Ze brengen offers op de bergtoppen

Hosea 4:12-19

12 Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13 Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14 Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw, want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren. Zo komt een volk zonder verstand ten val. 15 Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar het goddeloze Betel, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’ 16 Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17 Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden-laat het maar! 18 Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19 Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen. (NBV)

In de Bijbel staat een Psalm waarin duidelijk wordt gemaakt wat Hosea hier bedoeld. Ik sla mijn ogen op naar de bergen, zingt de dichter, vanwaar komt mijn hulp? Komt die van de bergen? De Priesters die door Hosea worden aangesproken geloven inderdaad dat de hulp woont op de toppen van de bergen, daar moet je zijn voor religieuze steun, daar moet je offeren. Maar de psalmdichter verwerpt die redenering. Mijn hulp komt van de Heer, is het antwoord. En op de plaats van Heer staat de naam van God, een naam die we nooit uitspreken. Want de God van Israël is niet op een bergtop of op de heuvels te vinden, de God van Israël trekt met je mee en als het om vruchtbaarheid gaat dan laat God het regenen op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.

Abraham vestigde zich in Kanaän onder de Terebinten van Mamre, ook wel eens vertaald met de Orakeleik van Mamre. In het algemeen wordt verondersteld dat Abraham zich bij heilige bomen van het volk van Kanaän gevestigd had. En omdat de goden van Kanaän dat toestonden moest die Abraham wel een heilig figuur zijn met wie je verdragen kon sluiten en die je om hulp kon vragen. Voor Abraham zelf was de schaduw van de bomen belangrijk. Zijn God woonde niet onder zogenaamde heilige bomen. Zijn God trok met hem mee en had hem beloofd dat hij vader van vele volken zou worden. Maar in de dagen van Hosea was dit verhaal vergeten.

Er werd net als vroeger in Kanaän weer geofferd onder de orakeleiken en elke andere boom die heilig verklaard kon worden en waar het voor priesters aangenaam wonen was. Het rijk van David was inmiddels ook uiteen gevallen in een Noordrijk dat zich Israël noemde en een Zuidrijk dat Judea genoemd werd. In dat Noordrijk had de stam van Efraïm het voor het zeggen. Daar hoef je je in Judea dus niet meer druk over te maken zegt Hosea. Dat rijk is verloren. Er wordt wel veel geofferd maar niets meer om te laten zien dat je wil delen van wat je van God hebt ontvangen. En om offers zelf gaat het deze God niet, die wil gerechtigheid. Die wil dat je mensen niet ziet als objecten om je lust te bevredigen. En roep die ook vandaag nog wel gehoord mag worden.

Een geding tegen de inwoners van dit land

Hosea 4:1-11

1 Luister naar de woorden van de HEER, Israëlieten! De HEER voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2 Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3 Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit. 4 Maar laat niemand een aanklacht indienen en roep elkaar niet ter verantwoording. Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht! 5 Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ‘s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal ik laten omkomen. 6 Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met mij vertrouwd maken, daarom wil ik niets meer met jou te maken hebben: je zult mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal ik jouw kinderen verwaarlozen. 7 Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen mij. Maar ik zal hun aanzien verruilen voor schande. 8 Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer. 9 Ik zal volk en priesters over één kam scheren: ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal ik vergelden. 10-11 Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar zich niet voortplanten. Want ze hebben de HEER verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt. (NBV)

Soms lijkt het er in het boek Hosea op dat God het verbond met zijn volk als een huwelijk beschouwt En pas op als er voldoende redenen zijn voor een echtscheiding. Niet dat God die scheiding wil maar soms moet je gewoon vaststellen dat de ander zich geheel en al richt op anderen dan op degene met wie de huwelijksgelofte van trouw was aangegaan. Daarom wordt er hier gesproken over meineed en bedrog. Meineed omdat toen het verbond werd gesloten het volk onder ede beloofde zich aan het verbond te houden. Maar alle 10 geboden zijn en worden gebroken.

Het zijn de priesters die van Hosea de schuld krijgen. Zij vertellen het volk niet meer over de God van Israël. Ze vertellen niet meer over de bevrijding uit de slavernij en het verbond dat die God en zijn volk zijn aangegaan. Een land dat overvloeit van melk en honing lag op hen te wachten en er was echt geen vruchtbaarheidsgod als Baäl voor nodig omdat ook te realiseren. In tegendeel, als je je God verlaat, als je het verbond verbreekt dan loopt het slecht me je af. En hoe meer priesters er komen hoe meer het verbreken van het verbond gebeurt. Natuurlijk, vreemde goden moet je in leven houden door te offeren. Priesters met prachtige gewaden en plechtige spreuken helpen je daarbij. En wie niets heeft om te offeren moet maar omkomen.

En als je door de leiding van je volk voor de gek wordt gehouden, als men weigert wetenschap serieus te nemen en er op te wijzen dat alles wat we krijgen van God gekregen is dan gaat het ook met het volk mis. Hoe dichter onze bevolking is geworden hoe meer kans op besmettelijke ziekten. Daarom heeft God ons de vaccinatie gegeven. Wie dan roept dat het God is die wil dat je kinderen ziek worden en dood gaan verwaarloosd de gaven die God al gegeven heeft om dat te voorkomen. De God van Israël is geen God van het lot, geen God waarvan je door het lezen van stokjes de toekomst te weten kan komen. Hosea noemt dat ontucht, het heil verwachten van andere goden, of va het lot en het negeren van hetgeen de God van Israël al gegeven heeft. Allen moeten we daartegen in verzet komen en weer de weg van God gaan.

Ook ik zal niet met je slapen

Hosea 3:1-5

1 De HEER zei tegen mij: ‘Heb nogmaals een vrouw lief, een vrouw die ondanks de liefde van haar man toch overspelig is, net zoals de HEER de Israëlieten liefheeft hoewel zij zich op andere goden richten en uit zijn op de lekkernijen in hun tempels.’ 2 Ik kocht zo’n vrouw voor de prijs van vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst. 3 Ik zei tegen haar: ‘Je zult geruime tijd in huis moeten blijven, je zult geen overspel kunnen plegen en je met geen man inlaten. Ook ik zal niet met je slapen.’ 4 Zo zullen de Israëlieten geruime tijd verstoken blijven van koning en leiders, van offers en gewijde stenen, van orakels en huisgoden. 5 Dan zullen ze weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; en uiteindelijk keren ze vol ontzag terug naar de HEER en zijn zegen. (NBV)

De huwelijksrelaties van Hosea zijn de manier waarop hij de boodschap van God aan het volk wil overbrengen. De onzin van de aanbidding van eigen gemaakte afgoden moet op de een of andere manier duidelijk gemaakt worden. Het begint met de aankoop van een overspelige vrouw die zich niks aantrekt van de liefde van haar man. Het moet wel met een aankoop want ook het maken van goden van Goud en zilver kost een hoop geld. En net als bij de vrouw, waarvan je vooraf al weet dat het geen betrouwbare partner zal zijn kun je weten dat ook eigengemaakte goden niet betrouwbaar zijn. Je kunt je geluk laten afhangen van de beurs, die toch altijd weer stijgt, maar je kunt daar al je kapitaal verliezen.

Het moet duidelijk zijn dat je aan onbetrouwbare partners geen plezier beleeft. Hosea moet de vrouw die hij had gekocht dus opsluiten in zijn huis. Geen man komt meer in haar buurt. Maar ook Hosea houdt zich verre van haar. Dan zal het volk beseffen dat hun leiders eigenlijk meer voor zichzelf zorgen, hun eigen plezier najagen, dan willen zorgen voor het volk zoals de richtlijnen van de God van Israël aan wijzen. Ook bij ons dringt het besef door dat de leiders van het volk eerder de aandeelhouders dan de arbeiders tegemoet komen. Dat de projectontwikkelaars en de aannemers belangrijker zijn dan de mensen die een huis zoeken. Dat bij het plaatsen van noodzakelijke windmolens en zonnepanelen de belangen van de omwonenden volledig verdwijnen en dat alleen de winst centraal staat.

Wat in onze samenleving nog ontbreekt is dat we vol ontzag terugkeren naar de God van Israël en zijn zegen. In de vertaling staat HEER, in het Hebreeuws staat daar de naam van God die we echter nooit uitspreken. Die Heer is de eigenlijke baas van de wereld. Die heeft de wereld gemaakt en die zal de wereld vervolmaken. Of we daarvan deel zullen uitmaken hangt af van onze bereidheid om alles wat we hebben als gekregen te beschouwen en de opdracht om dat te delen willen uitvoeren. Nu zoeken we naar nieuwe zogenaamde sterke mannen. Of ze ons nu opzadelen met angst voor vreemdelingen of met afkeer van vernieuwingen lijkt ons niet uit te maken. Maar wat ze niet willen dat kennis, macht en inkomen door heel het volk gedeeld zal kunnen worden. En pas de zorg voor de minsten, voor de armen, voor de vreemdelingen en de vluchtelingen laat zien welke God we volgen. De echte God of de valse goden.

Ik verwoest haar wijnstok

Hosea 2:10-25

10 Zij beseft niet dat ik het was die haar koren, wijn en olie gaf. Het zilver en goud waarmee ik haar verrijkte, werd besteed aan een Baälsbeeld. 11 Daarom zal ik, als het tijd is voor de oogst, mijn koren en mijn wijn terugnemen; ook mijn wol en mijn vlas, waarmee ze haar naaktheid moet bedekken, zal ik terughalen. 12 Ik zal haar de kleren van het lijf rukken in het bijzijn van haar minnaars, en niemand die haar uit mijn greep kan redden. 13 Aan alle dagen dat zij feestviert, haar hoogtijdagen, nieuwemaan en sabbat, aan al haar feestvreugde zal ik een einde maken. 14 Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Het zijn geschenken die mijn minnaars me hebben gegeven.’ Ik laat ze verwilderen en geef ze prijs aan de dieren. 15 Ik zal haar straffen voor de feesten die ze aan de Baäls wijdde en waarop ze hun offers bracht; uitgedost met ringen en halssieraden liep ze achter haar minnaars aan. Maar mij vergat ze-spreekt de HEER. 16 Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. 17 Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte. 18 Dan, op die dag-spreekt de HEER -,zul je zeggen: ‘Jij bent mijn man, ‘en daarbij is geen wanklank meer te horen. 19 De namen van de Baäls zul je niet meer in de mond nemen, ze zullen niet langer worden gehoord. 20 Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven. 21 Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, ik zal je hecht aan mij verbinden, door liefde en ontferming. 22 Mijn vrouw zul je zijn, want ik beloof je trouw, en jij zult de HEER toegewijd zijn. 23 Op die dag-spreekt de HEER zal ik antwoord geven. Dan antwoord ik de hemel en de hemel antwoordt de aarde, 24 en de aarde geeft antwoord aan koren, olijfboom en wijnstok, en zij antwoorden Jizreël, 25 want het land zaai ik in met mijn volk. Over Lo-Ruchama zal ik mij ontfermen, Lo-Ammi noem ik weer mijn volk, en dan antwoordt hij: ‘Mijn God.’ (NBV)

