U was het schild

Psalm 18:36-51
36 U was het schild dat mij redde, uw rechterhand ondersteunde mij, uw woord maakte mij sterk, 37 u baande de weg voor mijn voeten, ik wankelde niet. 38 Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd, 39 ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op, dood lagen ze onder mijn voeten. 40 U hebt mij omgord met kracht voor de strijd, mijn tegenstanders voor mij doen buigen, 41 u liet mij de rug van mijn vijanden zien, mijn haters, ik roeide ze uit. 42 Ze riepen om hulp, maar er was geen redder, ze riepen de HEER, maar hij antwoordde niet. 43 Ik verpulverde hen tot stof in de wind, veegde hen weg als vuil van de straat. 44 U bevrijdde mij van een opstandig volk, stelde mij aan tot hoofd van de naties. Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich, 45 gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde. Vreemdelingen toonden zich onderdanig, 46 vreemde volken verloren hun kracht, bevend kwamen zij uit hun burchten. 47 De HEER leeft, geprezen zij mijn rots, hoogverheven is God, mijn redder. 48 De God die mij wraak liet nemen, dwong volken op de knieën, 49 bevrijdde mij van mijn vijanden, verhief mij boven mijn tegenstanders, ontrukte mij aan mannen van geweld. 50 Daarom wil ik u prijzen te midden van de volken, HEER, een loflied zingen tot eer van uw naam. 51 Hij schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht, voor altijd. (NBV)
“Mijn schild en mijn betrouwen zijt Gij o God mijn Heer” Zo staat het in zesde couplet van ons volkslied dat vaak gezongen wordt bij gelegenheden met een meer religieus karakter. Het gaat daarbij dan natuurlijk vooral over de verdrijving van de tirannie die het hart doorwond. Het slotgedeelte van deze psalm die we vandaag met de kerk meezingen geeft dezelfde boodschap weer. God heeft ons bevrijd van de vijanden, van mannen van geweld. Maar het is goed om nog even te zien hoe die God dat dan gedaan heeft. Het is de God die de psalmdichter wraak liet nemen. In de verhalen over Saul en David, waar we deze Psalm immers ook terug kunnen vinden, gaat het er altijd over dat voordat er een slag geleverd wordt eerst de goedkeuring van de God van Israël gevraagd wordt en na de slag voor de overwinning aan die God dank wordt gebracht. Die oorlogen van Saul en David zijn direct in strijd met het gebod niet te doden. Wel doden leidt volgens de Bijbel niet tot een menselijke samenleving, maar tussen volken is het soms onontkoombaar je met geweld te weer te stellen tegen een gewelddadige vijand.
Nu zijn machthebbers, tegenwoordig vaak politici, er zeer goed in om een door hen gewenste oorlog tot onontkoombaar te verklaren. Die machthebbers of politici die voor uiterste terughoudendheid pleiten worden als zwak afgeschilderd, theedrinkers waar bloedvergieten op z’n plaats is. Het is dan goed om toch nog eens die verhalen over de oorlogen van Saul en David terug te lezen. Wat dan opvalt is het verbod om buit te maken voor de leider van de oorlog. Saul struikelde uiteindelijk over de wens losgeld te krijgen voor een verslagen koning. Het zelf verdienen aan de strijd wordt als slecht bestempeld. Daarom ook die nadruk op de dankbaarheid aan God. Als het de kracht van God is die je de overwinning brengt dan hoef je jezelf niet boven anderen te verheffen, dan wordt je er zelf niet mooier van, dan hoeft er niemand jaloers te zijn op jouw aandeel in de strijd, een jaloezie die ook een rol speelt in de verhalen over Saul en David. Dat eigenbelang speelt ook vandaag de dag een rol bij gewelddadige conflicten. Olie is in het midden oosten reden om met geweld eigen belangen veilig te stellen en het moet toch een keer opvallen dat oorlog voeren om de belangen van het eigen land veilig te stellen tot een langdurige ellende, ook voor dat eigen land, voert.
De Psalm besluit met de ontdekking dat de God van Israël trouw blijft aan David en zijn nageslacht. We weten uit het verhaal van de Bijbel dat het omgekeerd niet zo was. De Koningen uit het geslacht van David weken ook af van de Weg van de God van Israël. Slechts af en toe kwam er een Koning die zich wat gelegen liet liggen aan de voorbeelden van de David als het ging om de strijd met machtige volken. Slechts een enkeling durfde meer te vertrouwen op een bondgenootschap met die God dan op een bondgenootschap met andere machtige volken. Het verwerpen van de Weg van de God van Israël leidde uiteindelijk tot het wegvoeren van het volk in ballingschap en de verwoesting van de Tempel en de ballingschap. Maar dat was niet het einde. De God die in deze Psalm wordt bezongen geeft niet op en begint altijd weer opnieuw met zijn mensen. Dat mag ook ons tot troost zijn en vermanen. Ook wij worden geroepen om niet te doden en als het onontkoombaar is het eerst te zoeken bij de God van Israël en niet bij onze eigen belangen. Recht en gerechtigheid voor de minsten op aarde kunnen grote offers van ons vragen, maar die vraag komt dan van God. Die ballingen keerden uiteindelijk terug naar Jeruzalem. Uit het geslacht van David werd uiteindelijk Jezus van Nazareth geboren die alle volken, ook ons, bij de God van Israël betrok. Hij wees het bloedvergieten en de opstand van zijn volk af. Het bracht hem aan het kruis, maar daardoor ontstond er leven en werd de dood overwonnen. Daar mogen we elke dag uit leven, ook vandaag.

