Allen die ……..zullen worden vervolgd.

2 Timoteüs 3:10-17

10 Jij daarentegen bent mij trouw gevolgd in mijn leer, mijn levenswijze, streven, geloof, geduld, liefde, volharding, 11 en je hebt hetzelfde lijden en dezelfde vervolgingen ondergaan die mij in Antiochië, Ikonium en Lystra hebben getroffen. Ik heb ze allemaal doorstaan, de Heer heeft mij steeds weer gered. 12 Allen die vroom en in eenheid met Christus Jezus willen leven, zullen worden vervolgd. 13 Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden. 14 Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren 15 en bent van kindsbeen af vertrouwd met de heilige geschriften die je wijsheid kunnen geven, zodat je wordt gered door het geloof in Christus Jezus. 16 Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven, 17 zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust. (NBV)

Alle gelovigen zullen worden vervolgd. Dat lijkt in ons land voorlopig alleen op te gaan voor Moslims. Want Moslim zijn dat mag eigenlijk niet. Niet dat de vervolgers weten wat Moslims zijn. Sommigen hebben wel eens iets gelezen over de publicaties van Islamieten uit de Middeleeuwen. Toen in Spanje de Joden met tientallen gelijk op de brandstapel werden gezet omdat ze zich niet tot het Christendom wilden bekeren, of omdat ze zich misschien wel wilden bekeren maar nu eenmaal Jood geweest waren. Toen heerste er kennelijk een gewelddadig klimaat tussen mensen van verschillend geloof. Maar ook in de Middeleeuwen waren alle Rooms Katholieken niet de de strenge Rooms Katholieken uit Spanje die anders gelovigen graag in de brand staken. En alle Moslims predikten ook toen al niet dat iedereen het zwaard moest opnemen om de ongelovigen het hoofd af te slaan. En om Rooms Katholieken van vandaag te vergelijken met de brandstichtende Rooms Katholieken uit de Middeleeuwen in Spanje is al even dwaas als Moslims van nu te vergelijken met de zwaardvechtende Moslims uit de Middeleeuwen. Met dat vervolgen moeten we dus voorzichtig zijn.

Er zijn ook mu in ons land mensen die alle geloven willen uitbannen. Nergens willen ze mensen tegenkomen die ergens in geloven. De kans bestaat dat als het ze lukt om de Islam uit ons land te verdrijven het Christendom het volgende geloof is dat uit de samenleving moet verdwijnen. Voor Paulus is dat een heel gewone zaak. Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen en wie opkomt voor de slachtoffers wacht dus zelf vervolging. Paulus roept daarom zijn vriend en vertegenwoordiger Timotheüs op om vol te houden. Met enige regelmaat de oude geschriften lezen die wij vandaag de dag terug kunnen vinden in de Bijbel. Toen Paulus deze brief aan Timotheüs schreef had de Bijbel nog niet haar definitieve samenstelling gekregen. Maar de eerste vijf boeken, de boeken van de profeten en de Psalmen waren zeer geliefd en werden veel gelezen. Wij hebben het gemakkelijker.

Wij hebben het Nederlands Bijbelgenootschap dat een rooster heeft gemaakt aan de hand waarvan je elke dag een stukje uit de Bijbel kunt lezen. Dat stukje heeft te maken met wat er op zondag in de kerken wordt gelezen en met de tijd van het jaar. Hierboven staat het stukje van vandaag en zo doen we dat elke dag, eerst de Bijbel lezen en dan de overweging over het Bijbelgedeelte van de dag. En wat is het nut ervan? Volgens Paulus wordt je dan een dienaar van God die voor zijn of haar taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust. Dat is toch wel heel erg mooi. Het lezen van de Bijbel opent je de ogen voor de slachtoffers van de oplichters en bedriegers. Het lezen van de Bijbel opent je de oren voor de mensen die naast de weg zijn komen te zitten en niet anders kunnen dan roepen om aandacht. Het lezen van de Bijbel zet je in beweging naar de armsten van de wereld en leert je een hand uit te steken naar hen die moeten opstaan en hun ellende moeten kunnen verlaten. Het lezen van de Bijbel leert je mensen tot hun recht te laten komen, van mensen te houden als van jezelf, ook vandaag weer.