We moeten het beeld dat Hosea hier schetst toch wel herkennen. We geven kapitalen uit aan glitter en glamour, het beste is nog niet goed genoeg want alleen het beste maakt dat je het nog beter krijgt. De dure pakken, of mantelpakken, die je draagt, de grote van de auto waarin je rijdt, het aantal vakanties dat je per jaar neemt en vooral ook de bestemming. Ze maken allemaal deel uit van het beeld dat men van je heeft en in welke klasse je behoort. En pas bij een hogere klasse krijg je een bijpassende baan met de bijpassende bonussen en de bijpassende eer. Vergeten wordt dat alles wat je gekregen hebt in je leven van God afkomstig is. En God heeft het aan jou gegeven om het te delen met hen die niets hebben. Die armen, zieken, gehandicapten, vluchtelingen en vreemdelingen zijn de hulpjes van God. Ze helpen ons om te laten zien dat we echt geloven in de God van Israël.

Het volk Israël deed dat in de dagen van Hosea ook. Wat men van God kreeg werd besteed aan offers aan Baäl. Dat was de vruchtbaarheidsgod van de Heidenen. Als je die God voldoende voedsel en eer gaf dan kreeg je een goede oogst in ruil. En als de oogst eens mislukte dan had je niet genoeg geofferd. Een volk dat leefde volgens de richtlijnen van de God van Israël had in een jaar met een mislukte oogst al maatregelen genomen om het volk te laten overleven. In ieder dorp hoorde een silo te staan waar genoeg graan moest worden opgeslagen om het hele dorp, inclusief knechten en slaven, inclusief de armen en de vreemdelingen te laten overleven. Aanhangers van Baäl moesten honger lijden. Volgers van de God van Israël konden samen delen. De richtlijnen van God waren in de woestijn gegeven en in de woestijn zegt de profeet zal men ze zich weer herinneren.

De kinderen van Hosea heetten “geen erbarmen” en “niet mijn volk” Maar als het volk weer gaat leven volgens de richtlijnen van de God van Israël en afziet van glitter en glamour, de goden van winst en profijt verlaat dan verandert de naam van die kinderen, dan heten ze voortaan weer “erbarmen” en “mijn volk” als teken dat de God van Israël voor zijn volk blijft zorgen. Voor onze samenleving is dat hetzelfde. Als de inkomensverhoudingen binnen bedrijven weer op een begrijpbaar niveau zijn en we niet meer bang zijn voor bedrijven die de bestuurders hogere inkomens willen betalen, dan kunnen we weer zeker zijn van de werkgelegenheid, dan hoeven we niet meer bang te zijn voor vreemdelingen, dan kunnen we er op vertrouwen de energietransitie op een goede manier door te komen. Ook voor ons volk is er de keus: of eerlijk delen volgens de richtlijnen van God, of ieder voor zich en dus God voor niemand. Aan ieder van ons de keus.

Klaag jullie moeder aan!

Hosea 2:1-9

1 Maar eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: ‘Jullie zijn mijn volk niet meer, ‘zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd. 2 Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël weer bijeenkomen en één leider aanstellen. Op de dag dat God zelf zal zaaien, op de grote dag van Jizreël, zullen ze uit de aarde opschieten. 3 Dan noemen jullie je broeders weer Ammi en je zusters weer Ruchama. 4 Klaag jullie moeder aan! Klaag haar aan! Want zij is mijn vrouw niet meer en ik ben haar man niet meer. Laat ze die hoerige opschik wegdoen van haar gezicht, de tekens van overspel tussen haar borsten weghalen. 5 Anders zal ik haar uitkleden, haar zo naakt laten staan als toen ze geboren werd; anders maak ik haar onvruchtbaar als een woestijn, als een land van grote droogte, en laat ik haar omkomen van dorst. 6 Ook ontferm ik me niet over haar kinderen, want ze zijn geboren uit overspel. 7 Overspelig was immers hun moeder; de vrouw die hen gedragen heeft leefde in schande. Ze zei: ‘Ik ga achter mijn minnaars aan, want zij zorgen voor mijn eten en drinken, voor wol en vlas, olijfolie en wijn.’ 8 Daarom zal ik haar met een doornhaag de weg versperren, met een muur zal ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan gaan. 9 Als ze dan achter haar minnaars aan wil gaan kan ze hen niet bereiken; ze zoekt maar kan hen niet vinden. Dan zal ze zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eigen man, want toen had ik het beter dan nu.’ (NBV)