Voor mijn reine handen

Psalm 18:17-35
17 Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast en trok mij op uit de woeste wateren, 18 ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, die sterker waren dan ik. 19 Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan, maar de HEER was mij tot steun. 20 Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,  bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad. 21 De HEER heeft mijn onschuld vergolden, mij beloond voor mijn reine handen: 22 ik volgde de wegen die de HEER had gewezen en werd mijn God niet ontrouw, 23 zijn voorschriften hield ik voor ogen, zijn wetten wees ik nooit af. 24 Ik was hem volkomen toegewijd en hoedde mij steeds voor het kwaad, 25 daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond, hij zag mijn reine handen. 26 U bent trouw voor de trouwe, volmaakt voor de volmaakte, 27 zuiver voor de zuivere, maar voor de sluwe ongrijpbaar. 28 U bent de redder van het vertrapte volk, wie zich hoog wanen, brengt u ten val. 29 U bent het die mijn lamp doet schijnen, u, HEER, mijn God, verlicht mijn duisternis, 30 met u storm ik af op een legerbende, met mijn God beklim ik de hoogste muur. 31 Gods weg is volmaakt, het woord van de HEER is zuiver, een schild is hij voor allen die bij hem schuilen. 32 Wie anders is God dan de HEER, wie anders een rots dan onze God? 33 De God die mij met kracht omgordt, leidt mij op een volmaakte weg, 34 hij geeft mij voeten snel als hinden, doet mij op toppen van bergen staan, 35 oefent mijn handen voor de strijd- mijn armen spannen de bronzen boog.(NBV)
Pilatus waste zijn handen in onschuld nadat hij een onschuldige tot de dood aan het kruis had veroordeeld. Hij liet aan iedereen zien dat hij eigenlijk een onrechtvaardige rechter was die daartoe zou zijn gedwongen door het volk, of zich had laten dwingen, het was uiteindelijk zijn eigen beslissing. De dichter van Psalm 18 hoeft zijn handen niet te wassen, die zijn rein zo wordt een aantal keren benadrukt. Reine handen houd je als je de richtlijnen voor de menselijke samenleving die de God van Israël heeft gegeven blijft volgen. Koning David, aan wie deze Psalm wordt toegeschreven, was dus een rechtvaardige rechter die recht deed aan de mensen die voor hem werden gebracht. Recht deed ook aan de armen, de zwakken, de vreemdelingen, zoals de richtlijnen van de God van Israël telkens benadrukken. Als je dat doet kun je steeds op die God terugvallen, je vonnissen, je handelen wordt dan als het ware Goddelijk, je hoeft geen vuile handen te maken.
De Psalm roept ook de geschiedenis van het volk Israël in herinnering. In het begin van het optreden van David werd het volk geplaagd door een jaarlijkse roof van de oogst door buurvolken, met name de Filistijnen maakten zich hieraan schuldig.
Het optreden van Rechters, lees het boek Rechters maar op na, bracht steeds tijdelijk verlichting van de beroving. De eerste Koning van Israël, Saul ging het steeds leuker vinden om oorlog te voeren waardoor hij ook oorlogen uitlokte en de vrede voor Israël steeds verder weg kwam te liggen. Pas onder de regering van David brak de vrede aan. Roversbenden werden niet alleen bestreden maar hun thuislanden, hun steden, werden onderworpen, ontwapend en tot het betalen van een belasting veroordeeld. Daarmee was het gedaan met het jaarlijks roven van de oogst waar het volk zo lang onder had geleden. Het beleid van David werd ingegeven door wat hij wist van de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Wie het boek Samuël leest komt er achter dat David daarvoor zwaar leunde op priesters en profeten.

Door deze politiek van David werd Israël een wijngaard. Rondom een wijngaard was altijd een muur van ruwe stenen gebouwd.  In de Psalm wordt David afgeschilderd als een wachter op de muur. Nu lag ook zijn koningsstad Jeruzalem hoog in de bergen waardoor hij een goed uitzicht had over het land en tijdig gewaarschuwd kon worden voor invallen.
David kwam zo bekend te staan als een krachtig krijger die zelfs een bronzen boog kon bedienen, daarvoor was veel kracht nodig. Hoewel David dus veel strijd leverde tijdens zijn leven, telkens op oorlogspad moest, zelfs tegen Saul, werd hij door het volgen van de weg van de God van Israël een vredevorst die diepe indruk heeft achtergelaten op het volk. Tot op de dag van vandaag betekent het lijken op David heel wat. Maar onze regeerders zijn nog lang niet zo ver dat ze oorlogen voeren gericht op vrede en gerechtigheid. Ze willen rust om handel te kunnen bedrijven en rijk te worden. Of volken nu geregeerd worden door rechtvaardige regeringen of door wrede dictators, die zich soms Koning noemen maar die het uitdelen van stokslagen en het stenigen of onthoofden van hun burgers de normaalste zaak van de wereld vinden, kan ze niks schelen. Misschien dat wij in woord en daad, door het zingen van een Psalm als deze, onze regeerders duidelijk moeten maken wat de weg van de God van Israël kan opleveren.

