsten van het volk. Daarover iets te zeggen is vriendelijk in meest letterlijke betekenis van het woord. Zoals de God van Israël zich openbaart als een vriend van de armen zo zal elke spreker zich moeten bekennen tot die God.

De wijze staat tegenover de dwaas. De mens die zelf wel weet waar het op uit loopt met zijn leven. En die mens heeft gelijk, we gaan allemaal dood en dan houdt het op. Zo lang we leven zullen we moeten zwoegen om te eten anders hebben we honger. Maar als je nergens en niets tot nut wil zijn en dus niet wil delen met wie niets heeft en dus hongert dan roep je het kwaad op, dan dwing je de hongerenden tot diefstal en misschien wel tot geweld, tot opstand waarbij de bezitter en de bezitloze alles verliezen wat er te verliezen valt. De egoïst zaait op die manier voortdurend verdeeldheid, drijft vrienden uit elkaar en bedriegt zelfs zijn vrienden. Gedogen van deze zelfzucht, heimelijk een oog dichtknijpen, is zelf al meedoen aan het kwaad.

Verlaat daarom de weg van het kwaad voordat het te laat is. Oude mensen worden vaak wijs genoemd omdat zij geleerd hebben dat je alleen van delen rijk kunt worden, dat vrede bewaren veel meer vreugde geeft dan onmin en onenigheid te zaaien. En heel af en toe staat er een grapje verscholen in de Bijbel. Probeer maar eens een paar dobbelstenen in een mantel te gooien die ze tegelijkertijd bedekt. Wat dan de worp is zal altijd in het duister blijven. Het openen van de mantel zal ook het opnieuw rollen van de stenen veroorzaken. Daarom is het onnut om uit het werpen van het lot de toekomst te voorspellen, alleen God weet de toekomst en als je dat gelooft dan weet je dat in de toekomst altijd de liefde verborgen is die op je wacht en eigenlijk nooit het onheil. Met angst hoeven we de toekomst dan ook niet tegemoet te treden. Wij mogen het bij vandaag houden, vandaag wachten de armen weer op onze zorg, wachten zwakken en zieken tot wij onze hand uitsteken, wachten vluchtelingen op een veilig dak. Dat mogen we van God elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

De maatstaf van het recht

Spreuken 16:10-22

10 De koning spreekt Gods oordeel uit, wanneer hij rechtspreekt, faalt hij niet. 11 De HEER bepaalt de maatstaf van het recht, Hij stelt de gewichten en balans vast. 12 Koningen verfoeien wetteloosheid, rechtvaardigheid schraagt hun troon. 13 Een koning schept behagen in oprechte woorden, wie de waarheid spreekt is hem dierbaar. 14 De woede van de koning is een bode van de dood, een wijze brengt hem tot bedaren. 15 Het stralende gezicht van de koning brengt leven, als een voorjaarsregen is zijn gunstbewijs. 16 Hoeveel beter is het wijsheid te verwerven dan goud, hoezeer is inzicht te verkiezen boven zilver. 17 Wie oprecht is, mijdt de weg van het kwaad, wie op het rechte pad blijft, beschermt zijn leven. 18 Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende, hoogmoed komt voor de val. 19 Beter in eenvoud leven met de armen dan de buit verdelen met hoogmoedigen. 20 Wie goed luistert, zal het goed vergaan, wie op de HEER vertrouwt is gelukkig. 21 Wie wijs is van hart, wordt verstandig genoemd, wie op milde toon spreekt, heeft meer overtuigingskracht. 22 Inzicht is een bron van leven, dwazen worden met dwaasheid gestraft. (NBV21)

Voor “Koning” moeten we in onze dagen “regering” lezen. Het gedeelte dat we vandaag lezen geeft ons de gelegenheid ons Openbaar Bestuur te toetsten aan de Bijbel. Onze Koning regeert immers bij de Gratie Gods, hij mag het van God en moet daar dankbaar voor zijn betekent dat. Maar Onze Koning laat het regeren in de praktijk over aan haar ministers die samen een regering vormen onder leiding van een minister- president. Die regering is zolang te handhaven als de vertegenwoordiging van het volk het goed vindt. Om de woorden van de schrijver van het boek Spreuken ook vandaag te kunnen verstaan en er wat aan te hebben moeten we dus eerst inzicht hebben in wie eigenlijk onze “Koning” is. In het gedeelte van vandaag worden een aantal stellingen gegeven waaraan onze regering, in samenhang met parlement en Koning, moeten voldoen wil je kunnen zeggen dat ze in overeenstemming met de Bijbel regeren.

De maat waarmee het Openbaar Bestuur wordt gemeten is God zelf, zijn de eigenschappen die we van God kennen uit de Bijbel en die God dus zelf heeft geopenbaard. God gaat immers alle verstand te boven en ook in wat we van God menen te weten kunnen we God niet vangen. Maar dat een Koning moet gruwen van datgene waar God van gruwt is uit het begin van het gedeelte van vandaag direct duidelijk. En dat er dus aan ons Openbaar Bestuur het een en ander ontbreekt is ook duidelijk. Vraag het maar eens na bij de klokkenluiders, mensen die in het algemeen belang misstanden aan de kaak stelden en van onze Overheid alleen maar tegenwerking en ellende mochten ondervinden. Wie de waarheid spreekt mag dan een goede overheid dierbaar zijn, zo willen we er meer hebben, maar die goede overheid hebben wij nog niet weten te kiezen.

Ook een Koning heeft een wijze nodig die hem toespreekt, raad geeft, corrigeert als het verkeerd dreigt te gaan. In het verhaal van de Bijbel zijn het vaak de profeten die de Koning aanspreken op het onrecht dat in het land plaatsvindt, of zelfs dat de Koning zelf bedrijft omdat het hem goed uitkomt. Maar de schrijver van de Spreuken verbreedt het. De wijze is iemand die inzicht heeft in wat God wil, iemand die ziet dat je ook in het Openbaar Bestuur de minsten, de zwaksten voorop moet zetten. Daar gaat dit gedeelte uit het boek Spreuken ook over. De bereidheid om in het land te delen met elkaar, er voor te zorgen dat iedereen tot zijn of haar recht komt, dat iedereen kan meedoen en iedereen genoeg heeft om van te leven maken dat het land tot bloei zal kunnen komen, dat het Openbaar Bestuur zo handelt als de God van Israël van alle mensen vraagt. Wij moeten dit gedeelte maar overschrijven en leggen naast de plannen die ons de komende tijd worden voorgelegd en waaruit we in september mogen kiezen. De Bijbel roept ons dan op te kiezen voor het leven.

Een schamel bezit

Spreuken 16:1-9

1 Een mens weegt zijn woorden, maar wat hij zegt, komt van de HEER. 2 Een mens kiest in eigen ogen steeds de juiste weg, de HEER toetst wat hem ten diepste beweegt. 3 Vertrouw bij je werk op de HEER, en je plannen zullen slagen. 4 De HEER heeft alles wat Hij heeft gemaakt zijn doel gegeven, de goddelozen heeft Hij voor de ondergang bestemd. 5 De HEER verafschuwt hooghartige mensen, ze worden hoe dan ook gestraft. 6 Wie trouw en liefde betoont, bedekt de zonde, wie ontzag heeft voor de HEER, mijdt het kwaad. 7 Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt, laat Hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten. 8 Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven, dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht. 9 Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat. (NBV21)

Vandaag lezen we weer uit het boek Spreuken. Op het eerste gezicht lijkt het een losse verzameling uitspraken te zijn, een soort spreekwoorden. Een deel van de teksten uit het boek Spreuken heeft haar weg dan ook gevonden naar onze taal als een spreekwoord. Het gebruik van die meeste spreekwoorden is zo versleten dat we ze nauwelijks meer herkennen en nauwelijks de betekenis als een Bijbelse boodschap in kunnen zien. Toch is het boek Spreuken geen spreekwoordenboek, zelfs geen verzameling. Het zijn stellingen met een grote samenhang die belangrijke thema’s van elke samenleving behandelen. In de wandeling noemt men het boek Spreuken “wijsheidsliteratuur”. Een filosofisch traktaat zouden we misschien tegenwoordig zeggen, geschikt voor de maand van de spiritualiteit.

