Dat doen wij niet.

Jeremia 6:16-30

16 Dit zegt de HEER: Ga op de kruispunten staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust. Maar zij zeggen: “Dat doen wij niet.” 17 Ik stel wachters over jullie aan, let op het geluid van hun ramshoorn. Zij zeggen: “Dat doen wij niet.” 18 Daarom, volken, luister! Kom samen en besef wat daar gebeurt. 19 Aarde, luister, ik breng onheil over dat volk. Dat is de vrucht van hun bedenksels, omdat zij niet naar mijn woorden hebben geluisterd, mijn wet hebben verworpen. 20 Wat heb ik aan wierook, uit Seba gehaald, aan kalmoes uit een ver land? Jullie brandoffers aanvaard ik niet, jullie vredeoffers behagen mij niet. 21 Daarom-dit zegt de HEER: Ik leg voor dit volk een struikelblok neer, waarover het ten val komt. Zowel vaders als zonen komen om, zowel buren als vrienden. 22 Dit zegt de HEER: Er komt een volk uit het noorden, een grote overmacht. Ze komen van de einden der aarde, worden aangevuurd tot de strijd. 23 Ze houden boog en zwaard gereed, wreed zijn ze, meedogenloos. Hun krijgsrumoer klinkt als een bulderende zee, ze komen op paarden aangestormd. Hun leger staat in slagorde, als één man gereed voor de strijd. Het richt zich, vrouwe Sion, tegen jou!’ 24 ‘Wij horen van hun komst, onze handen beginnen te trillen. Angst en paniek overweldigen ons, zoals weeën een barende vrouw. 25 Waag je niet buiten de stad, ga niet op reis, want daar heerst het zwaard van de vijand, het zaait overal paniek!’26 ‘Hul je in het zwart, mijn volk, wentel je in het stof. Rouw als om een enig kind, klaag met bitter rouwbeklag. De verwoester overvalt je, onverhoeds. 27 Ik maak jou tot een keurmeester, je toetst de handelwijze van mijn volk. 28 Zij allen zijn rebels en opstandig, kwaadsprekers, waardeloos koper en ijzer, zij allen zijn door en door slecht. 29 Het vuur verschroeit zelfs de blaasbalg, maar het lood levert geen zilver. Vergeefs zuivert de smelter, het goede en het slechte worden niet gescheiden. 30 Verworpen zilver worden ze genoemd, want ze zijn verworpen door de HEER.’ (NBV)

Jeremia begint met een eigen ervaring. Als hij Jeruzalem verlaat en terugkeert naar Anatoth kan hij twee wegen kiezen, de korste weg maar die gaat over een aantal bergen, of de gemakkelijkste weg maar dan duurt de reis langer. Wat maar zeggen wil dat de oude paden niet altijd de beste zijn. Telkens opnieuw moet je kiezen welke weg je wil gaan, de Bijbel roept ons op de weg van het goede te kiezen en de richtlijnen volgen die uitgezet zijn door de God van Israël zijn altijd de beste. Eén van de bergen die op de kortste weg van Jeruzalem naar de thuisstad van Jeremia, Anatoth ligt is de “berg van de wachters”. De Wachters die op de berg uitzien naar een mogelijke vijand hebben de ramshoorn. De hoorn met de zeer doordringende toon die je zelfs in de stad hoort en nu nog klinkt in de synagoge op de grote verzoendag. Naar die ramshoorn moet je luisteren wil je gewaarschuwd zijn voor het onheil. Maar het kiezen van de goede weg, het geluid van de ramshoorn zijn oproepen die tevergeefs klinken, ze doen het niet.

Denk niet dat de waarschuwingen voor het volk van Israël uit een ver verleden zijn. Er zijn kerken en voorgangers, zelfs professoren die hun gemeenten voorhouden dat de waarschuwingen van de wetenschap voor de ondergang van onze huidige samenleving geen invloed behoren te hebben op hun gemeenteleven. Wij geloven immers op het heil dat ons na de dood zal toevallen. Nergens spreekt de Bijbel over heil na de dood, zeker hier niet. Jeremia roept heel de aarde op acht te slaan op de waarschuwingen tegen het onheil. Om door te laten dringen wat er met een volk gebeurt dat de waarschuwingen negeert. Dat geld dus ook voor ons. Ook al moeten de besluiten om een andere weg te kiezen dan waarop wij nu nog voortgaan gekozen worden door regering en parlement, de politiek, het bestuur van onze stad, dan nog hebben wij gelovigen de plicht de overheid voor te houden wat het goede is. Daarbij moeten we bedenken dat de wetenschap niet een van de vele meningen die mogelijk zijn vertegenwoordigd, maar dat de wetenschap ons door God is geschonken om te weten wat het goede is, zoals Jeremia wist welke weg de gemakkelijkste en welke weg de kortste was.

Je kunt natuurlijk naar anderen wijzen om het onheil te verklaren. Blijf in je eigen land, sluit je eigen grenzen, houd je vast aan vermeende tradities dan zal het onheil wel langs je heen gaan. In het Jeruzalem van Jeremia probeerden ze dat ook. Niet de stad uitgaan, niet op reis gaan, want buiten de stad heerst het onheil. Maar zo is het niet. De eersten die de andere weg moeten kiezen zijn wij zelf, wij moeten de weg gaan langs de richtlijnen die de God van Israël dat volk in de woestijn heeft gegeven. De aarde is immers aan de mens gegeven en die aarde was goed. Aan de mens er voor te zorgen dat die goed blijft. Aan de mens te zorgen voor de zwaksten, de minsten, die het eerst slachtoffer worden van een veranderend klimaat dat meer mislukte oogsten, honger en meer stormen en overstromingen met zich brengen. Liefde voor de naaste betekent niet alleen liefde voor God maar ook liefde voor dat wat God ons gegeven heeft, de hele aarde te bewerken tot een bloeiende tuin van overvloed. Wij mogen blind zijn als het volk van Jeruzalem maar gehoorzamen aan de wil van God betekent ook dat wij als blinden weer zullen zien wat ons te doen staat, het goede en niet dan het goede.

