Wie heeft jou als leider en rechter aangesteld?

Handelingen 7:35-43

35 Het was deze Mozes die door zijn volksgenoten werd afgewezen met de woorden: “Wie heeft jou als leider en rechter aangesteld?” Maar God zond hem als leider en bevrijder naar hen toe, door tussenkomst van de engel die in de doornstruik aan hem verschenen was. 36 Het was deze Mozes die het volk wegleidde uit Egypte onder het verrichten van tekenen en wonderen, niet alleen in Egypte, maar ook bij de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang. 37 Mozes was het die tegen de Israëlieten zei: “God zal in uw midden een profeet zoals ik laten opstaan.” 38 Hij was het die, toen het volk in de woestijn bijeen was, als bemiddelaar optrad tussen onze voorouders en de engel die op de berg Sinai tegen hem sprak, hij was het die de levenbrengende woorden ontving om ze aan ons door te geven. 39 Maar onze voorouders wilden hem niet gehoorzamen: ze wezen hem af en verlangden terug naar Egypte. 40 Daarom zeiden ze tegen Aäron: “Maak goden voor ons die voor ons uit kunnen gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.” 41 Toen maakten ze een beeld in de vorm van een stierkalf, brachten er offers aan en verheugden zich over hun eigen maaksel. 42 Maar God keerde zich van hen af en liet hen de sterren en hemelgoden aanbidden, zoals in het boek van de Profeten geschreven staat: “Hebben jullie mij soms dierenoffers en brandoffers gebracht toen jullie veertig jaar door de woestijn trokken, volk van Israël? 43 Nee, jullie hebben de tent van Moloch meegedragen en de ster van jullie god Refan, beelden die jullie zelf gemaakt hebben om te aanbidden. Daarom zal ik jullie wegvoeren, tot voorbij Babylon.” (NBV)

De vraag die Stephanus in herinnering roept en die aan Mozes werd gesteld door het volk dat in slavernij werkte in Egypte werd natuurlijk ook gesteld door het Sanhedrin, de Hoge Raad van Israël, aan Jezus van Nazareth. Later werd aan de volgelingen van die Jezus van Nazareth de vraag gesteld op grond waarvan ze hem eigenlijk als leider en rechter hadden aanvaard. Stephanus benadrukt in de manier waarop hij het verhaal vertelt dat het volk Mozes, en daarmee de God van Mozes, steeds heeft afgewezen. Ja dat toen ze de richtlijnen kregen, de leer van Mozes waarop de leiders van Israël, de leden van het Sanhedrin, zich zo graag beriepen alsof het een Romeinse wet was, in plaats van de Heer, de God van Israël, te danken, ze een gouden beeld er van maakten en daar om heen gingen dansen. Stephanus besluit dit gedeelte van het verhaal met een citaat uit het boek van de profeet Amos waar die de afgodendienst uit zijn tijd direct verbond met de afgodendienst rond het gouden kalf.

Amos voorspelde dat het volk Israël verspreid zou worden tot achter Babylon toe. Christenen die dit verhaal lazen na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zullen gedacht hebben dat ook Stephanus de ondergang van Israël had voorspeld. Het Sanhedrin zal ondertussen tijdens deze rede hebben zitten koken van woede. Zonder dat Stephanus dat nu zo uitgesproken zegt beschuldigt hij ze van afgoderij, van het aanbidden van gouden beelden. Terwijl ze zo omzichtig en uitgebreid bezig waren geweest het plaatsen van gouden beelden in de Tempel van Jeruzalem te voorkomen. Ze waren zo bezig met de macht en het machtsevenwicht dat ze de armen en de slachtoffers van de Romeinse bezetting vergeten waren. In de eerste dagen van mei herdenken ook wij de dagen van vreemde bezetting. Toen mensen uit onze samenleving werden weggevoerd omdat ze een eigen geloof en een eigen cultuur hadden, een eigen afkomst die hen deed onderscheiden van anderen.

Ook tijdens die bezetting waren er leidende figuren in het volk die met de bezetter samenwerkten om het leed voor de onderdrukten zo klein mogelijk te houden, om zo veel mogelijk van het eigene te kunnen behouden. Achteraf werden die leiders voor “fout” aangemerkt, maar dat is achteraf. De keuzes onder een bezetting zijn nooit eenvoudig. Juist daarom is de herdenking in onze dagen van vrede en voorspoed zo belangrijk. Het onderscheid maken tussen mensen op grond van hun geloof en afkomst sluipt zo gemakkelijk een samenleving binnen, wij moeten dat toch ook merken. En zolang we ze niet vergassen lijkt het onschuldig, een politieke mening meer niet. Stephanus laat ons horen dat het geschipper met de grondregel van heb Uw naaste lief als Uzelf direct leidt tot afgoderij ook al zien we de gouden beelden nog niet in de Tempel. Onze samenleving is dus vergiftigd als wij niet in verzet komen tegen vreemdelingenhaat en angst voor het vreemde. Daar kunnen we vandaag om denken.

Ik heb hun jammerklachten gehoord

Handelingen 7:17-34

17 Naarmate de tijd naderde dat Gods belofte aan Abraham in vervulling zou gaan, nam het volk in Egypte in aantal toe en werd het steeds groter, 18 tot er een andere koning in Egypte aan de macht kwam, die Jozef niet had gekend. 19 Deze koning trof een sluwe maatregel om zich van ons volk te ontdoen: hij dwong onze voorouders hun pasgeboren kinderen te vondeling te leggen, zodat die zouden sterven. 20 In die tijd werd Mozes geboren. Hij was een uitzonderlijk mooi kind. Drie maanden lang werd hij in het huis van zijn vader verzorgd, 21 maar toen hij te vondeling werd gelegd, ontfermde de dochter van de farao zich over hem en liet hem opvoeden als haar eigen zoon. 22 Mozes werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren en werd een machtig man in woord en daad. 23 Toen hij veertig jaar was, besloot hij zich te bekommeren om het lot van de Israëlieten, zijn eigen volk. 24 Op een dag zag hij dat een van hen werd mishandeld door een Egyptenaar, waarop hij de man wie dit onrecht werd aangedaan te hulp schoot en wraak nam door de Egyptenaar te doden. 25 Hij meende dat zijn volksgenoten zouden begrijpen dat God hen door zijn toedoen wilde bevrijden, maar ze begrepen het niet. 26 De volgende dag kwam hij tussenbeide toen twee Israëlieten aan het vechten waren, en hij probeerde hen met elkaar te verzoenen door te zeggen: “Jullie zijn toch broeders? Waarom doen jullie elkaar dan kwaad?” 27 Maar de man die zijn volksgenoot mishandelde, duwde hem weg en zei: “Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? 28 Of wil je mij ook doden, zoals gisteren die Egyptenaar?” 29 Toen Mozes dat hoorde, nam hij de vlucht en vestigde zich als vreemdeling in Midjan, waar hij twee zonen kreeg. 30 Nadat er veertig jaren waren verstreken, verscheen er in de woestijn bij de berg Sinai een engel aan hem in de vlammen van een brandende doornstruik. 31 Vol verwondering keek Mozes naar dit schouwspel, maar toen hij dichterbij kwam om het te onderzoeken, klonk de stem van de Heer: 32 “Ik ben de God van je voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.” Bevend van schrik wendde Mozes zijn blik af. 33 Maar de Heer zei tegen hem: “Trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. 34 Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is en ik heb hun jammerklachten gehoord, zodat ik ben afgedaald om hen te bevrijden. Daarom stuur ik je nu naar Egypte.” (NBV)

Het lijkt er op dat Stephanus de Hoge Raad van de Tempel uitvoerig de les leest door ze nog eens nauwkeurig en uitvoerig het verhaal van het volk Israël in Egypte en Mozes te vertellen. Maar zo nauwkeurig is het nu ook weer niet. In het verhaal zoals het in het boek Exodus wordt verteld werden niet alle jongetjes uit de generatie van Mozes te vondeling gelegd, ze werden ter dood gebracht. Als je slaven genoeg hebt dan verminder je de aanwas nietwaar. Alleen Mozes werd door zijn zuster in een biezen mandje in de Nijl te water gelaten in de hoop dat hij als vondeling zou worden beschouwd, hetgeen lukte. Ook de mededeling dat Mozes, toen hij 40 jaar was, iemand doodsloeg en moest vluchten staat niet in Exodus, daar wordt helemaal niet over de leeftijd van Mozes gesproken. En dat Mozes na 40 jaar in de woestijn bij de Berg Sinaï een engel in de brandende doornstruik zag, staat zo al helemaal niet in Exodus. Stephanus verdeelt hier het verhaal van Mozes in perioden van 40 jaar en een tijdsperiode van 40 jaar of 40 dagen is een periode van volheid in de Bijbel.

Toen het tijd was, toen de tijd daar was is vaak hetzelfde als na 40 dagen of na 40 jaren, zo ook hier. Stephanus, de Griek, vertelt hier dus op zijn eigen manier het verhaal van de redding van Mozes en de ontmoeting van Mozes met God. Denk nu niet dat er tegenstrijdigheden staan in de Bijbel. Dat is dus onzin. Denk ook niet dat Stephanus het mis had, of dat Exodus het mis had. Het komt niet op de details aan maar op de boodschap. God heeft Mozes door de dood heen gehaald en als Prins van Egypte groot laten brengen om later het volk uit de slavernij te kunnen voeren. Dat was niet iets dat Mozes zelf had bedacht maar daar was een Goddelijke roeping voor nodig. Het was ook geen zaak van overhaaste beslissingen geweest of een opwelling maar het gebeurde toen de tijd er voor rijp was. Maar op deze manier Mozes, de grote profeet van het volk Israël, de wetgever in de woestijn, te vergelijken met Jezus van Nazareth, de volksprediker die werd gekruisigd, moet voor de leden van Hoge Raad een serie vloeken in de Tempel zijn geweest.

En nog wel in het Grieks ook. Voor ons Heidense volgelingen van Jezus van Nazareth valt te leren dat het navertellen van de oude verhalen ons ineens duidelijk kan maken hoe het zit met die bevrijding. Gewoon te vondeling leggen kan het begin zijn van een vruchtbaar leven dat mensen bevrijdt uit een slavenbestaan. Daarom zijn ook de minsten onder ons te eren en te respecteren. Voor we het weten rijken we de hand aan mensen die onmisbaar zullen blijken in de loop van onze geschiedenis of de geschiedenis van onze kinderen. Dat is een verhaal dat de Bijbel ons voortdurend voorhoud, als we niet houden van onze naaste als van onszelf zullen we geen van beiden overleven. Daarom weten we wat ons te doen staat. Ook vandaag weer.

Broeders en leden van het Sanhedrin

Handelingen 7:1-16

1 De hogepriester vroeg: ‘Is dat waar?’ 2 Stefanus antwoordde: ‘Broeders en leden van het Sanhedrin, luister naar wat ik u te zeggen heb. Toen Abraham, de vader van ons volk, nog in Mesopotamië woonde, voordat hij zich in Charan vestigde, verscheen God in al zijn luister aan hem 3 en zei: “Trek weg uit je land, verlaat je familie, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.” 4 Toen trok Abraham weg uit het land van de Chaldeeën en vestigde zich in Charan. Na de dood van zijn vader bracht God hem naar dit land, waar u nu woont. 5 Hij gaf hem hier zelfs niet het kleinste stuk grond in eigendom, maar beloofde wel dat hij en zijn nakomelingen het eens in bezit zouden krijgen, ook al had hij toen nog geen zoon. 6 God zei tegen Abraham dat zijn nakomelingen vierhonderd jaar in een vreemd land zouden wonen, waar ze in slavernij zouden leven en slecht behandeld zouden worden.7 “Maar, ”zo luidden Gods woorden, “het volk dat ze als slaaf zullen dienen, zal ik straffen, en daarna zullen ze wegtrekken en mij vereren op de heilige plaats.” 8 God sloot met Abraham het verbond van de besnijdenis, en daarom besneed Abraham zijn zoon Isaak, acht dagen na diens geboorte, en Isaak deed hetzelfde met Jakob, en Jakob met de twaalf stamvaders. 9 Omdat de stamvaders jaloers waren op Jozef, verkochten ze hem als slaaf aan de Egyptenaren. Maar God beschermde hem 10 en maakte een eind aan al zijn beproevingen door hem in de gunst te laten komen bij de farao, de koning van Egypte, die hem wegens zijn wijsheid belastte met het bestuur over Egypte en hem de leiding gaf over zijn hele hofhouding. 11 Er brak echter een grote hongersnood uit in Egypte en Kanaän, die veel ellende veroorzaakte, zodat onze voorouders niets meer te eten hadden. 12 Toen Jakob hoorde dat er graan was in Egypte, stuurde hij onze voorouders daar voor de eerste keer heen. 13 Tijdens hun tweede bezoek onthulde Jozef aan zijn broers wie hij was, waarna zijn afkomst ook aan de farao bekend werd. 14 Jozef liet zijn vader Jakob overkomen met zijn hele familie van vijfenzeventig mensen. 15 Jakob vertrok naar Egypte en stierf daar, evenals onze voorouders; 16 ze werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham van de zonen van Chamor uit Sichem had gekocht. (NBV)

