Het nieuws over hem verspreidde zich verder

Lucas 5:12-16

12 In een van de steden waar hij kwam, stond er plotseling een man voor hem die door huidvraat getekend was. Toen hij Jezus zag, liet hij zich languit op de grond vallen en smeekte hem om hulp met de woorden: ‘Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 13 Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein!’ En meteen verdween zijn huidvraat. 14 Hij beval hem er met niemand over te spreken, maar zei: ‘Ga u aan de priester laten zien en breng een offer voor uw reiniging, zoals Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’ 15 Maar het nieuws over hem verspreidde zich juist verder, en grote mensenmassa’s verzamelden zich om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen. 16 Hijzelf trok zich geregeld terug op eenzame plaatsen om er te bidden. (NBV)

Het hielp niet, dat vragen om genezingen niet door te vertellen aan anderen. Zelfs als Jezus van Nazareth mensen vriendelijk vraagt hun mond te houden over hun genezing en gewoon weer mee te gaan doen volgens de regels zoals ook Mozes die heeft opgeschreven dan nog spreekt het zich rond en zit hij weer aan die massa’s vast. Dat offer brengen en dat laten zien door de priester staat namelijk gewoon in de wet. De leprastichting vindt het vast jammer dat de Nieuwe Bijbelvertaling ineens over huidvraat spreekt want Lepra vreet wel heel wat meer weg als het niet op tijd behandeld wordt. En met een voor ons klein bedrag kunnen heel veel mensen die besmet zijn met lepra tegenwoordig gered worden en weer gewoon mee doen in hun samenleving. Voor mensen voor wie die redding aan de late kant komt is er dan altijd nog revalidatie en aangepaste arbeid mogelijk. Alleen echter als wij ook bereid zijn via instellingen als de leprastichting een klein beetje te delen van onze rijkdom.

Of de huidvraat, waar in de Bijbel sprak van is, ook nog Lepra genoemd kan worden wordt tegenwoordig betwijfeld, het zou ook een andere huidziekte kunnen zijn. Maar hoe die genezing door Jezus van Nazareth zich ook rond sprak en een menigte mensen op de been bracht, de goedkope medicijnen van tegenwoordig brengen heel wat minder mensen in beweging en de Leprastichting moet nog dagelijks bedelen om al die mensen in arme landen te helpen, terwijl er toch heel wat meer mensen genezen kunnen worden dan in de dagen van Jezus van Nazareth door hem van huidvraat werden genezen. Want Lepra is een ziekte van armen. Ooit liepen ook in de straten van onze steden de melaatsen te bedelen. Ze droegen een ratel om medeburgers op afstand te houden en besmetting te voorkomen. Die afstand en dat buiten de gemeenschap staan speelt ook in het verhaal van Jezus van Nazareth een grote rol. Pas als Jezus van Nazareth die afstand opheft door zijn hand uit te steken kan er genezing volgen.

Zo kan dat ook bij ons, als wij onze hand uitsteken naar de armen kan genezing volgen. Voor ons breekt ook weer de tijd aan om eerlijk na te denken wat we kunnen doen voor armen in de arme landen. Zullen wij in elk geval een beroep doen op partijen in ons parlement zich extra in te spannen voor een eerlijke ontwikkelingssamenwerking, geen aalmoezen maar gerechtigheid. Ideeën als die om extra geld voor ontwikkelingssamenwerking te delen met defensie zijn niet vruchtbaar. Integendeel, dat extra voor ontwikkelingssamenwerking moet gelijk opgaan met het afschaffen van oneerlijke importbeperkingen op producten uit ontwikkelingslanden. Zij willen wel, wij moeten onze hand willen uitsteken en dan gaat de leer van Mozes, de richtlijnen van de God van Israël, de leer van eerlijk delen ook werkelijk voor ons werken. Dan kleeft er geen bloed aan onze handen omdat we de armen uitpersen maar dan zijn we pas echt rein. Dan steken we net als Jezus van Nazareth echt een hand uit om mensen bij de samenleving van de wereld te betrekken. Dan kunnen ook zij delen van wat ze hebben, offeren dus en dat stellen in het teken van die wet van samen delen. Wij kunnen er vandaag mee beginnen.

Hij was verbijsterd

Lucas 5:1-11

1 Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2 zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 11 En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem. (NBV)

Opnieuw een verhaal uit het Evangelie van Lucas. We lazen al eerder in dit Evangelie en lazen toen het verhaal over Johannes de Doper die de mensen opriep een ander leven te gaan leiden, de mensen die dat wilden doopte in de Jordaan, en die vanwege zijn kritiek op Koning Herodes in de gevangenis belandde. Ook Jezus van Nazareth had zich laten dopen en met hem zou er een nieuwe wereld opengaan. Thuis in zijn eigen stad was er geen gehoor en in Kafarnaüm waar hij heengetrokken was stroomden de mensen in zulke grote getale toe dat hij het er af en toe benauwd van kreeg. Er moest dus wat anders gebeuren. Het verhaal dat we vandaag lezen vertelt welke nieuwe wending de beweging van Johannes de Doper en Jezus van Nazareth kreeg. Opnieuw werd Jezus van Nazareth in de knel gebracht door het grote aantal mensen dat op hem af kwam. Om de ruimte te krijgen, om in elk geval te kunnen spreken, charterde hij de boot van Simon die net terug was van een nacht tevergeefs vissen. Die Simon kende hij al want hij had er voor gezorgd dat de schoonmoeder van Simon weer mee kon gaan doen nadat ze een zware koortsaanval had gehad.