Meer genotsvrienden dan Godsvrienden

2 Timoteüs 3:1-9

1 Weet dat de laatste dagen zwaar zullen zijn. 2 De mensen zullen egoïstisch zijn, geldzuchtig, zelfingenomen en arrogant. Ze zullen God lasteren, geen ontzag tonen voor hun ouders, ondankbaar zijn en niets heilig achten. 3 Ze zullen harteloos zijn, onverzoenlijk, lasterziek, onbeheerst en wreed. Ze zullen het goede haten 4 en onbetrouwbaar, roekeloos en verblind zijn. Het genot zullen ze meer liefhebben dan God, 5 ze zullen de schijn van vroomheid ophouden, maar de kracht ervan miskennen. Keer je af van zulke mensen. 6 Sommigen van hen dringen zich op aan hele families en krijgen dan vrouwen in hun macht die met zonde beladen zijn en door allerlei begeerten worden gedreven, 7 die almaar willen leren maar nooit in staat zullen zijn de waarheid te kennen. 8 Zoals Jannes en Jambres zich tegen Mozes hebben verzet, zo verzetten deze dwaalleraren zich tegen de waarheid. Het zijn mensen met een zieke geest en een onbetrouwbaar geloof. 9 Maar ze zullen niet veel bereiken, want iedereen zal hun dwaasheid snel doorzien, zoals ook met Jannes en Jambres gebeurde. (NBV)

Leuk om op een vroege morgen in de lente zo’n stuk uit een brief van Paulus te mogen lezen. Al die gelovigen doen wel vroom, verbieden iedereen van alles, maar ondertussen doen ze zelf alles wat God verboden heeft. Daar gaat het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk niet over maar op het eerste gezicht krijg je wel die indruk. Want waar gaat het dan wel over? Het gaat over menselijk gedrag dat zeker tot ellende en soms zelfs tot de dood leidt. Wie kent de mensen niet die zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, praalziek, hoogmoedig, lasterlijk? Hadden we aan die mensen niet de financiële crisis te danken? Werden die mensen in het bedrijfsleven niet de exorbitante zelfverrijkers genoemd? En dan die mensen die aan hun ouders ongehoorzaam zijn, ondankbaar, onheilig, ongevoelig, onverzoenlijk, tweespalt-zaaiend, onbeheerst, onhandelbaar. Komen jongeren niet op de gedachte die jeugdbendes te vormen en hele buurten kunnen terroriseren?

Jongeren waar ouders geen greep meer op hebben maar waar ook scholen en overheden geen raad en geen weg meer mee weten. Kortom we hebben volgens Paulus te maken met een ik maatschappij waar mensen meer genotsvrienden dan Godsvrienden zijn. Maar pas op. Paulus heeft het niet alleen over de anderen, over die mensen die dingen doen die ons vrome lieden niet welgevallig zijn. Het gaat ook, en in de eerste plaats, over mensen met een schijn van vroomheid. Het gaat ook over voorgangers die wel doen of ze het woord van God prediken maar ondertussen misbruik maken van vrouwelijke gemeenteleden, of nog erger van kinderen. Hier worden Jannes en Jambres genoemd die Mozes zouden hebben weerstaan. In de Bijbel zoeken we tevergeefs naar deze namen. Wie Grieks heeft gestudeerd kent ze wellicht uit de werken van Plinius. In de tijd dat Paulus deze brief schreef waren het zeer bekende namen. Ze waren gegeven aan de Egyptische tovenaars die de wonderen imiteerden die Mozes voor de Farao deed als bewijs dat hij werkelijk door God was gezonden.

Dat soort namaak voorgangers kwam in de dagen Paulus en Timoteüs kennelijk veelvuldig voor. Het is het soort voorgangers dat ook wij kunnen tegenkomen en waarvoor we gewaarschuwd worden. Niet de mooie verhalen die voorgangers kunnen vertellen maken hen dienaren van het Goddelijke Woord. Wel daden zoals hun zoeken samen met de gemeente gestalte te geven aan het Koninkrijk van God, de vruchten van hun werk waardoor er zorg voor de armen ontstaat, aandacht voor de minsten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Die leer van het vormen van een gemeenschap waar het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf de maat en de norm is opdat het zich verspreid over de hele aarde kenmerkt zich door het gedrag in de samenleving, de liefde voor de minsten en de volharding er van ook in tijden dat het ingaat tegen de heersende maatschappelijke mode. Daar mogen we dus op deze lentedag ook op letten als we weer voorgangers horen vertellen over hoe goed God kan zijn. Zijn zij en is hun gemeente ook op weg het goede te doen en niet dan het goede? En kunnen wij ons daarbij aansluiten? Hoe sterker die beweging wordt hoe meer de lof van God gezongen kan worden. Laten we dus beginnen die Weg te gaan vandaag.

