Ga voor ons het pesachmaal bereiden

Lucas 22:1-13

1 Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken. 2 De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen, maar dan heimelijk, bang als ze waren voor de reactie van het volk. 3 Toen nam Satan bezit van Judas, bijgenaamd Iskariot, een van de twaalf. 4 Hij ging naar de hogepriesters en tempelwachters en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou kunnen uitleveren. 5 Ze waren opgetogen en spraken af dat ze hem voor zijn diensten zouden betalen. 6 Judas nam hun aanbod aan en zocht een gunstige gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren, zonder dat het volk het zou merken. 7 De dag van het Ongedesemde brood waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan. 8 Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’ 9 Ze vroegen hem: ‘Waar wilt u dat we het bereiden?’ 10 Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat, 11 en zeg tegen de heer van dat huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’ ” 12 Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’13 Ze gingen op weg, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. (NBV)

Lucas verbindt de instelling van het Christelijke Avondmaal heel uitdrukkelijk met de Pesachmaaltijd zoals die in het boek Exodus wordt beschreven. De maaltijd met ongezuurd brood en een geroosterd lam moet elk jaar gehouden worden als herinnering aan de uittocht uit Egypte. Op die avond gingen alle eerstgeborenen dood behalve de eerstgeborenen in de huizen waar het bloed van het lam aan de deurposten en de dorpels was gesmeerd. De Egyptenaren joegen toen de Israëlieten het land uit. En elk jaar klinkt opnieuw de vraag van de jongste aan tafel waarom die avond zo anders is dan alle andere en dan wordt het verhaal van de Uittocht vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof alle aanwezigen het zelf meemaken. In de manier waarop in de kerken het Avondmaal wordt gevierd ontbreekt dat verhaal. Dan gaat het alleen nog over Jezus van Nazareth en de woorden die hij volgens het verhaal van Lucas bij dat Pesachmaal uitsprak op de avond voor hij door Judas zou worden overgeleverd.

Dat Pesach is overigens hetzelfde als het Pascha dat vroeger in de vertalingen stond. Pesach komt uit het Hebreeuws, maar dat werd in de dagen van Jezus van Nazareth nauwelijks meer gesproken, toen sprak men Aramees en in het Aramees heet Pesach Pascha. Toen Lucas veel later zijn verhaal in het Grieks opschreef was die naam veel bekender dan de Hebreeuwse naam. Nu wij de Bijbel weer uit het Hebreeuws laten vertalen kennen we ineens beide namen, hetgeen soms voor verwarring zorgt, maar die verwarring kan ons behoeden de Bijbelvertalingen al te letterlijk te nemen. Die Satan die bezit neemt van Judas wordt in gewone mensentaal ook wel aangeduid als splijtzwam of tweedrachtzaaier. Lucas spreekt over Judas als overleveraar, nergens als verrader. Het zijn de Hogepriesters en schriftgeleerden, de autoriteiten van zijn dagen, die hun geloofsgenoot Jezus van Nazareth verraden en aan de bezetters overleveren.

Eerst komt dus dat Pesachmaal. Dat Lam dat zijn bloed geeft om de slaven te redden en te helpen bij de bevrijding uit de slavernij is vanwege de loop van dit verhaal door Christenen als snel vereenzelvigd met Jezus van Nazareth. Dat gastenvertrek moet een veilige plaats geweest zijn. Kennelijk waren er mensen die ongezien gezelschappen pelgrims een plek boden om dat Pesachmaal te vieren. Als je het Pesachmaal wilde vieren dan hoorde je immers bij het volk? Buiten het volk mocht niemand meedoen aan dat Pesachmaal. Die maaltijd onderscheidde het volk van Israël van alle andere volken. Al die volken die zo bezig waren met de dood, met geld verdienen, met land veroveren, met machtiger worden en nog machtiger, met oorlog voeren en onderdrukken. Israël was uit die wereld getrokken op weg naar een land waar gedeeld werd, waar je de beker doorgeeft aan elkaar, waar je het brood breekt en met elkaar deelt, waar je er dus voor zorgt dat er altijd genoeg is voor iedereen.

Te wapen, Benjamin!’

