Blijvende vrede

Jeremia 14:11-16

11 De HEER zei tegen mij: ‘Bid niet voor het welzijn van dit volk. 12 Ook al vasten ze, Ik zal niet naar hun smeekbeden luisteren. Ook al brengen ze brandoffers en graanoffers, die zullen Mij niet behagen. Ik zal hen vernietigen met het zwaard, de honger en de pest.’ 13 Ik zei: ‘Ach HEER, mijn God, hun profeten verkondigen: “Het zwaard zal jullie bespaard blijven en jullie zullen geen honger lijden; Ik schenk jullie blijvende vrede in dit land.”’ 14 De HEER antwoordde: ‘Die profeten verkondigen leugens, en dat in mijn naam. Ik heb hen niet gezonden, hun niets opgedragen, niet tot hen gesproken. De visioenen die ze profeteren zijn leugens, waarzeggerij, holle woorden en eigen verzinsels. 15 Daarom-dit zegt de HEER over de profeten die Ik niet gezonden heb, maar die in mijn naam profeteren dat dit land niet door het zwaard en de honger zal worden getroffen: Zij zullen zelf door het zwaard en de honger omkomen. 16 En de straten van Jeruzalem zullen bezaaid liggen met de lijken van hun toehoorders, geveld door de honger en het zwaard. Er zal niemand zijn die hen en hun vrouwen, zonen en dochters begraaft. Zo stort Ik hun eigen kwaad over hen uit. (NBV21)

We zijn aan het vasten. Iedereen heeft gisteren een askruisje gehaald en nu 40 dagen volhouden. Dat askruisje wordt ook door Protestanten tegenwoordig gehaald. Veel meer conservatieve protestanten willen in deze dagen terug naar de Rooms Katholieke kerk. Maar het Oecumenisch leesrooster dat we hier volgen begint met de mededeling dat je voor al die mensen die vasten niet hoeft te bidden want God zal ze verdelgen. Dat komt omdat er rond dat vasten nogal wat leugens worden verteld. In de eerste plaats dat askruisje, het is als reclame, ik vast dus weet ik hoe het hoort. Als we allemaal vasten breekt de vrede uit. Dan wordt er recht gedaan. Niets is minder waar. Jezus zou veel later eens zeggen dat je je rechterhand niet moet laten weten wat je linkerhand doet. Een andere profeet uit de tijd van Jeremia hield het volk voor dat niet de offers telden maar de gerechtigheid.

Het volk had de ellende over zichzelf afgeroepen. Jeremia probeert nog een keer om het voor zijn volk op te nemen. Al die arme mensen konden er toch niks aan doen dat ze zo verkeerd deden want er waren profeten die in de naam van de God van Israël vertelden dat het goed ging met het volk als ze maar bondgenootschappen met grootmachten sloten en zorgden dat ze die grootmachten naar de mond praatten. Op eenzelfde manier wordt ook ons volk voor de gek gehouden. Maar net zoals het volk van Jeremia zich niet achter de valse profeten konden verschuilen kan ook ons volk zich niet verschuilen achter de profeten voor een sterker Nederland. Ze willen iedereen tevreden stellen. Het geld dat we met z’n allen verdienen en waarvoor we voorzieningen bij de overheid inkopen moet rollen. Alle wensen voor hogere lonen, lagere prijzen en stevige pensioenen moeten worden ingewilligd. Dat gaat dus niet. We zijn wel een rijk land maar ook hier groeien de bomen niet tot aan de hemel.

Iedereen weet dat Nederland zwakker wordt als het niet deelt. Iedereen weet dat het volk zwakker wordt als het de verschillen tussen de allerarmsten en de allerrijksten niet kleiner maakt maar jaar op jaar groter laat worden. Dat is het gevolg van het inwilligen van alle wensen en als wij ook niet willen delen met de allerarmsten komen meer mensen het hier delen en valt de export verder stil. Het volk van Jeremia werd bedreigd door oorlog en geweld, de straten zouden bezaaid worden met lijken, het bloed zou door de straten van Jeruzalem vloeien. In onze dagen is het misschien niet een openlijke oorlog die ons direct te wachten staat. Misschien dat het aantal terroristische aanslagen kan toenemen door het voortdurend haat zaaien waar niet tegen wordt opgetreden, maar ook die aanslagen zijn niet te vergelijken met een oorlog. Wel hebben we oorlogen in de buurt die zomaar kunnen overslaan naar ons eigen gebied. Jeremia leert ons als geen ander dat grootmachten niet te vertrouwen zijn. Gerechtigheid moet daarom bij de vasten bovenaan staan. Niet alleen deze 40 dagen om het te oefenen, maar daarna voor altijd.

 

Lege kruiken

Jeremia 14:1-10

1 Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Jeremia naar aanleiding van de grote droogte: 2 ‘Juda treurt, de steden kwijnen weg, in het zwart gehuld zit de bevolking op de grond, jammerklachten klinken uit Jeruzalem. 3 De rijken sturen hun knechten om water. Ze komen bij de putten, maar water vinden ze niet. Met lege kruiken keren ze terug. Verslagen en beschaamd houden ze het hoofd bedekt. 4 Het land is dor en uitgedroogd, want de regens bleven uit. De boeren staan verslagen, ze houden het hoofd bedekt. 5 Ja, zelfs de hinde in het veld laat het jong dat ze wierp in de steek, want er is geen groen. 6 Op kale heuvels happen wilde ezels als jakhalzen naar adem. Hun ogen breken, want er is geen gras.’ 7 ‘HEER, al getuigen onze wandaden tegen ons, grijp toch in omwille van uw naam. Talloze malen waren wij U ontrouw, wij hebben tegen U gezondigd. 8 Bron van hoop voor Israël, redder in tijden van nood, waarom bent U als een vreemdeling in dit land, als een reiziger die maar één nacht blijft? 9 Waarom bent U als een radeloze man, als een soldaat die ons niet kan redden? U bent toch in ons midden, HEER, wij behoren U toch toe? Laat ons niet in de steek.’ 10 ‘De HEER zegt over dit volk: Maar al te graag dwalen ze weg, ze sparen hun voeten niet. De HEER schept geen behagen meer in hen. Nu brengt Hij hun wandaden in rekening, nu bestraft Hij hun zonden.’ (NBV21)