Het is om uit je vel te springen. Je bent lid van de Hoge Raad van Israël,het Sanhedrin. Je zorgt dat het volk in alle rust haar godsdienst kan belijden onder de heerschappij van de Romeinen. Je moet de Tempel verdedigen tegen het verlangen van de Romeinen daar hun eigen beelden neer te zetten, vooral het beeld van hun Keizer dat ze maar al te graag zouden willen laten aanbidden. Daarvoor is vrede nodig in het land. Daarvoor moet iedereen zonder mopperen belasting willen betalen aan de Romeinen. Daarvoor kun je geen onrust gebruiken en moet het volk als één man achter haar leiders gaan staan. En dan komt er zo’n rare sekte, zo’n clubje Galileërs, uit het land van de Heidenen, waar ze maar weinig weten van de betekenis van de Tempel, waar ze zeker niet op de hoogte zijn van de gevoelige politiek die met de Romeinen gevoerd moeten worden en die gaan die hele Tempeldienst bekritiseren en nemen met hun preken en praatjes de Tempel over. Natuurlijk zou het afgelopen moeten zijn als je de leider weet uit te schakelen. Die Jezus van Nazareth keurig door de Romeinen gekruisigd als Koning der Joden.

Zo’n Koning hebben ze toch helemaal niet nodig. De Keizer beschouwt zich als Koning der Joden en in de Tempel wordt gezongen dat er één Heer is en dat dat de God van Israël is. Maar de kritiek op de Tempel verstomt niet. Dag in dag uit lopen die volgelingen van Jezus van Nazareth naar de Tempel om de orde te verstoren. Ze beweren zelfs dat die Jezus van Nazareth uit de doden is opgestaan. En nu komt er zelfs zo’n Griek die niet in de taal van de Tempel, het Hebreeuws, of de Taal van Jeruzalem, het Aramees, maar in de taal van de rest van de wereld, het Grieks over die Jezus van Nazareth verteld. Alles zouden ze moeten delen, de offermaaltijden weer gaan houden zoals het in Deuteronomium staat vermeld, met de armen van de stad, met de vreemdelingen, de familie en de Priesters en Levieten. Alsof de Hogepriester met de arme bedelaar aan één tafel kan gaan zitten. En als je dan vraagt of het waar is dat die club van Jezusvolgelingen de Tempel wil afbreken of veranderen gaat die snotneus je in het Grieks de geschiedenis van je eigen volk vertellen. Alsof je daar niet je hele leven in gestudeerd hebt. Alsof je niet het citaat uit Psalm 29 herkent waar die jongeman mee begint.

Alsof je geen aalmoezen gegeven hebt aan de lamme bedelaar bij de ingang van de Tempel, die weer ging lopen toen die Petrus en Johannes hun hand naar hem uitstaken. De kans dat Stefanus iets zal bereiken bij het Sanhedrin is dus klein. Toch is dat hand uitsteken het enige dat ons kan helpen. Dat verhaal van Stefanus gaat over de liefde van God voor zijn volk, over hoe God zijn hand steeds opnieuw naar dat volk uitstak en hoe dus dat volk hun hand steeds opnieuw naar de minsten van dat volk zou moeten uitsteken. Dat vraagt dus ook van ons om aandacht te hebben voor die aardige, stille teruggetrokken mensen, die geen toekomst lijken te hebben, zonder vrienden en familie zijn en die hun wanhoop lijken in te slikken. In onze samenleving eindigen ze hun leven door een opvallende daad te stellen. Schietpartijen op school, of op hun werk, of tijdens een picknick van geliefden die zich hebben afgewend, of een dodelijke autorit op Koninginnedag. We hoeven ons niet schuldig te voelen als het gebeurd maar soms kunnen we zulke gebeurtenissen voorkomen door echt interesse te tonen voor iemand die alleen staat, echt een hand uit steken, echt voor de weduwen en de wezen te gaan staan zoals Stephanus deed.

Ook het volk hitsten ze op

Handelingen 6:8–15

8 Stefanus verrichtte dankzij Gods genade en kracht grote wonderen en tekenen onder het volk. 9 Enkele leden van de synagoge van de Vrijgelatenen, waartoe ook Joden uit Cyrene en Alexandrië behoorden, evenals Joden uit Cilicië en Asia, kwamen echter in verzet en begonnen met hem te redetwisten, 10 maar ze konden niet op tegen zijn wijsheid en tegen de heilige Geest die hem bezielde. 11 Daarop zetten ze anderen ertoe aan te verklaren dat ze hadden gehoord dat Stefanus Mozes en God had gelasterd. 12 Ook het volk hitsten ze op, evenals de oudsten en de schriftgeleerden. Ten slotte namen ze Stefanus gevangen en brachten hem voor het Sanhedrin.
13 Ze lieten valse getuigen komen, die verklaarden: ‘Deze man keert zich steeds weer tegen de tempel en de wet, 14 want we hebben hem horen zeggen dat Jezus uit Nazaret de heilige plaats zal afbreken en de gebruiken die Mozes ons heeft overgeleverd zal veranderen.’ 15 Alle leden van het Sanhedrin vestigden hun blik op Stefanus en zagen dat zijn gezicht leek op dat van een engel. (NBV)

