Neem een stuk hout

Ezechiël 37:15-28

15 De HEER richtte zich tot mij: 16 ‘Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: “Juda, en de Israëlieten die bij hem horen.” Neem dan nog een stuk hout en schrijf daarop: “Jozef” dat is het stuk hout van Efraïm-“en heel het volk van Israël dat met hem verbonden is.” 17 Voeg die twee samen tot één geheel, zodat ze in je hand één stuk hout vormen. 18  En als je volksgenoten je vragen: “Wil je ons vertellen wat je hiermee bedoelt?” 19 zeg dan: “Dit zegt God, de HEER: Ik neem het stuk hout van Jozef-dat van Efraïm dus-en van de stammen van Israël die met hem verbonden zijn, en ik leg dat tegen het stuk hout van Juda aan. Ik maak er één stuk hout van, in mijn hand zullen ze één worden.” 20 De stukken hout waarop je geschreven hebt, moet je duidelijk zichtbaar in je hand houden, 21 en dan zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Ik haal de Israëlieten weg bij de volken waar ze terechtgekomen zijn, ik zal ze overal vandaan bijeenbrengen en ze naar hun land laten terugkeren. 22 Ik zal één volk van hen maken in het land en op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Niet langer zullen ze uit twee volken bestaan en verdeeld zijn in twee koninkrijken. 23 Ze zullen zich niet meer verontreinigen met hun afgoden en hun afschuwelijke misdaden, ik zal hen van hun zondige ontrouw redden en hen reinigen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 24 David, mijn dienaar, zal hun koning zijn, en samen zullen ze één herder hebben. Mijn regels zullen ze in acht nemen en volgens mijn wetten zullen ze leven. 25 Ze zullen wonen in het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land van jullie voorouders. Zij en hun kinderen en de kinderen van hun kinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. 26  Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond dat eeuwig zal duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk maken; mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan. 27 Bij hen zal ik wonen; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 28 En de volken zullen beseffen dat ik, de HEER, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is.”’ (NBV)

Het staat er echt in Ezechiël 37, tweede gedeelte. Die profeet leefde in een tijd waarin het land Israel in tweede delen uiteen was gevallen. Een Noordelijk en een Zuidelijk koninkrijk. Dat kon natuurlijk niet zo blijven maar wil je dat veranderen dan moet je de mensen het vertrouwen geven dat het ook echt anders kan. Zo ging Ezechiël aan het werk met twee stukken hout. Op de een schreef hij de naam van het Noordelijk koninkrijk en op de andere dus de naam van het Zuidelijk koninkrijk. En toen hij van de twee stukken hout één plank maakte vroegen de mensen wat hij aan het doen was. Nou zei Ezechiël als we werkelijk de weg van God, de weg van de liefde voor alle mensen volgen dat wordt dit land net zo één als het volk eigenlijk al is en als de ene God die ze aanbidden. Die twee koninkrijkjes hadden onderling oorlog gevoerd, soms hadden ze samen gemeenschappelijke vijanden bestreden, maar veel vaker hadden ze elkaar laten barsten als het weer verkeerd dreigde te gaan. Zo was eerst het Noordelijk Rijk en pas later het Zuidelijk Rijk slachtoffer geworden van de macht van Babel en was het volk van beide landen in ballingschap weggevoerd.

En dan zou in die ballingschap het volk weer één worden? En nou willen ze ons doen geloven dat het ook zo zal gaan met Europa. Ooit was dat ook één rijk, onder Keizer Karel de Grote, en daarvoor ook nog onder de Romeinen. Straks zijn er zo’n 30 landen lid van de Europese Unie. Dat aantal valt nog wel mee, van de Verenigde Staten van Amerika zijn er 50 lid. Maar wordt Europa wel één land, of doen we net alsof. Er is al eens voorgesteld één vlag en één volkslied in te voeren. Inmiddels heeft Europa een eigen minister van buitenlandse zaken, wat die namens ons doet is vaak is onduidelijk. Er zijn nu al 2 van de 25 landen van de Europese Unie lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, Frankrijk en Duitsland, dat waren er drie, Engeland is ook lid. Als we werkelijk één Europa worden zou men pleiten voor één zetel in de Veiligheidsraad, nietwaar, met één minister van buitenlandse zaken die aan het gemeenschappelijke parlement verantwoording aflegt voor het gemeenschappelijke buitenlandse beleid.

Van dat Europese parlement horen we dus bijna nooit wat. Elke discussie in ons eigen parlement wordt in haar geheel op de televisie uitgezonden. Ons parlement heeft een eigen radio en televisie kanaal. Maar het is uiterst zelden dat een discussie van het Europese Parlement wordt uitgezonden. Wel wordt er elke dag wel ergens geklaagd over de regelgeving uit Europa en hoe lastig die regels wel niet zijn. Dat onze eigen vertegenwoordigers in het Europese Parlement mee verantwoordelijk zijn voor die regels blijft buiten beschouwing. Ezechiël liet zijn volk heel concreet zien hoe de toekomst er uit zou kunnen zien. Goden van vruchtbaarheid, goden van winst en profijt zouden ze achter zich moeten laten, het aanbidden van die goden was uitgelopen op die ballingschap. Centraal moest weer de set richtlijnen voor de menselijke samenleving komen te staan. Volgens die richtlijnen wordt samen gezorgd voor de minsten in de samenleving. In Europa is dan geen vluchtelingencrisis meer. Die vluchtelingen vangen we op en samen met die vluchtelingen gaan we op zoek naar vrede in hun land van herkomst. En op grond van die richtlijnen beseffen we dat het gooien van bommen op landen, zoveel dood  en verderf betekent dat mensen er voor vluchten. God wil die wereld omgekeerd, wij kunnen die wereld omkeren.