Er is over nagedacht en de resultaten van het overdenken van de samenleving vindt je terug in dit boek. Een boek dat ook zelf aanleiding geeft om te overdenken dus. Uitgangspunt is dat het begin van echte wijsheid het ontzag voor de God van Israël is. De God die de mensen uitdaagt hun naaste lief te hebben als zichzelf. Die uitdaging bepaald ook deze inleiding op de rest van het boek. Hier begint iets nieuws. Het zal niet verbazen dat ook het boek Spreuken de nadruk legt op het gaan van de Weg van de God van Israël. Je kunt als mens nog zoveel plannen maken of ze uitkomen moet je maar afwachten. Beter is je te richten op recht en gerechtigheid, op de zorg voor de armen, voor de minsten.

Als je plannen maakt in de Geest van de God van Israël, plannen om de armoede uit je omgeving te bannen, plannen om te zorgen voor de minsten, dan zul je merken dat die plannen eigenlijk altijd slagen. Plannen om zelf rijk te worden willen nog wel eens mislukken, plannen om gelukkig te worden falen eigenlijk altijd, geluk komt altijd buiten jezelf om, meestal ondanks jezelf. Maar als je mensen, alle mensen, met liefde benaderd, dat willen vijanden zelfs wel instemmen met vrede. Om te kijken of het waar is kan het boek Spreuken een handig hulpmiddel zijn. We mogen er gelukkig ook elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

Laat ons juichen

Psalm 20

1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Moge de HEER u antwoorden in dagen van nood en de naam van Jakobs God u beschermen, 3 moge Hij hulp zenden uit zijn heiligdom, uit Sion u bijstaan. 4 Moge Hij al uw gaven gedenken, uw brandoffers welwillend aanvaarden. sela 5 Moge Hij geven wat uw hart verlangt, en al uw plannen doen slagen. 6 Laat ons juichen om uw overwinning, het vaandel heffen, in de naam van onze God. Moge de HEER al uw wensen vervullen. 7 Nu weet ik zeker: de HEER schenkt de overwinning aan zijn gezalfde, Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de overwinning door zijn machtige hand. 8 Anderen vertrouwen op paarden en wagens, wij op de naam van de HEER, onze God. 9 Anderen buigen en vallen ter aarde, wij richten ons op en houden stand. 10 HEER, schenk de koning de overwinning, antwoord ons wanneer wij U aanroepen. (NBV21)

Vandaag een wat bijzondere psalm. Een psalm die je de regering mag toezingen en waar de regering dan op kan antwoorden. De psalm besluit met een gebed tot God dat je ook samen met de regering zou kunnen zingen. Wij hebben het over de regering want onze Koning regeert met instemming van het parlement en de ministers van de Koning zijn dan ook in de eerste plaats verantwoording schuldig aan het parlement. Zelfs voor het gedrag en de uitspraken van de Koning in zijn rol als staatshoofd zijn de ministers verantwoordelijk. Om te voorkomen dat de Koning toch stiekem andere meningen heeft dan de regering kan verantwoorden zijn de ministers ook verantwoordelijk voor de uitlatingen en het gedrag van het gezin van de Koning. Alles wat gezegd wordt moet verantwoord kunnen worden voor het parlement. En uiteindelijk voor ons want wij kiezen dat parlement.

De eerste 6 verzen van deze Psalm zijn een wens die wordt uitgesproken voor de Koning. Een soort begroeting is waarbij God wordt gevraagd de Koning te zegenen. En voor Koning lezen we in onze dagen dus de regering. Die regering regeert niet alleen en niet op grond van hoe de wind waait. De Psalm vraagt God of de Koning mag regeren in naam van God, alsof die God zelf zou regeren. Hoe reageer je als je land wordt bedreigd? In Israël was dat een belangrijke vraag. De Koningen van Israël hadden de neiging om verdragen te sluiten met buurvolken die net zo klein waren als zij. Soms sloten ze ook verdragen met de wereldmachten uit hun dagen. Profeten waren er om de Koningen er op te wijzen dat ze beter konden vertrouwen op de God van Israël en zijn weg gaan. Natuurlijk gaat een Koning regelmatig naar de Tempel om offers te brengen. Dat was natuurlijk een mooie vertoning, daar houden Koningen van. Deze Psalm werd hen dan ook toegezongen door een koor van Priesters en Levieten.

