Vermeerderd met een vijfde.

Leviticus 5:14-26

14 De HEER zei tegen Mozes: 15 ‘Wie heiligschennis pleegt door zich onbewust te vergrijpen aan wat de HEER toebehoort, moet bij wijze van genoegdoening een ram zonder enig gebrek als hersteloffer aan de HEER aanbieden. Het dier moet een waarde hebben van een vastgestelde hoeveelheid zilver, berekend volgens het ijkgewicht van het heiligdom.16 Datgene wat de HEER toebehoort en ontwijd is, moet worden vergoed. De persoon in kwestie moet de waarde ervan aan de priester betalen, vermeerderd met een vijfde. Door de ram te offeren voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite, en krijgt deze vergeving. 17 Wie zonder het te weten zondigt tegen een van de geboden van de HEER en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, is strafbaar. 18 Als hersteloffer moet hij een ram zonder enig gebrek ter waarde van een vastgesteld bedrag naar de priester brengen. Dan zal de priester voor hem de verzoeningsrite voltrekken voor wat hij onbedoeld en zonder het te weten misdaan heeft, en krijgt hij vergeving. 19 Het is een hersteloffer, want hij heeft zich schuldig gemaakt tegenover de HEER.’ 20 De HEER zei tegen Mozes: 21 ‘Wie zondigt en een overtreding tegenover de HEER begaat door te ontkennen dat een volksgenoot hem iets in bewaring heeft gegeven of hem iets heeft geleend, terwijl dat wel zo is, of door ten onrechte te ontkennen dat hij iets gestolen heeft, of wie iemand afperst 22 of ten onrechte ontkent dat hij iets heeft gevonden dat een ander verloren heeft, en in zo’n geval meineed pleegt, 23 laadt schuld op zich. Hij moet het gestolen goed, het afgeperste geld of wat hem in bewaring is gegeven of wat de ander verloren heeft, 24 of wat hij zich ook maar door meineed probeerde toe te eigenen, volledig vergoeden en de eigenaar boven de hoofdsom een vijfde extra betalen, op de dag dat hij zijn hersteloffer brengt. 25 Bij wijze van genoegdoening voor de HEER moet hij als hersteloffer een ram zonder enig gebrek ter waarde van een vastgesteld bedrag naar de priester brengen. 26 Dan zal de priester voor hem ten overstaan van de HEER de verzoeningsrite voltrekken voor datgene waaraan hij zich schuldig gemaakt heeft, en krijgt hij vergeving.’ (NBV)

Het klinkt vaak zo gemakkelijk, een paar kopieën maken op kantoor, op kosten van de werkgever, wat paperclips meenemen of een pak printpapier. Een kopje uit de kantine wat overgebleven broodjes maar ook die fles wijn die nog gebruikt had kunnen worden. Hele bedrijven zijn er aan ten onder gegaan. Bedrijfsdetectives hebben een goede boterham aan de bestrijding er van. Als we Leviticus lezen en dan zien dat het gaat om het zich onbewust vergrijpen aan wat God toebehoort dan lijkt het ver van ons bed. Bij ons geen tempel, geen offers, geen bijdragen aan de tempel. Dus per ongeluk mee-eten met een offer of iets dergelijks dat kennen we niet. Maar we geloven dat alles wat wij hebben, maar ook alles wat een ander heeft uit Gods hand gekregen is.

Dus als God ons bedrijf, onze vereniging of onze buurman iets heeft gegeven dan verstoren wij de relatie tussen God en mensen als we dat onnadenkend mee nemen. Ook voor ons geldt dat we het moeten herstellen. Een bedrijf of een verenging moet je dan misschien een stevig bedrag aan geld aanbieden. Liefst iets meer als de schade die we hebben toegebracht. Uiteindelijk moet je zeker, ook aan jezelf, duidelijk maken wat er fout is gegaan. Dat is ook als je verkeersregels overtreed, of je niks aantrekt van de stilte in een stiltecoupé, of voordringt als er ergens een rij is ontstaan. Van die kleine verstoringen van de samenleving waarbij je jezelf belangrijker vindt dan al die anderen. De samenleving waar niemand iets een ander aan doet wat hij zelf niet wil dat hem dat aangedaan zou worden blijft dan weer verder uit.

Bezit van een ander is volgens dit Bijbelgedeelte heilig. Beschouw het maar als bezit van God. Zeker als je het in bewaring hebt gekregen dan is het dubbel belangrijk er zorgvuldig mee on te gaan. Als je weet of vermoed dat het van diefstal afkomstig is moet je het aangeven, en als het je gevraagd wordt ontken het dan niet want als iemand ten onrechte het geld of het bezit wordt afgenomen dan verliest die persoon niet alleen dat geld of bezit maar dan verliest ook de God dat bezit of dat geld, het was immers door God gegeven. In al die gevallen moet een hersteloffer betaald worden. Aan de persoon die schade is toegebracht en door een offer aan God. De vergoeding wordt meer als je onder herstel hebt geprobeerd uit te komen. Leviticus leert ons hier ook dat het vaak de kleine dingen zijn die het doen. Let dus op niemand schade toe te brengen, bedoeld of onbedoeld.

