Voortaan zal hij mij dienen.

1 Samuel 27:1-28:2
1 Vandaag of morgen val ik natuurlijk toch in handen van Saul, dacht David bij zichzelf. Ik kan me dus maar beter in veiligheid brengen in het land van de Filistijnen. Dan zal Saul het opgeven om mij door heel Israël te achtervolgen en kan ik aan hem ontkomen. 2  Daarom vertrok hij met de zeshonderd man die bij hem waren naar de koning van Gat, Achis, de zoon van Maoch, 3  waar hij en zijn mannen met hun gezinnen hun toevlucht namen. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de weduwe van Nabal uit Karmel. 4  Toen Saul hoorde dat David naar Gat was gevlucht, gaf hij de achtervolging op. 5  David had aan Achis gevraagd: ‘Heer, wees zo goed mij een van de stadjes op het platteland ter beschikking te stellen om in te wonen. Wie ben ik, dat ik bij u in de koningsstad zou wonen?’ 6  Achis wees David Siklag toe, en zo komt het dat Siklag tot op de dag van vandaag aan de koningen van Juda behoort. 7  In de tijd dat David en zijn mannen op Filistijns grondgebied woonden, een jaar en vier maanden om precies te zijn, 8 trokken ze er geregeld op uit om de stammen te overvallen die woonden in het gebied van Telam tot aan Sur, waar Egypte begint: nu eens de Gesurieten, dan weer de Girzieten of de Amalekieten. 9  Wanneer David daar ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven en nam alles mee: schapen, geiten, runderen en kamelen, en dekens en kleren. Als hij dan weer bij Achis kwam 10  en die hem vroeg: ‘Waar hebt u ditmaal een overval gepleegd?’ antwoordde David: ‘In de Negev, bij de Judeeërs, ‘of: ‘Bij de familie van Jerachmeël, ‘of: ‘Bij de Kenieten.’ 11  Hij liet niemand in leven en nam geen enkele gevangene mee naar Gat, want hij wilde voorkomen dat iemand aan Achis zou kunnen navertellen wat hij en zijn mannen hadden gedaan. Heel de tijd dat hij op Filistijns grondgebied woonde ging hij zo te werk. 12  Achis kreeg vertrouwen in hem en dacht bij zichzelf: Bij zijn landgenoten heeft hij het nu vast en zeker verbruid. Voortaan zal hij mij dienen. 1  En toen de Filistijnen hun troepen op de been brachten om tegen Israël ten oorlog te trekken, vroeg Achis aan David: ‘U begrijpt zeker wel dat u en uw mannen zich bij mij moeten aansluiten.’ 2  ‘Jazeker, heer, ‘antwoordde David. ‘U zult eens zien wat ik zal doen.’ ‘Afgesproken, ‘zei Achis, ‘dan stel ik u aan als mijn vaste lijfwacht.’ (NBV)

Er was een tijd dat het verhaal dat we vandaag lezen met een glimlach werd verteld. Vooral aan kinderen werd het verhaal met een zekere bewondering voor David verteld. Het was ook niet niks. David vluchtte voor Saul naar de Filistijnen en hij kreeg onderdak in een eigen stadje in het gebied van Achis de Koning van Gat. Maar in plaats van Achis te helpen bij het vechten tegen Israël ging David vechten tegen de bondgenoten van de Filistijnen en hij betaalde de bescherming door Achis met de buit die hij had veroverd op die bondgenoten. Dat was toch een hele slimme oplossing van deze Koning van de Vrede. Tegenwoordig spreken we niet zo positief meer over het verhaal uit dit hoofdstuk. Natuurlijk, David hield Achis voor de gek en Achis vertrouwde de Judeese krijgsheer kennelijk blindelings.
Maar moest David nu werkelijk iedereen uitroeien van die vijandige stammen? En moest de buit gespaard blijven? Het lijken geen pluspunten voor deze Koning.
Het verhaal verdient dus nadere studie. Het staat niet voor niets in de Bijbel en nog steeds als onderdeel van het verhaal over de tegenstelling tussen Saul, als koning zoals de Heidenen die hebben, en David de Koning naar Gods hart. Voert David dan soms toch geboden uit van de God van Israël? David had God niet geraadpleegd toen hij naar de Filistijnen vluchtte. Dat Saul zijn verbond met David had gebroken en opnieuw tegen hem was opgetrokken was genoeg reden. David had zich er wel uit gered maar zo kon het natuurlijk niet doorgaan. Het zou ook tot een gewapend treffen kunnen komen en kennelijk wilde David dat tot elke prijs vermijden. Hij ging naar Achis en kreeg als onderkomen de stad Siklag. Die stad wordt in het boek Jozua genoemd als een stad in Israël. Kennelijk dus ingelijfd door de Filistijnen en nu terug in Israël. Met vrouwen en kinderen mee vindt het legertje van krijgsheer David hier een veilig onderkomen. Dan trekt David op tegen de Gesurieten, de Girzieten of de Amelekieten. Die laatste kennen we maar die andere stammen zeggen ons weinig.
Het zijn echter bondgenoten van de Filistijnen die wonen in een gebied dat door Jozua niet meer werd veroverd. David maakt dus de verovering door Jozua van het beloofde land af. Ook deze stammen wilden niet delen met Israël maar alleen profiteren. De Amelakieten roeit hij overigens niet uit en dat zal hij later nog merken. De buit die veroverd wordt gebruikt hij niet voor zichzelf maar geeft hij aan Achis, anders dus als Saul die de buit voor zijn eigen leger bestemde en het beste voor zichzelf hield. Hij beschermde gelijk bondgenoten van Israël als de Kenieten en de familie van Jerachmeël. Zij wilden wel delen met Israël en mochten dus in Kanaän blijven wonen. Dat Achis gaat denken David te kunnen gebruiken in de strijd tegen Israël ligt aan hemzelf. Kennelijk is het verkrijgen van rijkdom al genoeg om iemand te vertrouwen en wordt aan de zorg voor mensen helemaal geen aandacht besteed. Daar mogen we dus van leren. Terwijl David, ook op de vlucht in vijandelijk gebied, blijft zorgen voor zijn eigen volk, blijken de Filistijnen alleen uit op materiële rijkdom. Ook aan ons de keuze, zorgen we voor mensen of zorgen we rijk te worden? Elke dag mogen we weer opnieuw kiezen, ook vandaag weer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *