Een deel van het vredeoffer

Leviticus 3:1-5

1 Wie een vredeoffer wil aanbieden en daarvoor een rund neemt, mag een koe of een stier nemen, maar het dier dat de HEER wordt aangeboden mag geen enkel gebrek hebben. 2 Degene die het offer aanbiedt, moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten binnen de omheining van de ontmoetingstent, waarna de priesters, de zonen van Aäron, het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. 3 Een deel van het vredeoffer moet als offergave aan de HEER worden aangeboden: het vet rond de buikholte en al het vet aan de ingewanden, 4 de beide nieren met het niervet bij de lendenspieren, en de kleinste lob van de lever, die samen met de nieren moet worden verwijderd. 5 De zonen van Aäron verbranden dit alles samen met het brandoffer dat op het houtvuur op het altaar ligt, als een geurige gave die de HEER behaagt. (NBV)

De term “vredeoffer” wordt ook wel vertaald als “gemeenschapsoffer”. Vrede is niet alleen de afwezigheid van oorlog maar vrede is een nieuw begin van gemeenschapsvorming. Pas als het vrede is kun je weer samenwerken. Pas als het vrede is dan kan de een voor de ander zorgen. En een dergelijke vrede is een geschenk van God waarvoor je dankbaar kunt zijn. Nu is dit offer niet alleen een dankoffer maar ook een offer waarmee je aan God laat weten echt vrede met de ander te willen. Waarin je laat weten dat vrede het meest vruchtbaar is en het meeste welvaart oplevert.

Het vet dat hier in hoofdzaak wordt geofferd is een teken van rijkdom, van vruchtbaarheid. Er zijn mensen die zwemmen in het vet, de psalmdichter klaagt zelfs dat de onrechtvaardigen zwemmen in hun vet. Mensen die hun “vet” de vruchten van hun arbeid en bezit ophopen behoren over het algemeen tot de onrechtvaardigen. Delen juist van je rijkdom brengt de wereld meer vrede en geluk. Dit gemeenschaps- of vredeoffer maakt dat aan iedereen duidelijk. Daarom is het een offer dat met de grootste zorgvuldigheid door de offeraar en de priesters moet worden uitgevoerd.

Over het algemeen zullen de priesters het overgebleven vlees opeten. Maar er zijn ook passages in de Bijbel aan te wijzen dat het vlees door een familie of zelfs door de volksgemeenschap wordt gegeten. De eenheid van de familie of de eenheid van het volk wordt daarmee gevierd. Ook de rituele maaltijd die volgens Deuteronomium door de familie met de knechten, de slaven, de armen en de vreemdelingen bij de Tempel moet worden gevierd leen zicht voor het nuttigen van het vlees dat overblijft bij een vredes of gemeenschapsoffer. Vrede is altijd gemeenschap vieren, ook in onze dagen.

Een graanoffer

Leviticus 2:11-16

11 Geen enkel graanoffer dat de HEER wordt aangeboden, mag gedesemd zijn. Gedesemd brood en vruchtenstroop mogen niet als offergave voor de HEER verbrand worden. 12 Het mag wel bij de opbrengst van de nieuwe oogst aan de HEER worden aangeboden, maar niet als geurige gave op het altaar worden verbrand. 13 Aan elk graanoffer moet zout worden toegevoegd: het zout, als teken voor het verbond met jullie God, mag bij het graanoffer niet ontbreken. Ook aan de andere offers moet zout worden toegevoegd. 14 Wanneer jullie een graanoffer uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst aan de HEER aanbieden, moeten jullie gries van geroosterd vers graan nemen, 15 er olijfolie over gieten en er wierook op leggen; dan is het geschikt als graanoffer. 16 De priester moet een deel van het graan en de olie en al de wierook verbranden als teken voor de hele offergave voor de HEER. (NBV)

Offers moeten van de hoogste kwaliteit zijn. Alleen het beste is goed genoeg om te delen met de God van Israël. Je bewijst daarmee dat je bereid bent om zelfs het beste dat je van God hebt ontvangen te delen met een ander, met iemand die dat zeer nodig heeft. Daarom mag het brood dat je deelt niet bedorven zijn. Brood met gist of zuurdesem is eigenlijk bedorven voedsel, gezond blijft het maar ongezuurd brood herinnert ook aan de bevrijding uit Egypte. Als je zout toevoegt aan dat ongezuurde brood wordt het nog langer houdbaar. Zout toevoegen aan de offergaven benadrukt dus dat het beste nog niet goed genoeg is voor de God van Israël en dat je bereid bent een stap verder te gaan als het gaat om het voeden van de hongerigen.

Ook vruchtensiroop mag niet aan brood worden toegevoegd, dat is wel lekker maar moet je toch maar niet verbranden. Vroeger werd hier vaak vertaald met honing maar vruchtensiroop was een gebruikelijk voedingsmiddel. Volgens het tweede boek Kronieken werd het overigens wel aan sommige offers toegevoegd. Niet aan het graanoffer. Het graanoffer moet zo zuiver mogelijk blijven. Daarom moet bij het offeren van het eerste graan van de nieuwe oogst het graan eerst geroosterd worden. Alle ongerechtigheid is er dan van af en vervolgens moet het tot zuivere bloem gezeefd worden. Dat is de gierst. Daar gaat dan weer olijfolie overheen en wierook. Dat God niet gevoed hoeft te worden blijkt uit het deel van het graan dat uitdrukkelijk voor de Priester is bestemd. Offers aan God zijn dus bestemd voor een aangename geur.