 

Dorre beenderen

Ezechiël 37:1-14

1 Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2 Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3  De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ 4 Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER ! 5 Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6 Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’ 7 Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. 8 Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9 Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10 Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte. 11 En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” 12 Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. 13 Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. 14 Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen-zo spreekt de HEER.”’ (NBV)

Het is niet altijd even eenvoudig de massa in beweging de krijgen. Het mooiste voorbeeld is nog altijd dat van Ezechiël, iemand die voortdurend het verhaal van God liep te vertellen, een profeet dus. Die Ezechiël moest de mensen niet zozeer het woord van God vertellen maar het vooral laten zien. Hij was er voor gewaarschuwd dat het volk niet zou willen luisteren. Het beeld dat hij gebruikte voor de menigte die met geen mogelijkheid in beweging te krijgen is, was dat van het dal van de dorre doodsbeenderen. Een vallei van alleen de botjes, geen vlees en geen spieren en geen leven dus. En Ezechiël roepen dat God wilde dat er leven was, en warempel de botjes voegden zich samen, er kwam vlees op en spieren en de mensen kwamen weer in beweging. Het dal van de dorre doodsbeenderen heeft veel mensen aangesproken. Maar vaak om de verkeerde redenen. In het nieuwe testament is namelijk het geloof in de opstanding uit de doden een belangrijk gegeven geworden.

Maar in de dagen van Ezechiël speelde dat nog geen rol. Men geloofde dat bij het sterven de adem van de mens, adem die van God ingeblazen was, weer terug zou keren naar God. Pas na de ballingschap kwam dat geloof in de opstanding aan de orde. Het volk Israël kwam namelijk onder de heerschappij van een uiterst wreed optredende Griekse bezetter. En langzaam aan kwam het volk tot de overtuiging dat het onrechtvaardig was dat de onderdrukten een pijnlijke dood moesten sterven terwijl de onderdrukkers rustig oud konden worden. De God van Israël was een rechtvaardig God en ooit zou er dus een rechtvaardig oordeel over slachtoffers en beulen geveld worden. Dat zou komen aan het eind van de geschiedenis, dan zouden de slachtoffers en de beulen opstaan en voor de rechterstoel van God verschijnen. Daniël had al eens geschreven dat de koning van de lijdenden al die slachtoffers voor de troon van God zou voeren zodat hen alsnog recht gedaan zou worden.

Het dal van de dorre doodsbeenderen gaat dus niet over de jongste dag en het oordeel over de mensen. Dit beeld gaat over mensen die het lijden tolereren alsof ze dood zijn. Die toekijken als er in hun stad vrouwen gedwongen worden tot prostitutie, die kinderen hun passend onderwijs laten afpakken, die gehandicapten hun beschermde werkomgeving zien gesloten worden, die het thuis wonen van chronisch zieken en gehandicapten onmogelijk zien worden omdat er geen persoonsgebonden budgetten meer zijn en die de honger en de armoede in de wereld zien toenemen omdat er bezuinigd wordt op hulp en ontwikkelingssamenwerking, mensen die vluchtelingen terugsturen naar dictaturen en ze niet welkom willen heten. Met Ezechiël vraagt de Bijbel ons wanneer wij in beweging komen, wanneer bij ons weer vlees en spieren op de botten komen zodat wij ons gaan verzetten tegen het lijden in de wereld. Wanneer gaan wij de doorvoer en uitvoer van wapentuig uit ons land stopzetten? Wanneer zetten wij bij de verdeling van onze rijkdom de armsten voorop en laten we mensen echt tot hun recht komen? Wij mogen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer. Laten we dat dan ook doen.

Nooit meer een hongersnood

Ezechiël 36:29-38

29 Ik zal jullie redden van alles wat je onrein maakt, ik zal het koren bevelen overvloedig te groeien en nooit meer een hongersnood op jullie afsturen. 30 De bomen zullen overvloedig vrucht dragen en de akkers zullen een rijke opbrengst geven; jullie zullen niet meer door andere volken worden bespot omdat jullie honger lijden. 31 Jullie zullen je al je dwaalwegen en wandaden herinneren, en jullie zullen van jezelf walgen vanwege jullie gruwelijke zonden. 32 Ik doe dit alles niet omwille van jullie-spreekt God, de HEER; laat dat tot je doordringen! Schaam je over je schandelijk gedrag, volk van Israël. 33 Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat ik jullie van je zonden gereinigd heb, zal ik in de steden weer mensen laten wonen en zullen de puinhopen weer worden opgebouwd. 34 Het verwilderde land zal weer worden bewerkt-het land dat voor iedereen die erdoorheen trok een woestenij was. 35 Ze zullen zeggen: ‘Dit land hier, dat een woestenij was, is nu als de tuin van Eden, en de steden die in puin lagen, die verlaten waren en verwoest, zijn weer versterkt en bewoond.’ 36 Dan zullen de volken om je heen beseffen dat ik de HEER ben. Ik zal weer opbouwen wat verwoest was en beplanten wat verwilderd was. Wat ik, de HEER, gezegd heb, zal ik doen. 37 Dit zegt God, de HEER: Ook dit verlangen van het volk van Israël zal ik in vervulling laten gaan: ik zal het volk zo talrijk maken als een kudde schapen; 38 zo vol als Jeruzalem op hoogtijdagen is met heilige offerdieren, zo vol met mensen zullen de steden zijn die nu in puin liggen. En ze zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’ (NBV)

We denken zo gemakkelijk dat we alles zelf wel kunnen. En nog gemakkelijker denken we dat anderen alles wel zelf kunnen. Als we zelf werk gevonden hebben dan kunnen anderen dat toch ook? Als we zelf gezond zijn gebleven dan kunnen anderen dat toch ook? Als we zelf wat van een computer snappen dan kunnen anderen dat toch ook? Het is soms heel moeilijk te geloven dat niet alles vanzelf gaat als het voor onszelf voelt alsof het vanzelf gaat. Maar iedereen moet toegeven dat er zaken zijn die men beter kan dan een ander en dat er zaken zijn die men minder goed kan dan een ander. Er zijn nu eenmaal zaken die je over moet laten aan vakmensen, mensen die er voor doorgeleerd hebben en die er liefhebberij in hebben. Pas als je bereid bent samen te werken, jouw capaciteiten te ruilen met de capaciteiten en vaardigheden van anderen dan kun je samen iets tot stand brengen.

