Ik zeg je: sta op!

Lucas 7:11-17

11 Niet lang daarna ging Jezus naar een stad die Naïn heet, en zijn leerlingen en een grote menigte gingen met hem mee. 12 Toen hij de poort van de stad naderde, werd er net een dode naar buiten gedragen, de enige zoon van een weduwe. Een groot aantal mensen vergezelde haar. 13 Toen de Heer haar zag, werd hij door medelijden bewogen en zei tegen haar: ‘Weeklaag niet meer.’ 14 Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan-de dragers bleven stilstaan-en zei: ‘Jongeman, ik zeg je: sta op!’ 15 De dode richtte zich op en begon te spreken, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder. 16 Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan, ‘en: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd!’ 17 Het nieuws over hem verspreidde zich in heel Judea en in de wijde omtrek. (NBV)

We lezen weer in het hoofdstuk waarin de schrijver van het Evangelie van Lucas wil duidelijk maken aan de Heidenen, die meelezen met de Romein Theofilus, wat nu de uitwerking van de Bergrede is. Voor de joden was dit een glashelder verhaal. De uitroep dat God zich om zijn volk heeft bekommerd maakt dat wel duidelijk, maar voor de Heidenen was die opwekking uit de dood natuurlijk veel indrukwekkender. En dat is jammer want het gaat hier niet om de wonderen maar om de mensen. Weduwen nemen in het verhaal van Israel een bijzondere positie in. Vrouwen horen er in de samenleving van Israel gewoon bij. Er wordt nauwelijks onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Alleen bij weduwen wordt een uitzondering gemaakt. Een weduwe zit immers zonder familie, en dus zonder land, en dus zonder inkomen.

Ze trouwde ooit in in de familie van haar man en leefde mee van de akker die bij de verdeling door Jozua toebedeeld was aan die familie. Als dan haar man sterft dan vervalt dat recht. De wet van Israel schrijft dan voor dat iemand anders uit de familie van haar man haar trouwt, die wordt de losser genoemd. Die verlost haar uit haar armoede en lost de trouwbelofte in dat ze tot haar dood mee mag eten van de akker uit de familie van haar man. Hier in Naïn is kennelijk geen losser geweest. Ook de zoon van de weduwe, die de akker van zijn vader zou hebben geërfd, is dood, zorgt niet meer voor zijn moeder. En zijn moeder staat huilend, en denk maar hongerend, aan de kant van de weg. Daartegen mag je opstaan en Jezus roept daar dan ook toe op. Daardoor lost hij de belofte in dat de weduwe gevrijwaard is voor armoede. Dat is dus het gevolg van de Bergrede.

Niet de hulp uit eigenbelang zoals tegenwoordig wel bepleit wordt, van hulp aan de armen moet dan het Nederlandse bedrijfsleven profiteren. Miljarden uittrekken voor dure medicijnen die niet in Afrika worden gemaakt maar in het rijke westen. Zodat de zieken in Afrika misschien genezen worden maar de aandeelhouders in de rijke landen de extra winst opstrijken van de farmaceutische industrie. Niet verplicht stellen dat de medicijnen ook in Afrika worden gemaakt, en niet de oneerlijke handelsbarrières opheffen zodat de genezen zieken ook in hun levensonderhoud kunnen voorzien, dat is schijn hulpverlening. Echte hulpverlening is op staan tegen de armoede en zorgen dat de armen zelf weer in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Het verhaal zoals Lucas dat vertelt leert ons hoe dat te doen.

Er is geen God

Psalm 53

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David. 2 Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 3 God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 4 Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 5 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan. 6 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, een angst als nooit tevoren. God zal het gebeente van je belagers verstrooien, lach maar om hen, want God heeft hen verworpen. 7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. (NBV)

De dwazen waarover in deze Psalm gezongen wordt zijn geen moderne atheïsten, zij die geloven dat God niet bestaat. Want die moderne ongelovigen geloven dus wel. Zij geloven in de rede, het menselijk verstand dat door hen vergoddelijkt wordt. Ze geloven dat een goed gebruik van het redelijk verstand ook het goede zal kunnen opleveren en dat het goede dan ook niet speciaal van buiten hoeft te worden voorgehouden. De dwazen waarover deze Psalm zingt zijn zij die al helemaal niet in het goede geloven als iets dat je zou moeten nastreven, als een maat voor het handelen van mensen. Je zou overigens de indruk kunnen krijgen van deze Psalm dat er helemaal geen gelovigen meer zijn. Er is niemand meer die het goede probeert te doen, laat staan dat er nog iemand is die op zoek is naar God.