In deze Psalm antwoord de Koning het koor. Hij weet zeker dat hij als gezalfde Koning de overwinning zal behalen. Anderen buigen voor de vijand maar zij vallen ter aarde. En waaraan ontleend die Koning zijn zekerheid? Als het goed is aan de Tora, de leer van Mozes die je in de eerste vijf boeken van de Bijbel tegenkomt. Het hart van die leer is dat je God lief moet hebben boven alles en je naaste als jezelf. Die regel zegt dus ook dat de Koning rechtvaardig is, zijn onderdanen tot hun recht laat komen. Dat hij de weduwe en de wees, de armen, beschermt. Dat hij de vreemdelingen behandelt zoals ook de eigen onderdanen behandelt worden. Hij zorgt voor een eerlijke rechtspraak die voor iedereen toegankelijk zal zijn. Duidelijk zal zijn dat ook onze regering deze Psalm nog wel eens uit het hoofd mag leren. Want de zwaksten in de samenleving zijn bij hen niet veilig. En als je in Nederland geboren kinderen naar voor hen vreemde landen stuurt omdat je vindt dat ze vreemdeling zijn dan heb je van de Tora nog helemaal niks begrepen. Wij moeten dus maar wat vaker op onze manier de regering deze boodschap meegeven.

Er staat geschreven

Matteüs 3:13–4:11

13 Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. 14 Johannes probeerde Hem tegen te houden met de woorden: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden, en dan komt U naar mij?’ 15 Maar Jezus antwoordde: ‘Toch moet je het doen, want zo dienen wij de gerechtigheid geheel en al tot vervulling te brengen.’ Toen deed Johannes het. 16 Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor Hem en zag Hij hoe de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde. 17 En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’ 1 Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger. 3 Toen kwam de beproever naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’ 4 Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op het hoogste punt van de tempel 6 en zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om U op hun handen te dragen, zodat U uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7 Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8 De duivel nam Hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9 en zei: ‘Dit alles zal ik U geven als U zich voor mij neerwerpt en mij aanbidt.’ 10 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’ 11 Daarna liet de duivel Hem met rust, en meteen kwamen er engelen om Hem te dienen. (NBV21)

Net nadat Johannes de leidende Farizeeën tot adderengebroed had bestempeld komt daar Jezus aan. Johannes kende zijn neef en herkende de autoriteit die deze uitstraalde. Maar Jezus voelde zich niet verheven boven de massa. Gerechtigheid is iedereen tot recht laten komen en dan maak je geen onderscheid, ook niet voor jezelf. Mooi natuurlijk dat God er nog even bij zegt dat het zo hoort. Maar dan. We geloven niet in de duivel. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien. Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen. Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Deuteronomium , een van de boeken van de leer van Mozes, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus.

Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs. De duivel nam Jezus mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de leer van Mozes en antwoordt weer met een citaat uit het boek Deuteronomium: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de leer van Mozes, zoals verwoord in het boek Deuteronomium waarmee Matteüs aantoont hoe trouw die Jezus wel niet was, er is maar één God. Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreekt. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen.

En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten. Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het zijn de politieke spelletjes die mensen van de politiek vervreemden, het zijn de verborgen machtspelletjes in bedrijven die de exorbitante zelfverrijkers tot miljonairs maken, het zijn de machinaties in kerkelijke organisaties die mensen de kerken uitdrijven of slachtoffers maken van gewetenloze oplichters in sektes. Drie keer is er een antwoord van Jezus waar we ook vandaag nog wat mee kunnen. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog.

