In de zesde maand

Lucas 1:26-38

26 In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, 27 naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. 28 Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ 29 Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. 30 Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. 31 Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. 32 Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. 33 Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’ 34 Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ 35 De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. 36 Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, 37 want voor God is niets onmogelijk.’ 38 Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen. (NBV)

Nadat Elisabeth haar zwangerschap vijf maanden verborgen had gehouden, spotten met een oude vrouw die zwanger is doet zeer nietwaar, werd de zwangerschap van Elisabeth toch aan Maria bekend gemaakt. Maria woonde in Nazareth in Galilea. Dat is zo bekend dat we er overheen lezen. Voor de eerste lezers van het Evangelie van Lucas zal er onwillekeurig een glimlach om de mond gespeeld hebben. Galilea stond in Israël als het land van de heidenen bekend. Voor de inwoners van Judea en vooral Jeruzalem woonden daar boerenpummels die nauwelijks besef hadden van de geweldige gewichtige leer van de boeken van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften die samen de Hebreeuwse Bijbel vormden. En dat Nazareth? Eigenlijk betekent het iets als “struikgewas”. Die boodschapper van God ging dus naar een Joods meisje, die verloofd was met een afstammeling van koning David, en die vond hij in het struikgewas in het land van de Heidenen.

En op dat punt, zo ongeveer het minste vlekje dat je je in Israël kunt voorstellen daar wordt een geweldige belofte gedaan. Dat meisje, ongetrouwd nog, zal zwanger worden en haar zoon zal de beloofde bevrijder van Israël worden en op de troon van Koning David plaatsnemen. Nooit meer zal Israël een andere koning nodig hebben. En op de vanzelfsprekende vraag hoe dat allemaal wel niet moet als je niet getrouwd bent is het antwoord eigenlijk dat ook Elisabeth zwanger is. De Geest van God, de Liefde zelf, zal zorgen dat het gebeurd. Lees hier nu niet de flauwekul over maagdelijke geboorte en zo. Die wordt hier niet verteld en staat ook niet elders in de Bijbel. Een verkeerde vertaling van Jesaja in het Grieks heeft ons ooit op dat onzalige spoor gezet. Want Maria verheffen tot iets als een koningin van de hemel is nu eenmaal het tegendeel van wat ons verteld wordt. Ons wordt verteld dat het meest onaanzienlijke meisje uit Israël, uit het meest onaanzienlijke dorpje dat ligt in het meest onaanzienlijke deel van Israël de moeder zal worden van de grootste Koning van Israël uit de geschiedenis en de toekomst.

Hoe geloofwaardig is dat? Maria geloofde dat en daar mogen wij nog wel eens een voorbeeld aan nemen. Kunnen wij de voedselcrisis oplossen? Kunnen wij zorgen voor een gezond klimaat voor onze kinderen en kleinkinderen? Kunnen wij zorgen voor vrede en veiligheid? God heeft ons beloofd dat het zal kunnen en zal lukken. Niet door onze eigen kracht maar door de Geest van God heet het in deftige Bijbelse termen. Het betekent dat we ons moeten afwenden van alles wat ons eigenbelang dient, dat we op moeten houden bang te zijn dat we te kort komen. Niemand onder ons is zo min in aanzien als Maria was, niemand leeft in een zo onaanzienlijk dorpje in een deel van het land dat zo geminacht wordt. Wij kunnen samen opstaan tegen het onrecht dat de wereld beheerst. Juist als we onze naaste liefhebben als onszelf, als we oog durven hebben voor de minsten zal het ons lukken. Dan zal de aarde veranderen, dan zal die zoon van Maria niet alleen de Koning zijn van Israël maar werkelijk de Heer van de wereld. Maar we moeten vandaag beginnen die Heer ook echt als Heer te erkennen.

Toen Herodes koning van Judea was

Lucas 1:1-25

1 Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, 2 en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, 3 leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen, 4 om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent. 5 Toen Herodes koning van Judea was, leefde er een priester die Zacharias heette en tot de priesterafdeling Abia behoorde. Zijn vrouw, Elisabet, stamde af van Aäron. 6 Beiden waren vrome en gelovige mensen, die zich strikt aan alle geboden en wetten van de Heer hielden. 7 Ze hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren al op leeftijd. 8 Toen de afdeling van Zacharias eens aan de beurt was om de priesterdienst te vervullen, 9 werd er volgens het gebruik van de priesters geloot en werd Zacharias door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom van de Heer. 10 De samengestroomde menigte bleef buiten staan bidden terwijl het offer werd gebracht. 11 Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond. 12 Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen. 13 Maar de engel zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabet zal je een zoon baren, en je moet hem Johannes noemen. 14 Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. 15 Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer, en wijn en andere gegiste drank zal hij niet drinken. Hij zal vervuld worden met de heilige Geest terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is, 16 en hij zal velen uit het volk van Israël tot de Heer, hun God, brengen. 17 Als bode zal hij voor God uit gaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen, en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer.’ 18 Zacharias vroeg aan de engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is? Ik ben immers een oude man en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’ 19 De engel antwoordde: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben uitgezonden om je dit goede nieuws te brengen. 20 Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’21 De menigte stond buiten op Zacharias te wachten, en de mensen vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef. 22 Maar toen hij naar buiten kwam, kon hij niets tegen hen zeggen. Ze begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gezien; hij maakte gebaren tegen hen, maar spreken kon hij niet. 23 Toen zijn tempeldienst voorbij was, ging hij terug naar huis. 24 Korte tijd later werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Ze leefde vijf maanden lang in afzondering en zei bij zichzelf: 25 De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten. (NBV)

We leven in de adventstijd. Nog vier weken en Kerstmis en is al weer bijna voorbij. In de aanloop naar Kerstmis vraagt de kerk zich af hoe het ook al weer zit met de verwachting van de komst van het Koninkrijk van God. Die komst begon met de geboorte van Jezus van Nazareth maar ook die geboorte had een voorgeschiedenis. Dat kerstverhaal begint met twee mensen uit het Priestergeslacht. Voorop in het verhaal van Jezus van Nazareth staat dus de Leer van Mozes uit de Tempel in Jeruzalem. Want Priesters waren er voor om de mensen te helpen die Leer, van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf, te onderhouden. Dat Priestergeslacht was ooit begonnen met Aäron de broer van Mozes. Maar in de loop van de geschiedenis was die familie heel erg uitgebreid. Wij bepalen ons tot twee leden van die familie, Zacharias en Elisabeth, een al wat ouder echtpaar dat geen kinderen had. Ze doen dan direct denken aan Abram en Saraï die ook geen kinderen hadden maar aan het begin stonden van het verhaal over het volk Israël.