In de Bijbel heet dat samen ook wel God. Pas als je het doet zoals de God van Israël het doet dan wordt het wat. Pas als je accepteert dat de bloeiende samenleving waarin je leeft alleen tot stand is kunnen komen omdat mensen bereid waren hun creativiteit, kennis en vaardigheden te delen met die samenleving dan pas kun je er te volle aan deelnemen. Maar dan moet je eigenlijk ook beseffen dat je samen bezig bent de geboden van de God van Israël te volgen. Die geboden zeggen dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je moet zorgen voor de minsten, de zwaksten in de samenleving. Die geboden zeggen dat je er voor moet zorgen dat iedereen kan meedoen aan die bloeiende en welvarende samenleving. Zeker met het aanhouden van de coronacrisis, die is nog niet voorbij, wordt het moeilijk voor anonieme zwakken, zieken en zorgpersoneel te blijven zorgen. Toch zou dat bij ons voorop moeten blijven staan.

Het land dat hier voor de ballingen geschilderd wordt komt er helemaal niet echt als die ballingen uiteindelijk niet bereid zijn te zorgen voor de armen en de zwaksten in hun samenleving. In de Bijbel heten die de weduwe en de wees. Die nemen in de Bijbelse samenleving de zwakste posities in. Natuurlijk mag je verwachten dat de ballingen zelf hard zullen moeten werken om de akkers weer vruchtbaar te maken, om de steden weer op te bouwen en de puinhopen op te ruimen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd. Maar daarmee heb je nog niet een samenleving die als voorbeeld dient voor andere volken. Die is er pas als de samenleving gebaseerd is op de liefde voor de naaste als uiting van de liefde voor de God van Israël. Dat geldt ook voor onze eigen samenleving. Elke dag mogen we weer opnieuw beginnen onze samenleving zo vorm te geven dat die gebaseerd is op de liefde voor de ander. Gelukkig mag dat ook vandaag weer.

 

Een nieuwe geest

Ezechiël 36:16-28

16 De HEER richtte zich tot mij: 17 ‘Mensenkind, toen de Israëlieten nog in hun land woonden, hebben ze dat door hun daden onrein gemaakt; ik zag hoe hun daden even onrein waren als een vrouw die ongesteld is. 18 Dus stortte ik mijn toorn over hen uit, vanwege al het bloed dat ze op het land hadden uitgestort, en vanwege de afgoden waarmee ze het hadden verontreinigd. 19 Ik verdreef hen naar vreemde volken en ze raakten verstrooid in verre landen; ik strafte hen zoals ze verdienden. 20 Bij de volken waar ze kwamen werd mijn heilige naam ontwijd doordat men van hen zei: “Dit is nu het volk van de HEER, uit zijn land is het verbannen.” 21 Het deed mij verdriet dat mijn heilige naam zo door het volk van Israël ontwijd werd, bij alle volken waar het kwam. 22 Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal ingrijpen, volk van Israël-niet omwille van jou, maar omwille van mijn heilige naam, die je hebt ontwijd bij de volken waar je gekomen bent! 23 Ik zal mijn grote naam, die door jullie bij die volken is ontwijd, weer aanzien verschaffen. Die volken zullen beseffen dat ik de HEER ben-spreekt God, de HEER. Ik zal ze laten zien dat ik heilig ben; 24 ik leid jullie weg bij die volken, ik breng jullie bijeen uit die landen en laat je naar je eigen land terugkeren. 25 Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. 26 Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. 27 Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. 28 Jullie zullen in het land wonen dat ik aan je voorouders gegeven heb, jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn. (NBV)

Daar staat Ezechiël nu voor de ballingen in Babel. Hij roept ze op tot bekering, ze zullen weer de richtlijnen van de God van Israël moeten volgen en die God zal er voor zorgen dat ze terugkeren naar Jeruzalem en dat de omringende volken hen niet meer tegen kunnen houden. Mooie beloften, maar waar was die God toen ze in ballingschap werden gestuurd? Wij stellen die vraag ook zo vaak. Waar was de God van kleine mensen toen kinderen in Syrië werden beschoten, gevangen genomen en gemarteld? Waar was de God van kleine mensen toen het land van de Palestijnen werd gestolen en de protesten ertegen in bloed werden gesmoord? Het antwoord van Ezechiël is dat het niet de God van de kleine mensen was die er niet was maar dat de mensen zelf zich hadden afgewend van de richtlijn “Gij zult niet doden” en elkaar daar niet aan gehouden hebben.

Willen we het gedeelte van vandaag goed begrijpen dat moeten we eerst iets over de Naam van God en de verkiezing van Israël moeten weten. Mozes kreeg in de Woestijn de Naam van God eigenlijk niet te horen, die Naam bleek een program: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal” Dat is zo ontzagwekkend dat je die naam eigenlijk nauwelijks kunt uitspreken. Wie is de mens dat hij kan uitmaken dat de God van Israël aan zijn zijde staat? Daarvoor maken we te veel fouten die we toch niet in de schoenen van die God kunnen schuiven. Maar die God van Israël wilde het toch met de mensen wagen. Daarom werd er een verbond gesloten, als jullie de Weg gaan die in dit verbond besloten is dan ga Ik met jullie mee. Daar moet je dus op willen vertrouwen, daar moet je dus aan willen werken. Doordat Jezus van Nazareth liet zien dat iedereen elke dag opnieuw met dat verbond, met de liefde voor de naaste als voor jezelf, kan beginnen mogen ook wij Heidenen nu bij dat verbond horen. Want het verbond met Israël was een voorbeeld voor alle volken.