Dat klinkt toch altijd mooi in de Bijbel, God verwerpt allen die de God van Israël verwerpen, die achter andere goden aangaan maar uit eindelijk brengt die God zijn kinderen, zijn volk weer bijeen. Hosea herinnert aan de belofte die aan Abraham werd gedaan. Zijn nageslacht zou immers talrijk zijn als de zandkorrels aan de zee, niet te tellen, net als de sterren in de nacht niet te tellen zijn. Maar gaat dat zo maar? Zo van zand er over en we beginnen opnieuw. Dat staat hier dus niet. De kinderen van God zijn verspreid over een groot aantal andere volken. Maar ze blijven herkenbaar als behorend bij Gods volk door hun weg te gaan langs de richtlijnen van die God.

In het Hebreeuws is het woordje “lo” het woordje voor “niet”. De jongste zoon werd voortaan niet meer “niet mijn volk” genoemd, maar “mijn volk” En zijn zuster niet meer “zonder ontferming” maar “ontferming”. Dat kan niet zonder afstand te nemen van het verleden. Ze zijn immers kinderen van een ontrouw volk, een ontrouwe moeder. Het moet radikaal anders. Die zogenaamde vruchtbaarheidsgoden die alleen maar vruchtbaarheid gaven als ze er zin in hadden, als er genoeg aan hen was geofferd, moeten worden afgeschaft. Als het volk niet meer wil luisteren naar de God van Israël dan moeten ze maar in de woestijn wonen, dan heeft een vruchtbare vlakte geen nut, want die betekent willekeur zonder de God van Israël.

En opnieuw verrast de God van Israël zijn volk. Want God zelf zal de afgodendienaars straffen. God zelf zal er voor zorgen dat het afvallige en ontrouwe deel van het volk geen kans meer krijgt. Dat deel krijgt een doornhaag die de weg verspert en ze worden achter een muur ingesloten. Aanbidding van de vreemde goden is er niet meer bij. Daardoor leert ook dat deel van het volk dat het beter is om te gaan leven zoals Hosea. Dat het beter is de weg te gaan die de God van Israël heeft gewezen. Die weg is niet het omkopen van God met offers. Op die weg zijn geen fraaie priesterkleren die de dienst uitmaken. Op die weg wordt gezorgd dat iedereen mee kan, de lammen, de blinden, de armen, de vreemdelingen, niemand blijft langs de kant van de weg. Zo mogen wij ook wel eens om ons heen kijken of we niet iemand langs de kant laten zitten.

Het land maakt zich schuldig aan overspel

Hosea 1:1-9

1 Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Hosea, de zoon van Beëri, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden, en Jerobeam, de zoon van Joas, koning was in Israël. 2 Zo begon de HEER te spreken tegen Hosea. De HEER zei tegen hem: ‘Trouw een overspelige vrouw en verwek kinderen bij haar, want het land maakt zich schuldig aan overspel door zich van de HEER af te keren.’3 Daarop trouwde Hosea met Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij werd zwanger en baarde hem een zoon, 4 en de HEER zei tegen Hosea: ‘Noem hem Jizreël, want binnenkort zal ik het koningshuis van Jehu ter verantwoording roepen voor de moorden bij Jizreël en een einde maken aan het koningschap in Israël. 5 Op die dag zal ik Israëls wapentuig breken in de vallei van Jizreël.’6 Gomer werd opnieuw zwanger en baarde een dochter. Toen zei de HEER tegen Hosea: ‘Noem haar Lo-Ruchama, want ik zal me niet nog eens over het volk van Israël ontfermen-alsof ik hun steeds zou moeten vergeven. 7 Maar over het volk van Juda zal ik me wel ontfermen; ik, de HEER, hun God, zal hen bevrijden door mijn macht, niet door het geweld van boog en zwaard of door paarden en ruiters.’8 Toen Gomer Lo-Ruchama niet langer de borst gaf, werd ze weer zwanger en baarde een zoon. 9 Toen zei de HEER: ‘Noem hem Lo-Ammi, want jullie zijn mijn volk niet meer en ik zal er voor jullie niet meer zijn.’ (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in een boek van het Twaalf Profetenboek. In de Hebreeuwse Bijbel wordt het als één boek beschouwd met twaalf namen van profeten die boven de hoofdstukken staan. De eerste boeken van dit twaalfprofetenboek gaan over de tijd vlak voor de ballingschap, de volgende over de tijd tijdens de ballingschap en de laatste over de tijd na de ballingschap. Het boek Hosea gaat over de tijd voor de ballingschap. Wie Hosea was weten we niet echt, we kennen de naam van zijn vader maar daar houdt het ongeveer mee op. Zijn naam lijkt op die van Jozua en betekent iets als God helpt. De tijd waarin hij profeteerde was de tijd vlak voor de ballingschap. En het volk Israël is in twee delen in ballingschap gevoerd. Eerst het Noordelijk deel dat als Israël een eigen staat was, daarna het Zuidelijk deel dat als Juda een eigen staat was.