Het is de gewoonte om op Tweede Kerstdag stil te staan bij de dood van Stefanus. Die wordt dan de eerste martelaar van het geloof in Jezus van Nazareth genoemd. Maar volgens Matteüs was hij niet de eerste, dat waren de ouders en kinderen van Bethlehem, de ouders moesten ondergaan dat hun pas geboren jongetjes waren vermoord op last van Koning Herodes. Maar waar kwam die Stefanus zo ineens vandaan? Vreemdelingenangst is al heel oud. In het verhaal van de Handelingen vindt je de sporen terug uit de tijd van de allereerste Christengemeenschap. Dat verhaal begon met die gemeenschap zelf. Daar hadden de Grieken het gevoel dat ze achtergesteld werden en dat hun weduwen slechter verzorgd werden dan de weduwen van de Arameeërs. Bedenk wel dat het in beide gevallen om Joden ging. Maar in Palestina werd Aramees gesproken en zij die dat spraken zou je nu de autochtonen kunnen noemen. Joden die in de rest van de wereld geboren waren spraken Grieks, de algemene voertaal naast het Latijn van de Romeinse bezetter. Het nieuwe Testament is dan ook in het Grieks geschreven en citeert het Oude Testament uit een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel.

Die Griekssprekenden waren dus de allochtonen. Wat was nu de reactie van de leiding van die eerste Christengemeenschap? Dat die Grieken maar moesten inburgeren? Dat ze maar de taal moesten leren van het volk van Israël? Niets er van, de Grieken werden in het bestuur van de gemeente opgenomen. Zeven van hen kregen de taak te waken over de verdeling van de goederen en de verzorging van de armen. De oorspronkelijke leiding kon zich daardoor bezig houden met de verkondiging in de Tempel. Maar die zeven hielden natuurlijk niet hun mond. Het verhaal zoomt in op Stephanus, want die zou een bijzondere rol gaan spelen. Zijn spreken wekte ongenoegen met de Joden die niks in die nieuwe Jezusbeweging zagen. En dan wordt gereageerd door de mensen die zich het meest moesten aanpassen, de mensen die in de meest kwetsbare positie verkeerden, de mensen die het meest te vrezen hadden van vreemdelingenhaat. Het waren de leden van de synagoge van de vrijgelatenen staat er. Wat zijn dat “vrijgelatenen”? Het is een Romeinse term die sloeg op vrijgelaten slaven.

Nu kenden de Joden twee soorten slaven. Joden die het land van hun familie waren verloren, in schulden zaten en zich hadden moeten verkopen als slaaf. En Joden die door de Romeinen als slaaf naar Rome waren gevoerd en wier nakomelingen vrijgelaten waren. Geleerden nemen over het algemeen aan dat het de laatste groep betreft. Die kwamen ook uit het buitenland, net als de Joden uit Cicilië en Asia. Dat waren dus ook Joden die zich moeten aanpassen aan die bijzondere samenleving in Jeruzalem. Maar zij hoorden bij de Synagoge, trefpunt van de Farizeeën, waar het nakomen van de letter van de leer van Mozes tot een levenshouding was verheven. Voor hen was het zeer afstotelijk dat er Joden waren die zich alleen bezig zouden houden met het houden van je naaste als van jezelf. Ze beschouwden zich als super Israëlieten. Zij zorgden er voor dat Stephanus gevangen genomen werd en terecht moest staan. Wij zullen moeten leren dat opnemen van vreemdelingen ook in je bestuur toch heel wat vruchtbaarder is en Christelijker lijkt dan het aanvallen en veroordelen van vreemdelingen.

Wees niet bang

Lucas 2:1-21

1 In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2 Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3 Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4 Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5 om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. 8 Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. 9 Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. 10 De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: 11 vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer. 12 Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’13 En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: 14 ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’ 15 Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ 16 Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. 17 Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. 18 Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19 maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. 20 De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. 21 Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen. (NBV)

Waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Je kunt wel schrikken van een stralende engelfiguur, maar om er nu bang van te worden? Engelen worden op die manier wel niet dagelijks gezien maar de verhalen er over zijn toch wel bekend en meestal betekenen ze iets goeds. Dus waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Om dat te begrijpen moeten we het kerstverhaal ontdoen van een heleboel romantische verzinsels. In het verhaal worden drie machthebbers genoemd. Augustus, Quirinius en David. Een keizer, een stadhouder en een koning. Die Keizer was de baas en die stadhouder zou de baas worden. Die keizer wilde een volkstelling houden. Dat was om te beginnen al schrikken en iets om bang voor te worden. In het oude verhaal van Koning David stond ook iets over een volkstelling, toen kreeg iedereen de pest en gingen er duizenden mensen dood. Het volk Israël had het niet gemakkelijk en de volkstelling was in de eerste plaats bedoeld om belasting te kunnen heffen, het volk zou het daarom nog minder gemakkelijk krijgen. Jozef en Maria namen een gok om hun afkomst van David tot gelding te brengen.

Op grond van die afkomst hadden ze recht op een akker in Bethlehem, de akker van Isaï waar ooit David de herder bij zijn schapen tot koning was gezalfd. Daar werd hun kind geboren, niet in hun of zelfs een huis, er was daar geen plaats, maar bij de dieren zodat het kind in een voederbak gelegd kon worden, gewikkeld in doeken zoals het na zijn sterven in doeken gewikkeld in een graf gelegd zou worden. Dat vertrouwen op de belofte van God, dat elke vijftig jaar een familie opnieuw zou mogen beginnen dat bracht de redding voor heel het volk. Die Quirinius zou pas tien jaar na de dood van Koning Herodes stadhouder worden, en het verhaal over Elisabet, Zacharias, Maria en Jozef begon in de dagen van Koning Herodes. Het ligt daarom voor de hand dat de geboorte van een kind in een open veld op een plaats waar het niet thuishoorde de volkstelling deed mislukken. Die stal staat dus ook niet in de Bijbel. Met die geboorte kon de angst van de herders verdwijnen, geen opstand, geen doden, maar vrede op aarde en van de mensen houden.

Rond dat eerste kerstfeest werd die Jezus van Nazareth nog gezien als de nieuwe Jozua. Ook bij die naamgeving speelt het mengsel van talen en vertalen waarin de Bijbel aan ons overgeleverd is ons parten. Jezus is onmiskenbaar een Griekse naam, maar die Griekse naam is de vertaling van een Hebreeuwse naam en wie dat gaat uitzoeken komt tot de ontdekking dat Jozua en Jezus dezelfde naam dragen. En die naam betekent ook nog wat: “God is redding”. Daar ging het toen om en volgens veel predikers gaat het daar vandaag ook nog om. Redding van zonden heet het dan. Nu voelen de meeste mensen zich niet zo zondig, ze proberen netjes te leven, vallen niemand lastig en doen een duit in het zakje als het tegen malaria is of voor andere goede doelen. Maar die redding is van veel groter kwaad dan een enkel gewoon mens zou kunnen doen. We kunnen gered worden van hongersnood, van malaria en veel andere armoedeziekten, van oorlog en geweld. Daarvoor moeten we net als de herders doen, iedereen opwekken mee te gaan doen in dat verhaal van je naaste liefhebben als jezelf. Niet zomaar alleen met kerstfeest, elke dag.

De eed die hij gezworen had

Lucas 1:67-80

67 Zijn vader Zacharias werd vervuld met de heilige Geest en sprak deze profetie: 68 ‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. 69 Een reddende kracht heeft hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, 70 zoals hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten: 71 bevrijd zouden we worden van onze vijanden, gered uit de greep van allen die ons haten. 72 Zo toont hij zich barmhartig jegens onze voorouders en herinnert hij zich zijn heilig verbond: 73 de eed die hij gezworen had aan Abraham, onze vader, dat wij, 74 ontkomen aan onze vijanden, hem zonder angst zouden dienen, 75 toegewijd en oprecht, altijd levend in zijn nabijheid. 76 En jij, kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste, want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor hem gereed te maken, 77 en om zijn volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden. 78 Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan 79 en verschijnen aan allen die leven in duisternis en verkeren in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’ 80 Het kind groeide op en werd gesterkt door de Geest. Johannes leefde in de woestijn tot de dag aanbrak waarop hij zich kenbaar maakte aan het volk van Israël. (NBV)

Zacharias begint in het gedeelte van vandaag een lied te zingen. Als een profetie staat er. Daarmee verbindt de schrijver van het Lucas evangelie ook dit lied heel uitdrukkelijk met het Oude Testament. Zacharias begint dan ook zoals veel psalmen beginnen door de God van Israël te begroeten als een koning. Niet de Keizer in Rome of de Koning in Jeruzalem begroeten als een God maar de God van Israël begroeten als een Koning. Geen andere Heer is er voor deze priester dan de God van Israël. Want het volk Israël wordt bevrijd van zijn vijanden. Het kind dat zojuist geboren is is daarvan het teken. Opnieuw kan een profeet in Israël opstaan, opnieuw zal een gezalfde bevrijder, een messias, op kunnen staan. In het Grieks heet zo’n gezalfde de Christus en later zal Jezus van Nazaret met deze titel worden aangesproken. Die belofte van een volk dat in vrijheid en vrede in een land zal wonen dat overvloeit van melk en honing, waar alle volken zich naar zullen buigen werd al aan Abraham gedaan.

Die belofte is ook te horen in de naam Elisabet, dat betekent “God heeft gezworen”. Als in een psalm herhaalt Zacharias de oude beloften en laat merken dat ze voor hem op die dag vervuld zijn. Want zijn zoon zal genoemd worden “profeet van de allerhoogste” Zo was het gezegd in het visioen dat Zacharias in de Tempel had gekregen. Nu hebben we wel meer visioenen, we denken wel meer aan een aarde zoals die zou moeten kunnen zijn, een wereld zonder voedselcrisis, zonder oorlogen, zonder bedreiging van het klimaat, zonder honger en ziekten, zonder het ruimen van gezonde dieren in rijke landen, zonder leed en ellende voor eenvoudige mensen. Een wereld waar iedereen mee kan doen en niemand wordt uitgesloten op grond van geloof, geaardheid, afkomst, of wat dan ook. Een wereld zonder oorlog, zonder vluchtelingen. Maar is zo’n visioen louter een dagdroom, een droom die vervliegt met de wolken aan de hemel, of durven wij het met die droom aan? Durven wij het aan met een Schepper van een aarde die beantwoord aan dat visioen?

Volgens Zacharias zal de liefdevolle barmhartigheid van die God een stralend licht uit de hemel doen opgaan, zoals in het begin van de Bijbel als gezegd wordt: “God sprak, er zij licht, en er was licht”. Dat begin van de Bijbel ligt dus niet achter ons maar voor ons. Zacharias durfde het met dat visioen aan in een tijd dat de bezetting van zijn land een inktzwarte periode was. Hij durfde zijn pasgeboren zoon aan dat visioen toe te vertrouwen. Een zoon die hij pas op hoge leeftijd had gekregen en die daardoor extra kostbaar was. Meer kansen op nageslacht waren er niet. Maar ook Abraham en Sara waren oud toen Izaak werd geboren en ook Abraham durfde zijn zoon toe te vertrouwen aan dat visioen van een aarde zonder mensenoffers. Een feest dat door de Moslims nog ieder jaar wordt gevierd. Als we de oude verhalen over de beloften van de God van Israël opnieuw vertellen, en opnieuw vertellen in onze tijd, de tijd van voedselcrisis en economische crisis, de tijd van uitsluiting en verdeling van groepen in onze samenleving, dan kunnen we niet anders dan vertellen dat ook onze samenleving zich zal moeten omkeren. Dat we samen onze voeten moeten en kunnen zetten op de weg van de vrede. Maar die weg kunnen we al vandaag opgaan.

Hoe zal het verder gaan met dit kind?

Lucas 1:57-66

57 Toen de dag van haar bevalling was aangebroken, bracht Elisabet een zoon ter wereld. 58 Haar buren en verwanten hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest, en ze verheugden zich samen met haar. 59 Op de achtste dag kwamen ze het kind besnijden, en ze wilden het Zacharias noemen, naar zijn vader. 60 Maar zijn moeder zei: ‘Nee, Johannes zal hij heten!’ 61 Ze zeiden tegen haar: ‘Er is niemand in je familie die zo heet.’ 62 Ze beduidden zijn vader te laten weten hoe hij het kind wilde noemen. 63 Hij vroeg om een schrijftablet en schreef erop: ‘Johannes is zijn naam.’ Iedereen was verbaasd. 64 En meteen werd de verlamming van zijn mond en zijn tong ongedaan gemaakt, en hij begon te spreken en loofde God. 65 Alle omwonenden waren diep onder de indruk, en in heel het bergland van Judea werden deze gebeurtenissen besproken. 66 Ieder die het hoorde bleef erover nadenken, en vroeg zich af: Hoe zal het verder gaan met dit kind? Want de machtige hand van de Heer beschermde hem. (NBV)

Het is tijd voor de geboorte van het kind van Elisabet, Maria is net weer naar huis gegaan zegt het verhaal. Ook nu volgt Lucas de verhalen van het Oude Testament. De aankondiging van de geboorte is bijna letterlijk hetzelfde als het verhaal over Rebekka die twee kinderen kreeg. En ook hier gaat het immers om een nieuw begin voor het volk Israël. En natuurlijk moet de nieuwgeboren jongen besneden worden, op de achtste dag zoals de wetten van Mozes het hadden voorgeschreven. De geboorte en de opname in het volk van Israël zijn geen zaak meer van de ouders alleen. Iedereen uit de buurt bemoeit zich er mee. Iedereen uit de buurt deelt in de vreugde die de geboorte van een kind meebrengt. Als je vandaag de dag hoort over kinderen die achtergelaten zijn, te vondeling of zelfs gedood zijn vlak na de geboorte dan vraag je je wel eens af of we mensen niet al te vaak alleen laten en in hun eigen sop laten gaarkoken. De vreugde van de komst van een kind, de vreugdevolle zwangerschap die niet voor niets “in verwachting” heet, wordt soms niet of te weinig gedeeld, kan soms niet gedeeld worden omdat de zwangere wordt afgewezen of genegeerd.

Elk verhaal over een dode baby of een te vondeling gelegd kind moet ieder van ons doen afvragen of ook in onze omgeving een jonge vrouw kan voorkomen die ongemerkt zwanger is en dat alleen moet dragen. Iedere moeder kent de advent, de tijd van verwachting van nieuw leven, maar elke advent moet uit kunnen lopen op samen vreugde delen met de omgeving. Zoals Maria de vreugde van de geboorte van haar kind later in het verhaal zal delen met de herders. In het verhaal van vandaag gaat het nog om de naamgeving. Elisabet wil dat de jongen “God is een genadig gever”, Johannes, gaat heten. Maar kennelijk hoort dat niet zo. Er zijn, ook op het gebied van naamgeving, nu eenmaal gewoonten en tradities. Volgens de omgeving moet het kind naar zijn vader genoemd worden. Maar zijn vader zwijgt en het zal de bedoeling zijn dat het kind gaat spreken. Dat was aangekondigd in het visioen in de Tempel. Nu komt het er op aan of Zacharias op dat visioen durft te vertrouwen, het aandurft om ook zijn kind aan dat visioen toe te vertrouwen. En dat doet hij.

Hij erkent dat zijn vrouw terecht als eerste heeft gesproken over de naam van het kind. In die naamgeving komt het buitengewone van zwangerschap en geboorte tot uiting en de erkenning van dat buitengewone maakt dat Zacharias weer kan spreken. Dat buitengewone is het vertrouwen dat die God ook met dat kind zal meetrekken, zoals hij met Elisabet en Zacharias is meegetrokken is. De geboorte van dat kind bevestigt ook weer de naam van de God die beloofde er te zullen zijn en die er was toen zijn volk bevrijd moest worden uit de slavernij in Egypte. De bezetting door de Romeinen maakte het eens te meer nodig dat die God er ook zou zijn voor zijn volk. De geboorte van een kind, nog wel uit ouders die er eigenlijk te oud voor waren, maakt dat het vertrouwen opnieuw bevestigd wordt. Geen wonder dat mensen zich afvroegen hoe het verder zou gaan met dit kind. Ze konden weer gaan geloven aan de komst van die nieuwe aarde, waar geen angst en verdrukking meer zal zijn. Dit verhaal vertelt ons dat ook wij daar weer in mogen gaan geloven. God zal het ons ook geven dat honger en dorst zijn verdwenen van de aarde, als we er nog vandaag aan gaan werken in het vertrouwen dat zijn woord waarheid is.

Loof onze God!

Openbaring 19:1-10

1 Hierna hoorde ik in de hemel een geweldige stem als van een grote menigte zeggen: ‘Halleluja! De redding, de eer en de macht zijn van onze God, 2 want zijn vonnis is betrouwbaar en rechtvaardig. Hij heeft immers de grote hoer, die door haar ontucht de wereld in het verderf heeft gestort, veroordeeld en het bloed van zijn dienaren op haar gewroken.’ 3 Opnieuw zeiden ze: ‘Halleluja! Haar rook stijgt op tot in eeuwigheid.’ 4 De vierentwintig oudsten en de vier wezens wierpen zich neer voor God, die op de troon zit, en aanbaden hem met de woorden: ‘Amen! Halleluja!’ 5 Vanaf de troon klonk een stem, die zei: ‘Loof onze God! Laat al zijn dienaren die ontzag voor hem hebben, jong en oud, hem loven!’ 6 Toen hoorde ik iets als een stem van een grote menigte, van geweldige watermassa’s en van krachtige donderslagen zeggen: ‘Halleluja! De Heer, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap op zich genomen. 7 Laten we blij zijn en jubelen, laten we hem de eer geven! Want de bruiloft van het lam is gekomen en zijn bruid staat klaar. 8 Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen.’ Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen. 9 Toen zei hij tegen mij: ‘Schrijf op: “Gelukkig zijn zij die voor het bruiloftsmaal van het lam zijn uitgenodigd.”’ En hij vervolgde: ‘Wat God hier zegt, is betrouwbaar.’ 10 Ik wierp me aan zijn voeten neer om hem te aanbidden, maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en zoals je broeders en zusters die van Jezus getuigen. Je moet God aanbidden.’ Want getuigen van Jezus is profeteren. (NBV)

Deze dagen staan in het teken van vreemdelingen, in Den Haag is al twee maanden een kerkasiel bezig en een grote groep Nederlanders op weg naar Griekenland om vluchtelingen te bevrijden uit de verschrikkelijke kampen waar ze in terecht zijn gekomen. Het lijkt er op dat Christelijk Nederland in opstand komt tegen een al te hard liefdeloos vreemdelingenbeleid, dat overgens door kan gaan met steun van de beide christelijke partijen in de regering. Wij lezen een verhaal uit het boek Openbaring. Welk licht werpt dat nu op de strijd Christenen zo rond de kerstdagen. De taal van Johannes is gemakkelijk, de beelden die hij gebruikt horen niet meer tot ons dagelijks spraakgebruik maar als we goed om ons heen kijken dan krijgen die dromen van Johannes een bijzondere betekenis. We moeten ons allereerst steeds voor ogen houden dat die beelden geschreven zijn terwijl de schrijver gevangen zat op een klein eiland en de gevangene was van een rijk dat de hele bekende wereld omvatte. Dat rijk werd bestempeld als een hoer die geen afspraak wist te houden, die iedereen verleidde maar ook iedereen in het ongeluk stortte.

En dan schrijft Johannes op dat die hoer veroordeeld is en dat het bloed van haar slachtoffers gewroken is. Vervolgen wij niemand meer die anders geloofd dan wij gewend zijn? Is er geen discriminatie meer? Zorgen wij voor de vreemdelingen onder ons als voor onszelf? Johannes weet van de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem in het jaar 70. Hij beschrijft hoe een nieuwe Tempel uit de hemel op aarde komt neerdalen, een Tempel waarin God zelf zal wonen. De Hemel komt op aarde. Maar daarbij is nodig dat iedereen ontzag voor die God heeft, jong en oud. Dat wil zeggen dat iedereen leeft zoals die God het gewild heeft, je naaste liefhebben als jezelf, zorgen voor de zwaksten in je samenleving. Als iedereen dat doet, als iedereen daar Amen op zegt, iedereen op de hele wereld, dan klinkt er een geluid als van krachtige watermassa’s, dat is bijna niet te bevatten, het dan ook een prachtig visioen, maar voor Johannes een visioen met betekenis, daar zal de geschiedenis van mensen op uit lopen en daar is de situatie van mensen aan af te meten. God heeft het koningschap op zich genomen klinkt het.

Dat is natuurlijk wel iets anders dan de regering van de Keizers, van de beurzen, van machtige generaals, dictators of onze eigen politici in hun grijze en gestreepte pakken. Johannes spreekt in zijn boek vaak over het lam dat de macht krijgt. Dat lam was het lam dat geslacht werd op de avond dat het volk Israël uit Egypte trok, de woestijn in. Het bloed van dat lam had er voor gezorgd dat de eerstelingen van het volk niet werden gedood zoals de eerstelingen van Egypte wel werden gedood. Dat lam zorgt nog steeds voor de bevrijding van slaven mogen wij horen. En dat is maar goed ook want zelfs in onze dagen zijn er kindslaven en seksslavinnen die bevrijding verdienen en praten we ook niet soms over loonslaven. Dit verhaal over het lam herinnert er ons aan, en zet ons aan er iets aan te doen. Want dan staat de maaltijd klaar die we nu al in de kerken proberen te vieren in het delen van het brood en de wijn, de maaltijd waarbij niemand ter wereld meer honger heeft en waar alle tranen gedroogd zijn. Daar mogen we vandaag en de komende kerstdagen weer voor werken.

In één uur tijd

Openbaring 18:9-24

9 De koningen op aarde, die ontucht met haar hebben gepleegd en in weelde hebben geleefd, zullen om haar jammeren en treuren als ze de rook boven haar zien opstijgen. 10 Ze blijven op een afstand, ontzet door de straf die zij krijgt, en zeggen: “Wee! Wee Babylon, grote, sterke stad! In één uur tijd is je vonnis voltrokken!” 11 De handelaars op aarde treuren en rouwen om haar, want er is niemand die hun waren nog wil kopen: 12 goud en zilver, edelstenen en parels, linnen, purperen stoffen, zijde, scharlaken stoffen, cipressenhout, allerlei voorwerpen van ivoor en van dure houtsoorten, van brons, ijzer en marmer, 13 kaneel en kardemom, reukwerk en balsem, wierook, wijn en olijfolie, meel en tarwe, runderen en schapen, paarden en wagens, slaven en lijfeigenen. 14 Verloren zijn de vruchten waar je hart naar uitging, verdwenen al je rijkdom, alle weelde-dat alles is voorgoed voorbij. 15 Degenen die hierin handelden en die hun rijkdom aan haar te danken hebben, blijven op een afstand, ontzet door de straf die zij krijgt. Ze treuren en rouwen om haar 16 en zeggen: “Wee! Wee grote stad! Je droeg linnen, purperen en scharlakenrode kleren, en gouden sieraden, edelstenen en parels. 17 Maar in één uur tijd is heel je grote rijkdom vernietigd.” Alle stuurlui, iedereen die op Babylon vaart, het scheepsvolk en alle anderen die op zee werken, bleven op een afstand 18 en riepen toen ze de rook boven haar zagen opstijgen: “Welke stad is er aan die grote stad gelijk?” 19 Ze wierpen stof over hun hoofd, treurden en rouwden, en riepen: “Wee! Wee grote stad! Iedereen die schepen op zee had, dankte zijn rijkdom aan haar schatten. Maar in één uur tijd is zij te gronde gericht.” 20 Juich om haar, hemel, juich heiligen, apostelen en profeten! Het vonnis dat zij jullie had toebedacht, heeft God aan haar voltrokken.’ 21 Toen tilde een sterke engel een steen zo groot als een molensteen op en smeet die in zee met de woorden: ‘Zo zal ook Babylon, die grote stad, worden weggeslingerd; ze zal voorgoed verdwijnen. 22 De klank van lier en zang, bazuin en fluit zal in jou voorgoed verstommen, de bedrijvigheid van ieder ambacht zal in jou voorgoed stilvallen. Het geluid van de molen zal nooit meer in je klinken, 23 het licht van de lamp nooit meer in je schijnen. Het feestgedruis rond bruid en bruidegom zal in jou nooit meer te horen zijn. Eens waren je handelaars de groten der aarde, alle volken bezweken voor je verleidende toverij. 24 Maar ook vloeide in deze stad het bloed van profeten en heiligen, van al degenen die op aarde werden geslacht.’ (NBV)