Laat je terechtwijzen

Jeremia 6:1-15

Vlucht, volk van Benjamin, vlucht uit Jeruzalem! Blaas de ramshoorn in Tekoa, geef vuursignalen boven Bet-Hakkerem. Onheil dreigt uit het noorden, alles stort ineen. 2 Die lieflijke en tere vrouw breng ik om, vrouwe Sion zelf. 3 Herders met hun kudden komen op haar af, rondom haar zetten zij hun tenten op, ieder weidt zijn deel af. 4 Ze roepen: “Bereid je voor op de strijd! Nog deze middag vallen we aan. Helaas, de dag loopt ten einde, de schaduwen lengen. 5 We vallen aan in de nacht, dan breken we de burchten af.” 6 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Hak de boomgaarden om, werp een wal op tegen de stad. Jeruzalem wordt overgeleverd, het is een stad vol onderdrukking. 7 Zoals water opwelt uit een bron, zo welt kwaad op uit Jeruzalem. “Ik ben mishandeld en beroofd, ” klinkt het in de stad. Onder mijn ogen wordt geslagen, gemarteld, er komt geen einde aan. 8 Laat je terechtwijzen, Jeruzalem, dan maak ik me niet van je los, maak ik je niet tot een woestenij, een onbewoonbaar land.’9 Dit zei de HEER van de hemelse machten: ‘Zoek goede druiven aan de wijnstok, zoek wat van Israël nog overbleef. Zoek als een wijnboer de ranken na.’ 10 Ik zei: ‘Tegen wie moet ik spreken, wie luistert naar mijn waarschuwing? Hun oren zitten dicht, niets merken ze op. De woorden van de HEER bespotten ze, ze hebben er een afkeer van. 11 Ik ben vol van de toorn van de HEER, ik kan mij niet meer bedwingen.’ ‘Stort mijn woede uit over de kinderen op straat, over alle jonge mannen. Mannen en vrouwen worden gevangengenomen, grijsaards en oude mensen. 12 Hun huizen vallen anderen toe, ook hun akkers en hun vrouwen. Ik treed op tegen de hele bevolking- spreekt de HEER. 13 Want iedereen, van groot tot klein, is op eigen voordeel uit; van profeet tot priester, ieder pleegt bedrog. 14 Ze verklaren de wond van mijn volk lichtvaardig voor genezen, ze zeggen: “Alles gaat naar wens.” Nee, niets gaat naar wens! 15 Schamen zij zich voor hun wandaden? Integendeel, zij weten niet wat schaamte is. Daarom komen ze ten val, als ik ze straf, storten ze allen dood neer- zegt de HEER.(NBV)

Profeten zijn geen toekomstvoorspellers, geen waarzeggers, maar waarheidszeggers. Ze kijken naar het heden en zien dan hoe het zal aflopen met een volk dat blijft doen wat het nu ook al doet. Zoals onze geleerden ons waarschuwen dat ons strand bij Amersfoort komt te liggen als we niet ophouden met het uitstoten van kooldioxide zo waarschuwt Jeremia zijn volk dat het ten onder zal gaan door de vijanden uit het noorden. De plattelandsbewoners uit de omgeving van Jeruzalem, van de stam Benjamin zijn al naar Jeruzalem gevlucht. Dat is immers de sterke stad waar niemand tegenop kan omdat daar de Tempel staat van de God van Israël. Maar het volk heeft die God in de steek gelaten en daarom heeft God de handen van Jeruzalem afgetrokken. Herders met hun kudden helpen niet als bescherming. Je kunt beter de boomgaarden omhakken en op en voor de muur een wal opwerpen. Jeruzalem zal vallen. Het is verworden tot een stad van geweld, er wordt geslagen en gemarteld. Alleen een radicale terugkeer naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God heeft gegeven zou nog redding kunnen brengen.

God kan dat zo mooi zeggen, maar Jeremia weet dat het volk niet zal luisteren. Integendeel ze zijn sceptisch voor de woorden van God, ze hebben er een afkeer van, Jeremia moet maar stoppen met zijn hysterie. God wordt steeds kwader over deze dwarsheid, Jeremia waarschuwt, het onheil zal niet alleen de verantwoordelijken treffen maar ook de kinderen op straat, de jeugd, de bejaarden. Hun huizen vallen anderen toe en zoals in elke oorlog worden de vrouwen nog de ergste slachtoffers, zij worden verkracht en als slavinnen verkocht. Niet dat ze dat door hun huidige gedrag niet hebben verdiend. Iedereen van jong tot uit, van profeet tot priester is immers uit op eigen gewin. En dat gewin wordt ook nog verkregen met profijt, met belastingontwijking, met oplichterij, met de verkoop van niet bestaande goederen, met het leveren van diensten tegen woekerprijzen. Fatsoenlijk gaan ze doen en daarmee zou het leed geleden zijn, maar onder het fatsoen woekert het kwaad voort. Niemand erkent de eigen misdaden, die komen altijd van anderen.