Hosea kwam waarschijnlijk uit het Noordelijk deel en zijn leven legde getuigenis af van de manier waarop God met het volk zou omgaan. Dat klinkt wel vroom en mooi maar je familie en relaties worden dan wel te kijk gezet vanwege jouw vrome gedrag. Je zal toch met Hosea getrouwd zijn. Dan wordt je dus weggezet als een overspelige vrouw. Een overspelige vrouw zou gestenigd moeten worden. Door haar te trouwen schenkt Hosea haar het leven. Gomer, zo heette de vrouw, was gekozen omdat het land ontrouw was geworden aan God en ze moest nog kinderen krijgen ook. Drie kinderen kreeg ze die namen kregen die ontleend waren aan rampen die het land hadden getroffen. De eerste heette “God zaait” dat klinkt mooi maar in het Hebreeuws heet hij “Jizreël” en dat was de naam van een stad waar een bloedige slag had plaatsgevonden.

Koning Jehu had de opdracht gekregen Achab en Izebel te straffen voor hun wandaad tegen Nabot. Ze hadden Nabot laten vermoorden om zijn wijngaard te krijgen. Maar Jehu had het niet gelaten bij Achab en Izebel maar had de hele koninklijke familie van Achab uitgemoord. Nergens was meer een familielid te vinden die een beroep zou kunnen doen op de troon van Achab. Het tweede kind werd een dochter. Die werd “zonder ontferming” genoemd. Haar naam was een waarschuwing aan het volk want God zou niet aan het ontfermen blijven als het volk zich afwendde. Het derde kind was weer een zoon. Hij werd “niet mijn volk” genoemd en daarmee valt het oordeel over het volk. Als je onbarmhartig blijft, als je de wezen en de weduwen onrecht aan doet, als je de vreemdeling uitbuit, als je elkaaar uitmoord, dan houdt God op met zorgen. Daar mogen we vandaag ook nog wel eens bij stil staan.

God is mijn burcht.

Psalm 59

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen Saul opdracht had gegeven David thuis vast te houden en hem te doden. 2 Bevrijd mij van mijn vijanden, mijn God, bescherm mij tegen mijn belagers. 3 Bevrijd mij van wie onrecht doen, red mij van hen die bloed vergieten. 4 Zij hebben het op mijn leven voorzien en vallen mij aan met geweld. Niet om mijn misdaad, niet om mijn zonde, HEER, 5 ik ben onschuldig, maar zij dringen op en sluiten de rijen. Verhef u om mij te helpen, zie naar mij om, 6 HEER, God van de hemelse machten, God van Israël, ontwaak en straf alle volken, heb geen genade met verraad en onrecht. sela 7 Avond aan avond keren zij terug en zwerven rond in de stad, grommend als honden. 8 Hun mond loopt over van venijn, de woorden op hun lippen zijn zwaarden, zij denken: Wie hoort het? 9 U, HEER, zult om hen lachen, u drijft de spot met alle volken. 10 Mijn sterkte, aan u houd ik mij vast, ja, God is mijn burcht. 11 God, die trouw is, zal mij te hulp komen, God zal mij doen neerzien op wie mij aanvallen. 12 Dood hen nog niet-mijn volk mag niet vergeten-, laat hen ronddolen en sla hen dan neer, met uw kracht, Heer, ons schild. 13 Zonde is de taal uit hun mond, het woord van hun lippen. Laat hen stikken in hun trots, in hun vloeken en leugens. 14 Sla toe in uw toorn, sla vernietigend toe. Tot aan de einden der aarde zullen zij weten dat God over Jakob heerst. sela 15 Ze keren terug, avond aan avond, grommend als honden zwerven ze rond door de stad, 16 dolend op zoek naar voedsel, jankend als ze niet worden verzadigd. 17 Maar ik, ik zal uw sterkte roemen, in de morgen uw trouw bezingen: u bent voor mij altijd een burcht geweest, een toevlucht in tijden van nood. 18 Mijn sterkte, voor u wil ik zingen, mijn burcht is God, de God die mij trouw blijft.

Er zijn van die momenten in het leven dat het lijkt of de hele wereld tegen je is, alles is zwart, alles mislukt en tegenover iedereen moet je je te weer stellen. Kennelijk hebben de zangers van de Psalm die we vandaag met hen meezingen gedacht dat ook David er zo aan toen moet zijn geweest toen hij vluchtte voor Saul. Hij was getrouwd met de dochter van Saul maar hij was in de oorlogen tegen de Filistijnen zo populair geworden dat Saul hem als een concurrent en bedreiging was gaan zien. Saul had daarop soldaten naar het huis van David gestuurd om hem gevangen te nemen zodat David gedood zou kunnen worden. Maar de vrouw van David koos partij tegen haar vader. Ze liet David door een raam ontsnappen en maakte de soldaten wijs dat hij nog lag te slapen in een bed zodat ze tijd genoeg zouden hebben om David te vangen. David vluchtte naar de woestijn en had binnen de kortste keren een klein legertje van tegenstanders van Saul om zich heen verzameld.

