Je hoeft niet bang te zijn

1 Samuel 23:14-28

14 David en zijn mannen verschansten zich in rotsholen in de met kloven doorsneden woestenij ten oosten van Zif. Saul stuurde elke dag verkenners uit om David op te sporen, maar God leverde hem niet aan hem uit. 15 David, die in Choresa zat, in de woestijn van Zif, merkte wel dat Saul het nog steeds op zijn leven gemunt had. 16 Sauls zoon Jonatan zocht David in Choresa op om hem te zeggen dat hij op God moest blijven vertrouwen. 17 ‘Je hoeft niet bang te zijn, ‘zei hij, ‘mijn vader Saul zal je niet te pakken krijgen. Jij zult koning van Israël worden en ik zal je tweede man zijn. En dat weet mijn vader zelf ook.’ 18 Nadat ze samen ten overstaan van de HEER hun vriendschapsverbond hadden bevestigd, ging Jonatan terug naar huis; David bleef in Choresa. 19 Ondertussen waren enkele inwoners van Zif naar Gibea gegaan om Saul te vertellen: ‘Weet u niet dat David zich bij ons in Choresa schuilhoudt, in de holen in de wand van de Chachila, ten zuiden van de Jesimon? 20 U bent er toch zo op gebrand om op David af te gaan, koning? Doe het dan nu; wij zullen ervoor zorgen dat hij u in handen valt.’ 21 ‘Moge de HEER u zegenen, ‘antwoordde Saul. ‘U bent tenminste met mij begaan. 22 Maar ga eerst nog een keer precies na waar hij zit en wie hem daar gezien heeft, want men heeft me verteld dat hij bijzonder listig te werk gaat. 23 Zorg ervoor dat u al zijn schuilplaatsen te weten komt en kom dan met de precieze gegevens bij me terug. Dan zal ik met u meegaan, en als hij zich inderdaad bij u in Juda bevindt, zal ik hem tussen alle duizenden inwoners van het land weten te vinden.’ 24 Daarop vertrokken de bezoekers om Saul voor te gaan naar Zif. David en zijn mannen bevonden zich inmiddels in de woestijn bij Maon in de Araba, ten zuiden van de Jesimon. 25 Toen David hoorde dat Saul en zijn mannen hem op het spoor waren, daalde hij in het ravijn af. Saul, die had vernomen dat David zich in de woestijn bij Maon bevond, begon daar jacht op hem te maken. 26 Saul volgde het pad aan de ene kant van de kloof en David en zijn mannen het pad aan de andere kant. David deed zijn uiterste best om Saul voor te blijven, maar Saul en de zijnen liepen steeds meer op David en zijn mannen in. Juist toen ze op het punt stonden hen te overmeesteren, 27 kwam er een bode op Saul af, die zei: ‘U moet onmiddellijk meekomen, de Filistijnen zijn het land binnengevallen!’28 Saul staakte de achtervolging van David en ging de Filistijnen tegemoet. Daarom noemt men die plaats Sela-Hammachlekot. (NBV)

Angst is een slechte raadgever. In de Bijbel staat op tal van plaatsen en in zeer verschillende bewoordingen het “Vrees niet”. In het gedeelte dat we vandaag lezen is David degene die bang is. En niet ten onrechte zo blijkt. Hij heeft zich in een woestijn verborgen met zijn zeshonderd soldaten. Dat kan niet onopgemerkt blijven. Zelfs zijn vriend Jonathan, de zoon van Saul, weet hem te vinden. Het is een hartelijk bezoek. De banden die de twee hadden gebonden worden nog eens aangehaald en bevestigd. Het is Jonathan die zijn vriend een hart onder de riem steekt en bemoedigt. David hoeft echt niet bang te zijn dat Saul hem zal overwinnen. De toekomst ziet er volgens Jonathan anders uit. David zal koning worden en Jonathan zal zijn eerste minister worden. Met die belofte gaan de vrienden weer uiteen. Maar David is er niet gerust op. De inwoners van de woestijn Zif ook niet. Een legertje vrijbuiters in je buurt is altijd een risico. Ze moeten eten, zoeken vertier en aangezien er niemand is die ze betaalt zullen ze moeten plunderen. De Zifieten gaan dus naar Saul.

Maar Saul heeft al eens voor gek gestaan. David is zeer slim en niet zomaar gevangen. De Zifieten moeten daarom zorgvuldig nagaan waar dat legertje vrijbuiters hun onderkomen heeft en waar hun schuilplaatsen zijn. Als Saul dan goed op te hoogte is gaat hij op pad. David heeft inmiddels inderdaad een nieuwe schuilplaats gevonden. Hij is nog verder de woestijn in getrokken. Steeds verder van de bewoonde wereld vandaan. In een berggebied waar nog nauwelijks iets wil groeien. Het leger van Saul, goed gevoed en goed getraind met een achterland dat hen voorziet van eten en drinken, loopt daarom ook snel in op David. Maar als Saul op het punt staat met zijn leger David gevangen te nemen wordt het leger van Saul weggeroepen omdat er een leger Filistijnen misbruik dreigt te maken van de afwezigheid van de Koning. David wordt dus gered door de Filistijnen. Zoiets kun je niet voorspellen. Voor de latere lezers van het verhaal was het een bewijs dat de God van Israël gebruik maakt van alles in de wereld om de zijnen te helpen. De plek waar het gebeurde krijgt een naam zodat men zich het kan blijven herinneren: “Rots van de verdeling”.

Ook wij zijn vaak bang als het om ons geloof in de God van Israël gaat. Zeker in een wereld die steeds vijandiger lijkt te staan tegenover geloof en religieuze instituten. En natuurlijk moet je niet zo flink willen zijn voortdurend over jouw goede geloof te praten en het ongeloof van de anderen te veroordelen. Van alleen praten is nooit iemand beter geworden. Getuigenis afleggen van je geloof doe je door te doen wat God van ons vraagt, je naaste liefhebben als jezelf. En als je je bezig houdt met het helpen van de zwaksten, opkomt voor de minsten, dan hoef je inderdaad niet bang te zijn. Dan zul je zien dat uiteindelijk de mensen die het goede zoeken je gaan bewonderen. En als je dan gevraagd wordt hoe je dat volhoudt dan kun je vertellen over je geloof. Dan vertel je misschien hoe zelfs een David rond moest trekken in de woestijn achtervolgd door zijn eigen koning omdat hij nu eenmaal het goede wilde doen en niet dan het goede. Want tot het goede doen zijn we geroepen. Daar mogen we elke dag weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.