Nu is het verbranden van graan net als het verbranden van vlees voor de menselijke neus over het algemeen niet echt aangenaam. Maar het herinnert je er aan dat delen altijd weerstand oproept. Je hebt het hele jaar gewerkt voor de opbrengst van je akker, of voor de uitbreiding van je kudde rundvee en dan moet je dat delen. Niet omdat je dan wat terugkrijgt van die God maar omdat alles wat je kreeg bestemd is om te delen. Van de graanoffers is het God zelf die deelt met de Priesters. Die mogen overigens ook het geroosterde vlees van de offers opeten. Er wordt niet geheimzinnig gedaan over het belang dat Priesters hadden bij een goede offerpraktijk. Maar het hele volk had belang bij een goede zorg voor de weduwen en de wees, voor de zieken en gehandicapten, voor de armen. Van die goede zorg werd een volk pas rijk. En dat is tot op vandaag de dag nog steeds zo. De zorg voor de ander geeft ons de meeste kracht.

Voor de HEER is dat allerheiligst.

Leviticus 2:1-10

1 Wanneer iemand een graanoffer aan de HEER aanbiedt, moet hij tarwebloem nemen. Hij moet er olijfolie over gieten en er wierook op leggen. 2 Hij moet het offer naar de priesters, de zonen van Aäron, brengen. De priester neemt een handvol van de bloem en de olie, samen met alle wierook, en verbrandt dit als teken voor de hele offergave op het altaar, als een geurige gave die de HEER behaagt. 3 Wat er van het graanoffer overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen; als deel van de offergaven voor de HEER is dat allerheiligst. 4 Voor een graanoffer dat in de oven wordt gebakken, moet tarwebloem worden gebruikt; de offergave mag bestaan uit dikke ongedesemde broden, met olijfolie bereid, of dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken. 5 Een graanoffer dat op de bakplaat wordt bereid, moet bestaan uit tarwebloem vermengd met olijfolie; het deeg moet ongedesemd zijn. 6 Het baksel wordt in stukken gebroken en overgoten met olie; dan is het geschikt als graanoffer. 7 Voor een graanoffer dat in een kookpan wordt klaargemaakt, moeten tarwebloem en olijfolie gebruikt worden. 8 Een graanoffer dat uit deze bestanddelen bereid is, mag aan de HEER worden aangeboden. Het moet aan de priester worden gegeven, die het naar het altaar brengt. 9 De priester moet een deel van het graanoffer als teken voor de hele offergave op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt. 10 Wat er van het graanoffer overblijft, is bestemd voor Aäron en zijn zonen; als deel van de offergaven voor de HEER is dat allerheiligst. (NBV)

In het Nederlands staat het er allemaal zo eenvoudig. Neem wat tarwebloem, doe er wat olijfolie over en leg er wat wierook op en klaar is keer, je hebt een graanoffer. Dat is jammer, de diepte en bijzonderheid van dit offer gaat in de vertaling verloren. Die tarwebloem wordt in het Hebreeuws ook aangeduid met het woord dat vertaald kan worden als “gries”. Dat is de meest zuivere vorm van bloem, het is zo vaak gezeefd dat werkelijk alle ongerechtigheden er uit zijn gezeefd, zeer zuivere bloem dus. Dan wordt er olijfolie over uitgegoten. Bijna iedereen heeft tegenwoordig wel een fles olie in de keuken. Maar in Israël was olijfolie iets bijzonders. Het had een helende functie, met die olie werden ook voorwerpen aan God gewijd. En dan die wierook. Dat kwam in Israël niet voor, dat moest je uit verre vreemde landen importeren en was dus duur.

Dat graanoffer, ook wel vertaald als huldigingsoffer, was dus een heel bijzonder offer. Uitdrukkelijk blijkt hier dat het niet bestemd is om God in leven te houden maar om te laten zien dat je bereid bent om te delen. Dit kostbare offer wordt dan ook maar voor een deel verbrand, de rest is voor de Priesters. Van het graan worden eerst broden gebakken. Met de olie er door, dan krijg je dikkere broden, of met de olie er over uitgestreken. Met water is zowel met olie en graan als alleen met graan heel goed brood te bakken. Wat niet mag is gist of zuurdesem gebruiken. Eigenlijk wordt het brood daardoor bedorven en het wordt ook gelijk veel minder houdbaar. Het herinnert ook aan de bevrijding uit Egypte toen dit brood meegenomen moest worden om de eerste dagen in de woestijn te kunnen overleven. Ongezuurd brood bederft bijna niet.

