Waar jaloezie en egoïsme heersen

Jakobus 3:13-18

13 Wie van u kan wijs en verstandig genoemd worden? Laat hij het daadwerkelijk bewijzen door een onberispelijk leven en door wijze zachtmoedigheid. 14 Maar als u zich laat beheersen door bittere jaloezie of egoïsme, kunt u beter niet zo hoog van de toren blazen; u zou de waarheid geweld aandoen. 15 Dat soort wijsheid komt niet van boven; ze is aards, ongeestelijk, demonisch. 16 Waar jaloezie en egoïsme heersen, vieren wanorde en allerlei kwaad hoogtij. 17 De wijsheid van boven daarentegen is vóór alles zuiver, en verder vredelievend, mild en meegaand; ze is rijk aan ontferming en brengt niets dan goede vruchten voort, ze is onpartijdig en oprecht. 18 Waar in vrede wordt gezaaid, brengt gerechtigheid haar vruchten voort voor hen die vrede stichten. (NBV)

Nieuwe en succesvolle bewegingen trekken snel mensen aan die zelf graag op de voorgrond treden en die mee willen profiteren van het succes. Dat was in de dagen van Jacobus zo, toen de jonge Christengemeenten een snelle groei doormaakten, dat is vandaag de dag niet anders. Toch zoeken de meeste mensen naar wijze en verstandige bestuurders, van kerk zowel als van maatschappij. Mensen die het alleen om hun eigen eer te doen is, dus ook snel jaloers zijn als anderen wel naar voren schuiven, die moet je meestal niet hebben. Maar hoe herken je die. Ook dat is een vraag die vandaag de dag niet anders is dan in de dagen van Jacobus. De briefschrijver uit de Bijbel heeft daar een bijzonder antwoord op: zachtmoedigheid.

Dat onberispelijk leven willen we wel geloven. Kopstoten uitdelen, door brievenbussen pissen en hardrijdend een politiecontrole ontwijken zijn geen bewijzen van een onberispelijk leven en maken je niet geschikt voor een positie in een bestuur van land, provincie of gemeente. Maar zachtmoedigheid, je niet snel kwaad laten maken, de vrede zoeken, mensen bij elkaar weten te houden, mensen oproepen en inspireren om het goede te gaan doen, ook al zijn het je tegenstanders.
Dat is iets dat in onze dagen niet snel geaccepteerd wordt. Dat zijn toch de theedrinkers die niets ten kwade van een ander willen zeggen?

Dat zijn mensen bij wie het er niet in wil dat een godsdienst die een kwart van het inkomen aan de armen wil besteden een bedreiging zou vormen waartegen je je moet wapenen. Dat verzet tegen zachtmoedigheid en een onberispelijk leven komt niet van boven zegt Jacobus. Dat is aards, ongeestelijk, demonisch. En met ongeestelijk wordt bedoeld dat het niet in de geest van Jezus van Nazareth is. Waar jaloezie en egoïsme heersten vieren wanorde en allerlei kwaad hoogtij. Het is een zin uit de Bijbel die we zo in onze samenleving kunnen plaatsen. Een tegeltjes wijsheid die bij tal van organisaties en besturen boven de voorzitterstafel gehangen kan worden. Daar is sinds de dagen van Jacobus nog helemaal niks aan veranderd.

Er is geen mens die de tong kan temmen

Jakobus 3:1-12

1 Broeders en zusters, u moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat. 2 En hoe vaak struikelen we niet allemaal! Wie nooit struikelt in het spreken kan zich een volmaakt mens noemen, die in staat is om zelfs het hele lichaam in toom te houden. 3 Paarden doen we een bit in de mond om ze te laten gehoorzamen, en zo kunnen we hun hele lijf sturen. 4 En kijk eens hoe reusachtige schepen, voortgestuwd door hevige wind, met een klein roer in de richting worden gestuurd die de stuurman bepaalt. 5 Zo is ook de tong een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan hij voortbrengen! Bedenk eens hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt. 6 Onze tong is net zo’n vlam: een wereld van onrecht, die onze lichaamsdelen in brand steekt. Want hij besmet het hele lichaam, hij steekt het rad van het leven in brand, met vuur uit de Gehenna. 7 De mens heeft alle mogelijke soorten dieren weten te temmen, wilde dieren, vogels, kruipende dieren en zeedieren, 8 maar er is geen mens die de tong kan temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn. 9 Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld. 10 Uit dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn, broeders en zusters? 11 Laat een bron soms uit eenzelfde ader zoet en bitter water opwellen? 12 Of kan een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Net zomin geeft een zilte bron zoet water. (NBV)