En zo konden ook Elisabeth en Zacharias ook wel eens aan het begin staan van een geweldig verhaal. Ze worden in het Grieks “rechtvaardigen” genoemd en om rechtvaardigen gaat het meestal in de Bijbel. Die Herodes was wel Koning der Joden, maar het was geen Jood. Hij kwam uit Edom en stamde dus af van Esau de broer van Jacob die Israël zou worden. Er was ook nog een profeet geweest die Zacharia heette en zo vinden we in het begin van het verhaal van Lucas de Koning, de Priester en de Profeet. Samen staan ze rond de Tempel in Jeruzalem. Maar dat was lang onvruchtbaar gebleven. De richtlijnen voor een menselijke samenleving die daar werden bewaard maakten geen deel meer uit van het bestuursbeleid waarvoor ze ook bedoeld waren. Daaraan kon nu een einde aan komen. Terwijl Zacharias in de Tempel dienst deed kreeg hij een visioen, een droom dat er toch een kind geboren zou worden, een kind dat apart gezet zou worden, zoals Simson ooit apart gezet was, een kind dat de bevrijding van het volk zou aankondigen, waarmee de bevrijding zou beginnen.

Want al die uitspraken van die engel, boodschapper van God, zijn uitspraken die je in het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel kan terugvinden. En als je de hele schrift hebt om voor je te spreken dan doe je er het zwijgen toe, dan heb je zelf niets meer te zeggen. En zo gaat het met Zacharias: hij kon geen woord meer uitbrengen. Veel geleerden hebben zich overigens afgevraagd waarom Elisabeth zich verborgen hield, maar de betekenis daarvan komt waarschijnlijk pas aan het licht als we het verhaal van Lucas verder lezen en zo ver zijn we nog niet. Vandaag houden we op bij Elisabet die sprak zoals ooit Rachel sprak toen zij moeder werd van Jozef: “God heeft weggenomen mijn schande”. In een samenleving waar de gelijkheid van man en vrouw werd ontkend, waar men niet kon geloven dat God man en vrouw naar zijn beeld had geschapen, was het een schande als een vrouw geen kinderen had. Van Abraham en Sara, van de ouders van Samuël, van de ouders van Simson en aan Zacharias en Elisabet zouden we moeten leren dat die schande onzin is. Als we werkelijk gaan leven zoals God dat in de richtlijnen heeft gewezen, als we werkelijk van onze naaste gaan houden als van onszelf, als we gaan leven voor de minsten op aarde, dan gaat de onvruchtbaarheid voorbij, dan breekt nieuw leven aan, dan komt er namelijk een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In dat verhaal kunnen we dus ook vandaag mee gaan doen en waarom ook niet.

Iedereen deed wat goed was in eigen ogen

Rechters 21:1-25

1 De Israëlieten hadden in Mispa gezworen dat niemand van hen zijn dochter aan een Benjaminiet tot vrouw zou geven. 2 Nadat ze met Benjamin hadden afgerekend, kwamen de Israëlieten opnieuw in Betel bij elkaar. Tot de avond viel zaten ze daar op de grond en klaagden ten overstaan van God met groot misbaar hun leed. 3 ‘HEER, God van Israël, ‘vroegen ze, ‘hoe heeft het zover met ons kunnen komen dat er nu een van de stammen van Israël ontbreekt?’ 4 De volgende morgen bouwden ze een altaar waarop ze brandoffers en vredeoffers brachten. 5 Daarna vroegen ze: ‘Wie van ons heeft er niet deelgenomen aan de volksvergadering in Mispa?’ De Israëlieten hadden namelijk plechtig gezworen dat ieder die niet naar het heiligdom van de HEER in Mispa was gekomen, ter dood zou worden gebracht. 6 Nu voelden ze zich bezwaard vanwege hun broeders, de Benjaminieten: ‘Een van de stammen van Israël is vandaag verloren gegaan, ‘zeiden ze. 7 ‘Wat kunnen we doen om de overlevenden vrouwen te bezorgen? We hebben immers bij de HEER gezworen dat wij hun onze dochters niet tot vrouw zouden geven.’ 8 Vandaar de vraag wie van hen er niet aan de volksvergadering in Mispa had deelgenomen. Het bleek dat er uit Jabes in Gilead niemand naar het heiligdom van de HEER in Mispa was gekomen: 9 toen de strijders zich meldden, was er niemand uit Jabes bij. 10 Dus stuurden de Israëlieten twaalfduizend van hun beste soldaten naar Jabes, met als opdracht: ‘Dood alle inwoners van Jabes: mannen, vrouwen en kinderen. 11 Let wel, dood alle mannen, maar van de vrouwen alleen degenen die met een man hebben geslapen.’ 12 In Jabes bleken vierhonderd jonge meisjes nog nooit met een man te hebben geslapen. Zij werden overgebracht naar de verzamelplaats in Silo in Kanaän. 13 De volksvergadering van de Israëlieten stuurde een afvaardiging naar de Benjaminieten die zich ophielden in de rotswand van Rimmon, om vrede met hen te sluiten. 14 Daarop keerden de Benjaminieten terug en de Israëlieten gaven hun de vrouwen uit Jabes die ze in leven hadden gelaten. Maar er waren er niet genoeg voor allemaal. 15 De HEER had een bres geslagen in de stammen van Israël, en daarover voelden de Israëlieten zich nu bezwaard. 16 Daarom vroegen de leiders van de volksvergadering: ‘Wat kunnen we doen om de overlevenden van de stam Benjamin vrouwen te bezorgen nu al hun vrouwen zijn gedood? 17 Het grondgebied van Benjamin moet kunnen overgaan op een volgende generatie, want er mag geen enkele stam van Israël verloren gaan. 18 Maar wij kunnen hun onze dochters niet tot vrouw geven, want we hebben onder elkaar een vloek afgeroepen over ieder die een vrouw aan Benjamin geeft.’ 19 Toen dachten ze aan het feest ter ere van de HEER dat elk jaar in Silo werd gevierd (Silo ligt ten noorden van Betel en ten zuiden van Lebona, iets ten oosten van de weg van Betel naar Sichem), 20 en ze raadden de Benjaminieten aan: ‘Ga naar Silo en houd u daar in de wijngaarden verborgen 21 tot u de meisjes uit de stad in reidansen naar buiten ziet komen. Kom dan te voorschijn en roof voor ieder van u een meisje om als vrouw mee te nemen naar uw eigen stamgebied. 22 Wanneer hun vaders of broers zich bij ons komen beklagen, zullen we zeggen: “Wees zo goed hen aan ons af te staan; niet iedereen heeft in de strijd een vrouw kunnen bemachtigen, en tenslotte hebt u hun uw dochters niet vrijwillig tot vrouw gegeven, dus u treft geen schuld.”’ 23 De Benjaminieten deden wat hun was aangeraden. Elk van hen greep een van de dansende meisjes en nam haar als vrouw mee naar zijn eigen stamgebied. Daar teruggekeerd herbouwden ze de steden en gingen er weer wonen. 24 De volksvergadering van de Israëlieten werd ontbonden. Ieder keerde terug naar zijn eigen grondgebied, elk naar zijn eigen stam en zijn eigen familie. 25 In die tijd was er geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was. (NBV)

Met het opschrift dat hierboven staat sluit het boek rechters af. Een bijzondere uitspraak want hoe gaan wij met onze vijanden om? Met mensen die onze regels wel heel erg geschonden hebben. Nou we zorgen er niet voor dat ze behouden blijven. We zorgen er zeker niet voor dat ze weer mee mogen gaan doen. En we verzinnen al helemaal geen trucs zodat ze familie van ons worden. Moet je nagaan. Al die mensen die in Afghanistan zijn omgekomen bij al de oorlogen die daar gevoerd zijn door de Russen, de Irakezen en de Amerikanen. Natuurlijk door hun eigen krijgsheren en de Taliban ook, maar al die vreemde soldaten die daar van de wereldgemeenschap hun gang mochten gaan. Want het is nogal wat, het grootste deel van een broedervolk uitroeien. Ook al zijn het je vijanden, het blijven per slot ook je broeders. De Bijbel legt daar voortdurend de nadruk op. In veel boeken van de profeten komen scheldkanonades voor op de buurvolken van Israël, het zijn broedervolken die zich niet als broeders opstellen maar het volk Israël als willekeurige vijanden behandelen. Ook vandaag de dag mogen we de staat Israël wel oproepen de Palestijnen meer als broeders te behandelen dan als vijanden, misschien dat de Palestijnen dan inzien dat in Israël broeders en zusters wonen met wie ze in vrede moeten samenleven.

In het gedeelte dat we vandaag lezen is het eerste dat opvalt dat er na de overwinning op de stam Benjamin geen feest gevierd wordt maar wordt geweend. Ook voordat er ten strijde werd getrokken was het geween niet van de lucht geweest, maar het was duidelijk dat een verkrachting tot de dood er op volgt nooit en onder geen voorwaarde getolereerd kon worden in het beloofde land dat de God van Israël hen geschonken had. Maar hoe nu de stam Benjamin toch voort te laten bestaan. Allereerst door duidelijk te maken dat niemand ooit onverschillig mag blijven onder een verkrachting. Ook nu komt het voor dat het hulpgeroep van een jonge vrouw gemakkelijk genegeerd wordt door voorbijgangers. Ook nu lees je vol verbazing dat steden het goed vinden dat negentig procent van de raamprostituees daar gedwongen zitten en dus eigenlijk door elke klant verkracht worden. Geen mens mag daar onverschillig onder blijven. Dat hebben we moeten leren van het lot van de mensen van Jabes. Die verloren hun leven aan hun onverschilligheid. Alleen hun ongehuwde dochters mochten aan Benjamin een nieuwe kans geven.

Wie vervangt de mannen, vrouwen en kinderen die daar omgekomen zijn? Krijgt het volk van Afghanistan nog een kans om mee te mogen doen in de wereldgemeenschap. Die stam van Benjamin waarover het verhaal van Rechters gaat is er wel weer bovenop gekomen. We weten dat natuurlijk omdat we terugkijken in de geschiedenis. Dan weten we dat Koning David uit de stam van Benjamin afkomstig was. En Jezus van Nazareth was weer een afstammeling van Koning David. Zonder de beslissing van het volk van Israel om de stam van Benjamin te behouden dwars tegen alle vijandschap in was de geschiedenis anders gelopen.

In Syrië blijft eigenlijk alleen de vraag over wat we kunnen doen om het land weer op te bouwen. Wat we over hebben voor scholen en ziekenhuizen. Dan kunnen mensen leren dat ze in vrijheid hun eigen keuzes te maken en zich niet te laten overheersen, niet door vreemde volken maar ook niet door minderheden uit hun eigen volk die hun gelijk op willen leggen in plaats van mensen er van te overtuigen. Daar worden we kennlijk elke dag toe geroepen, dat is wat goed is in onze ogen, ook vandaag weer.

Moedige krijgslieden

Rechters 20:36-48

36 De Benjaminieten moesten ondervinden dat de strijd voor hen verloren was. De Israëlieten waren immers zo ver teruggeweken omdat ze rekenden op de mannen die zich bij Gibea verdekt hadden opgesteld. 37 Die hadden ondertussen een verrassingsaanval op de stad uitgevoerd en alle inwoners gedood. 38 Met de hoofdmacht van het leger was afgesproken dat er rook uit de stad zou opstijgen wanneer het zover was. 39 De hoofdmacht van het leger week dus terug, en de Benjaminieten zagen kans om onder de Israëlieten meteen zo’n dertig slachtoffers te maken. Daarom dachten ze al dat ze de slag gewonnen hadden, net als de vorige keren. 40 Maar op dat moment begonnen uit de stad dikke rookwolken op te stijgen. Toen de Benjaminieten omkeken, zagen ze hoe achter hen de hele stad in vlammen opging. 41 Op hetzelfde moment stortte de hoofdmacht van het Israëlitische leger zich op hen. Nu begrepen de Benjaminieten welk onheil hun boven het hoofd hing. In paniek 42 sloegen ze voor de Israëlieten op de vlucht, de kant van de woestijn uit. Maar ze konden de strijd niet ontlopen, want de Israëlieten uit Gibea sneden hun de pas af en sloegen hen neer. 43 Ze sloten de Benjaminieten in en achtervolgden hen; zonder hun rust te gunnen joegen ze hen op tot ver ten oosten van Gibea. 44 Er sneuvelden achttienduizend Benjaminieten, stuk voor stuk moedige krijgslieden. 45 De overigen probeerden te ontkomen in de richting van de woestijn, naar de rotsen van Rimmon. Maar de Israëlieten haalden hen in en doodden nog eens vijfduizend man. Ter hoogte van Gidom versloegen ze er nog tweeduizend. 46 Al met al sneuvelden er die dag vijfentwintigduizend bedreven Benjaminitische soldaten, zonder uitzondering moedige krijgslieden. 47 Slechts zeshonderd Benjaminieten wisten te ontkomen naar de woestijn, waar ze zich vier maanden lang schuilhielden in de rotsholen van Rimmon. 48 Het leger van Israël ging terug om af te rekenen met de Benjaminieten die niet aan de strijd hadden deelgenomen. Ze trokken van stad tot stad en doodden er mens en dier zonder ook maar iets of iemand te ontzien. En elke stad waar ze geweest waren, lieten ze in vlammen opgaan. (NBV)

Hoe moedig je ook bent, als je de verkeerde kant kiest in een oorlog verlies je uiteindelijk. Eigen volk, afkomst, eer, het maakte allemaal niet uit voor de mensen uit de stam Benjamin. Een paar keer wordt gezegd in dit verhaal dat het moedige krijgslieden waren maar ze werden toch in de pan gehakt. Steeds maar blijven strijden voor een verloren zaak maakte het uiteindelijk alleen maar erger. Er wordt wel eens gezegd dat de Bijbel zo bloedig is met van die gewelddadige oorlogen. De Britten hebben in de laatste Golfoorlog alleen al in Basra meer slachtoffers gemaakt dan de Israëlieten in de oorlog tegen hun eigen broeders van Benjamin. We roepen die ellende steeds weer zelf over ons af. Nu weer in Irak, Syrië en Afghanistan.

We zagen dat ook in de tijd van de aardbeving in Pakistan een paar jaar geleden. Er waren Nederlandse militaire transporthelikopters in Afghanistan. Uurtje vliegen van het rampgebied in Pakistan. Helikopters die bij uitstek geschikt waren om daar voedsel te brengen en personen te vervoeren. Maar nee ze waren nodig voor een oorlog, ook al was een groot deel van het rampgebied alleen met helikopters te bereiken. De Nederlandse Regering en de Navo vonden het belangrijker om mensen te doden dan om levens te redden. Alsof die mensen in Pakistan niet ooit doorkrijgen wie er in het diepste van de ellende de andere kant op keken en zich niet tot het uiterste inspanden om te hulp te komen. Het hoefde daar ook geen jaren te gaan duren. Die hulp was maar voor hooguit een paar weken, dan zou daar de winter uitbreken. Dat gaat in sommige streken letterlijk van een ene op de andere dag. De hulpverleners die er bezig waren hadden streken benoemd die binnen 2, 3, 5 en 10 weken gered moeten worden. Het enige wat wij nog konden doen was geven op giro 800800.

Mensen die betrokken waren bij Pakistan organiseerden op een woensdagavond een hockeywedstrijd tussen Oranje en de Rest van de Wereld, zo moesten mensen gaan meeleven en geven aan de TV actie die er natuurlijk ook was. Maar druk uitoefenen op een regering om in weerwil van de wensen van de Navo onze zeer bruikbare militaire helikopters uit Afghanistan tijdelijk in te zetten voor slachtoffers in Pakistan was er niet bij. Die lui van de stam Benjamin overleefden door vier maanden op een kale rots in de woestijn te gaan zitten, maar daar brak niet de winter uit dus dat ging nog. Laten wij eens leren onze rijkdom delen met mensen die helemaal niets meer hebben en daar ook geen schuld aan hebben. Oog hebben voor slachtoffers meer dan oog hebben voor vijanden, het is moeilijk maar het moet toch te leren zijn. Ook vandaag nog.

Op de derde dag

Rechters 20:29-35

29 Enkele Israëlitische eenheden stelden zich verdekt op rondom Gibea. 30 Ook op de derde dag rukte de hoofdmacht op tegen de Benjaminieten, en net als de vorige keren stelde men zich in slagorde op om de stad aan te vallen. 31 Weer deden de Benjaminieten een uitval naar het leger van Israël, maar nu werden ze weggelokt van de stad. Even buiten de stad, bij de splitsing van de weg naar Gibea en de weg naar Betel kwam het tot een eerste treffen, waarbij net als de vorige keren slachtoffers vielen onder het leger van Israël, ongeveer dertig man. 32 De Benjaminieten dachten al dat ze voor de derde maal de overwinning hadden behaald, maar de Israëlieten hadden afgesproken om te doen alsof ze vluchtten en zo de Benjaminieten via de gebaande wegen van de stad weg te lokken. 33 Terwijl de hoofdmacht van de Israëlieten zich terugtrok en zich in slagorde opstelde bij Baäl-Tamar, kwamen de mannen die zich aan de onbeschermde kant van Gibea schuilhielden te voorschijn 34 en rukten op naar de stad: tienduizend van de beste Israëlitische krijgslieden. Bij Baäl-Tamar brandde de strijd nu in alle hevigheid los; de Benjaminieten wisten nog niet welk onheil hun boven het hoofd hing. 35 Die dag schonk de HEER de overwinning aan Israël: de Israëlieten doodden vijfentwintigduizend en honderd bewapende Benjaminieten. (NBV)

Niet vechten levert soms een onverwachte overwinning op. Dat is de les die we kunnen trekken uit het verhaal over de burgeroorlog in Israël, tussen alle stammen en de Benjaminiten. De Leer van God waar ze zo zorgvuldig naar op zoek waren geweest, alle strijders van Israël waren immers allemaal naar de Tent der Ontmoeting gegaan, had hun geleerd dat ze niet zouden mogen doden. Elk leven is het waard geleefd te worden. De eerste twee keer dat ze de strijders van Benjamin tegemoet waren getrokken hadden ze verloren. Ze waren op de klassieke wijze ten strijde getrokken. Grote legers tegenover elkaar, wie is de grootste en daarmee de sterkste. Maar in de ogen van God gaat het eigenlijk nooit om de eerste de beste.

In de ogen van de God van Israël gaat het om de zwakste, om de minste, soms dus ook om het kleinste leger. Het leger van Israël had moeten leren dat het niet het grootste en sterkste leger zou moeten zijn dat de burgeroorlog zou moeten winnen maar het leger dat er op uit was zo weinig mogelijk mensen te doden. En zelfs wij hebben een spreekwoord dat daarop een antwoord moet geven: Wie niet sterk is moet slim zijn. En dat deden de Israëlieten. Hun zogenaamd sterke legermacht stelde zich op voor de stad. De strijders van Benjamin dachten de overwinning al binnengehaald te hebben, zeker toen ze die sterke legermacht van Israël op de vlucht hadden gejaagd. Maar list en bedrog zijn vaste onderdelen van een oorlog en de macht die moest worden verslagen lag niet voor hen maar achter hen.

Natuurlijk, humor, spanning, romantiek, liefde en haat alles zit in die Bijbelverhalen. Maar Bijbelverhalen hebben ook een boodschap. Want stel nou dat die lui van de stam Benjamin helemaal niet zo gretig aan het oorlog voeren waren gegaan. Dan waren ze ook niet in de val getrapt. Dus eigenlijk kun je zeggen dat die lui van Benjamin ten onder zijn gegaan aan hun eigen oorlogszucht. Zo zit de hele Bijbel in elkaar en zo lezen we het hier ook, en wie dreigt vandaag de dag niet onder te gaan aan eigen oorlogszucht. We horen de dictators blijven schreeuwen over hun overwinning tot ze belachelijk zijn geworden en duidelijk wordt dat hun woorden eigenlijk nooit al de macht bezaten die we ze hadden toegedicht. Ook dat is een les die we moeten leren en die de Bijbel hier ons voorhoud. Laten we er ons voordeel mee doen ten behoeve van de vrede. Die is elke dag nodig, ook vandaag weer.

Moeten we het opgeven?

