Want jullie verlossing is nabij

Lucas 21:20-28
20 Wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad nabij is. 21  Wie in Judea is moet dan de bergen in vluchten, wie in Jeruzalem is moet er wegtrekken, en wie op het land is moet niet naar de stad gaan, 22  want in die dagen wordt de straf voltrokken, waardoor alles wat geschreven staat in vervulling zal gaan. 23  Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want er zal ontzaglijk veel leed zijn in het land, en een zwaar vonnis zal de bevolking treffen. 24  De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is. 25  Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren, en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee; 26  de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen. 27  Maar dan zullen ze op een wolk de Mensenzoon zien komen, bekleed met macht en grote luister. 28  Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij!’ (NBV)
Je hoort het in kerken en in zogenaamd Christelijke bijeenkomsten nog wel eens roepen door een voorganger: “Je verlossing is nabij”. Jezus van Nazareth spreekt niet in een dergelijk enkelvoud. Hij spreekt in meervoud over een heel volk dat geknecht en onderdrukt wordt. Zulke volken kennen we ook vandaag. Voor die volken komt altijd het uur van bevrijding. Altijd komt de tijd dat de kracht van liefde voor mensen, de macht van vredestichters, groter is dan de macht van het kwaad. Juist als je weet dat een beweging van vredestichters, die aandacht hebben voor de minsten in de samenleving, die niet mee willen doen met het verheerlijken van de wereldlijke machthebbers maar onophoudelijk hongeren en dorsten naar gerechtigheid, zal worden onderdrukt, bespot, vervolgd en vernederd, dan is het meer dan nodig om te wijzen op de afloop. Altijd zal het goede uiteindelijk de overhand krijgen. Want hoewel we het kwade voortdurend weer in de wereld helpen door de verkeerde machthebbers te steunen, door pracht en praal te bewonderen, door eigen voordeel te stellen boven het belang van de armen en de zwakken, is dat kwade tot ondergang gedoemd.
Individuele bekering betekent dan ook niet dat de verlossing dan komt. Nee, bijna integendeel, de lijdensweg begint dan pas. Je kunt lang genieten van het leven, eten, drinken en vrolijk zijn zoals de Prediker schreef. Maar het gaat gepaard met zwoegen en jagen en najagen van lucht. Want het gewin dat met carrière en voorspoed wordt verkregen is van stof en zal tot stof vergaan. Telkens weer klinkt in ieders leven de oproep om het anders te gaan doen, om te breken met het leven zoals in de wereld van idols en fatsoen geleefd wordt. Dan begint het zien van de ellende die de wereld voor veel mensen meebrengt. Dan gaan de ogen open voor de mensen die prachtige goederen en heerlijk voedsel produceren en daar geen eerlijk loon voor krijgen. Dan wordt de roep gehoord van gewetensgevangenen, die om hun overtuiging en het opkomen voor mensenrechten in de cel zijn gezet. Dan wordt meegeleefd met de kinderen die wees geworden zijn door de Aids epidemie en het gebrek aan geld voor medicijnen. Dan is er geen rust voor de hongerigen zijn gevoed en de naakten gekleed. Dan is het wijzen op de komende verlossing van al die ellende meer dan nodig, dan wordt het evangelie brengen werkelijk het verkondigen van de verlossing van de armen.
Het is daarom een goede raad die Jezus van Nazareth geeft. Wakker blijven en vooral letten op de goede dingen die aan het gebeuren zijn. Zoals de bomen in de lente uitlopen en daarmee de zomer aankondigen zo zijn de landen die onafhankelijk geworden zijn en mee gaan doen in de vergadering van volken tekenen dat de armoede in de wereld, dat onderdrukking en geweld, uiteindelijk kunnen verdwijnen. Niet alles gaat in één keer goed. We zijn geneigd om te letten op de negatieve ontwikkelingen die ons omringen, ons te laten terneerslaan door de zorgen van alle dag die iedereen heeft.
Maar letten op de goede tekenen geeft nieuwe energie, zoals je in de lente ook weer zelf de warmte van de zon in je lichaam kunt voelen, zoals je in de lente ook zelf de energie krijgt om weer naar buiten te gaan en van de natuur te genieten. De Wilde Ganzen van de IKON vliegen nog steeds voor kleine projecten, Kerk in Actie is een grote diaconale organisatie die goede doelen onder de aandacht brengt. Zo kunnen we ook de problemen in ons eigen land te lijf gaan. De toenemende kloof tussen mensen van verschillende godsdiensten, de werkloosheid die maar hardnekkig blijft, de diefstal en fraude die bij banken ingebakken lijkt te zitten. Steeds meer mensen streven naar een aanpak van die problemen. Gelukkig wordt dat streven in toenemende mate beantwoord door kerken en groepen die maaltijden en gesprekken organiseren met bijvoorbeeld de vreemdelingen onder ons. Het is nog lang geen zomer in het Koninkrijk van God, maar de lente kom je er zomaar tegen.

Alles zal worden afgebroken

Lucas 21:5-19
5 Toen er gesproken werd over de tempel, over de mooie stenen en wijgeschenken waarmee hij versierd was, zei hij: 6  ‘Wat jullie hier zien-er zullen dagen komen waarop geen steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’ 7  Ze stelden hem toen de vraag: ‘Meester, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we het herkennen?’ 8  Jezus zei: ‘Let op, laat je niet misleiden. Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben het, ”of: “De tijd is gekomen.” Volg hen niet! 9  Als jullie berichten horen over oorlog en opstand, raak dan niet in paniek. Die dingen moeten eerst gebeuren, maar dat is nog niet meteen het einde.’ 10  Hij vervolgde: ‘Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk zal de strijd aanbinden met het andere, 11  er zullen zware aardbevingen komen en hongersnoden en epidemieën alom, en er zullen aan de hemel grote en verschrikkelijke tekenen verschijnen. 12  Maar eerst zullen jullie worden mishandeld en vervolgd en uitgeleverd aan de synagogen, jullie zullen worden opgesloten in de gevangenis en worden voorgeleid aan koningen en gouverneurs omwille van mijn naam. 13  Dan zullen jullie moeten getuigen. 14  Bedenk wel dat jullie je verdediging niet moeten voorbereiden. 15  Want ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken. 16  Zelfs je ouders en broers, verwanten en vrienden zullen je uitleveren, sommigen van jullie zullen worden terechtgesteld, 17  en jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam. 18  Maar geen haar van je hoofd zal verloren gaan. 19  Red je leven door standvastigheid! (NBV)
Er zijn in het Christendom een aantal misverstanden. Vandaag lezen we in het Evangelie van Lucas de bron van zo’n misverstand. Uit de overlevering, en een beetje uit de officiële geschiedenis, weten we dat het met de directe volgelingen van Jezus van Nazareth uiteindelijk niet zo best is afgelopen. Een aantal van hen zijn kennelijk wreed vermoord door de Romeinse overheid. Een aantal eeuwen lang in het begin van onze jaartelling zijn christenen vervolgd omdat ze weigerden de Keizer als god te erkennen en ook om offers te brengen aan andere goden. Tot uiteindelijk Constantijn de Grote keizer werd en zich bekeerde tot het Christendom. Toen was de vervolging over en ontstond het misverstand dat wat Jezus van Nazareth had gezegd over de gevolgen van het volgen van zijn weg alleen gold voor die vroege christenen.
Maar wie nauwkeurig de geschiedenis beziet weet dat er altijd mensen zijn geweest die hun leven in dienst stelden van de minsten in de samenleving en dat die mensen altijd het risico liepen in conflict te komen met de heersende machten. Of die heersende machten zich nu Christelijk noemden of niet. Tot op de dag van vandaag maakt dat niet uit. Wat uitmaakt is of de liefde voor de naaste een gift is waar je trots op kunt zijn en waar je eer en waardigheid aan kunt ontlenen of dat die liefde voor de naaste de samenleving veranderd omdat de minsten daar weer een waardevolle plaats in krijgen. In het eerste geval is er geen gevaar te duchten. De rijken en de machtigen zijn altijd gevoelig voor goede sier, maar verandering van de verhoudingen in de samenleving zijn echt gevaarlijk voor hun positie en daar zal altijd weerstand tegen zijn. Dat verzet van de rijken nu is de weerstand die uitloopt op de vervolgingen die Jezus van Nazareth schetst als hij hoort praten over de mooie dingen die er in de Tempel zijn.
Die mooie dingen zijn de dingen die voorbij gaan. Geen steen zal op de andere blijven. De oudste monumenten op de wereld zijn aan verval onderhevig. Als er geen conserveringsmiddelen werden uitgevonden zouden ze binnenkort verdwenen zijn. Een aantal van de oorspronkelijke zeven wereldwonderen, allemaal bouwwerken, zijn al verdwenen in het duister van de tijd. Oorlogen en rampen hebben we ook nog steeds en goede mensen worden nog steeds vervolgd omwille van het goede dat ze doen. En denk nu niet dat je alleen bij Christenen het goede vindt. Paulus schrijft ons dat overal waar het goede te vinden is God aanwezig is. Iedereen die opkomt voor het recht van de armen, voor de mensenrechten is dus onze steun waard. Elke vervolging omwille van een overtuiging, welke dan ook, dient bestreden te worden. Elke dag is dus de vraag aan welke kant we willen staan en welke offers we bereid zijn om te brengen. Denk dus niet dat Christendom “geluk, vrede en vreugde” zal brengen, niets is minder waar. Het brengt strijd en een kruis om op je te nemen, achter Christus aan.