Wie zich geen schaap of geit kan veroorloven

Leviticus 5:1-13

1 Wie zondigt doordat hij geen gehoor geeft aan een met een vervloeking bekrachtigde oproep om te getuigen, terwijl hij het misdrijf wel heeft gezien of ervan weet, maakt zich strafbaar. 2 Ook wie vergeet dat hij in aanraking is geweest met iets onreins, zoals het kadaver van een wild of tam dier of het kadaver van een kruipend dier, en daardoor onrein blijft, maakt zich schuldig, 3 net als iemand wie het is ontschoten dat hij in aanraking is geweest met de onreinheid van een mens, van welke aard dan ook, 4 of die vergeet dat hij een onbezonnen eed heeft gezworen, ten goede of ten kwade, of hoe dan ook. 5 De betreffende persoon moet, zodra hij zich van zijn schuld bewust wordt, openlijk uitspreken wat hij misdaan heeft 6 en de HEER hiervoor bij wijze van genoegdoening een vrouwelijk dier, een ooi of een geit, als reinigingsoffer aanbieden. De priester zal voor hem de verzoeningsrite voltrekken. 7 Wie zich geen schaap of geit kan veroorloven, moet als genoegdoening twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven aan de HEER offeren, één als reinigingsoffer en één als brandoffer. 8 Hij moet ze naar de priester brengen, en deze brengt eerst de duif die als reinigingsoffer bedoeld is naar het altaar. De priester moet het dier achteraan bij de nek de kop afknijpen, maar hij mag die niet van het lichaam scheiden. 9 Hij sprenkelt wat bloed van het offerdier tegen de zijkant van het altaar, en de rest van het bloed laat hij aan de voet van het altaar uitlekken. Dan is het geschikt als reinigingsoffer. 10 De tweede duif moet hij als brandoffer opdragen, overeenkomstig de voorschriften. Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. 11 Wie geen twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven heeft, moet als reinigingsoffer voor wat hij misdaan heeft een tiende efa tarwebloem aanbieden. Er mag geen olie over worden gegoten en er mag geen wierook op worden gelegd, het is immers een reinigingsoffer. 12 De bloem wordt naar de priester gebracht, en deze neemt een handvol ervan als teken voor de hele offergave en verbrandt dit samen met de andere offergaven voor de HEER op het altaar. Dan is de gave geschikt als reinigingsoffer. 13 Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. Wat overblijft is, net als bij het graanoffer, bestemd voor de priester.”’ (NBV)

Denk nu niet dat alleen slechte mensen kunnen zondigen. Het gedeelte van vandaag begint met een zonde van goede mensen die niettemin toch de samenleving in wanorde kunnen brengen met hun zonde. Als de overheid je dagvaart om te getuigen bij een misdrijf dan ben je verplicht te komen. Dat is ook in onze rechtspraak zo. Een getuigenis kan als bewijs voor het misdrijf worden behandeld en aangezien we uit zijn op een samenleving zonder misdrijven is die getuigenis van het grootste belang. Ook al hebben we in onze dagen veel aan technisch sporenonderzoek, tot aan DNA toe, getuigen blijven belangrijk. Er zijn nog steeds zaken die het voornamelijk van getuigen moeten hebben.

Nu gebeurt het ons allemaal wel eens dat we onbedoeld of ongemerkt dingen doen die niet helemaal goed zijn. We vergeten de handen te wassen na toiletbezoek, we rapen een dood dier op omdat we denken die te kunnen reanimeren. We leggen een getuigenis af die zekerder klinkt als in werkelijkheid kan. Het zijn kleine fouten die grote gevolgen kunnen hebben voor de samenleving. Daarom verstoren ze het verbond met de God die de mensen had aangeraden juist zorgvuldig te zijn. Besmetting met een ziekte is zo gebeurt, daarom is vaccinatie van groot belang en een geschenk van God voor een dichtbevolkte samenleving. En een getuigenis die leidt tot de veroordeling van een onschuldige is een ramp voor de betrouwbaarheid van de rechtspraak.

Bij de offers die hier worden voorgeschreven wordt ter dege rekening gehouden met het inkomen en vermogen van degene die de samenleving in gevaar heeft gebracht. Zo belangrijk is dat iedereen zorgvuldig blijft werken. Voor er wordt geofferd moet de persoon in kwestie dan ook hardop vertellen wat die verkeerd heeft gedaan. Dan volgen de offervoorschriften voor de rijken, de middeninkomens, de lagere inkomens en de armen. Jozef en Maria zullen na de geboorte van hun zoon twee duiven offeren, ze behoorden dus tot de lagere inkomensklassen in de samenleving. Door dat onderscheid te maken wordt iedereen gelijkelijk bestraft voor de dezelfde daad. Bij ons is dat niet zo, naar verhouding moeten de armen een groter deel van hun inkomen of bezit afstaan als de rijken. Duizend euro is voor de een een fooi en voor de ander een maandsalaris. De Bijbel geeft een ander voorbeeld, niet de straf is waar het om draait, maar het herstel van de maatschappelijke orde is het doel. We kunnen er nog veel van leren.

En schuld op zich laadt

Leviticus 4:27-35

27 Als iemand anders uit het volk onbedoeld zondigt tegen een van de geboden van de HEER en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, 28 moet hij, zodra hij beseft wat hij misdaan heeft, als reinigingsoffer een geit zonder enig gebrek aanbieden. 29 Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten op de plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden. 30 De priester strijkt met zijn vinger wat bloed van het offerdier aan de horens van het brandofferaltaar. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. 31 Al het vet moet hij verwijderen, zoals ook met het vet van het vredeoffer gedaan wordt, en hij moet het op het altaar verbranden als een geurige gave die de HEER behaagt. Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite, en krijgt deze vergeving. 32 Wie een schaap als reinigingsoffer aanbiedt moet een vrouwelijk dier nemen zonder enig gebrek. 33 Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het als reinigingsoffer slachten op de plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden. 34 De priester strijkt wat bloed van het offerdier aan de horens van het brandofferaltaar, en de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. 35 Al het vet moet hij verwijderen, zoals ook met het vet van het schaap voor het vredeoffer gedaan wordt, en hij moet het verbranden op het altaar, samen met de andere offergaven voor de HEER. Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. (NBV)

Iedereen maakt wel eens een fout. Iedereen doet wel eens iets dat volgens de richtlijnen voor de menselijke samenleving niet gedaan had moeten worden. Is dat erg ook al is het onbedoeld? Wij zouden zeggen ach iedereen maakt wel eens fouten dus zand er over en verder gaan. Het heeft geen zin te treuren over verspilde melk. De Bijbel geeft een ander antwoord op de vraag of het erg is. De Bijbel zegt dat het inderdaad erg is. Van fouten moet je leren en je moet verder gaan zonder ze nog een keer te maken. Ja zelfs zo dat je leert ook andere fouten te vermijden. Daarom is er een offer nodig. Een geit of een schaap.

Niet het allerduurste maar de Bijbel gaat er eigenlijk van uit dat een volk maar weinig of geen rijken kent. Men deelt immers alles met elkaar en vooral met hen die te weinig hebben. Dat offer is een serieuze zaak en je moet het ook beschouwen als herstel van wat fout is gegaan. Voor je het weet doe je het om te laten zien hoe goed je wel niet bent in plaats van te laten zien hoe vreselijk je het vindt dat je zelfs onbedoeld foute maakt. En je blijft fouten maken als je offert omdat het zo goed godsdienstig staat. Bij een schaalcollecte wordt er meer opgehaald dan bij een kerkenzak, daarom horen schaalcollecten niet in de kerk thuis.

In het Hebreeuws heet een dergelijk offer overigens een korban. Dat was nauwelijks in het Grieks over te zetten. Een offer aan God is immers niet bestemd om God in leven te houden zoals de Heidenen geloofden. Van die God van Israël bestaat niet eens een beeld. Maar een korban brengen staat wel vroom en als je een stier, een bok, een geit of een schaap, of het geld om dat te kopen als korban hebt bestemd mag niemand er meer aankomen en kun je voortdurend zeggen dat het een korban is, een offer om weer vrede met God te sluiten. Jezus van Nazareth zou ons leren dat het echt gaat om anders te leven en niet om vroom te lijken. Hij wees de farizeeën er eens op dat hun ouders verhongerden omdat ze alles tot korban hadden bestemd. In deze 40 dagen tijd mogen ook wij ons afvragen of we er vroom willen uitzien of de weg van delen, de weg van God willen gaan.

Geschikt als reinigingsoffer.

Leviticus 4:22-26

22 Als een leider van het volk onbedoeld zondigt tegen een van de geboden van de HEER, zijn God, en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, moet hij, 23 zodra hij beseft wat hij misdaan heeft, een bok zonder enig gebrek offeren. 24 Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten ten overstaan van de HEER, op dezelfde plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden. Dan is het geschikt als reinigingsoffer. 25 De priester strijkt met zijn vinger wat bloed van het offerdier aan de horens van het brandofferaltaar. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar. 26 Al het vet moet hij op het altaar verbranden, zoals ook met het vet van het vredeoffer gedaan wordt. Zo voltrekt de priester voor de leider van het volk de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. (NBV)

Wij roepen gelijk: “wegwezen, aftreden”, als er iets gebeurd dat hier wordt beschreven. Het gaat hier om een van de oudsten van het volk, een van de bestuurders. Een minister of een kamerlid in ons bestuursbestel. En zeker de ministers mogen geen fouten maken. Ze moeten er zelfs voor zorgen dat geen van de ambtenaren van hun ministerie een fout maakt. Soms lijkt het er zelfs op dat ze er voor hadden moeten zorgen dat een voorganger geen fouten had kunnen maken. Het eerste dat een parlementair verslaggever vraagt bij een fout van de regering is of de minister moet aftreden want een minister die met een spraakmakende fout te maken krijgt is toch niet langer te handhaven.

De Bijbel gaat met zulke situaties anders om. Het gaat hier om onbedoelde fouten. Fouten waar je eigenlijk niks aan kon doen en die je zeker niet hebt gewild. Bij zulke fouten zegt de Bijbel dat je opnieuw met God mag beginnen. Dat maakt de gemaakte fout niet goed, maar als je inziet dat het fout was en duidelijk is dat je nog scherper wil kiezen voor de weg van de God van Israël, een weg die wordt aangegeven door de richtlijnen voor de menselijke samenleving die hij aan Mozes had gegeven dan wil ook de God van Israël opnieuw met jou beginnen. De lucht tussen God en de oudste moet wel opgeklaard worden. We weten al dat de geur van verbrand offervlees, met name het vet, een aangename geur voor God. Dat offeren is dus een reinigingsoffer.

Maar ook al wordt hier niet het duurste geofferd, geen stier maar een bok zonder enige gebrek, de eerbied voor het leven wordt in dit offer ook gevierd. Daarmee wordt het een vredesoffer, van geweld tegen mens en dier wordt afgezien en dat wat van God gekregen werd wordt weer gedeeld met hen die het nodig hebben. Door bloed te smeren aan de horens van het altaar brengt de priester tot uiting dat het leven dat in het bloed zit van God is, dat eet je dus niet. Het bloed op de aarde maakt vrede met de aarde. Niet langer de onverschillige doodsheid regeert maar de zorg voor het leven zoals God dat als richtlijn heeft gegeven. Pas als er zo zorgvuldig is omgegaan met het offer dan pas kan het maken van de fout vergeven worden. Voortaan gaan we het dus anders doen. En dat zou ook bij ons meer mogen gelden dan zou niet de ene na de andere minister hoeven af te treden voor vergelijkebare fouten.

Als de gehele gemeenschap

Leviticus 4:13-21

13 Als de gehele gemeenschap zonder het te beseffen zondigt tegen een van de geboden van de HEER en onopzettelijk schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, 14 moet het volk, zodra het beseft wat het misdaan heeft, een stier aanbieden als reinigingsoffer. De stier moet naar de ontmoetingstent worden gebracht, 15 en daar, ten overstaan van de HEER, moeten de oudsten van het volk hun hand op de kop van het dier leggen en het slachten. 16 De gezalfde priester gaat vervolgens met een deel van het bloed van de stier de ontmoetingstent binnen. 17 Hij moet zijn vinger in het bloed dopen en het ten overstaan van de HEER zevenmaal in de richting van het voorhangsel sprenkelen. 18 Hij strijkt ook wat bloed aan de horens van het altaar dat in de ontmoetingstent staat, in de nabijheid van de HEER. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat. 19 Al het vet moet hij verwijderen en op het altaar verbranden. 20 Hij moet de stier op dezelfde wijze offeren als de stier van zijn eigen reinigingsoffer. Zo voltrekt de priester voor het volk de verzoeningsrite en krijgt het vergeving. 21 Wat er van de stier over is, moet buiten het kamp worden gebracht om daar te worden verbrand, net als bij het offer van de gezalfde priester. Zo hoort het reinigingsoffer van de gemeenschap gebracht te worden. (NBV)

In de loop van de geschiedenis zijn we meer en meer gaan praten over zonde als over een individueel gebeuren. Jij zondigt en ik niet. In sommige kerken worden de leden van de gemeente nog steeds aangesproken op hun individuele zondigheid. In de ene kerk heet het dan dat God je moet laten weten dat je uitverkoren bent, dat jouw zonden zijn vergeven. In een andere kerk heet het dat je Jezus in je hart moet laten wonen, een persoonlijke relatie met God moet aangaan en dan zul je behouden worden. Maar in de Bijbel richt God zich steeds tot een volk, tot een gemeenschap. Er zijn in het Hebreeuws twee woorden voor volk en gemeenschap. In dit gedeelte worden ze allebeid gebruikt. We kunnen als volk of als gemeente zondigen tegen de regels van God zonder opzet. Dat moeten we dan samen goedmaken.

Als je de verhouding met God hebt verstoord dan moet die verhouding herstelt worden. Dat geldt voor burgers, boeren en priesters, zelfs voor de hogepriester. Dat geldt dus ook voor het volk of voor onze kerkelijke gemeente. We zijn die benadering kwijt geraakt. Dat is vaak toch de gemakkelijkste weg. Jij zondigt en ik niet is de indruk die gelovigen en wedergeboren christenen ons willen doen geloven. Dat we samen zondigen komt niet meer op. En daardoor bloeit de onopzettelijke zonde van het volk of de gemeenschap. Hebben wij de vreemdelingen lief? Laten wij de armen tot hun recht komen? Zorgen we zo voor elkaar dat we zelfs als de economie tegen zit we zo veel gespaard hebben om iedereen in leven te houden? Het volk Israël kreeg de raad om in tijden van overvloed silo’s in te richten in elk dorp waaruit in slechte tijden ook de armen en gehandicapten gevoed konden worden.

Het zijn de vertegenwoordigers van het volk, de oudsten, die het offer aan God moeten aanbieden door hun hand op de kop van de offerstier te leggen en het slachten. De hogepriester doet dan de rest. Die rest is hetzelfde ritueel als bij een onopzettelijke zonde van hemzelf moet worden gevolgd. De hogepriester is hier uitdrukkelijk ook de vertegenwoordiger van het volk tegenover de God van Israël. Hij is niet de vertegenwoordiger van God tegenover het volk. Ook voor de hogepriester geldt dat alles wat door mensen over God wordt gezegd voor rekening van die mensen komt. Profeten spreken vaak namens de Heer hun God maar zij baseren zich op de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel die door Mozes van God zijn ontvangen en die de richtlijnen voor de menselijke samenleving bevatten. De zonden hier genoemd zijn onopzettelijk. In deze dagen voor Pasen, waar veel gemeenten bijeenkomen voor sobere maaltijden, zou het ook goed zijn om samen als gemeente na te denken waar we als gemeente ons schuldig maken aan onopzettelijke zonden.

Soms zondigt iemand onopzettelijk

Leviticus 4:1-12

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Soms zondigt iemand onopzettelijk tegen een van de geboden van de HEER en doet hij onbedoeld iets dat niet toegestaan is. 3 Als de gezalfde priester zo’n misstap begaat en schuld op het hele volk laadt, moet hij als reinigingsoffer een stier zonder enig gebrek aan de HEER aanbieden. 4 Hij moet de stier naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, en daar, ten overstaan van de HEER, zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten. 5 Daarna neemt hij een deel van het bloed van de stier en gaat daarmee de ontmoetingstent binnen. 6 Hij moet zijn vinger in het bloed dopen en het ten overstaan van de HEER zevenmaal in de richting sprenkelen van het voorhangsel dat de heilige ruimte afschermt. 7 Hij strijkt ook wat bloed aan de horens van het reukofferaltaar dat in de ontmoetingstent staat, in de nabijheid van de HEER. De rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat. 8 Al het vet van de stier die als reinigingsoffer wordt aangeboden, moet hij weghalen: het vet rond de buikholte en het vet aan de ingewanden, 9 de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die hij tegelijk met de nieren moet verwijderen. 10 Dat moet hij weghalen, zoals ook bij het rund voor het vredeoffer gedaan wordt. Daarna verbrandt hij dit alles op het brandofferaltaar. 11 Maar de huid van de stier en al het vlees moeten, net als de kop, de poten, de ingewanden en hun inhoud, 12 buiten het kamp worden gebracht, naar de plaats waar de as van de offers wordt gestort. Daar, op die reine plaats, moet dit alles op een houtvuur verbrand worden. (NBV)

Lastig is het, al die regels ook. Weet je op elk moment de juiste beslissing te nemen? Natuurlijk niet. Achteraf blijkt soms dat je anders had moeten beslissen en dat je de regels van de God van Israël niet bent gevolgd maar dat je onbedoeld een andere weg bent ingeslagen. Dat overkomt iedereen wel eens. De God van Israël is zich daarvan bewust en geeft ons de gelegenheid terug te keren naar zijn weg. Je hoeft zelfs niet te denken dat eenvoudige lieden onbewust de meeste fouten maken en dat het leven voor hen steeds ingewikkelder wordt gemaakt. De Bijbel geeft troost: zelfs de meest godsdienstige onder volk maakt onbewuste fouten, ook de hogepriester maakt zich daaraan schuldig.

De manier om terug te keren is te laten zien dat je niet gehecht bent aan je bezit, niet begeert om nog rijker te worden maar dat je bereid bent om te delen, om dat wat je hebt te beschouwen als van God gekregen. Die hogepriester kan zich daarom er niet van af maken met een klein offertje. Zo van een hogepriester zal nooit een zware fout maken tegen de regels en hoeft dus ook niet een zwaar offer te brengen om het weer goed te maken. Niks daarvan. De hogepriester die onopzettelijk tegen een van de regels van de God van Israël heeft gezondigd mag dat weer goed maken door het duurste offer dat er in het volk denkbaar is. Een stier zonder enig gebrek mag hij slachten. Zo maar ondanks het feit dat de overtreding onopzettelijk was, terwijl hij er eigenlijk niks aan kon doen.En moet iedereen dat dan weten? Je ziet de hogepriester een stier slachten en offeren. Op zich is dat geen vreemd gezicht.

Priesters helpen elke dag met offeren. Maar nu komt er iets bijzonders. Met het bloed van het dier, waarin immers het leven was gelegen gaat hij het Heilige van de Tent der Ontmoeting binnen. Daar mogen alleen Priesters komen die daar dan ook een reukoffer brengen. De Hogepriester moet nu laten zien hoe belangrijk hij het vindt om zich aan de regels van God te houden. Het bloed gaat in de richting van de Ark van het Verbond, de samenvatting van de regels die het allerheiligst zijn. Daar komt dus het leven vandaan. Dan smeert hij wat bloed aan de horens van het reukaltaar. Misdadigers die op de vlucht waren konden zich in veiligheid brengen door de horens van het altaaar te grijpen. Zo brengt de hogepriester zich in veiligheid. Zo kunnen wij ons bewust maken van het belang van de regels die God heeft gegeven voor een menselijke samenleving. Telkens weer mogen we opnieuw de Tora, de gerechtigheid, leven en voorleven. Elke dag opnieuw, wat we ook verkeerd hebben gedaan.

Genade zij met jullie.

2 Timoteüs 4:9-22

9 Kom snel naar me toe, 10 want Demas heeft me verlaten; hij heeft deze wereld lief gekregen en is naar Tessalonica vertrokken. Crescens is naar Galatië gegaan, Titus naar Dalmatië. 11 Alleen Lucas is bij me gebleven. Haal Marcus op en neem hem met je mee, want hij kan mij goede diensten bewijzen. 12 Tychikus heb ik naar Efeze gestuurd. 13 Als je komt, neem dan de mantel mee die ik in Troas bij Karpus heb laten liggen, en ook de boeken, vooral die van perkament. 14 Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaad gedaan; de Heer zal hem zijn verdiende loon geven. 15 Ook jij moet voor hem oppassen, hij heeft onze verkondiging sterk tegengewerkt. 16 Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan, ze hebben mij allemaal in de steek gelaten. Moge het hun niet worden aangerekend. 17 Maar de Heer heeft me ter zijde gestaan en me kracht gegeven, zodat ik de verkondiging tot een goed einde heb gebracht en alle volken de boodschap hebben gehoord. Ik ben gered uit de muil van de leeuw. 18 De Heer zal me van alle kwaad redden en me veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen. Hem komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen. 19 Groet Prisca en Aquila, en de huisgenoten van Onesiforus.20 Erastus is in Korinte gebleven, Trofimus heb ik ziek in Milete achtergelaten. 21 Probeer voor de winter te komen. Eubulus, Pudens, Linus, Claudia en alle andere broeders en zusters laten je groeten. 22 De Heer zij met je. Genade zij met jullie. (NBV)

Met de hierboven staande wens sluit Paulus zijn tweede brief aan zijn knecht Timoteüs af. Hoe het met hen af zal lopen blijft verder onbekend. Het heeft kennelijk geen verband met het verhaal over God en de mensen zoals dat in de Bijbel wordt verteld. In het gedeelte dat we vandaag lezen horen we van allemaal mensen van wie we de meesten niet kennen. Die Prisca en Aquila komen we elders in het Nieuwe Testament ook tegen. Als Paulus zijn brief aan de Romeinen schrijft noemt hij ook deze twee. Ze waren uit Rome gevlucht, of verbannen, en ze hadden Paulus vertelt over de gemeente in Rome. Die Linus die hier wordt genoemd wordt buiten de Bijbel ook wel eens aangeduid als een van de vroegste leiders van de gemeente in Rome, maar zeker is dat niet. Ook de gemeente in Rome wordt door Paulus niet als ideaal voorgesteld. Ook daar was ruzie en onenigheid. Mensen hadden hem in de steek gelaten rond zijn proces, anderen hadden hem onverwacht gesteund.

Timoteüs wordt zelfs gewaarschuwd voor Alexander de kopersmid. Een prediker waarmee Paulus kennelijk een forse aanvaring heeft gehad. Dat de gemeente in Rome Paulus alleen had laten staan in zijn proces probeert hij hen te vergeven. Je kunt merken dat hem dat niet gemakkelijk afgaat. Lucas, de schrijver van de Handelingen en van het Evangelie van Lucas, dat nemen we tenminste aan, is bij Paulus gebleven. Of nu de Marcus die ook naar Rome wordt gevraagd dezelfde is als de Marcus die het Evangelie van Marcus heeft geschreven weten we niet zeker, maar dat nemen we ook maar aan. Het einde van deze brief heeft een zeer huiselijk en menselijk karakter, een vergeten mantel, boeken die je graag wilt lezen, het gaat over gewone mensen. Het is een brief die we vandaag de dag ook zouden kunnen schrijven aan bekenden. Misschien per email en misschien zouden we vragen over zo’n mantel of boeken ook wel per Twitter of SMS stellen. Maar eerder in deze brief hebben we over de verkondiging gelezen. En aan de verkondiging worden ook de mensen gemeten die Paulus noemt. Zijn ze er nog mee bezig of kregen ze wereld lief en vertrokken ze.

Dat “de wereld liefhebben” betekent streven naar roem, eer en rijkdom. Daar zijn gelovigen niet mee bezig. Die zijn bezig met het liefhebben van de mensen. Kennelijk was dat ook het geschil met die kopersmid. De verkondiging dat in de gemeente van Jezus van Nazareth het verschil tussen vrijen en slaven was weggevallen zal een kopersmid niet welgevallig geweest zijn. Het zou van hem gevraagd hebben op een hele andere manier met zijn slaven om te gaan. Dat zouden ineens zijn broeders geworden zijn. Daar zou hij voor gezorgd moeten hebben. Hij zou veiligheidsmaatregelen hebben moeten treffen voor hun gevaarlijke werk. Het leven van een slaaf was in het Romeinse Rijk weinig of niets waard. Het had de waarde die het op de slavenmarkt zou opbrengen en een verminkte slaaf bracht weinig tot niets op. Die gemeente van Paulus, waar mensen elkaar lief hadden als zichzelf, waar men gericht was op de minsten op aarde, had daarom een revolutionair karakter. En dat heeft het vandaag de dag nog steeds, want elke dag weer mogen we ons opnieuw bekommeren om de minsten op aarde, en ons realiseren dat dat in gaat tegen alles dat van deze wereld is.

Jij echter moet in alles nuchter zijn

2 Timoteüs 4:1-8

1 Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, die zal oordelen over de levenden en de doden, ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: 2 Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. 3 Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoetkomen en hen naar de mond praten. 4 Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. 5 Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het evangelie doen, je dienende taak vervullen. 6 Mijn bloed wordt al als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. 7 Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. 8 Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien. (NBV)

Er komt een tijd dat we ons omringen met leraren die ons naar de mond praten. Die dus niet meer wijzen op de werkelijke betekenis van het Evangelie, of van het woord van God wat hetzelfde betekent, maar de dingen zeggen die we graag willen horen. Nu gaan die dingen dus niet over de nuchtere dingen van alledag maar om zaken die buiten ons liggen. Zo hoor je nog wel eens dat de beloning voor je geloof in een volgend leven zal liggen. Zo kan men eindeloos redeneren over verlossing en verzoening, maar hoor je heel weinig over het je naaste lief hebben als jezelf. Paulus roept echter zijn knecht Timoteüs op om zijn dienende taak te vervullen als verkondiger van het Evangelie. In het begin van de brief had Paulus al geschreven dat hij geboeid gevangen zat. Dat was kennelijk een marteling hoewel hij in staat was brieven te dicteren. Als één van de rechtvaardigen die ondanks marteling en dood vasthield aan zijn geloof verwacht ook Paulus dat het met zijn dood niet afgelopen zal zijn maar dat er een dag komt dat alle leed geleden zal zijn en dat hij zelf van die dag deel uit zal maken.