Luister niet naar zinloos en leeg gezwets

2 Timoteüs 2:14-26

14 Blijf dit de gelovigen voorhouden en roep hen ten overstaan van God dringend op om niet te redetwisten. Dat heeft geen enkel nut en leidt er alleen maar toe dat de toehoorders ten onder gaan. 15 Span je in om voor God te staan als iemand die betrouwbaar is. Zorg dat je je niet voor je werk hoeft te schamen en verkondig regelrecht de waarheid. 16 Luister niet naar zinloos en leeg gezwets, want het voert steeds verder van God weg. 17 Wat dwaalleraren vertellen, woekert voort als een gezwel. Ook Hymeneüs en Filetus 18 zijn van de waarheid afgedwaald door te beweren dat de opstanding al heeft plaatsgevonden. Daarmee ondermijnen ze het geloof van anderen. 19 Maar het fundament dat God gelegd heeft, ligt onwrikbaar vast en draagt het opschrift: ‘De Heer weet wie hem toebehoren’ en ‘Laat ieder die de naam van de Heer noemt, onrecht uit de weg gaan’. 20 In een groot huis zijn er niet alleen voorwerpen van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk. De eerste zijn voor bijzondere gelegenheden, de laatste voor dagelijks gebruik. 21 Als iemand zich van alle kwaad gereinigd heeft, wordt hij een bijzonder en geheiligd voorwerp, dat zijn eigenaar vele diensten kan bewijzen en geschikt is voor elk goed doel. 22 Mijd de begeerten van de jeugd, streef naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer met een zuiver hart aanroepen. 23 Verwerp dwaze en onzinnige speculaties; je weet dat ze tot ruzie leiden. 24 Een dienaar van de Heer moet geen ruzie maken, maar voor iedereen vriendelijk zijn; hij moet een goede leraar zijn en een verdraagzaam mens, 25 en zijn tegenstanders zachtmoedig terechtwijzen. Dan brengt de Heer hen misschien tot inkeer, zodat zij de waarheid leren kennen 26 en ontsnappen uit de valstrik van de duivel, die hen levend gevangen heeft genomen en hen dwingt zijn wil te doen. (NBV)

Van begin af aan zijn er mooipraters geweest in het Christendom. Mensen die vertelden dat we de hemel al in ons bezit hadden. De opstanding van de rechtvaardigen, waar veel christenen en Joden in geloofden, was volgens hen al gekomen, geestelijk. Wat de gevolgen waren laat zich raden. Paulus laat er in veel brieven geen misverstand over bestaan. Er zijn voortdurend voorgangers die de gemeente voorhouden dat zij zich aan geen enkele wet meer hoeven te houden want ze zijn immers al verlost, ze zijn immers al opgestaan uit de dood net als Christus was opgestaan uit de dood. Nu heeft het geen zin twistgesprekken aan te gaan met dit soort voorgangers, het leidt maar tot ruzie en ze zijn meesters in het woordenspel, de woorden zo draaien en uitleggen dat het lijkt of ze altijd gelijk hebben. De waarheid komt altijd vanzelf boven. In de gemeente van Jezus van Nazareth, de gemeente zoals Paulus ze gesticht heeft, is de een niet meer dan de ander en ben je samen broeders en zusters in de Heer. Wie beweert al opgestaan te zijn of wie beweert meer te mogen dan een ander op grond van zijn of haar geloof valt dus door de mand, die kan niet de waarheid spreken.

Maar hoe zit het dan met die vergelijking van zilveren voorwerpen en houten voorwerpen. Als je goed leest zegt Paulus dat die voorwerpen in de gemeente van Jezus van Nazareth evenveel waarde hebben. De waarde in geld is niet de vraag maar of ze geheiligd zijn, of ze in dienst staan van de boodschap van Jezus van Nazareth. Als dat zo is dan is elk voorwerp in staat vele diensten te verlenen. Iedereen heeft dus de mogelijkheid van de naaste houden als van zichzelf en pas als iemand dat doet dan kun je zien wat de waarheid is. Mensen die streven naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede horen er bij. En denk er om dit is niet een willekeurig rijtje waar je uit kunt kiezen, ze horen bij elkaar en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Paulus adviseert zijn knecht Timoteüs hier de begeerten van de jeugd te mijden. Nu weten we uit het boek Handelingen dat Timoteüs al op jonge leeftijd met Paulus mee ging om hem te helpen en om als zijn gezant en postbode op te treden. Paulus maakt hier dus kennelijk een grapje met een serieuze ondertoon.

Want zoals vele jongeren zal ook Timoteüs wel eens de eerste viool hebben willen spelen door gemeenten te vertellen waar het op staat. Al dat geruzie, al die valse predikers die met de mooiste verhalen over kristallen hemelen die je kapot moest geloven om de brandende vlam van God in jezelf te bevrijden en zich te laten verenigen met de enige God. Het leidt maar af van de zwakken in de samenleving, de hongerigen, de bedelaars in de straat, de kinderen zonder ouders en verzorgers. Maar Timoteüs moet leren zijn woede te temperen en de gemeente mee te nemen naar het leven als volgelingen van Jezus van Nazareth door ze het voor te leven en ze te vertellen van al die mensen die langs de weg zittend ineens de aandacht kregen van Jezus van Nazareth zelf en konden opstaan en lopen of zien of horen. Daar moet de gemeente zich mee bezig houden, daar moeten wij ons dus mee bezig willen houden, ook vandaag weer.