Bij alle militaire dreiging die op het land Juda afkomt is er in het gedeelte dat we vandaag lezen ook sprake van een grote droogte. En regen is nodig om het graan en het gras te laten groeien. Zonder gras geen vee en zonder graan geen brood. Maar het is zo droog in Jeruzalem dat zelfs de rijken niet meer te drinken hebben. De knechten die er op uit zijn gestuurd om een kruik water te halen keren beschaamd weer terug, er is niks meer. Ook de wilde dieren reageren op deze uitzonderlijke situatie. De hinde plant zich niet meer voort en de wilde ezels staan te verdrogen en verdorsten op de kaal geworden heuvels. Dat is toch wel heel erg. Het land dat overvloeide van melk en honing is verkeerd in een woestijn. Smekend richt het volk zich tot de God van Israël. Het is zich steeds meer bewust van de wandaden die het heeft verricht.

Maar op deze manier blijft er geen volk Israël over en heeft straks ook die God geen volk meer dat hem eer bewijst. Het is alsof die God niet bij dat volk hoort, zoals een reiziger wel te gast is en mee mag eten en mag blijven slapen maar dan weer verder reist omdat hij er niet bij hoort. Het antwoord van de God van Israël is dat het volk zelf afgedwaald is van de God van Israël, niet God laat het volk in de steek, het volk laat die God in de steek, heeft die God al lang geleden in de steek gelaten door andere goden achterna te lopen. Ophouden met het recht doen aan de weduwe en de wees heeft gevolgen. De goden van vruchtbaarheid en voorspoed voorrang geven boven de God van Israël, van delen met de zwaksten en de minsten, is lang nadien nog te merken. En ook wij mogen ons daar zorgen over gaan maken. Talloze gehandicapten die afhankelijk zijn van een beschermde werkomgeving zijn op straat komen te staan. Ze zullen ons als een molensteen om onze hals gaan hangen. Het miljard dat bezuinigd wordt op ontwikkelingssamenwerking zal niet alleen voor ontelbare hongerdoden gaan zorgen het zal zich ook tegen ons keren. Het zal een voedingsbodem worden voor haat en wrok.

Jonge mensen zullen zich genoodzaakt zien van onze rijkdom te komen halen als wij hen geen toekomst willen geven en niet willen delen. Dat zijn geen dreigingen, zo gaan die zaken. In ons eigen land zijn Oost Groningen en Limburg leeggelopen omdat wij het werk en de rijkdom eenzijdig concentreren in de Randstad. Zo zal het ook gaan met arme delen van Europa en met Afrika. Nu zijn de eerste sporen ervan al te merken. Maar net als het volk van Jeremia dat doof bleef voor de waarschuwingen toen het nog kon, blijven ook onze bestuurders doof en gedogen ze slechts dat de ene groep in de samenleving opgehitst wordt tegen de andere. Ze stellen ondertussen wel de woonsubsidie voor de rijken veilig. Alleen samen met mensen die ook geloven in de wereld zonder honger en geweld kan dat tij gekeerd worden. Dan moeten allen opstaan en stem geven aan de armen en aan het werk gaan voor dat Koninkrijk van de God van Israël, vandaag kan het nog.

Gezonde mensen

Marcus 2:13-22

13 Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote mensenmenigte kwam naar Hem toe, en Hij onderwees hen. 14 Toen Hij verderging zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en Hij zei tegen hem: ‘Volg Mij.’ Levi stond op en volgde Hem. 15 Toen Jezus en zijn leerlingen bij hem thuis uitgenodigd waren, lagen ze daar samen met een groot aantal tollenaars en zondaars aan voor de maaltijd, want velen van hen volgden Hem. 16 Toen de farizese schriftgeleerden zagen dat Hij samen met zondaars en tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Eet Hij met tollenaars en zondaars?’ 17 Jezus hoorde dit en zei tegen hen: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ 18 De leerlingen van Johannes en de farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die Hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’ 19 Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. 20 Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten. 21 Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de oude stof kapot en wordt de scheur nog groter. 22 Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken.’ (NBV21)

Die Marcus schreef het kortste evangelie maar heeft soms ook de meest korte en heldere teksten. Gisteren was het bevel voor de verlamde vriend: “Sta Op”, en vandaag klinkt het: “Volg mij”. Die oproep is gericht aan een belastinginner. Bijna zou je zeggen een ambtenaar maar zo was het niet. Tot in de negentiende eeuw hadden wij dat systeem ook. Je ging naar de overheid en deed een bod op het recht langs de weg tol te heffen. Als het bod hoog genoeg was kreeg je dat recht en moest je zien er geld aan te verdienen. Kwam er meer verkeer langs dan je had verwacht dan verdiende je natuurlijk, kwam er minder verkeer langs dan moest je zien de tol te verhogen. In de dagen van Jezus was het niet anders. Alleen kwam die belasting niet ten goede aan het volk zelf maar aan de bezetters. De Keizer en de burgers van Rome leefden er goed van, de soldaten werden er van betaald maar de armen werden steeds armer en het volk werd onderdrukt.