Simon raakte ook nu danig onder de indruk van deze vreemde leraar. Maar toen die over het vissen begon trok er een glimlach over zijn gezicht. Wij kunnen het niet meer nalezen want de vertalingen vertalen keurig met “meester”, maar de schrijver van het Lucasevangelie gebruikt hier een zeer algemeen woord voor “heer”. Een dominee uit de stad vertaalde voor zichzelf dan ook met “chef”, in een vissersdorp zou men wellicht “jawel schipper” hebben gezegd. Simon deed wat hem werd gevraagd en ving meer dan hij ooit had gedaan, niet één maar twee schepen vol. En zo goed was Simon nu ook weer niet dus vroeg hij Jezus maar om te gaan. Dat was het keerpunt, als je gelooft in jezelf, zoals Simon geloofde dat hij tenminste een goede visser was, en er niet op uit bent van een ander te profiteren maar het zelf wil redden in het leven, dan kun je andere mensen overtuigen mee te doen in het Rijk van recht en vrede. Daarmee staat Jezus van Nazareth niet meer alleen als leraar, maar begint de opleiding van zendelingen die de wereld rondtrekken om iedereen er bij te betrekken.

Vandaag worden ook wij daartoe geroepen, doe het goede en overtuig de mensen om je heen ook om het goede te doen. In onze samenleving laten mensen zich nogal eens leiden door angst, vooral door angst voor mensen die anders doen en anders geloven. Voor angst was in de dagen van Jezus van Nazareth ook genoeg reden. Het zou uiteindelijk Johannes de Doper zijn leven kosten. Maar Jezus van Nazareth trekt zich kennelijk niks aan van mensen die angst zaaien en ook zijn nieuwe volgelingen zoals Simon laten zich niet leiden door de angst voor de gevolgen. Waarom laten wij ons dan wel leiden door angst? Zijn we niet meer in staat om over het goede te praten? Of geloven we niet meer in het goede, in de mogelijkheid met andere mensen samen te leven en samen een samenleving op te bouwen waar iedereen mee kan doen. Deze week is de week van het overtuigen van mensen juist daarvoor te kiezen. Elke nieuwe dag kan het begin van een heel nieuw leven zijn, elke nieuwe dag is immers net zo nieuw als eens de eerste.

Ze hebben niets geleerd.

Jeremia 2:30-37

30 Ik heb jullie kinderen gestraft; vergeefs, ze hebben niets geleerd. Jullie zwaard verslond je profeten, als een verscheurende leeuw. 31 Let op de woorden van de HEER, Israël! Was ik voor jullie een woestijn, of een land vol duisternis? Waarom zegt mijn volk: “Wij willen niet gebonden zijn, wij komen niet meer naar u toe”? 32 Zal een meisje haar sieraden vergeten, of een bruid haar tooi? Maar mijn volk is mij sinds jaar en dag vergeten. 33 Hoe goed ken je de weg naar je minnaars, zelfs verdorven vrouwen kunnen nog iets van je leren. 34 En bovendien, je kleren zijn besmeurd met het bloed van arme, onschuldige mensen, niet van inbrekers, op heterdaad betrapt. 35 En je durft ook nog te zeggen: “Maar ik ben onschuldig, Gods toorn gaat voorbij.” Omdat je zegt: “Ik heb niet gezondigd, ” daarom klaag ik je aan. 36 Hoe snel sla jij een andere weg in. Met Assyrië ben je bedrogen uitgekomen, met Egypte overkomt je dat ook. 37 Ook Egypte zul je verlaten, ontredderd, met je handen op je hoofd. Want de HEER heeft verstoten op wie je vertrouwde, steun bieden ze niet meer.’ (NBV)

Tegenwoordig is er bijna niemand meer die een Bijbelverhaal weet te plaatsen. Jeremia was de man van de klaagliederen en Jezus liep over het water. Wie de God van Israël is en wat die van de leerlingen vraagt dat weet men niet meer. Jeremia was niet de man van de klaagliederen maar de man die het verhaal over de God van Israël weer onder de aandacht van het volk wilde brengen. Want het vergeten van dat verhaal kan voor een volk grote gevolgen hebben. Dan komen er leugenaars die vertellen dat onfatsoen en haatzaaien de Joods-Christelijke traditie vertegenwoordigen. Joden en Christenen weten beter en als ze zo af en toe laten zien wat het is om voor de armen en de minsten op te komen dan is men verrast, komt er verwondering en belangstelling. In de dagen van Jeremia waren het Priesters in Jeruzalem, priesters van heiligdommen in Betel en Dan die in hoog aanzien stonden. Zij hadden fraaie gewaden en indrukwekkende rituelen. Zij hadden prachtige beelden van de goden die werden aanbeden.

En de God van Israël? Daar was niet eens een beeld van. Een oude houten kist die niemand mocht zien en waar volgens zeggen een paar stenen platen in lagen. En niks geen indrukwekkende rituelen. Nee een maaltijd, met je familie dat ging nog, met de Priesters kon ook nog als je zelf ook deftig was, maar met de armen van de stad en de vreemdelingen dat geeft toch geen pas. Pas als er een ramp gebeurd dan wordt de God van Israël aangeklaagd. De God van Israël moet uit het publieke leven blijven in onze dagen. Nooit mag je aandacht vragen voor de minsten op de aarde, voor de armsten. En het heb uw naaste lief als uzelf als leidend principe maken van de regering en het bestuur, die regel leidend maken voor bedrijven en banken, is al helemaal taboe. Maar komt er een aardbeving dan staan dezelfde verbieders vooraan met de vraag waar de God van Israël was die de kinderen zou beschermen en de armsten onder zijn hoede zou nemen.