Vet en bloed mogen jullie niet eten.

Leviticus 3:12-17

12 Wie een geit als offergave aan de HEER aanbiedt, 13 moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten binnen de omheining van de ontmoetingstent, waarna de zonen van Aäron het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. 14 Een deel van het vredeoffer moet als offergave aan de HEER worden aangeboden: het vet rond de buikholte en al het vet aan de ingewanden, 15 de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. 16 De priester doet dit alles op het altaar in rook opgaan, als voedsel, als een geurige gave. Al het vet is bestemd voor de HEER. 17 Vet en bloed mogen jullie niet eten. Deze bepaling blijft voor de Israëlieten en hun nakomelingen voor altijd van kracht, waar ze ook wonen.”’ (NBV)

De magere geiten, ze eten op de meest schrale gronden, worden in de teksten over de gemeenschapsmaaltijd als laatste behandeld. Het zal duidelijk zijn, zonder dat dit uitdrukkelijk wordt gezegd, dat het offeren van geiten het minste kost en dus ten offer wordt aangeboden door de mensen met de laagste inkomens. Dit gedeelte vertelt ook dat hoe kostbaar je offer ook is, als het bij jouw sociale positie past wordt het op dezelfde zorgvuldige manier behandeld. Bij dit offer staan zelfs een paar bepalingen die niet allen voor mensen met een laag inkomen gelden maar die voor iedereen gelden.

Bij elk gedeelte over het offer staat dat het bloed van het offerdier over het altaar moet worden uitgegoten. Israël had de overtuiging dat de plek van het leven het bloed was. Zonder bloed geen leven, dus bepaald het bloed het leven. En het leven van mens en dier komt van God. Dat leven komt niet aan mensen toe, doden en moorden liggen dicht bij elkaar en mogen ook niet. Het bloed eet je dus niet, dat is een belangrijk voedselvoorschrift en geld ook voor de dieren die je wel mag eten. Dat vlees kan dus onrein zijn als er toch bloed is achtergebleven.

Hier duikt ook het voorschrift op geen vet te eten. Vet is bestemd voor God. Vet heeft het meeste smaak. De smaak van vlees wordt vaak bepaald door de hoeveelheid vet. Het beste van een dier is dus voor God en niet voor de mens. Bij alles wat je eet gelden dus twee zaken. Het leven dat je neemt om je te voeden is door God gegeven, en hetgeen je toevalt zul je moeten delen, met God maar dus ook met zijn kinderen, de knechten en de slaven, de armen en de vreemdelingen. Als je dat afwijst dan wijs je de God van Israël af. Dan wordt de samenleving onmenselijker, daar kan je voor kiezen maar goed is het niet.

Als voedsel en offergave

Leviticus 3:6-11

6 Wie een vredeoffer wil aanbieden en daarvoor een schaap of een geit neemt, mag een mannelijk of een vrouwelijk dier nemen, maar het dier dat de HEER wordt aangeboden mag geen enkel gebrek hebben. 7 Wie een schaap als offergave aan de HEER aanbiedt, 8 moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten binnen de omheining van de ontmoetingstent, waarna de zonen van Aäron het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. 9 De vette delen van het dier moeten als offergave aan de HEER worden aangeboden: de bij het stuitbeen afgesneden staart in zijn geheel, het vet rond de buikholte en al het vet aan de ingewanden, 10 de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. 11 De priester doet dit alles op het altaar in rook opgaan, als voedsel en offergave voor de HEER. (NBV)

Het boek Leviticus kent bij de regels voor het offeren voor elke sociale klasse eigen voorschriften. Niemand kan zeggen dat het offer niet te betalen is maar ook kan niemand zeggen dat men wel rijk is maar een goedkoper offer wil brengen. Op een koopje offeren werkt alleen maar in je nadeel. Het vredesoffer of gemeenschapsoffer wijkt af van het gewone brandoffer. Daar werden alleen mannelijke dieren gebruikt maar bij dit offer zijn ook vrouwelijke dieren bruikbaar. De enige eis aan de dieren is dat ze zonder gebreken zijn. God scheep je nu eenmaal niet af met iets dat voor jou niet langer bruikbaar is. Wat de schapen betreft gaat het hier om vetstaartschapen en aangezien je het beste offert moet ook het vet van de staat meegenomen worden.

Soms gaat er in de Nieuwe Bijbelvertaling betekenis verloren om dat men het zich gemakkelijk maakt of omdat men de tekst van de Bijbel gemakkelijker verstaanbaar wil maken. Het laatste vers van dit gedeelte is daar een voorbeeld van. Op de plaats van “voedsel” staat in het Hebreeuws “lehem” Dat woord kennen we uit de naam van de stad van David, Bethlehem. Dat “lehem” betekent brood en Bethlehem betekent het huis van brood. Dat “voedsel” staat er zo dat het lijkt of je God moet voeden en dat kan nooit de bedoeling zijn. Het brood wordt hier gebruikt als voedsel voor het vuur waarmee geofferd wordt, De oude Statenvertaling laat deze betekenis ook staan.