Zo is het natuurlijk niet. Als iedereen doet waar die zelf zin in heeft en dat ook van iedereen goed vindt dan ontstaat er vanzelf een wereld vol oorlog en geweld. Dan regeert het recht van de sterkste en mag iedereen vol van angst zijn voor de sterkeren. Zelfs de sterken moeten bang zijn want er kan elk ogenblik iemand op staan die nog sterker is. Bewapening is dan het antwoord en als er meerderen zijn die elkaar kunnen bedreigen en zich kunnen bewapenen dan ontstaat vanzelf een wapenwedloop. Een wedloop die alleen verliezers kent. We kennen de wedloop in het klein tussen zogenaamde criminelen en de politie. Die laatste schiet eerder en gerichter. Zelfs bij een eenvoudige verkeerscontrole schiet de politie gericht op hen die zich aan die controle willen onttrekken. Criminelen die doen alsof de wereld van hen is bewapenen zich met steeds zwaardere wapens waardoor de wedloop ontstaat.

En van een dergelijke wedloop afkomen is niet eenvoudig. Niemand wil een oorlog met kernwapens, maar het lukt de grote mogendheden maar heel gering om afspraken te maken over het beperken en vernietigen van bestaande kernwapens. De Psalm die we vandaag meezingen geeft op het eind toch de richting waar we naar een oplossing voor de geweldspiraal moeten zoeken. De redding moet komen van Sion zingt de Psalm. En op de berg Sion in Jeruzalem werd de Wet van de God van Israël bewaard. Dat was het centrum van de aarde waar alle volken zich naar zouden moeten richten. Daar was immers een heersende wet die ook zegt “Gij zult niet doden” en probeer maar eens oorlog te voeren met die wet als absolute richtlijn voor alle deelnemenden. De richtlijnen van de Berg Sion, de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf zal ook in onze dagen weer de heersende grondregel moeten worden, daar kunnen zelfs de moderne atheïsten geen bezwaar tegen hebben. We kunnen met die leefregel elke dag opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Er is geen God

Psalm 53

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David. 2 Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 3 God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 4 Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 5 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan. 6 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, een angst als nooit tevoren. God zal het gebeente van je belagers verstrooien, lach maar om hen, want God heeft hen verworpen. 7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. (NBV)

De dwazen waarover in deze Psalm gezongen wordt zijn geen moderne atheïsten, zij die geloven dat God niet bestaat. Want die moderne ongelovigen geloven dus wel. Zij geloven in de rede, het menselijk verstand dat door hen vergoddelijkt wordt. Ze geloven dat een goed gebruik van het redelijk verstand ook het goede zal kunnen opleveren en dat het goede dan ook niet speciaal van buiten hoeft te worden voorgehouden. De dwazen waarover deze Psalm zingt zijn zij die al helemaal niet in het goede geloven als iets dat je zou moeten nastreven, als een maat voor het handelen van mensen. Je zou overigens de indruk kunnen krijgen van deze Psalm dat er helemaal geen gelovigen meer zijn. Er is niemand meer die het goede probeert te doen, laat staan dat er nog iemand is die op zoek is naar God.

Zo is het natuurlijk niet. Als iedereen doet waar die zelf zin in heeft en dat ook van iedereen goed vindt dan ontstaat er vanzelf een wereld vol oorlog en geweld. Dan regeert het recht van de sterkste en mag iedereen vol van angst zijn voor de sterkeren. Zelfs de sterken moeten bang zijn want er kan elk ogenblik iemand op staan die nog sterker is. Bewapening is dan het antwoord en als er meerderen zijn die elkaar kunnen bedreigen en zich kunnen bewapenen dan ontstaat vanzelf een wapenwedloop. Een wedloop die alleen verliezers kent. We kennen de wedloop in het klein tussen zogenaamde criminelen en de politie. Die laatste schiet eerder en gerichter. Zelfs bij een eenvoudige verkeerscontrole schiet de politie gericht op hen die zich aan die controle willen onttrekken. Criminelen die doen alsof de wereld van hen is bewapenen zich met steeds zwaardere wapens waardoor de wedloop ontstaat.

En van een dergelijke wedloop afkomen is niet eenvoudig. Niemand wil een oorlog met kernwapens, maar het lukt de grote mogendheden maar heel gering om afspraken te maken over het beperken en vernietigen van bestaande kernwapens. De Psalm die we vandaag meezingen geeft op het eind toch de richting waar we naar een oplossing voor de geweldspiraal moeten zoeken. De redding moet komen van Sion zingt de Psalm. En op de berg Sion in Jeruzalem werd de Wet van de God van Israël bewaard. Dat was het centrum van de aarde waar alle volken zich naar zouden moeten richten. Daar was immers een heersende wet die ook zegt “Gij zult niet doden” en probeer maar eens oorlog te voeren met die wet als absolute richtlijn voor alle deelnemenden. De richtlijnen van de Berg Sion, de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf zal ook in onze dagen weer de heersende grondregel moeten worden, daar kunnen zelfs de moderne atheïsten geen bezwaar tegen hebben. We kunnen met die leefregel elke dag opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Heer, spaar u de moeite