Vergeten zijn alle momenten dat eerlijke handelsverhoudingen moesten wijken voor het eigen gewin en het profijt van eigen ondernemingen. Vergeten zijn alle momenten dat de overdracht van noodzakelijke beschermingstechnologie afhankelijk werd gemaakt van het vermogen van de armen er voor te kunnen betalen. Niet de God van Israël is verantwoordelijk voor de gevolgen van de aardbeving, het is al helemaal geen straf voor de armen, maar een waarschuwing voor de rijken van deze aarde die eerst aan zichzelf denken en aan het vergroten van hun rijkdom en de armen afschepen met de kruimels die van hun tafels vallen. Zelfs een conferentie over armoedebestrijding in Zwitserland komt niet verder dan een gesprek over aalmoezen. Daartegen kunnen we vandaag opstaan, door te luisteren naar Jeremia en zijn oproep tot het volgen van de Weg van de God van Israël te volgen.

Een wilde ezelin

Jeremia 2:23-29

23 Hoe kun je zeggen: “Ik heb me niet besmeurd, ik liep niet achter de Baäls aan”? Kijk eens naar het Hinnomdal, besef wat je daar doet. Je bent een rusteloze kameel, die hitsig heen en weer rent, 24 een wilde ezelin, thuis in de woestijn, die elke ezel ruikt, tochtig als ze is. Wie kan haar drift aan banden leggen? Geen ezel hoeft moeite te doen, bronstig als ze is, laat ze zich makkelijk vinden. 25 Loop je voeten niet stuk, bespaar jezelf een dorstige keel. Maar jij zegt: “Laat me begaan, ik heb die andere goden lief, hen wil ik volgen.” 26 Zoals een betrapte dief te schande staat, zo staat het volk van Israël te schande, de koningen en leiders, de priesters en profeten. 27 Ze zeggen tegen een blok hout: “U bent onze vader, ” tegen een stuk steen: “U hebt ons gebaard.” Ze hebben mij de rug toegekeerd, ze kijken mij niet langer aan. Maar als ze in nood zijn, roepen ze: “Kom toch, red ons!” 28 Waar zijn dan je goden, die jullie zelf gemaakt hebben? Die moeten je maar redden uit je nood. Je hebt toch, Juda, evenveel goden als steden? 29 Waarom klagen jullie míj aan? Jullie kwamen zelf in opstand tegen mij-
spreekt de HEER. (NBV)

Waarom is het zo erg andere goden na te lopen? De rijke mensen die de Tweede Kamer en haar commissie kwamen vertellen hoe het zo gekomen is met de kredietcrisis en de ondergang van de ABN AMRO bank waren toch keurige mensen? Net in het pak, keurige stropdassen en gebruikers van fatsoenlijke taal. Het gedeelte van het boek van de profeet Jesaja dat we vandaag lezen geeft daar een beetje een antwoord op. Dat nalopen van die goden van winst en profijt gaat ten koste van arme onschuldige mensen. In de bankencrisis die de wereld had getroffen gaan er niet direct spaarders dood. Indirect soms wel. Mensen die geld bijeen hadden gebracht voor een project in een arm land en dat geld tijdelijk moesten parkeren bij een bank zodat het project van start kon gaan zochten een bank met de hoogste rente. Dat zou die arme mensen ten goede komen. Ze zijn het geld kwijt en de projecten konden geen doorgang vinden.

Geen enkel excuus werd gehoord. En de mensen met zeer buitensporig riante bonussen steken geen hand uit om de ergste nood voor de armsten te lenigen. We moeten er van leren dat we de mensen die de leiding hebben in bankwezen, bedrijfsleven en politiek niet zo gemakkelijk in hoog aanzien zetten. In de dagen van Jeremia waren het de Priesters in Jeruzalem, priesters van heiligdommen in Betel en Dan die in hoog aanzien stonden. Zij hadden toch fraaie gewaden en indrukwekkende rituelen. Zij hadden prachtige beelden van de goden die werden aanbeden. En de God van Israël? Daar was niet eens een beeld van. Een oude houten kist die niemand mocht zien en waar volgens zeggen een paar stenen platen in lagen. En niks geen indrukwekkende rituelen. Nee een maaltijd, met je familie dat ging nog, met de Priesters kon ook nog als je zelf ook deftig was, maar met de armen van de stad en de vreemdelingen dat geeft toch geen pas. Pas als er een ramp gebeurd dan wordt de God van Israël aangeklaagd. De God van Israël moet uit het publieke leven blijven in onze dagen. Nooit mag je aandacht vragen voor de minsten op de aarde, voor de armsten.

En het heb uw naaste lief als uzelf als leidend principe maken van de regering en het bestuur, die regel leidend maken voor bedrijven en banken, is al helemaal taboe. Maar komt er een aardbeving in Haïti dan staan dezelfde verbieders vooraan met de vraag waar de God van Israël was die de kinderen zou beschermen en de armsten onder zijn hoede zou nemen. Vergeten zijn alle momenten dat eerlijke handelsverhoudingen moesten wijken voor het eigen gewin en het profijt van eigen ondernemingen. Vergeten zijn alle momenten dat de overdracht van noodzakelijke beschermingstechnologie afhankelijk werd gemaakt van het vermogen van de armen er voor te kunnen betalen. Niet de God van Israël is verantwoordelijk voor de gevolgen van de aardbeving, het is al helemaal geen straf voor de armen, maar de rijken van deze aarde die eerst aan zichzelf denken en aan het vergroten van hun rijkdom en de armen afschepen met de kruimels die van hun tafels vallen. Daartegen kunnen we vandaag opstaan, door te luisteren naar Jeremia en zijn oproep tot het volgen van de Weg van de God van Israël te volgen.

