Wat denkt die onbesneden Filistijn wel.

1 Samuel 17:12-30

12 David was een zoon van Isaï uit Betlehem, dat in de streek Efrata in Juda ligt. Deze Isaï had acht zonen. Hijzelf was in de tijd van Saul al te oud om nog onder de wapenen te gaan, 13 maar zijn drie oudste zonen trokken met Saul ten strijde. De oudste heette Eliab, de tweede Abinadab en de derde Samma. 14 David was de jongste. Zijn drie oudste broers waren met Saul ten strijde getrokken, 15 en hij ging heen en weer tussen het kamp van Saul en Betlehem, waar hij de kudde van zijn vader hoedde. 16 Ondertussen trad de Filistijn elke ochtend en elke avond naar voren, veertig dagen lang, en bleef dan staan wachten. 17 Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: ‘Hier heb je een zak geroosterd graan en tien broden. Breng die snel naar je broers in het legerkamp. 18 En deze tien kazen moet je aan hun bevelhebber geven. Vraag je broers hoe het met ze gaat en neem een levensteken van hen mee terug.’ 19 Saul was met de soldaten van Israël, onder wie Davids broers, nog steeds gelegerd in de Terebintenvallei, tegenover de Filistijnen. 20 De volgende ochtend vroeg ging David met de proviand op weg, zoals Isaï hem had opgedragen. Zijn kudde liet hij achter onder de hoede van iemand anders. Hij kwam juist bij het wagenkamp aan toen het leger onder het aanheffen van strijdkreten de linies betrok. 21 De Israëlieten en de Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover elkaar op. 22 David gaf zijn spullen af aan de foerier en haastte zich naar de gevechtslinie. Daar vond hij zijn broers en hij vroeg hun hoe het met ze ging. 23 Terwijl hij met ze aan het praten was, trad uit de Filistijnse gelederen de kampvechter naar voren, Goliat uit Gat, en David hoorde hem de Israëlieten uitdagen zoals hij dat elke dag deed. 24 Bij het zien van Goliat renden de Israëlieten angstig weg. 25 ‘Zien jullie die man daar?’ zeiden ze tegen elkaar. ‘Israël vernederen, daar is het hem om te doen! Wie hem verslaat, zal door de koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van schatting en herendienst.’ 26 David vroeg aan de soldaten die in zijn buurt stonden: ‘Wat gebeurt er met degene die die Filistijn daar verslaat en Israël van deze schande bevrijdt? Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen!’ 27 De soldaten herhaalden tegen hem wat ze zojuist gezegd hadden. 28 Toen Davids oudste broer Eliab hem met de soldaten hoorde praten, viel hij woedend uit: ‘Wat doe je hier eigenlijk? Hoor jij niet in de woestijn op je schapen te passen? Echt iets voor jou, om met je brutale neus vooraan te willen staan als er gevochten gaat worden.’ 29 ‘Wat doe ik nu weer verkeerd?’ antwoordde David. ‘Ik vraag het toch alleen maar!’ 30 Hij draaide zijn broer de rug toe en legde zijn vraag nog aan anderen voor, en kreeg weer hetzelfde antwoord. (NBV)

De Bijbel heeft soms de neiging om verhalen meerdere keren opnieuw te beginnen. Het verhaal dat we vandaag lezen over de komst van een achtste zoon van Isaï hebben we eerder ook al gelezen. En wie het verhaal van Samuël dat we hier lezen van dag tot dag volgt weet dat deze David de herder door Samuël temidden van zijn broers is gezalfd tot koning over Israël. Maar de Bijbel is geen geschiedenisboek en geeft ook geen journalistieke verslagen van historische gebeurtenissen. De Bijbel vertelt ons hoe de God van Israël wil dat onze wereld er uit ziet en hoe wij mensen met elkaar en met die God zouden moeten omgaan. De God van Israël wil een wereld waar het paradijselijk is voor mensen om te leven en dat wij in liefde met elkaar omgaan. De Bijbel is uiteindelijk samengesteld na de ballingschap en dat is in het verhaal van vandaag eigenlijk ook terug te lezen.

In het verhaal dat we vandaag lezen worden ons twee mensen voorgesteld. Twee mensen die elkaars tegenbeeld zijn. Koning Saul belooft bijna zijn halve koninkrijk en zijn dochter aan de man die deze reus kan verslaan. David, die niet aan het hof is zoals eerder verteld is maar nog gewoon de schapen hoedt en boodschappen doet voor zijn vader. Dat hij al eerder is voorgesteld is in het verhaal van vandaag niet te merken . Zeven zonen waren eigenlijk al genoeg voor een gezin als dat van Isaï maar er kwam er nog een achteraan. Een jong ventje was het toen zijn oudste drie broers dienden in het leger van koning Saul. Hij was dus herder in de velden bij Bethlehem. In het onherbergzame gebied waar je geen graan kon telen maar waar schapen nog genoeg voedsel vonden om een winstgevende kudde te vormen.

David is de zorgzame. Hij zorgt voor zijn kudde en hem wordt de zorg voor zijn broers toevertrouwd. De oude vader Isaï wil weten hoe het met zijn soldatenzoons gaat. David draagt dus de zorg voor de kudde over aan een ander, neemt graan en kazen mee en gaat naar zijn broers. De kazen zijn voor de generaal en het graan voor de broers. David is dus geen krijgsman in dit verhaal. Goliat en David komen tegenover elkaar te staan. Goliat vol van grootspraak, David vol van nieuwsgierigheid. Wie is die onbesnedene die ongestrafd het volk van de God van Israël kan beledigen? Beiden hebben één ding niet dat de beide legers wel hebben. Dat is angst. En wij mogen leren dat angst ook voor een grote reus met de bepantsering van een Griekse onoverwinnelijke soldaat niet nodig is. .Ook vandaag niet. We mogen gewoon alle vragen stellen. Als wij weten te zorgen voor onze naasten is zorg nergens voor nodig, toen niet en nooit niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *