Hij zal een teken zijn dat betwist wordt

Lucas 2:22-35

22 Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, 23 zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ‘Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.’ 24 Ook wilden ze het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven. 25 Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. 26 Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. 27 Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus’ ouders hun kind daar binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, 28 nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden: 29 ‘Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd. 30 Want met eigen ogen heb ik de redding gezien 31 die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: 32 een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’ 33 Zijn vader en moeder waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd. 34 Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, 35 en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.’ (NBV)

Dat Maria en Jozef de leer van Mozes zeer serieus namen was al gebleken uit hun reis van Nazareth naar Bethlehem. Want wie zou onder een wrede Romeinse bezetting het bevel van de Keizer durven trotseren en in plaats van thuis te blijven een lange reis te ondernemen? Maar in het verhaal van Lucas speelt de Hebreeuwse Bijbel nu eenmaal een belangrijke rol. Jezus van Nazareth was niet alleen een afstammeling van David, geboren op de akker die aan de familie van David was toegewezen, maar hij was opgenomen en opgevoed in de godsdienstige traditie van het volk Israël. Jozef en Maria hielden hun eerstgeboren zoon daarom niet zelf maar brachten hem naar de tempel, zoals was voorgeschreven voor een eerstgeboren zoon. Ooit was ook het verhaal van Koningen van Israël en dus ook het verhaal van Koning David begonnen met een moeder die haar kind naar de Tabernakel bracht. Die moeder was Hanna en dat kind was Samuel die later als priester en profeet de koningen van Israël zou zalven.

Toen Maria bij Elisabeth op bezoek was had ze nog het liet gezongen van Hanna, over machtigen die van de troon gestoten zullen worden en onvruchtbaren die vruchtbaar zullen zijn. Maria en Jozef nemen twee duiven mee, het voorgeschreven offer voor de armen, iedereen kan immers iets delen, hoe arm je ook bent. En ook in de Tempel klinkt een bijzonder lied voor het kind van Bethlehem. Er staat een profeet, Simeon, die niet eerder zou sterven dan dat hij de bevrijder van Israël zou hebben gezien. Dat klinkt als een eeuwig leven maar voor Simeon gaat het niet om zijn leven maar om het leven van alle mensen op de wereld. Die worden gered van oorlog en ellende, de wrede bezetting van alle volken zal voorbijgaan, het kind dat buiten alle regels om werd geboren is daarvan het teken. Ook Simeon put uit de liederen van het Oude Testament, vooral uit het boek Jesaja. De vader en moeder van Jezus van Nazareth waren verbaasd over alweer een lied en nu van een oude man. Maar ook hier geen romantiek, geen herdertjes en engeltjes die door het luchtruim zweven. Geen warme stal, geen grootse ontvangst in de Tempel. Nee, dat kind krijgt al het stempel mee van een dubieus optreden, een teken dat betwist zal worden.

Een teken dat nog steeds betwist is. Nu al spreken mensen er schande van dat de kerk zich op werpt als beschermer van kinderen die hier geworteld zijn door ze asiel in kerken te verlenen. In alle toonaarden wordt liever het kleine kindje, zijn zielige ouders, de arme herdertjes en de zwevende engeltjes bezongen. Maar in alle talen kwamen voorgangers vertellen dat we vooral lief voor elkaar moeten zijn en dankbaar dat God de wereld zo lief had dat hij een kindje geboren liet worden tegen alle verwachting in. Over het feit dat Maria als door een zwaard doorstoken zou worden praat men buiten de kerk niet. Over het feit dat we aan de slag moeten om heel de wereld te veranderen geen woord. Dat er geen zielige herdertjes zijn maar onderdrukten die recht gedaan moet worden is met Kerstmis meestal vergeten. Dat God ook aan de armsten een bestaan heeft beloofd en als ze dat bestaan niet hebben er rijken zijn die ze van dat bestaan hebben beroofd geen woord. Dat kind zou de belofte van Liefde voor de minsten in absolute geweldloosheid zelfs door de dood heen dragen. Daarom bestaat dat verhaal ook vandaag nog. Daarom klinkt ook nu nog de roep om mee te gaan op de weg van Jezus van Nazareth door te houden van je naaste als van jezelf, door te letten op de minsten op aarde, door de hongerigen te voeden, de armen recht te doen en de vluchtelingen te herbergen. Aan het werk dus.

Ja, ik kom spoedig!

Openbaring 22:12-21

12 ‘Ik kom spoedig, en heb het loon bij me om iedereen te belonen naar zijn daden. 13 Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.’ 14 Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan. 15 Buiten is de plaats voor de honden die zich bezighouden met toverij en ontucht, met moord en afgodendienst, voor iedereen die de leugen koestert en ernaar handelt. 16 ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten. Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster.’ 17 De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!’ Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft. 18 Ik verklaar tegenover eenieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; 19 en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn. 20 ¶ Hij die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, ik kom spoedig!’ Amen. Kom, Heer Jezus! 21 De genade van onze Heer Jezus zij met u allen. (NBV)

We lezen vandaag het slot van de Bijbel. Er wordt gesproken over het wassen van kleren, alle vuil verwijderen en schoon en fris opnieuw beginnen. Dat is niet iets wat je moet uitstellen tot na je dood, zoals in sommige kringen wel eens wordt beweerd. De komst van het Koninkrijk is niet voor de doden bestemd maar voor de levenden, er staat in de Bijbel zelfs dat de God van Israël geen God van de doden is maar een God van de levenden. Dat wassen van kleren doet je denken aan het afschudden van het stof aan je voeten. Dat moesten de leerlingen doen als ze ergens kwamen waar het woord van Jezus werd verworpen. Gewoon doorgaan, armen zijn er altijd om goed voor te doen. Eigenlijk roept een boek als Openbaring ons op voortdurend om ons heen te kijken, die ellende die er in beschreven wordt die kennen we wel. Maar zien we mogelijkheden om ergens iets van die ellende te verminderen, kracht krijgen we er voor, we mogen nu al drinken van het water dat leven geeft. we mogen ons en onze kinderen laten dopen en gemeenschappen stichten waar geen onderscheid meer is tussen slaaf en vrije, tussen mannen en vrouwen, tussen oud en jong, tussen arm en rijk, tussen allochtoon en autochtoon. Elke dag opnieuw mogen we daaraan werken, alsof Jezus morgen zal komen en ons aantreft al bouwende aan zijn Koninkrijk.

Het gevaar van een boek als Openbaring is dat we het boek als troost gaan lezen. Ooit komt er een dat we allemaal gelukkig zijn, verlost van de ellende waar we elke dag mee te maken hebben. Een droom die ons op de been houdt en ons de ellende helpt te verragen De gevangene van Patmos heeft in zijn ellende van dwangarbeid in de gloeiend hete zon op dat kleine eiland voor de kust van Griekenland als geen ander gezien waar die droom op zou moeten uitlopen. De oude droom van de rechtvaardige koning zou waar worden, de telg van David. Maar daar is dat boek van Johannes eigenlijk helemaal niet voor bedoeld. Het is geen boek van “stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw” Integendeel, het is een boek dat ons aan het werk zet. We moeten God aanbidden zegt de engel tegen Johannes, en als Christen weet hij dat God liefhebben boven alles hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Dat wie goed doet nog meer goed gaat doen en wie heilig is nog heiliger zal worden komt dan ook niet als een verrassing.

Maar dat Lam, en die bewering dat het spoedig komt! Het Lam herinnert niet aan de zondebok, de bok waarop de priester jaarlijks zijn handen legde zodat de zonden van het volk op de bok werd overgebracht waarna de bok de woestijn werd ingestuurd. Het Lam herinnert aan het lam dat werd geslacht en geroosterd op de laatste avond van de slavernij in Egypte. Het bloed van het Lam was aan de deurposten gesmeerd zodat ook de eerstgeborenen van Israël in leven bleven, in tegenstelling tot die van Egypte, daar moesten ze sterven. Het volk moest de maaltijd staande eten want elk moment kon de bevrijding komen. En kennelijk moeten we er nog steeds op beducht zijn dat elk moment de vrede voor de wereld kan aanbreken. We vragen er om, we komen er voor in beweging, we proberen mensen er voor warm te laten lopen, elke dag weer. En elke dag als we bezig zijn met de voorbereiding op de komst van dat Koninkrijk, de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven, de naakten te kleden, de gevangenen te bezoeken, de zieken te verzorgen, weten we dat de komst van dat Koninkrijk weer een stukje dichterbij gekomen is. We moeten nog een hele woestijn door maar het komt er aan, ook vandaag weer.

Ik kom spoedig!

Openbaring 22:1-11

1 Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. 2 In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing. 3 Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen hem vereren 4 en hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd. 5 Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn. En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid. 6 Toen zei hij tegen mij: ‘Wat hier gezegd is, is betrouwbaar en waar. De Heer, de God die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.’ 7 ‘Ik kom spoedig!’ Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek. 8 Ik, Johannes, was het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik alles gehoord en gezien had, wierp ik me neer aan de voeten van de engel die me deze dingen liet zien, om hem te aanbidden. 9 Maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en je medeprofeten, en zoals degenen die zich houden aan wat er in dit boek staat. Je moet God aanbidden.’ 10 Verder zei hij tegen me: ‘Houd de profetie van dit boek niet geheim, want de tijd is nabij. 11 Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten, en wie onrein is zal nog onreiner worden. Wie goed doet zal nog meer goed doen, en wie heilig is zal nog heiliger worden.’ (NBV)

Op verschillen de plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel klinkt de belofte door dat uiteindelijk de mensen weer in het Paradijs zullen wonen. Dat Paradijs kent dan het water dat leven geeft, als tegenstelling met de zee als water die de dood brengt, en de levensboom waarvan het eten van de vruchten eeuwig leven geeft en de bladeren genezing voor alle volken. De profeet Ezechiël spreekt er al over. Maar in de Hebreeuwse Bijbel stroomt het water van het leven en staat de boom met de genezende bladeren en de vruchten die eeuwig leven brengen in de Tempel in Jeruzalem. Voor onze schrijver op Patmos was er helemaal geen Tempel meer in het nieuwe Jeruzalem dat hij uit de hemel zag dalen. God woonde immers zelf in die stad, de rivier met levenswater ontspringt daarom in het verhaal van Openbaring aan de Troon van God en langs die rivier staan de levensbomen die elke maand een eigen vrucht geven en bladeren hebben die de volken genezing brengen.

Het wordt in het gedeelte van vandaag nog eens benadrukt. De troon van God zal in dat nieuwe Jeruzalem staan. Nu had ook de Hebreeuwse Bijbel het al gehad over de troon van God. Als die God groot werd gemaakt werd die troon een voetenbank, maar die troon of voetenbank stond in de Tempel in Jeruzalem. Het was de Ark van het verbond die als troon of als voetenbank voor God diende. In die Ark lagen de stenen platen waarop God zelf zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving had gegrift. Als die richtlijnen over de Wereld verspreid zijn en overal tot richtlijn voor het inrichten van de samenleving dienen dan ontstaat op de wereld een situatie die paradijselijk kan worden genoemd, dan is het overal vrede en hoeft niemand meer te sterven voor de tijd die daarvoor is gesteld. Als je de inhoud van de Ark als rivier benoemt dan zijn de bladeren de boeken van de profeten en de geschriften als de Psalmen. Zo is ook de indeling van de Hebreeuwse Bijbel, eerst de Torah, de leer die Mozes gegeven heeft, dan de profeten en tot slot de geschriften. Ze brengen alle volken genezing, we geloven dat nog steeds.