Koningen, handelaars in van alles die treuren om de ondergang van Rome. Ze moeten wel, de decadentie is beloond met de straf van God en er is niemand meer om handel mee te drijven, niemand aan wie je je slaven kunt verkopen, niemand meer die jouw soldaten of gladiatoren wil huren. Armoede is het over de hele linie. Want je kunt ook niks kwijt aan andere koningen of aan andere handelaars. De vruchtbaarheid van de economie die schijnbaar van het grote Rome met haar goddelijke keizers kwam is opgedroogd, het bestaat niet meer. In één uur was de hele economie ingestort, brand brak er uit en de aanvoer over zee kwam als eerste tot stilstand. Hoe het met die stad afliep? Als een steen die je in het water gooit, niks meer van terug te vinden.

Erg is het verhaal over Rome, zo veel mensen die zo veel leed berokkend werden. Want de Koningen die aan Rome schatplichtig waren geworden probeerden natuurlijk wel te besturen, er werd overal keurig belasting geïnd. De handelaren die zo veel hadden verdiend hadden er ook hard voor moeten werlen, eerst inkopen op het juiste moment, dan bewaren en dan op het juiste moment verkopen. Dan moet die gemeente van Christenen uit Rome gaan staan juichen omdat het vonnis van de God van Israël tot uitvoer wordt gebracht, weg met de stad. Er komt natuurlijk wel weer ruimte om voor elkaar te zorgen, er voor elkaar te zijn en ook Koningen en handelaars zullen beseffen dat ze zonder het gewone volk niet kunnen.

Johannes laat zijn lezers een loflied aanheffen. Een loflied op de God van Israël. In dat vreugdelied klinkt door wat er is gebeurt in Rome. Geen muzikanten meer die dag en nacht moesten blijven spelen, geen bakker, geen smid, geen meubelmaker meer. Zelfs de molenaar kan de wieken stilzetten. De grote overdadige bruiloften in de stad zijn voorbij. De handelaars en koningen die konden wel in weelde leven maar ondertussen vloeide wel het bloed van de armen, van de profeten en heiligen. Dat bloed roept de straf van God op, als het volk verwaarloosd wordt komt het in opstand. Als de rijken rondrijden zonder op de kosten te moeten letten en de armen moeten lopen dan worden de wegen verstopt, dan staat het volk op om weer te gaan leven. Dat is vandaag maar dat was in Rome niet anders.

Een woonplaats voor demonen

Openbaring 18:1-8

1 Hierna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen. Hij had groot gezag en zijn luister verlichtte de aarde. 2 Met een krachtige stem riep hij: ‘Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad! Ze is een woonplaats voor demonen geworden, ze biedt onderdak aan elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein, afschuwelijk dier. 3 Alle volken hebben door haar ontucht de wijn van haar wellust gedronken, de koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de handelaars op aarde zijn van haar overvloedige weelde rijk geworden.’ 4 Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel zeggen: ‘Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen. 5 Want haar zonden reiken tot aan de hemel en God zal haar onrecht vergelden. 6 Doe met haar wat zij met anderen deed, ja laat haar dubbel boeten. Laat haar het dubbele drinken uit de beker waaruit zij anderen te drinken gaf. 7 Geef haar net zoveel pijn en rouw te dragen als zij zich luister en overvloed heeft gegund. Ze zegt bij zichzelf: Ik zit hier als een koningin, niet als een arme weduwe. Mij zal niets gebeuren! 8 Daarom zullen alle plagen haar op één dag treffen: dodelijke ziekte, rouw en hongersnood, en ze zal in vlammen opgaan. Want God, de Heer, die dat vonnis heeft geveld, is machtig. (NBV)

De eerste lezers van het boek Openbaring zullen de wenkbrauwen gefronst hebben toen ze aan hoofdstuk 18 begonnen. Gevallen is Babylon klinkt het uit de mond van een boodschapper van de God van Israël. Maar Johannes bedoelde met Babylon toch Rome? Zou voor God de val van Rome al vaststaan? Is die voor de machtige keizers met hun onoverwinnelijke legers onontkoombaar? Dat Rome een woonplaats voor boze geesten is geworden klopt wel. Dat elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein of afschuwelijk dier krijgt daar onderdak krijgt klinkt misschien wat overdreven maar als het om die dieren gaat dan verzamelden Keizers dierentuinen vol om zich aan het volk te kunnen tonen als de Heer van de hele bewoonde wereld.

Aan die praalzucht en hoogmoed hebben veel mensen een hoop geld verdient. In de dagen van Johannes van Patmos was het niet anders als nu. Alleen hadden ze geen ING die hielp de verdiensten wit te wassen of banken met een zo groot bankgeheim dat elke dictator op de wereld er zijn gestolen miljoenen kan parkeren. Maar het neemt niet weg dat iedereen tegen Rome op keek en dat er veel steden waren die hun best deden te gaan lijken op Rome. Misschien met net wat kleinere tempels, een niet zo’n grote arena, maar wel met een uitstraling die een echte Romeinse stad behoorde te hebben.

Maar naast die onreine geesten en afschuwelijke beesten was er in Rome toch ook een gemeente van Christenen? Die werden daar wel vervolgd maar ze hielden hardnekkig stand. Johannes erkent ze en roept ze op om weg te gaan, zoals eens Lot met zijn familie Sodom verliet omdat daar nog geen vijf rechtvaardigen konden worden gevonden. Dat God het onrecht door Rome gedaan zal vergelden staat vast. En die vergelding zal passen bij de grote en het belang van Rome, het zal een dubbele vergelding zijn. Maar Johannes heeft ook een troost voor de gemeente, het zal niet lang duren, alle plagen breken op één dag uit. Dat je dus weg moet wezen daar waar het kwaad geschiet geldt dus ook voor ons. Als het de gewoonte wordt om in Nederland geboren kinderen te deporteren naar voor hen vreemde landen wordt het tijd om weg te wezen, afstand te nemen van de boosdoeners.