Dat neemt niet weg dat nu in dit leven het werk moet worden gedaan. Dat horen mensen niet graag. Want dan moet er gedeeld worden. Dan moet je bij de inrichting van je samenleving voortdurend rekening houden met de zwaksten, met de minsten. Dan blijft het een schande als er mensen van de honger doodgaan, als kinderen lijden onder verwaarlozing, als jongeren ontsporen bij gebrek aan aandacht en opvoeding, als oorlogen maar voort blijven duren, als mensen elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Waar ook ter wereld mensen onrecht wordt aangedaan, voor gelovigen betekent het altijd dat er broeders en zusters onrecht wordt aangedaan. Dat is vervelend, dan kun je niet vroom en mooi zingen, dat schuurt en klinkt niet in harmonie met het gekerm en geschrei van de gemartelden. Dan klinken vrome praatjes over een mooie hemel hoog en ver weg ineens ontoereikend want het is heel hard nodig dat die hemel op aarde verschijnt.

De vrome verzinsels die in kerken en samenkomsten klinken zijn soms het meest dichtbij en dienen het eerst bestreden te worden. Voor christenen is geen rust en vrede weggelegd zolang de aarde onvrede en onrust kent. Geloof in Jezus Christus geeft geen oplossing van je problemen omdat de problemen van hen die ze niet kunnen oplossen ook jouw problemen worden. Zolang er armen zijn moeten de rijken worden aangesproken en moet er gezorgd worden dat mensen recht wordt gedaan. Natuurlijk komt er een dag dat de rechtvaardige rechter zal oordelen over de levenden en de doden, maar op die dag kunnen we niet wachten zolang onze broeders en zusters onrecht wordt aangedaan. Wij kunnen niet alles, in het licht van de hele bewoonde wereld kunnen we nauwelijks iets. Daarom zijn wij bij dat laatste oordeel afhankelijk van de genade van God en mogen wij God daarvoor nu al dankbaar zijn. Maar vanuit die dankbaarheid en de liefde die we hebben voor God en de naaste mogen we nu aan het werk om onze dienende taak te vervullen. Elk van ons in onze eigen plaats en onze eigen tijd, ook vandaag weer.

Allen die ……..zullen worden vervolgd.

2 Timoteüs 3:10-17

10 Jij daarentegen bent mij trouw gevolgd in mijn leer, mijn levenswijze, streven, geloof, geduld, liefde, volharding, 11 en je hebt hetzelfde lijden en dezelfde vervolgingen ondergaan die mij in Antiochië, Ikonium en Lystra hebben getroffen. Ik heb ze allemaal doorstaan, de Heer heeft mij steeds weer gered. 12 Allen die vroom en in eenheid met Christus Jezus willen leven, zullen worden vervolgd. 13 Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden. 14 Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren 15 en bent van kindsbeen af vertrouwd met de heilige geschriften die je wijsheid kunnen geven, zodat je wordt gered door het geloof in Christus Jezus. 16 Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven, 17 zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust. (NBV)

Alle gelovigen zullen worden vervolgd. Dat lijkt in ons land voorlopig alleen op te gaan voor Moslims. Want Moslim zijn dat mag eigenlijk niet. Niet dat de vervolgers weten wat Moslims zijn. Sommigen hebben wel eens iets gelezen over de publicaties van Islamieten uit de Middeleeuwen. Toen in Spanje de Joden met tientallen gelijk op de brandstapel werden gezet omdat ze zich niet tot het Christendom wilden bekeren, of omdat ze zich misschien wel wilden bekeren maar nu eenmaal Jood geweest waren. Toen heerste er kennelijk een gewelddadig klimaat tussen mensen van verschillend geloof. Maar ook in de Middeleeuwen waren alle Rooms Katholieken niet de de strenge Rooms Katholieken uit Spanje die anders gelovigen graag in de brand staken. En alle Moslims predikten ook toen al niet dat iedereen het zwaard moest opnemen om de ongelovigen het hoofd af te slaan. En om Rooms Katholieken van vandaag te vergelijken met de brandstichtende Rooms Katholieken uit de Middeleeuwen in Spanje is al even dwaas als Moslims van nu te vergelijken met de zwaardvechtende Moslims uit de Middeleeuwen. Met dat vervolgen moeten we dus voorzichtig zijn.

Er zijn ook mu in ons land mensen die alle geloven willen uitbannen. Nergens willen ze mensen tegenkomen die ergens in geloven. De kans bestaat dat als het ze lukt om de Islam uit ons land te verdrijven het Christendom het volgende geloof is dat uit de samenleving moet verdwijnen. Voor Paulus is dat een heel gewone zaak. Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen en wie opkomt voor de slachtoffers wacht dus zelf vervolging. Paulus roept daarom zijn vriend en vertegenwoordiger Timotheüs op om vol te houden. Met enige regelmaat de oude geschriften lezen die wij vandaag de dag terug kunnen vinden in de Bijbel. Toen Paulus deze brief aan Timotheüs schreef had de Bijbel nog niet haar definitieve samenstelling gekregen. Maar de eerste vijf boeken, de boeken van de profeten en de Psalmen waren zeer geliefd en werden veel gelezen. Wij hebben het gemakkelijker.