Rechters 20:12-28

12 De stammen van Israël stuurden boden uit die in heel Benjamin moesten vragen: ‘Hoe heeft er bij u zo’n misdaad kunnen plaatsvinden? 13 Lever die onverlaten in Gibea aan ons uit, dan zullen we hen doden en zo afrekenen met het kwaad dat in Israël werd begaan.’ Maar de Benjaminieten gaven geen gehoor aan de oproep van hun volksgenoten. 14 Uit alle steden in hun stamgebied kwamen ze naar Gibea om de strijd aan te binden tegen de andere Israëlieten. 15 Afgezien van de inwoners van Gibea zelf meldden zich uit de steden van Benjamin zesentwintigduizend man die de wapens konden hanteren. Zevenhonderd van hen waren uitzonderlijk goede krijgslieden: 16 dat waren zevenhonderd linkshandige slingeraars die zo haarscherp konden mikken dat ze hun doel nooit misten. 17 De overige Israëlieten, met uitzondering dus van Benjamin, telden vierhonderdduizend man die de wapens konden hanteren; het waren stuk voor stuk ervaren krijgslieden. 18 Voor de aanvang van de strijd gingen de Israëlieten naar Betel om God te raadplegen: ‘Wie van ons moet als eerste oprukken tegen de Benjaminieten?’ vroegen ze. ‘Juda, ‘antwoordde de HEER. 19 De volgende morgen vroeg sloegen de Israëlieten hun kamp op bij Gibea. 20 Ze rukten uit tegen de Benjaminieten en stelden zich in slagorde op om de stad aan te vallen. 21 Het leger van Benjamin deed een uitval vanuit de stad en doodde die dag tweeëntwintigduizend man van Israëls leger. 22 Maar de Israëlieten gaven de moed niet op en stelden op dezelfde plaats als de keer daarvoor nieuwe linies op. 23 Ze waren na afloop van de slag naar Betel gegaan en hadden daar tot de avond viel ten overstaan van de HEER hun leed geklaagd. Ten slotte hadden ze de HEER geraadpleegd en gevraagd of ze hun broeders, de Benjaminieten, opnieuw moesten aanvallen. ‘Ja, ‘had de HEER geantwoord, ‘val hen aan.’ 24 Toen de Israëlieten op de tweede dag nogmaals tot de aanval overgingen, 25 deden de Benjaminieten opnieuw een uitval vanuit de stad en doodden nog eens achttienduizend bedreven Israëlitische krijgslieden. 26 Daarop ging het voltallige leger van de Israëlieten naar Betel. Ze vastten de hele dag en klaagden op de grond gezeten hun leed ten overstaan van de HEER. Toen de avond was gevallen, brachten ze de HEER brandoffers en vredeoffers.
27 Daarna raadpleegden ze de HEER. De ark van het verbond met God bevond zich in die tijd namelijk in Betel, 28 en de priester Pinechas, die een zoon was van Eleazar, de zoon van Aäron, deed er dienst in het heiligdom. ‘Moeten we onze broeders, de Benjaminieten, nog een keer aanvallen of moeten we het opgeven?’ vroegen ze, en de HEER antwoordde: ‘Val aan, morgen lever ik hen aan jullie uit.’ (NBV)

De verkrachting waar we het de afgelopen dagen over hebben gehad loopt in het verhaal van Rechters uit op een forse burgeroorlog. Drie keer is scheepsrecht lijkt het wel maar het verhaal is niet alleen spannend, het Bijbelverhaal heeft altijd ook een boodschap, misschien zelfs wel een paar meer, in elk geval een boodschap waar we ook vandaag de dag ons voordeel mee kunnen doen. In de eerste plaats krijgt de stam Benjamin nog een tweede kans. Ze waren uitgenodigd bij de volksvergadering en daar weggebleven, maar nogmaals wordt hen gevraagd de misdadigers uit te leveren. Ook dat weigeren ze en nu worden ze niet gelijk gesteld aan de verkrachters uit Gibea maar ze worden geëerd als dappere strijders. Dat klinkt misschien vreemd, maar kennelijk is het achter je eigen mensen blijven staan een goede eigenschap.

Als er vervolgens niet meer aan de strijd te ontkomen valt wordt eerst gevraagd wie er moet beginnen. Dat is de stam van Juda. In het oude verhaal over de zonen van Jacob, naar wie de stammen zijn genoemd was Juda de beschermer van Benjamin. En eigenlijk is dat hier ook zo. Altijd aardig doen tegen een ander maakt de wereld er niet altijd beter op. Een flinke tik op de vingers is soms nodig, dat kan helpen. In dit geval hielp het niet. Noch de uitnodiging, noch de tweede kans, noch het feit dat het Juda was die ten strijde trok bracht Benjamin tot bezinning. Dan maar met het hele volk ten strijde, de woede was immers gerechtvaardigd. Maar zo eenvoudig is het niet. Strijd kan nodig zijn maar je moet niet alle andere regels vergeten.

Je hoeft geen goed woord over te hebben voor terroristen om vraagtekens te zetten bij de situatie op Guantanamo Bay en de vernederingen die tegenstanders van de Verenigde Staten steeds weer moeten ondergaan. Het volk Israel keerde uiteindelijk terug naar de Heilige Tent en naar de ark die daar in stond. Dat was een kist met de Leer, de Leer van liefde voor de naaste, van eerlijk delen. Door je handelen af te stemmen op die Leer heb je heel wat meer kans op een duurzame overwinning. Zo’n verhaal als over het volk van Israel dat tegen de stam van Benjamin optrekt laat zich ook lezen als een spannend oorlogsverhaal. Vooral de list die gebruikt wordt om de vijand te verslaan is om te smullen. Lok de vijand zover mogelijk weg zodat die in de val loopt. en het lukt. Maar Bijbelverhalen zijn geen spannende verhalen op zich.

Een volksvergadering

Rechters 20:1-11

1 Uit heel Israël, van Dan tot Berseba, en zelfs uit Gilead, kwamen de Israëlieten naar het heiligdom van de HEER in Mispa om daar een volksvergadering te houden. 2 Deze vergadering van het volk van God, vierhonderdduizend man die de wapens konden hanteren, werd geleid door de aanvoerders van het volk, de hoofden van de stammen van Israël. 3 Het bleef in Benjamin niet onopgemerkt dat de andere Israëlieten naar Mispa waren gekomen. De Israëlieten vroegen: ‘Wie kan ons vertellen hoe dit misdrijf heeft plaatsgevonden?’ 4 De Leviet, de man van de vermoorde vrouw, nam het woord en zei: ‘Toen ik met mijn bijvrouw op doorreis was in Gibea in Benjamin, 5 kwamen de burgers van de stad mij lastigvallen. Ze liepen ‘s nachts te hoop bij het huis waar we onderdak hadden gekregen. Mij bedreigden ze met de dood en mijn vrouw hebben ze zo gruwelijk verkracht dat ze het niet heeft overleefd. 6 Ik heb haar lichaam in stukken gesneden en die naar alle delen van het gebied van Israël gestuurd om te laten zien dat er een misdaad is begaan die voor Israël geldt als een schandelijk en ontoelaatbaar vergrijp. 7 U bent hier bijeengekomen, Israëlieten, om gezamenlijk te beslissen wat er moet gebeuren.’ 8 Hierop stond het hele volk als één man op en verklaarde: ‘Niemand van ons gaat terug naar zijn tent of huis. 9 We zullen Gibea niet ongemoeid laten! Door loting 10 zullen tien op de honderd van elke stam van Israël worden aangewezen, ofwel honderd op de duizend of duizend op de tienduizend. Die moeten proviand bijeenbrengen voor het leger dat in Gibea de schanddaad zal vergelden die de inwoners ervan Israël hebben aangedaan.’ 11 Zo sloten de Israëlieten zich aaneen om als één man tegen Gibea op te trekken. (NBV)

Men zegt wel eens dat IJsland de oudste democratie van de wereld kent. Daar kwamen de mensen bijeen in een speciale vallei en daar beslisten ze samen over de belangrijkste zaken voor het volk. De Bijbel kent nog oudere voorbeelden. Deze uit het boek Rechters is wel een heel bijzondere. In Gibea was de bijvrouw van een Leviet, een hulppriester zeg maar, verkracht en heel het volk kwam bijeen om te beraadslagen wat er mee te doen. De Leviet vertelde wat er gebeurd was en ook de verdachten kregen de kans wat te zeggen, maar die kwamen niet. Het was een proces met hoor en wederhoor waar iedereen aan meedeed. Een democratisch proces dus, dat maakt dit verhaal wel heel erg bijzonder. De afwijking van de Leer uit de woestijn, de richtlijnen die het volk zo bijzonder maakte, was zo groot dat harde maatregelen moesten worden genomen.

Als één man stond het volk op en beloofde Gibea niet ongemoeid te laten. Het verhaal vertelt dat er vierhonderdduizend krijgers waren. Maar eerst werden door loting de mensen aangewezen die voor het eten moesten zorgen, want samen eten en het eten samen delen was ook een kenmerk van het volk. Die krijgers hadden hun aanvoerders, maar het volk had geen koning, geen regering en van een Rechter is in dit verhaal eigenlijk ook geen sprake. Of het zou moeten zijn dat al die mensen die daar bijeen waren zelf Rechter waren. Uiteindelijk hadden ze een aanklacht gehoord, de verdediging aan het woord gelaten en een vonnis geveld. Bij ons lijkt samen eten er niet meer bij. Alleen de rijken kunnen zich gezond eten permiteren. De armsten niet. Zorg voor mensen aan de kant van de samenleving is er eigenlijk niet meer bij.

De gehandicapten die werken in de sociale werkvoorziening, ze moeten maar een baan zien te zoeken op een arbeidsmarkt waar ze ongeschikt voor waren verklaard en die juist steeds meer alleen ruimte heeft voor de meest succesvollen. Het volk Israel leert ons in dit verhaal dat we samen in beweging moeten komen tegen dat wat onrecht is ook in onze samenleving. We laten het protest over de afbraak van openbaar vervoer aan de buschauffeurs en tramconducteurs over, de afbraak van de rechtshulp aan de advocaten. Maar over afbraak van de villasubsidie aan de allerrijksten mag niet gesproken worden. Het wordt misschien tijd om samen weer eens zo’n maaltijd te houden zoals het volk Israël deed na de vreselijke verkrachting door de Benjaminiten. We kunnen vandaag nog beginnen met de organisatie er van.

Dit kunnen we niet toestaan

Rechters 19:10b-30

Toen ze ter hoogte van Jebus waren, het huidige Jeruzalem, 11 stond de zon al zo laag dat de knecht tegen zijn meester zei: ‘Daar ligt de stad van de Jebusieten. Zouden we er niet goed aan doen om daar voor vannacht onderdak te zoeken?’ 12 ‘Nee, ‘antwoordde zijn meester. ‘We gaan geen stad vol vreemden binnen die niet tot het volk van Israël behoren. We kunnen beter doorgaan naar Gibea 13 en misschien halen we zelfs Rama nog. Dan kunnen we in een van die plaatsen overnachten.’ 14 Ze liepen dus de stad voorbij en gingen verder. Juist bij zonsondergang kwamen ze bij Gibea, in het gebied van Benjamin. 15 Ze gingen de stad binnen om er de nacht door te brengen. Op het stadsplein hield de man halt, maar er was niemand die hen uitnodigde om bij hem thuis te overnachten. 16 Na een tijdje kwam er een oude man aan, die juist terugkwam van zijn werk op het land. Hij was afkomstig uit Efraïm en woonde als vreemdeling in Gibea; de inwoners van de stad zelf waren Benjaminieten. 17 Toen hij de reizigers op het stadsplein zag staan, sprak hij de man aan en vroeg: ‘Waar gaat u naartoe? Waar komt u vandaan?’ 18 ‘Wij zijn op weg van Betlehem in Juda naar onze woonplaats diep in het bergland van Efraïm, waar ik vandaan kom, ‘antwoordde de Leviet. ‘Ik ben in Betlehem geweest en nu ben ik op weg naar huis. Maar niemand biedt me onderdak. 19 We hebben zelf alles bij ons, heer: stro en voer voor onze ezels, en ook voedsel en wijn voor mezelf en voor mijn vrouw hier en mijn knecht.’ 20 ‘Bij mij bent u welkom, ‘zei de oude man. ‘Maar ik sta erop dat u mij laat zorgen voor alles wat u nodig hebt. Breng in elk geval niet hier op het plein de nacht door.’ 21 Hij nodigde hen binnen in zijn huis, en nadat hij hun ezels had gevoerd, wasten ze hun voeten en gingen ze aan tafel. 22 Terwijl de reiziger en zijn gastheer genoeglijk aan de maaltijd zaten, liepen de mannen van de stad bij het huis te hoop. Deze onverlaten bonsden op de deur en riepen tegen de oude heer des huizes: ‘Laat die gast van u naar buiten komen, we willen hem nemen!’ 23 De gastheer ging naar buiten en zei tegen hen: ‘Mensen, bega toch geen schanddaad. Zoiets kunt u niet doen: deze man is bij mij te gast! 24 Ik heb hier mijn dochter, die nog maagd is, en de bijvrouw van mijn gast; laat me die naar buiten sturen. Neem hen maar en doe met hen wat u wilt, maar doe deze man hier zoiets schandelijks niet aan.’ 25 De belagers gingen daar niet op in, maar toen de Leviet zijn vrouw de straat op duwde, naar hen toe, verkrachtten en misbruikten ze haar de hele nacht lang. Pas bij het eerste ochtendgloren lieten ze haar gaan. 26 Terwijl het langzaam licht werd, sleepte ze zich naar het huis waar haar man te gast was. Voor de drempel viel ze neer. 27 Toen haar man die ochtend bij de eerste zonnestralen de deur opende en naar buiten ging om zijn reis te vervolgen, zag hij zijn vrouw daar liggen, haar handen uitgestrekt naar de drempel. 28 ‘Sta op, ‘zei hij tegen haar. ‘Kom, we vertrekken.’ Maar er kwam geen antwoord. Hij tilde haar op de ezel en vertrok naar zijn woonplaats. 29 Bij zijn thuiskomst nam hij zijn mes en sneed het lichaam van zijn vrouw in twaalf stukken; naar elk stamgebied van Israël stuurde hij een stuk. 30 En ieder die het zag zei: ‘Zoiets is nog nooit gebeurd! Nog nooit hebben we in Israël zoiets meegemaakt, vanaf de uittocht uit Egypte tot op de dag van vandaag. Dit kunnen we niet toestaan. We moeten ons beraden en besluiten wat we zullen doen.’ (NBV)

Gastvrijheid is een goede eigenschap. Dat hoor je overal. Gastvrijheid betekent dat er voor de gasten gezorgd wordt en niet dat er van de gasten geprofiteerd wordt. In het beroemde lied over de liefde uit de brief van Paulus aan de Korintiërs in het Nieuwe Testament staat dat de liefde zichzelf niet zoekt. Dat geldt bij uitstek voor de gastvrijheid. In het verhaal dat hierboven staat is het tegendeel aan de orde. In het eerste deel dat we gisteren gelezen hebben kon de gastvrijheid niet op, in het verhaal van vandaag gaat het alleen om de eigenliefde. Allereerst is het een vreemdeling die de gastvrijheid moet betrachten. Het volk van Israel dat in Gibea woont, geeft niet thuis. Zelfs niet voor een priester van de Heilige Tent. Misschien zelfs juist niet voor een priester die betrokken is bij het bewaken van de Bijbelse richtlijn van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf. Gastvrijheid ho maar, zelfs niet als het niets hoeft te kosten, voedsel voor mens en dier hadden ze immers zelf bij zich.

Integendeel als er dan gastvrijheid is verleend wil het hele dorp er van meeprofiteren. En wel op de manier die ooit ook in Sodom en Gomorra gebeurde toen Lot daar zijn toevlucht had gezocht. In plaats van de gastvrijheid die de richtlijn uit de woestijn, het “heb uw naaste lief als uzelf”, voorschreef moeten er vruchtbaarheidsoffers gebracht worden. Vreemdelingen in je midden opnemen zou je anders wel eens armer kunnen maken, verlies kun je er door lijden. De hele nacht dat de gast onderdak krijgt wordt er geofferd en dat kost uiteindelijk de vrouw uit het verhaal het leven. Het uiterste tegendeel van vruchtbaarheid krijgt men er voor terug. Sodom en Gomorra werden omgekeerd en de naamloze Leviet uit het verhaal zorgt er voor dat het hele volk te hoop loopt tegen deze schande, van de stam van Benjamin.

Wij doen dat netter. Vreemdelingen die een echte bijdrage aan onze welvaart kunnen geven door kennis, opleiding of talent die mogen hier verblijven, alleen voor de duur van het leveren van die bijdrage dus. Als we ze heel hard nodig hebben dan mogen hun partner en hun kinderen soms ook komen. Maar als we ze niet nodig hebben dan schoppen we ze de straat op, ten prooi aan uitbuiting en verkrachting. Prostituees uit Oost-Europa werken hier bijna allemaal onder dwang. In een baan hier in Nederland mogen ze niet werken, maar als ze zich inschrijven bij de kamer van koophandel kunnen ze te werk gesteld worden in de rosse buurten. Wetten zijn er nauwelijks tegen. Verkrachting en mishandeling is hun deel, net als de vrouw uit het verhaal dat we vandaag uit de Bijbel lezen. Het hulpgeroep van de machtelozen roept tot de hemel. Misschien is het niet nodig dat heel ons volk door de buurvolkeren, onze broedervolken, omgebracht wordt. Maar het is hoog tijd dat we opstaan en in verzet komen tegen vrouwenhandel en misbruik. Elke dag kunnen we daarmee beginnen, ook vandaag.

En weer aten ze samen

Rechters 19:1-10a

1 In die tijd, toen er geen koning in Israël was, woonde er een Leviet diep in het bergland van Efraïm. Hij had een meisje uit Betlehem in Juda als bijvrouw genomen. 2 Na een hevige ruzie liep ze van hem weg en ging terug naar het huis van haar vader in Betlehem. Vier maanden later 3 ging haar man haar achterna om haar te overreden bij hem terug te komen. Hij had zijn knecht bij zich en een span ezels. Zijn vrouw liet hem binnen in het huis van haar vader, die zijn schoonzoon allerhartelijkst ontving
4 en er bij hem op aandrong om nog wat te blijven. Drie dagen bleef de man bij de vader van zijn vrouw te gast: hij at en dronk er en bleef overnachten. 5 Op de vierde dag maakte hij zich ‘s ochtends vroeg klaar om te vertrekken, maar zijn schoonvader zei: ‘Eet eerst nog wat om krachten op te doen voor de reis.’ 6 Samen zetten zij zich aan de maaltijd. Daarna zei de vader van de vrouw: ‘Blijf nog een nacht hier, gun jezelf dat genoegen.’ 7 De man wilde eerst toch gaan, maar zijn schoonvader drong zo aan dat hij toegaf en bleef overnachten. 8 Toen hij op de morgen van de vijfde dag wilde vertrekken, zei zijn schoonvader: ‘Eet toch eerst wat en wacht tot de zon over haar hoogste punt is.’ En weer aten ze samen. 9 Toen de man aanstalten maakte om met zijn vrouw en zijn knecht te vertrekken, zei de vader van de vrouw: ‘Het is al laat op de dag. Blijf toch hier slapen. Kijk maar, de zon begint al te dalen. Blijf nog een nacht hier, gun jezelf toch dat genoegen. Dan kunnen jullie morgenvroeg voor dag en dauw vertrekken.’ 10 Maar de man wilde niet nog een nacht blijven. Hij zadelde zijn ezels en ging met zijn vrouw op weg. (NBV)

Dit verhaal is bewust in twee delen geknipt. De twee delen moeten apart maar na elkaar gelezen worden want het zijn de lichte en de donkere kanten van dezelfde boodschap. Bethlehem de stad van de Benjaminieten was kennelijk al heel vroeg een belangrijk punt. Wij kennen het natuurlijk uit het kerstverhaal als Jezus er wordt geboren en ook in dit verhaal speelt het een belangrijke rol. Het verhaal gaat over gastvrijheid .En die gastvrijheid kennen we eigenlijk nog alleen van de aanhangers van de Islam in ons midden. Halverwege de vastenmaand van de Islam, de Ramadan vieren zij de Iftar maaltijd. Op het moment dat moslims hun vrienden thuis uitnodigen om samen de maaltijd te gebruiken als de zon is onder gegaan en het donker is geworden. Dan is het tijd voor een echte feestmaaltijd, met familie, je buren, vrienden en er wordt extra gedacht aan de armen.