Ik moet mij beheersen

Psalm 39
1 Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David. 2 Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen en mijn tong voor zonde behoeden, mijn mond met een muilband bedwingen te midden van mensen zonder God of gebod. 3 En ik zei dan ook niets, geen woord, ik zweeg en vond geen verlichting, ik voelde steeds heviger pijn. 4 Het brandde in mijn binnenste, bij mijn zuchten laaide een vuur op en mijn tong begon te spreken: 5 ‘Geef mij weet van mijn einde, HEER, van de maat van mijn levensdagen, laat mij weten hoe vergankelijk ik ben. 6 U maakte mijn dagen een handbreed lang, mijn levensduur is niets in uw ogen, niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, sela 7 niet meer dan een schaduw zijn levenspad, niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt, hij vergaart en weet niet wie het toevalt.’ 8 Wat heb ik dan te verwachten, Heer? Mijn hoop is alleen op u gevestigd. 9 Bevrijd mij van al mijn zonden, bespaar mij de hoon van dwazen. 10 Ik zei niets, opende mijn mond niet, want u was het die mij dit alles aandeed. 11 Houd op mij nog langer te kwellen, ik bezwijk onder de slagen van uw hand. 12 U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde, als een mot vreet u weg wat hij begeert, niet meer dan lucht is een mens. sela 13 Hoor mijn gebed, HEER, luister naar mijn hulpgeroep, wees niet doof voor mijn verdriet, want een vreemdeling ben ik, bij u te gast zoals ook mijn voorouders waren. 14 Wend uw straffende blik van mij af, dan beleef ik nog vreugde voordat ik heenga en niet meer ben. (NBV)
Het zal veel mensen tegenwoordig niet onbekend voorkomen. Je ziet al het streven van de mensen in je omgeving, sparen voor nieuwe elektronica, studeren voor promotie, op jacht naar nieuw genot, weer een abonnement op een film en serie aanbieder en je vraagt je af, wat voor zin heeft het. Worden al die TV films niet steeds opnieuw gemaakt? Zijn al die verhalen eigenlijk allemaal niet zo ongeveer hetzelfde maar dan door anderen vertelt? En die sportwedstrijden zijn toch ook altijd met een begin en een eind? Wat is de zin eigenlijk van het leven? Dat moet je niet hardop zeggen want dan krijg je de wind van voren. Alsof je de mensen alle amusement wil afpakken, alsof je de mensen om je heen geen pleziertje meer gunt, alsof natuurfilms en wetenschapsprogramma’s mensen niet onderwijzen en wijzer maken, alsof er niet gedroomd mag worden van avonturen en ondernemingen.
Maar die avonturen worden door de mensen niet beleefd, die ondernemingen niet ondernomen. Uiteindelijk wacht een ieder de dood. En als het leven zelfs niets nieuws brengt dan is het leven zelf al de dood. Je wordt er depressief van, in de Bijbel vragen mensen dan om het tijdstip van hun einde te kennen, al dat streven, al dat jagen en jachten naar genot het is allemaal leegte en lucht, het stelt niets voor. We zijn vreemdelingen op aarde, we zijn hier slechts te gast. Een korte tijd mogen we hier doorbrengen en dan worden we weer tot stof en zijn we vergeten. We doen wel of we belangrijke mensen uit de geschiedenis nog kennen, maar wie heeft Koning Willem I ontmoet? Wie weet waar hij verdriet om had of waar hem een plezier mee kon worden gedaan? We hebben een reeks Koningen en Koninginnen gehad, maar de secretarissen die hun afspraken maakten en zorgden dat we van hen hoorden en ze zagen kennen we niet. Al dat klatergoud uit de afgelopen twee eeuwen is lucht en leegte geweest, hoogstens aanleiding tot het opnieuw verplaatsen van lucht.
Maar helemaal op het eind spreekt de psalmdichter over de voorouders, over de straffende blik van God die afgewend moet worden. Heel langzaam lijkt een herinnering op te komen aan tijden toen het leven nog zin had. Want die voorouders waren ook vreemdelingen en bijwoners. Abraham was een zwervende Arameeër staat er geschreven. Hij verliet huis en haard om achter een God aan te zwerven. Het volk Israël, stamde van hem af maar werd als slavenvolk Egypte uitgejaagd omdat ze kans zagen onder het offer, onder de dood, van de eerstgeborene uit te komen. Diep in de woestijn kreeg dat zootje zwervers richtlijnen voor een menselijke samenleving, ondanks het feit dat ze , o zo menselijk, liever eigengemaakte goden van goud en zilver aanbaden. Die richtlijnen konden samengevat worden als heb uw naaste lief als uzelf en ze gingen geloven dat alleen het houden van dat gebod met alles wat daarbij hoorde zin zou geven aan het leven. Vandaag, in onze dagen is het niet anders. Voor zoekers naar het hogere, naar zin het leven dat het menselijke te boven gaat is nog steeds de Liefde tot de minsten, de liefde tot God, het enige zinnige antwoord. Dat blijft, dat geeft echte vreugde. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

Al hun leiders zijn verleiders.