De dichter van de Psalm die we vandaag lezen vertrouwt alleen nog op de God van Israël. Drie keer uit hij zijn klachten, zwart is de nacht voor hem, overal wordt hij belaagd, iedereen verspreid leugens over hem. Maar de God van Israël zal hem helpen, ja de God van Israël heeft hem al geholpen. De stellige overtuiging dat God al geholpen heeft zorgde in de loop van de eeuwen voor een hoop verwarring. Het lijkt er op dat alle gebeden altijd en overal verhoord zullen worden. En zo is het maar net niet. Natuurlijk trekt de God van Israël met je mee, maar die God lijdt ook mee. In deze Psalm komt de reis van de diepste ellende naar de redding door de allerhoogste wel drie keer voor. Het maakt duidelijk hoe ellendig de Psalmdichter zich voelt, maar het maakt ook duidelijk dat die ellende niet zo maar voorbij is. Je mag er op vertrouwen dat de God van Israël de goddelozen uiteindelijk op hun plaats zal zetten, hij spot met goddelozen, maar dat gaat niet op afroep of op commando van nietige mensenkinderen.

Het thema van deze Psalm is door Maarten Luther gebruikt toen hij gevangen zat tijdens de vlucht voor de Rooms Katholieke heersers van zijn tijd. Bijna niemand wilde hem opvangen en in het kasteel waar hij opgevangen was moest hij zich verborgen houden onder een schuilnaam om te voorkomen dat trouwe Rooms Katholieken aanslagen op hem zouden plegen. Bij hem leek niet alleen de hele wereld tegen hem, de hele wereld was aanvankelijk ook tegen Maarten Luther. Hij had immers het hart van de Rooms Katholieke Kerk aan de kaak gesteld: de enorme geldstroom die met het bedrog door de kerk gepaard ging. Alsof je bij de Rooms Katholieke Kerk tegen je geld de straf voor je zonden kwijtgescholden kon krijgen. De Rooms Katholieke Kerk heeft niet de macht zonden te vergeven, alleen God kan dat doen en het mooie is dat wij God kennen als een barmhartig en genadig God die de zonden van gelovigen hen niet aanrekent maar vergeeft. Daar hoeven we niet anders voor te doen dan te geloven dat die God onze burcht is. Als iedereen tegen ons lijkt mogen we gewoon volhouden onze naaste lief te hebben als onszelf, mogen we gewoon volhouden te hongeren en dorsten naar gerechtigheid, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Het is voor altijd voor hen bestemd.

Leviticus 6:7-11

7 Dit zijn de voorschriften voor het graanoffer: De zonen van Aäron moeten het aan de voorzijde van het altaar aan de HEER aanbieden. 8 De priester neemt een handvol van het offer: een deel van de tarwebloem, een deel van de olijfolie en alle wierook die op het graanoffer ligt. Dat moet hij als teken voor het hele offer op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt. 9 Wat overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen. Het moet worden gegeten in de vorm van ongedesemd brood, op een heilige plaats, binnen de omheining van de ontmoetingstent. 10 Het mag niet met zuurdesem worden gebakken. Ik schenk het hun als aandeel in mijn offergaven; het is allerheiligst, net als het reinigingsoffer en het hersteloffer. 11 Alle mannelijke nakomelingen van Aäron mogen ervan eten. Het is voor altijd voor hen bestemd, van generatie op generatie, als hun aandeel in de offergaven voor de HEER. Alles wat ermee in aanraking komt, wordt zelf ook heilig: het valt de HEER toe. (NBV)

Alles wat aan God is geofferd is Heilig. Degene die het offer naar de Tabernakel of de Tempel heeft gebracht heeft God eer bewezen en vaak ingezien waar een fout tegen de richtlijnen van God is gemaakt, waar men afdwaalde van de weg van God. Maar de God van Israël hou je niet in leven door maar veel en vet te offeren. Een offer dat verbrand wordt geeft een aangenamen geur voor God. Het ruikt weer naar inzicht en omkeer. Het geeft de verbinding tussen volk, en de leden van het volk, met hun God. Dat kan de zaak vooruit brengen. Het is immers God die het volk uit leidt uit het land van de slavernij. We plaatsen dat land van de slavernij in Egypte maar Egypte is eigenlijk altijd om ons heen om ons te verleiden van de weg van God af te dwalen.

Dat de God van Israël niet gevoed hoeft te worden wordt tot uitdrukking gebracht in het graanoffer. Graan, olie en wierook worden samen geofferd. Dat kan lekker ruiken. Maar daarvoor is niet het hele graanoffer nodig. Een handvol is al genoeg. De rest is bestemd voor de Priesters. Die moeten van het graan en de olie een brood bakken. Een brood zonder zuurdesem. Dat zuurdesem is een vorm van bederf en aan God zijn geen bedorven waren geofferd. Niet alleen het brood is heilig maar als je het in de soep doopt is ook de soep heilig. Als je er boter op smeert is ook de boter heilig.

Als de priester honing op het brood doet is ook de honing heilig. Door het brood te eten wordt ook de Priester heilig want alles wat met dat brood in aanraking komt wordt ook Heilig. Priester zijn is geen bijbaantje, dag en nacht ben je Priester, de verbinding tussen het volk en God. Want die God laat nooit varen wat zijn hand is begonnen. De bevrijding van de slavernij gaat dag en nacht door. Ook in onze dagen. Ook wij moeten bevrijd worden van begeerte, bevrijd van onze verslaving aan consumeren en produceren. Daarvoor moet bij ons ook het vuur branden en wordt ons brood gebroken en gedeeld met de armsten.