Wij kijken terug op een rare geschiedenis. Op standbeelden van goden op de hoeken van de straten, op kinderoffers, op priesters in de meest mooie gewaden die de zorg voor die beelden hebben en je graag helpen bij het brengen van offers. Op profeten die je vertellen wat je graag wilt horen en die wel uitkijken je te waarschuwen tegen het onheil dat je te wachten staat. Maar bij ons is het niet anders. Er zijn politici die alles wat er verkeerd gaat in de samenleving afschuiven op een kleine groet vreemdelingen alsof zelfs alle vreemdelingen criminelen zijn. Er zijn politici die openlijk over klimaathystereci roepen en voortduren drammen op te houden met de aanpassing die het klimaat volgens de wetenschap van ons vraagt. Wij houden nog steeds de onrechtvaardige handelsverhoudingen met arme landen in stand en klagen dan dat de armen en hongerenden hun toevlucht zoeken bij ons overvloed en hier hun werk en de toekomst van hun kinderen zoeken. Wij deporteren nog steeds in ons land geboren kinderen naar landen waar ze geen toekomst hebben en ook geen enkele binding hebben. De waarschuwingen van Jeremia mogen ook wij ter harte nemen anders treft ons het zelfde als eens Jeruzalem.

Mij zal God vrijkopen

Psalm 49

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 Hoor, alle volken, luister, bewoners van de wereld, 3 mensen, kinderen van Adam, rijk en arm, iedereen. 4 Mijn mond spreekt wijze woorden, diepzinnig is wat mijn hart overpeinst, 5 ik heb een open oor voor raadselspreuken, bij het spel op de lier onthul ik een geheim. 6 Waarom zou ik vrezen in slechte tijden, als ik door uitbuiters word omringd, 7 die vertrouwen op hun vermogen en pronken met hun rijkdom? 8 Geen mens kan een ander vrijkopen, wat God vraagt voor een leven, is niet te betalen. 9 De prijs van het leven is te hoog, in eeuwigheid niet op te brengen. 10 Onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven, de kuil van het graf nooit zou zien. 11 Dit zien we: wijze mensen sterven, maar ook dommen en dwazen vergaan en laten hun vermogen achter. 12 Het graf is hun eeuwig thuis, hun woning van geslacht op geslacht, ook al stond er veel land op hun naam. 13 Nee, een mens, hoe rijk ook, ontkomt niet aan het duister, hij is als een dier dat wordt afgemaakt. 14 Dit is het lot van wie op zichzelf vertrouwen, zo vergaat het wie zichzelf graag horen: sela 15 als schapen verblijven zij in het dodenrijk, en de dood is hun herder. In de morgen vertrappen de oprechten hun graf, hun lichaam teert weg in het dodenrijk en vindt geen rust.16 Maar mij zal God vrijkopen uit de macht van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen. sela 17 Wees niet bevreesd als iemand rijk wordt, een groter huis heeft en meer weelde. 18 Want bij zijn dood kan hij niets meenemen, zijn weelde volgt hem niet in het graf. 19 Ook al prijst hij zich gelukkig met zijn leven- wie roemt je niet in je voorspoed? -, 20 hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht, bij hen die het licht nooit meer zullen zien. 21 Een mens zonder inzicht, hoe rijk ook, is als een dier dat wordt afgemaakt. (NBV)

Vandaag zingen we een lied dat bijna niet te vertalen was uit het Hebreeuws. Misschien ook wel omdat we de boodschap die er achter ligt bijna niet willen begrijpen. Maar het lied laat een oude wijsheid horen, namelijk dat het geen enkele zin heeft je voor jezelf uit te sloven in het leven. Het is een strijdlied tegen carrière maken, tegen het oppotten van geld en bezit. En dat oppotten, steeds maar en nog meer willen hebben dat komt altijd al overal voor. Want dit lied is al een paar eeuwen oud maar het speelt ook in onze samenleving. We vinden overigens dezelfde gedachte ook in het boek Prediker. Het lied richt zich daarom om te beginnen tot alle mensen op de hele wereld, niet alleen tot de kinderen van het volk Israël maar tot alle kinderen van Adam en dat zijn alle mensen. In het Hebreeuws wordt er nogal met woorden en klanken gespeeld in dit lied, dat is niet weer te geven in een vertaling in het Nederlands. Het was ook in de oude vertaling in het Grieks, de Septuaginta, al weggevallen. Maar de zanger zingt er zelf over, hij heeft wijsheid in raadseltjes verpakt, nu wordt hier ook wel vertaald met “levensraadsel” waarvoor een gelijkenis wordt gezocht..

Het begin van alle wijsheid, dat is dan levenswijsheid, is overigens het volgen van de God van Israël in zijn grondregel van heb Uw naaste lief als Uzelf, dat wordt in deze Psalm als bekend verondersteld. Het eerste raadsel is dat de zanger niet bang is voor slechte tijden ook als alle uitbuiters die hem omringen pronken met hun rijkdom. Daar hoef je dus niet bang voor te worden. Wij zouden misschien zeggen dat je er niet tegenop hoeft te kijken en er ook niet jaloers op hoeft te worden, met minder kan het kennelijk ook. En het einde is altijd gelijk. Ieder mens sterft. En al ben je nog zo rijk je kunt niet naar God gaan met je rijkdom om je te verzekeren van een eeuwig leven, de dood onderga je allemaal, geen mens kan een ander of zichzelf daarvan vrijkopen. Zelfs een groot geloof in de God van Israël bevrijdt je niet van de dood, wijze mensen sterven maar net zo goed dommen en dwazen. Het eeuwige tehuis van elk mens is het graf. Hoe rijk je ook bent, in dat huis kom je uiteindelijk te wonen. En dan komt de regel van de dichter dat God hem zal vrijkopen van de macht van het dodenrijk en hem zal vrijkopen.

Het heeft nogal wat misverstanden opgeleverd. Veel Christenen zien hier een verwijzing naar Jezus van Nazareth in die aan het kruis de mens vrijgekocht zou hebben van de dood. Maar ook na de opstanding van Jezus van Nazareth sterven mensen. Sterker nog, Jezus van Nazareth waarschuwde er zelf voor dat het geen zin had schuren te bouwen voor je eigen oogst want als je die schuren klaar hebt kun je ook dezelfde dag sterven in plaats van er lang en gelukkig van te leven. Dat rijk willen worden brengt uiteindelijk helemaal niks. Je kunt dus beter leven alsof je elk moment kunt sterven. Als je dan alles wat je bezit deelt wordt je veel gelukkiger want dan volg je de richtlijn van de God van Israël dat Jezus van Nazareth zou uitleggen dat als je twee mantels hebt je er beter één kunt weggeven aan iemand die er geen heeft. Zo ben je bevrijd van de macht van de dood, die heeft geen effect meer op je leven, die bepaalt niet meer wat je doet en wat je laat. Zo leven levert een betere wereld op, daar heb je zelf plezier van en je nazaten ook. Die rijkdom stelt niks voor, het leven samen met iedereen op aarde is pas rijkdom, daar mogen we ook vandaag van genieten.

De Wijsheid is in het gelijk gesteld

Lucas 7:29-35

29 Alle mensen die dit hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen. 30 Maar de Farizeeën en wetgeleerden verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten dopen. 31 ‘Waarmee zal ik dan de mensen van deze generatie vergelijken, waarop lijken ze? 32 Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet treuren.” 33 Want Johannes de Doper is gekomen, hij eet geen brood en drinkt geen wijn, en jullie zeggen: “Hij is door een demon bezeten.” 34 De Mensenzoon is gekomen, hij eet en drinkt wel, en jullie zeggen: “Kijk, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.” 35 En toch is de Wijsheid door al haar kinderen in het gelijk gesteld.’ (NBV)

Het is niet goed of het deugt niet. Jezus van Nazareth wordt er kennelijk wanhopig van. Als je beantwoordt aan de ouderwetse opvatting van Profeet, de man uit de woestijn, die roept aan de rand van de rivier dat alles anders moet en zich voedt met wat hij onderweg vindt, dan spoor je niet. Als je gewoon met iedereen om wil gaan en iedereen bij de samenleving wil betrekken, dan ben je een veelvraat en ga je met de verkeerde mensen om. Er is wat dat betreft nog niet veel veranderd. Als je probeert wat goeds voor de mensen te bereiken dan zijn er snel allerlei redenen waarom dat niet deugt. Of je maakt mensen afhankelijk door ze een goede uitkering te geven, of je buit ze uit door ze voor een veel te laag loon alvast werkervaring op te laten doen zodat ze beter kunnen doorstromen zonder in een armoedeval te hoeven trappen.

Volgens Jezus van Nazareth was de Wijsheid in het gelijk gesteld. Een op het oog merkwaardig zinnetje na zijn verzuchtingen. Maar het begin van de Wijsheid is het ontzag voor God, is het je laten leiden door de Liefde. En dat gebeurt op de manier van Johannes de Doper en ook op de manier van Jezus van Nazareth. Hoe je het doet maakt dus kennelijk niet veel uit als je het maar doet. In het gedeelte dat we vandaag lezen gebruikt Jezus van Nazareth een kinderspelletje als voorbeeld. Kinderen spelen op de markt en spelen begrafenisje. Maar een gedeelte van de kinderen willen niet mee doen. Ze spelen fluit en de andere kinderen blijven stil staan kijken, ze zongen een klaaglied en weer bleven de andere kinderen staan. Wat willen die kinderen dan? De vergelijking met een kinderspelletje klinkt wel mooi maar het leven is geen kinderspel.

Het gaat om mensen in een harde werkelijkheid. Mensen die te maken hebben met onderdrukking en uitbuiting. Daar ging het Johannes de Doper om, daar gaan het Jezus van Nazareth om. De Farizeën en de Saducceën willen hun eigen bevoorrechte positie behouden. Zij hadden een akkoord met de Romeinse bezetters gesloten om het volk rustig te houden. Daarom is de omgang van Jezus met de Tollenaars zo bedreigend en wordt die zo scherp afgekeurd. Want als Jezus de tollenaars zo ver zou krijgen dat ze het uitbuiten zouden opgeven en niet meer tol zouden heffen als nodig is dan kan niet alleen de economie opbloeien maar dan zou ook blijken dat een volk zonder overeenkomst met de bezetters beter af was. Het conflict tussen Jezus en de religieuze autoriteiten is een politiek conflict. Daarom doet Jezus een beroep op de Wijsheid. Van de Wijsheid zegt de Bijbel dat ze roept op de hoeken van de straten, net als de kinderen dus en de Wijsheid roept wat God had gezegd, heb uw naaste lief als uzelf. Maar dus ook van de armen bevoorrechten, zij moeten allereerst geholpen worden. Dat is ook vandaag nog zo, blijf dus niet aan de kant staan maar ga aan het werk.

Blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen

Lucas 7:18-28

18 Johannes kreeg van zijn leerlingen bericht over al deze gebeurtenissen. Hij riep twee van zijn leerlingen bij zich 19 en stuurde hen naar de Heer, aan wie ze moesten vragen: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ 20 Toen de mannen bij hem gekomen waren, zeiden ze: ‘Johannes de Doper heeft ons naar u gezonden om u te vragen: “Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?”’ 21 Hij genas toen juist veel mensen van ziekten en allerlei aandoeningen en van boze geesten en hij gaf tal van blinden het gezichtsvermogen terug. 22 Hij antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben: blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 23 Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’ 24 Toen de afgezanten van Johannes vertrokken waren, zei hij tegen de menigte over Johannes het volgende: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind? 25 Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die zich in fraaie gewaden hulde? Welnee, want wie voorname kleding draagt en in weelde leeft, woont in een paleis. 26 Wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet. 27 Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.” 28 Ik zeg jullie: van allen die geboren zijn uit een vrouw is niemand groter dan Johannes, maar in het koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan hij.’ (NBV)

Het publieke optreden van Jezus van Nazareth was begonnen toen hij zich liet dopen door Johannes in het water van de Jordaan. Een volkomen ander leven zou beginnen. Een leven zoals het bedoeld was volgens het verhaal van de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn en de ontdekking van de richtlijnen voor een menselijke samenleving, daar midden in die woestijn. Daarom sprak Johannes aan de rand bij de rivier die liep tussen de woestijn en het beloofde land. Maar was die Jezus van Nazareth, die Jezus van de Bergrede nu de bevrijder die opnieuw de mensen naar een land overvloeiende van melk en honing zou brengen? Ooit had een profeet in het boek van de profeet Jesaja geschreven wat je dan te zien zou krijgen. We kunnen het nog nalezen in het negentwintigste hoofdstuk, in het zeventiende vers van dat hoofdstuk uit het boek van de profeet Jesaja. Daar staat precies hetzelfde als in het verhaal dat Lucas vandaag vertelt. Met die boodschap mogen de leerlingen van Johannes terug. Vertel hem wat je ziet. Als ze hem dat vertellen zal hij denken dat je uit het boek van de profeet Jesaja voorleest, daardoor zal hij weten dat de bevrijder gekomen is, dat je inderdaad mensen kunt oproepen een volkomen ander leven te gaan lijden.

Een leven dat vol staat van liefde, dat alle mensen weer mee laat doen en een plek in de samenleving geeft. Dan zorg je dat blinden kunnen zien, verlamden weer kunnen lopen, dat melaatsen, onreinen, paria’s, niet langer worden gemeden maar worden genezen, dat de doven weer kunnen horen, dat de armen hun plek aan tafel krijgen en geen honger meer hoeven lijden, dat mensen die voor dood zijn achtergelaten weer opstaan en mee mogen gaan in het leven. Ergerlijk is dat soms, dat idealisme, die mensen ook die steeds maar drammen op dat liefhebben en delen met elkaar, die steeds maar willen dat je de zwaksten en de armsten een nieuwe kans geeft, die drammen op eerlijke handelsverhoudingen en rechtvaardige inkomensverdelingen. Je kunt je ergeren aan mensen die het veroordelen dat de topinkomens weer vele malen meer zijn gestegen dan de gemiddelde lonen, aan mensen die er op wijzen dat er zelfs in ons rijke land honger wordt geleden. Maar de mensen die zich niet ergeren en zich laten overtuigen er iets aan te gaan doen zijn vele malen gelukkiger. Waarom staan die tollenaars eigenlijk in het gedeelte dat we vandaag aangereikt krijgen uit het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap. Het antwoord is dat ze er staan om ons duidelijk te maken waarover dit Bijbelgedeelte gaat.

Die tollenaars zijn een soort douaniers. Ze stonden niet alleen aan de grenzen van het land maar overal waar goederen in en uitgevoerd werden. Langs alle wegen en bij de toegangen van steden en dorpen. Ze werkten niet zoals de douaniers van vandaag volgens de regels van de staat maar hadden het heffen van tol gepacht. En dan is de regel dat hoe meer je heft hoe meer je verdient. De armsten worden daarvan het eerst slachtoffer. Die tollenaars zijn we vandaag dus allemaal. Via onze democratische wetgeving bepalen we samen hoeveel tol, invoerrecht, er geheven wordt op goederen uit het buitenland. En ook daar geldt hoe meer invoerrecht, hoe hoger de tol, hoe meer we verdienen. Soms omdat we goederen heel graag willen hebben en het dus niet kan schelen hoeveel tol er betaald moet worden, maar veel vaker omdat de hoge tol de producten uit vreemde landen zo duur maakt dat we liever vergelijkbare producten kopen die hier gemaakt zijn. De armsten worden daarvan het eerst het slachtoffer. Daarom moeten we zorgen voor rechtvaardige handelsverhoudingen zodat iedereen gelijke kansen heeft, zodat we elkaar in de wereld echt kunnen helpen. Zodat de droom van Jesaja eindelijk werkelijkheid wordt. Jezus liet zien dat het kan.

Ik zeg je: sta op!

Lucas 7:11-17

11 Niet lang daarna ging Jezus naar een stad die Naïn heet, en zijn leerlingen en een grote menigte gingen met hem mee. 12 Toen hij de poort van de stad naderde, werd er net een dode naar buiten gedragen, de enige zoon van een weduwe. Een groot aantal mensen vergezelde haar. 13 Toen de Heer haar zag, werd hij door medelijden bewogen en zei tegen haar: ‘Weeklaag niet meer.’ 14 Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan-de dragers bleven stilstaan-en zei: ‘Jongeman, ik zeg je: sta op!’ 15 De dode richtte zich op en begon te spreken, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder. 16 Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan, ‘en: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd!’ 17 Het nieuws over hem verspreidde zich in heel Judea en in de wijde omtrek. (NBV)

We lezen weer in het hoofdstuk waarin de schrijver van het Evangelie van Lucas wil duidelijk maken aan de Heidenen, die meelezen met de Romein Theofilus, wat nu de uitwerking van de Bergrede is. Voor de joden was dit een glashelder verhaal. De uitroep dat God zich om zijn volk heeft bekommerd maakt dat wel duidelijk, maar voor de Heidenen was die opwekking uit de dood natuurlijk veel indrukwekkender. En dat is jammer want het gaat hier niet om de wonderen maar om de mensen. Weduwen nemen in het verhaal van Israel een bijzondere positie in. Vrouwen horen er in de samenleving van Israel gewoon bij. Er wordt nauwelijks onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Alleen bij weduwen wordt een uitzondering gemaakt. Een weduwe zit immers zonder familie, en dus zonder land, en dus zonder inkomen.

Ze trouwde ooit in in de familie van haar man en leefde mee van de akker die bij de verdeling door Jozua toebedeeld was aan die familie. Als dan haar man sterft dan vervalt dat recht. De wet van Israel schrijft dan voor dat iemand anders uit de familie van haar man haar trouwt, die wordt de losser genoemd. Die verlost haar uit haar armoede en lost de trouwbelofte in dat ze tot haar dood mee mag eten van de akker uit de familie van haar man. Hier in Naïn is kennelijk geen losser geweest. Ook de zoon van de weduwe, die de akker van zijn vader zou hebben geërfd, is dood, zorgt niet meer voor zijn moeder. En zijn moeder staat huilend, en denk maar hongerend, aan de kant van de weg. Daartegen mag je opstaan en Jezus roept daar dan ook toe op. Daardoor lost hij de belofte in dat de weduwe gevrijwaard is voor armoede. Dat is dus het gevolg van de Bergrede.

Niet de hulp uit eigenbelang zoals tegenwoordig wel bepleit wordt, van hulp aan de armen moet dan het Nederlandse bedrijfsleven profiteren. Miljarden uittrekken voor dure medicijnen die niet in Afrika worden gemaakt maar in het rijke westen. Zodat de zieken in Afrika misschien genezen worden maar de aandeelhouders in de rijke landen de extra winst opstrijken van de farmaceutische industrie. Niet verplicht stellen dat de medicijnen ook in Afrika worden gemaakt, en niet de oneerlijke handelsbarrières opheffen zodat de genezen zieken ook in hun levensonderhoud kunnen voorzien, dat is schijn hulpverlening. Echte hulpverlening is op staan tegen de armoede en zorgen dat de armen zelf weer in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Het verhaal zoals Lucas dat vertelt leert ons hoe dat te doen.

Er is geen God

Psalm 53

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David. 2 Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 3 God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 4 Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 5 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan. 6 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, een angst als nooit tevoren. God zal het gebeente van je belagers verstrooien, lach maar om hen, want God heeft hen verworpen. 7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. (NBV)

De dwazen waarover in deze Psalm gezongen wordt zijn geen moderne atheïsten, zij die geloven dat God niet bestaat. Want die moderne ongelovigen geloven dus wel. Zij geloven in de rede, het menselijk verstand dat door hen vergoddelijkt wordt. Ze geloven dat een goed gebruik van het redelijk verstand ook het goede zal kunnen opleveren en dat het goede dan ook niet speciaal van buiten hoeft te worden voorgehouden. De dwazen waarover deze Psalm zingt zijn zij die al helemaal niet in het goede geloven als iets dat je zou moeten nastreven, als een maat voor het handelen van mensen. Je zou overigens de indruk kunnen krijgen van deze Psalm dat er helemaal geen gelovigen meer zijn. Er is niemand meer die het goede probeert te doen, laat staan dat er nog iemand is die op zoek is naar God.

Zo is het natuurlijk niet. Als iedereen doet waar die zelf zin in heeft en dat ook van iedereen goed vindt dan ontstaat er vanzelf een wereld vol oorlog en geweld. Dan regeert het recht van de sterkste en mag iedereen vol van angst zijn voor de sterkeren. Zelfs de sterken moeten bang zijn want er kan elk ogenblik iemand op staan die nog sterker is. Bewapening is dan het antwoord en als er meerderen zijn die elkaar kunnen bedreigen en zich kunnen bewapenen dan ontstaat vanzelf een wapenwedloop. Een wedloop die alleen verliezers kent. We kennen de wedloop in het klein tussen zogenaamde criminelen en de politie. Die laatste schiet eerder en gerichter. Zelfs bij een eenvoudige verkeerscontrole schiet de politie gericht op hen die zich aan die controle willen onttrekken. Criminelen die doen alsof de wereld van hen is bewapenen zich met steeds zwaardere wapens waardoor de wedloop ontstaat.

En van een dergelijke wedloop afkomen is niet eenvoudig. Niemand wil een oorlog met kernwapens, maar het lukt de grote mogendheden maar heel gering om afspraken te maken over het beperken en vernietigen van bestaande kernwapens. De Psalm die we vandaag meezingen geeft op het eind toch de richting waar we naar een oplossing voor de geweldspiraal moeten zoeken. De redding moet komen van Sion zingt de Psalm. En op de berg Sion in Jeruzalem werd de Wet van de God van Israël bewaard. Dat was het centrum van de aarde waar alle volken zich naar zouden moeten richten. Daar was immers een heersende wet die ook zegt “Gij zult niet doden” en probeer maar eens oorlog te voeren met die wet als absolute richtlijn voor alle deelnemenden. De richtlijnen van de Berg Sion, de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf zal ook in onze dagen weer de heersende grondregel moeten worden, daar kunnen zelfs de moderne atheïsten geen bezwaar tegen hebben. We kunnen met die leefregel elke dag opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Er is geen God

Psalm 53

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David. 2 Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 3 God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 4 Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 5 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan. 6 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, een angst als nooit tevoren. God zal het gebeente van je belagers verstrooien, lach maar om hen, want God heeft hen verworpen. 7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. (NBV)

De dwazen waarover in deze Psalm gezongen wordt zijn geen moderne atheïsten, zij die geloven dat God niet bestaat. Want die moderne ongelovigen geloven dus wel. Zij geloven in de rede, het menselijk verstand dat door hen vergoddelijkt wordt. Ze geloven dat een goed gebruik van het redelijk verstand ook het goede zal kunnen opleveren en dat het goede dan ook niet speciaal van buiten hoeft te worden voorgehouden. De dwazen waarover deze Psalm zingt zijn zij die al helemaal niet in het goede geloven als iets dat je zou moeten nastreven, als een maat voor het handelen van mensen. Je zou overigens de indruk kunnen krijgen van deze Psalm dat er helemaal geen gelovigen meer zijn. Er is niemand meer die het goede probeert te doen, laat staan dat er nog iemand is die op zoek is naar God.

Zo is het natuurlijk niet. Als iedereen doet waar die zelf zin in heeft en dat ook van iedereen goed vindt dan ontstaat er vanzelf een wereld vol oorlog en geweld. Dan regeert het recht van de sterkste en mag iedereen vol van angst zijn voor de sterkeren. Zelfs de sterken moeten bang zijn want er kan elk ogenblik iemand op staan die nog sterker is. Bewapening is dan het antwoord en als er meerderen zijn die elkaar kunnen bedreigen en zich kunnen bewapenen dan ontstaat vanzelf een wapenwedloop. Een wedloop die alleen verliezers kent. We kennen de wedloop in het klein tussen zogenaamde criminelen en de politie. Die laatste schiet eerder en gerichter. Zelfs bij een eenvoudige verkeerscontrole schiet de politie gericht op hen die zich aan die controle willen onttrekken. Criminelen die doen alsof de wereld van hen is bewapenen zich met steeds zwaardere wapens waardoor de wedloop ontstaat.

En van een dergelijke wedloop afkomen is niet eenvoudig. Niemand wil een oorlog met kernwapens, maar het lukt de grote mogendheden maar heel gering om afspraken te maken over het beperken en vernietigen van bestaande kernwapens. De Psalm die we vandaag meezingen geeft op het eind toch de richting waar we naar een oplossing voor de geweldspiraal moeten zoeken. De redding moet komen van Sion zingt de Psalm. En op de berg Sion in Jeruzalem werd de Wet van de God van Israël bewaard. Dat was het centrum van de aarde waar alle volken zich naar zouden moeten richten. Daar was immers een heersende wet die ook zegt “Gij zult niet doden” en probeer maar eens oorlog te voeren met die wet als absolute richtlijn voor alle deelnemenden. De richtlijnen van de Berg Sion, de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf zal ook in onze dagen weer de heersende grondregel moeten worden, daar kunnen zelfs de moderne atheïsten geen bezwaar tegen hebben. We kunnen met die leefregel elke dag opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Heer, spaar u de moeite

Lucas 7:1-10

1 Toen Jezus aan het eind was gekomen van zijn toespraak tot de menigte ging hij Kafarnaüm in. 2 Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld. 3 Toen hij over Jezus hoorde, zond hij enkele Joodse leiders naar hem toe om hem te vragen bij hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden. 4 Toen ze bij Jezus waren gekomen, drongen ze er bij hem op aan mee te gaan. Ze zeiden: ‘De man die u dit verzoekt, verdient het dat u hem deze gunst bewijst. 5 Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.’ 6 Jezus ging samen met hen op weg. Hij was al niet ver meer van het huis verwijderd, toen de centurio enkele vrienden naar hem toe stuurde met de mededeling: ‘Heer, spaar u de moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. 7 Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar u toe te gaan. Maar u hoeft maar te spreken en mijn knecht zal genezen zijn. 8 Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!” dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!” dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!” dan doet hij het.’ 9 Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich over hem; hij keerde zich om naar de menigte die hem volgde en zei: ‘Ik zeg jullie, zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!’ 10 Toen de vrienden van de centurio terugkeerden naar zijn huis, troffen ze daar de slaaf in goede gezondheid aan. (NBV)

Iedereen heeft wel eens gehoord van de Bergrede. In het zesde hoofdstuk van het Evangelie van Lucas kunnen we daarover lezen. De beroemde uitspraken als “heb je vijanden lief” en “heb je naaste lief als jezelf” klinken op de meest onverwachte momenten in onze taal nog door. Maar wat was de reactie toen Jezus uitgesproken was? Welke reactie schotelt de schrijver van het Evangelie van Lucas ons voor? Hij vertelt het verhaal over een bezetter. Een Romeins officier. De centurio hier genoemd, vroeger bekend als de hoofdman over honderd. In ons leger een kapitein waarschijnlijk, een commandant van een compagnie soldaten . Voor de inwoners van een bezet land geen beste, daar viel niet veel goeds van te verwachten. Maar dit lijkt een vijand die het volk lief heeft. Hij liet zelfs een synagoge voor het dorp bouwen.

En dat was niet niks want die synagogen waren uitvindingen van de Farizeeën die de wetten van het land zeer strikt wilden nakomen. Contacten met de bezetters waren daarbij uitgesloten. Komen in het huis van zo’n Romein was een grote overtreding van de wet. Maar zo’n Romein had dus voor hen het leerhuis gebouwd, waar het verhaal van Israel gelezen kon worden en waar de leer van Mozes bestudeerd kon worden. Die Romeinse centurio ging nu nog verder. Hij bekommerde zich om een zieke slaaf. Ongehoord voor Romeinen, slaven waren gebruiksvoorwerpen, als ze stuk waren deed je ze weg, het leven van slaven telde volstrekt niet mee in de Romeinse samenleving.. Maar in de nieuwe gemeenschappen van volgelingen van Jezus van Nazareth, zoals mensen als Paulus die hadden gesticht werden slaven beschouwd als gelijken van de vrijen. Daar was een hele nieuwe manier van omgaan met elkaar ontstaan.

En als de schrijver van dit Evangelie zich richt tot Theofilus, ook een Romein, dan is dit verhaal een toepassing van de Bergrede ook voor de Heidenen in die nieuwe gemeenschappen. Zo ga je dus met je slaven om. Je probeert ze beter te maken, je beschouwd ze als familie. Niet om zelf in het zonnetje te komen, niet om er een goede naam of faam mee te verwerven. Want de centurio spreekt duidelijk uit dat hij het zelf niet waard is om naar Jezus toe te komen. Dat Jezus ook niet voor hem een zo grote overtreding van de wetten van de Farizeeën hoefde te plegen. Als hij maar zou zeggen dat de slaaf beter was. Dat is dus geloof in Jezus van Nazareth, alles aan de kant voor de armsten, je huis, je bezit, je goede naam. Je naaste liefhebben als jezelf. De Bergrede als praktijk van alle dag, als richtlijn ook voor vandaag. Elke dag opnieuw mogen we die boodschap tot richtlijn van ons leven maken.

Veroordeel niet

Lucas 6:39-49

39 Hij sprak ook in gelijkenissen tegen hen: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil? 40 Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester. 41 Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 42 Hoe kan je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen, ”terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen. 43 Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. 44 Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. 45 Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over. 46 Waarom roepen jullie “Heer, Heer” tegen mij, maar doen jullie niet wat ik zeg? 47 Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: 48 hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. 49 Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’ (NBV)

Het zijn overbekende woorden die we vandaag lezen. Over de splinter en de balk, over het niet oordelen en over de blinde die de blinde niet kan leiden zonder dat beiden in dezelfde kuil vallen. Het borduurt voort op het gegeven dat we het goede moeten doen omdat van het kwade nooit iets goeds kan komen. Op het uitgangspunt van de leer van Mozes dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Op de wetenschap dat ieder mens fouten maakt, jij net zo goed als je naaste. Dat het echter niet gaat om bij de fouten te blijven staan maar juist om het goede voor elkaar te krijgen. Het speelt bij ons soms bij de eindexamens. Elk jaar weer zijn er leerlingen die zakken of lagere punten halen dan nodig door het rode potlood. Ze zijn hun hele schoolloopbaan geconfronteerd met het rode potlood dat hen vanaf elk proefwerk toeschreeuwde wat ze allemaal wel niet fout hadden gedaan. Dat er ook opgaven waren die ze juist heel knap hadden opgelost en antwoorden die ze beter hadden gegeven dan was verwacht werd hen nooit verteld. Daar ging dat rode potlood niet over. Pas als die leerlingen geleerd wordt weer in zichzelf te geloven, als er in plaats van het rode potlood voor de fouten een groen potlood voor de goede antwoorden wordt gebruikt, kunnen ze slagen.

Dat is ook wat Jezus ons voor elk gedrag voorhoud. Niet bezig zijn met wat er slecht is, maar, zoals het verhaal van Mattheüs vertelt, de hongerigen eten geven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de bedroefden troosten. Uiteindelijk gaan dan de blinden zien en de lammen lopen. Uiteindelijk wordt dan zelfs de dood overwonnen en alle tranen gedroogd. En nou niet roepen dat niemand meedoet en dat iedereen bezig is zelf rijk te worden. Dat is nu de balk in het eigen oog en de splinter in die van de buurman. Zorg dat je zelf het goede doet en niets dan het goede, maak mensen om je heen enthousiast voor het goede en laat ze meedoen, dan verdwijnen zowel de balk als de splinter. Doe mee! Maar gaat het dan over fundamentalisme? Meestal zien we mensen die hun levensovertuiging tot het fundament van de hele wereld willen maken en uiteindelijk daarvoor alles willen uitroeien wat daarmee in strijd is.

Jezus van Nazareth roept op om een eenvoudig principe tot fundament van je eigen leven te maken. Namelijk de regel dat van kwaad niets goeds kan komen en van goeds niets kwaads. Of iets goed of kwaad is merken we dus aan de uitwerking op de mensen. Zijn onze daden gebouwd om de wil het goede te doen en niet dan het goede? Accepteren we anderen zoals ze zijn? Met hun goede en met hun kwade kanten, zoals we zelf geaccepteerd willen worden? De vruchten van tolerantie zijn vrede, verdraagzaamheid en culturele verrijking en de vruchten van intolerantie zijn oorlog, angst en niet alleen culturele verarming maar ook daadwerkelijke economische verarming. Ons soort fundamentalisme is dus niet iets dat we anderen opleggen maar dat we onszelf opleggen. Dat maakt dat ons huis op een rots staat, dat we nooit bang hoeven te zijn dat het weggespoeld zal worden door maatschappelijke veranderingen. Als het verbeteringen zijn zullen we die veranderingen verwelkomen, we letten immers alleen op het goede.