Je eigen kwaad zal je straffen

Jeremia 2:14-22

14 Is Israël een knecht, is het soms als slaaf geboren? Waarom is het dan een weerloze prooi? 15 Leeuwen briesen ertegen, heffen een machtig gebrul aan. Ze maken van het land een woestenij, de steden zijn verwoest, ontvolkt. 16 Manschappen uit Memfis en Dafne stropen je heuvels kaal. 17 Je hebt het aan jezelf te wijten, je hebt de HEER, je God, verlaten toen hij je leidde op je weg. 18 Nu dan, waarom ga je naar Egypte, wil je water drinken uit de Nijl? Waarom ga je naar Assyrië, wil je water drinken uit de Eufraat? 19 Je eigen kwaad zal je straffen, je eigen ontrouw keert zich tegen je. Weet wel: doordat je mij verlaten hebt, voor mij geen ontzag meer hebt, loopt het jammerlijk met je af- spreekt de HEER, de God van de hemelse machten. 20 Je brak je juk steeds weer in stukken, rukte je riemen los en zei: “Ik wil niet dienstbaar zijn.” Maar op elke hoge heuvel, onder elke bladerrijke boom, lag je als een hoer te wachten. 21 Ik heb je geplant als een edele druif, een prachtige stek, maar wat ben je geworden? Een verwilderde wijnstok, woekerende ranken! 22 Ook al was je je kleren met zeep, en met een overvloed aan loog, je schandvlek blijf ik zien- spreekt God, de HEER. (NBV)

Er zijn in onze dagen talloze verslavingen. Mensen die als vrije gezonde mensen geboren zijn raken volledig afhankelijk van hetgeen ze aan verslaafd zijn. Op die manier moet je de vraag verstaan die aan het begin van het stuk staat dat we vandaag lezen. Israël was immers bevrijdt door de God van Israël, die ze het land had gegeven overvloeiende van melk en honing. En nu komt de leeuw van Assyrië die de steden verwoest en ontvolkt en van het land een woestenij maakt. En de soldaten uit Egypte, van Memfis in het zuiden tot Dafne in het Noorden, stropen de heuvels kaal. En die laatste vertaling, van die heuvels is eigenlijk jammer. Er staat namelijk dat de schedel kaalgevreten wordt. En aangezien Israël hier als vrouw wordt aangesproken herinnert dat direct aan de gewoonte om gevangen genomen vrouwen kaal te scheren als teken dat ze slaaf gemaakt waren.

Dat Israël een speelbal is geworden heeft het aan zichzelf te wijten. Van recht doen aan allen, van zorg voor de zwaksten en de minsten in het land was al lang geen sprake meer, integendeel, ieder zorgde voor zichzelf op de eerste plaats. Vrijheid voor het individu, geen regels, geen moreel appel, geen betrokkenheid meer bij elkaar en dus geen stabiliteit. Verdragen met grootmachten moesten de veiligheid waarborgen. De Egyptische Nijlgod en de Assirische god van de Eufraat moesten beurtelings meer veiligheid bieden dan de God van Israël. Dat daardoor de onveiligheid alleen maar toenam werd niet gezien en niet geloofd. Het juk van de Wet van heb uw naaste lief als uzelf werd afgeworpen, de riemen van behandel een ander zoals je zelf wilt worden behandeld werden doorgesneden.

Het gevolg was dat Israël een speelbal werd van alle godsdiensten en culturen die haar de baas wilden zijn. Een verwilderde wijnstok werd het, het lijkt nog wel vruchtbaar maar de vruchten zijn niet meer te eten en ongeschikt voor de wijn. Het vuil dat het nalopen van andere goden op de kleren achterlaat is niet meer weg te wassen of uit te poetsen. De kameel en de ezelin worden gebruikt om aan te duiden dat ook Israël zich overgaf aan de Tempelprostitutie die gewoon was in Kanaän en onderdeel uitmaakte van de godsdienst van Baäl. Godsdienstigheid gemeten aan seksuele potentie wordt in de Bijbel altijd als een gruwel afgeschilderd, vooral als die seksuele activiteiten helemaal niet passen bij de gelovigen die er toe verplicht worden. De Bijbel roept de religie op zich niet met seksualiteit bezig te houden. Als twee mensen van elkaar houden dan moeten mensen daar niet tussen komen. Die oproep klinkt ook vandaag nog, jammer dat het nodig is.

Roep Jeruzalem toe

Jeremia 2:1-13

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Roep Jeruzalem toe: Dit zegt de HEER: Ik weet nog hoe je me liefhad in je jeugd, van me hield als mijn bruid, hoe je me volgde door de woestijn, dat land waar niet wordt gezaaid. 3 Israël is aan de HEER gewijd, het is de eerste vrucht van zijn oogst. Wie het verslindt, laadt schuld op zich, hij wordt door onheil getroffen- spreekt de HEER. 4 Luister naar de woorden van de HEER, volk van Jakob. Stammen van Israël, luister allemaal! 5 Dit zegt de HEER: Welk onrecht heb ik jullie voorouders gedaan dat ze mij hebben verlaten, dat ze achter nietige goden aan liepen en zelf nietswaardig werden? 6 Zij zeiden niet: “Waar is de HEER, die ons uit Egypte heeft bevrijd, die ons heeft geleid door de woestijn, door een land van steppen en ravijnen, een land zo dor en duister, een land waar niemand doorheen trekt, waar geen mensen wonen.” 7 Ik leidde jullie naar een land vol boomgaarden, een rijke oogst aan vruchten wachtte jullie daar. Jullie kwamen er-en bezoedelden mijn bezit, mijn eigen land werd mij een gruwel. 8 De priesters zeiden niet: “Waar is de HEER?” De hoeders van de wetten kenden mij niet. De herders kwamen tegen mij in opstand. De profeten lieten zich door Baäl leiden en liepen achter goden aan van wie geen hulp was te verwachten. 9 Daarom klaag ik jullie nogmaals aan, en de kinderen van je kinderen klaag ik aan- spreekt de HEER. 10 Ga naar de Griekse eilanden, vraag na, trek naar Kedar, onderzoek: is zoiets ooit gebeurd, 11 heeft ooit een volk zijn goden ingeruild? En goden zijn het nog niet eens! Maar mijn volk heeft zijn eer verruild voor iets dat geen hulp bieden kan. 12 Hemel, wees ontzet! Huiver, sidder en beef! – spreekt de HEER. 13 Twee wandaden heeft mijn volk begaan: het heeft mij verlaten, de bron van levend water, en het heeft waterkelders uitgehouwen, kelders vol scheuren, waarin het water niet blijft staan. (NBV)