Ieder kent wel van die momenten in het leven dat je zou willen dat je je tong had afgebeten. Zo gemakkelijk zeg je wat verkeerds. Zelfs onze strafwet kent bepalingen die je om wat je gezegd hebt voor de rechter kunnen brengen en misschien zelfs in de gevangenis. En dat is maar goed ook. Met dat wat je zegt kun je een ander kwetsen en heel lang pijn bezorgen. We kennen het diplomatiek spreken en vroeger had je ook het parlementair taalgebruik. In die manieren van spreken waren beschuldigingen taboe, iemand aanvallen hoorde er niet bij. Voordat je dus een conclusie uit, een oordeel velt, zul je dus eerst goed moeten nadenken en drie maal moeten afwegen wat je eigenlijk zegt en hoe het aankomt. Het gaat er gelovigen eigenlijk nooit om mensen te veroordelen, laat staan mensen af te schrijven. Het gaat er altijd om onrechtvaardige situaties af te schrijven.

Dan kun je wel eens zaken moeten benoemen die hard lijken te klinken. Ook Jacobus doet dat als hij in hoofdstuk 5 spreekt over de mantelpakjes en de strak gesneden pakken van de rijken als van mottenvoer. Maar het brengt je op het spoor de naaste belangrijker te vinden dan je eigen carrière of wat anderen wel niet van je zouden denken. Zegen en vloek gaan niet samen zegt Jacobus. Mogen we dan niet meer over slechte zaken spreken? Natuurlijk, maar vloek brengt het gesprek tot een einde, met een vervloeking ban je het kwade en daarmee de vervloekte uit, breek je de band die er was door. Met een zegen probeer je er het goede van te laten uitgaan. Met een zegen ben je bezig een kwaad om te keren in het goed. Paulus spreekt dan van het kwade te bestrijden met het goede, vurige kolen op het hoofd stapelen van hen die het kwade bedrijven zodat ze beschaamd staan en het ook het goede gaan doen.

In de opstelling in het leven die Jacobus hier kiest en aanbeveelt herkennen we de Geest van Jezus van Nazareth die zelfs hangend aan het kruis nog vroeg om vergeving voor hen die hem dat hadden aangedaan omdat ze niet wisten wat ze deden. Zonder die Geest kunnen we dat niet en je moet wel heel zeker weten dat die Geest over jou vaardig is voor je het kwaad als kwaad benoemt op een manier dat het zich ten goede zal keren. Daarom zegt Jacobus dat we niet allemaal leraar moeten willen zijn. Als we dan al geraakt worden door wat iemand doet of zegt hebben we vaak niet meer dan te vertellen wat het met onszelf doet, hoe het ons irriteert, kwaad maakt, verdrietig maakt, pijn doet. Je vertelt dan niet iets over de ander maar over jezelf. Wil de ander jou kwaad doen? Dan is het kwade van die ander. Wilde die ander goed doen maar deed die ander dat verkeerd dan kan jouw reactie helpen om het kwade in het goede te veranderen. Maar elke keer opnieuw, elke dag weer, zullen we ons opnieuw moeten beraden hoe iets te zeggen van wat anderen doen. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer, zodat we het kwade niet laten bestaan maar het goede dichterbij brengen.

Zou dat geloof hem soms kunnen redden?

Jakobus 2:14-26

14 Broeders en zusters, wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? Zou dat geloof hem soms kunnen redden? 15 Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekortkomt, 16 en een van u zegt dan: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’ zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften-wat heeft dat voor zin? 17 Zo is het ook met geloof: als het zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood. 18 Maar dan zegt iemand: ‘De een gelooft, de ander doet.’ Laat mij maar eens zien dat je kunt geloven zonder daden; ik zal u door mijn daden tonen dat ik geloof. 19 U gelooft dat God de enige is? Daar doet u goed aan. Maar de demonen geloven dat ook, en ze sidderen. 20 Dwaas, wilt u het bewijs dat geloof zonder daden nutteloos is? 21 Werd het onze voorvader Abraham niet als een rechtvaardige daad toegerekend dat hij zijn zoon Isaak op het altaar wilde offeren? 22 U ziet hoe geloof en handelen daar hand in hand gaan, en hoe het geloof vervolmaakt wordt door daden. 23 Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem toegerekend als een rechtvaardige daad.’ Hij wordt zelfs Gods vriend genoemd. 24 U ziet dus dat iemand rechtvaardig wordt verklaard om wat hij doet, en niet alleen om zijn geloof. 25 Werd niet ook Rachab, de hoer, rechtvaardig verklaard om wat ze deed, toen ze de verkenners ontving en langs een andere weg liet vertrekken? 26 Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is ook geloof zonder daden dood. (NBV)