Lucas 7:1-10

1 Toen Jezus aan het eind was gekomen van zijn toespraak tot de menigte ging hij Kafarnaüm in. 2 Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld. 3 Toen hij over Jezus hoorde, zond hij enkele Joodse leiders naar hem toe om hem te vragen bij hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden. 4 Toen ze bij Jezus waren gekomen, drongen ze er bij hem op aan mee te gaan. Ze zeiden: ‘De man die u dit verzoekt, verdient het dat u hem deze gunst bewijst. 5 Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.’ 6 Jezus ging samen met hen op weg. Hij was al niet ver meer van het huis verwijderd, toen de centurio enkele vrienden naar hem toe stuurde met de mededeling: ‘Heer, spaar u de moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. 7 Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar u toe te gaan. Maar u hoeft maar te spreken en mijn knecht zal genezen zijn. 8 Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!” dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!” dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!” dan doet hij het.’ 9 Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich over hem; hij keerde zich om naar de menigte die hem volgde en zei: ‘Ik zeg jullie, zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!’ 10 Toen de vrienden van de centurio terugkeerden naar zijn huis, troffen ze daar de slaaf in goede gezondheid aan. (NBV)

Iedereen heeft wel eens gehoord van de Bergrede. In het zesde hoofdstuk van het Evangelie van Lucas kunnen we daarover lezen. De beroemde uitspraken als “heb je vijanden lief” en “heb je naaste lief als jezelf” klinken op de meest onverwachte momenten in onze taal nog door. Maar wat was de reactie toen Jezus uitgesproken was? Welke reactie schotelt de schrijver van het Evangelie van Lucas ons voor? Hij vertelt het verhaal over een bezetter. Een Romeins officier. De centurio hier genoemd, vroeger bekend als de hoofdman over honderd. In ons leger een kapitein waarschijnlijk, een commandant van een compagnie soldaten . Voor de inwoners van een bezet land geen beste, daar viel niet veel goeds van te verwachten. Maar dit lijkt een vijand die het volk lief heeft. Hij liet zelfs een synagoge voor het dorp bouwen.

En dat was niet niks want die synagogen waren uitvindingen van de Farizeeën die de wetten van het land zeer strikt wilden nakomen. Contacten met de bezetters waren daarbij uitgesloten. Komen in het huis van zo’n Romein was een grote overtreding van de wet. Maar zo’n Romein had dus voor hen het leerhuis gebouwd, waar het verhaal van Israel gelezen kon worden en waar de leer van Mozes bestudeerd kon worden. Die Romeinse centurio ging nu nog verder. Hij bekommerde zich om een zieke slaaf. Ongehoord voor Romeinen, slaven waren gebruiksvoorwerpen, als ze stuk waren deed je ze weg, het leven van slaven telde volstrekt niet mee in de Romeinse samenleving.. Maar in de nieuwe gemeenschappen van volgelingen van Jezus van Nazareth, zoals mensen als Paulus die hadden gesticht werden slaven beschouwd als gelijken van de vrijen. Daar was een hele nieuwe manier van omgaan met elkaar ontstaan.

En als de schrijver van dit Evangelie zich richt tot Theofilus, ook een Romein, dan is dit verhaal een toepassing van de Bergrede ook voor de Heidenen in die nieuwe gemeenschappen. Zo ga je dus met je slaven om. Je probeert ze beter te maken, je beschouwd ze als familie. Niet om zelf in het zonnetje te komen, niet om er een goede naam of faam mee te verwerven. Want de centurio spreekt duidelijk uit dat hij het zelf niet waard is om naar Jezus toe te komen. Dat Jezus ook niet voor hem een zo grote overtreding van de wetten van de Farizeeën hoefde te plegen. Als hij maar zou zeggen dat de slaaf beter was. Dat is dus geloof in Jezus van Nazareth, alles aan de kant voor de armsten, je huis, je bezit, je goede naam. Je naaste liefhebben als jezelf. De Bergrede als praktijk van alle dag, als richtlijn ook voor vandaag. Elke dag opnieuw mogen we die boodschap tot richtlijn van ons leven maken.

Veroordeel niet

Lucas 6:39-49

39 Hij sprak ook in gelijkenissen tegen hen: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil? 40 Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester. 41 Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 42 Hoe kan je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen, ”terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen. 43 Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. 44 Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. 45 Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over. 46 Waarom roepen jullie “Heer, Heer” tegen mij, maar doen jullie niet wat ik zeg? 47 Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: 48 hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. 49 Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’ (NBV)

Het zijn overbekende woorden die we vandaag lezen. Over de splinter en de balk, over het niet oordelen en over de blinde die de blinde niet kan leiden zonder dat beiden in dezelfde kuil vallen. Het borduurt voort op het gegeven dat we het goede moeten doen omdat van het kwade nooit iets goeds kan komen. Op het uitgangspunt van de leer van Mozes dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Op de wetenschap dat ieder mens fouten maakt, jij net zo goed als je naaste. Dat het echter niet gaat om bij de fouten te blijven staan maar juist om het goede voor elkaar te krijgen. Het speelt bij ons soms bij de eindexamens. Elk jaar weer zijn er leerlingen die zakken of lagere punten halen dan nodig door het rode potlood. Ze zijn hun hele schoolloopbaan geconfronteerd met het rode potlood dat hen vanaf elk proefwerk toeschreeuwde wat ze allemaal wel niet fout hadden gedaan. Dat er ook opgaven waren die ze juist heel knap hadden opgelost en antwoorden die ze beter hadden gegeven dan was verwacht werd hen nooit verteld. Daar ging dat rode potlood niet over. Pas als die leerlingen geleerd wordt weer in zichzelf te geloven, als er in plaats van het rode potlood voor de fouten een groen potlood voor de goede antwoorden wordt gebruikt, kunnen ze slagen.