Hosea 5:8-15

8 Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Betel: ‘Te wapen, Benjamin!’ 9 Efraïm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10 Nu al stillen de Judese bevelhebbers hun landhonger. Maar ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11 Efraïm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter machten van niets aan liep. 12 Als een etterwond ben ik voor Efraïm, voor het volk van Juda als beenrot. 13 Toen Efraïm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraïm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen. 14 Want ik ben het die Efraïm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer ik mij tegen het volk van Juda: ikzelf zal hen verscheuren, ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15 Ik ga terug naar de plaats waar ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar mij vragen. (NBV)

Er komt oorlog. De troepen langs de grens met Israël worden opgroepen zich klaar te maken voor de strijd. De Ramshoorn wordt geblazen om de strijders van Juda op te roepen. Zij moeten hun werk en hun gezin in de steek laten om zich in te zetten voor de bescherming van Juda. Bij de offerplaats in Rama wordt op de bazuin geblazen. Ook God wordt opgeroepen zich in de strijd te mengen. En in Betel klinkt het alarm. De stam Benjamin die het dichtst bij Israël ligt moet de wapens ter hand nemen, want de oorlog is onvermijdelijk. Israël zal ten onder gaan.

Maar de bevelhebbers van Juda zijn geen haar beter dan die van Israël. Omdat Israël zich moet verdedigen tegen de grootmachten die haar bedreigen is er ruimte om langs de grens tussen Juda en Israël alvast ook een kleine oorlog te beginnen en land van Israël te veroveren en in te lijven bij Juda. Beide volken zijn even ziek. Ze hebben zich op dezelfde manier van de God van Israël afgekeerd. Ze denken zelf de oorlogen te kunnen winnen. Recht en gerechtigheid, broederliefde, saamhorigheid spelen geen enkele rol meer. Efraïm dacht nog bescherming te kunnen krijgen van een wereldmacht, maar dat helpt niet.

Als je bij sterke wereldmachten je steun denkt te vinden dan ga je zelf ten onder. Wie handelsoorlogen voert zal verliezen. Wie een gemeenschappelijke markt verlaat moet daarvoor een hoge prijs betalen. Denken dat je het in deze dagen alleen wel af kan wordt bestraft met economische en politieke neergang. De armen worden daarvan het eerst de slachtoffers. De rijken kunnen altijd nog vluchten naar veilige oorden waar gastvrijheid, samenwerking en zorg nog de boventoon voeren. De armen zullen door de binnensteden zwerven niet meer in staat werk te vinden en een inkomen te verwerven. Ook voor ons geld dat niet de beste willen zijn maar je naaste liefhebben als jezelf de grondregels van een samenleving behoren te zijn, ook vandaag weer.

Leden van het hof, luister aandachtig!

Hosea 5:1-7

1 Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2 een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven. Maar ik zal jullie leren, allemaal! 3 Ik kende Efraïm, Israël lag mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 4 Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor de HEER een vreemde voor hen geworden is. 5 Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm komt door zijn wandaden ten val; zelfs Juda wordt in zijn val meegesleept. 6 Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden. 7 Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun akkers verslonden. (NBV)

Een ordelijke vreedzame samenleving heeft een eerlijke onafhankelijk rechtspraak waar iedereen toegang toe heeft. Dat is vandaag niet anders als in de tijd van Hosea. Die rechtspraak was toebedeeld aan de Priesters en de oudsten van het volk. Het hof moest er op toezien dat gerechtigheid gewaarborgd werd. De grondrechten van het volk waren vastgelegd in de Mispa. Daar mee is het misgegaan. Elk van de verantwoordelijken wordt door Hosea opgeroepen, Luister, hoor toe, luister aandachtig. In onze dagen zou een profeet de Raad voor de Rechtspraak, de regering en het parlement ter verantwoording roepen omdat voor mensen zonder of met heel weinig geld de rechtspraak ontoegankelijk is geworden. Advocaten krijgen niet meer betaald en voor je een proces kunt beginnen moeten er griffierechten betaald worden die zo hoog zijn dat die voor eenvoudige lieden niet op te brengen zijn.

In de dagen van Hosea was het rijk van David in twee kleine rijken uiteengevallen, Israël en Judea. Israël werd gedomineerd door de stam van Efraïm. En de namen Efraïm en Israël worden in de Bijbel vaak door elkaar gebruikt. Voor God had dat uiteenvallen in twee rijken kennelijk aanvankelijk niet veel uitgemaakt. God had beide rijken lief, ook Israël lag na aan zijn hart. Maar Efraïm was overspelig geworden, ze had andere goden achterna gelopen, dat is ontrouw en overspel. Het verbond tussen God en zijn volk wordt door de profeten gepresenteerd als het verbond tussen twee mensen dat wij een huwelijk noemen. Het zijn de goden van vruchtbaarheid, in onze dagen de goden van winst en profijt die worden aanbeden. Als wij in onze dagen ook de armen met hun armzalige problemen onbeperkt toegang tot de rechtspraak geven dan blijft er veel te weinig tijd over voor deurwaarders en bedrijven om schulden aan te wijzen en onderlinge geschillen uit te vechten.