Ik lever de Filistijnen aan je uit.

1 Samuel 23:1-13

1 Het was David ter ore gekomen dat de Filistijnen een aanval deden op Keïla en het graan van de dorsvloeren wegroofden. 2 David raadpleegde de HEER en vroeg: ‘Zal ik de strijd met deze Filistijnen aanbinden?’ De HEER antwoordde: ‘Ja, bind de strijd aan met de Filistijnen; je zult Keïla bevrijden.’ 3 Maar Davids mannen zeiden: ‘We zitten hier in Juda al zo in angst, wat moet het dan niet worden wanneer we naar Keïla gaan, de Filistijnse gelederen tegemoet?’ 4 Daarom raadpleegde David nogmaals de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Komaan, ruk op naar Keïla; ik lever de Filistijnen aan je uit.’ 5 Toen ging David met zijn manschappen naar Keïla en leverde slag met de Filistijnen. Hij voerde hun veestapel weg en bracht hun grote verliezen toe. Zo bevrijdde David de inwoners van Keïla. 6 Daar in Keïla zocht ook Achimelechs zoon Abjatar zijn toevlucht bij David. Het priestergewaad was met hem meegekomen. 7 Toen Saul hoorde dat David Keïla was binnengetrokken, dacht hij: Door een stad binnen te gaan met een dubbele deur en een grendel heeft hij zichzelf ingesloten. God heeft hem aan mij uitgeleverd! 8 Hij riep het leger onder de wapenen met de bedoeling om David en zijn mannen in Keïla in te sluiten. 9 David wist wel dat Saul kwaad in de zin had. Daarom vroeg hij de priester Abjatar om met het priestergewaad bij hem te komen. 10 Toen zei hij: ‘HEER, God van Israël, men heeft uw dienaar verzekerd dat Saul voorbereidingen treft om naar Keïla te gaan en de stad vanwege mij te vernietigen. 11 Zullen de burgers van Keïla mij aan hem uitleveren? Is Saul inderdaad onderweg, zoals men mij heeft verteld? HEER, God van Israël, ik smeek u, laat het mij weten!’ ‘Ja, hij is onderweg, ‘antwoordde de HEER, 12 en David vroeg: ‘Zullen de burgers van Keïla mij en mijn mannen aan Saul uitleveren?’ ‘Ja, dat zullen ze doen, ‘antwoordde de HEER. 13 Daarop vertrokken David en zijn mannen uit Keïla en begonnen rond te zwerven, nu hier en dan daar. Hun aantal was inmiddels aangegroeid tot zeshonderd. Toen Saul hoorde dat David uit Keïla was ontkomen, brak hij zijn veldtocht af. (NBV)

David zoekt de grenzen van Israël op. Nog steeds moet het volk beschermd worden tegen de invallen van de Filistijnen. Dat blijkt als deze de Judese grensstad Keïla overvallen. Dat was een stad met sterke muren die je niet zo maar kon innemen. Geen wonder dat de manschappen van David beducht waren om met een handjevol, 400 soldaten waren er, tegen een echt Filistijns leger op te trekken. Maar David had de verzekering van de God van Israël gekregen dat hij de Filistijnen zou verslaan. Dit was immers zijn taak geworden, het volk te verlossen van de invallen van de rovers. Tot twee maal toe krijgt hij de verzekering dat hij zal overwinnen. Een dat doet hij dus ook. De stad valt en de bewoners worden bevrijdt van de Filistijnen. Hoe David die antwoorden kreeg vermeld het verhaal niet, maar het gooien van het lot zal een rol hebben gespeeld. In het vervolg van het verhaal speelt de priestermantel van Abimelech namelijk een rol. Die geeft de antwoorden op de vragen die David stelt. Deze priestermantel en de priester komen ter sprake als het om Saul gaat. Zit de Koning nog steeds achter David aan en zullen de inwoners van Keïla David uitleveren aan het leger van Israël?

Op beide vragen wordt bevestigend geantwoord. Saul heeft ondertussen al een leger op de been gebracht om Keïla in te nemen. Achter de muren van die stad en achter de dubbele poort zit David immers gevangen. De dobbelstenen, de Efod, uit de priestermantel geven echter aan David op tijd een antwoord zodat hij op tijd kan vertrekken en zich weer kan verschuilen in de grotten van het rotsgebergte. Het legertje van David groeit ondertussen wel. De Priestermantel met de Efod werd al genoemd in het verhaal van Mozes en is zeer lang een instrument van de godsdienst van Israël gebleven om antwoorden te krijgen van de God van Israël. Voor ons lijken het primitieve verhalen die hier verteld worden. Een koning uit oeroude tijden heeft ruzie met een rivaal. De wereldliteratuur wemelt van dat soort verhalen. Dat de een of de ander, de goede of de slechte, geholpen wordt door een God, door dobbelstenen of de ingewanden van een vogel is ook niet vreemd. Die ingewanden vindt je in verhalen over Romeinse Keizers, ook al verhalen van ver voor onze tijd.

Verschilt de communicatie met de God van Israël dan niet met de communicatie met Heidense afgoden? In concrete vragen, moeten we oorlog voeren of niet, zit de Koning ons achterna of niet, lijkt het er wel sterk op. Alleen het geloof in de God van Israël, het geloof in de richtlijnen voor een menselijke samenleving maakt dat de interpretatie van het antwoord ook een juiste kan zijn. Het volk is het volk van God en moet alleen al daarom beschermd worden, Saul is nu eenmaal er op uit David te doden dus hij zal ook nu wel weer komen. Wij hebben geen priesters meer met een Efod, wij hebben de verhalen van de Bijbel, maar ook voor ons geldt dat we de juiste antwoorden krijgen als we die verhalen geloven. Wat zouden wij nodig hebben als we tot de minsten, tot de papierlozen of gehandicapten, tot de hongerigen of de armen, zouden behoren? Het antwoord op die vragen mag ook vandaag weer ons handelen bepalen. Net als de antwoorden van God het handelen van David bepaalden.