Vandaag lezen we een gedeelte uit de Bijbel dat zich dezer dagen dag in dag uit op de TV liet illustreren. Wij kennen natuurlijk de praatjes zonder daadjes van de politici. Wij kennen ook de nood van de vluchtelingen. Sommige van die politici roepen dat ze in eigen omgeving moeten worden opgevangen. Daar vallen nog bommen, daar is geen voedsel meer. De vluchtelingen kampen in hun buurlanden zitten overvol, het geld van de Verenigde Naties om daar hulp te bieden raakt op. Maar misschien nog erger is dat sommige politici vergeten dat de landen rond de Middellandse Zee, de landen in Afrika ook onze omgeving zijn. Wij zijn met de mensen daar op allerlei manieren verweven. Soms kun je zelfs zien dat wij ze zelf in staat hebben gesteld om met elkaar oorlog te voeren. In onze kerken kunnen sommige gelovigen en voorgangers er ook wat van. Prachtige preken worden gehouden, de mooiste psalmen gezongen, vurige gebeden klinken er, maar als je de kerk uit bent en je kijkt om je heen dan zie je dat het praatjes zonder daadjes zijn.

Zo’n geloof kan niemand redden. Het blijft bij praten maar er wordt nooit een hand uitgestoken naar iemand die een uitgestoken hand nodig heeft. Je kunt niet “eet smakelijk zeggen” tegen iemand die ligt te sterven van de honger. En iemand die alleen nog een paar vodden om het lijf heeft geef je niet de raad zich warm te kleden. Praatjes zonder daadjes zijn het bewijs van een dood geloof. De discussie die Jacobus met zijn gemeente aan gaat is er een over de richtlijnen voor de inrichting van een menselijke samenleving, daarvoor moet je mensen die mee willen doen geen nieuwe, vreemde regels opleggen. Paulus had al gezegd dat het zich laten besnijden niet nodig was voor de Heidenen, ook de spijswetten hoef je niet meer te volgen. Ook Jezus van Nazareth had het soms voor mensen opgenomen als die in de knel kwamen omdat de richtlijnen van God als een Romeinse wet werden gelezen, het genezen op de Sabbath is het bekendste daarvan. Maar Jezus van Nazareth had ook gezegd dat hij niet gekomen was om de wet te ontbinden en Paulus had geschreven dat je niets van de Wet zou moeten afdoen. Jacobus laat in zijn voorbeelden zien dat het gaat om het heb uw naaste lief als uzelf.

Zelfs als dat betekent dat je je enige zoon zou moeten offeren zoals Abraham dan nog kun je het wagen met de God van Israël. Zoals ook Rachab de hoer koos voor het leven van de verspieders tegen de solidariteit met haar eigen volk. En een dood lichaam zonder ziel? Dat kennen we zelfs voor het sterven. Bezieling brengt ons in beweging, bezieling drijft ons te laten zien waar ons hart vol van is en onze mond van over loopt. Een bezielt mens blijft niet werkeloos toezien maar steekt de handen uit de mouwen. Een mens die niet bezielt is, die heeft de tijd voor mooie woorden, voor prachtige praatjes maar ze blijven dood, ze blijven zonder daadjes. In ons land zijn gelukkig nog veel, heel veel mensen die het snappen, die weten dat er niet alleen gepraat moet worden maar vooral daden nodig zijn. Voor ons gelovigen en voor de mensen die misschien niet meer geloven maar bezield raken om iets te doen aan de nood van de naaste is het maar goed dat we elke morgen weer opnieuw bezield mogen worden en aan het werk mogen gaan voor waar ook bij ons de mond van over loopt, de liefde voor de naaste, voor de minste. Dat mag God zij dank, ook vandaag weer.

U behandelt arme mensen met minachting.