Breng liever vruchten voort

Matteüs 3:1-12

1 In die tijd trad Johannes de Doper op in de woestijn van Judea. Hij verkondigde: 2 ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ 3 Dit was de man over wie de profeet Jesaja sprak toen hij zei: ‘Een stem roept in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden.”’ 4 Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing. 5 Uit Jeruzalem, uit heel Judea en uit de omgeving van de Jordaan stroomden de mensen toe 6 en ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, waarbij ze hun zonden beleden. 7 Toen hij zag dat veel farizeeën en sadduceeën op zijn doop afkwamen, zei hij tegen hen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je het komende oordeel kunt ontlopen? 8 Breng liever vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn. 9 En denk niet dat je bij jezelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 10 De bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 11 Ik doop jullie met water als teken van jullie inkeer, maar na mij komt iemand die machtiger is dan ik; ik ben het zelfs niet waard om zijn sandalen voor Hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 12 Hij houdt de wan in zijn hand, Hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.’ (NBV21)

Het is al weer een aantal jaren geleden dat vakbondsvrouw en politica Karin Adelmund werd gecremeerd. Zij kwam in 2005 plotseling te overlijden. Een hartaanval. Dat overkomt ons. Mensen zoals Karin Adelmund werken te hard en leven te ongezond. Ze was kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Ze was staatssecretaris geweest en daarvoor ook vicevoorzitster van de FNV. Voor echt bewogen en betrokken mensen een uitermate ongezond leven. Want na een vergadering kunnen de brieven nog even getekend worden, en voordat vergaderingen beginnen kunnen de stukken nog even doorgenomen worden. En tijdens het eten kan er overlegd worden met de medewerkenden. En als je dan ’s avonds laat thuiskomt is er nog aandacht voor de andere gezinsleden. Van zo’n leven slijt je hart. Ontspannen, bewegen, lol, het schiet er allemaal te vaak en te veel bij in.

Karin Adelmund was een bewogen vrouw. Bewogen met de armsten in de samenleving, met mensen die door ziekte en handicap niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Voor die mensen stond ze op de bres. Bij het afscheid dat van haar genomen werd in de Amsterdamse Kerk de Duif sprak ook de toenmalige Minister President Balkenende. “Ze stond voor een goede zaak” was het thema van zijn toespraak. En bij het lezen van het bovenstaande Bijbelgedeelte kun je aan die toespraak denken. Dat wat Jezus van Nazareth over de Farizeeën en Schriftgeleerden zegt leek wel op maat gesneden voor Jan Peter de minister-president. Jan Peter had natuurlijk gelijk. Karin Adelmund stond zeker voor een goede zaak. De zorg voor zieken, gehandicapten, armen en zwakken. Een zorg die zo zorgvuldig door het eerste kabinet van Jan Peter werd afgebroken. Op de hoeken van de straten staan ze te pronken met hun goedheid de leiders als Rutte en Kaag.

In de wereld van de economie stonden de voorspellers op. De ene econoom na de andere had de financiële crisis aan zien komen. Alleen de domme spaarders wisten het niet. Die hadden niet moeten vertrouwen op de toezichthouders die namens hen in de boeken hadden mogen kijken of het goed was met de banken op IJsland. Want je kunt toch nagaan dat als die toezichthouders iets verkeerd zien ze het niet kunnen vertellen, ze zouden maar schade aan kunnen richten. Dat je als minister president of als toezichthouder op banken dienaar bent van de armsten in de samenleving komt niet bij hen op. Het was iemand als Karin Adelmund die zich niet bekommerde om haar imago, maar zich openlijk bekommerde om de armsten. In deze dagen waar de leiders en toezichthouders in de financiële wereld de verantwoordelijkheid op gewone mensen afschuiven mogen we wel weer eens haar denken. En aan Jezus van Nazareth die het ons al had voorgeleefd. In zijn geest mogen wij er aan werken.

Ze zijn er niet meer.

Matteüs 2:13-23

13 Nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer, die zei: ‘Maak je gereed en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’ 14 Jozef maakte zich gereed en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte, 15 waar hij bleef tot de dood van Herodes. Zo moest in vervulling gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.’ 16 Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. 17 Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 18 ‘Er klinkt een stem in Rama, geween en luid geklaag. Rachel beweent haar kinderen en wil niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ 19 Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer, 20 die zei: ‘Maak je gereed en ga met het kind en zijn moeder naar het land Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven.’ 21 Jozef maakte zich gereed en ging met het kind en zijn moeder naar Israël. 22 Maar hij durfde niet naar Judea te gaan toen hij hoorde dat Archelaüs daar zijn vader Herodes als koning was opgevolgd. Nadat hij in een droom een aanwijzing had gekregen week hij uit naar Galilea, 23 waar hij ging wonen in de stad Nazaret. Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeten: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’ (NBV21)