 

Vermeerderd met een vijfde.

Leviticus 5:14-26

14 De HEER zei tegen Mozes: 15 ‘Wie heiligschennis pleegt door zich onbewust te vergrijpen aan wat de HEER toebehoort, moet bij wijze van genoegdoening een ram zonder enig gebrek als hersteloffer aan de HEER aanbieden. Het dier moet een waarde hebben van een vastgestelde hoeveelheid zilver, berekend volgens het ijkgewicht van het heiligdom.16 Datgene wat de HEER toebehoort en ontwijd is, moet worden vergoed. De persoon in kwestie moet de waarde ervan aan de priester betalen, vermeerderd met een vijfde. Door de ram te offeren voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite, en krijgt deze vergeving. 17 Wie zonder het te weten zondigt tegen een van de geboden van de HEER en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, is strafbaar. 18 Als hersteloffer moet hij een ram zonder enig gebrek ter waarde van een vastgesteld bedrag naar de priester brengen. Dan zal de priester voor hem de verzoeningsrite voltrekken voor wat hij onbedoeld en zonder het te weten misdaan heeft, en krijgt hij vergeving. 19 Het is een hersteloffer, want hij heeft zich schuldig gemaakt tegenover de HEER.’ 20 De HEER zei tegen Mozes: 21 ‘Wie zondigt en een overtreding tegenover de HEER begaat door te ontkennen dat een volksgenoot hem iets in bewaring heeft gegeven of hem iets heeft geleend, terwijl dat wel zo is, of door ten onrechte te ontkennen dat hij iets gestolen heeft, of wie iemand afperst 22 of ten onrechte ontkent dat hij iets heeft gevonden dat een ander verloren heeft, en in zo’n geval meineed pleegt, 23 laadt schuld op zich. Hij moet het gestolen goed, het afgeperste geld of wat hem in bewaring is gegeven of wat de ander verloren heeft, 24 of wat hij zich ook maar door meineed probeerde toe te eigenen, volledig vergoeden en de eigenaar boven de hoofdsom een vijfde extra betalen, op de dag dat hij zijn hersteloffer brengt. 25 Bij wijze van genoegdoening voor de HEER moet hij als hersteloffer een ram zonder enig gebrek ter waarde van een vastgesteld bedrag naar de priester brengen. 26 Dan zal de priester voor hem ten overstaan van de HEER de verzoeningsrite voltrekken voor datgene waaraan hij zich schuldig gemaakt heeft, en krijgt hij vergeving.’ (NBV)

Het klinkt vaak zo gemakkelijk, een paar kopieën maken op kantoor, op kosten van de werkgever, wat paperclips meenemen of een pak printpapier. Een kopje uit de kantine wat overgebleven broodjes maar ook die fles wijn die nog gebruikt had kunnen worden. Hele bedrijven zijn er aan ten onder gegaan. Bedrijfsdetectives hebben een goede boterham aan de bestrijding er van. Als we Leviticus lezen en dan zien dat het gaat om het zich onbewust vergrijpen aan wat God toebehoort dan lijkt het ver van ons bed. Bij ons geen tempel, geen offers, geen bijdragen aan de tempel. Dus per ongeluk mee-eten met een offer of iets dergelijks dat kennen we niet. Maar we geloven dat alles wat wij hebben, maar ook alles wat een ander heeft uit Gods hand gekregen is.

Dus als God ons bedrijf, onze vereniging of onze buurman iets heeft gegeven dan verstoren wij de relatie tussen God en mensen als we dat onnadenkend mee nemen. Ook voor ons geldt dat we het moeten herstellen. Een bedrijf of een verenging moet je dan misschien een stevig bedrag aan geld aanbieden. Liefst iets meer als de schade die we hebben toegebracht. Uiteindelijk moet je zeker, ook aan jezelf, duidelijk maken wat er fout is gegaan. Dat is ook als je verkeersregels overtreed, of je niks aantrekt van de stilte in een stiltecoupé, of voordringt als er ergens een rij is ontstaan. Van die kleine verstoringen van de samenleving waarbij je jezelf belangrijker vindt dan al die anderen. De samenleving waar niemand iets een ander aan doet wat hij zelf niet wil dat hem dat aangedaan zou worden blijft dan weer verder uit.

Bezit van een ander is volgens dit Bijbelgedeelte heilig. Beschouw het maar als bezit van God. Zeker als je het in bewaring hebt gekregen dan is het dubbel belangrijk er zorgvuldig mee on te gaan. Als je weet of vermoed dat het van diefstal afkomstig is moet je het aangeven, en als het je gevraagd wordt ontken het dan niet want als iemand ten onrechte het geld of het bezit wordt afgenomen dan verliest die persoon niet alleen dat geld of bezit maar dan verliest ook de God dat bezit of dat geld, het was immers door God gegeven. In al die gevallen moet een hersteloffer betaald worden. Aan de persoon die schade is toegebracht en door een offer aan God. De vergoeding wordt meer als je onder herstel hebt geprobeerd uit te komen. Leviticus leert ons hier ook dat het vaak de kleine dingen zijn die het doen. Let dus op niemand schade toe te brengen, bedoeld of onbedoeld.