God, mijn steenrots

Psalm 18: 1-16
1  Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2 Hij zei: Ik heb u lief, HEER, mijn sterkte,3 HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht. 4 Ik roep: ‘Geloofd zij de HEER, ‘want ik ben van mijn vijanden verlost. 5 Mij omsloten de banden van de dood, de kolkende afgrond joeg mij angst aan, 6 de banden van het dodenrijk omklemden mij, op mijn weg lagen de valstrikken van de dood. 7 In mijn nood riep ik tot de HEER, ik schreeuwde naar mijn God om hulp. In zijn paleis hoorde hij mijn stem, mijn roepen bereikte zijn oren. 8 Toen schudde en schokte de aarde, de bergen trilden op hun grondvesten, beefden omdat hij vlamde van woede, 9 rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam uit zijn mond, hij spuwde hete as. 10 Hij schoof de hemel open en daalde af, duisternis onder zijn voeten, 11 hij besteeg de cherub en vloog, zwevend op de vleugels van de wind. 12 Hij maakte van het donker zijn schuilplaats, trok een tent om zich heen van duister water, dichte wolken. 13 Een vuurgloed ging voor hem uit, wolken joegen voort, hagel en gloeiende as. 14 De donder van de HEER klonk aan de hemel, de Allerhoogste verhief zijn stem: hagel en gloeiende as. 15 Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen, wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen. 16 De beddingen van het water werden zichtbaar, de grondvesten van de wereld kwamen bloot door uw dreigende blik, HEER, door de briesende adem uit uw neus. (NBV)
Toen het boek van de Psalmen werd samengesteld was er een grote keus aan liederen. Je mag best aannemen dat de samenstellers van dit Bijbelboek voor dezelfde opgave stonden als de samenstellers van het nieuwe Liedboek dat een aantal jaren geleden in de kerken in gebruik werd genomen. Populaire liederen werden afgewisseld met liederen die nodig waren om bepaalde gebeurtenissen te kunnen herdenken en liederen die in de dienst van de Tempel niet konden ontbreken. Psalm 18 lijkt daarbij tot de zeer populaire liederen behoort te hebben. Dit lied staat namelijk ook in het Bijbelboek dat wij nu kennen als 2 Samuël en wel in hoofdstuk 22. Er staan veel liederen in de diverse Bijbelboeken. maar weinig van die liederen zijn terecht gekomen in het boek der Psalmen. Psalm 18 lijkt dus een uitzondering te zijn. David zingt dat lied toen hij eindelijk van zijn vijanden was verlost, zelfs van de hand van Saul. Het lied is dan ook een danklied.
Nu is het gemakkelijk om een danklied te zingen als je bevrijd bent van leed en ellende. Het loopt niet met iedereen goed af maar als het met jou wel goed afloopt dan is een danklied op haar plaats. Steeds meer mensen vinden het echter zo oneerlijk worden om God te danken als het met hen wel goed is afgelopen en met anderen niet. Je bent toch niet beter dan een ander. Overlevenden van de Holocaust hebben het vaak moeilijk gehad de vraag te beantwoorden waarom zij overleefden en al die anderen, al die miljoenen anderen, het niet overleven mochten. Op die vraag is namelijk eigenlijk geen antwoord te geven. Bevrijding van ellende valt je soms toe, maar vaak ook niet. Het lied wordt daarom misschien beter te verteren als je bedenkt dat de dichter terugdenkt aan de tijd dat de ellende nog volop aanwezig was, de tijd voor de bevrijding. Dan kunnen zingen over de Liefde van God en de Liefde voor God is dan minder vanzelfsprekend.
De Psalm drukt dan uit dat ondanks alle ellende de Liefde van God, de God van Israël toch zal overwinnen. Niet dat die God direct buiten mensen om zal ingrijpen, dat doet die God meestal niet. Die God heeft een stel richtlijnen gegeven voor een menselijke samenleving. Als die richtlijnen gevolgd worden dan is ellende voor mensen verdwenen. Dan is er vrede, dan heerst gerechtigheid, dan komt ieder mens tot zijn of haar recht. Als je dus diep in de ellende zit kun je je daaraan vastklampen. Voor Christenen is daarbij Jezus van Nazareth het voorbeeld. Hij volgde de richtlijn van het “Gij zult niet doden” op toen hij weigerde een opstand te ontketenen tegen de Romeinse machthebbers en als gevolg daarvan werd gedood aan het kruis. Zijn liefde overwon toen zijn leerlingen ontdekten dat in elke liefde die liefde van God te herkennen is, dat die liefde geen dood brengt maar leven. Ze brachten dat onder woorden door over Jezus ook als over de zoon van David te spreken. Een zoon die keihard vast hield aan het geloof dat ondanks alle ellende de weg van de God van Israël, de weg van zijn Vader, redding en bevrijding zou brengen. Waar en wie we ook zijn, ook wij mogen vasthouden aan die Liefde, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Kies voor het leven

Deuteronomium 30:11-20
11 De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. 12  Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” 13  Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” 14  Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen. 15 Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. 16  Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door hem lief te hebben, door de weg te volgen die hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de HEER, uw God, u zegenen in het land dat u in bezit zult nemen. 17  Maar als u hem de rug toekeert en weigert te luisteren, als u zich ertoe laat verleiden neer te knielen voor andere goden en die te vereren, 18  dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Uw verblijf aan de overkant van de Jordaan, in het land dat u in bezit zult nemen, zal dan van korte duur zijn.
19  Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, 20  door de HEER, uw God, lief te hebben, hem te gehoorzamen en hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’ (NBV)

Wat is het geloof anders dan consequent kiezen voor de liefde, voor het leven dus. Niet voor de dood van het hebben van geld of goederen. Geld of goederen houden niet van jou, ze schenken niks terug, ze zorgen niet voor je, ze voeden je niet als je honger hebt, ze geven je niet te drinken als je dorst hebt en ze verzorgen je niet als je ziek bent. Je ware geliefde doet dat wel en elke dag is de dag om je liefde te verklaren. Niet met geld of goederen, want liefde is niet te koop, liefde is alleen te krijgen met liefde. En dan nog, het geven van echte liefde betekent dat je er niks voor terug wilt hebben. Dat de liefde ontvangen wordt is je genoeg. De glimlach in de ogen van iemand voor wie je iets goeds gedaan hebt is de rijkste beloning die je je kunt voorstellen. Moeilijk is het dus niet de wet van de liefde te houden, die wet is ook niet ver weg of ingewikkeld. Je hoeft er niet voor gestudeerd te hebben, ook levenservaring is niet nodig. Je hoeft alleen maar van jezelf te houden en te beseffen dat je maar één keuze hebt, de keus tussen leven en dood, kies dus het leven zegt het Bijbelverhaal van vandaag.
Dat hele verhaal gaat over het leven, het leven dat voortkomt uit de liefde en dat met geen mogelijkheid van die liefde vandaan te krijgen is. Zelfs de dood betekent niet het einde van de liefde voor jou, maar ook niet het einde van jouw liefde voor hen die je liefhebt. Die liefde blijft altijd bestaan, daarin schuilt het geheim van het eeuwige leven. Zonder liefde gaat alles dood, zonder liefde blijft er niks over, zonder liefde gaat zelfs alles stuk waaraan je waarde hecht. Kies dus vandaag voor het leven en laat hen die je liefhebt weten hoeveel je wel niet van ze houdt. Het verhaal van vandaag stelt je niet voor een vrijblijvende keuze. Het zijn twee wegen die elkaar niet kruisen. Het is niet van nu doe ik gewoon mijn eigen zin en straks zien we wel weer. Het is tot nu toe ging ik een weg van leegheid die uitloopt op de dood, alleen ik telde en al die anderen niet. Uiteindelijk sterf ik van angst. Angst voor mijn baan, angst voor een echtscheiding, angst voor de vreemdelingen in mijn buurt, angst voor al die vreemde landen die over mij willen meepraten, angst voor die andere manieren van geloven in de God, manieren die mij misschien wel met geweld worden opgelegd.
De Bijbel roept op heel veel plaatsen niet bang te zijn. Het is het hart van het Kerstverhaal als de engelen naar de herders roepen “Wees niet bang” En als je de weg van het leven volgt dan ben je niet meer bang, dan durf je te delen van wat je hebt zodat geld weer gaat circuleren in de economie en er voor iedereen werk is, dan durf je ook de ander een plaats te geven in je huwelijk zodat liefde je samen sterker maakt, dan eet je samen met de vreemdelingen in je buurt zodat je de buurt samen vorm geeft en samen de problemen op kan lossen, dan spreek je ook andere landen aan op hun zorg voor de armen en de vreemdelingen, dan leer je de overeenkomsten in andere manieren van geloven in een God die je oproept tot vrede en gerechtigheid. Het is niet zo moeilijk zegt het boek Deuteronomium, je kunt er zomaar mee beginnen, vandaag is daar een goede dag voor.