Hij is uw eigen schoonzoon

1 Samuel 22:6-23

6 Saul zat met zijn speer in zijn hand onder de tamarisk op de heuvel bij Gibea, met al zijn dienaren om zich heen. Toen hij hoorde dat David en zijn mannen waren gesignaleerd, 7 zei hij tegen zijn dienaren: ‘Mannen van Benjamin, luister. Heeft de zoon van Isaï u allemaal soms akkers en wijngaarden beloofd? Verwacht u dat hij u zal aanstellen als bevelhebber over duizend of honderd man? 8 Waarom spant u anders tegen mij samen? Niemand heeft me ingelicht dat mijn zoon een verbond heeft gesloten met de zoon van Isaï. Niemand van u bekommert zich om mij. En niemand heeft me laten weten dat het nu al zo ver is dat mijn zoon mijn dienaar heeft opgestookt om me te belagen.’ 9 Onder de dienaren van Saul bevond zich ook de Edomiet Doëg. Hij nam het woord en zei: ‘Ik heb de zoon van Isaï in Nob gezien, bij Achimelech, de zoon van Achitub. 10 Die heeft voor hem de HEER geraadpleegd en hem niet alleen leeftocht gegeven, maar ook het zwaard van de Filistijn Goliat.’ 11 Daarop ontbood de koning de priester Achimelech, de zoon van Achitub, en al zijn familieleden, die ook priester waren in Nob. Toen ze aan de koning werden voorgeleid, 12 zei Saul: ‘Zoon van Achitub, luister.’ ‘Jawel, mijn heer, ‘antwoordde Achimelech, 13 en Saul vroeg: ‘Waarom hebt u met de zoon van Isaï tegen mij samengespannen door hem brood en een zwaard te geven en God voor hem te raadplegen, zodat hij nu in het geheim een opstand tegen mij voorbereidt?’ 14 ‘Maar koning, ‘antwoordde Achimelech, ‘wie van al uw dienaren zou men beter kunnen vertrouwen dan David? Hij is uw eigen schoonzoon en de commandant van uw lijfwacht, en hij staat in hoog aanzien aan uw hof. 15 Het is toch niet de eerste keer dat ik voor hem God geraadpleegd heb? Integendeel! Ik smeek u, leg dit mij en mijn familie niet ten laste, want ik wist van dit alles niets maar dan ook niets af.’ 16 Maar de koning zei: ‘Sterven zult u, Achimelech, u en heel uw familie.’ 17 En hij beval de soldaten van de lijfwacht die naast hem stonden: ‘Sla toe, dood de priesters van de HEER, want ze hebben David geholpen, en hoewel ze wisten dat hij voortvluchtig was, hebben ze mij niet op de hoogte gesteld.’ Maar de lijfwachten van de koning weigerden hun hand op te heffen tegen de priesters van de HEER. 18 Daarom zei de koning tegen Doëg: ‘Doet u het dan. Sla toe en steek de priesters neer.’ En de Edomiet Doëg sloeg toe en stak de priesters eigenhandig neer. Zo doodde hij die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen. 19 Ook alle inwoners van de priesterstad Nob werden gedood: alle mannen en vrouwen, alle kinderen en zuigelingen, en ook de levende have: stieren, ezels en schapen. 20 Eén zoon van Achimelech, de zoon van Achitub, wist echter te ontkomen en zocht zijn toevlucht bij David. Zijn naam was Abjatar. 21 Toen hij aan David vertelde dat Saul de priesters van de HEER had laten vermoorden, 22 zei David tegen hem: ‘Toen ik die dag in Nob merkte dat de Edomiet Doëg er ook was, was ik er al bang voor dat hij Saul zou inlichten. Ik ben dus de oorzaak van de dood van uw familieleden. 23 Blijf voortaan bij mij en wees niet bang. Wie u naar het leven staat, krijgt met mij te doen. Bij mij bent u veilig.’ (NBV)

Hoezeer je optreden en handelen vol zijn van goede bedoelingen en hoezeer je ook het goede nastreeft en niet dan het goede, je handelen kan de meest ongewenste en onbedoelde vreselijke gevolgen hebben. Dat blijkt uit het verhaal van vandaag. Daar lezen we wat de gevolgen waren van het bezoek dat David bracht aan het heiligdom in de Priesterstad Nob. Van de Hogepriester kreeg hij het toonbrood uit het heiligdom en het zwaard dat hij op Goliat had veroverd. Hij had dat zwaard geschonken aan het heiligdom als bewijs dat de God van Israël het mogelijk had gemaakt dat Goliat werd gedood. Wij zullen die gevolgen gemakkelijk in de schoenen schuiven van Saul maar David is zich blijkens het slot van het gedeelte van vandaag er zeer wel bewust van dat die gevolgen begonnen met zijn vraag om hulp.

Saul zit weer in zijn eigen huis in Gibea. Hij beklaagd zich er over dat er eigenlijk niemand onder zijn dienaren is die partij voor hem kiest en hem onvoorwaardelijk steunt in zijn strijd tegen David. Alleen Doëg uit Edom wil hem wel helpen. Dat Doëg uit Edom komt is natuurlijk niet toevallig. Edom is het volk dat afstamt van Esau de broer van Jacob en zo ontstaat een oorlog tussen broeders. Het was ook niet toevallig dat de ouders van David ondergebracht werden in Moab. De vader van David, Isaï, was immers een zoon van Ruth de Moabitische. David had dus nog verre verwanten in Moab wonen. Edom wordt in dit verhaal het werktuig van het kwade in Saul. Hoewel de hogepriester Abimelech zich beroept op de bekende vooraanstaande positie van David moeten hij en alle priesters uit Nob sterven. Doëg is de enige die dit wil doen. Zelfs de hele stad wordt uitgemoord. Alleen Abjatar ontsnapt en zo krijgt David een profeet, Gad, en een priester, Abjatar, in zijn gevolg. Zijn positie wordt er alleen maar sterker door.

Opmerkelijk is dus dat David het uitmoorden van alle priesters en de stad Nob zelf voor zijn rekening neemt. Hij was tot Koning van Israël gezalfd maar net zo min als Saul had David die positie gezocht. Er was ook geen sprake van dat hij er op uit was om Saul van de troon te stoten. Het was Saul die in hem een rivaal had gezien en hem wilde doden. Toch is de houding van David niet zonder belang. Als er in de Tweede Wereldoorlog een actie door verzetsmensen moest worden ondernomen speelden de represailles van de bezetter vaak een rol. Hoeveel onschuldige slachtoffers was een verzetsdaad waard? Dat het de bezetter was die het kwaad bedreef gaf zelden de doorslag. Ook ons eigen gedrag wordt vaak ter discussie gesteld. Hoeveel geketende kinderen zijn onze kleren waard, kinderen die gedwongen worden die kleren te maken? In de dagen van de Apartheid was het uitpersen van Outspan sinasappels het uitbuiten van arbeiders in Zuid Afrika. Zijn wij bereid om net als David de gevolgen van ons handelen op ons te nemen? Dat kan als we elke dag opnieuw beginnen recht en gerechtigheid te vragen in onze samenleving. Dat kan en dat mag elke dag opnieuw.

Heb ik hier soms geen gekken genoeg

1 Samuel 21:11-22:5

11 Nog diezelfde dag zette David zijn vlucht voor Saul voort, tot hij bij Achis kwam, de stadsvorst van Gat. 12 De hovelingen van Achis zeiden tegen hun vorst: ‘Is dat niet David, de koning van het land? Is dat niet degene over wie ze triomfantelijk hebben gezongen: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden”?’ 13 Deze woorden ontgingen David niet, en hij werd bang dat Achis hem kwaad zou doen. 14 Daarom deed hij net alsof hij gek was: toen ze hem beetpakten, ging hij als een waanzinnige tekeer, kraste tekens op de deuren van de poort en kwijlde in zijn baard. 15 ‘Zien jullie niet dat die man gek is?’ zei Achis tegen zijn dienaren. ‘Waarom brengen jullie hem bij mij? 16 Heb ik hier soms geen gekken genoeg, dat jullie hem bij me brengen om tegen me tekeer te gaan? Wat moet die kerel in mijn paleis?’ 1 David ging weer weg uit Gat en vond een veilig heenkomen in een grot in de buurt van Adullam. Toen zijn broers en zijn overige familieleden dat hoorden, voegden ze zich daar bij hem. 2 Ook allerlei mensen die in moeilijkheden zaten, schulden hadden of verbitterd waren, sloten zich bij hem aan. David werd hun aanvoerder; het was een groep van ongeveer vierhonderd man. 3 Van daaruit bezocht hij de koning van Moab in Mispe en vroeg hem: ‘Sta mijn vader en moeder alstublieft toe om naar uw grondgebied uit te wijken tot ik weet wat God met mij voorheeft.’ 4 Zo bracht hij zijn ouders onder bij de koning van Moab, en daar bleven ze zolang David zich in zijn schuilplaats in de bergen verschanst hield. 5 Maar de profeet Gad zei tegen David: ‘Blijf niet in de bergen, maar ga naar het land van Juda.’ Daarop trok David naar het Cheretbos. (NBV)

David vluchtte verder, maar ja verder was naar het land van de Filistijnen en je moet wel gek zijn om je daar veilig te voelen. Gekke Filistijnen waren er genoeg zegt de grap uit dit verhaal. David zoekt dus een schuilplaats in de bergen waar grotten beschutting brengen. Daar voegen zijn broers bij hem en de armen die slachtoffer waren van de onderdrukking en het onrecht van Saul. Het zal niet de plaats zijn waar David moet blijven. Wij moeten nog steeds leren dat de wetten van de Hebreeuwse Bijbel allereerst bedoeld zijn om mensen een menswaardig leven te bezorgen.

Als Jezus van Nazareth op de vingers getikt wordt omdat zijn leerlingen op de Sabbat korenaren malen tussen hun handen beroept hij zich op het gedeelte dat we vandaag uit het verhaal van David hebben gelezen. Ook Jezus van Nazareth had immers geen plaats om zijn hoofd ter ruste te leggen? Wij moeten dus ook niet zomaar iemand bij de deur, onze landsgrenzen, wegsturen die hier om eten komt en een veilig bestaan. Misschien sturen we David of Jezus zelf weg. Gelukkig dat we ook met onze gastvrijheid elke dag opnieuw mogen beginnen.

De regels voor de menselijke samenleving uit de Leer van Mozes zeggen ook dat je je vader en moeder moet eren. Dat betekent niet dat je altijd naar ze moet luisteren maar wel dat je ze serieus moet nemen, maar vooral ook dat je ze goed verzorgd. David brengt zijn ouders onder bij een vijandige koning. Die koning was gelijk een vijand minder, David zal wel uitkijken om die koning aan te vallen. Zorg voor de ouderen neem in de Bijbel een grote plaats in, daar mogen wij nog wel eens wat van leren. David moet daarom niet in vijandig gebied blijven maar naar zijn eigen land, het land door God geschonken. Zo mogen wij trouwens ook naar ons land kijken.

Gewoon brood heb ik niet

1 Samuel 21:2-10

2 David begaf zich naar Nob, naar de priester Achimelech. Deze kwam hem ongerust tegemoet en vroeg: ‘Waarom bent u alleen, waarom is er niemand bij u?’ 3 ‘Orders van de koning, ‘antwoordde David. ‘De koning heeft me belast met een opdracht waarvan niemand iets mag weten. Mijn mannen wachten op me op een afgesproken plek. 4 Maar nu terzake: wat hebt u in voorraad? Geef me vijf broden, of wat u anders in huis hebt.’ 5 ‘Gewoon brood heb ik niet, ‘antwoordde de priester. ‘Ik kan u wel gewijd brood geven, maar alleen als uw mannen geen omgang met een vrouw hebben gehad.’ 6 ‘Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden, ‘antwoordde David. ‘Altijd als ik er met mijn mannen op uittrek zijn wij en alles wat we bij ons hebben gewijd, zelfs als het een gewone onderneming betreft. Dus vandaag zijn we zeker gewijd.’ 7 Daarop gaf de priester hem gewijd brood, want hij had geen ander brood dan het toonbrood uit het heiligdom, dat om de zoveel dagen wordt ververst. 8 Er bevond zich daar op die dag ook een dienaar van Saul, een zekere Doëg uit Edom, de opzichter van Sauls herders. Hij was daar vanwege een of andere verplichting aan de HEER. 9 ‘Hebt u hier misschien ook een lans of een zwaard?’ vroeg David aan Achimelech. ‘Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens kunnen meenemen, zoveel haast was er bij de opdracht van de koning.’ 10 ‘Ik heb hier het zwaard van de Filistijn Goliat, die u in de Terebintenvallei verslagen hebt, ‘antwoordde de priester. ‘Daar hangt het, achter het priestergewaad, gewikkeld in een doek. Als u wilt kunt u het meenemen. Een ander wapen is hier niet.’ ‘Zoals dit is er geen tweede, ‘zei David. ‘Geef het mij.’ (NBV)

In het boek Deuteronomium worden in hoofdstuk 23 de regels gegeven voor soldaten die toch in oorlog zijn. Het gebod waar ze zich aan te houden hebben is het “Gij zult niet doden”, maar iedereen snapt dat je over het algemeen geen oorlog of veldslag kan winnen zonder een tegenstander te doden of te verwonden. Eigenlijk moeten soldaten dus bestraft worden voor het overtreden van een van de grondregels voor een menselijke samenleving. Dat zou echter niet eerlijk zijn als ze er op uit trokken om het volk te beschermen tegen een gewelddadige vijand en zo deden wat de God van Israël van hen verwachtte. De regels gaan er daarom vanuit dat God zelf de legerplaats bezoekt om de soldaten te redden van die straf.
De legerplaats is daarom een heilige plaats, net als de Tempel of bij ons de Kerk. De legerplaats moet schoon zijn en netjes en bevrediging van lusten is er niet bij. Deze regels spelen in het verhaal van vandaag een grote rol. David is op de vlucht voor Saul. De ruzie tussen Saul en zijn zoon Jonathan heeft voldoende duidelijk gemaakt dat Saul er op uit is David te doden. Maar David wil leven. Hij weet dat er in Nob een heiligdom was voor de God van Israël. En aan de hogepriester van dat heiligdom Achimelech vroeg hij om eten. Het enige eten dat er was was het brood voor de God van Israël.

Ook brood moet gedeeld worden en om te tonen dat men bereid was zelfs het brood te delen was er in het Heiligdom een tafel waarop steeds verse broden werden gezet voor de God van Israël. Niet om die God te voeden maar om ze te laten zien, toonbroden werden ze genoemd. Alleen de priesters mochten ze eten als ze ververst zouden worden. Maar levensgevaar breekt de wetten van de Tora. Het leven van een mens is altijd belangrijker. En als de soldaten en David zich houden aan de overige regels van de Tora dan is het toegestaan de broden te eten. Het zwaard van de reus Goliat geeft aan hoeveel kracht David van God heeft gekregen, want ook dat kwam niet van hemzelf.

Wij zijn maar knechten

Lucas 17:1-10

1 Tegen zijn leerlingen zei hij: ‘Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, alleen: wee degene die daarvoor verantwoordelijk is! 2 Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn hals in zee werd geworpen dan dat hij ook maar een van deze geringen ten val zou brengen. 3 Let dus goed op jezelf! Indien je broeder zondigt, spreek hem dan ernstig toe; en als hij berouw heeft, vergeef hem. 4 En als hij zevenmaal op een dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkeert en zegt: “Ik heb berouw, ”dan moet je hem vergeven.’ 5 Toen zeiden de apostelen tegen de Heer: ‘Geef ons meer geloof!’ 6 De Heer zei: ‘Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in de zee!” en hij zou jullie gehoorzamen. 7 Als iemand van jullie een knecht zou hebben die ploegt of de kudden weidt, dan zal hij, wanneer die thuiskomt van het land, toch niet tegen hem zeggen: “Ga maar meteen aan tafel”? 8 Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak iets te eten voor me klaar, doe je gordel om en bedien me terwijl ik eet en drink, en daarna kun je zelf eten en drinken”? 9 Hij bedankt de knecht toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen? 10 Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”’ (NBV)

Een mens wil ook wel eens bedankt worden nietwaar, een schouderklopje zo af en toe maakt dat je blijft weten wat je waard bent. Maar zo langzamerhand nemen we die schouderklopjes en die beloningen zo voor vanzelfsprekend dat het ontbreken er van ons direct doet ophouden met werken. Stank voor dank heet het dan, je doet iets goeds maar je krijgt er niets voor terug. Het is niet de levenshouding die Jezus van Nazareth ons hier voor houdt. In de eerste plaats maken mensen voortdurend fouten. Daar moet je ze niet voortdurend op aanspreken, maar je moet ze de kans geven het de volgende keer foutloos te doen. Dat vraagt soms wel even meer dan zeggen dat je ze vergeeft. Soms moet je uitleggen wat er fout was en wat er anders zou kunnen maar dan moeten ze weer een nieuwe kans krijgen. Vergeven heet dat proces. Vergeven is dus niet van zand er over, voor vergeven zijn er twee nodig, een die de kans geeft en een die de kans te baat wil nemen.

Maar wat dan als er weer een fout wordt gemaakt? Dan moet je weer vergeven zegt Jezus van Nazareth, zeven maal als dat nodig is. En zeven is het heilige getal, dus niet vergeven van 1,2,3,4,5,6,7, maar net zo lang tot het volmaakt is, tot het goed gaat en de fouten niet meer gemaakt worden. Met eindeloos geduld dus. Je wilt immers zelf ook geen fouten maken? Je bent zelf immers ook blij als iemand je de kans geeft het weer goed te gaan doen als je een keer de fout ingegaan bent? Je hoop toch ook steeds weer de kans te krijgen het op de goede manier te doen? Daarom is het dat als je je naaste net zo liefhebt als jezelf je telkens opnieuw samen met de die ander er aan werkt de fouten te herstellen en in plaats van het verkeerde het goede te doen, tot het volmaakt is. Jezus van Nazareth wijst er op dat de beste houding die van de knecht is. Die klopt zich niet op de borst, verwacht geen andere beloning dan die welke is afgesproken, die hoeft niet iets extra te krijgen maar zal zeggen dat enkel en alleen de plicht is gedaan.

“We deden wat we moesten doen” horen we zelfs de helden uit de oorlogen van onze dagen zeggen, de gewonden uit Afghanistan, de in de steek gelaten soldaten uit Srebrenica. Net als de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog die Europa bevrijd hebben van wrede tirannie. Ze deden slechts wat nodig was voor mensen in nood. In die houding mogen we ons dag in dag uit oefenen. We kunnen niet de hele wereld op onze schouders nemen maar samen kunnen we veel. We kunnen aandacht blijven vragen voor kinderen in gevangenissen, voor vluchtelingen die hier door onze overheid worden bedreigd, voor de slachtoffers in Syrië, voor de armen in Afrika die slachtoffer worden van de onrechtvaardige handelsakkoorden, voor de slachtoffers van de oorlogen om de grondstoffen waarmee onze mobiele telefoons en tablets gemaakt worden. Elke dag opnieuw kunnen we daarmee beginnen, zodat er een andere wereld ontstaat, waar de dood niet meer heerst en onze schuld vergeven is. Ook vandaag mag dat weer.