Het lezen van de passages uit Leviticus over offeren lijkt een saaie bezigheid. Maar we zijn in de veertig dagentijd. De veertig dagen voor Pasen en dat is vanouds een tijd waarop de gelovigen zich bezinnen op hun gehechtheid aan bezit en materie. Er zijn sobere maaltijden, er zijn mensen die afzien van de sociale media, er zijn mensen die extra vrijwilligerswerk gaan doen. Leviticus herinnert ons er aan dat je dat afzien van hetgeen je aan gehecht bent zorgvuldig moet gebeuren. Je kan je er niet goedkoop van af maken. En losmaken van gehechtheid kan zeker niet alleen uiterlijk. Het gaat er niet om runderen, schapen en geiten zomaar op het vuur te gooien in de hoop dat iedereen je offergezindheid zal bewonderen. Het gaat om jouw relatie met God en om jouw oefening in delen van wat je hebt met hen die niets hebben. De veertigdagen tijd is een tijd om te oefenen.

Een deel van het vredeoffer

Leviticus 3:1-5

1 Wie een vredeoffer wil aanbieden en daarvoor een rund neemt, mag een koe of een stier nemen, maar het dier dat de HEER wordt aangeboden mag geen enkel gebrek hebben. 2 Degene die het offer aanbiedt, moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten binnen de omheining van de ontmoetingstent, waarna de priesters, de zonen van Aäron, het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. 3 Een deel van het vredeoffer moet als offergave aan de HEER worden aangeboden: het vet rond de buikholte en al het vet aan de ingewanden, 4 de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. 5 De zonen van Aäron verbranden dit alles samen met het brandoffer dat op het houtvuur op het altaar ligt, als een geurige gave die de HEER behaagt. (NBV)

De term “vredeoffer” wordt ook wel vertaald als “gemeenschapsoffer”. Vrede is niet alleen de afwezigheid van oorlog maar vrede is een nieuw begin van gemeenschapsvorming. Pas als het vrede is kun je weer samenwerken. Pas als het vrede is dan kan de een voor de ander zorgen. En een dergelijke vrede is een geschenk van God waarvoor je dankbaar kunt zijn. Nu is dit offer niet alleen een dankoffer maar ook een offer waarmee je aan God laat weten echt vrede met de ander te willen. Waarin je laat weten dat vrede het meest vruchtbaar is en het meeste welvaart oplevert.

Het vet dat hier in hoofdzaak wordt geofferd is een teken van rijkdom, van vruchtbaarheid. Er zijn mensen die zwemmen in het vet, de psalmdichter klaagt zelfs dat de onrechtvaardigen zwemmen in hun vet. Mensen die hun “vet” de vruchten van hun arbeid en bezit ophopen behoren over het algemeen tot de onrechtvaardigen. Delen juist van je rijkdom brengt de wereld meer vrede en geluk. Dit gemeenschaps- of vredeoffer maakt dat aan iedereen duidelijk. Daarom is het een offer dat met de grootste zorgvuldigheid door de offeraar en de priesters moet worden uitgevoerd.

Over het algemeen zullen de priesters het overgebleven vlees opeten. Maar er zijn ook passages in de Bijbel aan te wijzen dat het vlees door een familie of zelfs door de volksgemeenschap wordt gegeten. De eenheid van de familie of de eenheid van het volk wordt daarmee gevierd. Ook de rituele maaltijd die volgens Deuteronomium door de familie met de knechten, de slaven, de armen en de vreemdelingen bij de Tempel moet worden gevierd leen zicht voor het nuttigen van het vlees dat overblijft bij een vredes of gemeenschapsoffer. Vrede is altijd gemeenschap vieren, ook in onze dagen.

Een graanoffer

Leviticus 2:11-16

11 Geen enkel graanoffer dat de HEER wordt aangeboden, mag gedesemd zijn. Gedesemd brood en vruchtenstroop mogen niet als offergave voor de HEER verbrand worden. 12 Het mag wel bij de opbrengst van de nieuwe oogst aan de HEER worden aangeboden, maar niet als geurige gave op het altaar worden verbrand. 13 Aan elk graanoffer moet zout worden toegevoegd: het zout, als teken voor het verbond met jullie God, mag bij het graanoffer niet ontbreken. Ook aan de andere offers moet zout worden toegevoegd. 14 Wanneer jullie een graanoffer uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst aan de HEER aanbieden, moeten jullie gries van geroosterd vers graan nemen, 15 er olijfolie over gieten en er wierook op leggen; dan is het geschikt als graanoffer. 16 De priester moet een deel van het graan en de olie en al de wierook verbranden als teken voor de hele offergave voor de HEER. (NBV)