Wij hebben het Nederlands Bijbelgenootschap dat een rooster heeft gemaakt aan de hand waarvan je elke dag een stukje uit de Bijbel kunt lezen. Dat stukje heeft te maken met wat er op zondag in de kerken wordt gelezen en met de tijd van het jaar. Hierboven staat het stukje van vandaag en zo doen we dat elke dag, eerst de Bijbel lezen en dan de overweging over het Bijbelgedeelte van de dag. En wat is het nut ervan? Volgens Paulus wordt je dan een dienaar van God die voor zijn of haar taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust. Dat is toch wel heel erg mooi. Het lezen van de Bijbel opent je de ogen voor de slachtoffers van de oplichters en bedriegers. Het lezen van de Bijbel opent je de oren voor de mensen die naast de weg zijn komen te zitten en niet anders kunnen dan roepen om aandacht. Het lezen van de Bijbel zet je in beweging naar de armsten van de wereld en leert je een hand uit te steken naar hen die moeten opstaan en hun ellende moeten kunnen verlaten. Het lezen van de Bijbel leert je mensen tot hun recht te laten komen, van mensen te houden als van jezelf, ook vandaag weer.

Meer genotsvrienden dan Godsvrienden

2 Timoteüs 3:1-9

1 Weet dat de laatste dagen zwaar zullen zijn. 2 De mensen zullen egoïstisch zijn, geldzuchtig, zelfingenomen en arrogant. Ze zullen God lasteren, geen ontzag tonen voor hun ouders, ondankbaar zijn en niets heilig achten. 3 Ze zullen harteloos zijn, onverzoenlijk, lasterziek, onbeheerst en wreed. Ze zullen het goede haten 4 en onbetrouwbaar, roekeloos en verblind zijn. Het genot zullen ze meer liefhebben dan God, 5 ze zullen de schijn van vroomheid ophouden, maar de kracht ervan miskennen. Keer je af van zulke mensen. 6 Sommigen van hen dringen zich op aan hele families en krijgen dan vrouwen in hun macht die met zonde beladen zijn en door allerlei begeerten worden gedreven, 7 die almaar willen leren maar nooit in staat zullen zijn de waarheid te kennen. 8 Zoals Jannes en Jambres zich tegen Mozes hebben verzet, zo verzetten deze dwaalleraren zich tegen de waarheid. Het zijn mensen met een zieke geest en een onbetrouwbaar geloof. 9 Maar ze zullen niet veel bereiken, want iedereen zal hun dwaasheid snel doorzien, zoals ook met Jannes en Jambres gebeurde. (NBV)

Leuk om op een vroege morgen in de lente zo’n stuk uit een brief van Paulus te mogen lezen. Al die gelovigen doen wel vroom, verbieden iedereen van alles, maar ondertussen doen ze zelf alles wat God verboden heeft. Daar gaat het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk niet over maar op het eerste gezicht krijg je wel die indruk. Want waar gaat het dan wel over? Het gaat over menselijk gedrag dat zeker tot ellende en soms zelfs tot de dood leidt. Wie kent de mensen niet die zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, praalziek, hoogmoedig, lasterlijk? Hadden we aan die mensen niet de financiële crisis te danken? Werden die mensen in het bedrijfsleven niet de exorbitante zelfverrijkers genoemd? En dan die mensen die aan hun ouders ongehoorzaam zijn, ondankbaar, onheilig, ongevoelig, onverzoenlijk, tweespalt-zaaiend, onbeheerst, onhandelbaar. Komen jongeren niet op de gedachte die jeugdbendes te vormen en hele buurten kunnen terroriseren?

Jongeren waar ouders geen greep meer op hebben maar waar ook scholen en overheden geen raad en geen weg meer mee weten. Kortom we hebben volgens Paulus te maken met een ik maatschappij waar mensen meer genotsvrienden dan Godsvrienden zijn. Maar pas op. Paulus heeft het niet alleen over de anderen, over die mensen die dingen doen die ons vrome lieden niet welgevallig zijn. Het gaat ook, en in de eerste plaats, over mensen met een schijn van vroomheid. Het gaat ook over voorgangers die wel doen of ze het woord van God prediken maar ondertussen misbruik maken van vrouwelijke gemeenteleden, of nog erger van kinderen. Hier worden Jannes en Jambres genoemd die Mozes zouden hebben weerstaan. In de Bijbel zoeken we tevergeefs naar deze namen. Wie Grieks heeft gestudeerd kent ze wellicht uit de werken van Plinius. In de tijd dat Paulus deze brief schreef waren het zeer bekende namen. Ze waren gegeven aan de Egyptische tovenaars die de wonderen imiteerden die Mozes voor de Farao deed als bewijs dat hij werkelijk door God was gezonden.

Dat soort namaak voorgangers kwam in de dagen Paulus en Timoteüs kennelijk veelvuldig voor. Het is het soort voorgangers dat ook wij kunnen tegenkomen en waarvoor we gewaarschuwd worden. Niet de mooie verhalen die voorgangers kunnen vertellen maken hen dienaren van het Goddelijke Woord. Wel daden zoals hun zoeken samen met de gemeente gestalte te geven aan het Koninkrijk van God, de vruchten van hun werk waardoor er zorg voor de armen ontstaat, aandacht voor de minsten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Die leer van het vormen van een gemeenschap waar het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf de maat en de norm is opdat het zich verspreid over de hele aarde kenmerkt zich door het gedrag in de samenleving, de liefde voor de minsten en de volharding er van ook in tijden dat het ingaat tegen de heersende maatschappelijke mode. Daar mogen we dus op deze lentedag ook op letten als we weer voorgangers horen vertellen over hoe goed God kan zijn. Zijn zij en is hun gemeente ook op weg het goede te doen en niet dan het goede? En kunnen wij ons daarbij aansluiten? Hoe sterker die beweging wordt hoe meer de lof van God gezongen kan worden. Laten we dus beginnen die Weg te gaan vandaag.