Maar de God van Israël staat niet vanzelf aan onze kant. In Israël geloofde men dat het leven werd bewaard in het bloed van mens en dier. En als je dus bloed vergoot op de aarde dan beschouwde je het leven niet als een geschenk maar als afval, zoals een vrouw haar menstruatiebloed weg moet gooien. Zo hoort het eigenlijk niet, dat leven is een Godsgeschenk, dat is het waard om alles voor over te hebben. Is die God van Israël nu wel of niet een God die met mensen meegaat? Ezechiël laat zien dat zelfs in de ballingschap die God er wil zijn voor ballingen en slaven. Zodra er weer eerbied voor het leven is, zodra van de naaste weer wordt gehouden als van jezelf, zodra recht en gerechtigheid weer de overhand krijgen en mensen recht wordt gedaan, dan is de God van Israël weer aanwezig, dan begint opnieuw de opbouw van het land dat overvloeit van melk en honing. En dat woord van Ezechiël is ook vandaag nog waar, we kunnen met die richtlijnen elke dag opnieuw beginnen, elke dag ons weer begeven op de Weg van de God van Israël, ook vandaag weer.

 

Vrucht dragen

Ezechiël 36:1-15

1 Mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël, zeg: “Bergen van Israël, luister naar de woorden van de HEER ! 2 Dit zegt God, de HEER: Vol leedvermaak heeft de vijand geroepen: ‘Die oeroude bergen zijn nu van ons!’ ” 3 Profeteer daarom het volgende: “Dit zegt God, de HEER: Toen jullie verwoest waren, aasden de volken om je heen op jullie. Jullie gingen over de tong en er werd over jullie gekletst. 4 Luister daarom, bergen van Israël, naar de woorden van God, de HEER. Dit zegt God, de HEER, tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de rivierbeddingen en tegen de dalen, tegen de verwoeste puinhopen en tegen de verlaten steden, tegen alles wat is buitgemaakt en bespot door de volken om je heen! 5 Dit zegt God, de HEER: In het vuur van mijn hartstocht klaag ik Edom en al die andere volken aan. Hun hart was vol vreugde en hun ziel vol verachting toen ze mijn land in bezit namen en er de weidegronden buitmaakten.” 6 Daarom moet jij profeteren over het land van Israël. Zeg tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de rivierbeddingen en tegen de dalen: “Dit zegt God, de HEER: Ik spreek met hartstocht en woede! Jullie zijn vernederd door andere volken, 7 en daarom-zegt God, de HEER zweer ik dat de volken om je heen zelf vernederd zullen worden. 8 Maar, bergen van Israël, jullie bomen zullen weer uitlopen en vrucht dragen voor mijn volk Israël, want dat zal spoedig terugkeren. 9 Ik zal mij naar jullie toewenden, en jullie zullen weer worden bewerkt en ingezaaid. 10 Ik zal veel mensen op je laten wonen, heel het volk van Israël, en de steden zullen weer worden bewoond, de puinhopen weer worden opgebouwd. 11 Er zullen veel mensen en dieren op je wonen, ze zullen talrijk en vruchtbaar zijn, en jullie zullen weer even dichtbevolkt zijn als in het verleden. Ik zal zorgen dat het jullie beter gaat dan vroeger, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. 12 Er zullen weer mensen over je paden gaan: mijn volk Israël zal jullie weer in bezit nemen, jullie worden voorgoed hun eigendom en jullie zullen hen nooit meer van hun kinderen beroven. 13 Dit zegt God, de HEER: Er wordt van jullie gezegd dat je mensen verslindt, dat je de volken die op je leven van hun kinderen berooft. 14 Maar je zult geen mensen meer verslinden en je volken niet langer van hun kinderen beroven-spreekt God, de HEER. 15 Ik zal zorgen dat je de vernederingen van de andere volken niet meer hoeft te verduren en hun spot niet meer hoeft te horen. Je zult je volken niet langer te gronde richten-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

Kale bergen, verwoeste steden, drooggevallen rivieren en beken, verwilderde akkers, dat is het beeld waar de ballingen in Babel aan moeten denken als ze aan hun land van herkomst denken. Het is een chaos, een puinhoop waar je maar liever niet aan moet denken, dat kan nooit meer goed komen. Maar de profeet heeft een andere boodschap, de God van Israël is een God die van chaos weer mensenland maakt. Van de chaos die er in de oertijd was, toen de geest van God over de wateren zweefde, had hij de aarde geschapen. Licht was er in de duisternis, scheiding tussen water en land, scheiding tussen dag en nacht. Er was groen op de aarde gekomen, dieren waren er en mensen. Mensen die de heerschappij over de dieren hadden gekregen.

Zo zullen de bergen van Israël weer tot woning voor mensen kunnen dienen. Er zullen weer paden zijn, er zullen weer akkers zijn, er zullen weer beken vloeien en steden kunnen weer gebouwd worden. Het is niet alleen een droom, maar het is het vaste vertrouwen van de profeet dat het zal gebeuren. Die bergen en heuvels hadden een slechte naam gekregen. Daar woonden rovers en plunderaars, verkrachters van vrouwen en berovers van onschuldige reizigers. Zo blijft de wereld niet in elkaar zitten volgens de profeet. Als we samen de God van Israël navolgen, zijn aanwijzingen volgen, de aanwijzingen die hij al in de Woestijn aan het volk had gegeven dan zal de aarde veranderen, dan komen we te wonen in een land van vrede en recht, een land dat overvloeit van melk en honing.