De aanbidding van winst en profijt is altijd verleidelijk. Efraïm wordt er door beheerst maar ook Juda ontkomt niet aan de verleiding, ze wordt door Israël meegesleept. God trekt zich terug en een volk waarin men niet voor elkaar zorgt, waar geen plaats meer is voor zieken, gehandicapten, armen wordt gemakkelijk een prooi voor vreemde machten. En de geschiedenis tekent zich al af in de manier waarop volken met elkaar om gaan. Eerst zal Efraïm ten onder gaan en daarna Juda. En natuurlijk zijn er dan mensen die weer offers willen brengen aan de God van Israël. De God die hen uit de slavernij heeft bevrijd. Maar die God is niet om te kopen. Offers zijn het teken dat men wil delen en zonder dat ga je vergeefs op pad met je offers. Dat is vandaag de dag niet anders.

De Heer heeft het nodig

Lucas 19:29-48

29 Toen hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde hij twee van de leerlingen vooruit 30 en zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp daarginds. Daar zullen jullie een vastgebonden veulen vinden, dat nog nooit door iemand bereden is. Maak het los en breng het hier. 31 Als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?” moeten jullie antwoorden: “De Heer heeft het nodig.”’ 32 De beide leerlingen gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals Jezus had gezegd. 33 Toen ze het dier losmaakten, vroegen de eigenaars hun: ‘Waarom maken jullie het los?’ 34 Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’ 35 Daarna brachten ze het veulen naar Jezus. Ze wierpen hun mantels over het dier en lieten Jezus erop zitten. 36 Onderweg spreidden de leerlingen hun mantels voor hem op de grond uit. 37 Toen hij op het punt stond de Olijfberg af te dalen, begon de hele groep leerlingen vol vreugde en met luide stem God te prijzen om alle wonderdaden die ze hadden gezien. 38 Ze riepen: ‘Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’ 39 Enkele Farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’ 40 Maar hij antwoordde: ‘Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.’ 41 Toen hij Jeruzalem voor zich zag liggen, begon hij te huilen over het lot van de stad. 42 Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu. 43 Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. 44 Ze zullen je met de grond gelijk maken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’ 45 Hij ging naar de tempel, waar hij de handelaars begon weg te jagen, 46 terwijl hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, ”maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ 47 Dagelijks gaf hij onderricht in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen, 48 maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want het hele volk hing aan zijn lippen. (NBV)

De ene eigenaar helpt de andere. Voor “Heer” en “eigenaar” wordt in het Grieks hier hetzelfde woord “Kurios” gebruikt. In het Latijn staat dan “Ceasar”, bij ons komt het woord “Keizer” hiervandaan. Het is een Keizerlijke intocht die Jezus van Nazareth in Jeruzalem te wachten staat. Eindelijk is het zover. Vanaf het verhaal van Zacharias, de profeet die z’n mond moest houden, tot aan deze intocht draait het hele verhaal van het Evangelie van Lucas om de reis naar Jeruzalem. Op twee momenten in het jaar is de Kerk dit verhaal gaan lezen. Op de zogenaamde “Palmzondag”, de zondag voor Pasen en op de laatste zondag voor de Advent, de zondag waarop het Koningschap van Jezus van Nazareth wordt gevierd. De eerste zondag van de Advent wordt dat het verhaal van Zacharias en Elisabeth gelezen zodat de kring weer rond is.

Maar dat Koningsverhaal van Jezus van Nazareth wordt meestal verteld als contrast, als tegenstelling. Zo hoog Jezus hier verheven lijkt zo pijnlijk zal zijn verblijf in Jeruzalem zijn waar hij wordt gekruisigd, of zo armoedig zal zijn geboorte in de stal van Bethlehem zijn. Jezus van Nazareth zelf ziet het anders. Als de mensen niet zouden juichen dan zouden de stenen in de straat het wel uitschreeuwen. Het Koningschap van Jezus van Nazareth was toen een politieke demonstratie en dat hoort het nu eigenlijk nog steeds te zijn. Daar zal die intocht ook op uitlopen. Jeruzalem was niet een stad van vrede geworden, een stad van delen met de armsten, maar een stad van onderdrukking, van handel en het aanbidden van winst en profijt. Op het hoogtepunt van de intocht huilt Jezus over deze verwording en als hij de stad is binnengereden begint hij de Tempel te bevrijden van alle aanbidding van winst en profijt, hij ramt de handelaars de voorhof uit.