Dat is het tegendeel van wat er zal gebeuren met de Keizer van Rome die de Tempel in Jeruzalem had verwoest. Wie onrein is zal onreiner worden, wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten. Je hoeft dus niet te schrikken van de groeiende weerstand tegen gemeenschappen die proberen gestalte te geven aan hetgeen Jezus van Nazareth zijn volgelingen had op te trekken. Niet langer hoef je op te trekken naar de tempel, het staat al geschreven wat we moeten doen. We mogen nu al leven of Jezus van Nazareth elke dag zou kunnen komen, dat mogen we zelfs volhouden in de grootste ellende. De alfa en de omega, de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet vertellen ons dat. Van A tot Z ligt het vast. Dat is pas God aanbidden, meer is er niet. Daarom blijft voor ons het parool te blijven denken aan de minsten op aarde, aan de hongerigen in Afrika en de slachtoffers van natuurrampen, nooit zullen we een van hen in de steek mogen laten.

De straten van de stad waren van zuiver goud

Openbaring 21:9-27

9 Een van de zeven engelen met de offerschalen die gevuld waren met de laatste zeven plagen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.’ 10 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan. 11 De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. 12 Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. 13 Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit het noorden drie, vanuit het zuiden drie en vanuit het westen drie. 14 De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het lam. 15 Degene die met mij sprak had een gouden meetstok om daarmee de stad, de poorten en de muur op te meten. 16 De stad was vierkant, even lang als breed. Hij mat de stad met zijn meetstok: twaalfduizend stadie, zowel in de lengte als in de breedte en in de hoogte. 17 Hij mat de stadsmuur: honderdvierenveertig el, in gewone mensenmaat, die ook engelenmaat is. 18 De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. 19 De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuursteen, de derde kornalijn, de vierde smaragd, 20 de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. 21 De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. 22 Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. 23 De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht.24 De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof. 25 De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. 26 De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen. 27 Maar alles wat verwerpelijk is en iedereen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat, komt de stad niet binnen, alleen zij die in het boek van het leven staan, het boek van het lam. (NBV)

Zeven schalen met zeven plagen. Daar begint dit gedeelte uit het boek van de Openbaringen mee. De gevangene op het Griekse eiland Patmos, die de hele dag in de brandende zon op de kale rotsen dwangarbeid moest verrichten en wist dat ook zijn geloofsgenoten in het Romeinse Rijk aan grote verdrukking blootstonden, ziet in de eerste plaats nog meer ellende. De rampspoed die het volk Israël en de Christenen uit de Heidenen heeft getroffen is niet zomaar voorbij. Maar heeft volhouden zin? Komt er een eind aan het lijden? Het is een vraag die ook na twee eeuwen Christendom in de wereld meer dan brandt. We worden weliswaar bang gemaakt voor de Islam maar vlak het Christendom niet uit. In onze streken werd het Christendom in de dagen van Karel de Grote met vuur en zwaard gebracht. Vreedzame dorpen werden verbrand en wie weigerde gedoopt te worden werd gedood. Toen een paar eeuwen later Amerika werd ontdekt werd Latijns-Amerika gekerstend met ongekende wreedheid, in Noord Amerika werden de Heidense Indianenstammen nagenoeg uitgeroeid. Ook de slavernij die vervolgens werd ingevoerd werd goedgepraat met zogenaamde Christelijke argumenten en de Apartheid in Zuid Afrika werd tot diep in de vorige eeuw ook in ons parlement met Christelijke argumenten goedgepraat.

Kun je dan blijven volhouden dat het geloof van die gevangene op Patmos een zinvol geloof is? Hij droomt van een stad met twaalf poorten, waar iedereen uit de hele wereld welkom is dus. Een stad waar alle rijkdom en schoonheid van de wereld te vinden is. Een stad die rust op de grondstenen van de apostelen en daarmee op het verhaal van Jezus van Nazareth, op de richtlijnen die God had gegeven voor de menselijke samenleving. Een stad met gouden straten die schitteren als glas. In die stad is alle geld waardeloos geworden. Het goud ligt immers op straat. Daar is geen economische concurrentie meer. . Niet langer worden mensen uit hun huis gezet omdat het huis onbetaalbaar is geworden, niet langer is voedsel te duur om je kinderen te voeden. Het is ook vandaag een droom die het waard is nagestreefd te worden en tot werkelijkheid gemaakt. Het lijden van al die mensen vandaag nog steeds zou ons dubbel zo hard moeten laten werken om deze droom tot werkelijkheid te brengen. De droom van de stad van gerechtigheid heeft sinds de schrijver van Patmos de mensen altijd bezig gehouden. Vaak zijn de mensen afgegaan op alle vreselijke dingen die in het boek Openbaring te vinden zijn. Daarbij wordt vergeten, of verzwegen, dat die vreselijke dingen al sinds de dagen van de gevangene van Patmos tot op onze dagen in de wereld te vinden zijn.

Of het nu de vervolging van Christenen onder Romeinse Keizers, de kerstening van Germaanse en Friese stammen onder Karel de Grote, de strijd tegen de Islam tijdens de kruistochten, de verovering van Indië tijdens de VOC, de slavernij en de Apartheid, de holocaust in de vorige eeuw, de strijd en de verkrachtingen in oorlogsgebieden zijn. De opsomming kan maar een zeer klein deel van al het leed en de ellende bevatten die de volken overkomen zijn en die je terug kan vinden in de gruwelijke beelden die beschreven staan in het boek Openbaring. Als ooit de Liefde zelf regeert op aarde, dan zijn de richtlijnen van God vervult. Dan spreekt het vanzelf dat ieder de naaste liefheeft als zichzelf. Dan is er geen duisternis meer waar je doorheen moet en waar je de steun nodig hebt van iemand die met je meegaat. Juist vanuit lijden en onderdrukking wordt duidelijk hoe hard we moeten werken aan zo’n wereld. Daarom zijn er mensen die onophoudelijk roepen dat we niet genoeg doen en dat we misschien te laat zijn. Er zijn nog mensen die zwelgen in eigen gelijk, die winst en profijt voor zichzelf belangrijker vinden dan delen met de minsten, ze verafschuwen de hulp die aan de minsten wordt gegeven. De duistere figuren waarmee afgerekend dient te worden. Zij komen de stad niet in, tenzij ze zich bekeren en laten leiden door de Liefde. Laten wij het voorbeeld zijn.