Dat is ook wat Jezus ons voor elk gedrag voorhoud. Niet bezig zijn met wat er slecht is, maar, zoals het verhaal van Mattheüs vertelt, de hongerigen eten geven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de bedroefden troosten. Uiteindelijk gaan dan de blinden zien en de lammen lopen. Uiteindelijk wordt dan zelfs de dood overwonnen en alle tranen gedroogd. En nou niet roepen dat niemand meedoet en dat iedereen bezig is zelf rijk te worden. Dat is nu de balk in het eigen oog en de splinter in die van de buurman. Zorg dat je zelf het goede doet en niets dan het goede, maak mensen om je heen enthousiast voor het goede en laat ze meedoen, dan verdwijnen zowel de balk als de splinter. Doe mee! Maar gaat het dan over fundamentalisme? Meestal zien we mensen die hun levensovertuiging tot het fundament van de hele wereld willen maken en uiteindelijk daarvoor alles willen uitroeien wat daarmee in strijd is.

Jezus van Nazareth roept op om een eenvoudig principe tot fundament van je eigen leven te maken. Namelijk de regel dat van kwaad niets goeds kan komen en van goeds niets kwaads. Of iets goed of kwaad is merken we dus aan de uitwerking op de mensen. Zijn onze daden gebouwd om de wil het goede te doen en niet dan het goede? Accepteren we anderen zoals ze zijn? Met hun goede en met hun kwade kanten, zoals we zelf geaccepteerd willen worden? De vruchten van tolerantie zijn vrede, verdraagzaamheid en culturele verrijking en de vruchten van intolerantie zijn oorlog, angst en niet alleen culturele verarming maar ook daadwerkelijke economische verarming. Ons soort fundamentalisme is dus niet iets dat we anderen opleggen maar dat we onszelf opleggen. Dat maakt dat ons huis op een rots staat, dat we nooit bang hoeven te zijn dat het weggespoeld zal worden door maatschappelijke veranderingen. Als het verbeteringen zijn zullen we die veranderingen verwelkomen, we letten immers alleen op het goede.

Heb je vijanden lief

Lucas 6:27-38

27 Tot jullie die naar mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, 28 zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. 29 Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. 30 Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt. 31 Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32 Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. 33 En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. 34 En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. 35 Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. 36 Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. 37 Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. 38 Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’ (NBV)

In heel veel commentaren wordt net gedaan of Jezus van Nazareth in deze toespraken iets geheel nieuws introduceert. We lezen een vergelijkbare toespraak immers ook in het Evangelie van Mattheüs. Bij Mattheüs staat Jezus op een berg terwijl de schrijver van het Lucas Evangelie er de nadruk op legt dat Jezus tussen de mensen, tussen zijn leerlingen, in staat. Nieuw is het echter niet wat Jezus hier onderwijst. In het boek van de profeet Jeremia staat ook zoiets. Daar gaat het om een brief van de profeet aan de ballingen in Babel. Die zitten met de vraag of ze mee moeten werken met het regiem dat hen heeft weggevoerd of zich juist moeten verzetten en de boel moeten saboteren. Het antwoord van de profeet is dan een oproep om zo veel mogelijk het goede te doen.

Ze moeten delen met de armen, zorgen voor gezondheid, voldoende voedsel en er voor zorgen dat de mensen je gaan waarderen vanwege de zorg die je voor ze hebt. Dan kunnen de machthebbers uiteindelijk niet meer om je heen schrijft Jeremia en als je dan vraagt om het volk terug te laten gaan kunnen ze dat niet meer weigeren. Jezus spreekt hier in een situatie van gewelddadige bezetting en onderdrukking van het volk. De strategie die hij hier voorschrijft is dan zo slecht nog niet. Die strategie is niet opgaan in de ideologie en afgoderij van de bezetter maar je eigen normen en waarden gebruiken om de nadruk te leggen op het goede. Delen van wat je hebt, wordt het genomen met geweld laat dan merken dat geweld niet nodig is, sta bekend als vrijgevig, behandel anderen zoals je zelf wilt worden behandeld. Heb je naaste dus lief als jezelf. Een gewelddadige samenleving heeft daar namelijk geen antwoord op. Ook mensen die kwaad willen hebben namelijk hen lief die hen liefhebben. Uiteindelijk is dat altijd wederzijds.