Je hebt je deel van het goede al tijdens je leven ontvangen.

Lucas 16:19-31

19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde.20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’ (NBV)

Het verhaal van de rijke naamloze zoon van Abraham en de arme Lazarus is eeuwenlang misbruikt. De armen hoefde zich geen zorgen te maken want hun beloning kwam immers na de dood wel. Dat was toch ook zo gegaan met die arme Lazarus? Maar dat is dus misbruik maken van het verhaal en niet helemaal goed het verhaal lezen, of nog erger, het verhaal goed doorvertellen. Lazarus en de rijke man zijn op de eerste plaats broers. Allebei zijn ze immers zonen van Abraham, ze horen tot het volk Israël. De scene na de dood is dus niet een verhaal om ons te vertellen hoe het er na onze dood uit zou zien maar is bedoeld om ons te vertellen hoe het er voor onze dood hoort uit te zien. Armen en rijken zijn familie van elkaar. De eerste vraag die je je dus moet stellen is of je je arme broer of zuster op de stoep laat liggen als je rijk bent.

In het verhaal wordt vervolgens aandacht gevraagd voor de andere broers van de rijke man. Als Lazarus en de rijke man al broers zijn, dan zijn de andere broers alle andere mannen van het volk van Israël. Volgens het verhaal hebben die het voorbeeld van de arme Lazarus niet nodig want zij hebben de Leer van Mozes. Zij hebben dat verhaal over Mozes die het volk uit de slavernij leidde en in de Woestijn die richtlijnen kreeg die maakte dat je je naaste lief kan hebben als jezelf. Dat doen of je samen door de Woestijn trekt moet een voldoende houding zijn. Het volk had immers ontdekt dat je pas kunt overleven als je onvoorwaardelijk op elkaar kunt vertrouwen. Delen, zonder er zelf beter van te worden, delen met de ander alsof je het zelf bent is een voorwaarde voor het leven zelf. Dat zou ook in een rijk land, een land dat overvloeide van melk en honing, de manier zijn om ook daar te overleven.

Jezus van Nazareth en zijn volgelingen zouden dat uiteindelijk naar de hele wereld doortrekken. Overal en altijd is het willen delen met alle mensen op aarde de voorwaarde om de aarde leefbaar en de mensen levend te houden. Elke arme die sterft is immers een broer of zuster, elk kind dat sterft van armoede is een kind van ons allemaal. Daarom moet dit verhaal ons schrik aanjagen. Wij laten immers de armen van de wereld op de stoep van fort Europa liggen, of verdrinken in omringende zeeën en weigeren om onze onrechtvaardige tolmuren af te breken en hen de kans te geven op een eerlijk inkomen voor de arbeid die ze leveren. Het gaat niet om vreemden met een ander geloof en andere gewoonten, het gaat om onze broeders en zusters, kinderen van Adam, kinderen van onze God. Wat het goede is weten we nu wel, nu het delen nog.

Ze kusten elkaar

1 Samuel 20:24-21:1

24 David hield zich dus buiten de stad verborgen. Met nieuwemaan zette de koning zich aan het feestmaal. 25 Toen de koning ging zitten, op zijn vaste plaats tegen de wand, stond Jonatan op. Abner nam plaats naast Saul; Davids plaats bleef onbezet. 26 Saul zei er die dag niets van; hij dacht bij zichzelf dat het misschien toeval was, dat David niet rein was of iets dergelijks. 27 Maar toen Davids plaats de volgende dag, de tweede dag van het nieuwemaansfeest, nog steeds onbezet bleef, vroeg Saul aan zijn zoon Jonatan: ‘Waarom is de zoon van Isaï niet aan de maaltijd verschenen, gisteren niet en vandaag ook niet?’ 28 ‘David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem te gaan, ‘antwoordde Jonatan. 29 ‘“Laat me alsjeblieft gaan, ”vroeg hij. “Er wordt bij mij thuis in de familiekring een offerfeest gehouden, en mijn broer heeft mij gezegd dat ik moet komen. Wees zo goed mij ongehinderd naar huis te laten gaan, zodat ik mij bij mijn broers kan voegen.” Daarom laat hij zich verontschuldigen bij het feestmaal van de koning.’ 30 Woedend barstte Saul tegen Jonatan uit: ‘Hoerenjong! Alsof ik niet weet dat jij de kant van de zoon van Isaï hebt gekozen. Je maakt jezelf te schande, en de moeder bij wie ik je verwekt heb erbij! 31 Zolang de zoon van Isaï hier op aarde rondloopt, ben jij je leven en je koningschap niet zeker. Laat hem onmiddellijk halen en breng hem bij me, want hij is ten dode opgeschreven.’ 32 ‘Maar waarom moet hij sterven?’ vroeg Jonatan. ‘Wat heeft hij dan gedaan?’ 33 Daarop slingerde Saul zijn speer naar Jonatan in een poging om hem te treffen. Toen begreep Jonatan dat zijn vader vastbesloten was om David uit de weg te ruimen. 34 Woedend liep hij van tafel weg, zonder dat hij die tweede dag van het nieuwemaansfeest iets gegeten had, want hij maakte zich zorgen om David en was gegriefd omdat zijn vader hem zo beledigd had. 35 De volgende morgen ging Jonatan met een knechtje de stad uit om David op de afgesproken plaats te ontmoeten. 36 ‘Zoek snel de pijlen op die ik afschiet, ‘beval hij hem. Zodra de jongen wegrende, schoot Jonatan een pijl over hem heen. 37 Toen de jongen bij de plek kwam waar de pijl terecht was gekomen, riep Jonatan hem na: ‘Ligt de pijl niet verder weg?’ 38 En: ‘Schiet op, blijf daar niet zo staan!’ Jonatans knecht raapte de pijlen bij elkaar en bracht ze terug naar zijn meester. 39 Hij wist natuurlijk niet waar het om ging, maar Jonatan en David des te beter. 40 Jonatan gaf zijn wapens aan zijn knecht en droeg hem op ze naar de stad terug te brengen. 41 Zodra de jongen weg was, kwam David van achter de rotsblokken te voorschijn, knielde neer en boog driemaal diep voorover. Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande 42 en zei: ‘Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën elkaar bij de naam van de HEER gezworen hebben en dat wij en onze nakomelingen daar voor altijd aan gehouden zijn. De HEER is onze getuige.’ 21:1 Daarop ging David weg en Jonatan keerde terug naar de stad.(NBV)