Offers moeten van de hoogste kwaliteit zijn. Alleen het beste is goed genoeg om te delen met de God van Israël. Je bewijst daarmee dat je bereid bent om zelfs het beste dat je van God hebt ontvangen te delen met een ander, met iemand die dat zeer nodig heeft. Daarom mag het brood dat je deelt niet bedorven zijn. Brood met gist of zuurdesem is eigenlijk bedorven voedsel, gezond blijft het maar ongezuurd brood herinnert ook aan de bevrijding uit Egypte. Als je zout toevoegt aan dat ongezuurde brood wordt het nog langer houdbaar. Zout toevoegen aan de offergaven benadrukt dus dat het beste nog niet goed genoeg is voor de God van Israël en dat je bereid bent een stap verder te gaan als het gaat om het voeden van de hongerigen.

Ook vruchtensiroop mag niet aan brood worden toegevoegd, dat is wel lekker maar moet je toch maar niet verbranden. Vroeger werd hier vaak vertaald met honing maar vruchtensiroop was een gebruikelijk voedingsmiddel. Volgens het tweede boek Kronieken werd het overigens wel aan sommige offers toegevoegd. Niet aan het graanoffer. Het graanoffer moet zo zuiver mogelijk blijven. Daarom moet bij het offeren van het eerste graan van de nieuwe oogst het graan eerst geroosterd worden. Alle ongerechtigheid is er dan van af en vervolgens moet het tot zuivere bloem gezeefd worden. Dat is de gierst. Daar gaat dan weer olijfolie overheen en wierook. Dat God niet gevoed hoeft te worden blijkt uit het deel van het graan dat uitdrukkelijk voor de Priester is bestemd. Offers aan God zijn dus bestemd voor een aangename geur.

Nu is het verbranden van graan net als het verbranden van vlees voor de menselijke neus over het algemeen niet echt aangenaam. Maar het herinnert je er aan dat delen altijd weerstand oproept. Je hebt het hele jaar gewerkt voor de opbrengst van je akker, of voor de uitbreiding van je kudde rundvee en dan moet je dat delen. Niet omdat je dan wat terugkrijgt van die God maar omdat alles wat je kreeg bestemd is om te delen. Van de graanoffers is het God zelf die deelt met de Priesters. Die mogen overigens ook het geroosterde vlees van de offers opeten. Er wordt niet geheimzinnig gedaan over het belang dat Priesters hadden bij een goede offerpraktijk. Maar het hele volk had belang bij een goede zorg voor de weduwen en de wees, voor de zieken en gehandicapten, voor de armen. Van die goede zorg werd een volk pas rijk. En dat is tot op vandaag de dag nog steeds zo. De zorg voor de ander geeft ons de meeste kracht.

Voor de HEER is dat allerheiligst.

Leviticus 2:1-10

1 Wanneer iemand een graanoffer aan de HEER aanbiedt, moet hij tarwebloem nemen. Hij moet er olijfolie over gieten en er wierook op leggen. 2 Hij moet het offer naar de priesters, de zonen van Aäron, brengen. De priester neemt een handvol van de bloem en de olie, samen met alle wierook, en verbrandt dit als teken voor de hele offergave op het altaar, als een geurige gave die de HEER behaagt. 3 Wat er van het graanoffer overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen; als deel van de offergaven voor de HEER is dat allerheiligst. 4 Voor een graanoffer dat in de oven wordt gebakken, moet tarwebloem worden gebruikt; de offergave mag bestaan uit dikke ongedesemde broden, met olijfolie bereid, of dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken. 5 Een graanoffer dat op de bakplaat wordt bereid, moet bestaan uit tarwebloem vermengd met olijfolie; het deeg moet ongedesemd zijn. 6 Het baksel wordt in stukken gebroken en overgoten met olie; dan is het geschikt als graanoffer. 7 Voor een graanoffer dat in een kookpan wordt klaargemaakt, moeten tarwebloem en olijfolie gebruikt worden. 8 Een graanoffer dat uit deze bestanddelen bereid is, mag aan de HEER worden aangeboden. Het moet aan de priester worden gegeven, die het naar het altaar brengt. 9 De priester moet een deel van het graanoffer als teken voor de hele offergave op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt. 10 Wat er van het graanoffer overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen; als deel van de offergaven voor de HEER is dat allerheiligst. (NBV)

In het Nederlands staat het er allemaal zo eenvoudig. Neem wat tarwebloem, doe er wat olijfolie over en leg er wat wierook op en klaar is keer, je hebt een graanoffer. Dat is jammer, de diepte en bijzonderheid van dit offer gaat in de vertaling verloren. Die tarwebloem wordt in het Hebreeuws ook aangeduid met het woord dat vertaald kan worden als “gries”. Dat is de meest zuivere vorm van bloem, het is zo vaak gezeefd dat werkelijk alle ongerechtigheden er uit zijn gezeefd, zeer zuivere bloem dus. Dan wordt er olijfolie over uitgegoten. Bijna iedereen heeft tegenwoordig wel een fles olie in de keuken. Maar in Israël was olijfolie iets bijzonders. Het had een helende functie, met die olie werden ook voorwerpen aan God gewijd. En dan die wierook. Dat kwam in Israël niet voor, dat moest je uit verre vreemde landen importeren en was dus duur.

