Heel het volk liet zich dopen

Lucas 3:15-22(38)

15 Het volk was vol verwachting, en allen vroegen zich af of Johannes misschien de messias was, 16 maar Johannes zei tegen hen: ‘Ik doop jullie met water, maar er komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 17 hij houdt de wan in zijn hand om de dorsvloer te reinigen, het graan zal hij bijeenbrengen in zijn schuur en het kaf in onblusbaar vuur verbranden.’ 18 Op deze en andere wijze spoorde hij de mensen aan en verkondigde hij hun het goede nieuws. 19 Maar de tetrarch Herodes, die door Johannes was terechtgewezen in verband met Herodias, de vrouw van zijn broer, en vanwege al zijn andere wandaden, 20 voegde aan alle slechte dingen die hij had gedaan nog toe dat hij Johannes opsloot in de gevangenis. 21 Heel het volk liet zich dopen, en toen ook Jezus was gedoopt en hij aan het bidden was, werd de hemel geopend 22 en daalde de heilige Geest in de gedaante van een duif op hem neer, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ (NBV)

Die Johannes moet een verpletterende indruk gemaakt hebben, heel het volk liet zich door hem dopen. Paulus zal veel later op zijn reizen in Klein Azië nog volgelingen van Johannes tegenkomen aan wie hij moet uitleggen hoe de verhouding was tussen Jezus van Nazareth en Johannes de Doper. In het verhaal zoals ons dat vertelt wordt in het Evangelie van Lucas neemt Jezus van Nazareth de prediking van de oproep tot verandering naadloos over van Johannes de Doper als deze eenmaal door koning Herodes gevangen is gezet. Deze Herodes was de opvolger van de Herodes die koning was toen Johannes en Jezus geboren werden. Sommigen vragen zich trouwens af door wie Jezus van Nazareth eigenlijk gedoopt was want eerst wordt verteld dat Johannes de Doper gevangen is gezet en daarna wordt verteld dat ook Jezus van Nazareth gedoopt werd.

Hoe het ook zij, toen Jezus van Nazareth zijn werk begon wilde iedereen wel de kant uit van delen en zorgen voor de naaste zoals Johannes de Doper had verkondigd. Dat de geschiedenis van Johannes de Doper diepe indruk had gemaakt blijkt ook uit de geschiedschrijving van het volk van Israël. Joden wezen de aanbidding van de Romeinse Keizer als god af, ze hielden een vrije dag in de week en ze hadden ingewikkelde regels over wat ze wel en niet mochten eten. In het Romeinse Rijk waren ze daarom vaak buitenbeentjes. De Joodse Historicus Flavius Josephus schreef in het begin van onze jaartelling een paar boeken ter verdediging van de Joden. In zijn boek over de Joodse geschiedenis komt ook Johannes de Doper voor. Tegenover de liederlijkheid van het hof van Herodes wordt Johannes de Doper geschilderd als een goed man die de Joden opgeroepen had deugdzaam te leven door gerechtigheid te betrachten en zich te laten dopen. Uit dat boek komt ook het verhaal over Salome en de dans voor de Koning die als beloning het hoofd van Johannes de Doper op een schaal kreeg.

Het evangelie van Lucas is het enige verhaal dat vertelt dat Jezus van Nazareth aan het bidden was toen dat visioen met die duif en de stem die riep dat hij de zoon van God was gebeurde. Wil je een taak op je nemen als die van Johannes de Doper dan moet je wel alle moed verzamelen. De beste manier omdat te doen is je helemaal open stellen voor het Woord van God, alle verhalen in je op nemen en je volledig overgeven aan het vertrouwen dat God met je mee gaat als je de Weg van de God van Israël volgt en mensen oproept om te delen met elkaar van wat ze hebben en er samen voor te zorgen dat iedereen kan meedoen en niemand meer honger heeft of langs de weg hoeft te blijven zitten, dat noemen we bidden. De volgelingen van Jezus van Nazareth die deze omkeer maakten waren daar later zo blij over en wilden dat zo radicaal doen dat ze zich met hun hele gezin en iedereen die daar bij hoorde lieten dopen. Zo zijn we in de geschiedenis van de Kerk aan de kinderdoop gekomen. Het teken dat mensen met alles wat ze hebben willen horen bij een beweging waar het delen van wat je hebt en wat je te eten hebt voorop staat. Waar het gaat om de minsten van de wereld. Bij die beweging kun je je elke dag opnieuw weer aansluiten, ook vandaag.

Luid klinkt een stem in de woestijn

Lucas 3:1-14

1 In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus Judea bestuurde, en Herodes tetrarch was over Galilea, zijn broer Filippus over het gebied van Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene, 2 en toen Annas en Kajafas hogepriester waren, richtte God zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias. 3 Daar ging Johannes in de omgeving van de Jordaan verkondigen dat de mensen zich moesten laten dopen en tot inkeer moesten komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen, 4 zoals geschreven staat in het boek met de uitspraken van de profeet Jesaja: ‘Luid klinkt een stem in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden! 5 Iedere kloof zal worden gedicht, elke berg en heuvel geslecht, kromme wegen recht gemaakt, hobbelige wegen geëffend; 6 en al wat leeft zal zien hoe God redding brengt.”’ 7 Johannes zei tegen de mensen die massaal uitliepen om zich door hem te laten dopen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel? 8 Breng vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn, en zeg niet meteen bij jezelf: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 9 Ja, de bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.’ 10 De mensen vroegen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft moet hetzelfde doen.’ 12 Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen, en die vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ 13 Hij zei tegen hen: ‘Vorder niet meer dan wat jullie is opgedragen.’ 14 Ook soldaten kwamen hem vragen: ‘En wij, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: ‘Jullie mogen niemand afpersen en je ook niet laten omkopen, neem genoegen met je soldij.’ (NBV)