Het zijn de volken rondom die Israël hadden bespot. Die sprookjes hadden verteld over hun godsdienst. De afgodendiensten die ze hadden overgenomen van juist diezelfde volken. Maar het volgen van de godsdienst van de God van Israël zal duidelijk maken dat die afgodendienst inderdaad berust op sprookjes, op verzinsels, leeg en onnut is. De dienst van de God van Israël berust immers op de liefde voor de mensen, op het “heb uw naaste lief als uzelf”. Die dienst berust niet op de natuurwetten, op de economische wetten van streven naar rijkdom en maximalisatie van de winst, desnoods door bedrog en diefstal. Delen met de armsten staat voorop, samen doen met arbeiders, slaven, familie, vreemdelingen, armen. Dat is een boodschap die doorklinkt tot in onze dagen, want ook wij kunnen die Weg gaan bewandelen, elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

 

Verlaten steden

Ezechiël 35:1-15

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik naar het Seïrgebergte en profeteer ertegen. 3 Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Seïrgebergte, ik zal mijn hand tegen je opheffen en een verlaten woestenij van je maken. 4 Je steden verander ik in ruïnes, ik maak een woestenij van je, en je zult weten dat ik de HEER ben. 5  Je hebt de Israëlieten altijd gehaat, je hebt ze uitgeleverd aan het zwaard toen het onheil hen trof, toen er met hen werd afgerekend. 6 Daarom, zo waar ik leef-spreekt God, de HEER: Ik zal je bloed doen vloeien en bloed zal je achtervolgen; bloed zal je achtervolgen vanwege je bloedige haat. 7 Ik maak van het Seïrgebergte een verlaten woestenij waar niemand meer doorheen zal trekken. 8 Je berghellingen zullen bezaaid zijn met doden en gewonden; op je heuvels, in je dalen en in al je rivierbeddingen zullen de lijken liggen van hen die door het zwaard zijn geveld. 9 Ik maak van jou voor altijd een woestenij met verlaten steden, en je zult weten dat ik de HEER ben. 10 Je hebt gezegd: ‘Die twee volken en die twee landen zijn van mij, ik zal ze in bezit nemen, al heeft de HEER er gewoond.’ 11 Daarom, zo waar ik leef-spreekt God, de HEER: Ik zal de woede, de afgunst en de haat waarmee jij hen belaagd hebt vergelden, en door jou te straffen, zal ik mij aan hen openbaren. 12 Jij zult weten dat ik de HEER ben! Al je beledigingen heb ik gehoord, alles wat je hebt gezegd over de bergen van Israël-dat ze verwoest waren, dat jij ze kon plunderen. 13 Ook tegen mij heb je op hoge toon gesproken, ook mij heb je uitgedaagd, ik heb het gehoord. 14 Dit zegt God, de HEER: De hele aarde zal zich verheugen als ik van jou een woestenij maak, 15 zoals jij je verheugde toen het land van het volk van Israël verwoest werd. Jou, Seïrgebergte, zal ik hetzelfde aandoen: een woestenij zul je zijn, jij en de rest van Edom: ze zullen weten dat ik de HEER ben.” (NBV)

Een vrolijk stuk lezen we vandaag uit het boek van de profeet Ezechiël. De vervloeking van het volk uit het Seïrgebergte. Dat volk waren de Edomieten, de afstammelingen van Esau, een broedervolk van de afstammelingen van Jacob dus. Wie dit hoofdstuk oppervlakkig leest zal denken dat de God van Israël een bloeddorstig en wraakzuchtig God is. Het gaat toch niet aan om heel zo’n buurvolk uit te roeien zoals hier wordt beloofd? Een heel hoofdstuk lang schelden op een volk dat naast je woont en beloven dat je ze zal aanpakken en uitroeien. In onze dagen komt daar alleen oorlog van, het is de houding waar de veiligheidsraad van de Verenigde Naties gaat ingrijpen. Het is een primitieve bloeddorstige en wraakzuchtige houding die wij de wereld uit willen hebben. Maar als je zo leest dan lees je toch verkeerd. Er zijn overigens ook mensen die zo het heilige boek van de Islam lezen, ze lezen net zo verkeerd.

Want je leest voorbij aan de reden van de woede van de God van Israël. Die woede is gelegen in de haat van Edom tegen Israël. Edom heeft geen gelegenheid voorbij laten gaan om Israël een hak te zetten. We lezen het bij Jesaja en bij de profeet Obadja, ze hadden met Babel samengespannen. Ze hadden Babel aangezet om Jeruzalem met de grond gelijk te maken. Ze hadden vluchtelingen uit Juda gevangen genomen en overgeleverd aan de vijand uit Babel. De ballingen in Babel zullen met instemming de rede van Ezechiël hebben aangehoord. Zo moet je spreken tegen die ellendelingen daar uit het gebergte van Seïr. Tot het tot ze doordrong dat de God van Israël een houding vraagt die precies tegengesteld is aan de houding van het volk van Edom. In de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving, die in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard, staat, in het boek Deuteronomium, dat je het volk van Edom niet mag haten en mensen uit Edom moet ontvangen als gasten.

Dit stuk uit de Bijbel, dat op het eerste gezicht zo bloederig en wraakzuchtig overkomt, roept ons op het tegendeel te gaan doen. Willen wij niet hetzelfde lot ondergaan als hier aan het volk van Edom wordt aangezegd dan moeten we dus willen delen met de armsten. Dan moeten we dus de vreemdelingen onder ons willen opnemen en behandelen alsof ze bij ons horen, dan moeten we maaltijd met ze willen houden. Het gaat christenen en christelijke partijen niet aan om vreemdelingen het land uit te schoppen, om kinderen die hier zijn opgegroeid uit ons midden te verwijderen, om gezinnen uit elkaar te rukken omdat een vader in een ver verleden mischien wel eens wat verkeerd zou kunnen hebben gedaan in een samenleving die verkeerd in elkaar zat. Als we goed luisteren naar dit hoofdstuk uit Ezechiël dan worden we gastvrij en vergevingsgezind. Het is maar goed dat de genade van de God van Israël ons in de gelegenheid stelt daar elke dag opnieuw mee te beginnen, elke morgen weer, ook vandaag.