De beschrijving van dit offer kent voor de Priesters nog een bijzonderheid. Het allerheiligste is het deel van de Tent der Ontmoeting, de Tabernakel en later de Tempel, waar alleen de Hogepriester mocht komen. Hier stond de Ark van het verbond met de stenen platen waarop de tien belangrijkste richtlijnen voor de menselijke samenleving stonden. Het deel van het brood dat geofferd wordt dat voor de Priesters wordt bestemd heet het allerheiligst. Het herinnert de Priesters nog eens aan het verbond met God. Brood is de eerste levensbehoefte. In de Tempel staat dan ook een tafel met brood dat aan God getoond worden. Wij zijn bereid te delen. In deze 40 dagen tijd zijn er veel gemeenten die samen een sobere maaltijd eten. Ze zouden er voor de ongezuurde broden kunnen bakken als huldiging aan God. De gelovigen vormen een volk van Priesters die dus best herinnert mogen worden aan de bevrijding uit de slavernij.

Als geurige gave

Leviticus 1:10-17

10 Wie een schaap of geit als brandoffer aanbiedt, moet een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. 11 Hij moet het slachten aan de noordkant van het altaar, ten overstaan van de HEER, en de priesters, de zonen van Aäron, moeten het bloed tegen de zijkanten van het altaar gieten. 12 Het dier moet in stukken worden gesneden, en de priester moet de stukken vlees met de kop en het vet op het houtvuur op het altaar leggen. 13 De poten en de ingewanden moeten met water gewassen worden, en de priester moet alles naar het altaar brengen en het daarop verbranden. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt. 14 Wie een vogel als brandoffer aan de HEER aanbiedt, moet een tortelduif of een jonge gewone duif nemen. 15 De priester moet het offer naar het altaar brengen, het dier de kop afknijpen en die op het altaar verbranden. Het bloed laat hij uitlekken langs de zijkant van het altaar. 16 Hij moet de krop met inhoud verwijderen en weggooien op de ashoop, aan de oostkant van het altaar. 17 Daarna scheurt hij de vleugels in, zonder ze los te trekken, en verbrandt hij de vogel op het houtvuur op het altaar. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt. (NBV)

Lazen we gisteren over het offeren van runderen vandaag komt het kleinvee en komen de vogels aan de orde. In Israël was nauwkeurig voorgeschreven wie wat en wanneer moest offeren. Dit gedeelte van Leviticus gaat over het hoe. Het ligt voor de hand dat de rijksten de grootste offers brengen en de armsten de goedkoopste. Maar als je dit gedeelte uit het boek Leviticus leest dan zie je dat het offeren niet op een koopje gebeurd. Grote en kleine dieren, dure en goedkope dieren, ze worden gelijk behandeld en voor God hebben ze het zelfde effect. De offers zijn uitdrukkelijk niet bestemd om God in leven te houden. God eet niet van de offers, hij geniet van de geur.

De offers zijn dan ook niet een vorm van voor wat hoort wat. De God van Israël laat het regenen over de rechtvaardigen net als over de onrechtvaardigen. Je zet de natuur niet op Goddelijke wijze naar je hand. Het gaat bij deze offers om heel andere dingen. Gelovigen erkennen dat alles wat ze krijgen hen is toegevallen uit Gods hand. De een krijgt meer, de andere minder. God stuurt dat niet maar verwacht van allen hetzelfde antwoord. Dat antwoord is dat wil delen met hen die niets krijgen. In de eerste plaats laat je aan God weten niet gehecht te zijn aan wat je gekregen hebt.

Je bent geen slaaf van je bezit en meer en steeds meer betekent niks voor de gelovige. Daarom laat je een deel van je bezit schijnbaar nutteloos verbranden. Niemand heeft er wat aan, alleen geniet God van de geur van verbrand vlees. Of je nu arm bent of rijk God geniet van elk offer en elk offer wordt met dezelfde zorgvuldigheid gebracht. Zelfs de duiven die door de armsten geofferd moeten worden krijgen dezelfde zorgvuldige behandeling en God geniet evenveel en op dezelfde manier als bij de offers van runderen. Daarom is dit gedeelte van de Bijbel ook een vraag aan ons. Hoe arm of rijk we zijn, wat gaan wij delen met onze naaste? Jezus deelde zelfs zichzelf.

De HEER riep Mozes

Leviticus 1:1-9

1 De HEER riep Mozes en zei vanuit de ontmoetingstent tegen hem: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Als iemand van jullie de HEER een offer uit de veestapel wil aanbieden, moet dat een rund, een schaap of een geit zijn. 3 Wie een brandoffer wil aanbieden en daarvoor een rund neemt, moet een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. Hij moet het naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, waar de HEER het zal aanvaarden. 4 Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen, dan zal zijn offer worden aanvaard als verzoening. 5 Hij moet de stier slachten ten overstaan van de HEER, en de priesters, de zonen van Aäron, moeten het bloed naar het altaar brengen dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat en het tegen de zijkanten ervan gieten. 6 Het offerdier moet worden gevild en in stukken gesneden, 7 en de zonen van Aäron, de priester, moeten een vuur op het altaar aansteken en er hout op leggen. 8 De priesters moeten de stukken vlees van het offerdier met de kop en het vet op het houtvuur op het altaar leggen. 9 De ingewanden en de poten van het offerdier moeten met water gewassen worden, en de priester moet alles op het altaar verbranden. Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de HEER behaagt.(NBV)