Hosea 9:10-17
10  Als druiven in de woestijn, zo vond ik Israël, jullie voorouders keurde ik als vroege vijgen, eerstelingen van de vijgenboom. Maar zij-zodra ze in Baäl-Peor waren wijdden ze zich aan de god van de schande. Ze werden even weerzinwekkend als het voorwerp van hun liefde. 11 Efraïms luister vervliegt, verdwijnt als een vogel: er wordt geen kind meer geboren, er is geen zwangerschap meer, geen bevruchting. 12  Ook al brengen zij hun kinderen groot, kinderloos maak ik hen, niemand blijft over. Groot onheil is hun deel wanneer ik van hen wijk. 13  Efraïm, in mijn ogen ooit een jonge palm, geplant in een oase, Efraïm moet nu zijn kinderen aan moordenaars toevertrouwen. 14  Ach HEER, geef hun toch…ja, wat te geven? … geef hun een onvruchtbare schoot en verdroogde borsten. – 15  In Gilgal bleek mij hun slechtheid, van toen af ging ik hen haten. Om hun wangedrag verjaag ik hen uit mijn huis. Ik geef hun mijn liefde niet meer: al hun leiders zijn verleiders. 16  Geveld is Efraïm: zijn wortels verdroogd, een boom zonder vrucht. Ook al brengen zij kinderen voort, het kostbaarste uit hun schoot, ik breng het om. 17  Mijn God zal hen verwerpen
want zij hebben niet naar hem geluisterd. Zij zullen dolen onder vreemde volken. -(NBV)
Wie de geschiedenis niet kent is gedoemd haar te herhalen. Dat is tegenwoordig zo en dat was ook al in de dagen van Hosea zo. Rond de herdenking van de Tweede Wereldoorlog krijgt terecht de vervolging van Joden, Roma en Sinti grote aandacht. Veel minder aandacht is er voor de opvattingen die veel Nederlanders over het fascisme en nationaal socialime hadden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De meest smerige en verwerpelijke uitspraken over minderheden werden tot in de Tweede Kamer gehoord en bleven vaak uit fatsoen onweersproken. Herhaalt in onze tijd die geschiedenis zich?
Hosea gaat terug naar de woestijn waar het verbond tussen God en het volk Israël werd gesloten. Daat leerde het volk, soms door schade en schande, wat het betekende om alleen op de God van Israël te vertrouwen ook al snapte je niet altijd waar het met die God heen zou gaan. Toen echter dat beloofde land was bereikt was het snel over. In plaats van een land op te bouwen dat als voorbeeld voor de omringende volken zou kunnen dienen ging het volk zich inburgeren. Ook al had God opgeroepen om alle sporen van de volken van Kanaän uit te wissen men sloot compromissen, tolereerde afgoderij en ging uiteindelijk ook over tot de verafschuwde handelingen die bij die afgoderij hoorde.
Uiteindelijk was er van de dienst aan de God van Israël, zoals in het verbond beschreven was, niets meer over. Er werden wel offers gebracht, de Tempelbelasting werd betaald om de Tempel mooi en ontzagwekkend te houden, maar die godsdienstige uitingen hadden niet tot doel de armen te bevrijden van armoede en de weduwen en de wees een eigen volwaardige plaats in de samenleving te geven. Worship en Praise waarbij het eigen welzijn en het eigen geloof voorop stonden namen de plaats in van de liefde voor de naaste, voor de vreemdeling en de armen. Juist om te laten zien dat de God van Israël bevrijdt van slavernij was het volk Israël gekozen. Nu zij die God had verlaten was slavernij opnieuw hun lot. Ook wij mogen dus wel eens willen leren van onze geschiedenis.

Wees maar niet zo vrolijk

Hosea 9:1-9
1 Wees maar niet zo vrolijk, Israël, houd ermee op zo te jubelen als de andere volken: in overspel heb je je God verlaten; je was altijd uit op hoerenloon, overal waar graan werd gedorst. 2  Dorsvloer en perskuip zullen hun niet langer gunstig gezind zijn, de wijnoogst zal hen teleurstellen. 3  Ze blijven niet in het land van de HEER: Efraïm zal terugkeren naar Egypte, onrein voedsel eten in Assyrië. 4  Het is als brood in een sterfhuis: wie het eet wordt onrein. Ze zullen de HEER geen wijnoffers brengen, hem met hun offers niet meer behagen. Het brood stilt alleen nog maar hun honger, het komt het huis van de HEER niet in. 5  Wat moeten jullie dan nog op hoogtijdagen of op feestdagen ter ere van de HEER? 6  En degenen die de ondergang ontlopen, vinden onderdak in Egypte: graven genoeg daar in Memfis, voor hen en hun kostbare zilver. Dorens en distels zullen hen en hun huizen overwoekeren. 7 Het is tijd voor de afrekening, de tijd van de vergelding is daar, laat Israël dat beseffen! Jullie zeggen: ‘Die profeet is gek! Die ziener heeft zijn verstand verloren!’ Ja, dankzij al jullie zonden en vijandigheid. 8  De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt op al zijn wegen hinderlagen en stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid. (NBV)
Elk jaar wordt in Israël in de herfst een godsdienstig feest gevierd. Het is een hoogfeest dat niet in de Christelijke traditie is opgenomen. Van de takken en bladeren van de bomen worden hutten gemaakt, loofhutten en een gedeelte van de oogst van fruit en noten wordt geofferd. Tegelijk wordt herdacht hoe het volk Israël door de woestijn was getrokken naar een land dat overvloeit van melk en honing. In dit feest werd iedereen weer gelijk, zoals iedereen ook gelijk was geweest in de woestijn. Hosea sluit in dit gedeelte aan bij de gebruiken van het loofhuttenfeest.
De profeet neemt het woord op een typische feestplaats, de dorsvloer. De dorsvloeren waren in een heuvelachtig land bij uitstek plaatsen om samen feest te vieren. Overal waar graan werd gebouwd kon je ze terug vinden. Vanouds hadden die dorsvloeren ook een religieus karakter. Pas op de dorsvloer bleek immers hoe groot de oogst echt was. Daar moesten dan ook de offers worden gebracht aan de goden van de vruchtbaarheid. Overspel noemt de profeet dat en de oogst is dan het hoerenloon. De God van Israël wil helemaal geen offers maar wil gerechtigheid.
Omdat de wijn en het brood aan andere goden is opgedragen is het onrein. Het snijd je af van het verbond met de God van Israël. Het heeft dan ook geen enkele zin om de feestdagen van die God te vieren. Wat je op die feestdagen doet draagt alleen maar bij aan de onreinheid. In werkelijkheid raakt het volk weer in de situatie die het ook uit Egypte kende. Slavernij bij het uitvoeren van werk en de dood  als beloning. Dit kan nooit goed aflopen. Je kunt wel zeggen dat de profeet gek is maar daarom is zijn boodschap niet minder waar. Het rare is dat wij op dezelfde weg lijken te zijn. Wij putten de aarde uit en vervuilen de lucht zo dat ze soms niet meer te ademen is. Wetenschappers die op de veranderingen in klimaat wijzen worden voor gek verklaard en zelfs eenvoudige maatregelen als minder hard in de auto rijden worden verguisd.

Israël wordt verslonden

Hosea 8:8-14
8  Israël wordt verslonden; door de andere volken wordt het beschouwd als een gebroken kruik waar niemand meer naar omkijkt, 9  omdat het zich vergooid heeft aan Assyrië. Een wilde ezel houdt zich afgezonderd, maar het volk van Efraïm loopt met zijn liefde te koop. 10  Maar ook al zouden ze van de andere volken slechts liefde ontvangen, voor mij is nu de maat vol. Ze krimpen al ineen onder de druk van de machtige koning van Assyrië. 11  Hoeveel altaren heeft Efraïm niet gebouwd-maar om te zondigen! Altaren die dienen om te zondigen! 12  Al schrijf ik mijn wetten in tienduizendvoud, ze zijn voor hen als van een vreemde. 13  Ze brengen mij offers om zelf het vlees te eten; voor mij heeft dat geen waarde. Nu zal ik hun wandaden in rekening brengen en hun zonden bestraffen: ze gaan terug naar Egypte! 14  Israël is zijn maker vergeten; Israël heeft paleizen gebouwd en Juda talrijke vestingsteden. Daarom zal ik hun steden in vlammen doen opgaan; vuur zal hun burchten verteren. (NBV)
Wat hou je nog over als je je afhankelijk maakt van grote wereldmachten. Wilde ezels zwerven alleen rond in de woestijn maar in de bronstijd weten die ezels elkaar heel gemakkelijk te vinden. Efraïm, Israël dus, verkoopt haar liefde. En als je iets te koop hebt dan heb je vast een aantal vrienden dat van jou wil profiteren. In dit geval is het Assyrië dat de wereldmacht is die Israël in haar macht heeft. Dat heeft ook de andere bondgenoten in haar macht, onderlinge vriendschap tussen volken is dus afhankelijk van de politiek van de grootmacht.
Daar komt bij dat de godsdienst van Efraïm niet deugt. Overal verrijzen altaren om offers te brengen. Maar zijn die offers een teken van de dienst aan de God van Israël? Dan zou er iets van de Tora te vinden moeten zijn. Daar zijn de offers een teken dat de brengers van het offer bereid zijn te delen met de armen. Maar van delen is in Israël geen sprake meer. De offers zijn de aanleiding voor feestmaaltijden voor de offerbrengers. De Tora is vergeten en verguisd.
Moet Israël zich richten op de andere wereldmacht Egypte? Dat staat er niet. Als God het volk weer naar Egypte stuurt dan wordt het volk weer veroordeeld tot slavernij. Ze zijn kennelijk vergeten hoe zwaar die slavernij op hen drukte. Zo zwaar dat God hun kermen had gehoord en hen met sterke arm had bevrijd uit die slavernij. Op grond van die bevrijding was het verbond tussen God en het volk gevoerd. Daarin staat de zorg voor elke centraal. Van uiterlijke godsdienst, van vroom gedrag is geen sprake. De weduwe en de wees, de arme en de vreemdeling staan centraal. En daarin is sinds Hosea nog helemaal niks veranderd. Ook vandaag is het  niet de vraag hoe vroom of gelovig je bent maar hoeveel je bereid bent te delen met de minsten.