Hij zal er weer vreugde in vinden

Deuteronomium 30:1-10
1  Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt 2  en samen met uw kinderen naar de HEER, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen-daartoe heb ik u vandaag aangespoord-, 3  dan zal de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen. 4  Zelfs al zijn sommigen verbannen naar het eind van de wereld, de HEER, uw God, zal u terughalen en weer bij elkaar brengen. 5  Hij zal u terugbrengen naar het land dat uw voorouders ooit bezaten en het u weer in bezit geven. Hij zal u meer nog dan uw voorouders zegenen en in aantal doen toenemen. 6  De HEER, uw God, zal uw hart besnijden en ook dat van uw nakomelingen, zodat u hem weer met hart en ziel zult liefhebben en in leven zult blijven. 7  De vervloekingen zal hij bestemmen voor uw vijanden en voor iedereen die op uw ondergang uit was. 8  En u zult de HEER weer gehoorzaam zijn en al zijn geboden, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, in acht nemen. 9  De HEER, uw God, zal u voorspoed geven in alles wat u onderneemt, u kinderrijk maken en uw vee en uw land vruchtbaar maken. Hij zal er weer vreugde in vinden om u te zegenen, zoals voorheen bij uw voorouders. 10  Want u toont de HEER, uw God, dan uw gehoorzaamheid door de geboden en bepalingen in dit wetboek in acht te nemen, en u wilt hem weer met hart en ziel toebehoren. (NBV)
Mooi is dat, zo aan het eind van de week. Als je alle ellende hebt gehad komt alles weer goed is de belofte uit de lezing van vandaag. Waar zou je je nog druk om maken? Waarom al die moeite doen van je naaste te houden als van jezelf? Waarom steeds vragen om recht en gerechtigheid? Waarom aandacht schenken aan de armen, de vreemdelingen, de weduwen en de wees? Waarom al die moeite doen als je weet dat het je voortdurend niet helemaal zal lukken en alles uiteindelijk toch goed zal komen? Nou, er zijn wel een paar redenen. Dat alles goed komt ondanks de ellende die we zelf veroorzaken maken we niet meer mee. Natuurlijk breken de mensen uiteindelijk de plutoniumfabrieken af, in plaats van er nieuwe bij te bouwen. Omdat plutonium zo giftig is en de opslag zo veel kost op de lange duur dat het niet op te brengen is. Maar voor het zover is zitten wij wel met de huidige plutoniumproductie.
Het mag dan wel leuk lijken dat er veel warmte vrij komt bij de productie van plutonium en dat je daarmee stoom kunt maken om stoomturbines aan te drijven die elektriciteit  maken, met een heel verkeerd woord noemen ze die fabrieken “kermcentrales”, maar de kosten van zo’n fabriek en de producten zijn vele malen hoger dan de winst aan energie die je krijgt. Zoals het met plutonium is zo is het met veel zaken. Of je nu zegt dat Nederland vol is en je vreemdelingen weert, zodat onze kinderen geen pensioen meer kunnen krijgen, of dat we allemaal in auto’s moeten rijden, zodat Nederland geasfalteerd gaat worden en we geen ruimte voor gras, bomen en koeien overhouden en de producten van de fabrieken niet meer vervoerd kunnen worden door de files, bij al die zaken waarvan we weten dat die wel gemakkelijk en aantrekkelijk klinken maar uiteindelijk verkeerd zijn snijden we onszelf in de vingers.
Dat het dus allemaal goed komt geeft hoop en troost als we weer eens fouten maken, maar we kunnen het beter gelijk goed doen en ons ook de komende week houden aan de wetten van recht en gerechtigheid en liefde uitstralen waar we kunnen en zorgen dat iedereen met onze samenleving kan meedoen. Want uiteindelijk komt het met de wereld pas goed als we allemaal door hebben dat winst en profijt niet maatgevend zijn maar wat er met mens en dier gebeurd. Het deel dat  we vandaag uit Deuteronomium hebben gelezen vertelt het volk over het einde van de ballingschap. Over de dagen dat God zelf zijn Tora in de harten van de mensen heeft gesneden. Want die Tora is het begin van de geschiedenis van mensen die een goede aarde nastreven en die geschiedenis kan elke dag opnieuw beginnen, van die geschiedenis kunnen we elke dag opnieuw deel uit gaan maken, wie we ook zijn en waar we ook vandaag komen zegt de tekst, al is het van de uiteinden van de aarde. Dan zorgt de Tora van God, dan zorgt God zelf dat er voor iedereen op aarde genoeg is om te eten, genoeg om gezond te blijven, dan heerst overal vrede en wil God zelf zijn tenten op deze aarde spannen. Doe mee dus, begin vandaag het goede te doen en niet dan het goede.