Het Woord is voor de moslims het echte voedsel. Het werd in één maand, nacht na nacht, geschonken aan de profeet en daarom zorg je dat je gedurende de dag rein blijft, geen eten en drinken neemt, zodat je ’s nachts des te meer waardering hebt voor het voedsel dat je geschonken wordt. Ook vriendschap is een vorm van voedsel, het doet je immers groeien en maakt je als mens rijker. In diverse plaatsen in ons land zijn moslims en christenen tijdens de Ramadan samen gaan eten. Voor beiden is de maaltijd een belangrijk religieus gegeven. In veel kerken wordt elke zondag brood en wijn gedeeld, een maaltijd dus, ter herinnering aan de maaltijd die Jezus hield met zijn leerlingen en waarbij hij de herinnering aan de uittocht uit de slavernij in Egypte verbond aan de uittocht van hemzelf uit de dood. De schoonvader van onze naamloze Leviet, uit dit verhaal uit het boek Rechters, hield maar niet op met samen de maaltijd te gebruiken.

Geen wonder natuurlijk want een Leviet hielp in de heilige tent bij de richtlijnen uit de woestijn, waar God zelf woont. Een Leviet in huis bracht je dus dichter bij God. Gastvrijheid betonen was een goede daad. Dat is het nog steeds. Zowel bij de maaltijd van Jezus als bij de Ramadan van de Islam moet extra aandacht worden geschonken aan de armen in de samenleving. Juist zij moeten ervaren dat ze er ook echt bij mogen horen en mee mogen delen. Voor moslims en christenen is er natuurlijk altijd wel een gironummer om hen te helpen die alles hebben verloren, buurt en kerkhuis Bethel in Den Haag verdient een gift voor hun gastvrijheid. Toch is alleen geld geven niet voldoende. Jezus van Nazareth stuurde zijn leerlingen er op uit om de armen bevrijding te verkondigen en verbond de maaltijd van de bevrijding met het delen van zich zelf, daarom moeten we zelf in beweging komen. In bijna elke Nederlandse stad zijn tegenwoordig voedselbanken die steun zeer goed kunnen gebruiken. Nodig dus eens een voedselbank uit aan tafel.

Wees waakzaam!

Marcus 13:28-37

28 Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. 29 Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het einde nabij is. 30 Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren. 31 Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen. 32 Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de hemel niet en de Zoon niet, alleen de Vader. 33 Pas op, wees waakzaam, want jullie weten niet wanneer die tijd zal komen. 34 Het is als met een man die op reis ging: hij verliet zijn huis en droeg het beheer over aan zijn dienaren, die elk een eigen taak kregen, en de deurwachter gaf hij opdracht om de wacht te houden. 35 Wees dus waakzaam, want jullie weten niet wanneer de heer des huizes komt, ‘s avonds, of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai, of ‘s morgens vroeg. 36 Laat hij jullie niet slapend aantreffen wanneer hij plotseling komt. 37 Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik tegen iedereen: wees waakzaam!’ (NBV)

Soms zijn de gelijkenissen van Jezus van Nazareth kleine grapjes. Iedereen wil weten wanneer het nu eens echt lente wordt. Dat je dan naar de bomen moet kijken of er al blaadjes aan komen is natuurlijk een dooddoener. Je kunt ook naar de kalender kijken, of de vogels in de lucht. Iedereen weet dat de lente komt maar het ene jaar is het vroeger zacht en het andere jaar kan het nog laat sneeuwen en stormen. Het heeft dus geen zin te speculeren over dag en uur van het begin van de lente. Net zo min heeft het zin om te speculeren over dag en uur van het einde van de geschiedenis. Maar we moeten er wel klaar voor zijn. En dat kan en dat mag. Dat noemen ze in de kerken genade. Dat we mogen zorgen dat de aarde een huis wordt waar God zelf wil komen wonen. Niet dus een huis waar mensen worden vermoord, waar mensen honger leiden, waar mensen aan de kant van de weg moeten blijven staan, waar mensen ten onrechte in gevangenissen worden gestopt, waar oorlog wordt gevoerd en noem maar op, waar de ellende voor de meeste mensen op aarde de overhand heeft.

Het lijkt er soms op dat we die aarde met een stevige bezem moeten schoonmaken, Maar het is een taak die geweldig is, die ieder mens verre te boven gaat. Gelukkig kennen we de Heer van de aarde die heeft gezegd dat hem alle macht gegeven is. Wij hoeven niet alles op te lossen, wij mogen naar vermogen ons steentje bijdragen en zoveel mogelijk mensen daarin meekrijgen. Maar we mogen niet verzaken, niet inzakken of inslapen. Want voordat we het weten is het einde van de geschiedenis aangebroken. Eigenlijk staat in dit Bijbelgedeelte nog eens heel duidelijk dat je elke dag moet leven of het morgen afgelopen kan zijn. Dat delen van wat we hebben met de hongerigen kan echt niet uitgesteld worden tot de volgende conferentie over voedselnood in de wereld. Daar kunnen de kinderen die lijden aan honger niet op wachten, zij sterven de hongerdood als wij wachten tot de eerlijke handelsverhoudingen ook tot achter de komma geregeld zijn.

Juist die eerlijke handelsverhoudingen geven arme boeren de kans op de wereldmarkt te concurreren tegen boeren uit rijke landen die beschikken over kennis over de landbouw en subsidies om hun bedrijf zo efficiënt mogelijk tot een zo groot mogelijke winst te brengen. De arme boeren ontbreekt het aan kennis, ontbreekt het aan middelen, aan gereedschappen om hun grond en hun producten met zo weinig mogelijk kosten tot een zo groot mogelijke opbrengst op te kweken. En juist omdat het ontbreekt komen ze in de eindeloze armoedeval. In die ongelijkheid zit de bron van voortdurend terugkerende voedselrampen. Juist daarom moeten we extra waakzaam zijn. Op allerlei terreinen hebben we de neiging alleen onze eigen problemen te willen oplossen en te vergeten dat we om de armen moeten denken. Onze energieprobleem oplossen door in arme landen vruchtbare grond te laten gebruiken voor de verbouw van oneetbare producten die hier gebruikt kunnen worden voor biobrandstof veroordeelt de inwoners van die landen tot honger. Beter is daar voedsel te verbouwen en hier de producten die nodig zijn voor biobrandstof zodat onze boeren niet verleid worden de arme boeren weg te concurreren. Waakzaamheid is altijd en overal geboden, ook vandaag weer.