Zet de ramshoorn aan je mond!

Hosea 8:1-7
1 Zet de ramshoorn aan je mond! Gieren cirkelen boven het volk van de HEER, want het heeft het verbond met mij geschonden en is in opstand gekomen tegen mijn wet. 2  Hoor ze roepen: ‘O God, u bent toch de onze? Wij zijn uw Israël!’ 3  Maar de Israëlieten wijzen af wat goed is, en daarom zal de vijand hen achtervolgen. 4  Ze hebben een koning aangesteld, maar buiten mij om, leiders gekozen zonder mij erin te kennen. Van hun zilver en goud hebben ze godenbeelden gemaakt, maar voor niets. 5  Want je stierkalf wijst je af, Samaria! Ook ik ben woedend op je: zul je dan nooit tot zuiverheid in staat zijn? 6  Dat kalf komt gewoon uit Israël, het is gemaakt door een ambachtsman, een god is het niet! Nee, het kalf van Samaria zal verpulverd worden. 7 Want wie wind zaait zal storm oogsten. Het zaad brengt geen koren voort, en als het al vrucht draagt dan geeft het geen meel, en als het al meel geeft dan wordt het door vreemden verslonden. (NBV)
Wanneer wordt er op de ramshoorn geblazen? Bij twee gebeurtenissen. Als er oorlog op komst was dan werden de strijders in Israël door het geluid van de ramshoorn opgeroepen zich te verzamelen. Bij de intocht in Kanaän was het geluid van de ramshoorn de inleiding tot het instorten van de muren van Jericho. De andere gebeurtenis is bij het begin van de Grote Verzoendag. Mensen die voortdurend eigenlijk alles wat de God van Israël niet wil. Er leiden mensen honger, er zijn gevangenen waar geen aandacht voor is. Lammen en blinden zijn afhankelijk van giften en aalmoezen en hebben geen eigen plaats in de samenleving.
Naar de weduwen en wezen wordt maar weinig omgezien. De God van Israël maakt zich daar kwaad over en er moet weer een verzoening plaatsvinden, mensen belijden schuld, hebben berouw en beloven zich weer aan de tora te gaan houden. Dat is in dit gedeelte van Hosea dus ook het geval. God begint een oorlog tegen het volk omdat het volk zich gekeerd heeft tegen het verbond. Ze doen vroom aan worship en praise maar ze doen het tegendeel wat gevraagd is. Ze aanbidden idolen, mensen die mooi kunnen praten maar niets zeggen en maken zilveren en gouden beelden die goden moeten verbeelden. Belangrijk zijn dan ook de bondgenootschappen die het volk heeft gesloten.
In die bondgenootschappen worden ook de wederzijdse goden erkent en van een verbond met de God van Israël is geen sprake. Het ziet er allemaal wel fraai uit maar het is als het zaaien van wind, je oogst storm. De opbrengst van je samenleving wordt door vreemden verslonden. Israël is niet langer het licht voor de volken dus de volken komen de melk en de honing zelf halen. Het zet ons voor de vraag wat we moeten toen met de toenemende honger in de wereld. Met de vluchtelingen die honger en geweld ontvluchten en bij ons het heil zoeken dat  we zouden moeten delen. Hosea roept niet tot een volk uit het verleden maar roept ons op tot aansluiting bij het verbond van de God van Israël.