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

Openbaring 21:1-8

1 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer.2 Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. 3 Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. 4 Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’5 Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak ik nieuw!’ -Ik hoorde zeggen: ‘Schrijf het op, want wat hier wordt gezegd is betrouwbaar en waar.’ 6 Toen zei hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft. 7 Wie overwint komen al deze dingen toe. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn. 8 Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood.’ (NBV)

We lezen de Bijbel graag zoals we een geschiedenisboekje lezen. En het bijzondere is dan dat de Bijbel niet alleen de jaartallen van het verleden beschrijft maar ook het heden en de toekomst. Als je zo de Bijbel leest kom je snel in problemen. De wetenschappelijke geschiedenisboekjes geven vaak andere feiten over gebeurtenissen dan de Bijbel en heel vaak zijn er van de verhalen uit de Bijbel nauwelijks of geen sporen in de wetenschappelijke geschiedenis te vinden. En waar dan in al die verhalen die in het verleden over de toekomst zijn geschreven ons heden te vinden is blijft al helemaal een raadsel laat staan dat de toekomst zich al herkenbaar in de verhalen bevindt. Neem nu het verhaal van vandaag. De profeet Jesaja had daar ook over gesproken, waar loopt de menselijke geschiedenis op uit. Maar Jesaja had niet durven opschrijven dat de dood niet meer zou zijn zoals Johannes schrijft, Jesaja schrijft dat niemand sterft voor de honderdste geboortedag en wie dat wel doet vervloekt is, geen kind sterft meer voor de ouderdom en geen ouder hoeft een kind groot te brengen voor een vreselijk lot.

De Bijbel heeft een eigen boodschap en gaat niet over de geschiedenis zoals de wetenschap die kan en moet vastleggen maar gaat over de verhouding tussen God en de mensen en hoe die verhouding zou moeten en kunnen zijn. En dan zijn Jesaja en Johannes het roerend met elkaar eens. De geschiedenis van God met de mensen loopt onontkoombaar uit op een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. Die hemel gaat op aarde wonen en wat wij ons allemaal bij de hemel kunnen voorstellen gaat op aarde gebeuren. God woont nu in de hemel zeggen we voor het gemak, we weten niet helemaal meer waar dat dan zou moeten zijn maar als God volmaakt is dan is ook zijn verblijfplaats volmaakt. Voor ons is God tegelijkertijd veraf en dichtbij, God gaat dan ook alle verstand te boven. Maar er komt dus een tijd dat we weer met God kunnen wandelen zoals van Adam en Eva en van Henoch wordt verteld in de Bijbel. De zee is in de Bijbel het symbool van de dood, afdalen in de zee overleef je niet, zelfs niet als een grote vis je opslokt. Vluchten voor God brengt je dan ook in de dood en op die nieuwe aarde kan dat niet meer, de zee is er niet meer, de dood dus ook niet.

Jesaja en Johannes schrijven in verschillende omstandigheden. Bij Jesaja breekt er een nieuwe tijd aan voor het volk Israël in nauwe verbondenheid met de God van Israël. De ballingen keren terug en zij hadden de ballingschap gebruikt om het verhaal van God en de mensen bij elkaar te brengen en voor zover mogelijk op te schrijven. Als Jeruzalem en de Tempel klaar zijn zullen ze de richtlijnen van die God voor het inrichten van de samenleving dan ook in zijn geheel voorlezen. Er moet dus wel iets nieuws beginnen volgens Jesaja en dat is al begonnen toen God ging werken aan die terugkeer. Voor Johannes is de situatie helemaal anders. Hij is na vervolging oorlog en opstand als dwangarbeider op een klein eiland terecht gekomen . Het is niets dan ellende dat zijn volk meemaakt, De Tempel in Jeruzalem is verwoest, de stad ligt in puin en het volk is over het Romeinse rijk verspreid. Zo kan dat verhaal met die God, die nooit het werk van zijn hand laat varen, niet aflopen. Jezus van Nazareth had niet voor niets beloofd met zijn volgelingen te zijn tot de aarde voltooid zou zijn. Er moet dus wel iets nieuws beginnen, een hele nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Voor Johannes kan het niet lang duren, het zal spoedig zijn. En als wij om ons heen kijken kan het nog steeds niet lang duren, verwoestende oorlogen in Syrië, Iran, Irak, Palestina en Israël en ziekten als Ebola teisteren de aarde. Wij hebben geleerd dat ook wij ons die richtlijnen van de God van Israël steeds weer moeten laten voorlezen en steeds opnieuw moeten beginnen om ze in de praktijk te brengen. Zo beginnen we alvast met dat nieuwe, nu en in het nieuwe jaar weer.