Volgen van Jezus betekende letterlijk daartegen in opstand te komen. Dat zegt het verhaal dan ook, nadat de tollenaar Levi de oproep had gehoord stond hij op. En hij liet het er niet bij want hij zorgde dat het systeem zand in de molen werd gestrooid. Bij hem thuis gaf hij Jezus de gelegenheid aan andere belastinginners en mensen die de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving niet meer kenden uit te leggen wat het Koninkrijk van de Liefde nou eigenlijk kon inhouden. De bestaande religieuze leiders hadden een breekbaar evenwicht met de bezetter bereikt en een populaire prediker die opriep terug te keren naar de oude wetten en gebruiken van het volk, in de geest van de onvoorwaardelijke liefde, die dus onrust stookte konden ze niet gebruiken. Maar juist waar die liefdeloosheid heerst zijn de mensen die de Liefde dienen het meest nodig. Daarom zie je ook veel mensen uit kerken actief voor vluchtelingen en asielzoekers, daarom werken die mensen vaak in wereldwinkels, steunen ze de belangenverenigingen van mensen met een uitkering. Dat is het volgen van Jezus door op te staan en mensen op te roepen op te staan uit benauwende en onderdrukkende situaties.

Elke dag is dat nodig. Ook vandaag. En laat je niet wijsmaken dat het iets nieuws is. Dat het de moderne tijd is. Dat deze tijd er één is waarin je niet meer moet geloven dat de wereld ooit beter wordt. Dat al die mensen die er vanuit gaan dat er ooit een tijd komt dat de armen recht wordt gedaan nu gek zijn. Er zijn mensen die je dat wijs willen maken. Ze hebben een taal gezocht die bij jongeren past en vertellen nu op een nieuwe manier, de manier van geen stijl, het oude verhaal van hebben en graaien als norm voor de samenleving. Samen delen en samen eten, zeker met vreemdelingen is daar niet bij. Geloven is voor hen vroom vasten in je eigen kerk, dan ben je wel belachelijk maar doe je zoals het hoort. Geloven is voor hen niet samen met mensen die er eigenlijk niet bij horen een gemeenschap vormen. Toch is dat nou juist wat Jezus van Nazareth ons in dit verhaal laat meebeleven. Doen dus. elke dag opnieuw, samen met zo veel mogelijk mensen die ook geloven dat er een aarde kan zijn van eerlijk delen, van vrede en recht en dat die aarde bij jezelf begint. Elke  zondag vind je die mensen in de Protestantse Kerk in de buurt.

 

Door vier mensen gedragen

Marcus 2:1-12

1 Toen Hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd het bekend dat Hij weer thuis was. 2 Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij verkondigde hun Gods boodschap. 3 Er werd ook een verlamde naar Hem toe gebracht, die door vier mensen gedragen werd. 4 Omdat ze door de menigte niet bij Jezus konden komen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Hij was. En toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn slaapmat naar beneden zakken. 5 Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: ‘Mijn kind, uw zonden zijn u vergeven.’ 6 Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: 7 Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit! Wie kan zonden vergeven dan God alleen? 8 Jezus wist meteen wat ze dachten en dus zei Hij: ‘Waarom denkt u zoiets? 9 Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op, pak uw mat en loop”? 10 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei Hij tegen de verlamde: 11 ‘Ik zeg u, sta op, pak uw mat en ga naar huis.’ 12 Meteen stond hij op, pakte zijn mat en ging weg. Alle mensen zagen het; ze stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze. (NBV21)

Altijd kunnen we weer opnieuw beginnen zeggen we hier vaak. Het is het hart van het verhaal, zonder dat zou het leven vergeefs zijn. Volledig opgaan in de liefde voor de naaste is een haast onmogelijke opgave, zeker als niet iedereen voortdurend meedoet en dat laatste is zeker niet het geval. Juist de tegenwerking van de rijken en de machtigen, de leugens die ze verspreiden en het verdraaien van woorden maken dat je verlamd raakt en ontmoedigd. Jezus van Nazareth woonde volgens het verhaal in Kafarnaüm, dat volgens sommigen “Het huis van troost” betekent. En het is goed om te bedenken dat je dus weer opnieuw mag beginnen, Het verhaal dat we vandaag lezen is wat dat betreft zeer toepasselijk.

Vier vrienden dragen een verlamde tot bij Jezus. Alleen al het hebben van zulke vrienden doet je bijna genezen. Maar iedereen wilde wel bij Jezus zijn in die dagen dus het huis puilt uit van de mensen. Geen nood, ze lopen het dak op, dragen hun vriend naar boven en maken een gat in het dak waardoor ze hem kunnen laten zaken tot voor de voeten van de meester. De verlamde vriend moet en zal er bij horen. Volgens de religieuze leiders van die dagen moet God dat uitmaken, niet de mensen. Wij kennen zulke religieuze leiders, homohuwelijken moeten niet erkend worden want homo’s en lesbiennes horen niet bij onze samenleving. Condooms mogen niet uitgedeeld en laat staan gebruikt worden, Aids is immers een straf van God. Wie gescheiden is mag geen deel uitmaken van de geloofsgemeenschap. Op de rechterstoel van God heeft een geestelijke plaatsgenomen.

Jezus bestreed die opvattingen, geloof in de Liefde, in de leer van Mozes, heb uw naaste lief als uzelf, is genoeg. Daarvan gaat zelfs een verlamde weer lopen. De opdracht is daarom op de staan tegen dit soort leiders. Godslastering is niet het uit liefde opnemen van iedereen in je gemeenschap, Godslastering is het uitsluiten van mensen, van verdeeldheid zaaien tussen bevolkingsgroepen, godsdiensten en landen. Voordat het Pasen wordt vieren we het feest van Carnaval. Het feest van de omgekeerde wereld waar iedereen aan mag meedoen en je niet kunt zien wie er uitgesloten zou moeten worden. Een feest dat niet voor niets door het volk een Christelijk tintje heeft gekregen. De grootste zot voert daar de boventoon. Tijd dus om op te staan en mee te doen aan een samenleving waar de onderkant de boventoon voert.