Elkaar liefhebben

1 Johannes 3:11-24

11 Dit is immers wat u vanaf het begin hebt horen verkondigen: dat we elkaar moeten liefhebben 12 en niet moeten doen zoals Kaïn, die voortkwam uit hem die het kwaad zelf is, en zijn broer doodsloeg. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig. 13 Wees niet verbaasd, broeders en zusters, als de wereld u haat. 14 Wij weten dat we van de dood zijn overgegaan naar het leven omdat we elkaar liefhebben. Wie niet liefheeft blijft in de dood. 15 Iedereen die zijn broeder of zuster haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwige leven niet blijvend in zich heeft. 16 Wat liefde is, hebben we geleerd van hem die zijn leven voor ons gegeven heeft. Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters. 17 Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden? 18 Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden. 19 Dan weten we dat we voortkomen uit de waarheid en kunnen we met een gerust hart voor God staan. 20 En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, hij weet alles. 21 Geliefde broeders en zusters, als ons hart ons niet aanklaagt, kunnen we ons vol vertrouwen tot God wenden 22 en ontvangen we van hem wat we maar vragen, omdat we ons aan zijn geboden houden en doen wat hij wil. 23 Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals hij ons heeft opgedragen. 24 Wie zich aan zijn geboden houdt blijft in God, en God blijft in hem. Dat hij in ons blijft, weten we door de Geest die hij ons heeft gegeven. (NBV)

Welk begin zal de briefschrijver in de eerste regel bedoeld hebben? Ondanks het feit dat hij over Kaïn begint te schrijven nemen we over het algemeen aan dat hij bedoelt met het begin van het optreden van Jezus van Nazareth. Dat optreden is een verkondiging op zich. Niet alleen in woorden maar vooral ook in daden. En op die daden komt het aan. Niet de daden van Kaïn, die sloeg zijn broer dood. De briefschrijver merkt op dat Kaïn uit het kwaad zelf voortkwam, maar lees het verhaal van Kaïn en Abel nog eens nauwkeurig door, het staat aan het begin van het boek Genesis. Kaïn was een zoon van Adam en Eva wordt verteld, net als zijn broer Abel. Kaïn was jaloers op zijn broer en zijn handelingen kwamen uit die jaloezie voort. Daar komt geen duivel aan te pas, dat is iets dat we onszelf toestaan, jaloers te zijn op hen die het beter hebben of op hen die meer succes hebben dan wij. Daarom hoef je niet verbaasd te zijn als de mensen die succes en winst voorop stellen een geweldige hekel hebben aan mensen die de zorg voor de minsten voorop stellen, als de wereld je dus haat.

Want niet meedoen aan de Idols race, de wedstrijd om de eerste de beste te zijn betekent dat je onverslaanbaar bent geworden in de ogen van hen die dit soort wedstrijden de zin van het leven vinden. Je zal wel uitkijken om je te laten verleiden mee te doen in een wedstrijd om de beste te zijn. Dat heeft geen enkele zin, dat is leeg, dat leidt tot de dood. Je hand uitsteken naar de minsten op aarde, het geluk zien in de ogen van iemand die werkelijk geholpen wordt, dat is pas leven, dat vergeet je ook je hele leven niet. Daar hoef je geen dank je wel voor te horen, daar hoef je niet mee in de krant of op de televisie, dat een ander mens weer verder kan in het leven, weer kan opstaan en de zon weer ziet daar gaat niets boven. Je afsnijden van een ander mens, je broeder of zuster, is die kans vermoorden, is dus bijna die mens zelf vermoorden. Daarom staat er dat wie zijn broeder of zuster haat een moordenaar is.

Daarom was ooit gezegd dat je niet zou moeten doden. Daarom grijpt oorlog en geweld ons zo aan, daar gaan teveel mensen aan dood, want elk mensenleven telt voor ons even zwaar. Daarom schrikken we iedere keer als er een boot omslaat op de Middellandse Zee en vrouwen, kinderen en jonge mannen verdrinken. Daarom is de oorlog in de Gazastrook voor ons ook verkeerd, welke argumenten er ook voor worden gegeven. Wij hebben immers het voorbeeld van Jezus van Nazareth die zich naar het kruis liet leiden als een schaap naar de slachtbank. Hij werd gehaat omdat hij het goede en niets dan het goede zocht, hij liet zich vermoorden omdat hij geloofde dat het verhaal van hem met zijn God het ook door de dood heen zou moeten kunnen uithouden. Daarom kunnen we niet anders dan delen van wat we hebben, en vrede zoeken. Iedere dag opnieuw, ook vandaag weer.

Kinderen van God

1 Johannes 3:1-10

1 Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook. Dat de wereld ons niet kent, komt doordat de wereld hem niet kent. 2 Geliefde broeders en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zien we hem zoals hij is. 3 Ieder die dit vol vertrouwen van hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is. 4 Ieder die zondigt overtreedt Gods wet, want zondigen is Gods wet overtreden. 5 U weet dat Jezus verschenen is om de zonden weg te nemen; er is in hem geen zonde. 6 Ieder die in hem blijft, zondigt niet. Ieder die zondigt, heeft hem nooit gezien en kent hem niet. 7 Kinderen, laat niemand u misleiden: wie rechtvaardig leeft is een rechtvaardige, zoals ook Jezus rechtvaardig is, 8 en wie zondigt komt uit de duivel voort, want de duivel heeft vanaf het begin gezondigd. De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen. 9 Wie uit God geboren is zondigt niet, want Gods zaad is blijvend in hem. Hij kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hieraan is te zien wie kinderen van God en wie kinderen van de duivel zijn: wie niet rechtvaardig leeft, komt niet uit God voort. Hetzelfde geldt voor wie zijn broeder of zuster niet liefheeft. (NBV)