Iedereen werd geoordeeld naar zijn daden

Openbaring 20:11-15

11 Toen zag ik een grote witte troon en hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten van hem weg en verdwenen in het niets.12 Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden. 13 De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af. En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden. 14 Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. 15 Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid. (NBV)

Sinds de bezetting van het land Israël door uiterst wrede Griekse koningen, je kunt daarover lezen in de boeken van de Makkabeeën die op de rand van de Bijbel staan, vond men het in Israël zeer onrechtvaardig als er voor de slachtoffers van de terreur van de bezetters geen gerechtigheid zou bestaan. Dat kon men eigenlijk niet geloven. Daarom werd de oude overlevering over de adem van God die naar God zou terugkeren uitgebreid. In Genesis kun je lezen dat God een grens aan de leeftijd van de mens stelde. Ouder als 120 jaar zou een mens niet kunnen worden. En daar God de mens uit aarde had gevormd en met zijn adem de mens het leven had gegeven zou de mens weer tot stof vergaan en de adem van God zou naar God terugkeren. Een prachtig beeld op zich. Maar alleen als alle mensen dat ook verdienen. En wie Gods adem verspilt door anderen het leven te benemen of onmogelijk te maken verdient die rust aan de boezem van God niet. Daarom ontstond er het geloof dat er op een dag een oordeel zou komen waarin God de doden zou oordelen naar hun daden.

Een geloof dat ook in de dagen van Johannes een zeer toepasselijk geloof was. In het Romeinse Rijk immers telde een leven niet. Mensen vonden de dood in de arena, waar sterven op allerlei manieren een volksvermaak was geworden, mensen vonden de dood omdat ze geloofden in de Messias Jezus van Nazareth die was opgestaan uit de doden. Johannes zelf zat gevangen op een eiland waar mijnen waren en gevangenen en slaven in de mijnen zo hard moesten werken dat velen er aan dood gingen. De dood van die slaven telde voor geen Romein, alleen de opbrengst van de mijnen telde mee. Een oordeel van een God over deze wrede daden, wanneer en hoe dan ook, zou voor de slachtoffers gerechtigheid brengen, zoals het goud gereinigd werd van ongerechtigheden door het vuur zou ook de aarde door een poel van vuur gereinigd worden van hen die onrecht deden aan hun medemensen. En als zij, die niet in het boek van het leven stonden, in de vuurpoel waren geworpen dan hoefde je er nooit meer aandacht aan te schenken en vooral: je hoefde er nooit meer bang voor te zijn. Voorgoed zouden de mensen bevrijd zijn van onrecht, geweld en onderdrukking.

Het zijn dromen die vandaag de dag nog vele onderdrukten zullen aanspreken. Want wanneer komt de dag, wanneer zal het zijn, dat de aarde bevrijd is van oorlog, geweld en onderdrukking? Eigenlijk is zo’n droom van het oordeel over de goeden en de kwaden een aansporing voor ons levenden om te werken aan een aarde waar onrecht, geweld en onderdrukking verdwenen zijn. Juist in het begin van een nieuw kalenderjaar moeten we ons realiseren dat de pijn van wreedheid en onrecht generaties kan voortduren. Dat het mensenlevens kan duren voordat soms een begin kan worden gemaakt met het herstel van onrecht. Dat wij de slachtoffers moeten blijven gedenken om niet weer in de verleiding te komen anderen uit te sluiten op grond van een geloof of een uiterlijk, tot ons eigen voordeel, of om onze eigen angst voor het leven te bedwingen. Laten wij blijven kiezen voor het leven zodat onze wereld terecht komt in het boek van het leven, daartoe roept vandaag ook Johannes ons op.

En ketende hem voor duizend jaren

Openbaring 20:1-10

1 Ik zag een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de onderaardse diepte en zware ketenen in zijn hand. 2 Hij greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of Satan wordt genoemd, en ketende hem voor duizend jaren. 3 Hij gooide hem in de diepte, sloot de put boven hem en verzegelde die, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden tot de duizend jaar voorbij waren; daarna moet hij korte tijd worden losgelaten. 4 Ook zag ik tronen, en aan hen die erop zaten werd recht gedaan. Het zijn de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken; zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden en ook zijn merkteken niet op hun voorhoofd of hun hand gekregen. Zij waren tot leven gekomen en heersten duizend jaar lang samen met de messias. 5 De andere doden kwamen niet tot leven voordat de duizend jaar voorbij waren. Dit is de eerste opstanding. 6 Gelukkig en heilig zijn zij die deelhebben aan de eerste opstanding. De tweede dood heeft geen macht over hen. Zij zullen priester van God en van de messias zijn en duizend jaar lang samen met hem heersen. 7 Wanneer de duizend jaar voorbij zijn, zal Satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. 8 Dan gaat hij eropuit om de volken aan de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog, te misleiden. Hij brengt hen voor de strijd bijeen, een menigte zo talrijk als zandkorrels aan de zee. 9 Ze trekken op, over de hele breedte van de aarde, en omsingelen het kamp van de heiligen en de geliefde stad. Maar vuur daalt neer uit de hemel en verteert hen. 10 En de duivel, die hen misleidde, wordt in de poel van vuur en zwavel gegooid, bij het beest en de valse profeet. Daar zullen ze dag en nacht worden gepijnigd, tot in eeuwigheid. (NBV)

Dat zou toch eens mogelijk moeten zijn, dat het kwade voor duizend jaren van de aarde is verdwenen. Duizend jaren lang geen volkerenmoord, geen diefstal of oorlog, geen ongelukken en zich dooddrinkende kinderen, geen tranen die vergoten moeten worden, geen helden vermoord die niet vergeten mogen worden. Duizend jaren lijkt een eeuwigheid maar de eeuwigheid begint pas als God zich zelf op aarde heeft gevestigd. Dat het kwade voor duizend jaren van de aarde wordt verdreven wordt hier beschreven als het opsluiten met extra zware kettingen in de put onder de aarde. Het zijn beelden, dichterlijke beelden. We geloven niet in de Satan, maar hoe moeten we er anders over praten, het kwade is niet een abstractie, niet een woordenspel dat alleen in verbeelding bestaat, het kwade is zeer reëel en soms pijnlijk tastbaar onder ons en in ons aanwezig. Elk jaar herdenken we de slachtoffers van het kwade, van een Satan die zichzelf een duizend jarig rijk wilde scheppen, zoals er in de menselijke geschiedenis meer Satans zijn geweest die de aarde wilden beheersen en in hun macht wilden krijgen met geweld. En we moeten vrezen dat er na ons ook nog dergelijke Satans zullen komen.