Waarom zou de profeet Jeremia nu uitgerekend naar Jeruzalem gestuurd moeten worden om het volk op te roepen weer de Weg te gaan van de God van Israël? In Jeruzalem was toch de Tempel en Jeremia was toch een Priester, in elk geval de zoon van een Priester en afkomstig uit een Priesterstad? Allemaal waar, maar we weten uit de geschiedenis van Koning Josia, die opgetekend staat in het eerste boek Koningen, dat men in Jeruzalem totaal vergeten was waar die Tempel eigenlijk over ging en wat de geschiedenis was van het volk met die God van Israël. Jeremia begint dan ook daar aan te herinneren. Hij spreekt over die wonderlijke tocht door de woestijn. Toen had het volk te eten zonder dat er gezaaid en geoogst werd, toen heeft het volk de God van Israël voor het eerst ontmoet. Toen heeft die God beloofd het volk te beschermen en een land te geven dat zou overvloeien van melk en honing.

En dat land was er gekomen, van dat land werd Jeruzalem immers de hoofdstad. Maar de voorouders van de tijdgenoten van Jeremia hadden die God verlaten. Zelfs de Priesters waren die God ontrouw geworden en waren Priesters van de god Baäl geworden, de god van winst en profijt, wiens beeld vruchtbaarheid moest brengen. Dat de God van Israël zelf het land had geschapen dat vruchtbaar was werd vergeten. En dat vergeten had ernstige gevolgen. De eerstelingen van de oogst, zo vertelt Jeremia, werden zelf opgegeten. En die eerstelingen van de oogst moesten nu juist gedeeld worden met de armen, met de priesters, met de vreemdelingen die onder het volk woonden. Met het vergeten van dat delen begon het verlaten van de God van Israël. En het is onbegrijpelijk dat men dat kon doen. Ga naar de Griekse eilanden staat er en trek naar Kedar. Wij zouden tegenwoordig zeggen dat je de hele wereld zou kunnen afzoeken en dan vindt je nog geen volk dat zijn God had ingeruild voor een god die niks kan doen. Want die afgoden, Baäl voorop, zijn eigenlijk helemaal geen goden.

Al dat streven om carrière te maken, om de populariteitsrace te winnen, om de eerste de beste te worden, om rijk te worden en steeds rijker, om steeds grotere bonussen binnen te halen, leidt helemaal niet naar meer geluk, naar meer genieten van het leven. Integendeel, het leidt tot afgunst, tot diefstal, tot inhaligheid, tot een leven van leegheid met materiele zaken, tot ziekten en verslaving, tot eenzaamheid in lege relaties die alleen om het materiële gewin draaien. De waarschuwingen van Jeremia zijn ook in onze dagen hoogst actueel. De afkeer van de zorg voor de armen, voor de zwaksten, voor de minsten, die in onze dagen hoogtij viert maakt dat het delen niet meer vanzelfsprekend is. Dat rechtdoen aan mensen nooit hulp zal vervangen. En hulp is goed in nood, maar recht doen aan mensen door eerlijke en rechtvaardige verhoudingen, eerlijke handelsverhoudingen voorop, kan pas echte gerechtigheid, vrede en vreugde brengen. Al het andere is gelijk aan het bouwen van waterkelders waar scheuren in ontstaan. Beter is het waterbronnen te slaan, die blijven stromen. En zorgen voor rechtvaardige verhoudingen daar kunnen we vandaag weer opnieuw mee beginnen, de Weg van de God van Israël.

Ik zie een amandeltwijg

Jeremia 1:11-19

11 De HEER richtte zich tot mij: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Ik antwoordde: ‘Ik zie een amandeltwijg.’ 12 ‘Dat zie je goed, ‘zei de HEER, ‘zo snel als een amandelboom in het voorjaar uitbot, zo snel laat ik mijn woorden uitkomen.’ 13 De HEER richtte zich opnieuw tot mij: ‘Wat zie je?’ Ik zei: ‘Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt.’ 14 De HEER zei: ‘Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort. 15 Ik roep de volken van alle koninkrijken uit het noorden op-spreekt de HEER. Ze zullen dit land binnenvallen en hun tronen voor de poorten van Jeruzalem zetten, rondom de muren en om alle andere steden van Juda. 16 Ik zal het volk vonnissen voor al het kwaad dat het heeft gedaan. Ze hebben mij verlaten, wierook gebrand voor andere goden en geknield voor wat ze zelf gemaakt hebben. 17 Jij, Jeremia, maak je gereed en zeg hun alles wat ik je opdraag. Laat je door hen geen angst aanjagen, anders zal ik jou angst aanjagen in hun bijzijn. 18 Ik maak je nu tot een vestingstad en een ijzeren zuil, tot een bronzen muur om stand te houden tegen het hele land: de koningen en leiders van Juda, de priesters en het volk. 19 Ze zullen je bestrijden, maar niet verslaan, want ik zal je ter zijde staan en je redden-spreekt de HEER.’ (NBV)