Niet oorlog en geweld zijn de wapens van de leerlingen van Jezus van Nazareth, niet de aanbidding van winst en profijt, maar de Vrede en mantels op de grond en takken van de bomen. De Koning der Koningen, de eigenaar van Hemel en Aarde, de Kurios, onze Keizer van de wereld rijdt niet op schitterend getuigde paarden of in draagkoetsen, laat staan in gepantserde limousines, omringt door beveiligers, maar is op een ezel bereikbaar voor iedereen die hem wil toejuichen. Zo volstrekt anders is deze Heer van de Wereld dat de volgelingen een groot politiek gevaar opleveren. Als iedereen werkelijk zou delen met de armen, als werknemers niet meer in bedrijven zouden willen werken als ieders inbreng daar niet gelijkelijk wordt gewaardeerd, als we alleen nog maar Fair Trade producten zouden kopen, als niemand meer naar de oorlog zou willen gaan maar alle jongeren na hun studie hun kennis gingen overdragen aan jongeren die geen school in de buurt hebben dan zou de wereld er heel anders uitzien. Wij kunnen dus vandaag de wereld veranderen.

Ze brengen offers op de bergtoppen

Hosea 4:12-19

12 Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13 Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14 Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw, want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren. Zo komt een volk zonder verstand ten val. 15 Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar het goddeloze Betel, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’ 16 Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17 Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden-laat het maar! 18 Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19 Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen. (NBV)

In de Bijbel staat een Psalm waarin duidelijk wordt gemaakt wat Hosea hier bedoeld. Ik sla mijn ogen op naar de bergen, zingt de dichter, vanwaar komt mijn hulp? Komt die van de bergen? De Priesters die door Hosea worden aangesproken geloven inderdaad dat de hulp woont op de toppen van de bergen, daar moet je zijn voor religieuze steun, daar moet je offeren. Maar de psalmdichter verwerpt die redenering. Mijn hulp komt van de Heer, is het antwoord. En op de plaats van Heer staat de naam van God, een naam die we nooit uitspreken. Want de God van Israël is niet op een bergtop of op de heuvels te vinden, de God van Israël trekt met je mee en als het om vruchtbaarheid gaat dan laat God het regenen op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.

Abraham vestigde zich in Kanaän onder de Terebinten van Mamre, ook wel eens vertaald met de Orakeleik van Mamre. In het algemeen wordt verondersteld dat Abraham zich bij heilige bomen van het volk van Kanaän gevestigd had. En omdat de goden van Kanaän dat toestonden moest die Abraham wel een heilig figuur zijn met wie je verdragen kon sluiten en die je om hulp kon vragen. Voor Abraham zelf was de schaduw van de bomen belangrijk. Zijn God woonde niet onder zogenaamde heilige bomen. Zijn God trok met hem mee en had hem beloofd dat hij vader van vele volken zou worden. Maar in de dagen van Hosea was dit verhaal vergeten.

Er werd net als vroeger in Kanaän weer geofferd onder de orakeleiken en elke andere boom die heilig verklaard kon worden en waar het voor priesters aangenaam wonen was. Het rijk van David was inmiddels ook uiteen gevallen in een Noordrijk dat zich Israël noemde en een Zuidrijk dat Judea genoemd werd. In dat Noordrijk had de stam van Efraïm het voor het zeggen. Daar hoef je je in Judea dus niet meer druk over te maken zegt Hosea. Dat rijk is verloren. Er wordt wel veel geofferd maar niets meer om te laten zien dat je wil delen van wat je van God hebt ontvangen. En om offers zelf gaat het deze God niet, die wil gerechtigheid. Die wil dat je mensen niet ziet als objecten om je lust te bevredigen. En roep die ook vandaag nog wel gehoord mag worden.

Een geding tegen de inwoners van dit land

Hosea 4:1-11

1 Luister naar de woorden van de HEER, Israëlieten! De HEER voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2 Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3 Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit. 4 Maar laat niemand een aanklacht indienen en roep elkaar niet ter verantwoording. Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht! 5 Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ‘s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal ik laten omkomen. 6 Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met mij vertrouwd maken, daarom wil ik niets meer met jou te maken hebben: je zult mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal ik jouw kinderen verwaarlozen. 7 Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen mij. Maar ik zal hun aanzien verruilen voor schande. 8 Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer. 9 Ik zal volk en priesters over één kam scheren: ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal ik vergelden. 10-11 Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar zich niet voortplanten. Want ze hebben de HEER verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt. (NBV)

Soms lijkt het er in het boek Hosea op dat God het verbond met zijn volk als een huwelijk beschouwt En pas op als er voldoende redenen zijn voor een echtscheiding. Niet dat God die scheiding wil maar soms moet je gewoon vaststellen dat de ander zich geheel en al richt op anderen dan op degene met wie de huwelijksgelofte van trouw was aangegaan. Daarom wordt er hier gesproken over meineed en bedrog. Meineed omdat toen het verbond werd gesloten het volk onder ede beloofde zich aan het verbond te houden. Maar alle 10 geboden zijn en worden gebroken.