Gruwelijke afgodsbeelden

Deuteronomium 29:15-28
15 U herinnert u de tijd dat we in Egypte woonden en hoe we daarna door het gebied van andere volken trokken. 16 U hebt toen kennisgemaakt met de gruwelijke afgodsbeelden van hout, steen, zilver en goud die zij erop na hielden. 17 Mogelijk is er hier een man of vrouw, of zelfs een familie of stam, die op dit moment liever de HEER, onze God, zou willen  verlaten om de goden van die volken te gaan vereren; mogelijk sluimert er zo’n giftige kiem in ons midden. 18 Mocht zo iemand bij het horen van de vervloekingen menen: Als ik mijn eigen koppige hart volg zal het me evengoed voor de wind gaan, en zichzelf daarmee geruststellen, dan zet hij alles wat hij is en heeft op het spel. 19 Want de HEER zal het hem niet willen vergeven; de HEER zal zijn gekrenkte liefde wreken en al zijn woede tegen hem laten losbarsten. Alle vervloekingen die in dit boek beschreven zijn zullen hem treffen, en de HEER zal ervoor zorgen dat niets op aarde nog aan hem herinnert. 20 De HEER zal hem afzonderen van de stammen van Israël en hem voor het ongeluk bestemmen overeenkomstig de vervloekingen van het verbond dat in dit wetboek is opgetekend. 21 Dan zal de vraag rijzen bij de komende generaties, zowel uw eigen nakomelingen als buitenlanders uit verre streken, wanneer ze zien hoe uw land te lijden heeft en met welke plagen de HEER het heeft getroffen 22 heel de bodem door zwavel en zout vergiftigd, zodat zaaien geen zin meer heeft en er helemaal niets meer wil groeien, net zoals toen de HEER in zijn grote woede Sodom en Gomorra, Adma en Seboïm weggevaagd had-, 23 bij ieder volk rijst dan de vraag: “Waarom behandelt de HEER dit land zo? Waarom is zijn toorn zo hevig opgelaaid?” 24 Dit zal het antwoord zijn: “Zij hebben het verbond geschonden dat de HEER, de God van hun voorouders, met hen sloot toen hij hen wegleidde uit Egypte; 25 ze zijn andere goden gaan vereren en hebben neergeknield voor goden die ze nog niet kenden en die de HEER niet voor hen had bestemd. 26 Dat is de reden waarom de HEER in woede tegen dit land is uitgebarsten en alle vervloekingen die in dit boek beschreven staan over hen heeft uitgestort. 27 Zo kwaad, zo woedend, zo razend was de HEER dat hij hen van hun eigen grond heeft gerukt en naar een ander land heeft weggeslingerd. Zover is het nu gekomen.” 28 Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe; wat openbaar is, komt ons toe. Wij en onze kinderen dienen ons altijd te richten naar alle bepalingen van deze wet. (NBV)
Je bent uit de slavernij bevrijd, je hoeft niet meer de goden van anderen na te lopen, je hoeft niet meer de meningen van anderen uit te dragen en dan ga je toch dat soort gruwelijke afgodsbeelden nalopen. Het moet je ingepeperd worden dat dat alleen maar ellende kan brengen. Het verhaal van Deuteronomium laat zien dat het in de Bijbel niet gaat om een geschiedenis van het verleden, maar dat het gaat om onze eigen geschiedenis in het heden. Welke keuzes maken wij? We hebben voorbeelden. Ook onze ouders en grootouders maakten keuzes. Die keuzes worden ons weer voorgehouden als we herdenken. Binnenkort herdenken we de Tweede Wereldoorlog, die jaar met extra aandacht. Ook toen maakten mensen keuzes, voor of tegen de Nazi’s, of ze maakten de keuze voor onverschilligheid. Toen na de Tweede Wereldoorlog doordrong wat voor ontzettend verschrikkelijks zich had afgespeeld werd die keuze voor onverschilligheid als fout aangemerkt. Als er mensen uit je omgeving vermoord worden dan moet je toch niet stil blijven zitten, doorgaan met je leven alsof er niks gebeurd en niks gebeurd is.
Deuteronomium noemt dat een giftige kiem in ons midden. De afgod van rust, reinheid en regelmaat. De Egyptenaren hadden die afgod in de Nijl. Het waterpeil van de Nijl steeg en de Nijl trad buiten haar oevers om het land er om heen te bevloeien. Dan zakte het peil van het water weer en konden op de vruchtbaar geworden akkers de producten verbouwd worden die het volk in leven hielden. Dat stijgen en dalen van het waterpeil ging gelijk op met de stand van de sterren. Volgens de Egyptenaren hielden die twee verband met elkaar en werden ze bestuurd door hun goden. Die goden waren in hout, in steen, in goud en zilver weergegeven en werden aanbeden. Die goden moesten met offers tevreden worden gesteld. Iedere keer als we bang zijn onze welvaart te verliezen lopen we ook zulke goden achterna. Alles moet bij hetzelfde blijven, vroeger was alles beter. Het volk Israël was bevrijd van een wrede slavernij, maar als het in de woestijn even tegenzat dan wilde een deel van het volk weer terug naar de vleespotten van Egypte, dan wilden ze de Euro weer inruilen voor de gulden.
In de woestijn was het volk echter tot de ontdekking gekomen dat niet de stand van de sterren of een hemel vol zelfgemaakte goeden voedstel en welvaart bracht maar een God die ook met je meetrok door de woestijn en eigenlijk maar één ding van je vroeg: zorg voor de minsten. Ben je niet bereid de opbrengst van je vruchtbare akkers te delen dan wordt er ook met jou niet gedeeld als je oogst tegenvalt, als de akkers door zwavel en zout vergiftigd worden. Dat delen je rijker maakt is niet vanzelfsprekend. Telkens weer houden de Heidenen ons voor dat je niet moet delen. Dat je de grenzen moet sluiten voor vreemdelingen, dat je niet moet delen met de hongerenden in de wereld, dat je eigen volk op de eerste plaats gesteld moet worden. Dat terwijl de Thora, het verhaal van de God van Israël je een andere kant op probeert te krijgen. Delen staat voorop, als er geen arme landen zouden zijn zou niemand voor honger vluchten, als er overal vrede en gerechtigheid zou zijn zou er niemand voor oorlog en onrecht hoeven te vluchten. Ook in onze dagen gelden de principes die Israël in de woestijn en tijdens de ballingschap in Babel hadden ontdekt. Ook wij moeten gewoon elke dag opnieuw beginnen met vrede brengen, de hongerigen voeden en de naakten kleden. Ons land is daarbij de hele bewoonde wereld, ook vandaag weer.

Opdat u slaagt in alles wat u doet

Deuteronomium 29:1-14
1 Mozes riep het hele volk van Israël bijeen en sprak het als volgt toe: ‘U hebt in Egypte met eigen ogen gezien wat de HEER allemaal heeft gedaan met de farao en zijn onderdanen, met heel zijn land. 2 U was getuige van zijn grootse daden en tekenen en wonderen, 3 maar pas vandaag heeft de HEER u werkelijk inzicht gegeven, u de ogen en oren geopend. 4 Veertig jaar lang heeft hij u door de woestijn geleid en in al die tijd raakten uw kleren en uw sandalen niet versleten, 5 en had u geen brood en geen wijn of andere drank nodig. Dat moest u ervan doordringen dat hij, de HEER, uw God is. 6 Toen wij vervolgens hier aankwamen, trokken koning Sichon van Chesbon en koning Og van Basan tegen ons ten strijde. Maar wij versloegen hen 7 en namen hun land in bezit; dat hele gebied werd aan de stammen Ruben en Gad en aan de helft van de stam Manasse toegewezen. 8 Houd u daarom aan de regels van dit verbond, opdat u slaagt in alles wat u doet. 9 Hier bent u allen nu bijeen, ten overstaan van de HEER, uw God: de stamhoofden, de oudsten, de schrijvers, alle mannen, 10 vrouwen en kinderen van Israël, en alle vreemdelingen die als houthakker of waterputter in het kamp werken 11 bijeen om toe te treden tot het verbond dat de HEER, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden. 12 Zo wil hij u vandaag tot zijn volk maken, en dan zal hij uw God zijn, zoals hij u heeft beloofd en zoals hij ook uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd. 13 Niet alleen met u, die hier nu ten overstaan van de HEER, onze God, bijeen bent, sluit ik dit verbond, 14 maar ook met degenen die er nu nog niet bij zijn. (NBV)
Het aardige van die Bijbelverhalen is dat ze altijd doen of de geschiedenis niet vorig jaar, of in vorige generaties was, maar gisteren. De Joden zijn dat altijd zo blijven beleven. Op de avond van de herdenking van de uittocht uit Egypte klinkt nog steeds de vraag “Waarom is deze avond anders dan de andere” en het antwoordt: “Wij waren slaven in Egypte”. Ook wij mogen meetrekken met het volk, uit het slavenhuis, door de woestijn, op naar het beloofde land. Mits we ons maar houden aan de grondhouding die voor alle volken is neergezet: heb Uw naaste lief als Uzelf. Daarmee zijn de verhalen uit de Bijbel ineens geen oude troep meer maar actuele werkelijkheid. Als we wat willen ondernemen zullen we eerst terug moeten naar het hart van de werkelijkheid, hebben de armen er wat aan, worden de verdrukten bevrijdt, gaan de vreemdelingen onder ons meetellen.
Bij de volksvergadering waar Mozes volgens dit verhaal de vermaningen en spelregels voor het nieuwe land, de menselijke samenleving, nog eens uiteenzet zijn de vreemdelingen uitdrukkelijk aanwezig. Heel lang is er in de kerken niet gesproken over de vreemdelingen onder ons. Vreemdelingen woonden in vreemde landen, daar moest je naar toe om te vertellen over het verhaal van Jezus. Af en toe kwamen er mensen terug die dat hadden gedaan en die vertelden dat die vreemde mensen in die vreemde landen ook hulp nodig hadden, hulp voor een eigen schooltje, een eigen ziekenhuis, een eigen akker die net zo vruchtbaar zou worden als onze akkers. Als die verhalen wat al te enthousiast werden, over goud en vruchtbare landstreken dan stuurden we er soldaten heen om er ook ons bestuur en onze handel heen te brengen. Het liefst maakten we de mensen wijs dat de manier waarop wij samenleven, ieder voor zich, de beste manier was en dat zij hun stamverbanden en dorpsgemeenschappen moeten opgeven om net als ons te worden, dromend van rijkdom die onbereikbaar werd.
We zijn echter vergeten dat het verhaal in de Bijbel ook gaat over vreemdelingen die onder ons wonen, die bij ons horen, die net zo goed mogen en moeten meedoen in het verhaal van een rechtvaardige samenleving. Werkgevers die discrimineren op achternaam horen in zo’n samenleving hun bedrijf te verliezen, zij zijn een gevaar voor onze samenleving. Maar dat gebeurt niet, ook de vreemdelingen die onder ons wonen moeten net zo worden als wij, dromend van rijkdom die onbereikbaar is, ieder voor zich levend. Een samenleving waar de een zorgt voor de ander hebben we nog niet, bezit is belangrijker dan vrede en recht, maar zover moet het wel komen. Vakbonden, medezeggenschapsraden, UWV’s, gemeenten, sociale diensten, welzijnsorganisaties, allen moeten ze er mee aan de slag. We zullen moeten zorgen dat iedereen mee mag doen, dat iedereen er op mag rekenen in onze samenleving tot zijn of haar recht te komen, Niemand mag aan de kant gezet worden, opdat we slagen in alles wat we doen.

Zwijgen moeten de leugenaars

Psalm 31:15-25
15 Maar ik vertrouw op u, HEER, ik zeg: U bent mijn God, 16 in uw hand liggen mijn lot en mijn leven, bevrijd mij uit de greep van mijn vijanden en vervolgers. 17 Laat het licht van uw gelaat over mij schijnen, toon uw trouw en red uw dienaar. 18 HEER, u roep ik aan, maak mij niet te schande, laat de goddelozen te schande staan en verstommen in het dodenrijk. 19 Zwijgen moeten de leugenaars, die hoogmoedig en vol verachting rechtvaardige mensen beschuldigen. 20 Hoe groot is het geluk dat u hebt weggelegd voor wie u vrezen, dat u bereid hebt voor wie schuilen bij u, heel de wereld zal het zien. 21 U verbergt hen in de beschutting van uw gelaat voor de lagen en listen van mensen, uw tent biedt hun een schuilplaats voor de laster van kwade tongen. 22 Geprezen zij de HEER om zijn trouw, hij heeft een wonder voor mij verricht, hij ontzette mij als een belegerde stad. 23 In mijn angst had ik gezegd: ‘Ik ben verbannen uit uw ogen, ‘maar u hebt mijn smeekbede gehoord toen ik u om hulp riep. 24 Getrouwen van de HEER, heb hem lief. De HEER behoedt de standvastigen, voorgoed rekent hij af met de hoogmoedigen. 25 Allen die uw hoop vestigt op de HEER: wees sterk en houd moed. (NBV)
De Psalmdichter legt zijn lot en zijn leven in de handen van God. Gooit die dichter nu zijn eigen problemen over de schutting van God. Dat zou gemakkelijk zijn. Maar voor je het weet geef je God de schuld van je problemen omdat er niks veranderd als je je  zelf niet in het geding brengt maar God jouw problemen maar laat oplossen. Het kan niet anders dan dat de Psalmdichter zich wel aan de grondregel van heb Uw naaste lief als Uzelf wil houden, dus wil handelen in de Geest van God.
Die Geest zal veel later de Trooster worden genoemd. In het Oude Testament wordt over die Geest gesproken als over de adem van God, met de adem van God kun je spreken, kun je zingen. Maar die adem van God bevat ook het leven, met die adem werd de mens het leven gegeven en door te delen geef je met die adem ook anderen het leven. En wat er eigenlijk staat dat als je werkelijk onbaatzuchtig voor recht en gerechtigheid op komt, de Weg wil gaan die de God van Israël heeft gewezen in zijn verbond met zijn volk, dan kan niets of niemand je eigenlijk iets maken.
Dat het geluk van de minsten ook jou gelukkig maakt is te zien. Dat het samen opkomen tegen hen die willen uitbuiten en onderdrukken je samen ook sterk maakt is te zien. Het voorbeeld en de richting krijg je gratis en voor niets van de God van Israël. Dat is dag en nacht ter beschikking. Daar kun je op bouwen, daar getuigt de hele Bijbel van. Daarom mag je sterk zijn en moet houden. Daar zingt deze psalm van en zo zingen we ook vandaag, in de dagen van voedselcrisis en financiële crisis, deze Psalm mee.

Bevrijdt mij en doe mij recht

Psalm 31:1-14
1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Bij u, HEER, schuil ik, maak mij nooit te schande. Bevrijd mij en doe mij recht, 3 hoor mij, haast u mij te helpen, wees voor mij een rots, een toevlucht, een vesting die mij redding biedt. 4 U bent mijn rots, mijn vesting, u zult mijn gids zijn, mij leiden, tot eer van uw naam, 5 mij losmaken uit het net dat voor mij is gespannen, u bent mijn toevlucht. 6 In uw hand leg ik mijn leven, HEER, trouwe God, u verlost mij. 7 Wie armzalige goden vereren-ik haat ze, ík vertrouw op de HEER. 8 Ik zal mij verblijden, juichen over uw trouw, want u ziet mijn ellende, u kent de nood van mijn ziel, 9 u laat niet toe dat de vijand mij insluit, u geeft mijn voeten de ruimte. 10 Heb erbarmen, HEER, want ik verkeer in nood, mijn ogen zijn gezwollen van verdriet, mijn ziel en mijn lichaam verkwijnen, 11 mijn leven verloopt in ellende, zuchtend slijt ik mijn dagen, door eigen schuld slinken mijn krachten, tot op mijn botten teer ik weg. 12 Bij allen die mij belagen wek ik de lachlust, bij mijn buren nog het meest. Wie mij kennen zijn verbijsterd, wie mij zien aankomen op straat wenden zich af en ontvluchten mij. 13 Vergeten ben ik als een dode, weg uit het hart, afgedankt als gebroken aardewerk. 14 Ik hoor de mensen over mij fluisteren, van alle kanten dreigt gevaar. Ze steken de hoofden bijeen en smeden plannen om mij te doden.(NBV)
Kort en krachtig vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling in het begin van deze Psalm de noodroep van de Psalmdichter: “Bevrijdt mij en doe mij recht”. Ook in deze Psalm wordt de tegenstelling geschetst tussen de gelovigen en de ongelovigen. Met de gelovigen gaat het dan altijd slecht. Zij zijn de onderliggende partij en hebben God maar al te hard nodig om hen te helpen. De ongelovigen die lijken het goed voor elkaar te hebben. Zij hebben goden met eigen handen gemaakt, beelden van goud en zilver, en lachen die arme gelovigen uit, die hebben nog niet eens een beeld om trots op te zijn. Zij zijn het ook die onrecht doen, die anderen niet tot hun recht laten komen maar integendeel: zelfs van de arme weten ze nog te stelen.
Zo ouderwets is zo’n Psalm dus helemaal nog niet. De tegenstelling tussen de werklozen, die soms voor de derde of vierde maal in hun leven werkloos geworden zijn, en de leden van raden van bestuur en raden van commissarisen is groot. Hadden de werklozen maar een bescheiden loon en hebben ze nu een nog lagere uitkering, de leden van de raden van bestuur hadden vorstelijke salarissen en kregen bij ontslag ontzagwekkende bonussen mee. De leden van de raden van commissarissen hadden het nog beter, zij kregen voor een luttel arbeid al vorstelijke salarissen en stappen van het ene bedrijf naar het andere tegen beloningen waar de gewone arbeider alleen van kan dromen.
Het is die tegenstelling die de Psalmdichter op het oog heeft. Daar waar er zoveel armen zijn kunnen immers nooit zo buitensporig rijke rijken zijn, een gelovige heeft immers te delen met de armen. De Psalmdichter heeft het niet voor niets over het hart van het heiligdom, daar waar de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf wordt bewaard. Maar je hebt de steun van de God van die Wet voortdurend nodig, want altijd weer opnieuw zijn er mensen die misbruik maken van de voorspoed die God aan de mensen schenkt. Altijd weer zijn er mensen die niet willen delen maar alles wat ze krijgen zelf houden en gebruiken om er nog rijker mee te worden.