“Doe goed” is daarom vanouds de centrale boodschap in de Bijbel. Want alleen uit het goede kan het goede voortkomen. Uit het kwade komt immers niets goeds voort. Veel mensen twijfelen bijvoorbeeld aan het nut van het bombarderen van IS in Irak en Syrië. Dat je door alle aanhangers van IS te doden het probleem uit de wereld helpt is een illusie. Op de een of andere manier zal duidelijk gemaakt worden dat het doden van iedereen die niet op dezelfde manier een geloof beleefd als men zelf doet is een voorwaarde voor een echte oplossing. Het geweld lijkt soms onvermijdelijk maar mag nooit een doel in zichzelf zijn. Vrede is meer dan de afwezigheid van geweld, in vrede gaan mensen groeien en samenlevingen bloeien. Maar hoe we dat duidelijk maken is onduidelijk maken. Bestrijding van discriminatie in ons bedrijfsleven zou een klein begin kunnen zijn, ophouden elkaar verketteren en haatzaaien zou ook kunnen helpen. Daarom zullen we ook onze vijanden lief moeten hebben want pas in liefde kan vijandschap verdwijnen en pas als vijandschap is verdwenen kan het vrede worden.

Er ging een kracht van hem uit

Lucas 6:12-26

12 Op een van die dagen trok Jezus zich terug op de berg om te bidden. De hele nacht bleef hij tot God bidden. 13 Toen de dag aanbrak, riep hij de leerlingen bij zich en koos twaalf van hen uit, die hij apostelen noemde: 14 Simon, aan wie hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, 15 Matteüs en Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, die de IJveraar genoemd wordt, 16 Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd. 17 Toen hij met hen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats waar het vlak was. Daar had een groot aantal van zijn leerlingen zich verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. 18 Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen, 19 en de hele menigte probeerde hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die allen genas. 20 Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.21 Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen. 22 Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. 23 Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld. 24 Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. (NBV)

De keus van de twaalf zoals die door de schrijver van het Lucas evangelie wordt geschetst roept weer nieuwe vragen op. We hebben het al eens over de beschrijving in het Evangelie van Marcus gehad en ook Mattheus heeft er zo zijn eigen verhaal over. Alle drie de evangelisten willen wellicht iets anders vertellen. Lucas heeft het heel nadrukkelijk over afgezanten, zendelingen, die werden gekozen uit meerdere volgelingen. Na de dood van Jezus moesten immers een aantal mensen in de nieuwe massabeweging gezag krijgen. Gezag ontleend aan een opdracht van Jezus zelf had natuurlijk de hoogste waarde. Die afgezanten staan bij Lucas echter niet boven de menigte maar er tussen. Heel nadrukkelijk wordt verteld dat Jezus de berg afkwam. Jezus bad nooit in het openbaar, maar trok zich altijd terug om te bidden. Dat gaat nu eenmaal beter in de stilte dan in de drukte vooraan in de kerk, op de TV of de hoek van de straat.

Gezanten die mooi bidden zodat iedereen het kan horen, ja die zelfs oproepen om met hen mee te bidden tot God, zijn dan ook geen afgezanten van Jezus van Nazareth. Het beeld van het genezen van mensen in een grote menigte en van een grote menigte van mensen is iets wat typisch voor het Evangelie van Lucas is. Die mensen verzamelden zich rond Jezus, zijn afgezanten, zijn leerlingen en iedereen die met die beweging mee wilde doen. Die nadruk op de Liefde maakte dat er kracht van Jezus uit ging. Nooit hoefde je je buitengesloten te voelen. Nooit had je het gevoel niet mee te kunnen komen, niet gezien of niet gehoord te worden. Nee lammen gingen lopen, blinden konden zien en doven konden horen werd er gezegd. Mee doen in een beweging die zich bekommerd om medemensen kunnen we nog steeds, zeker als je arm bent, dan heb je immers niets te verliezen. Gewoon vandaag je medemensen gaan helpen. Ogen open, oren open en in beweging komen. Daar gaat altijd kracht van uit.

Voor mensen die regelmatig collecteren voor een goed doel is het een bekend verschijnsel, je haalt meer op in een wijk met arme bewoners dan in een wijk met rijke medemensen. Arme mensen hebben nu eenmaal niets anders te verliezen dan de liefde voor elkaar en die liefde hebben ze hard nodig om te kunnen overleven. De armen weten hoe het is om door de woestijn te trekken, je hebt elkaar en de liefde voor elkaar, meer dan hard nodig. Jezus van Nazareth wist dat en spreekt hen in dit gedeelte moed in.
“Gelukkig zijn jullie” vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling. “Zalig” heette dat in oudere vertalingen en trouwens ook nog in de Naardense Bijbel. “Makarios” staat er in de oorspronkelijk Griekse tekst en ouderen onder ons denken gelijk aan een Cypriotische Bisschop die zijn volk vrij maakte van Griekse en Turkse overheersing en naar onafhankelijkheid voerde. Tegenwoordig moeten we de mensen van zijn eiland helpen, ze dreigen anders zo arm te worden dat wij er last van krijgen. Maar ook zonder dat zouden we moeten willen dat er handen uitgestoken worden om de armen in Europa te helpen. Elke dag kunnen we daar weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

Waarom doet u iets dat op sabbat niet mag?