Dat graanoffer, ook wel vertaald als huldigingsoffer, was dus een heel bijzonder offer. Uitdrukkelijk blijkt hier dat het niet bestemd is om God in leven te houden maar om te laten zien dat je bereid bent om te delen. Dit kostbare offer wordt dan ook maar voor een deel verbrand, de rest is voor de Priesters. Van het graan worden eerst broden gebakken. Met de olie er door, dan krijg je dikkere broden, of met de olie er over uitgestreken. Met water is zowel met olie en graan als alleen met graan heel goed brood te bakken. Wat niet mag is gist of zuurdesem gebruiken. Eigenlijk wordt het brood daardoor bedorven en het wordt ook gelijk veel minder houdbaar. Het herinnert ook aan de bevrijding uit Egypte toen dit brood meegenomen moest worden om de eerste dagen in de woestijn te kunnen overleven. Ongezuurd brood bederft bijna niet.

De beschrijving van dit offer kent voor de Priesters nog een bijzonderheid. Het allerheiligste is het deel van de Tent der Ontmoeting, de Tabernakel en later de Tempel, waar alleen de Hogepriester mocht komen. Hier stond de Ark van het verbond met de stenen platen waarop de tien belangrijkste richtlijnen voor de menselijke samenleving stonden. Het deel van het brood dat geofferd wordt dat voor de Priesters wordt bestemd heet het allerheiligst. Het herinnert de Priesters nog eens aan het verbond met God. Brood is de eerste levensbehoefte. In de Tempel staat dan ook een tafel met brood dat aan God getoond worden. Wij zijn bereid te delen. In deze 40 dagen tijd zijn er veel gemeenten die samen een sobere maaltijd eten. Ze zouden er voor de ongezuurde broden kunnen bakken als huldiging aan God. De gelovigen vormen een volk van Priesters die dus best herinnert mogen worden aan de bevrijding uit de slavernij.

Als geurige gave

Leviticus 1:10-17

10 Wie een schaap of geit als brandoffer aanbiedt, moet een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. 11 Hij moet het slachten aan de noordkant van het altaar, ten overstaan van de HEER, en de priesters, de zonen van Aäron, moeten het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. 12 Het dier moet in stukken worden gesneden, en de priester moet de stukken vlees met de kop en het vet op het houtvuur op het altaar leggen. 13 De poten en de ingewanden moeten met water gewassen worden, en de priester moet alles naar het altaar brengen en het daarop verbranden. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt. 14 Wie een vogel als brandoffer aan de HEER aanbiedt, moet een tortelduif of een jonge gewone duif nemen. 15 De priester moet het offer naar het altaar brengen, het dier de kop afknijpen en die op het altaar verbranden. Het bloed laat hij uitlekken langs de zijkant van het altaar. 16 Hij moet de krop met inhoud verwijderen en weggooien op de ashoop, aan de oostkant van het altaar. 17 Daarna scheurt hij de vleugels in, zonder ze los te trekken, en verbrandt hij de vogel op het houtvuur op het altaar. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt. (NBV)

Lazen we gisteren over het offeren van runderen vandaag komt het kleinvee en komen de vogels aan de orde. In Israël was nauwkeurig voorgeschreven wie wat en wanneer moest offeren. Dit gedeelte van Leviticus gaat over het hoe. Het ligt voor de hand dat de rijksten de grootste offers brengen en de armsten de goedkoopste. Maar als je dit gedeelte uit het boek Leviticus leest dan zie je dat het offeren niet op een koopje gebeurd. Grote en kleine dieren, dure en goedkope dieren, ze worden gelijk behandeld en voor God hebben ze het zelfde effect. De offers zijn uitdrukkelijk niet bestemd om God in leven te houden. God eet niet van de offers, hij geniet van de geur.

De offers zijn dan ook niet een vorm van voor wat hoort wat. De God van Israël laat het regenen over de rechtvaardigen net als over de onrechtvaardigen. Je zet de natuur niet op Goddelijke wijze naar je hand. Het gaat bij deze offers om heel andere dingen. Gelovigen erkennen dat alles wat ze krijgen hen is toegevallen uit Gods hand. De een krijgt meer, de andere minder. God stuurt dat niet maar verwacht van allen hetzelfde antwoord. Dat antwoord is dat wil delen met hen die niets krijgen. In de eerste plaats laat je aan God weten niet gehecht te zijn aan wat je gekregen hebt.

Je bent geen slaaf van je bezit en meer en steeds meer betekent niks voor de gelovige. Daarom laat je een deel van je bezit schijnbaar nutteloos verbranden. Niemand heeft er wat aan, alleen geniet God van de geur van verbrand vlees. Of je nu arm bent of rijk God geniet van elk offer en elk offer wordt met dezelfde zorgvuldigheid gebracht. Zelfs de duiven die door de armsten geofferd moeten worden krijgen dezelfde zorgvuldige behandeling en God geniet evenveel en op dezelfde manier als bij de offers van runderen. Daarom is dit gedeelte van de Bijbel ook een vraag aan ons. Hoe arm of rijk we zijn, wat gaan wij delen met onze naaste? Jezus deelde zelfs zichzelf.

De HEER riep Mozes

Leviticus 1:1-9

1 De HEER riep Mozes en zei vanuit de ontmoetingstent tegen hem: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Als iemand van jullie de HEER een offer uit de veestapel wil aanbieden, moet dat een rund, een schaap of een geit zijn. 3 Wie een brandoffer wil aanbieden en daarvoor een rund neemt, moet een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. Hij moet het naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, waar de HEER het zal aanvaarden. 4 Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen, dan zal zijn offer worden aanvaard als verzoening. 5 Hij moet de stier slachten ten overstaan van de HEER, en de priesters, de zonen van Aäron, moeten het bloed naar het altaar brengen dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat en het tegen de zijkanten ervan gieten. 6 Het offerdier moet worden gevild en in stukken gesneden, 7 en de zonen van Aäron, de priester, moeten een vuur op het altaar aansteken en er hout op leggen. 8 De priesters moeten de stukken vlees van het offerdier met de kop en het vet op het houtvuur op het altaar leggen. 9 De ingewanden en de poten van het offerdier moeten met water gewassen worden, en de priester moet alles op het altaar verbranden. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt.(NBV)

Vandaag beginnen we in het boek Leviticus te lezen. Eigenlijk heet dit boek Hij Roept, zo heet dat ook in het Hebreeuws, zo staat het in de Hebreeuwse Bijbel. Maar toen dat boek voor het eerst in het Grieks werd vertaald wilde men ook graag uitleggen waar dat boek over gaat. Nu gaat dat boek niet over de Levieten die in de Tent van Ontmoeting de Priesters, de zonen van Aäron, hielpen maar over de taak van die Priesters als dienaren van God en het volk Israël. Het boek gaat over de rol die Priesters spelen in de verhouding God en mens. De Nieuwe Bijbelvertaling laat een aantal begrippen buiten beschouwing en dat is jammer. Dat “iemand van jullie” heet in het Hebreeuws “Adam” de mens. En die mens wil de God van Israël ontmoeten. In het boek Exodus hebben we kunnen lezen dat daarvoor de Tent van de Ontmoeting was gegeven waar God zelf zich had getoond aan het volk.

Maar de mens kan niet zo maar zijn God ontmoeten. Dat was nog wel zo in het Paradijs toen Adam en Eva met God wandelden en dat was misschien ook wel zo geweest met Henoch. Maar Adam, de mens, had gelijk willen worden met God door het eten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Dat door God gegeven Paradijs was gesloten en de mens had de opdracht gekregen zelf de aarde om te vormen tot een tuin van leven, een land dat zou kunnen overvloeien van melk en honing. Dat was te moeilijk. De mens wordt in zijn arbeid en zwoegen tot in haar voortplanting toe er voortdurend aan herinnerd dat de mens God niet is en eigenlijk de richtlijnen van God nodig heeft om een beetje leven te krijgen. Wij hebben ook vandaag de dag de neiging om de aarde weer terug te brengen tot een plaats van wanorde en woestenij.

Voor dat de mens zijn God kan ontmoeten dient er eerst verzoening plaats te vinden. God is God en de mens blijft mens. De God van Israël hoeft niet gevoed te worden door de mens. In tegenstelling tot de goden van de Heidenen is de mens niet een dienaar van God zodat God kan blijven bestaan. De mens heeft alles gekregen van God en mag alles delen. Om dat te laten weten aan God worden er offers gebracht. Nauwkeurig staat hier beschreven hoe en waarom het offer wordt gebracht. Alles wordt verbrand en de geur van verbrand vlees stijgt op naar God. Daar is het teken dat Adam zich wil verzoenen met God door weer mens te worden en God God te laten. Alles is gekregen van God om te delen en om te laten weten dat de mens niet gehecht is aan bezit maar bezit wil gebruiken om God te eren wordt er geofferd. De priesters zorgen er voor dat het zo gebeurd dat God en mens het er uit kunnen horen. God roept en wij antwoorden.