Het goede nieuws

Marcus 1:39-45

39 In heel Galilea verkondigde Hij het goede nieuws in de synagogen en dreef Hij demonen uit. 40 Er kwam iemand naar Hem toe die door een huidziekte onrein was; hij smeekte Hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken.’ 41 Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ 42 En meteen verdween zijn ziekte en hij was rein. 43 Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: 44 ‘Denk erom dat u er met niemand over praat, maar ga u aan de priester laten zien en breng als getuigenis voor de mensen het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven.’ 45 Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, waardoor Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar Hem toe komen. (NBV21)

Geleerden hebben het bij het lezen van het Evangelie van Marcus over het Messias geheim. Dat Jezus van Nazareth de bevrijder van Israël, de Messias, de Christus was, moest geheim blijven. Toch stroomden de mensen toe en ging het gerucht over hem door heel het land staat er voortdurend. Wat moest er dan geheim blijven? Wellicht toch de politieke betekenis van de persoon van Jezus van Nazareth. Uiteindelijk zou boven zijn hoofd aan het kruis het opschrift “Koning der Joden” verschijnen. De enige reden die de Romeinen konden hebben om hem ter dood te brengen. En Jezus van Nazareth was nu een maal niet een Koning zoals zij dat gewend waren in zijn dagen. Geen machtsgreep met behulp van een sterk leger. Geen geslaagde gewelddadige opstand. Maar een volk dat anders met elkaar gaat leven. Dat voor elkaar gaat zorgen, de minsten gaat helpen en altijd bereid is alles met elkaar te delen. Dat alle angst voor de dood heeft verloren en niet meer voor zichzelf leeft maar voor een ander. Daarvoor moest het volk zich bekeren zoals Johannes had geroepen en moesten ze eerst leren om zo te gaan leven. Jezus van Nazareth had het er maar druk mee, zelfs de rust van een stille plek werd hem nauwelijks gegund.

Soms is een hand uitsteken naar iemand gemakkelijk. Je hoeft er geen moeite voor te doen en ze zeggen evengoed dank je wel. Maar het kan ook zijn dat er gevaar bij komt kijken. Wie iemand uit het water haalt die dreigt te verdrinken wordt in elk geval nat maar loopt soms ook zelf gevaar. Veel mensen blijven daarom maar veilig op de kant staan te kijken en zien dan hoe iemand verdrinkt. Voor die mensen die zichzelf wel in de waagschaal stellen is er het Carnegie heldenfonds, die worden op voordracht van hun burgemeester in het zonnetje gezet. Ze zijn een voorbeeld voor onze samenleving want zonder mensen die een hand uitsteken kunnen we niet. Vrijwilligers die zieken verzorgen, we noemen hen mantelzorgers, maken dat zieken nog verzorgd worden. Voor de zorg van zieken, ouderen en zwakken is geen geld meer. Dat zeggen ze tenminste, er is natuurlijk geld genoeg maar zij die dat geld in overvloed hebben willen het niet delen, zeker niet voor zorg. Als ze zelf zorg nodig hebben dan huren ze wel wat in. Delen is er niet bij. Daarom zijn de mantelzorgers te prijzen. Zonder beloning zorgen ze voor zieken, zwakken of ouderen in hun directe omgeving.

Ook Jezus van Nazareth steekt de hand uit in het verhaal zoals dat door Marcus is opgeschreven. Eerst aan een vrouw, de schoonmoeder van Petrus, dan ook aan een melaatse. Wat we vroeger als melaatsheid lazen wordt in de NBV21 een huidziekte die onrein maakt genoemd, echt Lepra of melaatsheid hoeft het niet geweest te zijn. Lepra is een in Afrika nog steeds veel voorkomende ziekte en een hand uitsteken naar de Leprastichting is daarom zeer aan te bevelen. Voor Jezus van Nazareth moest het gewoon worden dat mensen weer mee kunnen doen in de samenleving. Je gewoon laten herkeuren door de priesters, zoals Mozes voorschreef, en dan weer aan het werk. Maar nee, mensen die een hand uitsteken moeten nu eenmaal in het zonnetje worden gezet, ze zijn een uitzondering. Wij kunnen er ook voor zorgen dat die uitzondering de regel wordt. Als we allemaal beginnen elke dag tenminste één keer, en elke week een aantal uren de hand uit te steken naar een ander, naar iemand die dat nodig heeft, dan wordt dat delen met elkaar binnen de kortste keren ook een gewoonte. Dan is ook Jezus van Nazareth geen uitzondering meer, wordt onze wereld herschapen in een wereld waar voor iedereen een plaats is.

Een kunstig lied

Psalm 32

1 Van David, een kunstig lied. Gelukkig de mens wiens ontrouw wordt vergeven, wiens zonden worden bedekt. 2 Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt, als in zijn geest geen spoor van bedrog is. 3 Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag. 4 Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht, mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. sela 5 Toen beleed ik U mijn zonde, ik dekte mijn schuld niet toe, ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ – en U vergaf mij mijn zonde, mijn schuld. sela 6 Laten uw getrouwen dus tot U bidden als zij in zichzelf een zonde vinden. Stormt dan een vloed van water aan, die zal hen niet bereiken. 7 Bij U ben ik veilig, U behoedt mij in de nood en omringt mij met gejuich van bevrijding. sela 8 ‘Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan. Ik geef raad, op jou rust mijn oog. 9 Wees niet redeloos als paarden of ezels, die met bit en toom worden bedwongen, dan zal geen kwaad je treffen.’ 10 Een slecht mens heeft veel leed te verduren, maar wie op de HEER vertrouwt wordt met liefde omringd. 11 Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich, zing het uit, u die oprecht bent van hart. (NBV21)