Er is een feestdag in de geschiedenis die de Bijbel vertelt waar we maar weinig aandacht aan schenken. Dat is de feestdag van de nieuwe maan. Op allerlei plaatsen in de Bijbel wordt echter de indruk gewekt dat die feestdag net zo belangrijk is geweest als de Sabbath. Ook op nieuwe maan werden er feestmaaltijden gehouden of werd een heiligdom bezocht. Dat Koning Saul op de feestdag van de nieuwe maan een feestmaaltijd houdt is dus niet zo vreemd. Maar de plaats van David blijft leeg. Nu was David legeraanvoerder en dus veel in oorlog. Voordat hij aan een dergelijke religieuze maaltijd had kunnen deelnemen zou hij zich eerst ritueel moeten reinigen, dat kost tijd en daarom zou hij aanvankelijk verhinderd geweest kunnen zijn. Maar als hij de tweede dag van het feest ook verstek laat gaan dan is er wat aan de hand. Zoals afgesproken neemt Jonathan het voor David op. Er zou een offermaaltijd worden gehouden in Bethlehem waar David niet mocht ontbreken. Jonathan had David dus laten gaan.

De speer die David een paar maal bijna had getroffen dreigt nu Jonathan te treffen. De zoon van Isaï, klinkt het beledigend, moet en zal dood. Jonathan neemt het niet langer en waarschuwt David op de afgesproken manier. De twee geliefden moeten nu afscheid van elkaar nemen. Dat doen ze als niemand ze meer kan zien wordt er dan verteld. Jonathan gaat dan terug naar de stad. David gaat opnieuw naar een heiligdom. Eerst was hij in Rama geweest bij Samuël, maar daar had Saul hem weten te vinden. Nu zoekt hij zijn heil in een ander heiligdom, dat in Nob bij de priester Achimelech. Geleerden nemen aan dat de familie van Eli verhuisd is nadat de Ark van het Verbond door de zonen van Eli in de strijd tegen de Filistijnen was ingebracht en door de Filistijnen was veroverd. Die priesterfamilie was dan in Nob terechtgekomen. We moeten bedenken dat een centraal heiligdom als de Tempel in Jeruzalem pas na David gebouwd zou worden en nog veel later een echt centraal heiligdom voor Israël zou worden.

De liefde van Jonathan voor David staat zijn trouw aan zijn vader overigens niet in de weg. Telkens weer had hij tevergeefs zijn vader er van proberen te weerhouden kwaad te doen tegen David. Maar de woede van Saul had zich in de tijd steeds vermeerderd. Saul was er echt van overtuigd geraakt dat David de volgende koning van Israël zou willen worden en dat de kansen van Jonathan op de opvolging verkeken zouden zijn als David in leven zou worden gelaten. Jonathan kiest echter voor het leven van David. Overigens zoals David voor het leven van Saul zal kiezen. Die keuze voor het leven staat als gebod in het boek Deuteronomium. Het is daarom dat beiden God als getuige kunnen inroepen voor de eden die zij elkaar gezworen hebben. De eed dat ze elkaar trouw zouden blijven en de eed dat ze elkaars nageslacht niet zullen uitroeien. Na de dood van Salomo zal dit leiden tot de scheiding van het land in een Noordrijk en een Zuidrijk. Voor ons betekent dit dat de keuze voor het leven altijd de goede keuze is, aan wie we ook trouw willen blijven. Trouw aan de God van Israël gaat voorop. Elke dag opnieuw mogen we die keuze maken, ook vandaag weer.

Jonatan sloot een verbond met het huis van David

1 Samuel 20:11b-23

11b Toen ze samen buiten de stad waren gekomen 12 zei Jonatan: ‘Bij de HEER, de God van Israël, morgen of overmorgen om deze tijd zal ik uitzoeken hoe mijn vader over je denkt. Als het er goed voor je uitziet, zal ik een boodschap sturen om het je te laten weten. 13 Maar mocht mijn vader zich het in zijn hoofd hebben gezet om je kwaad te doen, dan mag de HEER met mij doen wat hij wil, als ik je dat niet zou laten weten en er niet voor zou zorgen dat je een veilig heenkomen kunt vinden. Moge de HEER je bijstaan zoals hij eerst mijn vader bijstond. 14 Ik weet wel dat je me zolang als ik leef goed zult behandelen, zoals de HEER dat voorschrijft, maar beloof me dat je ook na mijn dood 15 mijn nakomelingen steeds goedgezind blijft, zelfs wanneer de HEER al je vijanden een voor een van de aardbodem wegvaagt.’ 16 Jonatan sloot een verbond met het huis van David met de woorden: ‘Moge de HEER je daaraan houden.’ 17 Vervolgens liet hij David dit bekrachtigen met een eed op hun vriendschap, want hij had David lief als zijn eigen leven. 18 Daarna zei hij: ‘Als je plaats morgen tijdens het nieuwemaansfeest leeg blijft, zal men je zeker missen. 19 Overmorgen moet je een flink eind weggaan en je verbergen op dezelfde plek als de vorige keer, bij de Haëzelrots. 20 Ik zal drie pijlen op de rots afschieten, alsof ik op een doel mik, 21 en die door mijn wapendrager laten ophalen. Als ik tegen hem roep: “Nee, dichterbij!” neem hem dan mee en kom naar me toe, want zo waar de HEER leeft, dan kun je gerust zijn en is er niets aan de hand. 22 Maar als ik roep: “Nee, verderop!” dan moet je vertrekken, want dan is het de HEER zelf die je wegstuurt. 23 En bij alles wat we nu hebben afgesproken, jij en ik, is de HEER onze getuige.’(NBV)

Trouwe Bijbellezers kennen de afloop, maar die doet hier even nog niet ter zake. De oplossing die de beide mannen kiezen voor het bericht over de houding van Koning Saul beslecht een ander conflict, een conflict uit het verleden. Het conflict tussen Kaïn en Abel. Daar gingen twee broers het veld in en de ene broer dode de ander. Hier zullen twee broers het veld ingaan en maakt de ene broer het mogelijk dat de ander in leven blijft. In dit verhaal wordt gekozen voor het leven. Een keuze die mogelijk gemaakt wordt door de liefde.