Lucas 6:1-11

1 Toen Jezus op sabbat eens door de korenvelden liep, begonnen zijn leerlingen aren te plukken. Ze wreven die stuk tussen hun handen en aten ervan. 2 Enkele Farizeeën zeiden echter: ‘Waarom doet u iets dat op sabbat niet mag?’ 3 Jezus antwoordde: ‘Hebt u dan niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, 4 hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam, ervan at en ze uitdeelde aan zijn mannen, ook al mogen alleen de priesters van die broden eten?’ 5 En hij voegde eraan toe: ‘De Mensenzoon is heer en meester over de sabbat.’ 6 Op een andere sabbat ging hij naar de synagoge, waar hij onderricht gaf. Daar was ook iemand met een verschrompelde rechterhand. 7 De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op hem om te zien of hij op sabbat iemand zou genezen, want dan zouden ze hem op grond daarvan kunnen aanklagen. 8 Maar hij wist wat ze van plan waren en zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Sta op en kom in het midden staan.’ Dat deed de man. 9 Jezus zei tegen de Farizeeën en schriftgeleerden: ‘Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, of men een leven mag redden of verloren laten gaan.’ 10 Nadat hij hen een voor een had aangekeken, zei hij tegen de man: ‘Strek uw hand uit.’ Dat deed hij en er kwam weer leven in zijn hand. 11 De schriftgeleerden en de Farizeeën raakten bijna buiten zinnen en begonnen onderling te overleggen wat ze met Jezus zouden doen. (NBV)

Het antwoord op de vraag die hier boven staat is dat je zelf de baas bent over wat mag en niet mag op de Sabbat. Dat vertelt ons de schrijver van het Lucas Evangelie tenminste. Wij hebben de Sabbat vervangen door de zondag omdat we op de eerste dag van de week de bevrijding van de dood gingen vieren. En vieren maakt vrij. Toch hebben christenen heel lang hun vinger opgestoken als er iets werd gedaan waarvan ze dachten dat het niet mocht. Dat eten van die zendelingen in opleiding die achter Jezus aanliepen, en dat genezen door Jezus waren uitzonderingen. Dat er in een ziekenhuis moet worden gewerkt op Zondag dat is ook nog te begrijpen al moet er dan wel zondagsdienst gedraaid worden. Het hoogst nodige moet worden gedaan en verder niet.

Jezus zet op een aantal plekken in de Bijbel de liefde voor de mens tegenover dit strafrechtelijk denken. Wat wel of niet mag hangt niet af van de regeltjes maar van de mens die schade lijdt of het nodig heeft. Dat betekent niet dat er geen waarde moet worden gehecht aan een vrije dag in de week. Juist die dag waarop we allemaal vrij zijn en alleen de hoogst nodige arbeid wordt verricht is van belang voor mensen. Wanneer anders kunnen we allemaal samen komen en maaltijd houden. Als we allemaal op een andere dag in de week vrij zijn komt daar nooit meer wat van terecht. Als er dan ook nog veel mensen zijn die ’s avonds moeten werken, of ’s nachts, dan zien we elkaar in de samenleving eigenlijk nooit meer. Samen Werken en Samen Leven kan dan misschien nog wel, we komen elkaar immers in de file nog wel tegen, maar Samen Delen is er helemaal niet meer bij.

Samen Delen van plezier, van een maaltijd, van een goede sportwedstrijd, van de schoonheid van de natuur, van kennis, inkomen en macht het is allemaal onmogelijk geworden als we op zeven dagen in de week en op alle 24 uren van de dag ergens aan het werk zijn en die zeven dagen en die 24 uren onder elkaar verdelen zonder een dag te reserveren voor allemaal samen. Van de regering mag verwacht worden dat de liefde voor mensen weer boven regels van winst en profijt gaan en dat aan koopzondagen en eindeloos werken grenzen worden gesteld. Maar vrijheid wordt verward met kerkdwang. Christenen die roepen dat verstoring van de vrijheid op zondag hun geloof aantast zijn daar mede schuldig aan. Het gaat niet om geloof maar om bevrijding van de verslaving, aan werken en consumeren, daar zijn we dus geen slaven van. Wordt daar niet naar geluisterd dan moeten we via koopstakingen op zondag en onze vakbonden maar in actie komen voor die vrijheid. Zodat we ook op de zondag het goede kunnen doen, in alle vrijheid.