Het zijn de priesters die van Hosea de schuld krijgen. Zij vertellen het volk niet meer over de God van Israël. Ze vertellen niet meer over de bevrijding uit de slavernij en het verbond dat die God en zijn volk zijn aangegaan. Een land dat overvloeit van melk en honing lag op hen te wachten en er was echt geen vruchtbaarheidsgod als Baäl voor nodig omdat ook te realiseren. In tegendeel, als je je God verlaat, als je het verbond verbreekt dan loopt het slecht me je af. En hoe meer priesters er komen hoe meer het verbreken van het verbond gebeurt. Natuurlijk, vreemde goden moet je in leven houden door te offeren. Priesters met prachtige gewaden en plechtige spreuken helpen je daarbij. En wie niets heeft om te offeren moet maar omkomen.

En als je door de leiding van je volk voor de gek wordt gehouden, als men weigert wetenschap serieus te nemen en er op te wijzen dat alles wat we krijgen van God gekregen is dan gaat het ook met het volk mis. Hoe dichter onze bevolking is geworden hoe meer kans op besmettelijke ziekten. Daarom heeft God ons de vaccinatie gegeven. Wie dan roept dat het God is die wil dat je kinderen ziek worden en dood gaan verwaarloosd de gaven die God al gegeven heeft om dat te voorkomen. De God van Israël is geen God van het lot, geen God waarvan je door het lezen van stokjes de toekomst te weten kan komen. Hosea noemt dat ontucht, het heil verwachten van andere goden, of va het lot en het negeren van hetgeen de God van Israël al gegeven heeft. Allen moeten we daartegen in verzet komen en weer de weg van God gaan.

Ook ik zal niet met je slapen

Hosea 3:1-5

1 De HEER zei tegen mij: ‘Heb nogmaals een vrouw lief, een vrouw die ondanks de liefde van haar man toch overspelig is, net zoals de HEER de Israëlieten liefheeft hoewel zij zich op andere goden richten en uit zijn op de lekkernijen in hun tempels.’ 2 Ik kocht zo’n vrouw voor de prijs van vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst. 3 Ik zei tegen haar: ‘Je zult geruime tijd in huis moeten blijven, je zult geen overspel kunnen plegen en je met geen man inlaten. Ook ik zal niet met je slapen.’ 4 Zo zullen de Israëlieten geruime tijd verstoken blijven van koning en leiders, van offers en gewijde stenen, van orakels en huisgoden. 5 Dan zullen ze weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; en uiteindelijk keren ze vol ontzag terug naar de HEER en zijn zegen. (NBV)

De huwelijksrelaties van Hosea zijn de manier waarop hij de boodschap van God aan het volk wil overbrengen. De onzin van de aanbidding van eigen gemaakte afgoden moet op de een of andere manier duidelijk gemaakt worden. Het begint met de aankoop van een overspelige vrouw die zich niks aantrekt van de liefde van haar man. Het moet wel met een aankoop want ook het maken van goden van Goud en zilver kost een hoop geld. En net als bij de vrouw, waarvan je vooraf al weet dat het geen betrouwbare partner zal zijn kun je weten dat ook eigengemaakte goden niet betrouwbaar zijn. Je kunt je geluk laten afhangen van de beurs, die toch altijd weer stijgt, maar je kunt daar al je kapitaal verliezen.

Het moet duidelijk zijn dat je aan onbetrouwbare partners geen plezier beleeft. Hosea moet de vrouw die hij had gekocht dus opsluiten in zijn huis. Geen man komt meer in haar buurt. Maar ook Hosea houdt zich verre van haar. Dan zal het volk beseffen dat hun leiders eigenlijk meer voor zichzelf zorgen, hun eigen plezier najagen, dan willen zorgen voor het volk zoals de richtlijnen van de God van Israël aan wijzen. Ook bij ons dringt het besef door dat de leiders van het volk eerder de aandeelhouders dan de arbeiders tegemoet komen. Dat de projectontwikkelaars en de aannemers belangrijker zijn dan de mensen die een huis zoeken. Dat bij het plaatsen van noodzakelijke windmolens en zonnepanelen de belangen van de omwonenden volledig verdwijnen en dat alleen de winst centraal staat.