Vandaag zingen we met de Kerk een psalm over zonde en vergeving. Het zijn woorden uit een oude kerkelijke taal en voor veel mensen zijn ze afgesleten en lege clichés geworden. Dat komt met name doordat er door de gebruikers van deze woorden al een klank van veroordeling in ligt. Wij zijn allen zondig en onze zonden moeten nodig vergeven worden. Daarmee veroordelen wij ons zelf en alle andere mensen. Dat terwijl we toch goede burgers willen zijn die ons netjes aan de regels houden en van tijd tot tijd ook voor een ander willen zorgen. We vermijden ruzie te maken en of je het nu wil geloven of niet, de meeste mensen in ons land zullen tijdens hun leven nooit een mens met opzet ernstig verwonden of zelfs doden. Wat dan al die mensen te veroordelen en te roepen dat ze zondig zijn en dat hun zonde vergeven zou moeten worden. In de zestiende eeuw schreven Gereformeerde leraren in Duitsland zelfs op dat de mens, wij allemaal dus, slechts bekwaam zou zijn tot alle slechts en niet in staat tot enig goeds. Voor Duitsers zou dat misschien kunnen gelden, ook niet natuurlijk, maar voor ons klinkt dat toch zwaar overdreven.

Maar de Psalm gaat niet over een veroordeling maar over vergeving. Vergeving van schuld heeft iets bevrijdends. We hebben iemand iets aangedaan, hebben daarover spijt betuigd en geprobeerd het goed te maken en dan roept die ander dat het je vergeven wordt. Dat lucht op, zeker als je de eerste was die ongelijk wilde bekennen en zich kwetsbaar wilde opstellen door toe te geven dat je fout zat. Als we zo over zonde en vergeving gaan praten wordt het iets alledaags. Laat dat nu net de bedoeling van deze Psalm zijn. Dat oordeel van de God van Israël is niet na je dood in een plechtige rechtszaak waar je ziel op gewogen wordt, te licht bevonden natuurlijk en de schaal in evenwicht gebracht wordt door de dood van Christus. Dat is een beeld dat je in kerken nog wel eens uitgeschilderd ziet, het plafond van de Grote kerk in Alkmaar is daar een monumentaal voorbeeld van. Maar het is niet wat deze Psalm bezingt. Deze Psalm bezingt het leven van alle dag. Waar zijn we ontrouw geweest aan de God van Israël? Dat hoeft een ander ons niet te vertellen, dat weten we zelf als eerste.

Als we vroeger een mooi bord lieten vallen bij de afwas dan riepen we: “zonde”, het was onherstelbaar gebroken. Voor borden is dat niet zo heel erg, maar als de relatie tussen mensen zo gebroken wordt dat dan die breuk tot oorlog of moord en doodslag leidt dan is het wel heel erg. Nu is voor de God van Israël niets onherstelbaar. Die God leidde immers zijn volk uit de slavernij naar een land dat overvloeide van melk en honing. En toen dat volk alle banden met die God verbrak en andere goden achterna ging lopen gaf die God niet op en bracht hij zijn volk weer thuis en gaf ze de gelegenheid het verwoeste land en de verwoeste stad weer op te bouwen. Zo zond hij ook zijn zoon om mensen weer een plek in de samenleving te geven, niemand bleef buitengesloten, zelfs melaatsen konden weer meedoen. De invloed die de dood op het handelen van mensen had kon ongedaan worden gemaakt. Op die momenten dat we ons bewust worden van onze onvolmaaktheid, iedereen maakt fouten, iedereen kwetst wel eens een ander, dan is dat niet onherstelbaar, dat kan vergeven worden. Als je bereid bent je eigen onvolmaaktheid te erkennen en ruiterlijk uitkomt voor je fouten dan kun je opnieuw beginnen met de wereld om je heen. Dat is vaak een hele opluchting, dat bevrijdt, dan kun je echt zingen. Het kan je elke dag opnieuw gebeuren, ook vandaag weer.

Onrein, onrein!

Leviticus 13:38-46

38 Als een man of een vrouw lichte, witte vlekken op de huid heeft, 39 moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de lichte witte plekken op de huid dof zijn, is het onschuldige uitslag die de huid heeft aangetast en is die man of vrouw rein. 40 Als bij een man het haar op de kruin uitvalt, is dat gewoon kaalheid en is hij rein. 41 Ook als zijn haar aan zijn voorhoofd uitvalt, is dat gewoon kaalheid en is hij rein. 42 Maar als er een bleekrode plek op zijn kale kruin of voorhoofd verschijnt, zou het hoofd op die plaats aangetast kunnen zijn door een huidziekte die onrein maakt 43 en moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de bleekrode aandoening op het kale hoofd er net zo uitziet als een onrein makende ziekte op onbehaarde huid, 44 is er inderdaad sprake van huidziekte die onrein maakt en moet de priester de man vanwege die aandoening aan zijn hoofd onrein verklaren. 45 Wie lijdt aan een onreine huidziekte moet zijn kleren scheuren, zijn haar los laten hangen, baard en snor bedekken en “Onrein, onrein!” roepen. 46 Zo iemand blijft onrein zolang de aandoening duurt. Als onreine moet hij apart wonen en buiten het kamp verblijven.(NBV21)

Nu we dit gedeelte van het boek Leviticus lezen moeten we ons ook realiseren dat de Bijbel geen medisch handboek is en de Priesters geen artsen zijn. Het gaat in deze lezingen dan ook niet om genezing maar om reinheid. Ook bij ons komt dat voor. We zeggen dat iemand er niet uitziet en vragen dan naar een mogelijke ziekte. Maar als het antwoord is dat het veranderde uiterlijk het gevolg is van een situatie in het verleden, drankgebruik, plotseling een nacht moeten doorhalen, explosie bij de buren, een verkeersongeval, dan accepteren we dat. De lijst hierboven is niet volledig, zonder dat er ziekte hoeft te zijn kennen we een oneindig aantal omstandigheden waardoor iemand er vermoeid of ziek uit ziet. Let wel het zou ook nog kunnen dat iemand ziek is.

In het boek Deuteronomium wordt heel uitdrukkelijk verwezen naar deze passages uit Leviticus en er voor gewaarschuwd dat de Priester echt nauwkeurig moet kunnen kijken en oordelen. Deuteronomium geeft dan als voorbeeld wat er met Mirjam de zuster van Mozes gebeurde toen ze over Mozes liep te roddelen met haar broer Aäron. Omdat Mozes veel te bescheiden was om in te grijpen greep God zelf in. Mirjam kreeg de Egyptische Ziekte, haar huid werd wit en daarmee was ze voor de eerstvolgende zeven dagen onrein en moest ze buiten het kamp blijven. Kwaadspreken kan dus een oorzaak zijn van het er niet uitzien, zo er niet uitzien dat er vragen bij gesteld kunnen worden.

Nu kan ook kwaadspreken zeer besmettelijk zijn. Dat je dan je excuses moet aanbieden door het contact met anderen zeer expliciet te mijden is zo slecht niet. Als je echt een besmettelijke ziekte hebt dan help je mensen. Als je koorts hebt en hoest ze je een mondkapje op nietwaar want je wil niet dat anderen ook ziek worden. Maar vergeving betekent dat je op een andere manier met elkaar verder gaat en inzien wat de gevolgen van roddel en pesten kunnen zijn kan een begin van verandering betekenen. Het isoleert je van een echte gemeenschap en dat isolement moet je dan maar aan den lijve ondervinden. We mogen elkaar er op aanspreken, we mogen elkaar niet veroordelen, maar we mogen elkaar oproepen te veranderen en weer aan onze gemeenschap deel te gaan nemen.

 

Op de zevende dag

Leviticus 13:24-37

24 Als iemand een brandwond heeft opgelopen en de gewonde plek wordt bleekrood of wit, 25 moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat het haar op de plek wit geworden is en dat de plek diep in de huid ligt, moet hij die persoon onrein verklaren vanwege de huidziekte die op de plaats van de brandwond is ontstaan. 26 Als de priester vaststelt dat het haar op de lichte plek niet wit is, de plek niet diep in de huid ligt en dof is, moet hij de persoon in kwestie zeven dagen afzonderen. 27 Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als de plek zich in die tijd heeft uitgebreid, moet de priester hem vanwege die ziekte onrein verklaren. 28 Maar als de lichte plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder heeft aangetast en dof gebleven is, is het gewoon een zwelling als gevolg van de brandwond en moet de priester hem rein verklaren. De plek is dan het litteken van de brandwond. 29 Als iemand een aandoening onder zijn of haar hoofdhaar heeft, of een aandoening onder zijn baard, 30 moet de priester ernaar kijken. Als hij vaststelt dat de aandoening diep in de huid ligt en het haar op de aangetaste plek geel en dun is, dan is het schimmel en moet hij de betreffende persoon vanwege die ziekte onrein verklaren. 31 Als de priester echter vaststelt dat de plek op hoofd of kin niet diep in de huid ligt maar er toch geen donker haar op groeit, moet hij hem zeven dagen afzonderen. 32 Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als blijkt dat de schimmel zich in die tijd niet heeft uitgebreid, het haar op de aangetaste plek niet geel geworden is en de plek niet diep in de huid ligt, 33 moet de persoon in kwestie al het haar rond de aangetaste plek afscheren. De priester zondert hem daarna opnieuw zeven dagen af. 34 Op de zevende dag bekijkt de priester de plek opnieuw, en als de schimmel zich niet heeft uitgebreid en niet diep in de huid ligt, moet hij de betreffende persoon rein verklaren. Die moet zijn kleren wassen en is dan weer rein. zijn kleren wassen en is dan weer rein. 35 Maar als de schimmel zich uitbreidt nadat hij rein is verklaard, 36 moet de priester hem opnieuw onderzoeken. Als blijkt dat de schimmel zich inderdaad heeft uitgebreid, hoeft hij niet te zoeken naar geel haar; de persoon in kwestie is dan onrein. 37 Wanneer de priester later vaststelt dat de schimmel zich niet verder heeft uitgebreid en dat er donker haar op de plek groeit, is de kwaal werkelijk genezen. De betreffende persoon is dan rein en de priester moet hem rein verklaren. (NBV21)

Het klinkt hard, maar quarantaine is nog steeds na al die eeuwen een probaat middel tegen de verspreiding van besmettelijke ziekten. Het is haast niet voor te stellen dat dit moderne middel al toegepast werd eeuwen voor het begin van onze jaartelling. En toch is het zo. Al behoort de zorgvuldige waarneming van de Priester toen er net zo hard bij als een zorgvuldige diagnose van de dokter nu. Het is duidelijk dat de uitsluiting uit de gemeenschap geen dag langer mag duren als nodig. Ook nu kan een quarantaine alleen als er een medische noodzaak is, niet omdat we bang zijn voor een enge ziekte. Dat laatste wordt nog wel eens vergeten. We hebben bijvoorbeeld in ons land een redelijk uniek systeem voor mensen met en zware psychische stoornis die een gevaar blijken te zijn voor andere mensen in de samenleving.

Die mensen krijgen straf voor hetgeen ze verkeerd hebben gedaan en worden daarna Ter Beschikking van de Regering gesteld om verpleegd en behandeld te worden tot het gevaar geweken is. Dat laatste is natuurlijk moeilijk vast te stellen. Daar horen meerdere doctoren en deskundigen aan te pas te komen en in laatste instantie de onafhankelijk rechter die kan bekijken of alle oordelen wel zorgvuldig zijn geveld, wat het advies van de deskundigen is en of het verantwoord is dat advies te volgen. Meerdere doctoren en deskundigen betekent ook voldoende geld om hen te betalen, voldoende geld ook om hen op te leiden. Dat voldoende geld ontbreekt eigenlijk. Daardoor is het systeem van TBS wel een mooi systeem maar ook een systeem met veel onvolkomenheden. Beslissingen worden daarom ook wel genomen zonder dat er voldoende inzicht is in de genezing van een gevaarlijk patiënt, zonder voldoende afweging van de gegevens door voldoende deskundigen. Dan kan het mis gaan.