Ze verslinden de huizen van de weduwen

Lucas 20:41-21:4
41  Hij zei tegen hen: ‘Hoe kan men beweren dat de messias een zoon van David is? 42  Want David zelf zegt in het boek van de Psalmen: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, 43  tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt.’ ” 44  David noemt hem dus Heer, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ 45  Terwijl de menigte luisterde, zei hij tegen zijn leerlingen: 46  ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden: 47  ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’ 1 Toen hij opkeek, zag hij hoe rijken hun giften in de offerkist kwamen werpen. 2  Hij zag ook dat een arme weduwe er twee muntjes in gooide, 3  en hij zei: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer gegeven dan alle anderen. 4  Want de anderen hebben iets van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze nodig had voor haar levensonderhoud.’ (NBV)
Over het voor de schijn opzeggen van lange gebeden zullen we het hier niet hebben. Dat heeft het Christendom al te veel schade berokkend. Jezus van Nazareth spreekt over de religieuze leiders van zijn tijd, maar de religieuze leiders van onze tijd kunnen er ook wat van. In alle tijden zijn er mensen die gekleed in fraaie kledij proberen eerbied af te dwingen terwijl ze ondertussen de armen uitpersen om zelf nog rijker te worden. Fraaie woorden en nog fraaier bezit moet het kwalijke van hun handelen verbloemen. Onder collectanten is al heel lang bekend dat je ook in onze dagen beter kunt collecteren in een wat armere wijk dan in een wijk met rijke bewoners. In die wat armere wijk haal je niet alleen naar verhouding meer op maar vaak ook nog gewoon nominaal veel meer, daar zitten de collectebussen veel voller. We kennen de procentuele loonsverhogingen die het verschil in salaris tussen de rijken en de armen jaarlijks verder vergroten maar we horen eigenlijk nooit over de procentuele giften.
Als  we de bereidheid tot geven zouden uitdrukken in procenten van het inkomen dan zouden we merken dat het percentage dat de armen geven vele malen groter is dan het percentage dat de meeste rijken geven. Er is sinds de dagen van Jezus van Nazareth principieel niet veel veranderd. Daarom blijft het verhaal hoogst actueel en dient het verhaal voortdurend verteld te blijven worden. De waarschuwing voor de heren in zwart gestreepte antraciet pakken en de dames in mantelpakken of goed gesneden broekpakken is ook vandaag geldig. Het zijn de mensen die de schuld van de armoede bij de armen zelf leggen. Die de duurste schoolreisjes en werkweken voor hun kinderen bepleiten en dan boos zijn dat mensen leningen af sluiten om ook hun kinderen dit schijnbaar goede te gunnen. Slechts zelden staat er tijdens de ouderavonden iemand op die vraagt om een meer sociaal beleid en een systeem van eerlijk delen waarbij alle kinderen mee kunnen doen zonder dat de ouders voor te zware lasten worden gezet.
In een samenleving waar steeds vaker ouders alleen hun kinderen groot moeten brengen en zonder buitenschoolse kinderopvang zelf de kost moeten zien te verdienen van de overheid moeten we eigenlijk veel meer op elkaar letten, en op de kosten waar we elkaar mee opzadelen, dan ooit het geval is geweest. Wie nog wel eens naar een kerk gaat ziet dat de uitspraken van Jezus van Nazareth er in elk geval toe hebben geleid dat bijna niemand meer vooraan durft te gaan zitten. Dat is een teken dat het met de lange schijngebeden en het opeten van de huizen van de weduwen nog lang niet gedaan is. Die mensen die zich van geen kwaad bewust zijn maar er naar verlangen opnieuw samen te vieren dat de armen bevrijding is aangezegd kunnen namelijk gerust vooraan gaan zitten. Stem geven aan de armen is volgens de Bijbel ook bidden, als zij het niet kunnen zeggen moeten we het zelf maar doen. Elke dag mag het weer opnieuw, ook vandaag.

Hij is geen God van doden

Lucas 20:27-40
27 Enkele Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar hem toe en vroegen hem: 28  ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer. 29  Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos; 30  daarna trouwde de tweede broer met de vrouw 31  en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven. 32  Ten slotte stierf ook de vrouw. 33  Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 34  Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, 35  maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. 36  Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding. 37  Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. 38  Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven.’ 39 Enkele schriftgeleerden zeiden: ‘Meester, wat u zegt is juist.’ 40  En niemand durfde hem nog een vraag te stellen. (NBV)
Er waren in de dagen van Jezus van Nazareth twee stromingen in Israel. De Farizeeën geloofden in de opstanding van de doden en de Saduceeën niet. Jezus van Nazareth was in zijn opvattingen het meest verwant aan de Farizeeën, hij sprak ook met enige regelmaat in hun Synagogen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Saduceeën probeerden de opvattingen van Jezus van Nazareth over de opstanding der doden onderuit te halen. Dat kan door er de nodige fantasieën op los te laten die op zich niets zeggen over God zelf. Hoe gaat dat nu als iedereen opstaat uit de doden? Zien we elkaar dan weer? En met wie zijn we dan getrouwd als we bij leven met meerdere mensen getrouwd waren? Er zijn op deze manier vele vragen te stellen. Jezus van Nazareth geeft wel antwoord maar gaat niet precies uitleggen hoe de techniek van de opstanding er uit zal gaan zien. Het enige dat vaststaat is dat er een komende wereld is, de wereld waarin alle tranen gedroogd zullen zijn en God zelf op aarde zal wonen.
Er komt een wereld waar de Liefde zal regeren en waar alle kwaad verdreven zal zijn. Al die mensen die het goede zochten te doen en niets dan het goede zullen daar deel aan hebben. Als Jezus dat heeft uitgelegd volgt er een merkwaardige opmerking. Hij verwijst naar de passage in het oude testament waarin God zich voorstelt aan Mozes, “Ik ben de God van Abraham, Izaak en Jacob”, de God dus van de geschiedenis van het volk Israel. Die Abraham, Izaak en Jacob zijn volgens Jezus van Nazareth dus geen dode pieren uit een vervlogen historie maar levende getuigen van de macht van de God die zich aan Mozes voorstelt. Daarmee wordt de komende wereld waar Jezus over spreekt niet een wereld die er ooit wel eens zal komen, maar een wereld die er nu al is. Deze God die zich aan Mozes voorstelde was toch immers een God “die mee zal trekken”, en zo zelfs wilde heten. Daarmee is de vraag naar de opstanding van de doden, en alle vragen die daarmee samenhangen, van geen waarde meer voor mensen.
De vraag is of er al iets van de komende wereld in ons leven te bespeuren is. Worden alle tranen gewist en zijn wij daar dag in dag uit mee bezig? Worden de hongerigen gevoed en de naakten gekleed? Worden de gevangenen bezocht? Wordt de vrede gesticht? Net als bij de vragen naar het bestaan van God en naar de plaats van hemel kom je in de Bijbel telkens weer uit bij de vraag hoe mensen met elkaar omgaan. In het antwoord op die vraag is het antwoord op de vraag naar God te vinden. Dat antwoord is zelfs niet te vinden in een zogenaamde persoonlijke relatie met een god. Altijd vraagt deze God naar je relatie met de minsten onder ons, vanwege die vraag, die God voortdurend stelt, is onze God meer dan nodig. Als God zich niet op die manier aan Mozes had geopenbaard moesten wij hem vandaag nog uitvinden.