Wat in onze samenleving nog ontbreekt is dat we vol ontzag terugkeren naar de God van Israël en zijn zegen. In de vertaling staat HEER, in het Hebreeuws staat daar de naam van God die we echter nooit uitspreken. Die Heer is de eigenlijke baas van de wereld. Die heeft de wereld gemaakt en die zal de wereld vervolmaken. Of we daarvan deel zullen uitmaken hangt af van onze bereidheid om alles wat we hebben als gekregen te beschouwen en de opdracht om dat te delen willen uitvoeren. Nu zoeken we naar nieuwe zogenaamde sterke mannen. Of ze ons nu opzadelen met angst voor vreemdelingen of met afkeer van vernieuwingen lijkt ons niet uit te maken. Maar wat ze niet willen dat kennis, macht en inkomen door heel het volk gedeeld zal kunnen worden. En pas de zorg voor de minsten, voor de armen, voor de vreemdelingen en de vluchtelingen laat zien welke God we volgen. De echte God of de valse goden.

Ik verwoest haar wijnstok

Hosea 2:10-25

10 Zij beseft niet dat ik het was die haar koren, wijn en olie gaf. Het zilver en goud waarmee ik haar verrijkte, werd besteed aan een Baälsbeeld. 11 Daarom zal ik, als het tijd is voor de oogst, mijn koren en mijn wijn terugnemen; ook mijn wol en mijn vlas, waarmee ze haar naaktheid moet bedekken, zal ik terughalen. 12 Ik zal haar de kleren van het lijf rukken in het bijzijn van haar minnaars, en niemand die haar uit mijn greep kan redden. 13 Aan alle dagen dat zij feestviert, haar hoogtijdagen, nieuwemaan en sabbat, aan al haar feestvreugde zal ik een einde maken. 14 Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Het zijn geschenken die mijn minnaars me hebben gegeven.’ Ik laat ze verwilderen en geef ze prijs aan de dieren. 15 Ik zal haar straffen voor de feesten die ze aan de Baäls wijdde en waarop ze hun offers bracht; uitgedost met ringen en halssieraden liep ze achter haar minnaars aan. Maar mij vergat ze-spreekt de HEER. 16 Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. 17 Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte. 18 Dan, op die dag-spreekt de HEER -,zul je zeggen: ‘Jij bent mijn man, ‘en daarbij is geen wanklank meer te horen. 19 De namen van de Baäls zul je niet meer in de mond nemen, ze zullen niet langer worden gehoord. 20 Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven. 21 Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, ik zal je hecht aan mij verbinden, door liefde en ontferming. 22 Mijn vrouw zul je zijn, want ik beloof je trouw, en jij zult de HEER toegewijd zijn. 23 Op die dag-spreekt de HEER zal ik antwoord geven. Dan antwoord ik de hemel en de hemel antwoordt de aarde, 24 en de aarde geeft antwoord aan koren, olijfboom en wijnstok, en zij antwoorden Jizreël, 25 want het land zaai ik in met mijn volk. Over Lo-Ruchama zal ik mij ontfermen, Lo-Ammi noem ik weer mijn volk, en dan antwoordt hij: ‘Mijn God.’ (NBV)

We moeten het beeld dat Hosea hier schetst toch wel herkennen. We geven kapitalen uit aan glitter en glamour, het beste is nog niet goed genoeg want alleen het beste maakt dat je het nog beter krijgt. De dure pakken, of mantelpakken, die je draagt, de grote van de auto waarin je rijdt, het aantal vakanties dat je per jaar neemt en vooral ook de bestemming. Ze maken allemaal deel uit van het beeld dat men van je heeft en in welke klasse je behoort. En pas bij een hogere klasse krijg je een bijpassende baan met de bijpassende bonussen en de bijpassende eer. Vergeten wordt dat alles wat je gekregen hebt in je leven van God afkomstig is. En God heeft het aan jou gegeven om het te delen met hen die niets hebben. Die armen, zieken, gehandicapten, vluchtelingen en vreemdelingen zijn de hulpjes van God. Ze helpen ons om te laten zien dat we echt geloven in de God van Israël.

Het volk Israël deed dat in de dagen van Hosea ook. Wat men van God kreeg werd besteed aan offers aan Baäl. Dat was de vruchtbaarheidsgod van de Heidenen. Als je die God voldoende voedsel en eer gaf dan kreeg je een goede oogst in ruil. En als de oogst eens mislukte dan had je niet genoeg geofferd. Een volk dat leefde volgens de richtlijnen van de God van Israël had in een jaar met een mislukte oogst al maatregelen genomen om het volk te laten overleven. In ieder dorp hoorde een silo te staan waar genoeg graan moest worden opgeslagen om het hele dorp, inclusief knechten en slaven, inclusief de armen en de vreemdelingen te laten overleven. Aanhangers van Baäl moesten honger lijden. Volgers van de God van Israël konden samen delen. De richtlijnen van God waren in de woestijn gegeven en in de woestijn zegt de profeet zal men ze zich weer herinneren.