Tot er niemand meer over is

Deuteronomium 28:45-57
45  Al deze vervloekingen zullen u treffen en u achtervolgen tot er niemand meer over is, omdat u de HEER, uw God, ongehoorzaam bent geweest en de geboden en wetten die hij u voorhield niet hebt nageleefd. 46  Door de ellende getekend zult u met uw nageslacht voor altijd een afschrikwekkend voorbeeld zijn. 47  Omdat u de HEER, uw God, niet met vreugde hebt gediend, blij met alles wat u bezat, 48  zult u de vijand die de HEER op u afstuurt moeten dienen, en dat zal gepaard gaan met honger en dorst, met een tekort aan kleding, met gebrek aan alles. U krijgt een loodzwaar juk opgelegd, tot er niemand meer over is. 49  Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De HEER stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt 50  en meedogenloos optreedt, zonder uw oude mensen te ontzien en uw kinderen te sparen. 51  Ze verslinden alles wat uw vee en uw land voortbrengen, tot u niets meer over hebt. U zult van uw koren, wijn en olie niets overhouden, en geen enkel jong van uw runderen, schapen en geiten; zo zullen ze u te gronde richten. 52  Ze belegeren alle steden in het land dat de HEER, uw God, u heeft gegeven, totdat de hoge, versterkte muren waar u zo op vertrouwt, allemaal gevallen zijn. De nood in die steden zal zo hoog stijgen 53  dat u de zonen en dochters die u van de HEER, uw God, hebt gekregen, zult eten-uw eigen vlees en bloed; tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven. 54  De gevoeligste, zachtaardigste man zal zijn eigen broer of de vrouw die hij bemint of de kinderen die hem resten 55  nog geen stukje vlees van zijn kinderen gunnen, maar ze helemaal alleen opeten, omdat hij niets anders heeft; tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven. 56  En ook de gevoeligste, zachtaardigste vrouw, een vrouw zo verfijnd dat ze nooit een voet op de grond heeft hoeven zetten, zal de man die ze bemint en haar eigen zoon en dochter 57  nog geen stukje gunnen van het kind dat ze baart en van de nageboorte die haar lichaam verlaat, maar in het geheim alles zelf opeten; zo’n gebrek zal er in uw steden zijn, tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven. (NBV)
We weten natuurlijk dat het boek Deuteronomium op het punt in de geschiedenis geplaatst is vlak voordat het volk van Israël uit de woestijn het beloofde land binnentrok. Dat land kregen ze omdat ze in de woestijn dat verbond hadden gesloten, zij zouden zich aan de leer van Mozes houden en ze zouden dat land, overvloeiende van melk en honing, krijgen. Kijk in het begin gaat zoiets nog wel, zeven keer rond Jericho lopen en dan storten de muren in, dat is een mooie manier om een nieuw land te veroveren. Maar bij de eerste de beste keer dat ze moeten vechten gaat er al iemand met een deel van de gouden buit vandoor. En als het land eenmaal verdeeld is krijgen we het boek Rechters, daar hebben we al eens uit gelezen, voortdurend wordt daar verteld dat iedereen maar deed wat goed was in eigen ogen en dat het volk vreemde goden achterna liep. Later kregen ze Koningen maar na een paar generaties Koningen was het zover dat de Tempel met de Wet, het brood en het altaar, verwaarloosd was. Toen Koning Josia het weer liet opknappen vonden ze in een muur ingemetseld een wetboek.
Al die wetjes en regeltjes van de eerste vijf boeken van Mozes waren vergeten. Toen ze eeuwen later uit het land Israël naar Babel waren weggevoerd en daar weer als slaven moeten werken keken ze elkaar aan en zeiden tegen elkaar: “hoe stom konden we zijn dat we alles weggegooid hebben”. Je vindt de sporen van die geschiedenis in dit Bijbelgedeelte terug. Achteraf kun je je wel voor je kop slaan voor dat onrechtvaardig zijn. De vreemdelingen en de armen niet helpen. Nederlandse consumenten blijven achter met de bestedingen en dat remt de ontwikkeling van de economie. We zullen ook  meer vreemdelingen moeten opnemen in ons land om de pensioenen en de zorg betaalbaar te houden. We weten wel hoe het zal moeten maar het lijkt er op dat ook wij ons voor de kop zullen slaan als de werkloosheid weer toe neemt en als bejaarden op straat komen te zwerven omdat de zorg niet meer betaalbaar is. Want zorgen voor goede uitkeringen, sociale zekerheid zodat je weer durft besteden, en het gastvrij opnemen van vreemdelingen is er voorlopig niet bij, of we moeten ons heel vlug bekeren en een andere politiek gaan voeren. Misschien dat we er zelf voor moeten zorgen, volgend jaar zijn er verkiezingen, maar de keuze voor een rijk van rechtvaardigheid is er niet echt mogelijk.
Die zogenaamde wetten die we in Deuteronomium lezen worden te vaak met Heidense ogen gelezen. Je moet je er aan houden klinkt het dan en mensen kunnen zich nu eenmaal niet aan alle regels houden en alle regels zijn nu eenmaal niet altijd even rechtvaardig. Het is toch niet rechtvaardig dat hardwerkende mensen die een goed inkomen hebben dat inkomen moeten delen met mensen die helemaal niet werken  maar toch een inkomen moeten hebben. Het is toch niet rechtvaardig dat als je eenmaal rijk geworden bent, als jij er niet hard voor gewerkt hebt dan in elk geval je ouders of familie, dat je dan je verworven kapitaal in moet zetten om boeven in gevangenissen te eten te geven of zwervers op te vangen als het buiten vriest. De Bijbelse wetten zijn geen wetten om je aan te houden. Als we ons aan wetten moeten houden verandert er niks, dan leggen we de samenleving vast, dan zijn de armen altijd bij ons. De Bijbelse wetten zijn er om de samenleving te veranderen, die wetten moeten vervuld worden, die wetten moeten ons in beweging zetten. Dan moeten we zorgen dat mensen zonder werk weer werk krijgen en hebben we daar alles voor over. Dan worden zwervers geholpen en boeven weer op het rechte spoor geholpen, ja iedereen die dreigt te ontsporen wordt opgenomen en weer op het rechte spoor vast gehouden. De Bijbel zingt over die samenleving uitbundig, lammen huppelen, blinden zien, de doden gaan zelfs weer leven. We mogen er elke dag opnieuw weer mee beginnen, ook vandaag weer.