Dat mis gaan gebeurd eigenlijk maar zelden maar elke keer dat het misgaat is er iemand op een verschrikkelijke manier slachtoffer en zijn er nabestaanden die soms jarenlang met een pijnlijk verlies achterblijven. Dat moet niet. Het systeem is er voor om en de patiënt en de samenleving te behoeden voor het gevaar. Daar is het apart stellen voor en daarvoor moeten de patiënten in streng gesloten inrichtingen blijven wonen. Maar we mogen ze daar niet onnodig laten wonen. Onze angst, hoe terecht soms ook, mag nooit de doorslaggevende reden zijn om mensen hun hele leven te blijven uitsluiten van de samenleving. Dat zou in strijd zijn met de Bijbelse richtlijnen zoals we ze hier in het boek Leviticus ook aantreffen. Uit elk vers van dit wetboek spreekt de wil om zo zorgvuldig mogelijk te handelen. Telkens na enkele dagen moet er opnieuw gekeken worden. Op die zorgvuldigheid mogen we de politici op aanspreken die het geld beschikbaar stellen om ons te beschermen, om deskundigen op te leiden en aan te stellen om TBS gestelden te behandelen en te beoordelen en om te zorgen dat niemand buiten onze samenleving geplaatst wordt die dat niet verdiend.

Nader onderzoek

Leviticus 13:12-23

12-13 Wanneer het ernaar uitziet dat de aandoening zich over het hele lichaam heeft uitgebreid, moet de priester de betreffende persoon nader onderzoeken. Als hij vaststelt dat de ziekte het lichaam inderdaad van hoofd tot voeten heeft aangetast, moet hij hem rein verklaren. Aangezien hij helemaal wit is geworden, is hij rein. 14 Maar zodra er rauwe plekken bij hem te zien zijn, is hij onrein. 15 Als de priester een rauwe plek ziet, moet hij hem onrein verklaren, want een rauwe plek is een teken van een huidziekte die onrein maakt. 16 Maar als de rauwe plek weer wit wordt, moet hij naar de priester teruggaan. 17 Als de priester vaststelt dat de huid wit geworden is, moet hij hem rein verklaren; hij is dan rein. 18 Als er een zweer op iemands huid verschijnt die weer geneest, 19 maar er op de plaats van de zweer een witte of bleekrode zwelling of vlek ontstaat, moet die persoon zich door de priester laten onderzoeken. 20 Als de priester vaststelt dat de plek diep in de huid ligt en het haar erop wit geworden is, moet hij de betreffende persoon onrein verklaren vanwege de huidziekte die op de plek van de zweer is ontstaan. 21 Maar als de priester bij het bekijken van de plek vaststelt dat het haar niet wit is, de plek niet diep in de huid ligt en dof is, moet hij hem zeven dagen afzonderen. 22 Als de vlek zich in die tijd heeft uitgebreid, moet de priester hem vanwege die ziekte onrein verklaren. 23 Maar als de lichte plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder heeft aangetast, is het een litteken van de zweer en moet de priester hem rein verklaren. (NBV21)

Melaatsheid was in het Oude Oosten een zeer enge ziekte, het werd ook de ziekte van Egypte genoemd, het Hebreeuwse woord voor huidziekte wijst daar ook op. Een dodelijke ziekte afkomstig uit het land van de dood dus.. Maar de zorgvuldigheid waarmee in Israël de patiënten benaderd werden kan nog steeds een diepe indruk maken. Het hele dertiende hoofdstuk van het boek Leviticus is geschreven in vaktaal. Aan de hand van dit hoofdstuk kan de Priester, die ook optreed als dokter, een onderscheid maken tussen chronische en acute ziekten. Dit is het oudste voorschrift betreffende quarantaine en preventieve geneeskunst uit het Nabije Oosten aangaande dit soort ziekten. Overigens is de vertaling “melaatsheid” vervangen door huidziekte die onrein maakt omdat wij met onze moderne technische middelen een veel helderder diagnose kunnen stellen over melaatsheid. In Bijbelse tijden werden allerlei huidaandoeningen van een meer chronische aard voor de zekerheid maar onrein verklaard.

De voorschriften uit het boek Leviticus zouden de mensen ervoor moeten behoeden dat het onrein verklaren geen dag langer zou duren dan strikt noodzakelijk was. De voorschriften in dit hoofdstuk bevrijden mensen dus ook van de dodende greep die Egypte op mensen kon leggen, bevrijding van het onvermijdelijke van de dood die op de Egyptische ziekte volgt. De verhalen in het Nieuwe Testament over de omgang van Jezus van Nazareth met lijders aan huidziekten leren ons dat de angst voor vreemde ziekten gemakkelijk de overhand kan krijgen op de verstandige voorschriften. Ook in onze samenleving kan dat gemakkelijk toeslaan. We hebben hele kuddes koeien en schapen af laten slachten en laten vernietigen omdat we bang gemaakt waren voor enge ziekten uit het Verre Oosten. Uit angst besmet vlees te eten werd vaccinatie van het vee tegen die enge ziekten afgewezen. Dat we ook het dierlijk leven ernstig moeten nemen en met respect moeten behandelen vergeten we.