De kinderen van Hosea heetten “geen erbarmen” en “niet mijn volk” Maar als het volk weer gaat leven volgens de richtlijnen van de God van Israël en afziet van glitter en glamour, de goden van winst en profijt verlaat dan verandert de naam van die kinderen, dan heten ze voortaan weer “erbarmen” en “mijn volk” als teken dat de God van Israël voor zijn volk blijft zorgen. Voor onze samenleving is dat hetzelfde. Als de inkomensverhoudingen binnen bedrijven weer op een begrijpbaar niveau zijn en we niet meer bang zijn voor bedrijven die de bestuurders hogere inkomens willen betalen, dan kunnen we weer zeker zijn van de werkgelegenheid, dan hoeven we niet meer bang te zijn voor vreemdelingen, dan kunnen we er op vertrouwen de energietransitie op een goede manier door te komen. Ook voor ons volk is er de keus: of eerlijk delen volgens de richtlijnen van God, of ieder voor zich en dus God voor niemand. Aan ieder van ons de keus.

Klaag jullie moeder aan!

Hosea 2:1-9

1 Maar eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: ‘Jullie zijn mijn volk niet meer, ‘zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd. 2 Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël weer bijeenkomen en één leider aanstellen. Op de dag dat God zelf zal zaaien, op de grote dag van Jizreël, zullen ze uit de aarde opschieten. 3 Dan noemen jullie je broeders weer Ammi en je zusters weer Ruchama. 4 Klaag jullie moeder aan! Klaag haar aan! Want zij is mijn vrouw niet meer en ik ben haar man niet meer. Laat ze die hoerige opschik wegdoen van haar gezicht, de tekens van overspel tussen haar borsten weghalen. 5 Anders zal ik haar uitkleden, haar zo naakt laten staan als toen ze geboren werd; anders maak ik haar onvruchtbaar als een woestijn, als een land van grote droogte, en laat ik haar omkomen van dorst. 6 Ook ontferm ik me niet over haar kinderen, want ze zijn geboren uit overspel. 7 Overspelig was immers hun moeder; de vrouw die hen gedragen heeft leefde in schande. Ze zei: ‘Ik ga achter mijn minnaars aan, want zij zorgen voor mijn eten en drinken, voor wol en vlas, olijfolie en wijn.’ 8 Daarom zal ik haar met een doornhaag de weg versperren, met een muur zal ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan gaan. 9 Als ze dan achter haar minnaars aan wil gaan kan ze hen niet bereiken; ze zoekt maar kan hen niet vinden. Dan zal ze zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eigen man, want toen had ik het beter dan nu.’ (NBV)

Dat klinkt toch altijd mooi in de Bijbel, God verwerpt allen die de God van Israël verwerpen, die achter andere goden aangaan maar uit eindelijk brengt die God zijn kinderen, zijn volk weer bijeen. Hosea herinnert aan de belofte die aan Abraham werd gedaan. Zijn nageslacht zou immers talrijk zijn als de zandkorrels aan de zee, niet te tellen, net als de sterren in de nacht niet te tellen zijn. Maar gaat dat zo maar? Zo van zand er over en we beginnen opnieuw. Dat staat hier dus niet. De kinderen van God zijn verspreid over een groot aantal andere volken. Maar ze blijven herkenbaar als behorend bij Gods volk door hun weg te gaan langs de richtlijnen van die God.

In het Hebreeuws is het woordje “lo” het woordje voor “niet”. De jongste zoon werd voortaan niet meer “niet mijn volk” genoemd, maar “mijn volk” En zijn zuster niet meer “zonder ontferming” maar “ontferming”. Dat kan niet zonder afstand te nemen van het verleden. Ze zijn immers kinderen van een ontrouw volk, een ontrouwe moeder. Het moet radikaal anders. Die zogenaamde vruchtbaarheidsgoden die alleen maar vruchtbaarheid gaven als ze er zin in hadden, als er genoeg aan hen was geofferd, moeten worden afgeschaft. Als het volk niet meer wil luisteren naar de God van Israël dan moeten ze maar in de woestijn wonen, dan heeft een vruchtbare vlakte geen nut, want die betekent willekeur zonder de God van Israël.

En opnieuw verrast de God van Israël zijn volk. Want God zelf zal de afgodendienaars straffen. God zelf zal er voor zorgen dat het afvallige en ontrouwe deel van het volk geen kans meer krijgt. Dat deel krijgt een doornhaag die de weg verspert en ze worden achter een muur ingesloten. Aanbidding van de vreemde goden is er niet meer bij. Daardoor leert ook dat deel van het volk dat het beter is om te gaan leven zoals Hosea. Dat het beter is de weg te gaan die de God van Israël heeft gewezen. Die weg is niet het omkopen van God met offers. Op die weg zijn geen fraaie priesterkleren die de dienst uitmaken. Op die weg wordt gezorgd dat iedereen mee kan, de lammen, de blinden, de armen, de vreemdelingen, niemand blijft langs de kant van de weg. Zo mogen wij ook wel eens om ons heen kijken of we niet iemand langs de kant laten zitten.