Bij ons is iemand die roept als een roepende in de woestijn iemand waar niet naar geluisterd wordt. Het is een spreekwoord dat ontleend is aan het gedeelte dat we vandaag lezen maar het heeft een tegengestelde betekenis gekregen aan het verhaal. Naar Johannes werd wel degelijk geluisterd. De schrijver van het Evangelie naar Lucas meldt ons heel nauwkeurig wanneer Johannes is gaan optreden. Wie de geschiedenisboekjes er op narekent komt uit op het jaar 28 na het begin van onze jaartelling. Johannes wordt in dit verhaal heel uitdrukkelijk in de traditie van de profeten uit het Oude Testament gezet. Te beginnen met de traditie van Jesaja die zo uitdrukkelijk de bevrijding van het volk Israël had aangekondigd. Maar net als Jesaja in zijn dagen vraagt Johannes een duidelijke keuze van de mensen. Net als in de dagen van Jesaja waren de meeste mensen in de dagen van Johannes keurige mensen. Ze brachten hun offers, gingen op Sabbat naar de Synagoge, ze baden met voorgeschreven regelmaat, aten volgens de spijswetten en ze moorden niet, logen niet, stalen niet en aanbaden geen andere goden.

Wat wil een mens nog meer. Nu, een mens mag misschien niet veel meer verlangen maar God wil wel degelijk meer. Want met al dat uiterlijk godsdienstig vertoon wordt de aarde nog geen aarde waar mensen gelukkig kunnen wonen. Ondanks dat uiterlijk godsdienstig vertoon, dat fatsoen, die waarden en normen, gaan er nog steeds mensen dood van de honger, lijden mensen onder de koude, zijn er armen in het land. De richtlijnen van de God van Israël moeten een duidelijke inhoud krijgen, die richtlijnen moeten aan mensen zichtbaar worden. Daarom staat het delen met elkaar voorop, warme kleren als je die hebt, eten als je dat hebt, samen delen is het eerste zichtbare teken van de Weg van de God van Israël, de Heer van de wereld. Maar ook de belastinginners voor de Romeinen, de tollenaars mogen de Weg zichtbaar maken door niet meer te innen dan opgedragen is. Geen woekerwinsten maken uit het innen van belasting ten koste van de armen. Dat geldt ook voor de soldaten. Niemand afpersen, niet laten omkopen en genoegen nemen met je soldij. Het zijn eigenlijk de eerste basisregels voor een geordende samenleving.

Regels die we proberen ingevoerd te krijgen in andere landen. Maar ook regels die ingevoerd zouden moeten worden op wereldniveau. Ook daar zou moeten gelden dat we beginnen met samen delen. Rijke landen die zorgen dat de verdeling van goederen en diensten op een eerlijke manier gebeurt zodat ook de armste landen mee kunnen delen van de welvaart in de wereld. Zorgen dat we allemaal te eten hebben en dat hongersnoden niet meer kunnen voorkomen, zorgen dat ook boeren in arme landen toegang hebben tot de wereldmarkt en mee kunnen concurreren met de boeren in de rijke landen. En samen zorgen dat er geen corrupte regiems meer kunnen zijn die in rijke landen, bij banken met beschermd bankgeheim, hun gestolen gelden kunnen parkeren. Johannes vraagt van de mensen om zich te laten dopen, je zou bijna zeggen dat wij van de volken moeten vragen zich te laten dopen. Maar laten we beginnen met zijn Weg zichtbaar te maken door samen te delen en te protesteren tegen het roven door samenlevingen als de onze van de armsten in de wereld. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

In het huis van mijn Vader

Lucas 2:41-52

41 Zijn ouders gingen jaarlijks voor het pesachfeest naar Jeruzalem. 42 Toen hij twaalf jaar was, maakten ze weer hun gebruikelijke pelgrimstocht. 43 Na afloop van het feest vertrokken ze naar huis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten. 44 In de veronderstelling dat hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze hem overal onder hun verwanten en bekenden begonnen te zoeken. 45 Toen ze hem niet vonden, keerden ze terug naar Jeruzalem om hem daar te zoeken. 46 Na drie dagen vonden ze hem in de tempel, waar hij tussen de leraren zat, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. 47 Allen die hem hoorden stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. 48 Toen zijn ouders hem zagen, waren ze ontzet, en zijn moeder zei tegen hem: ‘Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht.’ 49 Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’50 Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei. 51 Hij reisde met hen terug naar Nazaret en was hun voortaan gehoorzaam. Zijn moeder sloot alles wat er met hem gebeurd was in haar hart. 52 Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen. (NBV)

