Wees niet bang

Lucas 2:1-21

1 In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2 Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3 Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4 Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5 om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. 8 Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. 9 Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. 10 De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: 11 vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer. 12 Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’13 En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: 14 ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’ 15 Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ 16 Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. 17 Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. 18 Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19 maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. 20 De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. 21 Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen. (NBV)

Waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Je kunt wel schrikken van een stralende engelfiguur, maar om er nu bang van te worden? Engelen worden op die manier wel niet dagelijks gezien maar de verhalen er over zijn toch wel bekend en meestal betekenen ze iets goeds. Dus waarom waren die herders eigenlijk zo bang? Om dat te begrijpen moeten we het kerstverhaal ontdoen van een heleboel romantische verzinsels. In het verhaal worden drie machthebbers genoemd. Augustus, Quirinius en David. Een keizer, een stadhouder en een koning. Die Keizer was de baas en die stadhouder zou de baas worden. Die keizer wilde een volkstelling houden. Dat was om te beginnen al schrikken en iets om bang voor te worden. In het oude verhaal van Koning David stond ook iets over een volkstelling, toen kreeg iedereen de pest en gingen er duizenden mensen dood. Het volk Israël had het niet gemakkelijk en de volkstelling was in de eerste plaats bedoeld om belasting te kunnen heffen, het volk zou het daarom nog minder gemakkelijk krijgen. Jozef en Maria namen een gok om hun afkomst van David tot gelding te brengen.

Op grond van die afkomst hadden ze recht op een akker in Bethlehem, de akker van Isaï waar ooit David de herder bij zijn schapen tot koning was gezalfd. Daar werd hun kind geboren, niet in hun of zelfs een huis, er was daar geen plaats, maar bij de dieren zodat het kind in een voederbak gelegd kon worden, gewikkeld in doeken zoals het na zijn sterven in doeken gewikkeld in een graf gelegd zou worden. Dat vertrouwen op de belofte van God, dat elke vijftig jaar een familie opnieuw zou mogen beginnen dat bracht de redding voor heel het volk. Die Quirinius zou pas tien jaar na de dood van Koning Herodes stadhouder worden, en het verhaal over Elisabet, Zacharias, Maria en Jozef begon in de dagen van Koning Herodes. Het ligt daarom voor de hand dat de geboorte van een kind in een open veld op een plaats waar het niet thuishoorde de volkstelling deed mislukken. Die stal staat dus ook niet in de Bijbel. Met die geboorte kon de angst van de herders verdwijnen, geen opstand, geen doden, maar vrede op aarde en van de mensen houden.

Rond dat eerste kerstfeest werd die Jezus van Nazareth nog gezien als de nieuwe Jozua. Ook bij die naamgeving speelt het mengsel van talen en vertalen waarin de Bijbel aan ons overgeleverd is ons parten. Jezus is onmiskenbaar een Griekse naam, maar die Griekse naam is de vertaling van een Hebreeuwse naam en wie dat gaat uitzoeken komt tot de ontdekking dat Jozua en Jezus dezelfde naam dragen. En die naam betekent ook nog wat: “God is redding”. Daar ging het toen om en volgens veel predikers gaat het daar vandaag ook nog om. Redding van zonden heet het dan. Nu voelen de meeste mensen zich niet zo zondig, ze proberen netjes te leven, vallen niemand lastig en doen een duit in het zakje als het tegen malaria is of voor andere goede doelen. Maar die redding is van veel groter kwaad dan een enkel gewoon mens zou kunnen doen. We kunnen gered worden van hongersnood, van malaria en veel andere armoedeziekten, van oorlog en geweld. Daarvoor moeten we net als de herders doen, iedereen opwekken mee te gaan doen in dat verhaal van je naaste liefhebben als jezelf. Niet zomaar alleen met kerstfeest, elke dag.

De eed die hij gezworen had

Lucas 1:67-80

67 Zijn vader Zacharias werd vervuld met de heilige Geest en sprak deze profetie: 68 ‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. 69 Een reddende kracht heeft hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, 70 zoals hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten: 71 bevrijd zouden we worden van onze vijanden, gered uit de greep van allen die ons haten. 72 Zo toont hij zich barmhartig jegens onze voorouders en herinnert hij zich zijn heilig verbond: 73 de eed die hij gezworen had aan Abraham, onze vader, dat wij, 74 ontkomen aan onze vijanden, hem zonder angst zouden dienen, 75 toegewijd en oprecht, altijd levend in zijn nabijheid. 76 En jij, kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste, want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor hem gereed te maken, 77 en om zijn volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden. 78 Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan 79 en verschijnen aan allen die leven in duisternis en verkeren in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’ 80 Het kind groeide op en werd gesterkt door de Geest. Johannes leefde in de woestijn tot de dag aanbrak waarop hij zich kenbaar maakte aan het volk van Israël. (NBV)

Zacharias begint in het gedeelte van vandaag een lied te zingen. Als een profetie staat er. Daarmee verbindt de schrijver van het Lucas evangelie ook dit lied heel uitdrukkelijk met het Oude Testament. Zacharias begint dan ook zoals veel psalmen beginnen door de God van Israël te begroeten als een koning. Niet de Keizer in Rome of de Koning in Jeruzalem begroeten als een God maar de God van Israël begroeten als een Koning. Geen andere Heer is er voor deze priester dan de God van Israël. Want het volk Israël wordt bevrijd van zijn vijanden. Het kind dat zojuist geboren is is daarvan het teken. Opnieuw kan een profeet in Israël opstaan, opnieuw zal een gezalfde bevrijder, een messias, op kunnen staan. In het Grieks heet zo’n gezalfde de Christus en later zal Jezus van Nazaret met deze titel worden aangesproken. Die belofte van een volk dat in vrijheid en vrede in een land zal wonen dat overvloeit van melk en honing, waar alle volken zich naar zullen buigen werd al aan Abraham gedaan.

Die belofte is ook te horen in de naam Elisabet, dat betekent “God heeft gezworen”. Als in een psalm herhaalt Zacharias de oude beloften en laat merken dat ze voor hem op die dag vervuld zijn. Want zijn zoon zal genoemd worden “profeet van de allerhoogste” Zo was het gezegd in het visioen dat Zacharias in de Tempel had gekregen. Nu hebben we wel meer visioenen, we denken wel meer aan een aarde zoals die zou moeten kunnen zijn, een wereld zonder voedselcrisis, zonder oorlogen, zonder bedreiging van het klimaat, zonder honger en ziekten, zonder het ruimen van gezonde dieren in rijke landen, zonder leed en ellende voor eenvoudige mensen. Een wereld waar iedereen mee kan doen en niemand wordt uitgesloten op grond van geloof, geaardheid, afkomst, of wat dan ook. Een wereld zonder oorlog, zonder vluchtelingen. Maar is zo’n visioen louter een dagdroom, een droom die vervliegt met de wolken aan de hemel, of durven wij het met die droom aan? Durven wij het aan met een Schepper van een aarde die beantwoord aan dat visioen?

Volgens Zacharias zal de liefdevolle barmhartigheid van die God een stralend licht uit de hemel doen opgaan, zoals in het begin van de Bijbel als gezegd wordt: “God sprak, er zij licht, en er was licht”. Dat begin van de Bijbel ligt dus niet achter ons maar voor ons. Zacharias durfde het met dat visioen aan in een tijd dat de bezetting van zijn land een inktzwarte periode was. Hij durfde zijn pasgeboren zoon aan dat visioen toe te vertrouwen. Een zoon die hij pas op hoge leeftijd had gekregen en die daardoor extra kostbaar was. Meer kansen op nageslacht waren er niet. Maar ook Abraham en Sara waren oud toen Izaak werd geboren en ook Abraham durfde zijn zoon toe te vertrouwen aan dat visioen van een aarde zonder mensenoffers. Een feest dat door de Moslims nog ieder jaar wordt gevierd. Als we de oude verhalen over de beloften van de God van Israël opnieuw vertellen, en opnieuw vertellen in onze tijd, de tijd van voedselcrisis en economische crisis, de tijd van uitsluiting en verdeling van groepen in onze samenleving, dan kunnen we niet anders dan vertellen dat ook onze samenleving zich zal moeten omkeren. Dat we samen onze voeten moeten en kunnen zetten op de weg van de vrede. Maar die weg kunnen we al vandaag opgaan.

Hoe zal het verder gaan met dit kind?

Lucas 1:57-66

57 Toen de dag van haar bevalling was aangebroken, bracht Elisabet een zoon ter wereld. 58 Haar buren en verwanten hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest, en ze verheugden zich samen met haar. 59 Op de achtste dag kwamen ze het kind besnijden, en ze wilden het Zacharias noemen, naar zijn vader. 60 Maar zijn moeder zei: ‘Nee, Johannes zal hij heten!’ 61 Ze zeiden tegen haar: ‘Er is niemand in je familie die zo heet.’ 62 Ze beduidden zijn vader te laten weten hoe hij het kind wilde noemen. 63 Hij vroeg om een schrijftablet en schreef erop: ‘Johannes is zijn naam.’ Iedereen was verbaasd. 64 En meteen werd de verlamming van zijn mond en zijn tong ongedaan gemaakt, en hij begon te spreken en loofde God. 65 Alle omwonenden waren diep onder de indruk, en in heel het bergland van Judea werden deze gebeurtenissen besproken. 66 Ieder die het hoorde bleef erover nadenken, en vroeg zich af: Hoe zal het verder gaan met dit kind? Want de machtige hand van de Heer beschermde hem. (NBV)

Het is tijd voor de geboorte van het kind van Elisabet, Maria is net weer naar huis gegaan zegt het verhaal. Ook nu volgt Lucas de verhalen van het Oude Testament. De aankondiging van de geboorte is bijna letterlijk hetzelfde als het verhaal over Rebekka die twee kinderen kreeg. En ook hier gaat het immers om een nieuw begin voor het volk Israël. En natuurlijk moet de nieuwgeboren jongen besneden worden, op de achtste dag zoals de wetten van Mozes het hadden voorgeschreven. De geboorte en de opname in het volk van Israël zijn geen zaak meer van de ouders alleen. Iedereen uit de buurt bemoeit zich er mee. Iedereen uit de buurt deelt in de vreugde die de geboorte van een kind meebrengt. Als je vandaag de dag hoort over kinderen die achtergelaten zijn, te vondeling of zelfs gedood zijn vlak na de geboorte dan vraag je je wel eens af of we mensen niet al te vaak alleen laten en in hun eigen sop laten gaarkoken. De vreugde van de komst van een kind, de vreugdevolle zwangerschap die niet voor niets “in verwachting” heet, wordt soms niet of te weinig gedeeld, kan soms niet gedeeld worden omdat de zwangere wordt afgewezen of genegeerd.

Elk verhaal over een dode baby of een te vondeling gelegd kind moet ieder van ons doen afvragen of ook in onze omgeving een jonge vrouw kan voorkomen die ongemerkt zwanger is en dat alleen moet dragen. Iedere moeder kent de advent, de tijd van verwachting van nieuw leven, maar elke advent moet uit kunnen lopen op samen vreugde delen met de omgeving. Zoals Maria de vreugde van de geboorte van haar kind later in het verhaal zal delen met de herders. In het verhaal van vandaag gaat het nog om de naamgeving. Elisabet wil dat de jongen “God is een genadig gever”, Johannes, gaat heten. Maar kennelijk hoort dat niet zo. Er zijn, ook op het gebied van naamgeving, nu eenmaal gewoonten en tradities. Volgens de omgeving moet het kind naar zijn vader genoemd worden. Maar zijn vader zwijgt en het zal de bedoeling zijn dat het kind gaat spreken. Dat was aangekondigd in het visioen in de Tempel. Nu komt het er op aan of Zacharias op dat visioen durft te vertrouwen, het aandurft om ook zijn kind aan dat visioen toe te vertrouwen. En dat doet hij.

Hij erkent dat zijn vrouw terecht als eerste heeft gesproken over de naam van het kind. In die naamgeving komt het buitengewone van zwangerschap en geboorte tot uiting en de erkenning van dat buitengewone maakt dat Zacharias weer kan spreken. Dat buitengewone is het vertrouwen dat die God ook met dat kind zal meetrekken, zoals hij met Elisabet en Zacharias is meegetrokken is. De geboorte van dat kind bevestigt ook weer de naam van de God die beloofde er te zullen zijn en die er was toen zijn volk bevrijd moest worden uit de slavernij in Egypte. De bezetting door de Romeinen maakte het eens te meer nodig dat die God er ook zou zijn voor zijn volk. De geboorte van een kind, nog wel uit ouders die er eigenlijk te oud voor waren, maakt dat het vertrouwen opnieuw bevestigd wordt. Geen wonder dat mensen zich afvroegen hoe het verder zou gaan met dit kind. Ze konden weer gaan geloven aan de komst van die nieuwe aarde, waar geen angst en verdrukking meer zal zijn. Dit verhaal vertelt ons dat ook wij daar weer in mogen gaan geloven. God zal het ons ook geven dat honger en dorst zijn verdwenen van de aarde, als we er nog vandaag aan gaan werken in het vertrouwen dat zijn woord waarheid is.

Loof onze God!

Openbaring 19:1-10

1 Hierna hoorde ik in de hemel een geweldige stem als van een grote menigte zeggen: ‘Halleluja! De redding, de eer en de macht zijn van onze God, 2 want zijn vonnis is betrouwbaar en rechtvaardig. Hij heeft immers de grote hoer, die door haar ontucht de wereld in het verderf heeft gestort, veroordeeld en het bloed van zijn dienaren op haar gewroken.’ 3 Opnieuw zeiden ze: ‘Halleluja! Haar rook stijgt op tot in eeuwigheid.’ 4 De vierentwintig oudsten en de vier wezens wierpen zich neer voor God, die op de troon zit, en aanbaden hem met de woorden: ‘Amen! Halleluja!’ 5 Vanaf de troon klonk een stem, die zei: ‘Loof onze God! Laat al zijn dienaren die ontzag voor hem hebben, jong en oud, hem loven!’ 6 Toen hoorde ik iets als een stem van een grote menigte, van geweldige watermassa’s en van krachtige donderslagen zeggen: ‘Halleluja! De Heer, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap op zich genomen. 7 Laten we blij zijn en jubelen, laten we hem de eer geven! Want de bruiloft van het lam is gekomen en zijn bruid staat klaar. 8 Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen.’ Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen. 9 Toen zei hij tegen mij: ‘Schrijf op: “Gelukkig zijn zij die voor het bruiloftsmaal van het lam zijn uitgenodigd.”’ En hij vervolgde: ‘Wat God hier zegt, is betrouwbaar.’ 10 Ik wierp me aan zijn voeten neer om hem te aanbidden, maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en zoals je broeders en zusters die van Jezus getuigen. Je moet God aanbidden.’ Want getuigen van Jezus is profeteren. (NBV)

Deze dagen staan in het teken van vreemdelingen, in Den Haag is al twee maanden een kerkasiel bezig en een grote groep Nederlanders op weg naar Griekenland om vluchtelingen te bevrijden uit de verschrikkelijke kampen waar ze in terecht zijn gekomen. Het lijkt er op dat Christelijk Nederland in opstand komt tegen een al te hard liefdeloos vreemdelingenbeleid, dat overgens door kan gaan met steun van de beide christelijke partijen in de regering. Wij lezen een verhaal uit het boek Openbaring. Welk licht werpt dat nu op de strijd Christenen zo rond de kerstdagen. De taal van Johannes is gemakkelijk, de beelden die hij gebruikt horen niet meer tot ons dagelijks spraakgebruik maar als we goed om ons heen kijken dan krijgen die dromen van Johannes een bijzondere betekenis. We moeten ons allereerst steeds voor ogen houden dat die beelden geschreven zijn terwijl de schrijver gevangen zat op een klein eiland en de gevangene was van een rijk dat de hele bekende wereld omvatte. Dat rijk werd bestempeld als een hoer die geen afspraak wist te houden, die iedereen verleidde maar ook iedereen in het ongeluk stortte.

En dan schrijft Johannes op dat die hoer veroordeeld is en dat het bloed van haar slachtoffers gewroken is. Vervolgen wij niemand meer die anders geloofd dan wij gewend zijn? Is er geen discriminatie meer? Zorgen wij voor de vreemdelingen onder ons als voor onszelf? Johannes weet van de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem in het jaar 70. Hij beschrijft hoe een nieuwe Tempel uit de hemel op aarde komt neerdalen, een Tempel waarin God zelf zal wonen. De Hemel komt op aarde. Maar daarbij is nodig dat iedereen ontzag voor die God heeft, jong en oud. Dat wil zeggen dat iedereen leeft zoals die God het gewild heeft, je naaste liefhebben als jezelf, zorgen voor de zwaksten in je samenleving. Als iedereen dat doet, als iedereen daar Amen op zegt, iedereen op de hele wereld, dan klinkt er een geluid als van krachtige watermassa’s, dat is bijna niet te bevatten, het dan ook een prachtig visioen, maar voor Johannes een visioen met betekenis, daar zal de geschiedenis van mensen op uit lopen en daar is de situatie van mensen aan af te meten. God heeft het koningschap op zich genomen klinkt het.

Dat is natuurlijk wel iets anders dan de regering van de Keizers, van de beurzen, van machtige generaals, dictators of onze eigen politici in hun grijze en gestreepte pakken. Johannes spreekt in zijn boek vaak over het lam dat de macht krijgt. Dat lam was het lam dat geslacht werd op de avond dat het volk Israël uit Egypte trok, de woestijn in. Het bloed van dat lam had er voor gezorgd dat de eerstelingen van het volk niet werden gedood zoals de eerstelingen van Egypte wel werden gedood. Dat lam zorgt nog steeds voor de bevrijding van slaven mogen wij horen. En dat is maar goed ook want zelfs in onze dagen zijn er kindslaven en seksslavinnen die bevrijding verdienen en praten we ook niet soms over loonslaven. Dit verhaal over het lam herinnert er ons aan, en zet ons aan er iets aan te doen. Want dan staat de maaltijd klaar die we nu al in de kerken proberen te vieren in het delen van het brood en de wijn, de maaltijd waarbij niemand ter wereld meer honger heeft en waar alle tranen gedroogd zijn. Daar mogen we vandaag en de komende kerstdagen weer voor werken.

In één uur tijd

Openbaring 18:9-24

9 De koningen op aarde, die ontucht met haar hebben gepleegd en in weelde hebben geleefd, zullen om haar jammeren en treuren als ze de rook boven haar zien opstijgen. 10 Ze blijven op een afstand, ontzet door de straf die zij krijgt, en zeggen: “Wee! Wee Babylon, grote, sterke stad! In één uur tijd is je vonnis voltrokken!” 11 De handelaars op aarde treuren en rouwen om haar, want er is niemand die hun waren nog wil kopen: 12 goud en zilver, edelstenen en parels, linnen, purperen stoffen, zijde, scharlaken stoffen, cipressenhout, allerlei voorwerpen van ivoor en van dure houtsoorten, van brons, ijzer en marmer, 13 kaneel en kardemom, reukwerk en balsem, wierook, wijn en olijfolie, meel en tarwe, runderen en schapen, paarden en wagens, slaven en lijfeigenen. 14 Verloren zijn de vruchten waar je hart naar uitging, verdwenen al je rijkdom, alle weelde-dat alles is voorgoed voorbij. 15 Degenen die hierin handelden en die hun rijkdom aan haar te danken hebben, blijven op een afstand, ontzet door de straf die zij krijgt. Ze treuren en rouwen om haar 16 en zeggen: “Wee! Wee grote stad! Je droeg linnen, purperen en scharlakenrode kleren, en gouden sieraden, edelstenen en parels. 17 Maar in één uur tijd is heel je grote rijkdom vernietigd.” Alle stuurlui, iedereen die op Babylon vaart, het scheepsvolk en alle anderen die op zee werken, bleven op een afstand 18 en riepen toen ze de rook boven haar zagen opstijgen: “Welke stad is er aan die grote stad gelijk?” 19 Ze wierpen stof over hun hoofd, treurden en rouwden, en riepen: “Wee! Wee grote stad! Iedereen die schepen op zee had, dankte zijn rijkdom aan haar schatten. Maar in één uur tijd is zij te gronde gericht.” 20 Juich om haar, hemel, juich heiligen, apostelen en profeten! Het vonnis dat zij jullie had toebedacht, heeft God aan haar voltrokken.’ 21 Toen tilde een sterke engel een steen zo groot als een molensteen op en smeet die in zee met de woorden: ‘Zo zal ook Babylon, die grote stad, worden weggeslingerd; ze zal voorgoed verdwijnen. 22 De klank van lier en zang, bazuin en fluit zal in jou voorgoed verstommen, de bedrijvigheid van ieder ambacht zal in jou voorgoed stilvallen. Het geluid van de molen zal nooit meer in je klinken, 23 het licht van de lamp nooit meer in je schijnen. Het feestgedruis rond bruid en bruidegom zal in jou nooit meer te horen zijn. Eens waren je handelaars de groten der aarde, alle volken bezweken voor je verleidende toverij. 24 Maar ook vloeide in deze stad het bloed van profeten en heiligen, van al degenen die op aarde werden geslacht.’ (NBV)

Koningen, handelaars in van alles die treuren om de ondergang van Rome. Ze moeten wel, de decadentie is beloond met de straf van God en er is niemand meer om handel mee te drijven, niemand aan wie je je slaven kunt verkopen, niemand meer die jouw soldaten of gladiatoren wil huren. Armoede is het over de hele linie. Want je kunt ook niks kwijt aan andere koningen of aan andere handelaars. De vruchtbaarheid van de economie die schijnbaar van het grote Rome met haar goddelijke keizers kwam is opgedroogd, het bestaat niet meer. In één uur was de hele economie ingestort, brand brak er uit en de aanvoer over zee kwam als eerste tot stilstand. Hoe het met die stad afliep? Als een steen die je in het water gooit, niks meer van terug te vinden.

Erg is het verhaal over Rome, zo veel mensen die zo veel leed berokkend werden. Want de Koningen die aan Rome schatplichtig waren geworden probeerden natuurlijk wel te besturen, er werd overal keurig belasting geïnd. De handelaren die zo veel hadden verdiend hadden er ook hard voor moeten werlen, eerst inkopen op het juiste moment, dan bewaren en dan op het juiste moment verkopen. Dan moet die gemeente van Christenen uit Rome gaan staan juichen omdat het vonnis van de God van Israël tot uitvoer wordt gebracht, weg met de stad. Er komt natuurlijk wel weer ruimte om voor elkaar te zorgen, er voor elkaar te zijn en ook Koningen en handelaars zullen beseffen dat ze zonder het gewone volk niet kunnen.

Johannes laat zijn lezers een loflied aanheffen. Een loflied op de God van Israël. In dat vreugdelied klinkt door wat er is gebeurt in Rome. Geen muzikanten meer die dag en nacht moesten blijven spelen, geen bakker, geen smid, geen meubelmaker meer. Zelfs de molenaar kan de wieken stilzetten. De grote overdadige bruiloften in de stad zijn voorbij. De handelaars en koningen die konden wel in weelde leven maar ondertussen vloeide wel het bloed van de armen, van de profeten en heiligen. Dat bloed roept de straf van God op, als het volk verwaarloosd wordt komt het in opstand. Als de rijken rondrijden zonder op de kosten te moeten letten en de armen moeten lopen dan worden de wegen verstopt, dan staat het volk op om weer te gaan leven. Dat is vandaag maar dat was in Rome niet anders.

Een woonplaats voor demonen

Openbaring 18:1-8

1 Hierna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen. Hij had groot gezag en zijn luister verlichtte de aarde. 2 Met een krachtige stem riep hij: ‘Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad! Ze is een woonplaats voor demonen geworden, ze biedt onderdak aan elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein, afschuwelijk dier. 3 Alle volken hebben door haar ontucht de wijn van haar wellust gedronken, de koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de handelaars op aarde zijn van haar overvloedige weelde rijk geworden.’ 4 Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel zeggen: ‘Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen. 5 Want haar zonden reiken tot aan de hemel en God zal haar onrecht vergelden. 6 Doe met haar wat zij met anderen deed, ja laat haar dubbel boeten. Laat haar het dubbele drinken uit de beker waaruit zij anderen te drinken gaf. 7 Geef haar net zoveel pijn en rouw te dragen als zij zich luister en overvloed heeft gegund. Ze zegt bij zichzelf: Ik zit hier als een koningin, niet als een arme weduwe. Mij zal niets gebeuren! 8 Daarom zullen alle plagen haar op één dag treffen: dodelijke ziekte, rouw en hongersnood, en ze zal in vlammen opgaan. Want God, de Heer, die dat vonnis heeft geveld, is machtig. (NBV)

De eerste lezers van het boek Openbaring zullen de wenkbrauwen gefronst hebben toen ze aan hoofdstuk 18 begonnen. Gevallen is Babylon klinkt het uit de mond van een boodschapper van de God van Israël. Maar Johannes bedoelde met Babylon toch Rome? Zou voor God de val van Rome al vaststaan? Is die voor de machtige keizers met hun onoverwinnelijke legers onontkoombaar? Dat Rome een woonplaats voor boze geesten is geworden klopt wel. Dat elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein of afschuwelijk dier krijgt daar onderdak krijgt klinkt misschien wat overdreven maar als het om die dieren gaat dan verzamelden Keizers dierentuinen vol om zich aan het volk te kunnen tonen als de Heer van de hele bewoonde wereld.

Aan die praalzucht en hoogmoed hebben veel mensen een hoop geld verdient. In de dagen van Johannes van Patmos was het niet anders als nu. Alleen hadden ze geen ING die hielp de verdiensten wit te wassen of banken met een zo groot bankgeheim dat elke dictator op de wereld er zijn gestolen miljoenen kan parkeren. Maar het neemt niet weg dat iedereen tegen Rome op keek en dat er veel steden waren die hun best deden te gaan lijken op Rome. Misschien met net wat kleinere tempels, een niet zo’n grote arena, maar wel met een uitstraling die een echte Romeinse stad behoorde te hebben.

Maar naast die onreine geesten en afschuwelijke beesten was er in Rome toch ook een gemeente van Christenen? Die werden daar wel vervolgd maar ze hielden hardnekkig stand. Johannes erkent ze en roept ze op om weg te gaan, zoals eens Lot met zijn familie Sodom verliet omdat daar nog geen vijf rechtvaardigen konden worden gevonden. Dat God het onrecht door Rome gedaan zal vergelden staat vast. En die vergelding zal passen bij de grote en het belang van Rome, het zal een dubbele vergelding zijn. Maar Johannes heeft ook een troost voor de gemeente, het zal niet lang duren, alle plagen breken op één dag uit. Dat je dus weg moet wezen daar waar het kwaad geschiet geldt dus ook voor ons. Als het de gewoonte wordt om in Nederland geboren kinderen te deporteren naar voor hen vreemde landen wordt het tijd om weg te wezen, afstand te nemen van de boosdoeners.

Hier komt het aan op wijsheid en inzicht.

Openbaring 17:9-18

9 Hier komt het aan op wijsheid en inzicht. ‘De zeven koppen zijn zeven heuvels waarop de vrouw zit, en het zijn zeven koningen. 10 Vijf van hen zijn omgekomen, één is er nu, en de laatste moet nog komen en zal dan maar kort blijven. 11 Het beest dat was, en niet is, is zelf de achtste koning, al is het een van de zeven, en het zal vernietigd worden. 12 De tien horens die je zag zijn tien koningen die nu nog geen koning zijn, maar straks samen met het beest voor één uur koninklijke macht zullen krijgen. 13 Ze hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen en dragen hun macht en gezag over aan het beest. 14 Ze binden de strijd aan met het lam, maar het lam zal hen overwinnen. Want het lam is de hoogste heer en koning, en wie hem toebehoren, wie geroepen zijn en uitgekozen, zijn trouw. 15 De waterstromen die je zag, ‘zei de engel, ‘waar de hoer aan zit, zijn vele landen en volken en stammen. 16 De tien horens die je zag en het beest zelf zullen een afschuw krijgen van de hoer en ze zullen haar te gronde richten. Ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken. 17 Want God heeft hen ertoe aangezet om zijn plan uit te voeren, zodat ze allemaal met hetzelfde doel voor ogen hun macht aan het beest overdragen, tot wat God gezegd heeft werkelijkheid wordt. 18 De vrouw die je zag is de grote stad, die heerst over de koningen op aarde.’ (NBV)

Voor vele Bijbelgetrouwe lezers is het boek Openbaring een raadselboek. Wat wordt er allemaal mee bedoeld en dan is er ook nog strijd tussen mensen die in de 21ste eeuw tekenen menen te zien dat al die rare gebeurtenissen in het boek Openbaring ook werkelijk in onze dagen gebeuren. Daar gaat Openbaring dus niet over. Ook de lezers van Openbaring moeten uitgelegd worden wat er allemaal staat. Zonder overigens dat duidelijk wordt dat het gaat om de wrede onderdrukking door de Romeinen, want die Romeinen hadden niet voor niet de macht, die gebruikten ze maar al te graag in allerlei wreedheden tegen vijanden die ze als vijand zelf hadden aangewezen. Wijsheid en inzicht is nodig om te snappen wat er staat. De boodschapper van God gaat het daarom uitleggen.

Keizer Nero pleegde zelfmoord maar hij had zich zo sterk als God gepositioneerd dat heel veel mensen geloofden dat hij terug zou komen. Dat had hij gemeen met de hoer van Babylon. Van terugkeer is echter geen sprake want zijn rijk zal vernietigd worden. Ook al spant iedereen tegen de Christenen, alle machten en krachten uit dat Romeinse rijk zullen zich verenigen, maar uiteindelijk zullen de zachte krachten overwinnen. Er zijn veel volken en stammen onderworpen aan het Romeinse Rijk. De tien grootste zullen een hekel krijgen aan het Romeinse Rijk en er mee breken, waardoor het te gronde zal gaan. God zelf heeft hen laten zien hoe de zaak in elkaar zit en hoe ze een beter leven zullen krijgen zonder de Romeinen.

Voor Johannes is de grote stad die heerst over de koningen op aarde nog duidelijk te zien. Bij ons is dat minder duidelijk. Maar let op, steeds vaker wordt er gevraagd wie ons eigenlijk regeert, wie gaat over de verdeling van wat we samen verdienen. Gaat ons parlement er over? Gaat onze regering er over? Is de Europese Unie de bron van de macht in ons land? De vraag komt steeds op als er tekenen zijn dat grote bedrijven, het grootkapitaal bepaald hoe het zuur verdiende geld wordt verdeeld. Ze hebben directe invloed op de belastingen die wij wel en zij niet betalen. Ze hebben direct invloed op de regels die consumenten moeten beschermen tegen ellende. Mensen aan de onderkant van de samenleving eisen dat ze hun eigen leven weer in handen krijgen. Aan onze politici de taak om onze samenleving weer op de weg van de God van Israël te brengen. En wij kunnen elke dag opnieuw daaraan een bijdrage leveren, ook vandaag.

Al haar liederlijke wandaden

Openbaring 17:1-8

1 Een van de zeven engelen met de offerschalen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je laten zien hoe de grote hoer die aan talrijke waterstromen zit, veroordeeld wordt. 2 De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd, en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht.’ 3 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar de woestijn. Ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest vol godslasterlijke namen, met zeven koppen en tien horens. 4 Ze droeg purperen en scharlakenrode kleren en gouden sieraden, edelstenen en parels. In haar hand had ze een gouden beker vol gruwelijkheden, al haar liederlijke wandaden, 5 en op haar voorhoofd stond een naam met een geheime betekenis: ‘Het grote Babylon, moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld’. 6 Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd. Ik was ontzet toen ik haar zag. 7 Toen zei de engel: ‘Waarom ben je zo ontzet? Ik zal je de betekenis onthullen van die vrouw en het beest waarop ze zit, met zijn zeven koppen en tien horens. 8 Het beest dat je zag, was, en is niet; het stijgt binnenkort op uit de onderaardse diepte en zal vernietigd worden. Alle mensen die op aarde leven van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, zullen verbaasd zijn bij het zien van het beest, omdat het was, niet is, en toch weer zal zijn.’ (NBV

Babel wordt in de Bijbel vaak beschreven als de grote hoer. Babel was een uiterst rijke stad en als er veel rijken zijn dan zijn er nog veel meer armen. Die armen zie je meestal niet zo want de rijken zien in hun stad graag mooie en wonderbaarlijke zaken. De hangende tuinen van Babylon hebben ook naar ons spraakgebruik hun weg gevonden. En rijkdom vergaren en oppotten is een grote verleiding, als je hoog bij een bank werkt dan regel nog eens vijftig procent loonsverhoging met daarnaast een forse bonus. Als je laag in een bank werkt dan moet je maar afwachten of de inflatie in je loon wordt gecompenseerd, verder niet zeuren en je loon matigen, werknemers kosten nu eenmaal geld en dat is al gauw te veel.

Uit Babylon ging voor het gevoel van de gelovigen in de God van Israël alle kwaad uit. Alles was mensen slecht kunnen doen vond daar plaats en werd van daaruit over de wereld verspreid. De lezers van de Openbaring zullen zich achter de oren hebben gekrabd.
Babel was weliswaar in haar tijd een wereldrijk geweest dat met de andere wereldrijken voortduren in strijd was om de grootste te worden maar echt de macht over heel de wereld hebben was er niet bij. Neem nu de Romeinen, die hadden niet alleen de macht rond de Middellandse Zee, maar ook over Egypte, over Perzië, de wereldmachten uit de tijd van Babel. Het rijk van de Romeinen strekte zich naar alle windstreken uit. Maar ja, een gevangene van de Romeinen zal niet snel zeggen dat Rome de bron is van alle kwaad in de wereld.

Het is geen wonder dat Johannes schrok van het visioen van een grootmacht dat zich volledig opgetuigd heeft met het kwaad. Maar de boodschapper van God stelt hem gerust. Wat hij ziet hoort nog bij de onderwereld, het wordt ook binnen dat rijk nog verworpen. Het is nog in de woestijn waar leven bijna onmogelijk is. Maar het zal uit de onderwereld opstijgen, we krijgen er dus allemaal mee te maken. Maar wanhoop niet, het zal vernietigd worden. En daarmee voegt Johannes aan zijn boek weer een troost, een geruststelling toe. Het lijkt of zijn boek een boek is vol ellende en rampen voor de mensen, maar zijn boek is eigenlijk een boek vol hoop. De exorbitante zelfverrijkers zullen ten val komen. De goden van winst en profijt verliezen hun aanhang en medemenselijkheid krijgt weer de boventoon. We zullen er wel hard voor moeten werken, maar daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

‘Het is voorbij!’

Openbaring 16:12-21

12 De zesde engel goot zijn offerschaal leeg over de grote rivier de Eufraat. De rivier viel droog en maakte de weg vrij voor de koningen uit het oosten. 13 Toen zag ik dat uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten te voorschijn kwamen in de vorm van kikkers. 14 Dat zijn demonische geesten die tekenen verrichten en erop uitgaan om alle koningen op aarde bijeen te brengen voor de strijd op de grote dag van de almachtige God. 15 ‘Ik kom onverwacht als een dief!’ Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt: hij hoeft niet naakt rond te lopen en zich voor iedereen te schamen. 16 Ze brachten hen bijeen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet. 17 De zevende engel goot zijn offerschaal leeg over de lucht. Toen klonk er uit de tempel een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Het is voorbij!’ 18 Er volgden bliksemschichten en groot geraas en donderslagen. Er kwam een zware aardbeving, zo zwaar als nog niet was voorgekomen sinds er mensen op aarde waren; verschrikkelijk was die aardbeving. 19 De grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden van alle volken werden verwoest. Het grote Babylon moest het ontgelden: God gaf het de beker met de wijn van zijn hevige woede. 20 Alle eilanden verdwenen in het niets en van de bergen was geen spoor meer te vinden. 21 Uit de hemel vielen loodzware hagelstenen op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van die hagel, want het was een vreselijke plaag. (NBV)

Dat Romeinse Rijk zal niet eeuwig duren zegt Johannes in dit gedeelte. De Eufraat zal stilvallen en maakt de weg vrij voor de koningen van het oosten. Er zijn mensen die dan gaan zoeken naar de koningen van vandaag. Maar Johannes was ver van een voorspeller van Stalin en Poetin. Hij keek terug naar de Hebreeuwse Bijbel. Daar was ook zo’n wereldrijk dat onoverwinnelijk leek. Babel, aan de oevers van de Eufraat zaten de Hebreeuwse ballingen wenend terneer zingt Psalm 137. Maar uit het oosten kwam een nieuwe wereldmacht onder leiding van Koning Cyrus. Babel werd veroverd en tot verbazing van iedereen gaf Cyrus de opdracht aan de ballingen terug te keren naar Jeruzalem en de Tempel en de stad weer op te bouwen. Jesaja noemt hem de Messias, de bevrijder van Israël.

Het blijft niet bij de verwachting van het overwinnen van de Romeinen. Er is een concrete dreiging door de Perzen. Zij zullen de wereld verenigen in een aanval op de gelovigen in de God van Israël, vooral in zijn zoon, Jezus de Messias. Die perzen hadden een heel oude godsdienst, het Zoroasme. Die godsdienst had twee goden een goede en een kwade. Die kwade God Ahriman veranderde zich af en toe in een kikker om gif onder de mensen te brengen. En wat was er giftiger als het Romeinse triumviraat, de drie Keizers die samen bestuurden. Ze waren drie onreine geesten. Zij brengen de volken bijeen in een oorlog tegen de gelovigen. Waar dat Harmageddon ligt weten we gewoon niet. In de geschiedenis zijn veel namen van plaatsen en streken veranderd en ten tijd van de eerste vertalingen en kopieën van het boek wist men al niet meer waar deze plaats lag.

Maar dan brengt de boodschapper van God het bericht van het einde. Bliksem en donder waren er zoals ze op de Sinaï waren geweest toen Mozes zijn leer van God kreeg. Een zware aardbeving vernietigt de grote stad zoals ooit Sodom en Gomorra waren verwoest. De eilanden waren verdwenen en de bergen vlak gemaakt zoals de profeet had gezegd om het de ballingen mogelijk te maken terug te keren. Denk nu niet dat de gelovigen gevrijwaard waren van de rampen en de ellende die in die oorlog over hen werden uitgestort. In tegendeel het eindigt met de beschrijving van hagel, zo sterk dat de mensen God lasterden. Hou dus vol roept Johannes eigenlijk want na die ellende komt God voor de zijnen. En dat geldt ook voor ons, niet bang worden voor het oosten of het westen maar blijven doen wat ons staat te doen, delen met hen die niets hebben en onze naaste lief te hebben als onszelf.

Ze hebben het verdiend.

Openbaring 16:1-11

1 Toen hoorde ik een luide stem uit de tempel komen die tegen de zeven engelen zei: ‘Ga nu! Giet de zeven offerschalen met Gods woede leeg op de aarde!’2 De eerste engel ging weg en goot zijn offerschaal leeg over de aarde. Alle mensen die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden, kregen kwaadaardige en pijnlijke zweren. 3 De tweede engel goot zijn offerschaal leeg over de zee. Het water werd bloed, als het bloed van een dode, en alle wezens die in zee leefden kwamen om. 4 De derde engel goot zijn offerschaal leeg over rivieren en waterbronnen, en het water werd bloed. 5 Ik hoorde de engel van al het water zeggen: ‘Rechtvaardig bent u, de heilige, die is en die was, omdat u op deze manier straft. 6 Bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten, en bloed laat u hen drinken. Ze hebben het verdiend.’ 7 Ik hoorde het altaar antwoorden: ‘Ja, Heer, onze God, Almachtige, uw oordelen zijn betrouwbaar en rechtvaardig.’ 8 De vierde engel goot zijn offerschaal leeg over de zon, waardoor ze de mensen kon verbranden met haar vuur. 9 De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen. Ze toonden geen berouw en bewezen hem geen eer. 10 De vijfde engel goot zijn offerschaal leeg over de troon van het beest. Zijn rijk werd in duisternis gehuld. De mensen beten op hun tong van de pijn. 11 Ze lasterden de God van de hemel, vanwege hun pijn en hun zweren, en ze braken niet met het leven dat ze leidden. (NBV)

Johannes waarschuwt zijn lezers. Ze geloven misschien in de opstanding van de doden. Ze geloven misschien in het oordeel over de onderdrukkers en de misdadigers. Maar ze moeten niet geloven dat de straf die ze verwachten een vrolijke zaak zal zijn. De plagen van Egypte worden over de overtreders uitgestort en de plagen van Egypte liepen uit op het gehuil van iedereeen, behalve over degenen die hun vertrouwen op de God van Mozes lieten zien. Nu zullen er eerst pijnlijke zweren komen. Het gehuil zal zich herhalen, ook als je bij de gelovigen hoort dan gaan je oren pijn doen van het gehuil en gekerm. En juist gelovigen willen zorgen voor de zieken, die willen wat doen aan wat andere mensen overkomt of die mensen daar nu schuld aan hebben of niet.

Dan wordt al het water veranderd in bloed. Eerst de zee, dan de rivieren en waterbronnen. Die volgorde is niet onbelangrijk. Het betekent dat de zee nog al wat langer veranderd blijft in bloed. Dat is niet voor niks. Volgens Johannes hoort bij de komst van de nieuwe aarde ook dat de zee haar doden teruggeeft. Denk alleen al aan de vluchtelingen over de Middellandse Zee die daar verdrinken omdat we voor hen niets willen doen, niet vrede maken waar oorlog is, niet voedsel brengen waar honger is, niet een toekomst verzorgen voor hen die geen toekomst zien, of alleen een toekomst in armoede.

Maar de plagen van Egypte, de zweren, het bloed, het vuur van de zon, de duisternis raken ook direct de gelovigen, zij die het teken van het lam dragen. De aarde zal vergaan in jammerklachten en zij die er dood aan gaan hebben het verdiend. Dat laatste zullen velen Johannes eens zijn, zelfs na ruim 70 jaar vervolgen we nog de nazi’s die daders waren van de Holocaust. Voor de tyrannen die daarna kwamen hebben we tribunalen en een internationaal strafhof. Landen die aan dat strafhof niet mee doen nemen misdaden tegen de menselijkheid dus voor lief en kunnen niet vertrouwd worden. De Openbaring van Johannes wordt vaak naar een verre toekomst geschoven, maar die Openbaring vertelde over de tijd waarin Johannes leefdde, daarmee ook over onze tijd.