Wij kennen ze als sneeuwklokjes. Van die bloemen die te vroeg zijn. Als de sneeuw er nog ligt komen ze al boven de grond uit en zoeken ze het zonlicht. In Israël hadden ze de amandelboom. Vroeg in het voorjaar was dat de eerste boom die in bloei kwam. En net als het sneeuwklokje bij ons was de amandelboom in Israël het onbetwistbare teken dat de lente er aan kwam. Hoe koud het ook nog was, hoe fel de voorjaarsstormen ook nog te keer konden gaan, de lente kwam er aan. Een prachtig beeld voor de belofte van de God van Israël dat, ondanks alle ellende die we in de wereld zien, de hemel op aarde zal neerdalen. Jeremia had in zijn dagen zo’n beeld nodig. Want als hij goed keek zag hij niets dan dreiging groeien voor zijn land en zijn volk. De richtlijn van de God van Israël, het heb Uw naaste lief als Uzelf, was vergeten. Overal werd afgodendienst bedreven. En rondom klonterden de volken samen tot machtige rijken. Vooral in het noorden werd de dreiging voor kleine volkjes als Juda steeds groter. Dat kon nooit goed aflopen. Er zou een dag komen dat Israël, dat zelfs Juda, niet meer zou bestaan en dat vreemde volken zouden heersen over Jeruzalem.

Een volk dat geen respect meer kan afdwingen door te zorgen voor de minsten en de zwaksten in zijn samenleving zal behandeld worden net als alle andere volken die bezetters kennen en vreemde heersers. Het beeld van de overhellende pot kokend water op een vlammend vuur zegt genoeg. Als je je door de wind van het noorden laat verwarmen dan zul je bij het noorden moeten horen. Die windstreken moet je dus niet zo letterlijk nemen maar als je meegaat in een cultuur van haat en eigenwaan dan zul je overheerst worden door een cultuur die je vreemd is en die haat zaait en van eigenwaan druipt. Het is de jonge Jeremia angstig te moede als hij beseft dat hij deze boodschap van onheil en ondergang moet brengen aan zijn volk en vooral aan de leiders van zijn volk. Maar de God van Israël maakt hem sterk, een vestingstad, een ijzeren zuil, een bronzen muur. Hij kan tegenstand verwachten maar uiteindelijk zal hij onverslaanbaar blijken. Het zijn beelden die in scherp contrast lijken te staan met het beeld uit het begin van dit verhaal.

Een bronzen muur tegenover een bloeiende amandeltwijg, een ijzeren zuil tegenover ons sneeuwklokje. Maar dat contrast is maar schijn. Zoals de amandeltwijg en het sneeuwklokje een geweldige kracht in zich moeten hebben om tegen de winterkou in toch tot bloei te komen zo schuilt in de jonge Jeremia, en dus in alle jongeren, een geweldige kracht als ze de mensen op roepen om de weg van de wereld te verlaten en de Weg van de God van Israël te volgen. Niet langer zal vruchtbaarheid, zullen winst en profijt, voorop moeten staan, maar de zorg voor de minsten op aarde zal het handelen van mensen en volken moeten bepalen. Ja de zorg voor de aarde zelf moet centraal staan. Delen zal het werkwoord moeten zijn dat hebben verdrijft. Niet de prachtigste technologische uitvindingen die de mode van vandaag bepalen maar het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten zullen de wereldwijde aandacht moeten hebben. Als dat gebeurd zal ook bij ons onweerstaanbaar de lente aanbreken, dwars tegen alle winterkou in. We kunnen er vandaag nog mee beginnen.

Ik ben te jong

Jeremia 1:1-10

1 Hier volgen de woorden van Jeremia, de zoon van Chilkia, afkomstig uit een priestergeslacht uit Anatot in het gebied van Benjamin. 2 De HEER richtte zich tot hem in het dertiende jaar dat koning Josia, de zoon van Amon, over Juda regeerde. 3 Ook sprak hij tot hem tijdens de regering van koning Jojakim, de zoon van Josia, en in de jaren daarna, tot het einde van het elfde regeringsjaar van Sedekia, de zoon van Josia. In de vijfde maand van dat jaar werd Jeruzalem in ballingschap gevoerd. 4 De HEER richtte zich tot mij: 5 ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt.’ 6 Ik riep: ‘Nee, HEER, mijn God! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong.’ 7 Maar de HEER antwoordde: ‘Zeg niet: “Ik ben te jong.” Richt je tot iedereen naar wie ik je zend en zeg alles wat ik je opdraag. 8 Wees voor niemand bang, want ik zal je ter zijde staan en je redden-spreekt de HEER.’ 9 En de HEER strekte zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: ‘Hiermee leg ik mijn woorden in jouw mond. 10 Nu, op deze dag, geef ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten.’ (NBV)

Hier beginnen we te lezen in het boek van de profeet Jeremia. Die kwam uit Anatot, een stadje ten noordoosten van Jeruzalem waar allemaal priesters woonden. De priesters kwamen uit de stam Levi en die had in de dagen van Jozua geen eigen grond gekregen. Wel waren er een paar steden aangewezen waar ze mochten wonen. Het volk moest er voor zorgen dat ze in leven bleven. Daar waren ook de offers voor bedoeld die aan God gebracht moesten worden. Doordat de Priesters niet zelf hun eten konden verbouwen werd iedereen gedwongen om te leren delen. De dagen waarin Jeremia leefde waren ronduit spannend. Het land Israël was in twee delen uiteengevallen, een rijk Israël in het Noorden, met als hoofdstad Samaria en een rijk Juda in het zuiden met als hoofdstad Jeruzalem. Toen Jeremia begon te profeteren was Josia koning van Juda. Het was een tijd van godsdienstige woelingen. Jeremia was nog opgevoed in de leer van de God van Israël die het volk uit de slavernij van Egypte had geleid, maar van die godsdienst was in Israël weinig over.

Toen Jeremia al vijf jaar bezig was te profeteren drong het verhaal over die God pas door in het paleis van koning Josia. Die liet weer eens de Tempel in Jeruzalem restaureren. In de muur van de Tempel werd een boek gevonden waarin wetten stonden en een verhaal over de ontmoeting van het volk met die God in de woestijn. Geleerden zijn van mening dat dit verhaal gaat over het boek Deuteronomium. Josia herstelde toen de godsdienst van de God van Israël. Dat er ten tijde van Jeremia profeten nodig waren die het volk weer konden vertellen over het heb uw naaste lief als uzelf is dus duidelijk. Bovendien was er een dreigende militaire macht van Egypte waardoor het volk ook weer onder de heerschappij, dus als slaven, van Egypte zou kunnen worden. Waar Jeremia geroepen werd om te profeteren staat niet in het verhaal. Wel hoe. Hij hoorde de stem van God. En die God kende hem al voor hij werd geboren. De manier waarop hier over de relatie van God met Jeremia wordt verteld lijkt in het Hebreeuws wel op de manier waarop ook de intieme liefde tussen twee mensen in de Bijbel wordt beschreven. Ze kennen elkaar staat er dan vaak.

God heeft de mens dus kennelijk al lief voordat de mens zelfs nog maar bestaat. En God roept een mens altijd al tot profeet. Mensen hebben altijd de mooiste smoezen om het maar niet over de Weg van de God van Israël te hebben. Altijd maar wijzen op de minsten op de aarde, op de armsten, op de slachtoffers van oorlog en geweld, op de slachtoffers van de streken van de rijken en de machtigen, maakt je niet populair. Ook Jeremia vindt het maar niks dat hij geroepen wordt. Hij vindt zich te jong. Maar volgens de God van Israël ben je dus kennelijk nooit te jong om je hand uit te steken naar mensen die hulp meer dan ooit nodig hebben. De klimaatspijbelaars zijn ook profeten door God geroepen. En zeker niet te jong om ons te wijzen op onze aarzeling het leven aan te passen aan de toekomst. Er zijn ook rijken en machtigen die roepen dat ze jong zijn. God niet. En dan vinden je lippen woorden die je zelf niet had kunnen bedenken. Dat was een ervaring die ook Jeremia had, die wij kunnen hebben als we er vandaag weer mee beginnen.

Doe recht aan weerlozen

Psalm 82

1 Een psalm van Asaf. God staat op in de hemelse raad, hij spreekt recht in de kring van de goden: 2 ‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig en kiest u partij voor wie kwaad doen? sela 3 Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten en zwakken, 4 bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wie kwaad wil. 5 U toont geen inzicht, geen begrip, en doolt in duisternis rond, de aarde wankelt op haar grondvesten. 6 Ooit heb ik gezegd: “U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal.” 7 Toch zult u sterven als mensen, ten val komen als aardse vorsten.’ 8 Verhef u, God, spreek recht op aarde, alle volken behoren u toe. (NBV)

Een mooi lied. Je ziet het voor je. Een vergadering van goden, die hebben geen licht nodig, die stralen het zelf wel uit. Maar zullen velen denken: er is toch maar één god? Voor de armen wel, die hebben in die vergadering van goden maar één god die er voor hen is, dat is de God van Israël. En dan schud men het hoofd, want het blijft een rare voorstelling van zaken. En dat is ook zo. Wij geloven al een aantal eeuwen aan één God, daar waar er meer goden zijn is nog een primitieve samenleving, met ziekten en modder en zo, waar de riolering nog ontbreekt. Dat was in de oudheid anders. Als je in de gunst stond van een god dan was je rijk en welvarend. Dan leek je eigenlijk het meest op de god die door jou wordt gediend. In één van de Psalmen staat dan ook dat we kinderen van God genoemd zullen worden. Jezus van Nazareth zal dat veel later herhalen.

Hier zijn het goden die als mensen zullen sterven. Het zijn dus geen onsterfelijke goden. Wij hebben ook zo’n godenvergadering. Deftig noemen we dat het economisch forum in Davos. Daar lopen de allerrijkste en allermachtigste mensen van de wereld rond. Niet om hun eigen positie ter discussie te stellen maar om zich af te vragen hoe ze al die armere mensen aan het werk kunnen krijgen om de problemen in de wereld op te lossen. Want het is toch erg dat er mensen van honger omkomen, dat er geen gezondheidszorg is, dat mensen dom blijven en niet leren lezen en schrijven. De allerrijksten geven graag aan goede doelen. Natuurlijk kleinigheden als je het vergelijkt met hun vermogens maar toch, de goede doelen zijn er blij mee. Dit jaar stond er iemand op die een andere aanpak voorstelde. Betaal uw belastingen, doe niet meer aan belastingontwijking en al helemaal niet meer aan belastingontduiking.

Hij veroorzaakte paniek. Want belastingbetalen betekent dat je de zeggenschap over je geld aan anderen overdraagt, aan veel armere mensen die het onderling zullen verdelen. Dan verdwijnt je privevliegtuig omdat die vervuilt en lawaai maakt. Dan wordt je prive-eiland open gesteld voor toeristen, omdat de mooie natuur voor iedereen bestaat. Dan is het afgelopen met de jacht op wilde dieren. Dan gaan er allemaal mogelijkheden verloren om geld te verdienen. Want die dure medicijnen maken die weerlozen dan zelf wel. Die God van Israël roept maar een eind weg. Bevrijden van de armoede, hoe bestaat het, recht doen aan weerlozen en wezen, vooral die wezen die de armoede ontvlucht zijn. Je laat de mensen die niet rijk kunnen worden toch niet hun eigen gang gaan en uitmaken hoe hun samenleving in elkaar moet zitten? En wezen die niet alleen de armoede maar ook de aalmoezen ontvluchten. De dichter van deze psalm kiest onvervaard partij. De God van Israël moet de baas zijn. Betaal uw belastingen, ontwijk en ontduik niet.