Vanuit Perzië kwam bijna tegelijk met het Christendom de leer van Zarathustra op. Die leerde dat er een eeuwige strijd is tussen goed en kwaad en dat je partij moet kiezen in die strijd. Christenen verwerpen eigenlijk die leer. God heeft de macht immers vanaf het begin, de Liefde van God overwint alles maar omdat mensen gelijk aan God willen zijn en alles voor zichzelf willen hebben komt het kwaad in de wereld. Maar als je toch over goed en kwaad als zelfstandige machten zou willen praten, in de filosofie zou dat kunnen, dan leert de briefschrijver van de eerste brief van Johannes ons hier dat Jezus de verpersoonlijking van het goede is die de duivel als verpersoonlijking van het kwade heeft overwonnen. De strijd is dan ook gestreden en wie zegt dat die strijd er nog steeds is komt voort uit de duivel. Wie immers handelt in de Geest van Jezus van Nazareth is bezig de andere mensen lief te hebben als zichzelf en voortdurend oog te hebben voor de minsten in de samenleving.

Rechtvaardig leven noemt de briefschrijver dat. Wie niet rechtvaardig leeft hoort bij de verliezers, komt voort uit de duivel zou je kunnen zeggen. Wie zijn broeder en zuster niet liefheeft hoort bij de verliezers, komt voort uit de duivel. Daaraan kun je dus ook de kinderen van God herkennen. Dat is niet een partij in een strijd die ze gekozen hebben maar een licht dat hen is opgegaan, een liefde die ze hebben leren kennen. Voor hen is het bijvoorbeeld onvoorstelbaar dat homoseksualiteit wordt veroordeelt en dat homoseksuelen minder rechten in een samenleving hebben als zijzelf. Voor hen is het onvoorstelbaar dat je mensen zonder zorg over straat laat zwerven en dat burgerlijke gemeenten een boete krijgen voor medemenselijkheid. Leraren die zich in de plaats van Christus stellen en roepen dat homoseksualiteit veroordeeld moet worden werden eerder al in deze brief van Johannes anti-christenen genoemd.

Dat geldt natuurlijk ook voor iedereen die een ander discrimineert, want jezelf uitnemender of beter achten dan een ander betekent dat je de ander niet liefhebt als jezelf en dus zondigt. In de Geest van Jezus van Nazareth is zoiets onbestaanbaar. Iemand die discrimineert als voortkomende uit de duivel bestempelen klinkt misschien wel heel hard, maar het staat hier wel in de Bijbel. Zo hard moeten we dus in de eerste plaats voor onszelf zijn. Als wij in alle mensen onze broeders en zusters herkennen dan is wat hen wordt aangedaan ook pijnlijk voor ons. Het bestuur van de Protestantse Kerk Nederland schreef dat aan de Christenen in Israël en Palestina. Dat wat mensen wordt aangedaan in de Gazastrook en Israël treft ook ons. De Protestantse Kerk Nederland stapte naar de Europese rechter om zorg te bepleiten voor de zwervende vreemdelingen in ons land. In onze vreedzame westerse samenleving geldt echter tegelijkertijd dat hetgeen homoseksuelen, anders gelovigen en zwervende vreemdelingen wordt aangedaan ook ons treft. Zij zijn onze broeders en zusters en tegen dat wat hen wordt aangedaan hebben wij ons te verzetten. Wij immers willen niet bij de verliezers gaan horen.

Het laatste uur is aangebroken

1 Johannes 2:18-29

18 Kinderen, het laatste uur is aangebroken. U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op, en daardoor weten we dat dit het laatste uur is. 19 Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde. 20 U echter bent gezalfd door de Heilige, u allen weet dat. 21 Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet zou kennen, maar juist omdat u die kent en omdat uit de waarheid nooit een leugen voortkomt. 22 Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat Jezus de christus is? De antichrist is ieder die de Vader en de Zoon niet erkent. 23 Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. 24 Wat uzelf betreft: wat u vanaf het begin hebt gehoord, laat dat in u blijven. Als in u blijft wat u vanaf het begin hebt gehoord, zult u in de Zoon en in de Vader blijven. 25 En dit is wat hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven. 26 Dit wilde ik u schrijven over hen die proberen u te misleiden.27 Wat uzelf betreft: de zalving die u van hem ontvangen hebt is blijvend, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder bedrog. Blijf daarom in hem, zoals zijn zalving u geleerd heeft. 28 Blijf dus in hem, kinderen. Dan kunnen we vol vertrouwen zijn wanneer hij verschijnt en hoeven we ons niet te schamen bij zijn komst. 29 U weet dat hij rechtvaardig is, en u moet daarom wel inzien dat ieder die rechtvaardig leeft uit God geboren is.(NBV)

Verrassend, de briefschrijver van de eerste brief van Johannes schrijft aan alle gelovigen dat ze Priester zijn. Ze hebben geen leraren meer nodig. Hoe ouder het Christendom werd hoe meer er mensen bij kwamen die de macht over de gemeenten wilden grijpen. Niet Jezus van Nazareth was de bevrijder, de Christus, maar zijzelf. Zo werden zij anti-christenen, mensen die de Christus opzij schoven en zelf de leiding van de gemeenten op zich wilden nemen. Dat proces was zo hardnekkig dat we het in kerken en gemeenten al lang niet meer merken. We vinden het heel gewoon dat er leraren zijn die de leiding op zich nemen en vertellen wat er wel en niet mag. Paulus spreekt in de Bijbel wel over een gemeente die bekleed is met een koninklijk priesterschap en Johannes schrijft dat we allemaal gezalfd zijn, dus priester zijn, maar buiten de Bijbel in onze kerkelijke werkelijkheid leeft dat niet.

Maar de leiders die Jezus van Nazareth aan de kant schuiven beperken het geloof, het christendom zeggen we tegenwoordig, vaak tot binnen de kerkmuren. Daar moet de overgave aan God plaatsvinden. Die overgave drukt zich uit in de hoeveelheid geld die je op tafel kunt leggen. Als het bedrag groot genoeg is mag je soms een beetje meedelen in de macht. Het blijft staan dat de schrijver van de eerste brief van Johannes dit soort leiders anti-christenen noemt. Iedere gelovige is Priester en leraar. De offers die worden gebracht zijn de offers die ten goede komen aan de minsten onder ons. Dat wat we elkaar leren is hoe onze naaste lief te hebben als ons zelf. We volgen daarbij de Weg van Jezus van Nazareth, daar hebben we niemand bij nodig, niemand staat tussen God en onszelf als we de Weg van Jezus van Nazareth volgen, die leerde ons bidden, die leerde ons dat alle geboden samengevat kunnen worden in het “Hebt God lief boven alles en het tweede daaraan gelijk is heb Uw naaste lief als Uzelf”.

Die richtlijn volgen als de basis van je handelen gaat niet om onszelf, zulke liefde de wereld in brengen betekent dat het eeuwig blijft leven, alleen door die liefde blijft er immers leven in de wereld. Alleen door Jezus van Nazareth zelf zijn we gezalfd. Hij stuurde ons op weg en zijn verhaal, dat door de dood heen ging, houdt ons op die weg en doet ons keer op keer ons naar die weg toekeren. Elke dag opnieuw mogen we daar weer opnieuw mee beginnen, in Christelijke en kerkelijke termen heet dat genade, Dat betekent ook strijd met de anti-christenen. Niet binnen de kerkmuren of in de zalen vindt de godsdienst van Jezus van Nazareth plaats, maar daar waar mensen in nood zijn, daar waar oorlog is, waar honger geleden wordt, waar ziekte heerst, waar mensen gevangen zijn, waar geweld en onderdrukking zijn, daar waar mensen uit nood gaan zwerven op de straten van de rijke landen, daar zijn de mensen van de Weg. Dat betekent leven alsof elk uur onze Messias kan verschijnen, opdat hij ons vindt waar we horen te zijn., ook vandaag weer.

U bent sterk

1 Johannes 2:12-17

12 Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam. 13 Ik schrijf u, ouderen: u kent hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen. 14 Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen. 15 Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16 want alles wat in de wereld is-zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht-, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17 De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid. (NBV)

Dat is mooi, dat we het kwade overwonnen kunnen hebben. Dat is dus niet met je hoofd in de wolken gaan lopen, zo van ons kan niks meer overkomen want wij hebben het kwade overwonnen. Je komt die mensen zo af en toe wel eens tegen. Ze zijn in Jezus en kunnen dus geen kwaad meer doen. Ze zijn eigenlijk zielig, want ze hebben het niet begrepen. In deze brief stond toch ook dat wie zegt geen zonde te hebben juist zondigt. De vraag is dus niet of je in Jezus bent maar of Jezus, of de geest van Jezus van Nazareth in jou is. Hetzelfde geldt ook een beetje voor het houden van de wereld. Als Jezus van Nazareth je handel en wandel bepaalt, als je in zijn geest handelt, dan hou je van de wereld, dan zijn alle mensen je broers en zusters en is elk leven op de wereld je alles waard. Hoe dat zich rijmt met wat er over in deze brief staat? Nou, naadloos, want in onze wereld wordt echt niet van mensen gehouden. Mensen zijn arbeiders, of consumenten, of stemvee, of kannonenvoer, of zwervende profiteurs, of vijand, maar geliefde broeders en zusters zijn ze niet.

Dat elk leven van elk mens in deze wereld alles waard is kun je ook niet direct zeggen. Als er niks aan te verdienen valt dan kunnen ze sterven van de honger, als ze een ander geloof of een andere politieke opvatting hebben dan mag je ze ook doodschieten of oorlog met ze voeren, of elke handel met hen verhinderen. Dat is de manier zoals het in de wereld gaat, de rijken worden rijker en de armen worden armer, wie sterk is telt mee, wie zwak is telt niet. Wat Johannes dus bedoeld is dat wie het wel goed vindt zoals het in de wereld gaat die moet dus eigenlijk niks van God weten. De brief noemt het ook allemaal keurig op: zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht. Sla de krant open, kijk naar de televisie, luister naar een radiostation en je leest, ziet en hoort al die zaken aanprijzen die deze eerste brief van Johannes zo duidelijk verwerpt.

De brief verwerpt dus niet leuke muziek, samen dansen, plezier maken, toneel spelen, een mooie film, wandelen in de natuur of al die andere dingen die in onze samenleving of in onze wereld mensen plezier kunnen geven. Maar al die plezierige en waardevolle zaken moet je kunnen en willen delen met elkaar. Voordat je geniet moet je er eigenlijk ook voor zorgen dat iedereen kan genieten, dat iedereen mee kan doen met onze samenleving. Dat iedereen dus te eten heeft gehad, een dak boven het hoofd heeft, gekleed is, warmte heeft en veiligheid. Die iedereen zijn dus ook de zwervende vreemdelingen die we eigenlijk hier niet willen zien. Als het genieten alleen maar voor jezelf is en ten koste van anderen gaat dan hoort het bij de manier van de wereld en hoort het niet bij de manier waarop mensen willen leven die mee willen gaan op de weg van Jezus van Nazareth. Maar als je het kunt delen, als je samen kunt genieten, dan hoort het er echt wel bij. Laten we dus samen er aan werken dat ook iedereen werkelijk mee kan doen.