Jezus van Nazareth werd volgens het verhaal van Lucas geboren in Bethlehem en groeide op in Nazareth. Maar in Bethlehem was geen plaats voor hem geweest en Nazareth was wel het dorp van zijn ouders maar niet zijn dorp. Waar hoorde die Jezus van Nazareth dan wel thuis? Dat bleek toen hij volwassen werd. Joodse jongens worden volwassen rond hun twaalfde jaar. Dan mogen ze voor het eerst in de synagoge uit de Hebreeuwse Bijbel lezen. Dat lezen gaat niet vanzelf. Hebreeuws is niet meer een taal die we spreken. Oorspronkelijk was het alleen opgeschreven in medeklinkers, eigenlijk was het alleen uit het hoofd geleerd. Maar tijdens de ballingschap in Babel was men begonnen alles op een rij te zetten en op te schrijven. Later kwamen daar ook tekentjes voor de klinkers en de klemtonen bij. Jongens die hun “Bar Mitzwa” willen doen moeten dus hard studeren op het stuk uit de Bijbel dat ze mogen voorlezen.

Jezus van Nazareth vond zijn plaats toen hij twaalf jaar werd. Zijn ouders volgden de leer van Mozes en gingen dus elk jaar naar de Tempel in Jeruzalem. Eigenlijk moesten ze wel drie maal per jaar naar Jeruzalem maar de meeste mensen gingen in elk geval met het Pesachfeest. Dan werd gevierd en herdacht hoe het volk bevrijdt was van de slavernij in Egypte. Elk jaar werd die bevrijding opnieuw beleefd. In Jeruzalem brachten ze een offer en hielden een maaltijd met de familie, de armen, de tempeldienaren en de vreemdelingen uit hun stad. Daarom spreekt het verhaal ook over een groot gezelschap dat met de ouders van Jezus van Nazareth meereisde. Maar Jezus van Nazareth ging niet mee terug. Hij bleef hangen in de voorhof van de Tempel. Daar hielden de schriftgeleerden zich op. Mensen die hun hele leven gewijd hadden aan de bestudering van de leer van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften als de Psalmen en de Spreuken. Via vragen en discussies met elkaar probeerden ze achter de juiste betekenis van de Bijbelteksten te komen.

Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zijn veel van die discussies ook opgeschreven zodat de Joden in de verstrooiing die discussies konden blijven bestuderen en voortzetten. Ze zijn voor een groot deel verzameld in de Talmoed. Jezus van Nazareth ging deelnemen aan die discussies. Nu hij twaalf was geworden mocht hij dat ook. Maar een jochie van twaalf weet meestal niet zo veel. Zeker niet genoeg om met geleerden mee te kunnen discussiëren. Hij echter gaf blijk van een grote wijsheid waardoor hij de geleerden versteld deed staan. Waarover de discussies gingen vermeld het verhaal niet. Maar één element wordt duidelijk als zijn ouders hem gevonden hebben. Ook in de Hebreeuwse Bijbel wordt God al aangesproken als “Vader” en als je God als Vader aanspreekt dan is je huis de Tempel in Jeruzalem. Later zullen de schriftgeleerden in discussie blijven met Jezus van Nazareth. Dan zal het met name gaan over het liefhebben van je naaste. Dat gaat terug op de leer die in de Tempel werd bewaard. En dan is die wijsheid eenvoudiger dan je zou denken. Dan is die kinderlijk eenvoudig, zelfs voor ons te begrijpen. Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf, gewoon vandaag weer mee beginnen. Als we dat horen zijn ook wij weer thuis, dan weten we tenminste weer wat ons te doen staat, ook vandaag weer.

Allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.

Lucas 2:36-40

36 Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd, 37 en ze was nu al vierentachtig jaar weduwe. Ze was altijd in de tempel, waar ze God dag en nacht diende met vasten en bidden. 38 Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem. 39 Toen ze alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. 40 Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid; Gods genade rustte op hem. (NBV)

De beweging van Jezus van Nazareth is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Er waren dan ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde messias. Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ook op. Uit opgravingen na de Tweede Wereldoorlog weten we ook dat mensen de bestaande samenleving verlieten en in de woestijn in communes gingen wonen. Ook over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen. Over Simeon, waarover we gister lazen, en Hanna, waar we vandaag over lezen, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël. Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind.

Over die Hanna weten we verder niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden, dat betekent Aser, één van de tien stammen die na de ballingschap als zodanig niet meer was teruggekeerd, ze was de dochter van het gelaat van God, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent genade. Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets. De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de oude wetten van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die wetten voor die familie niets te betekenen hadden gehad en dat de wet van Mozes haar in elk geval geen bescherming had geboden. Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de leer van Mozes nog steeds de geldende richtlijn voor het leven in Israël was. Daar mocht zij bevrijding uit haar benarde situatie van verwachten. Dat zou de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen.

Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard werden. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die leer te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die grondregel: heb uw naaste lief als uzelf. Daarom is de toepassing van de wet zoals Maria en Jozef dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld. Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat die leer weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de Messias, de christus, voor op aarde gekomen. Zo mogen wij ons voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Wij mogen er voor zorgen dat de grondregel van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan. Zodat iedereen er bescherming van kan genieten. Daar mogen wij vandaag weer mee beginnen.