Weduwen en vreemdelingen doden ze

Psalm 94

1 God van vergelding, HEER, God van vergelding, verschijn in luister. 2 Verhef u, rechter van de aarde, geef de hoogmoedigen hun loon. 3 Hoe lang nog zullen de wettelozen, HEER, hoe lang nog zullen de wettelozen juichen, 4 de onrechtvaardigen het hoogste woord voeren en trotse taal uitslaan? 5 Zij vertrappen uw volk, HEER, onderdrukken uw liefste bezit, 6 weduwen en vreemdelingen doden ze, kinderen zonder vader brengen ze om. 7 ‘De HEER ziet het niet, ‘zeggen ze, ‘de God van Jakob merkt toch niets.’8 Kom tot inzicht, onverstandigen. Dwazen, worden jullie ooit wijs? 9 Hij heeft het oor geplant-zou hij niet horen? het oog gevormd-zou hij niet zien? 10 Die de volken leidt, de mensen leert en vermaant-zou hij niet straffen? 11 De HEER kent de mensen, niet meer dan lucht zijn hun gedachten. 12 Gelukkig de mens, HEER, die door u wordt geleid en onderwezen in uw wet en uw leer. 13 Hij zal rust vinden in kwade dagen, terwijl voor de wettelozen een kuil wordt gegraven. 14 Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten, zijn liefste bezit niet verlaten. 15 De rechtspraak voegt zich weer naar het recht, de oprechten van hart sluiten zich aan. 16 Wie treedt voor mij op tegen die onrechtvaardigen, wie beschermt mij tegen die schurken? 17 Had de HEER mij niet geholpen, dan woonde ik al in de stilte van het graf. 18 Toen ik dacht: Mijn voet glijdt weg, hield uw trouw mij staande, HEER. 19 Toen ik door zorgen werd overstelpt, was uw troost de vreugde van mijn ziel. 20 Kiest u de kant van verdorven rechters, die onheil stichten in naam van de wet? 21 Ze spannen samen tegen de rechtvaardigen en veroordelen onschuldigen ter dood! 22 De HEER is mijn burcht geworden, mijn God de rots waarop ik schuil. 23 Hij geeft de schuldigen het loon dat zij verdienen, om hun onrecht brengt hij hen tot zwijgen, de HEER, onze God, brengt hen voorgoed tot zwijgen. (NBV)

We zingen vandaag een psalm mee waarin de God van Israël gesmeekt wordt de hoogmoedigen, de goddelozen, de uitbuiters en onderdrukkers eindelijk eens het loon te geven dat ze verdienen. Hun hebzucht zorgt er voor dat zwakken en de minsten in de samenleving sterven en geen deel van leven hebben. Let op dat in deze Psalm op een bijzondere manier ook over vreemdelingen wordt gesproken. Ze staan in dezelfde zin als de Weduwen, hun positie in de samenleving is even zwak als de weduwen, als kinderen zonder vader. Niemand die ze recht verschaft, niemand die hen verlost uit hun ellende, uit hun armoede. Ze kennen geen vertegenwoordigers in de Poort, daar waar recht wordt gesproken, daar zitten de mannen van de stad bijeen om recht te verschaffen aan een ieder die recht zoekt. Maar weduwen, kinderen zonder vader en dus ook de vreemdelingen hebben daar geen stem, geen vertegenwoordiger. Het is de psalmdichter die zich gedwongen ziet bij God voor hen te pleiten.

Soms roept de Bijbel God aan om de mens tot nadenken te stemmen. Want als God kan zien omdat die ogen geschapen heeft en kan horen omdat die oren geschapen heeft zou de mens die van die God die ogen en oren heeft gekregen dan zelf ook niet horen en zien? De ellende zien van de armen, van de vreemdelingen, de smeekbeden om recht horen van de weduwen en de vreemdelingen? Het is daarom dat de Psalmist ons er op wijst dat je als mens pas gelukkig wordt als je je naaste lief hebt als jezelf, als je een rechtvaardige bent, mensen tot hun recht weet te laten komen, kortom als je de richtlijnen en de leer van de God van Israël weet te volgen en je daardoor weet te laten leiden. Je hoeft niet bang te zijn dat je broeder of zuster voor zijn of haar tijd zal sterven. Je hoeft niet bang te zijn dat zij die willen korten op de inkomens van de armsten, die jacht willen maken op de vreemdelingen en hen alle rechten willen ontzeggen uiteindelijk zullen winnen. Ze zullen van binnenuit vergaan.

Deze Psalm is een lied van hoop en vertrouwen, hoop dat het toch ondanks alles goed zal komen en vertrouwen op de richtlijnen voor de menselijke samenleving als grondslag voor een rechtvaardige samenleving. Volgens die richtlijnen worden rechters gekozen, zij die de armen vertrappen en de vreemdelingen onrecht willen aandoen zullen daarvoor zelf gestraft worden. Natuurlijk gaat dat niet vanzelf. Het is niet zo dat we met de Psalmist een liedje mee moeten zingen, onze ogen moeten sluiten en de handen vouwen en dan amen roepen en het is voor elkaar. Als God gesproken heeft en ons zijn richtlijnen en zijn Leer heeft gegeven, als wij weten dat we mogen horen op zijn Woord en mogen zien op zijn machtige daden mogen we dan niet zelf in beweging komen om de naaste recht te doen, zelf de weduwe en de wees in bescherming nemen, zelf de gastvrijheid betrachten waar de vreemdelingen onder ons recht op hebben? Elke dag mogen we dat weer opnieuw doen, ook vandaag.