Toen bedaarde de woede van de koning.

Ester 7:1-8:2

1 Zo waren de koning en Haman weer bij koningin Ester te gast. 2 Ook op deze tweede dag zei de koning, terwijl de wijn geschonken werd, tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen, koningin Ester? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.’ 3 Koningin Ester antwoordde: ‘Majesteit, als u mij goedgezind bent en als het de koning goeddunkt, schenk mij en ook mijn volk dan het leven; dat is wat ik wil vragen, dat is mijn wens. 4 Want we zijn verkocht, mijn volk en ik, om gedood te worden en volledig te worden uitgeroeid. Als we waren verkocht als slaven en slavinnen, dan zou ik hebben gezwegen, want zo’n ramp zou de belangen van de koning niet schaden.’ 5 ‘Wie is die man, waar is die man die zijn zinnen erop heeft gezet om zoiets te doen?’ vroeg koning Ahasveros aan koningin Ester. 6 En Ester antwoordde: ‘Die meedogenloze vijand, dat is die ellendeling daar, Haman!’ Haman kromp ineen van angst voor de koning en de koningin. 7 Woedend stond de koning van tafel op en ging de paleistuin in. Maar Haman bleef, om koningin Ester om zijn leven te smeken, want hij besefte dat hij van de koning niets goeds te verwachten had. 8 Toen de koning uit de paleistuin terugkwam in het vertrek waar de maaltijd werd gehouden, had Haman zich juist laten neervallen op de bank waarop Ester lag. ‘Ook nog de koningin aanranden in mijn aanwezigheid?!’ riep de koning uit. Nauwelijks had hij deze beschuldiging geuit of men bedekte Hamans gezicht. 9 Charbona, een van de eunuchen die de koning dienden, zei: ‘Staat er bij Hamans eigen huis niet al een paal van vijftig el hoog, die Haman heeft neergezet voor Mordechai, dezelfde Mordechai die de koning ooit zo’n grote dienst heeft bewezen?’ ‘Hang hem daaraan, ‘zei de koning. 10 Zo werd Haman aan de paal gehangen die hij had laten klaarzetten voor Mordechai. Toen bedaarde de woede van de koning. 1 Diezelfde dag nog schonk koning Ahasveros de bezittingen van Haman, de vijand van de Joden, aan koningin Ester. En Mordechai kreeg vrij toegang tot de koning, want Ester had verteld in welke relatie hij tot haar stond. 2 De koning deed de zegelring af die hij Haman had afgenomen en gaf die aan Mordechai. En Ester gaf Mordechai het beheer over Hamans bezittingen. (NBV)

Het is een mooi Carnavalsverhaal dat in alle eeuwen een grote populariteit heeft gekregen. Het arme weesmeisje uit een vreemd land Ester wordt Koningin, en de wrede hooghartige regeerder Haman hangt aan de paal die hij voor zijn vijand had opgericht. Kan het? mooier? Nou het zou mooier kunnen. Waar blijft de vergeving in dit verhaal? Zulke subtiliteiten passen natuurlijk niet een Carnavalsverhaal. Het Joodse Purimfeest kent net zulke feesten en verkleedpartijen als ons eigen Carnaval. Hoewel het het enige feest is dat niet aan een bijzondere gebeurtenis in het jaar is gekoppeld, begin van de oogst of het einde daarvan bijvoorbeeld, maar het volgens het verhaal valt op een datum die ooit door het lot is bepaald, valt het altijd in het voorjaar.

Voor het seizoen van zaaien, planten, maaien en oogsten begint mogen de armen nog eenmaal uit de band springen. Alle overgebleven voedsel uit de wintertijd moet nu echt worden opgemaakt anders is het bedorven. Daarom volgt er in de Christelijke traditie ook een vastentijd op het Carnaval. Met het laatste beetje uit de winter moeten we de tijd tot de eerste vruchten van het land overbruggen tot het feest van de ongezuurde broden. Voor echte dictators is dit verhaal een blijvende waarschuwing. Altijd zijn er mensen uit hun directe omgeving die als de tijd rijp is hen kunnen aanwijzen als de aanstichters van wreedheden. Voor de onderdrukten kan het hoop betekenen. De dictator in dit verhaal wordt immers ontmaskerd en krijgt de straf die hij zelf heeft uitgedacht.

Zijn slachtoffer kreeg de eer die door de beul voor zichzelf was uitgedacht. Maar is het noodlot afgewend als de dictator verdwenen is? In de viering van ons Carnaval weten we dat het maar spel is. De prins Carnaval kan wel de sleutels van de stad krijgen, hij is daarmee nog niet echt de baas over de samenleving. Zijn Raad van Elf kan wel in de meest deftige pakken door de straten trekken ze zijn daarmee nog niet het bestuur van de stad. Drie dagen verdwijnt het onderscheid tussen arm en rijk, hoog en laag, geschoold en ongeschoold, heiden en Jood, man en vrouw, jong en oud, maar na die drie dagen weet iedereen weer de plaats die zogenaamd in de samenleving moet worden ingenomen. Alsof het een wet van Meden en Perzen is, een heidense wet die onveranderlijk is. Vandaag vieren we mee met de val van de dictator, maar wanneer de opstanding en bevrijding komt van de armen moeten we nog even afwachten.