Hij zal een teken zijn dat betwist wordt

Lucas 2:22-35

22 Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, 23 zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ‘Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.’ 24 Ook wilden ze het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven. 25 Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. 26 Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. 27 Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus’ ouders hun kind daar binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, 28 nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden: 29 ‘Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd. 30 Want met eigen ogen heb ik de redding gezien 31 die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: 32 een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’ 33 Zijn vader en moeder waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd. 34 Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, 35 en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.’ (NBV)

Dat Maria en Jozef de leer van Mozes zeer serieus namen was al gebleken uit hun reis van Nazareth naar Bethlehem. Want wie zou onder een wrede Romeinse bezetting het bevel van de Keizer durven trotseren en in plaats van thuis te blijven een lange reis te ondernemen? Maar in het verhaal van Lucas speelt de Hebreeuwse Bijbel nu eenmaal een belangrijke rol. Jezus van Nazareth was niet alleen een afstammeling van David, geboren op de akker die aan de familie van David was toegewezen, maar hij was opgenomen en opgevoed in de godsdienstige traditie van het volk Israël. Jozef en Maria hielden hun eerstgeboren zoon daarom niet zelf maar brachten hem naar de tempel, zoals was voorgeschreven voor een eerstgeboren zoon. Ooit was ook het verhaal van Koningen van Israël en dus ook het verhaal van Koning David begonnen met een moeder die haar kind naar de Tabernakel bracht. Die moeder was Hanna en dat kind was Samuel die later als priester en profeet de koningen van Israël zou zalven.

Toen Maria bij Elisabeth op bezoek was had ze nog het liet gezongen van Hanna, over machtigen die van de troon gestoten zullen worden en onvruchtbaren die vruchtbaar zullen zijn. Maria en Jozef nemen twee duiven mee, het voorgeschreven offer voor de armen, iedereen kan immers iets delen, hoe arm je ook bent. En ook in de Tempel klinkt een bijzonder lied voor het kind van Bethlehem. Er staat een profeet, Simeon, die niet eerder zou sterven dan dat hij de bevrijder van Israël zou hebben gezien. Dat klinkt als een eeuwig leven maar voor Simeon gaat het niet om zijn leven maar om het leven van alle mensen op de wereld. Die worden gered van oorlog en ellende, de wrede bezetting van alle volken zal voorbijgaan, het kind dat buiten alle regels om werd geboren is daarvan het teken. Ook Simeon put uit de liederen van het Oude Testament, vooral uit het boek Jesaja. De vader en moeder van Jezus van Nazareth waren verbaasd over alweer een lied en nu van een oude man. Maar ook hier geen romantiek, geen herdertjes en engeltjes die door het luchtruim zweven. Geen warme stal, geen grootse ontvangst in de Tempel. Nee, dat kind krijgt al het stempel mee van een dubieus optreden, een teken dat betwist zal worden.

Een teken dat nog steeds betwist is. Nu al spreken mensen er schande van dat de kerk zich op werpt als beschermer van kinderen die hier geworteld zijn door ze asiel in kerken te verlenen. In alle toonaarden wordt liever het kleine kindje, zijn zielige ouders, de arme herdertjes en de zwevende engeltjes bezongen. Maar in alle talen kwamen voorgangers vertellen dat we vooral lief voor elkaar moeten zijn en dankbaar dat God de wereld zo lief had dat hij een kindje geboren liet worden tegen alle verwachting in. Over het feit dat Maria als door een zwaard doorstoken zou worden praat men buiten de kerk niet. Over het feit dat we aan de slag moeten om heel de wereld te veranderen geen woord. Dat er geen zielige herdertjes zijn maar onderdrukten die recht gedaan moet worden is met Kerstmis meestal vergeten. Dat God ook aan de armsten een bestaan heeft beloofd en als ze dat bestaan niet hebben er rijken zijn die ze van dat bestaan hebben beroofd geen woord. Dat kind zou de belofte van Liefde voor de minsten in absolute geweldloosheid zelfs door de dood heen dragen. Daarom bestaat dat verhaal ook vandaag nog. Daarom klinkt ook nu nog de roep om mee te gaan op de weg van Jezus van Nazareth door te houden van je naaste als van jezelf, door te letten op de minsten op aarde, door de hongerigen te voeden, de armen recht te doen en de vluchtelingen te herbergen. Aan het werk dus.

Ja, ik kom spoedig!

Openbaring 22:12-21

12 ‘Ik kom spoedig, en heb het loon bij me om iedereen te belonen naar zijn daden. 13 Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.’ 14 Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan. 15 Buiten is de plaats voor de honden die zich bezighouden met toverij en ontucht, met moord en afgodendienst, voor iedereen die de leugen koestert en ernaar handelt. 16 ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten. Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster.’ 17 De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!’ Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft. 18 Ik verklaar tegenover eenieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; 19 en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn. 20 ¶ Hij die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, ik kom spoedig!’ Amen. Kom, Heer Jezus! 21 De genade van onze Heer Jezus zij met u allen. (NBV)