Wie zich geen schaap of geit kan veroorloven

Leviticus 5:1-13

1 Wie zondigt doordat hij geen gehoor geeft aan een met een vervloeking bekrachtigde oproep om te getuigen, terwijl hij het misdrijf wel heeft gezien of ervan weet, maakt zich strafbaar. 2 Ook wie vergeet dat hij in aanraking is geweest met iets onreins, zoals het kadaver van een wild of tam dier of het kadaver van een kruipend dier, en daardoor onrein blijft, maakt zich schuldig, 3 net als iemand wie het is ontschoten dat hij in aanraking is geweest met de onreinheid van een mens, van welke aard dan ook, 4 of die vergeet dat hij een onbezonnen eed heeft gezworen, ten goede of ten kwade, of hoe dan ook. 5 De betreffende persoon moet, zodra hij zich van zijn schuld bewust wordt, openlijk uitspreken wat hij misdaan heeft 6 en de HEER hiervoor bij wijze van genoegdoening een vrouwelijk dier, een ooi of een geit, als reinigingsoffer aanbieden. De priester zal voor hem de verzoeningsrite voltrekken. 7 Wie zich geen schaap of geit kan veroorloven, moet als genoegdoening twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven aan de HEER offeren, één als reinigingsoffer en één als brandoffer. 8 Hij moet ze naar de priester brengen, en deze brengt eerst de duif die als reinigingsoffer bedoeld is naar het altaar. De priester moet het dier achteraan bij de nek de kop afknijpen, maar hij mag die niet van het lichaam scheiden. 9 Hij sprenkelt wat bloed van het offerdier tegen de zijkant van het altaar, en de rest van het bloed laat hij aan de voet van het altaar uitlekken. Dan is het geschikt als reinigingsoffer. 10 De tweede duif moet hij als brandoffer opdragen, overeenkomstig de voorschriften. Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. 11 Wie geen twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven heeft, moet als reinigingsoffer voor wat hij misdaan heeft een tiende efa tarwebloem aanbieden. Er mag geen olie over worden gegoten en er mag geen wierook op worden gelegd, het is immers een reinigingsoffer. 12 De bloem wordt naar de priester gebracht, en deze neemt een handvol ervan als teken voor de hele offergave en verbrandt dit samen met de andere offergaven voor de HEER op het altaar. Dan is de gave geschikt als reinigingsoffer. 13 Zo voltrekt de priester voor de persoon in kwestie de verzoeningsrite voor wat hij misdaan heeft, en krijgt deze vergeving. Wat overblijft is, net als bij het graanoffer, bestemd voor de priester.”’ (NBV)

Denk nu niet dat alleen slechte mensen kunnen zondigen. Het gedeelte van vandaag begint met een zonde van goede mensen die niettemin toch de samenleving in wanorde kunnen brengen met hun zonde. Als de overheid je dagvaart om te getuigen bij een misdrijf dan ben je verplicht te komen. Dat is ook in onze rechtspraak zo. Een getuigenis kan als bewijs voor het misdrijf worden behandeld en aangezien we uit zijn op een samenleving zonder misdrijven is die getuigenis van het grootste belang. Ook al hebben we in onze dagen veel aan technisch sporenonderzoek, tot aan DNA toe, getuigen blijven belangrijk. Er zijn nog steeds zaken die het voornamelijk van getuigen moeten hebben.

Nu gebeurt het ons allemaal wel eens dat we onbedoeld of ongemerkt dingen doen die niet helemaal goed zijn. We vergeten de handen te wassen na toiletbezoek, we rapen een dood dier op omdat we denken die te kunnen reanimeren. We leggen een getuigenis af die zekerder klinkt als in werkelijkheid kan. Het zijn kleine fouten die grote gevolgen kunnen hebben voor de samenleving. Daarom verstoren ze het verbond met de God die de mensen had aangeraden juist zorgvuldig te zijn. Besmetting met een ziekte is zo gebeurt, daarom is vaccinatie van groot belang en een geschenk van God voor een dichtbevolkte samenleving. En een getuigenis die leidt tot de veroordeling van een onschuldige is een ramp voor de betrouwbaarheid van de rechtspraak.

Bij de offers die hier worden voorgeschreven wordt ter dege rekening gehouden met het inkomen en vermogen van degene die de samenleving in gevaar heeft gebracht. Zo belangrijk is dat iedereen zorgvuldig blijft werken. Voor er wordt geofferd moet de persoon in kwestie dan ook hardop vertellen wat die verkeerd heeft gedaan. Dan volgen de offervoorschriften voor de rijken, de middeninkomens, de lagere inkomens en de armen. Jozef en Maria zullen na de geboorte van hun zoon twee duiven offeren, ze behoorden dus tot de lagere inkomensklassen in de samenleving. Door dat onderscheid te maken wordt iedereen gelijkelijk bestraft voor de dezelfde daad. Bij ons is dat niet zo, naar verhouding moeten de armen een groter deel van hun inkomen of bezit afstaan als de rijken. Duizend euro is voor de een een fooi en voor de ander een maandsalaris. De Bijbel geeft een ander voorbeeld, niet de straf is waar het om draait, maar het herstel van de maatschappelijke orde is het doel. We kunnen er nog veel van leren.