Vandaag beginnen we in het boek Leviticus te lezen. Eigenlijk heet dit boek Hij Roept, zo heet dat ook in het Hebreeuws, zo staat het in de Hebreeuwse Bijbel. Maar toen dat boek voor het eerst in het Grieks werd vertaald wilde men ook graag uitleggen waar dat boek over gaat. Nu gaat dat boek niet over de Levieten die in de Tent van Ontmoeting de Priesters, de zonen van Aäron, hielpen maar over de taak van die Priesters als dienaren van God en het volk Israël. Het boek gaat over de rol die Priesters spelen in de verhouding God en mens. De Nieuwe Bijbelvertaling laat een aantal begrippen buiten beschouwing en dat is jammer. Dat “iemand van jullie” heet in het Hebreeuws “Adam” de mens. En die mens wil de God van Israël ontmoeten. In het boek Exodus hebben we kunnen lezen dat daarvoor de Tent van de Ontmoeting was gegeven waar God zelf zich had getoond aan het volk.

Maar de mens kan niet zo maar zijn God ontmoeten. Dat was nog wel zo in het Paradijs toen Adam en Eva met God wandelden en dat was misschien ook wel zo geweest met Henoch. Maar Adam, de mens, had gelijk willen worden met God door het eten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Dat door God gegeven Paradijs was gesloten en de mens had de opdracht gekregen zelf de aarde om te vormen tot een tuin van leven, een land dat zou kunnen overvloeien van melk en honing. Dat was te moeilijk. De mens wordt in zijn arbeid en zwoegen tot in haar voortplanting toe er voortdurend aan herinnerd dat de mens God niet is en eigenlijk de richtlijnen van God nodig heeft om een beetje leven te krijgen. Wij hebben ook vandaag de dag de neiging om de aarde weer terug te brengen tot een plaats van wanorde en woestenij.

Voor dat de mens zijn God kan ontmoeten dient er eerst verzoening plaats te vinden. God is God en de mens blijft mens. De God van Israël hoeft niet gevoed te worden door de mens. In tegenstelling tot de goden van de Heidenen is de mens niet een dienaar van God zodat God kan blijven bestaan. De mens heeft alles gekregen van God en mag alles delen. Om dat te laten weten aan God worden er offers gebracht. Nauwkeurig staat hier beschreven hoe en waarom het offer wordt gebracht. Alles wordt verbrand en de geur van verbrand vlees stijgt op naar God. Daar is het teken dat Adam zich wil verzoenen met God door weer mens te worden en God God te laten. Alles is gekregen van God om te delen en om te laten weten dat de mens niet gehecht is aan bezit maar bezit wil gebruiken om God te eren wordt er geofferd. De priesters zorgen er voor dat het zo gebeurd dat God en mens het er uit kunnen horen. God roept en wij antwoorden.

Wat prijs je het kwade aan!

Psalm 52

1 Voor de koorleider. Een kunstig lied van David, 2 toen de Edomiet Doëg naar Saul was gegaan en hem had meegedeeld: ‘David bevindt zich in het huis van Achimelech.’ 3 Wat prijs je het kwade aan, jij held, en smaal je voortdurend op God! 4 Je zint op ongeluk, je tong is het scherpe mes van een bedrieger. 5 Je hebt het kwade lief, meer dan het goede, de leugen meer dan de waarheid. sela 6 Je houdt van woorden die pijn doen, van een tong die bedriegt. 7 God zelf zal je breken, voorgoed, hij zal je grijpen en meesleuren uit je tent, je wegrukken uit het land van de levenden. sela 8 De rechtvaardigen zullen het zien, vol ontzag, en zij lachen hem uit: 9 ‘Kijk die held, die zijn toevlucht niet zocht bij God, maar vertrouwde op zijn rijkdom-zijn toevlucht werd zijn ongeluk.’ 10 Maar ik ben als een groene olijfboom in het huis van God, ik vertrouw op de liefde van God voor eeuwig en altijd. 11 Ik zal u eeuwig loven om wat u hebt gedaan, ik blijf hopen op uw naam, die goed is, in de kring van wie u lief zijn.

Vandaag een lied over een belangrijke gebeurtenis in de verhalen over het leven van koning David. Op de vlucht voor Koning Saul, die jaloers was geworden op David door de militaire successen van David, ging David naar de tent van de samenkomst, de Tabernakel, de voorloper van de Tempel. Daar was de priester Abimelech de baas. In de Tent van de Samenkomst stond een tafel met brood. Aan de God van Israël werd zo getoond dat het volk bereid was haar brood te delen, eigenlijk met de armsten, met de weduwe en de wees. Maar David en zijn mannen hadden op dat moment nog maar één ding, dat was honger. David vroeg daarom om het brood van de tafel met toonbroden. Na enige aandringen geeft Abimelech die. Dat wordt gezien door de Edomiet Doëg die het prompt aan Saul ging vertellen. Het kostte de priesters van de Tent van de Samenkomst het leven.