Een keus die wij dus ook mogen maken. Als wij werkelijk van onze naaste houden als van onszelf dan gunnen we die naaste een even liefdevolle relatie als wij voor onszelf willen. Met wie die relatie ook wordt aangegaan. Want zeg nu zelf, zou een ander jouw relatie mogen verbieden? Zo mogen we het elke dag opnieuw mogelijk maken dat mensen van elkaar kunnen houden, ook vandaag weer. In het verhaal over David en Jonathan wordt voortdurend de nadruk gelegd op de liefde tussen de twee. Ze zweren zelfs elkaar tot hulp en bijstand te zijn.

David is ingetrouwd in het huis van Saul. Pas als Saul en zijn zonen in de slag gestorven zijn zal hij echt koning van Israël worden. Door de innige vriendschap met Jonatan wordt dat huwelijk van David eigenlijk een politieke het in het spel om het koningschap van Israël. David weigert in opstand te komen tegen Saul. Hij was zeer populair bij het volk en had daardoor de sympathie van Saul verspeeld. Maar populisme mag volgens de Bijbel niet lijden tot geweld, ook in onze dagen mogen we daar soms wel wat meer op letten.

Dat bestaat niet!

1 Samuel 20:1-11a

1 David maakte dat hij uit het profetenhuis in Rama wegkwam. Hij ging naar Jonatan en vroeg hem: ‘Wat heb ik toch verkeerd gedaan? Waaraan heb ik me schuldig gemaakt? Wat heb ik je vader misdaan, dat hij mij wil doden?’ 2 ‘Er is geen sprake van dat jij moet sterven, ‘antwoordde Jonatan. ‘Mijn vader doet immers nooit iets zonder mij in vertrouwen te nemen, al is het nog zo onbelangrijk. Zou hij dan zoiets voor mij verborgen houden? Dat bestaat niet!’ 3 Maar David hield vol: ‘Je vader weet heel goed dat jij op me gesteld bent. Daarom denkt hij: Jonatan mag dit niet te weten komen, het zou hem maar verdriet doen. Maar ik zweer je, zo waar de HEER leeft en zo waar jij leeft, Jonatan, ik ben maar één stap van de dood verwijderd.’ 4 ‘Zeg maar wat ik voor je doen kan, ‘zei Jonatan, 5 en David antwoordde: ‘Luister, morgen is het nieuwemaan. Eigenlijk zou ik dan met de koning aan de maaltijd moeten aanzitten. Maar als jij me verlof geeft, houd ik me buiten de stad schuil tot het donker is. 6 Als je vader mijn afwezigheid opmerkt, moet je zeggen: “David heeft mij dringend gevraagd om te mogen afreizen naar zijn vaderstad Betlehem, waar zijn hele familie bijeen is voor het jaarlijkse offerfeest.” 7 Als hij zegt dat het goed is, kan ik gerust zijn, maar als hij boos wordt, dan weet je dat hij vast van plan is om mij kwaad te doen. 8 Op jouw aandringen hebben jij en ik elkaar tegenover de HEER trouw gezworen, bewijs me dus alsjeblieft deze vriendendienst: als ik iets heb misdaan, dood jij me dan, maar lever me niet uit aan je vader.’ 9 ‘Dat nooit!’ riep Jonatan uit. ‘Mocht ik erachter komen dat mijn vader van plan is om je kwaad te doen, dan zal ik het je beslist laten weten.’ 10 ‘Hoe kom ik te weten wat je vader gezegd heeft, en of hij kwaad is geworden?’ vroeg David. 11 ‘Wacht, laten we eerst de stad uitgaan, ‘stelde Jonatan voor. (NBV)

Jonathan en David. Twee vrienden die elkaar lief hadden en een verbond van eeuwige trouw hadden gesloten. Daar lezen we vandaag over. Die vriendschap vinden we mooi, maar met die liefde hebben we nogal wat moeite. Twee mannen die met elkaar trouwen, want wat is een verbond van eeuwige trouw anders, dat is nieuw. Deze vriendschap heeft kennelijk de goedkeuring van de God van Israël. Deze liefde maakt zelfs een toekomst voor Israël mogelijk. De Koning waarvan God zich had afgekeerd zal niet de ondergang van Israël betekenen. Jonathan sluit in dit verhaal nogmaals een verbond, een verbond met het huis van David. Daarbij gaat het om de toekomst. Daarbij gaat het veel later in de geschiedenis van Israël om de vraag wie de wettige koning van Israël mag zijn.

Jonathan voorziet dat het huis van Saul tegenover het huis van David zal komen te staan. En zo is het ook gebeurd. Het huis van Saul leverde de koningen van het Noordrijk, het huis van David de koningen van Juda. Toen de Bijbel haar definitieve vorm vond was er van dat zelfstandige rijk Israël geen spoor meer over. Juda met haar hoofdstad Jeruzalem werd hersteld en daar werden dan Samaria en Galilea aan toegevoegd. Maar een koning over dit rijk zou uit het huis en het geslacht van David moeten komen. De basis daarvan ligt in het verhaal dat we vandaag gelezen hebben. De bedoeling was een toekomstig conflict te voorkomen. Dat is natuurlijk niet echt gelukt. Het is door de geschiedenis heen een strijd gebleven tussen een Koningshuis zoals de Heidense volken die ook hebben en een Koningshuis zoals de God van Israël die wilde.

Ook de koningen van Juda gingen overigens regelmatig het pad op van de Koningen zoals de Heidenen die ook hadden. Trouw blijven aan de God van Israël levert grote risico’s op. Risico’s die in dit verhaal ook door Jonathan worden genomen. Hij gelooft immers niet dat zijn vader er op uit is David te doden. Als zijn vader daar inderdaad op uit is dan loopt Jonathan een groot risico als zijn vader er achter zou komen dat hij David lief had en dat hij met David een eeuwigdurend verbond had gesloten, ja dat hij zelfs met het huis van David een verbond had gesloten. Jonathan neemt het risico. Hij zal helpen uitvinden wat de plannen van Saul zijn. Moet David vluchten of zal David terug kunnen keren aan het hof?