We lezen vandaag het slot van de Bijbel. Er wordt gesproken over het wassen van kleren, alle vuil verwijderen en schoon en fris opnieuw beginnen. Dat is niet iets wat je moet uitstellen tot na je dood, zoals in sommige kringen wel eens wordt beweerd. De komst van het Koninkrijk is niet voor de doden bestemd maar voor de levenden, er staat in de Bijbel zelfs dat de God van Israël geen God van de doden is maar een God van de levenden. Dat wassen van kleren doet je denken aan het afschudden van het stof aan je voeten. Dat moesten de leerlingen doen als ze ergens kwamen waar het woord van Jezus werd verworpen. Gewoon doorgaan, armen zijn er altijd om goed voor te doen. Eigenlijk roept een boek als Openbaring ons op voortdurend om ons heen te kijken, die ellende die er in beschreven wordt die kennen we wel. Maar zien we mogelijkheden om ergens iets van die ellende te verminderen, kracht krijgen we er voor, we mogen nu al drinken van het water dat leven geeft. we mogen ons en onze kinderen laten dopen en gemeenschappen stichten waar geen onderscheid meer is tussen slaaf en vrije, tussen mannen en vrouwen, tussen oud en jong, tussen arm en rijk, tussen allochtoon en autochtoon. Elke dag opnieuw mogen we daaraan werken, alsof Jezus morgen zal komen en ons aantreft al bouwende aan zijn Koninkrijk.

Het gevaar van een boek als Openbaring is dat we het boek als troost gaan lezen. Ooit komt er een dat we allemaal gelukkig zijn, verlost van de ellende waar we elke dag mee te maken hebben. Een droom die ons op de been houdt en ons de ellende helpt te verragen De gevangene van Patmos heeft in zijn ellende van dwangarbeid in de gloeiend hete zon op dat kleine eiland voor de kust van Griekenland als geen ander gezien waar die droom op zou moeten uitlopen. De oude droom van de rechtvaardige koning zou waar worden, de telg van David. Maar daar is dat boek van Johannes eigenlijk helemaal niet voor bedoeld. Het is geen boek van “stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw” Integendeel, het is een boek dat ons aan het werk zet. We moeten God aanbidden zegt de engel tegen Johannes, en als Christen weet hij dat God liefhebben boven alles hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Dat wie goed doet nog meer goed gaat doen en wie heilig is nog heiliger zal worden komt dan ook niet als een verrassing.

Maar dat Lam, en die bewering dat het spoedig komt! Het Lam herinnert niet aan de zondebok, de bok waarop de priester jaarlijks zijn handen legde zodat de zonden van het volk op de bok werd overgebracht waarna de bok de woestijn werd ingestuurd. Het Lam herinnert aan het lam dat werd geslacht en geroosterd op de laatste avond van de slavernij in Egypte. Het bloed van het Lam was aan de deurposten gesmeerd zodat ook de eerstgeborenen van Israël in leven bleven, in tegenstelling tot die van Egypte, daar moesten ze sterven. Het volk moest de maaltijd staande eten want elk moment kon de bevrijding komen. En kennelijk moeten we er nog steeds op beducht zijn dat elk moment de vrede voor de wereld kan aanbreken. We vragen er om, we komen er voor in beweging, we proberen mensen er voor warm te laten lopen, elke dag weer. En elke dag als we bezig zijn met de voorbereiding op de komst van dat Koninkrijk, de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven, de naakten te kleden, de gevangenen te bezoeken, de zieken te verzorgen, weten we dat de komst van dat Koninkrijk weer een stukje dichterbij gekomen is. We moeten nog een hele woestijn door maar het komt er aan, ook vandaag weer.

Ik kom spoedig!

Openbaring 22:1-11

1 Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. 2 In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing. 3 Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen hem vereren 4 en hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd. 5 Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn. En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid. 6 Toen zei hij tegen mij: ‘Wat hier gezegd is, is betrouwbaar en waar. De Heer, de God die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.’ 7 ‘Ik kom spoedig!’ Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek. 8 Ik, Johannes, was het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik alles gehoord en gezien had, wierp ik me neer aan de voeten van de engel die me deze dingen liet zien, om hem te aanbidden. 9 Maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en je medeprofeten, en zoals degenen die zich houden aan wat er in dit boek staat. Je moet God aanbidden.’ 10 Verder zei hij tegen me: ‘Houd de profetie van dit boek niet geheim, want de tijd is nabij. 11 Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten, en wie onrein is zal nog onreiner worden. Wie goed doet zal nog meer goed doen, en wie heilig is zal nog heiliger worden.’ (NBV)

Op verschillen de plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel klinkt de belofte door dat uiteindelijk de mensen weer in het Paradijs zullen wonen. Dat Paradijs kent dan het water dat leven geeft, als tegenstelling met de zee als water die de dood brengt, en de levensboom waarvan het eten van de vruchten eeuwig leven geeft en de bladeren genezing voor alle volken. De profeet Ezechiël spreekt er al over. Maar in de Hebreeuwse Bijbel stroomt het water van het leven en staat de boom met de genezende bladeren en de vruchten die eeuwig leven brengen in de Tempel in Jeruzalem. Voor onze schrijver op Patmos was er helemaal geen Tempel meer in het nieuwe Jeruzalem dat hij uit de hemel zag dalen. God woonde immers zelf in die stad, de rivier met levenswater ontspringt daarom in het verhaal van Openbaring aan de Troon van God en langs die rivier staan de levensbomen die elke maand een eigen vrucht geven en bladeren hebben die de volken genezing brengen.