Het land maakt zich schuldig aan overspel

Hosea 1:1-9

1 Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Hosea, de zoon van Beëri, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden, en Jerobeam, de zoon van Joas, koning was in Israël. 2 Zo begon de HEER te spreken tegen Hosea. De HEER zei tegen hem: ‘Trouw een overspelige vrouw en verwek kinderen bij haar, want het land maakt zich schuldig aan overspel door zich van de HEER af te keren.’3 Daarop trouwde Hosea met Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij werd zwanger en baarde hem een zoon, 4 en de HEER zei tegen Hosea: ‘Noem hem Jizreël, want binnenkort zal ik het koningshuis van Jehu ter verantwoording roepen voor de moorden bij Jizreël en een einde maken aan het koningschap in Israël. 5 Op die dag zal ik Israëls wapentuig breken in de vallei van Jizreël.’6 Gomer werd opnieuw zwanger en baarde een dochter. Toen zei de HEER tegen Hosea: ‘Noem haar Lo-Ruchama, want ik zal me niet nog eens over het volk van Israël ontfermen-alsof ik hun steeds zou moeten vergeven. 7 Maar over het volk van Juda zal ik me wel ontfermen; ik, de HEER, hun God, zal hen bevrijden door mijn macht, niet door het geweld van boog en zwaard of door paarden en ruiters.’8 Toen Gomer Lo-Ruchama niet langer de borst gaf, werd ze weer zwanger en baarde een zoon. 9 Toen zei de HEER: ‘Noem hem Lo-Ammi, want jullie zijn mijn volk niet meer en ik zal er voor jullie niet meer zijn.’ (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in een boek van het Twaalf Profetenboek. In de Hebreeuwse Bijbel wordt het als één boek beschouwd met twaalf namen van profeten die boven de hoofdstukken staan. De eerste boeken van dit twaalfprofetenboek gaan over de tijd vlak voor de ballingschap, de volgende over de tijd tijdens de ballingschap en de laatste over de tijd na de ballingschap. Het boek Hosea gaat over de tijd voor de ballingschap. Wie Hosea was weten we niet echt, we kennen de naam van zijn vader maar daar houdt het ongeveer mee op. Zijn naam lijkt op die van Jozua en betekent iets als God helpt. De tijd waarin hij profeteerde was de tijd vlak voor de ballingschap. En het volk Israël is in twee delen in ballingschap gevoerd. Eerst het Noordelijk deel dat als Israël een eigen staat was, daarna het Zuidelijk deel dat als Juda een eigen staat was.

Hosea kwam waarschijnlijk uit het Noordelijk deel en zijn leven legde getuigenis af van de manier waarop God met het volk zou omgaan. Dat klinkt wel vroom en mooi maar je familie en relaties worden dan wel te kijk gezet vanwege jouw vrome gedrag. Je zal toch met Hosea getrouwd zijn. Dan wordt je dus weggezet als een overspelige vrouw. Een overspelige vrouw zou gestenigd moeten worden. Door haar te trouwen schenkt Hosea haar het leven. Gomer, zo heette de vrouw, was gekozen omdat het land ontrouw was geworden aan God en ze moest nog kinderen krijgen ook. Drie kinderen kreeg ze die namen kregen die ontleend waren aan rampen die het land hadden getroffen. De eerste heette “God zaait” dat klinkt mooi maar in het Hebreeuws heet hij “Jizreël” en dat was de naam van een stad waar een bloedige slag had plaatsgevonden.

Koning Jehu had de opdracht gekregen Achab en Izebel te straffen voor hun wandaad tegen Nabot. Ze hadden Nabot laten vermoorden om zijn wijngaard te krijgen. Maar Jehu had het niet gelaten bij Achab en Izebel maar had de hele koninklijke familie van Achab uitgemoord. Nergens was meer een familielid te vinden die een beroep zou kunnen doen op de troon van Achab. Het tweede kind werd een dochter. Die werd “zonder ontferming” genoemd. Haar naam was een waarschuwing aan het volk want God zou niet aan het ontfermen blijven als het volk zich afwendde. Het derde kind was weer een zoon. Hij werd “niet mijn volk” genoemd en daarmee valt het oordeel over het volk. Als je onbarmhartig blijft, als je de wezen en de weduwen onrecht aan doet, als je de vreemdeling uitbuit, als je elkaaar uitmoord, dan houdt God op met zorgen. Daar mogen we vandaag ook nog wel eens bij stil staan.