In de Bijbel staat heel vaak het individu voor het algemene. Zo is het ook Doëg vergaan. In de verhalen die de ronde doen over David en Saul, over goed en kwaad, is Doëg de Edomiet het symbool geworden voor verraders en leugenaars, moordenaars ook die ondanks dat ze zich bewust zijn van hun kwaad doorgaan met moorden. Wat dat was volgens de Bijbel het handelen van Doëg. Hij kreeg de opdracht de helpers van David bij de Tent van de Samenkomst te doden maar de soldaten die hij daarvoor meekreeg weigerden dat te doen. Toen deed hij het zelf maar, hij roeide ze allemaal uit en de bewoners van de stad Nob, waar de Tent stond, er bij. Alleen de Priester Abjatar ontkwam aan de moordpartij en sloot zich bij David aan.

Doëg betekent “bezorgd” en Edom was het volk dat afstamde van Esau, de broer van Jacob die Israël zou worden. Het was dus een broedervolk en Doëg zou zijn broeders van Israël dus moeten hoeden in plaats van uitmoorden, hij valt samen met Kaïn die zijn broer doodsloeg. Volgens de buiten Bijbelse verhalen namen twee Engelen hem zijn verstand af toen hij 34 was geworden , werd zijn ziel verbrand en de as verstrooid. Hij was dus een verrader, een koelbloedig moordenaar en door de Psalmist beantwoord met een ronduit cynisme, een “held” die zijn toevlucht niet bij God had gezocht. Gelovigen worden nog al eens gemaand om netjes te blijven tegen spotters, het lezen van deze Psalm helpt daartegen, je mag gerust terug spotten, de afgodendienaars van het vergoddelijkte menselijk verstand bespotten zoals die de vereerders van het hogere bespotten. Soms is dat nodig om het goede te kunnen blijven doen, want elke dag gaat het toch eigenlijk om het goede te doen en niet dan het goede, ook vandaag weer.

Als wij met hem gestorven zijn

2 Timoteüs 2:1-13

1 Mijn kind, wees sterk door de genade van Christus Jezus. 2 Geef wat je in aanwezigheid van velen van mij hebt gehoord, door aan betrouwbare mensen die geschikt zijn om anderen te onderwijzen. 3 Deel in het lijden als een goed soldaat van Christus Jezus. 4 Iemand die in krijgsdienst is, laat zich niet afleiden door het leven daarbuiten, want zijn bevelhebber moet tevreden over hem zijn. 5 Een atleet wordt niet gelauwerd als hij zich niet aan de regels houdt. 6 De boer die het zware werk doet, heeft als eerste recht op de oogst. 7 Denk na over wat ik je heb gezegd; de Heer zal ervoor zorgen dat je dit alles ook begrijpt.
8 ¶ Houd Jezus Christus in gedachten, uit het nageslacht van David, die uit de dood is opgewekt. Dit heb ik verkondigd,
9 daarom heb ik veel te verduren en ben ik zelfs als een misdadiger gevangengezet. Maar het woord van God laat zich niet gevangenzetten; 10 daarom verdraag ik alles omwille van de uitverkorenen, opdat ook zij in Christus Jezus gered worden en eeuwige luister ontvangen. 11 Deze boodschap is betrouwbaar: Als wij met hem gestorven zijn, zullen we ook met hem leven;
12 als wij volharden, zullen we ook met hem heersen; als wij hem verloochenen, zal hij ons ook verloochenen; 13 als wij hem ontrouw zijn, blijft hij ons trouw, want zichzelf verloochenen kan hij niet. (NBV)

Moeten we zelfmoord plegen om met Jezus van Nazareth te kunnen leven? Een idiote vraag natuurlijk. Alleen in sommige zeer gesloten sectes wordt de Bijbel soms op deze vreemde manier gelezen. Met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. Waar het wel om gaat is dat we onze gebruikelijke manier van leven opgeven. Niet langer is onze carrière belangrijk, niet langer telt de hoogte van ons inkomen of de omvang van onze pensioenvoorziening. Niet het Zwitser leven gevoel is onze maatstaf maar het leven van Jezus van Nazareth. Volgens Paulus moeten we ons dat voorstellen inclusief de kruisdood van Jezus van Nazareth. Pas als we die onderdeel maken van ons leven zullen we leven met Jezus van Nazareth. Paulus wijst er op dat het hem een aantal keren gevangenschap heeft opgeleverd. De boodschap dat de Romeinen er niet in geslaagd waren Jezus van Nazareth dood te maken maar dat hij na drie dagen voort bleek te leven en inmiddels bij zijn God is maakte hen steeds zeer kwaad. Die boodschap taste de kern van de samenleving aan. De Keizer van Rome was immers de God die over de wereld heerste, niet de God van de Joden, die heerste alleen over de rare volkje in Palestina.