Het wordt in het gedeelte van vandaag nog eens benadrukt. De troon van God zal in dat nieuwe Jeruzalem staan. Nu had ook de Hebreeuwse Bijbel het al gehad over de troon van God. Als die God groot werd gemaakt werd die troon een voetenbank, maar die troon of voetenbank stond in de Tempel in Jeruzalem. Het was de Ark van het verbond die als troon of als voetenbank voor God diende. In die Ark lagen de stenen platen waarop God zelf zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving had gegrift. Als die richtlijnen over de Wereld verspreid zijn en overal tot richtlijn voor het inrichten van de samenleving dienen dan ontstaat op de wereld een situatie die paradijselijk kan worden genoemd, dan is het overal vrede en hoeft niemand meer te sterven voor de tijd die daarvoor is gesteld. Als je de inhoud van de Ark als rivier benoemt dan zijn de bladeren de boeken van de profeten en de geschriften als de Psalmen. Zo is ook de indeling van de Hebreeuwse Bijbel, eerst de Torah, de leer die Mozes gegeven heeft, dan de profeten en tot slot de geschriften. Ze brengen alle volken genezing, we geloven dat nog steeds.

Dat is het tegendeel van wat er zal gebeuren met de Keizer van Rome die de Tempel in Jeruzalem had verwoest. Wie onrein is zal onreiner worden, wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten. Je hoeft dus niet te schrikken van de groeiende weerstand tegen gemeenschappen die proberen gestalte te geven aan hetgeen Jezus van Nazareth zijn volgelingen had op te trekken. Niet langer hoef je op te trekken naar de tempel, het staat al geschreven wat we moeten doen. We mogen nu al leven of Jezus van Nazareth elke dag zou kunnen komen, dat mogen we zelfs volhouden in de grootste ellende. De alfa en de omega, de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet vertellen ons dat. Van A tot Z ligt het vast. Dat is pas God aanbidden, meer is er niet. Daarom blijft voor ons het parool te blijven denken aan de minsten op aarde, aan de hongerigen in Afrika en de slachtoffers van natuurrampen, nooit zullen we een van hen in de steek mogen laten.

De straten van de stad waren van zuiver goud

Openbaring 21:9-27

9 Een van de zeven engelen met de offerschalen die gevuld waren met de laatste zeven plagen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.’ 10 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan. 11 De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. 12 Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. 13 Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit het noorden drie, vanuit het zuiden drie en vanuit het westen drie. 14 De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het lam. 15 Degene die met mij sprak had een gouden meetstok om daarmee de stad, de poorten en de muur op te meten. 16 De stad was vierkant, even lang als breed. Hij mat de stad met zijn meetstok: twaalfduizend stadie, zowel in de lengte als in de breedte en in de hoogte. 17 Hij mat de stadsmuur: honderdvierenveertig el, in gewone mensenmaat, die ook engelenmaat is. 18 De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. 19 De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuursteen, de derde kornalijn, de vierde smaragd, 20 de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. 21 De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. 22 Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. 23 De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht.24 De volken zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof. 25 De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. 26 De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen. 27 Maar alles wat verwerpelijk is en iedereen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat, komt de stad niet binnen, alleen zij die in het boek van het leven staan, het boek van het lam. (NBV)

Zeven schalen met zeven plagen. Daar begint dit gedeelte uit het boek van de Openbaringen mee. De gevangene op het Griekse eiland Patmos, die de hele dag in de brandende zon op de kale rotsen dwangarbeid moest verrichten en wist dat ook zijn geloofsgenoten in het Romeinse Rijk aan grote verdrukking blootstonden, ziet in de eerste plaats nog meer ellende. De rampspoed die het volk Israël en de Christenen uit de Heidenen heeft getroffen is niet zomaar voorbij. Maar heeft volhouden zin? Komt er een eind aan het lijden? Het is een vraag die ook na twee eeuwen Christendom in de wereld meer dan brandt. We worden weliswaar bang gemaakt voor de Islam maar vlak het Christendom niet uit. In onze streken werd het Christendom in de dagen van Karel de Grote met vuur en zwaard gebracht. Vreedzame dorpen werden verbrand en wie weigerde gedoopt te worden werd gedood. Toen een paar eeuwen later Amerika werd ontdekt werd Latijns-Amerika gekerstend met ongekende wreedheid, in Noord Amerika werden de Heidense Indianenstammen nagenoeg uitgeroeid. Ook de slavernij die vervolgens werd ingevoerd werd goedgepraat met zogenaamde Christelijke argumenten en de Apartheid in Zuid Afrika werd tot diep in de vorige eeuw ook in ons parlement met Christelijke argumenten goedgepraat.

Kun je dan blijven volhouden dat het geloof van die gevangene op Patmos een zinvol geloof is? Hij droomt van een stad met twaalf poorten, waar iedereen uit de hele wereld welkom is dus. Een stad waar alle rijkdom en schoonheid van de wereld te vinden is. Een stad die rust op de grondstenen van de apostelen en daarmee op het verhaal van Jezus van Nazareth, op de richtlijnen die God had gegeven voor de menselijke samenleving. Een stad met gouden straten die schitteren als glas. In die stad is alle geld waardeloos geworden. Het goud ligt immers op straat. Daar is geen economische concurrentie meer. . Niet langer worden mensen uit hun huis gezet omdat het huis onbetaalbaar is geworden, niet langer is voedsel te duur om je kinderen te voeden. Het is ook vandaag een droom die het waard is nagestreefd te worden en tot werkelijkheid gemaakt. Het lijden van al die mensen vandaag nog steeds zou ons dubbel zo hard moeten laten werken om deze droom tot werkelijkheid te brengen. De droom van de stad van gerechtigheid heeft sinds de schrijver van Patmos de mensen altijd bezig gehouden. Vaak zijn de mensen afgegaan op alle vreselijke dingen die in het boek Openbaring te vinden zijn. Daarbij wordt vergeten, of verzwegen, dat die vreselijke dingen al sinds de dagen van de gevangene van Patmos tot op onze dagen in de wereld te vinden zijn.

Of het nu de vervolging van Christenen onder Romeinse Keizers, de kerstening van Germaanse en Friese stammen onder Karel de Grote, de strijd tegen de Islam tijdens de kruistochten, de verovering van Indië tijdens de VOC, de slavernij en de Apartheid, de holocaust in de vorige eeuw, de strijd en de verkrachtingen in oorlogsgebieden zijn. De opsomming kan maar een zeer klein deel van al het leed en de ellende bevatten die de volken overkomen zijn en die je terug kan vinden in de gruwelijke beelden die beschreven staan in het boek Openbaring. Als ooit de Liefde zelf regeert op aarde, dan zijn de richtlijnen van God vervult. Dan spreekt het vanzelf dat ieder de naaste liefheeft als zichzelf. Dan is er geen duisternis meer waar je doorheen moet en waar je de steun nodig hebt van iemand die met je meegaat. Juist vanuit lijden en onderdrukking wordt duidelijk hoe hard we moeten werken aan zo’n wereld. Daarom zijn er mensen die onophoudelijk roepen dat we niet genoeg doen en dat we misschien te laat zijn. Er zijn nog mensen die zwelgen in eigen gelijk, die winst en profijt voor zichzelf belangrijker vinden dan delen met de minsten, ze verafschuwen de hulp die aan de minsten wordt gegeven. De duistere figuren waarmee afgerekend dient te worden. Zij komen de stad niet in, tenzij ze zich bekeren en laten leiden door de Liefde. Laten wij het voorbeeld zijn.

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

Openbaring 21:1-8

1 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer.2 Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. 3 Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. 4 Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’5 Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak ik nieuw!’ -Ik hoorde zeggen: ‘Schrijf het op, want wat hier wordt gezegd is betrouwbaar en waar.’ 6 Toen zei hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft. 7 Wie overwint komen al deze dingen toe. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn. 8 Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood.’ (NBV)

We lezen de Bijbel graag zoals we een geschiedenisboekje lezen. En het bijzondere is dan dat de Bijbel niet alleen de jaartallen van het verleden beschrijft maar ook het heden en de toekomst. Als je zo de Bijbel leest kom je snel in problemen. De wetenschappelijke geschiedenisboekjes geven vaak andere feiten over gebeurtenissen dan de Bijbel en heel vaak zijn er van de verhalen uit de Bijbel nauwelijks of geen sporen in de wetenschappelijke geschiedenis te vinden. En waar dan in al die verhalen die in het verleden over de toekomst zijn geschreven ons heden te vinden is blijft al helemaal een raadsel laat staan dat de toekomst zich al herkenbaar in de verhalen bevindt. Neem nu het verhaal van vandaag. De profeet Jesaja had daar ook over gesproken, waar loopt de menselijke geschiedenis op uit. Maar Jesaja had niet durven opschrijven dat de dood niet meer zou zijn zoals Johannes schrijft, Jesaja schrijft dat niemand sterft voor de honderdste geboortedag en wie dat wel doet vervloekt is, geen kind sterft meer voor de ouderdom en geen ouder hoeft een kind groot te brengen voor een vreselijk lot.

De Bijbel heeft een eigen boodschap en gaat niet over de geschiedenis zoals de wetenschap die kan en moet vastleggen maar gaat over de verhouding tussen God en de mensen en hoe die verhouding zou moeten en kunnen zijn. En dan zijn Jesaja en Johannes het roerend met elkaar eens. De geschiedenis van God met de mensen loopt onontkoombaar uit op een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. Die hemel gaat op aarde wonen en wat wij ons allemaal bij de hemel kunnen voorstellen gaat op aarde gebeuren. God woont nu in de hemel zeggen we voor het gemak, we weten niet helemaal meer waar dat dan zou moeten zijn maar als God volmaakt is dan is ook zijn verblijfplaats volmaakt. Voor ons is God tegelijkertijd veraf en dichtbij, God gaat dan ook alle verstand te boven. Maar er komt dus een tijd dat we weer met God kunnen wandelen zoals van Adam en Eva en van Henoch wordt verteld in de Bijbel. De zee is in de Bijbel het symbool van de dood, afdalen in de zee overleef je niet, zelfs niet als een grote vis je opslokt. Vluchten voor God brengt je dan ook in de dood en op die nieuwe aarde kan dat niet meer, de zee is er niet meer, de dood dus ook niet.