In de Bijbel staan ook voorschriften voor ritueel slachten. Die voorschriften zijn er juist voor bedoeld ons steeds weer te herinneren aan het respect dat we voor dierenleven moeten opbrengen. Ook in de Islam bestaan de voorschriften voor ritueel slachten. Bij de discussie over ritueel slachten moeten we ons dus ook realiseren dat het bij de rituele voorschriften gaat om een respect voor dierenleven dat we in het algemeen in onze samenleving niet meer weten op te brengen. Maar heel langzaam dringt het besef door dat vaccinatie van vee tegen die enge ziekten verre te verkiezen is boven het massaal afslachten van hele kuddes dieren. Misschien moeten onze kinderen en scholieren wat vaker excursies maken naar slachthuizen om het contact met de werkelijkheid van hun voedsel weer te krijgen. Oudere mensen kennen nog de slager in de buurt die ook zelf slachtte, of de huis- of noodslachting op de boerderij. Respect voor het leven is in elk geval een belangrijk Bijbels gegeven. Respect voor mensen staat daarbij voorop. Uitsluiten van mensen buiten de samenleving anders dan vanwege een directe bedreiging voor de samenleving en voor henzelf moet in elk geval worden afgewezen.

Een huidziekte die onrein maakt

Leviticus 13:1-11

1 De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2 ‘Als iemand een zwelling, uitslag of een lichte plek op zijn huid heeft die kan wijzen op een huidziekte die onrein maakt, moet hij naar de priester worden gebracht, naar Aäron of een van diens nakomelingen, 3 die de aandoening moet bekijken. Als de priester vaststelt dat het haar op de aangetaste plek wit geworden is en de plek diep in de huid ligt, moet hij de persoon in kwestie vanwege die ziekte onrein verklaren. 4 Als de huid een lichte, witte plek vertoont die niet diep in de huid ligt en het haar niet wit geworden is, moet de priester de betreffende persoon zeven dagen afzonderen. 5 Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als blijkt dat de plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder is aangetast, moet hij hem opnieuw zeven dagen afzonderen. 6 Zeven dagen later onderzoekt de priester hem nogmaals, en als de plek dof geworden is en zich niet heeft uitgebreid, moet hij hem rein verklaren. Het is dan gewone uitslag. De persoon in kwestie moet zijn kleren wassen en is dan weer rein. 7 Maar als hij na onderzoek door de priester rein verklaard is en de plek zich later toch uitbreidt, moet hij zich opnieuw aan de priester laten zien. 8 Als de priester vaststelt dat de plek zich inderdaad heeft uitgebreid, moet hij hem vanwege zijn huidziekte onrein verklaren. 9 Wanneer er dus sprake zou kunnen zijn van een huidziekte die iemand onrein maakt, moet de betreffende persoon naar de priester worden gebracht. 10 Als de priester een witte zwelling op de huid ziet, met wit haar erop, en er een rauwe plek is ontstaan, 11 is het een chronische huidziekte en moet de priester hem onrein verklaren. Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is onmiskenbaar onrein. (NBV21)

Het waren de Levieten die niet alleen in de Tempel de priesters hielpen bij de dienst in de Tempel maar ook rechtspraken in het land. In elke stad en in elk dorp woonden Levieten. Na de ballingschap waren zij het die de wetten van Mozes opnieuw voorlazen en uitlegden aan het volk. In het boek Leviticus vinden we hun eigen wetboek. In dit gedeelte gaat het over een huidziekte die onrein maakt. Wat voor ziekte dit is blijft in de Bijbel onduidelijk. Het zou melaatsheid kunnen zijn maar ook huizen kunnen deze ziekte krijgen. Sommige Rabijnen nemen daarom aan dat het eigenlijk gaat om de ziekte van kwaad spraken, daar kunnen zelfs je muren wit van uitslaan. De Priesters moeten daarom onderscheid maken tussen echte en onechte melaatsheid, echte is besmettelijk, roddelen trouwens ook. Een gezondheidszorg die uitblinkt in zorgvuldigheid wordt ons hier geschetst. Niet alleen wordt de omgeving beschermd door isolering maar de patient zelf wordt zoveel mogelijk geholpen weer een volwaardige plaats in de samenleving in te nemen.

Dat ging in de praktijk dus vaak anders. Ook wij kennen in onze geschiedenis de leprozenkolonies en de kleppermannen. In de leprozenkolonies werden melaatsen bijeen gebracht, voor de rest van hun leven. Kwamen ze in een bewoonde omgeving dan moesten ze met kleppers hun komst aankondigen zodat elk contact met niet melaatsen vermeden kon worden. Naar hen omkijken deed eigenlijk niemand. Daar hebben we wel van geleerd. De leprastichting probeert in de hele wereld aandacht en zorg te organiseren voor mensen met een besmettelijke huidziekte en hen weer een volwaardige plaats in de samenleving te bezorgen. Die leprastichting verdient onze steun dus. Maar mensen met een zichtbare huidziekte zijn ook een voorbeeld. Ze roepen voor alle zieken en gehandicapten de vraag op hoe we met ze omgaan. Hebben we werkelijk aandacht en zorg voor hen of alleen als het ons niet teveel kost.

Jonggehandicapten krijgen vaak de indruk dat ze eigenlijk te veel kosten, dus teveel zijn. De handicap uit hun jeugd dragen ze hun hele leven met zich mee. Omdat werkgevers ze niet willen hebben en op hun scholing al te veel bezuinigd is dreigen ze iedere keer weer gekort te worden op het allerlaagste uitkeringsinkomen dat voor hen was bestemd, de Wajonguitkering. Natuurlijk zijn er vele jonge gehandicapten, of gehandicapten die dat van jongs af zijn, die nog best kunnen werken. Ze willen dat maar al te graag. Maar in plaats van hun scholing te verbeteren en werkgevers te verplichten ook hen werk te geven worden ze gestraft. Dat is dus niet het voorbeeld dat ons in dit gedeelte van Leviticus wordt voorgehouden, dat moet dus anders, met zorg en aandacht. Aan gelovigen hen stem te geven.