Maar juist vanwege die boodschap van Paulus zijn onze ogen gericht op de minsten op de aarde, op de slaven, de zwakken, de zieken en gehandicapten, de gevangenen. En het is niet eenvoudig dat vol te houden in een wereld die op tegengestelde doelen is gericht. Het is in de eerste plaats niet de bedoeling de boodschap zelf door te geven aan mensen die niet geschikt zijn om anderen de boodschap te onderwijzen. Mensen moeten je de ruimte geven om je verhaal te vertellen en bereid zijn er naar te luisteren. Zomaar in het openbaar over dit rare verhaal te gaan vertellen heeft geen zin. Bij het volhouden van het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf kun je volgens Paulus beter denken aan de regels die bij besloten gemeenschappen gelden. Hij wijst op de regels in het leger waar de gehoorzaamheid de ziel van de krijgsdienst is, op de atlethiek waar, net als bij alle sporten, de spelregels alles bepalend zijn en op de landbouw waar de boer die verbouwd heeft in elk geval zelf mag meeëten van de oogst en zijn eigen oogst mag gebruiken voor de verbouw op de akker in het volgend jaar.

Als je de regels toepast die bij het Christelijk geloof horen dan hou je het vol. De eerste regel is kennelijk die navolging van Jezus van Nazareth als Heer van de wereld. Die koninklijke gestalte, komend uit het nageslacht van Koning David, leeft als Heer van de wereld. Dat was de boodschap van Paulus en dat maakte de Romeinen zo kwaad. Die boodschap betekent voor ons dat er geen andere Heren van de wereld zijn. Alleen zij die zorgen voor de armen, voor de zwaksten, die hongerigen te eten geven, die vrede stichten, die zorgen voor gezondheidszorg voor allen en die de weduwe en de wees beschermen zijn onze bondgenoten. Zij die oproepen tot meer wapens, die weigeren de rijken mee te laten delen ten gunste van de armen, de de individuele carrière stellen boven het delen met elkaar, die groepen mensen uitsluiten uit de samenleving, horen bij de anderen die nog bekeerd moeten worden tot de Weg van Jezus van Nazareth. Want alleen die Weg voert tot een ideale samenleving, een samenleving waarin de Liefde heerst en alle tranen gedroogd zullen zijn. Laten we daar vandaag dan maar weer aan werken.

Daarom bleven de regens uit

Jeremia 3:1-11

1 De HEER sprak: ‘Als een man van zijn vrouw scheidt en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt er dan geen smet op het land geworpen? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij me terugkomen? spreekt de HEER. 2 Kijk naar de kale heuvels, waar ben je níet beslapen? Je wachtte je minnaars op langs de weg, zoals een rover wacht in de woestijn. Je hebt dit land besmeurd met je overspel, je schandelijk gedrag. 3 Daarom bleven de regens uit, is de lenteregen niet gekomen. Toch hield je de brutale blik van een hoer, je toonde geen enkele schaamte. 4 Maar nú roep je mij aan. Je zegt “vader” tegen mij, en zegt: “U bent de geliefde van mijn jeugd, 5 uw woede gaat voorbij, niet eeuwig duurt uw toorn.” Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort, je blijft je schanddaden begaan.’ 6 Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7 Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag 8 dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. 9 En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land. 10 Daarna kwam Israëls afvallige zuster Juda wel bij me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met loze woorden-spreekt de HEER.’ 11 De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda. (NBV)

Het gaat hier niet om een willekeurige straf voor de zonden die het volk begaan zou hebben. Nee het gaat hier om de tegenstelling tussen de God van Israël en de vruchtbaarheidsgoden die door dat volk werden nagelopen. Die afgoden werden vereerd met de meest absurde riten. Seksuele uitspattingen, tempelprostitutie, maar ook zelfverminking tot bloedens toe. Dat alles om vruchtbaarheid af te smeken. En voor vruchtbaarheid was lenteregen nodig. Hoe meer men die vreemde goden bad om lenteregen, hoe intensiever de riten werden beoefend voor die vreemde goden hoe minder lenteregen er kwam. En zo af en toe werd ook de God van Israël aangeroepen, met die was het volk immers begonnen en je kon nooit weten, maar de profeet wijst er fijntjes op dat de godsdienst van de vreemde goden nooit helemaal werd uitgeroeid in het volk. Zelfs in Juda, waar toch de Tempel van de God van Israël stond in hun hoofdstad Jeruzalem, werden vreemde goden meer vereerd dan de God van Israël.

Daar werd dan wel weer de eredienst van de God van Israël opnieuw ingevoerd maar ook in Juda bleef de afgodendienst bestaan. In het Noordelijk koninkrijk Israël werden de twee godsdiensten tenminste nog als gelijkwaardig naast elkaar gezet. In Juda bleef het oude bestaan en werd de godsdienst van de God van Israël als nieuwe mode ingevoerd. De twee koninkrijken worden hier afgeschilderd als twee zusters, Afvallig Juda en Ontrouw Israël, in de vertaling gaat dat beeld gedeeltelijk verloren. Ook in onze dagen merken we dat soms de godsdienst van het Christendom als een nieuw ontdekte mode wordt gepresenteerd. Vroeger waren we immers allemaal Christelijk en zou het ook nu niet ons van een groot aantal problemen verlossen als we weer een beetje meer Christelijk zouden worden heet het dan. Niet dat we het najagen van carrières en rijkdom moeten opgeven. Het superidool geloof zit immers vast gebakken in onze cultuur. Maar meditatie, gymnastiek met een goddelijk tintje en vooral het fatsoen en het zich afzetten tegen andere godsdiensten dan het christendom maken dat we weer netjes en te waarderen worden.