Jesaja en Johannes schrijven in verschillende omstandigheden. Bij Jesaja breekt er een nieuwe tijd aan voor het volk Israël in nauwe verbondenheid met de God van Israël. De ballingen keren terug en zij hadden de ballingschap gebruikt om het verhaal van God en de mensen bij elkaar te brengen en voor zover mogelijk op te schrijven. Als Jeruzalem en de Tempel klaar zijn zullen ze de richtlijnen van die God voor het inrichten van de samenleving dan ook in zijn geheel voorlezen. Er moet dus wel iets nieuws beginnen volgens Jesaja en dat is al begonnen toen God ging werken aan die terugkeer. Voor Johannes is de situatie helemaal anders. Hij is na vervolging oorlog en opstand als dwangarbeider op een klein eiland terecht gekomen . Het is niets dan ellende dat zijn volk meemaakt, De Tempel in Jeruzalem is verwoest, de stad ligt in puin en het volk is over het Romeinse rijk verspreid. Zo kan dat verhaal met die God, die nooit het werk van zijn hand laat varen, niet aflopen. Jezus van Nazareth had niet voor niets beloofd met zijn volgelingen te zijn tot de aarde voltooid zou zijn. Er moet dus wel iets nieuws beginnen, een hele nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Voor Johannes kan het niet lang duren, het zal spoedig zijn. En als wij om ons heen kijken kan het nog steeds niet lang duren, verwoestende oorlogen in Syrië, Iran, Irak, Palestina en Israël en ziekten als Ebola teisteren de aarde. Wij hebben geleerd dat ook wij ons die richtlijnen van de God van Israël steeds weer moeten laten voorlezen en steeds opnieuw moeten beginnen om ze in de praktijk te brengen. Zo beginnen we alvast met dat nieuwe, nu en in het nieuwe jaar weer.

Iedereen werd geoordeeld naar zijn daden

Openbaring 20:11-15

11 Toen zag ik een grote witte troon en hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten van hem weg en verdwenen in het niets.12 Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden. 13 De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af. En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden. 14 Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. 15 Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid. (NBV)

Sinds de bezetting van het land Israël door uiterst wrede Griekse koningen, je kunt daarover lezen in de boeken van de Makkabeeën die op de rand van de Bijbel staan, vond men het in Israël zeer onrechtvaardig als er voor de slachtoffers van de terreur van de bezetters geen gerechtigheid zou bestaan. Dat kon men eigenlijk niet geloven. Daarom werd de oude overlevering over de adem van God die naar God zou terugkeren uitgebreid. In Genesis kun je lezen dat God een grens aan de leeftijd van de mens stelde. Ouder als 120 jaar zou een mens niet kunnen worden. En daar God de mens uit aarde had gevormd en met zijn adem de mens het leven had gegeven zou de mens weer tot stof vergaan en de adem van God zou naar God terugkeren. Een prachtig beeld op zich. Maar alleen als alle mensen dat ook verdienen. En wie Gods adem verspilt door anderen het leven te benemen of onmogelijk te maken verdient die rust aan de boezem van God niet. Daarom ontstond er het geloof dat er op een dag een oordeel zou komen waarin God de doden zou oordelen naar hun daden.

Een geloof dat ook in de dagen van Johannes een zeer toepasselijk geloof was. In het Romeinse Rijk immers telde een leven niet. Mensen vonden de dood in de arena, waar sterven op allerlei manieren een volksvermaak was geworden, mensen vonden de dood omdat ze geloofden in de Messias Jezus van Nazareth die was opgestaan uit de doden. Johannes zelf zat gevangen op een eiland waar mijnen waren en gevangenen en slaven in de mijnen zo hard moesten werken dat velen er aan dood gingen. De dood van die slaven telde voor geen Romein, alleen de opbrengst van de mijnen telde mee. Een oordeel van een God over deze wrede daden, wanneer en hoe dan ook, zou voor de slachtoffers gerechtigheid brengen, zoals het goud gereinigd werd van ongerechtigheden door het vuur zou ook de aarde door een poel van vuur gereinigd worden van hen die onrecht deden aan hun medemensen. En als zij, die niet in het boek van het leven stonden, in de vuurpoel waren geworpen dan hoefde je er nooit meer aandacht aan te schenken en vooral: je hoefde er nooit meer bang voor te zijn. Voorgoed zouden de mensen bevrijd zijn van onrecht, geweld en onderdrukking.

Het zijn dromen die vandaag de dag nog vele onderdrukten zullen aanspreken. Want wanneer komt de dag, wanneer zal het zijn, dat de aarde bevrijd is van oorlog, geweld en onderdrukking? Eigenlijk is zo’n droom van het oordeel over de goeden en de kwaden een aansporing voor ons levenden om te werken aan een aarde waar onrecht, geweld en onderdrukking verdwenen zijn. Juist in het begin van een nieuw kalenderjaar moeten we ons realiseren dat de pijn van wreedheid en onrecht generaties kan voortduren. Dat het mensenlevens kan duren voordat soms een begin kan worden gemaakt met het herstel van onrecht. Dat wij de slachtoffers moeten blijven gedenken om niet weer in de verleiding te komen anderen uit te sluiten op grond van een geloof of een uiterlijk, tot ons eigen voordeel, of om onze eigen angst voor het leven te bedwingen. Laten wij blijven kiezen voor het leven zodat onze wereld terecht komt in het boek van het leven, daartoe roept vandaag ook Johannes ons op.