Met het opruimen van de kerstboom en bijbehorende kerstversiering smijten we alle kerstromantiek voor een heel jaar weer de deur uit. Als je dan na de kerst ook nog het verhaal van vandaag leest zoals dat door Matteüs wordt verteld zijn alle herdertjes bij nachte in het veld en door het luchtruim zwevende engeltjes samen met het goud, de wierook en de mirre helemaal verdwenen. Er blijft alleen nog een droomengel over die je zo af en toe kan waarschuwen voor het ergste gevaar. Want Matteüs schroomt niet voor gruwelverhalen. Stel je voor, alle jongetjes beneden de twee jaar die vermoord moeten worden. Herodes maakt met één klap van Bethlehem het Egypte uit de tijd toen de Farao bevel gaf pasgeboren jongetjes te doden en alleen Mozes dat overleefde. Jozef had het op tijd in de gaten en zo overleefde Jezus deze moord. Want een afschuwelijke wrede moord blijft het. In de geschiedenis is het een kanttekening. In het Romeinse Rijk zal het nauwelijks opgemerkt zijn. Een vazal van de Keizer stelt de macht van het Rijk veilig.

Zo zijn er in de geschiedenis miljoenen kinderen omgebracht. In de Tweede Wereldoorlog stierven er anderhalf miljoen Joodse kinderen in de gaskamers, daarnaast ook nog zigeunerkinderen. Wat nu nieuwe koningen die worden geboren. Koningen worden door de Keizer aangewezen en als het goed gaat worden ze geboren in Paleizen, ook al regeren ze bij de gratie Gods. De machtigen moeten machtig blijven en als het nodig is beschermen ze hun positie met geweld. Het is vandaag in de wereld niet anders dan in de dagen van Herodes. Egypte staat in de symboliek van Israël voor het soort rijk van de dood waar het op deze manier toegaat. En daarom kon met recht gezegd worden dat Jezus uit Egypte naar Israël gekomen was. Dat terugkomen was overigens niet met veel tromgeroffel en fanfare. Om geen enkel risico te lopen vestigde Jozef zich met zijn gezin in Galilea, in Nazareth dus. Daar waren de Romeinen via de stadhouder de baas. Je weet maar nooit hoe ver de machtige arm van het paleis reikt en Galilea stond niet onder direct bestuur van Koning Archelaüs, een van de drie zonen van Herodes die na de dood van Herodes de Grote het land hadden verdeeld. Archelaüs zou worden afgezet omdat hij te wreed was voor de bevolking.

Dat Nazareth was zo klein en onbeduidend dat het nergens in de oude geschriften verder vermeld wordt. De naam wijst op de aanwezigheid van kreupelhout. Jozef duikt dus met zijn gezin onder in het kreupelhout. Dat Jezus een Nazoreeër genoemd zou worden is een merkwaardige uitspraak. Dat staat namelijk nergens in de boeken van de Profeten. Wel dat de Messias verachtelijk en nietswaardig genoemd zou worden. Dat hij dus opgroeide in het kreupelhout klopt dus wel met de voorspelling. Maar dat Jezus door een gelofte van zijn ouders apart gezet is en voorbestemd is zijn volk te bevrijden, zoals van Simson werd verteld, en wat “Nazoreeër” is volgens de geboden die in het boek Numeri worden beschreven, klopt hier niet in het verhaal. Maar dat namen in de Bijbel om hun klankverwantschap tot onverwachte verbindingen leiden komt vaker voor. Het verhaal gaat ook hier van dood naar leven. Van een gruwelijke moord die niet werd tegengehouden naar de komst van de Weg van Jezus van Nazareth. Een verhaal dat daardoor de Weg van Liefde, Recht en Vrede des te meer doet oplichten en een verhaal dat begint met een geboorte op een kale akker waar de schapen worden gevoed en een kind dat opgroeit in het struikgewas langs de weg..