Maar we mogen elk jaar ook de bevrijding van deze Satan vieren en het vieren van die bevrijding mag ons helpen te voorkomen dat er nieuwe Satans kunnen opstaan. Dat na duizend jaar van vrede de Satan weer de gelegenheid krijgt de volken te verleiden op te staan tegen de stad die de liefde van God heeft. Bedoeld wordt natuurlijk het Jeruzalem zoals wij dat uit de Bijbel kennen. De stad waar de richtlijnen van God wordt bewaard en beoefend. De richtlijndn die zeggen dat we overal op de wereld onze naaste lief moeten hebben als onszelf en dat iedereen, van alle volken en talen, mee moet kunnen doen met het uitoefenen van die richtlijnen. De machten die dat willen bestrijden hebben niet het laatste woord en zullen nooit het laatste woord hebben. Zij die het slachtoffer geworden zijn, zij die opstonden tegen dat kwade en daar het leven bij lieten zullen we op tronen moeten blijven zetten en blijvend gedenken, ook als voorbeeld voor onszelf en onze kinderen en kleinkinderen.

Want het verzet van alle goede mensen tegen het kwade vormt uiteindelijk de schakels van de ketting waarmee het kwade gebonden wordt en verdreven wordt van de aarde. En het herdenken houdt hen levend die hun leven voor onze vrijheid hebben gegeven. Zij blijven leven en sterven nooit de dood van vergetelheid of onverschilligheid zoals de beulen zullen sterven, hun namen kennen we niet meer, hun daden zijn het kwade waarvan wij bidden verlost te mogen worden. Als wij eenmaal er in geslaagd zijn het goede te doen overwinnen op het kwade, als God eenmaal op aarde woont, dan zal het kwade lijden onder het zijn van het kwade. Hier gebruikt Johannes beelden uit de Griekse mythologie. Daar waren het de helden, die opstonden tegen de goden, die gepijnigd werden vanwege hun opstand, hier is het het kwade zelf dat dag en nacht gepijnigd wordt zonder einde. En met het benoemen van het kwade als kwaad mogen we nu al beginnen, breng ons niet in verleiding heet het, maar laten we het goede doen door van onze naaste te houden, vandaag al.

Kom naar Gods grote maaltijd

Openbaring 19:11-21

11 Ik zag dat de hemel geopend was, en dit zag ik: een wit paard met een ruiter, die ‘Trouw en betrouwbaar’ heet, die een rechtvaardig vonnis velt en een rechtvaardige strijd voert. 12 Zijn ogen waren als een vlammend vuur en op zijn hoofd had hij veel kronen. Er stond een naam op hem geschreven die niemand kende, alleen hijzelf. 13 Hij droeg met bloed doordrenkte kleren. Zijn naam luidde ‘Woord van God’. 14 De hemelse legermacht, gekleed in zuiver, wit linnen, volgde hem op witte paarden. 15 Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee hij de volken zal slaan, en hij zal hen met een ijzeren herdersstaf hoeden. Hij zal de wijnpers van de hevige woede van de almachtige God treden. 16 Op zijn kleding en op zijn dij staat de naam ‘Hoogste Heer en koning’. 17 Toen zag ik een engel midden in de zon staan. Luid riep hij tegen de vogels die hoog in de lucht vlogen: ‘Kom naar Gods grote maaltijd. 18 Dan krijg je het vlees te eten van koningen, legeraanvoerders en machthebbers, het vlees van paarden en hun ruiters, van slaven en van vrije mensen, het vlees van jong en oud.’ 19 Ik zag dat het beest en de koningen op aarde zich met hun troepen hadden verzameld om oorlog te voeren met de ruiter op het paard en zijn legermacht. 20 Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn tekenen had verricht, waardoor hij iedereen had misleid die het merkteken van het beest droeg en zijn beeld aanbad. Levend werden ze in de vuurpoel met brandende zwavel gegooid. 21 De rest werd gedood door het zwaard dat uit de mond van de ruiter op het paard kwam, en alle vogels aten zich vol aan hun vlees. (NBV)

Was er nu een macht die dat machtige Romeinse Rijk zou kunnen verslaan? Velen hadden het geprobeerd. Langs de randen van het Romeinse Rijk waren er steeds weer stammen en volken die het Rijk wilden binnenvallen. Van tijd tot tijd kwam er ook een provincie in opstand die het Romeinse juk wilde afschudden. Steeds tevergeefs. Ook het Joodse volk had een aantal keren geprobeerd om in opstand te komen. De laatste opstand voor het boek Openbaring werd geschreven, de opstand uit het jaar 70, had er toe geleid dat de Tempel in Jeruzalem werd verwoest en het volk Israël werd verspreid over de aarde. Voor een Jood als Johannes moet de toekomst er wel zwart en uitzichtloos hebben uitgezien. Maar vandaag lezen we een hoofdstuk waarin de toekomst van het volk van de God van Israël er allerminst somber en uitzichtloos uitziet, integendeel. De overwinning is aan het Woord van God want dat Woord is trouw en betrouwbaar. Dat Woord van God was Jezus van Nazareth en zijn bevel was om je naaste lief te hebben als jezelf, dat was het dienen van de God van Israël. Dat bevel zou uiteindelijk tot de val van het Romeinse Rijk leiden.