Ze hielden hem echter in de gaten

Lucas 20:20-26
20 Ze hielden hem echter in de gaten en stuurden er spionnen op uit die zich als rechtvaardigen moesten voordoen, in de hoop hem op een onwettige uitspraak te betrappen, zodat ze hem konden uitleveren aan de overheid, aan het gezag van de prefect. 21  Ze vroegen hem het volgende: ‘Meester, we weten dat wat u zegt en leert juist is en dat u spreekt zonder aanzien des persoons, en dat u in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. 22  Welnu, is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet?’ 23  Maar Jezus doorzag hun sluwe opzet en antwoordde: 24  ‘Laat mij eens een denarie zien. Van wie zijn de afbeelding en het opschrift op deze munt?’ ‘Van de keizer, ‘antwoordden ze. 25  Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ 26  Ze slaagden er dus niet in om hem ten overstaan van het volk te betrappen op een onwettige uitspraak, en omdat ze geen raad wisten met zijn antwoord, deden ze er het zwijgen toe. (NBV)
Over privacy bestaan nogal wat misverstanden. We denken al snel dat privacy te maken heeft met privé. En met privé heeft niemand wat mee te maken maar als de overheid er naar wil kijken dan moet dat kunnen. Wij doen immers niks fout en als ze boeven kunnen vangen door iedereen af te luisteren en te bekijken dan moet dat maar. In dit verhaal over Jezus van Nazareth leren we dat we er toch voorzichtig mee moeten zijn. Als wij het goede willen doen en niets dan het goede dan zou daar niets verkeerds aan moeten zijn. Maar in de geschiedenis is het maar al te vaak zo dat machthebbers en rijken een hekel hebben aan het goede doen. Wij vinden het goed dat er een vrije en onafhankelijke pers is die ons bericht over wat de overheid doet zonder dat de overheid daar invloed op kan hebben. Maar zelfs onze eigen democratisch gekozen en gecontroleerde overheid breekt in in computers van onafhankelijke kranten om de berichtgeving te kunnen beïnvloeden voordat wij die hebben kunnen lezen.
In de dagen van Jezus van Nazareth werd ook hij in de gaten gehouden om hem te kunnen betrappen op uitlatingen die hem voor de rechter zouden kunnen brengen. De belasting werd in dit verhaal gebruikt als valkuil. De meeste rijken houden niet van belasting betalen en willen niet, net als de armen, meebetalen voor straten en straatlantaarns, huizenbouw, scholen en universiteiten en uitkeringen als je zonder loon komt te zitten. In de dagen van Jezus van Nazareth was dat niet anders. Maar de grote vraag was of zijn onverkorte trouw aan de Wet van eerlijk delen zoals die in de Tempel werd bewaard hem niet in conflict zou brengen met de bezetter. De belasting werd niet alleen door de Tempel geheven om die in stand te houden maar ook door de Romeinse Keizer. Jezus lost dat op door op de munt zelf te wijzen. Alle mensen zijn naar Gods beeld gemaakt, ook de Keizer van Rome.
God geven wat van God is betekent dus niets meer of minder dat je jezelf in dienst stelt van de liefde voor de naaste, voor de minste en dat je daar ook het beeld van God dat op de munt staat voor gebruikt, die Keizer is geen god maar net als jij en ik een beeld van God. Als je dat gelooft dan is er van trouw aan een vreemde keizer geen sprake, maar als je gelooft dat die keizer ook een god is, of met God niets van doen heeft, dan kun je rustig belasting betalen. De keus is dus niet aan Jezus maar aan jou en mij. Bemoeien wij ons in de democratische samenleving, met de keus voor de besteding van belasting, zijn we actief in het beïnvloeden van de politiek, of laten we de boel de boel. Dat is de keuze die Jezus van Nazareth ons vandaag voorlegt. De keus is aan ieder van ons.