Een pleitbezorger voor het welzijn van allen

Ester 9:29-10:3

29 Koningin Ester, de dochter van Abichaïl, stelde samen met de Jood Mordechai een tweede schrijven op om Poerim nadrukkelijk verplicht te stellen. 30 Er werden brieven gestuurd naar alle Joden in alle honderdzevenentwintig provincies van Ahasveros’ koninkrijk, met betuigingen van vriendschap en trouw. 31 Daarin werd de viering van Poerim op de vastgestelde tijd verplicht gesteld: ze moesten zich houden aan wat de Jood Mordechai hun had opgelegd-ook koningin Ester legde hun dit nu op-en de verplichtingen nakomen die zij voor zichzelf en voor hun nakomelingen waren aangegaan wat betreft vasten en weeklagen. 32 Esters bevelschrift bevatte bindende voorschriften voor de poerimdagen, en de inhoud ervan werd te boek gesteld. 1 Koning Ahasveros legde zowel het vasteland als de eilanden voor de kust belasting op. 2 Al zijn machtige daden en krijgsverrichtingen zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Medië en Perzië, evenals alle bijzonderheden over de hoge positie die hij Mordechai had gegeven. 3 Mordechai, de Jood, volgde in rang immers onmiddellijk op koning Ahasveros. Hij stond bij de Joden in aanzien en was bij hen allen geliefd, want hij streefde het geluk van zijn volk na en was een pleitbezorger voor het welzijn van allen die tot dit volk behoorden. (NBV)

En zo komt ons Carnavalsverhaal uit de Bijbel ten einde. Koningin Ester en minister Mordechai stellen een feestdag in die voortaan door iedereen moet worden gehouden. Wie echt heeft meegelezen in het boek Ester blijft wellicht zitten met een paar vragen. Waar halen die Mordechai en Ester eigenlijk de moed vandaan om een feest voor heel hun volk in te stellen? Feesten werden toch voorgeschreven door God? In de Joodse Bijbel zijn de eerste vijf boeken vol van voorschriften over dit soort feesten en het Poerim of Carnavalsfeest staat daar niet in. Trouwens als je het boek Ester nauwkeurig leest komt die hele God waar ze het altijd over hebben in dat hele boek helemaal niet voor. Hoort dat boek dan wel in de Bijbel? Die laatste vraag is zo gek nog niet want daar hebben de geleerden eeuwen over getwijfeld. Maarten Luther bijvoorbeeld, de hervormer die de Bijbel in de landstaal vertaalde, stelde voor het boek Ester maar uit de Bijbel weg te laten.

Dat was wat moeilijk want dat boek stond niet alleen in de Christelijke Bijbel maar ook in de Joodse Bijbel en volgens de Christelijke Bijbel moet je niks uit de Joodse Bijbel weg laten. Het boek hoort dus bij het verhaal over Israël en de manier waarop we in de wereld met elkaar om moeten gaan. Dat de beschermers van het volk, de bevrijders van angst en haat in dit geval, de herinnering aan die bevrijding levend willen houden is een legitieme zaak. Voor ons is het verhaal hoogst actueel. Er wordt in ons land nog wel eens geageerd tegen politici met een zogenaamde dubbele nationaliteit. Zij zijn niet in Nederland geboren en bijvoorbeeld de Marokkaanse nationaliteit die ze nooit kunnen opgeven, Marokko verbiedt dat in de wet. Maar net als Mordechai werden zij wel dienaren van de Kroon. Onder ede verklaarden ze dat ze de Nederlandse wet zullen handhaven en de grondwet zullen respecteren, dat ze trouw zijn aan de kroon kortom.

Er is ooit wel eens gepleit voor het opnemen van de Joods-Christelijke-Humanistische traditie in onze grondwet. Die traditie laat dus volstrekt toe dat vreemdelingen die bij je eigen land zijn gaan horen daar ook hoge posten in vervullen. David had een vreemdeling als generaal in dienst, Mordechaï werd rechter als vreemdeling in ballingschap. Zo sluiten we het carnavalsverhaal over de omgekeerde wereld af. Een wereld waar de onze zich voortdurend tegen verzet maar waaraan een deel van het volk een paar dagen per jaar de herinnering levend houdt. Het moet ons inspireren om ook de rest van het jaar de bestaande wereld te blijven toetsten op het gevolg voor minderheden. Weten wij ze in vrede en vrijheid onder ons te laten leven? Of tolereren we Hamans in onze top om de minderheden te kunnen kwetsen en vervolgen?