Maar wel uiteindelijk, de kleren van de ruiter op het witte paard waren niet voor niets besmeurd met bloed. Het zijn droombeelden, dichterlijke vergelijkingen van wat je niet rechtstreeks kan zeggen. Ook Johannes kon niet weten wanneer en hoe precies de hemel op aarde zou komen, maar wat hij wel kon zeggen is dat de liefde van God, zoals Jezus van Nazareth die had voorgeleefd door de dood heen, dat Goddelijke liefde die in mensen wilde gaan wonen en die daar ook was gaan wonen, uiteindelijk een machtig rijk als het Romeinse Rijk tot de ondergang zou dwingen. Dat leger gekleed in zuiver wit linnen op witte paarden was het leger van al die mensen die Jezus van Nazareth waren gevolgd en die hem nog zouden volgen in het doen van het goede en niet dan het goede. Dat woord van heb Uw naaste lief als Uzelf zou nog vele volken verslaan en tot bloedvergieten leiden, tegenstanders van de liefde en liefhebbers van de macht in de geschiedenis genoeg. Maar er is uiteindelijk maar één Heer op aarde en dat is de God van Israël.

Romeinse Keizers lieten zich voor een veldslag adviseren door een waarzegger die de afloop van de veldslag voorspelde uit de manier waarop de vogels overvlogen. Voor Johannes en de zijnen waren zulke voorspellingen leugen en bedrog, zoals nu de astrologische voorspellingen in dag en weekbladen en dagelijks op TV leugen en bedrog zijn. Die voorspellingen kunnen nooit verhinderen dat uiteindelijk de machtigen het onderspit zullen delven. De vogels die zo prachtig de toekomst van de keizer en zijn metgezellen zouden moeten kunnen voorspellen gebruiken die keizer en diens metgezellen als vogelvoer, sterker zijn ze niet. Ook in onze dagen zijn er nog velen op aarde die de mensen denken te kunnen onderdrukken met geweld, uiteindelijk zullen ze ten onder gaan aan de liefde tussen mensen voor mensen. Maar alleen als wij vandaag nog beginnen te leven volgens het gebod onze naaste lief te hebben als onszelf, want als wij daarmee beginnen zullen velen ons volgen.

Ik bepaal of de tijd is gekomen

Psalm 75

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Een psalm van Asaf, een lied. 2 Wij loven, God, wij loven u, uw naam is ons nabij, uw wonderen gaan van mond tot mond. 3 ‘Ja, ik bepaal of de tijd is gekomen, ik zal oordelen naar recht en wet. 4 Al beeft de aarde met haar bewoners, ik heb haar op zuilen vastgezet. 5 Tot de hoogmoedigen zeg ik: Wees niet hoogmoedig, tot de trotse zondaars: Verhef je niet, 6 verhef je niet tegen de hemel, spreek niet op hoge toon.’ 7 Niet uit het oosten, niet uit het westen, niet uit de woestijn komt verheffing, 8 het is God die rechtspreekt en de een vernedert, de ander verheft. 9 In zijn hand houdt de HEER een beker met wijn, schuimend en bitter gekruid, hij schenkt hem uit aan de zondaars op aarde, zelfs de droesem moeten zij drinken. 10 Ik wil er altijd over spreken, erover zingen voor de God van Jakob: 11 ‘De trots van de zondaar zal ik breken, de rechtvaardige zal worden verheven.’ (NBV)

We beginnen het nieuwe jaar met het zingen van een loflied. God lof, er is weer een nieuw kalenderjaar. Het is een lied waarin we ons laten gezeggen door God zelf, het lijkt zelfs wel of God ons vandaag zelf toezingt. We wensen elkaar zo gemakkelijk een gelukkig nieuwjaar, het is tegenwoordig vaak versleten door een gedachteloos uitgesproken “de beste wensen”. Deze Psalm herinnert ons er aan dat het beste ook in dit jaar komt van de God van Israël. Niet je eigen grote borst opzetten, niet je eigen trucjes om je concurrenten te verslaan en de beste te worden in je vak, je straat, de baas in je gezin of je familie, de voortdurende winnaar in je sportwedstrijden maken dat je groot bent of nog groter wordt. Of je boven de middelmaat uitsteekt wordt bepaald door de God van Israël en wanneer je boven de middelmaat uitsteekt wordt ook bepaald door de God van Israël.

Al die zelfverheffing is volgens de Psalmist maar een bitter gebeuren. Het smaakt wel als wijn, het ziet er zo uit en het ruikt ook zo, maar het is bitter gekruid. Je bent het zelf die je groot maakt, de Prediker zou zeggen dat het lucht en leegte is en dus najagen van wind. Wie echt zal worden verheven, en dat zal ook dit komende jaar zo zijn, is de rechtvaardige. En we weten dat de rechtvaardige anderen tot hun recht zal laten komen. Niet zomaar anderen, idolen hebben we niet en zelfgemaakte grootheden lopen we niet na. Het zijn de mensen die niet groot zijn, de minsten, de zieken, de gehandicapten, de mensen langs de kant van de weg, de vreemdelingen, die door de gelovigen recht worden gedaan. Ze gaan in de gelovige gemeenschap weer meetellen. Daar valt de afkomst, het bezit, het geslacht weg als het gaat om onderscheid. Het enige onderscheid dat telt is het onderscheid tussen rechtvaardige en onrechtvaardige, tussen gelovige en ongelovige. Doe je mee in die bijzondere gemeenschap of leef je alleen voor jezelf?

Denk nu niet dat het alleen om individuen gaat, of dit achter voordeuren kan worden opgsloten. Ook in het nieuwe jaar zal het er om gaan om de samenleving zo in te richten dat iedereen weer meetelt. Dat de voedselbanken de mensen voldoende kunnen helpen maar ook dat we inkomen en welvaart zo gaan verdelen dat de voedselbanken overbodig worden. In het nieuwe jaar zullen we ook af moeten van de papierlozen. Mensen zijn niet illegaal, mensen zijn broeders en zusters en in elk geval broeders en zusters van de gelovigen hier in ons land. We zullen ook de moeilijkst te plaatsen papierlozen een plaats moeten geven waar ze weer mee kunnen tellen, waar ze weer een aandeel kunnen leveren aan de wereldsamenleving. De psalm van vandaag zingt dat het kan, dat het moet, maar ook dat het zal gebeuren. Aan ons of we ook in het nieuwe jaar mee willen blijven zingen voor de God van Israël. Dan is er veel heil en zegen in het nieuwe jaar, voor ieder van ons, elke dag weer.

Hoe goed is het te zingen

Psalm 147

1 Halleluja! Hoe goed is het te zingen voor onze God, hoe heerlijk hem onze lof te brengen. 2 De bouwer van Jeruzalem, dat is de HEER, hij brengt de ballingen van Israël bijeen. 3 Hij geneest wie gebroken zijn en verzorgt hun diepe wonden. 4 Hij bepaalt het getal van de sterren, hij roept ze alle bij hun naam. 5 Groot is onze Heer en oppermachtig, zijn inzicht is niet te meten. 6 De HEER richt de vernederden op en drukt de goddelozen neer. 7 Hef voor de HEER een hymne aan, zing voor onze God een lied bij de lier, 8 voor hem die de hemel met wolken bedekt, die de aarde met regen doordrenkt, die het gras op de bergen laat groeien, 9 die voedsel geeft aan de dieren, aan de roepende jongen van de raaf. 10 Niet de kracht van paarden verheugt hem, niet de sterkte van soldaten geeft hem vreugde, 11 vreugde vindt de HEER in wie hem eren en in wie hopen op zijn liefde en trouw. 12 Prijs, Jeruzalem, prijs de HEER, loof, Sion, loof je God. 13 Hij heeft de grendels van je poorten versterkt, het volk binnen je muren gezegend. 14 Hij geeft je vrede en veilige grenzen, met vette tarwe stilt hij je honger. 15 Hij zendt zijn bevelen naar de aarde, vlug als een renbode gaat zijn woord. 16 Hij laat het sneeuwen als wol, rijp strooit hij uit als stof, 17 hagel werpt hij in brokken neer, wie is tegen zijn koude bestand? 18 Hij zendt zijn woord en alles smelt, hij stuurt zijn adem, de wateren stromen. 19 Hij maakt zijn woorden aan Jakob bekend, zijn wetten en voorschriften aan Israël. 20 Met geen ander volk heeft hij zich zo verbonden, met zijn wetten zijn zij niet vertrouwd. Halleluja!(NBV)

Je zou misschien een ogenblik de gedachte kunnen krijgen dat de God waarover deze Psalm zingt een natuurgod is. De God die de hemel met wolken bedekt, die de aarde met regen doordrenkt, die het gras op de bergen laat groeien, die voedsel geeft aan de dieren, aan de roepende jongen van de raaf. Maar als je nauwkeuriger de Psalm leest dan zie je dat het anders in elkaar zit. Die zinnen over de natuur gaan over vruchtbaarheid en waar je van leeft. Daar zorgt die God voor en in de oogsttijd is er alle reden om daarover te zingen. Wellicht dat deze Psalm dan ook een lied is dat in de oogsttijd gezongen werd. Voor ons, als we tenminste stedelingen zijn, is de regen in de zomer nu niet het meest welkome geschenk van God, maar als je in een woestijnklimaat afhankelijk bent van een geregeld regenseizoen met overvloedige regen die het land bevloeid en vruchtbaar maakt is die regen een werkelijk Godsgeschenk. De Psalm vertelt ons echter nog meer. Dat het goed is om te zingen voor God, dat zal wel, dat het heerlijk is om die God te prijzen zal ook wel.

Maar dat die God ook Heer is, de enige politieke kracht die echt telt, de ballingen van Israël bijeen brengt en bouwer van Jeruzalem is dat zegt ons niet zoveel. De zangers van de Psalm des te meer. Het volk Israel was immers weggevoerd naar een ver en vreemd land met een heel andere godsdienst. Na vele jaren waren ze teruggekomen naar dat land en hadden ze hun Tempel en hun stad weer opgebouwd. Daar zou een nieuwe samenleving moeten komen. Een samenleving waar wie gebroken is genezen zou worden, waar diepe wonden zouden worden verzorgd. Waar niet meer de maan en de sterren aanbeden zouden worden maar de God die maan en sterren te boven gaat. De toekomst laat zich dan ook niet uit de sterren voorspellen en wie je bent hangt niet van de stand van de sterren af. In die nieuwe samenleving van die God van Jeruzalem worden de vernederden weer opgericht, daar worden de goddelozen verdrukt, als je de oogst binnenhaalt mag je daarvoor nog wel een keer extra zingen.

Want waar gaat het om. Je mag Jeruzalem prijzen, daar wordt die bijzondere goddelijke richtlijn voor de menselijke samenleving van Israel bewaard in het hart van de samenleving. De richtlijn van samen delen, van je naaste liefhebben als jezelf. In de poorten wordt op basis van die grondregel recht gesproken tussen mensen en als de grendels van de poorten zijn versterkt wordt er pas echt dag en nacht recht gedaan aan mensen, dat recht is als een sterke muur die de zwaksten beschermd. Dan is er voor niemand op de wereld meer honger want alle oogst wordt immers met iedereen gedeeld. Dat geldt dus voor de hele aarde. Die God is dus geen natuur god, het maakt niet uit of het hagelt of vriest, of heet is of wateren stromen of uitdrogen, als we allemaal met elkaar delen is de zwaarste tijd te doorstaan. Dat is de Leer uit de Woestijn, de woestijn die je samen kunt doorkomen als je onvoorwaardelijk op elkaar kunt vertrouwen, met die grondregel mogen ook wij ons verbonden weten, en dat is echt wel een lied waard, ook vandaag weer.