De werkelijke Christelijke principes, die van de God van Israël en van Jezus van Nazareth komen niet meer ter sprake. Natuurlijk leeft er bij een groot deel van het volk nog de notie dat je een ander moet helpen als die in nood zit. Bij een aardbeving wordt het chequeboek getrokken en ruimhartig ingevuld. Maar is er al een debat geweest over de oorzaak van de armoede in de zogenaamde arme landen? Zijn er al handelsbepalingen veranderd die de arme landen kunnen helpen om straks zoveel geld te verdienen dat ze op eigen benen kunnen staan? En het is niet één volk dat smeekt om gerechtigheid, om een rechtvaardige behandeling in plaats van hulp en aalmoezen. Onze economie bloeit weer op omdat er op nieuwe afzetmarkten in India en China weer te verdienen valt. Stel je nu eens voor dat ook de miljoenen hongerenden in Afrika zoveel zouden verdienen dat ze een afzetmarkt voor ons zouden vormen. Pas eerlijk delen kan ons echt rijk maken. Het klatergoud van de race om de best presterende te zijn kan daar nooit tegenop. Laten we ons dus ook vandaag richten op de Fair Trade en zorgen voor eerlijk delen in de wereld.

Een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.

2 Timoteüs 1:1-10

1 Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, gezonden om de belofte te verkondigen van het leven in eenheid met Christus Jezus. 2 Aan Timoteüs, mijn geliefd kind. Genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer! 3 Telkens als ik je in mijn gebeden noem, elke dag en elke nacht, dank ik God, die ik net als mijn voorouders met een zuiver geweten dien. 4 Als ik aan je tranen denk, verlang ik ernaar je terug te zien; dat zal me met vreugde vervullen. 5 Ik denk vaak aan het oprechte geloof dat je grootmoeder Loïs en je moeder Eunike hadden en dat-daarvan ben ik overtuigd-jij nu ook hebt. 6 Daarom spoor ik je aan het vuur brandend te houden van de gave die God je schonk toen ik je de handen oplegde. 7 God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. 8 Schaam je er dus niet voor om van onze Heer te getuigen; schaam je ook niet voor mij, die omwille van hem gevangen zit, maar deel in het lijden voor het evangelie, met de kracht die God je geeft. 9 Hij heeft ons gered en ons geroepen tot een heilige taak, niet op grond van onze daden, maar omdat hij daartoe uit genade besloten had. Deze genade was ons al vóór alle tijden gegeven in Christus Jezus, 10 maar nu is ze bekend geworden doordat onze redder Christus Jezus is verschenen, die de dood heeft vernietigd en onvergankelijk leven heeft doen oplichten door het evangelie. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de tweede brief van Paulus aan Timoteüs. Paulus had Timotheüs ontmoet op de tweede zendingsreis die in het boek Handelingen staat beschreven. Zijn moeder en grootmoeder hadden zich tot het Christendom laten bekeren en Timotheüs had hen gevolgd. Zijn moeder was Joods maar zijn vader was Grieks. Later zou er nog een kwestie ontstaan rond de vraag of Timotheüs eigenlijk wel besneden was zoals de zoon van een Joodse moeder betaamde. Timotheüs sloot zich aan bij het gezelschap van Paulus en heeft heel lang met hem rondgereisd. Tussendoor functioneerde hij ook als gezant voor Paulus, ging naar gemeenten om problemen op te lossen of het Evangelie te verduidelijken. In het begin van deze brief schrijft Paulus dat hij gevangen is in Rome. Ook in het boek Handelingen wordt verteld over de gevangenschap van Paulus in Rome. Je moet overigens voorzichtig zijn met het vergelijken van de gegevens uit de brieven van Paulus met de gegevens uit het boek Handelingen. De schrijver van het boek Handelingen heeft lang niet alles verteld.

Uit een latere brief van de eerste bisschop van Rome, Clemens, zou bijvoorbeeld ook blijken dat Paulus wel zeven keer geboeid gevangen heeft gezeten in Rome en uiteindelijk een reis heeft gemaakt naar Spanje waar hij ook gestorven zou zijn. In dit eerste deel van deze brief aan Timoteüs gaat het over de roeping die Paulus en Timoteüs hebben gekregen om het Evangelie te verkondigen. De brieven aan Timoteüs worden samen met de brief aan Titus ook wel de herderlijke, pastorale, brieven genoemd. Ze laten zien hoe Paulus met zijn volgelingen omging. In dit gedeelte gaat het bijvoorbeeld ook over de moeder en grootmoeder van Timoteüs. Maar die worden genoemd in het verband met de tranen van Timoteüs. Die Timoteüs was nog een jonge knaap en het laat zich raden dat die reizen op last van Paulus niet altijd even eenvoudig waren. De aansporing om het vuur brandende te houden dat was ontstoken toen hij door Paulus de handen opgelegd kreeg, een manier om iemand te zegenen of te dopen met de Heilige Geest, staat er niet voor niets. En in een dergelijke aanmoediging herkennen wij soms ook onszelf. Want wordt je er niet moe van dat al dat roepen om gerechtigheid soms op niks uitloopt?

Natuurlijk, de vreedzame demonstraties in de DDR liepen op een goed moment uit op de val van de muur en de eenwording van Duitsland. Maar is er gerechtigheid geschied aan de burgers van de DDR? Hun economische positie was lang veel slechter dan hun landgenoten in het Westen. De archieven van de Stasi zijn nog steeds niet helemaal geopend zodat ze nog altijd niet weten wie er wel en niet te vertrouwen is. Ook al keert een geschiedenis zich ten goede, de ideale samenleving waarover de Bijbel spreekt is nog steeds niet aangebroken. Daarom is de geest van kracht nodig, kracht om onvermoeibaar door te gaan. Want zo lang aan mensen geen recht is gedaan moet onze liefde voor onze broeders en zusters zo groot zijn dat we door willen gaan. En dan is bezonnenheid nodig, bezonnenheid om ons niet te vroeg neer te leggen bij successen of ons te laten verblinden door tegenvallers. Het verhaal over Jezus van Nazareth werd al verteld ver voor wij geboren waren. In dat verhaal werd ook verteld dat wij geroepen zouden worden om het door te vertellen en hem na te volgen in daden. Elke dag mogen we daarmee dus opnieuw beginnen, en het doorgeven aan na ons komende generaties. Net als Paulus en Timotheüs deden.

Vergeefs is het dat je vroeg opstaat

Psalm 127

1 Een pelgrimslied van Salomo. Als de HEER het huis niet bouwt, vergeefs zwoegen de bouwers; als de HEER de stad niet bewaakt, vergeefs doet de wachter zijn ronde. 2 Vergeefs is het dat je vroeg opstaat, je laat te ruste legt, je aftobt voor wat brood-hij geeft het zijn lieveling in de slaap. 3 Kinderen zijn een geschenk van de HEER, de vrucht van de schoot is een beloning van God.4 Als pijlen in de hand van een schutter, zo zijn kinderen, verwekt in je jeugd. 5 Gelukkig de man wiens koker is gevuld met pijlen zoals zij. Hij staat niet te schande als hij zijn vijanden aanklaagt in de poort. (NBV)

Vandaag zingen we met de Kerk een lied van twee coupletten mee dat wordt toegeschreven aan Koning Salomo. Niet dat Salomo dit gedicht ook echt zelf geschreven hoeft te hebben maar de inhoud van de Psalm verwijst naar de wijsheid van Salomo zoals die is vastgelegd in de boeken Spreuken en Prediker. De Wijsheid die daar beschreven wordt is ook in een aantal Psalmen te vinden. Vooral het idee dat alles wat je toevalt van God afkomstig is, en dat je je dus niet hoeft bezig te houden met het najagen van winst en profijt want dat najagen is als het vangen van de wind, het is lucht en levert niet op vind je terug in deze Psalm. Dat is ook de reden dat de protestantse kerken zo bij het begin van de lente Gods zegen vragen over de oogst en de arbeid. Alle vrucht die wij ontvangen ontvangen we immers van God.

De Psalm wordt een Pelgrimslied genoemd. En in het Oude Testament gaan de Pelgrims op naar de Tempel, de Tempel van Salomo. Ze brengen daar de eerstelingen van de oogst, met Pesach de gersteoogst en met het Wekenfeest, ons Pinksteren, de tarweoogst. In het najaar dan nog de oogst van vruchten en noten. Die feesten zijn ook herdenkingen, met Pesach worde bevrijding van de slavernij herdacht, met het Wekenfeest de ontvangst van de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de Tora en met het najaarsfeest, het Loofhuttenfeest, de tocht door de woestijn toen er geen huizen waren maar slechts tenten. Nu woont het volk in huizen en in steden. Maar die stenen beschermen je niet tegen onheil. Ook daar is de God van Israël voor nodig. De God die oproept om te delen van wat je uit zijn hand ontvangt. En het graan groeit echt ook als je slaapt, daar hoef je niks voor te doen.

Het tweede couplet gaat over kinderen. Kinderen zijn een zegen, maar ook kinderen zijn een geschenk van God. Die kinderen zul je dus bij moeten brengen waar het de God van Israël om gaat. Niet alleen je eigen kinderen of je kleinkinderen maar alle kinderen die je zo tegenkomt. Ook al heb je zelf geen kinderen God geeft je altijd kinderen in je buurt die je mag vertellen over wat hij van mensen verwacht, gerechtigheid, barmhartigheid, liefde en vrede. Doe eens lief is dan ook bijna een Bijbelse uitspraak. Als het echt Bijbels zou zijn dan is de oproep: doe altijd lief! Dat doe je overigens ook door te vertellen wat er verkeerd is, maar dan zo dat iemand die verkeerd handelt daar mee kan stoppen en een nieuwe weg kan inslaan. Als je dat verhaal weet over te brengen dan mag je ook om recht en gerechtigheid vragen. In de poort van de stad werd immers het recht gesproken door de oudsten van de stad. Soms moet je voor de armen pleiten, soms tegen onrecht ook kinderen aangedaan, soms ook voor de toegang tot het recht voor de armsten zoals vandaag zeer nodig is.