Jakobus 2:1-13

1 Broeders en zusters, het geloof in Jezus Christus, onze glorierijke Heer, staat niet toe dat u mensen op hun uiterlijk beoordeelt. 2 Stel dat uw samenkomst wordt bezocht door iemand die prachtige kleren en gouden ringen draagt, en tegelijkertijd door een arme in vodden. 3 Als u dan de eerste met alle zorg omringt en tegen hem zegt: ‘Neemt u plaats, hier zit u goed, ‘terwijl u tegen de tweede zegt: ‘Ga daar maar staan, of ga maar bij mijn voetenbank op de grond zitten,‘ 4 maakt u dan geen ongeoorloofd onderscheid en wordt uw oordeel niet door verkeerde overwegingen bepaald? 5 Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God niet juist hen die naar wereldse maatstaven arm zijn, uitgekozen om rijk te zijn door het geloof en deel te krijgen aan het koninkrijk dat hij heeft beloofd aan wie hem liefhebben? 6 Maar u behandelt arme mensen met minachting. Zijn het dan niet de rijken die u onderdrukken en u voor de rechter slepen? 7 Zijn zij het niet die de voortreffelijke naam die over u is uitgesproken, door het slijk halen? 8 Wanneer u echter het koninklijke gebod volbrengt dat de Schrift geeft: ‘Heb uw naaste lief als uzelf, ‘dan handelt u juist. 9 Maar als u op het uiterlijk afgaat, begaat u een zonde en bestempelt de wet u als overtreders. 10 Wie de hele wet onderhoudt maar op één punt struikelt, blijft ten aanzien van alle geboden in gebreke. 11 Want hij die gezegd heeft: ‘Pleeg geen overspel, ‘heeft ook gezegd: ‘Pleeg geen moord.’ Als u geen overspel pleegt maar wel een moord, overtreedt u toch de wet. 12 Zorg ervoor dat uw spreken en uw handelen de toets kunnen doorstaan van de wet die vrijheid brengt. 13 Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen; maar de barmhartigheid overwint het oordeel. (NBV)

In alle gemeenten die na de dood en opstanding van Jezus van Nazareth werden gesticht was heel langzaam hetzelfde probleem opgedoken. Hoe ga je met alle verschillen die er zijn om. Eén van de meest opvallende verschillen was die tussen arm en rijk. Je had mensen die geld en goed bezaten en je had proletariërs, mensen die alleen hun kinderen nog hadden. Ze onderscheiden zich ook in uiterlijk want die proletariërs hadden geen geld voor mooie en nieuwe kleren. Maar welke plaats hoorden de een en de ander in de Christelijke gemeente te hebben? Bij ons in kerken kun je dat soms nog aanwijzen. Dan zijn er banken voor de notabelen van het dorp, soms ook voor de burgerlijke bestuurders. En de armen pasten zich daarbij aan. Ze hadden wel geen geld voor nieuwe kleren maar één of twee maal in het leven kochten ze kleren die er op leken en die trokken ze dan alleen op de zondag bij de kerkgang aan, de zondagse kleren. Ook hun kinderen werden in die traditie opgevoed.

Was dat nu in overeenstemming met de Bijbel die in die kerken werd verkondigd? In het gedeelte dat we vandaag lezen blijkt het tegendeel. Het waren in de dagen van Jacobus de rijken die processen konden voeren. Als de huidige regering haar zin krijgt zal in het onze dagen niet anders zijn. In de wereld hebben armen dus een achtergestelde en ondergeschoven plaats. Juist daarom dient de Christelijke gemeente de gelijkheid tussen arm en rijk te benadrukken, dient er gedeeld te worden om dat verschil weg te werken en moet je er voor zorgen dat de armen tenminste gelijke kansen krijgen als de armen. Juist in dat wegwerken van dat onderscheid kunnen we laten zien dat we onze naaste liefhebben als onszelf en dus God liefhebben boven alles. Ook al plegen we geen overspel en moorden we niet, door onderscheidt aan te brengen in de gemeente, in de samenleving waar we het over te zeggen hebben, overtreden we toch de grondregels voor de inrichting van een menselijke samenleving.

De armen zijn onze broeders en zusters zo moeten we er ook over spreken. Het zegt niets over de armen anders dan dat ze arm zijn. Armen zijn niet zielig, armen zijn ook geen heiligen waar niks aan mankeert, armen zijn net als rijken, net als wij allemaal. Barmhartigheid is een woord dat we alleen nog in de Bijbel tegenkomen. Het drukt de verbondenheid uit met de zwaksten en de minsten in onze samenleving, daar gaat ons hart naar uit, daar hebben we alles voor over, zij zijn de maat van ons handelen. Onbarmhartig is dan ook het oordeel over onbarmhartigheid. Want juist dat keurig onderhouden van de Wet maar onderscheidt maken naar afkomst, geloof en inkomen maakt dat al dat andere houden van zogenaamde Wetten totaal geen zin heeft, je overtreedt ze, je richt je samenleving niet in zodat het een Goddelijke samenleving wordt. Maar met het liefhebben van de naaste mogen we gelukkig elke dag opnieuw weer beginnen, elke dag weer opnieuw het onderscheid wegwerken dat we zo jammerlijk en ondachtzaam hebben gemaakt. Ook vandaag mogen we daar weer aan werken.

Alleen horen is niet genoeg.

Jakobus 1:19-27

19 Geliefde broeders en zusters, onthoud dit goed: ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken, traag ook in het kwaad worden. 20 Want de woede van een mens brengt niets voort dat in Gods ogen rechtvaardig is. 21 Wees daarom zachtmoedig en leg alle verdorvenheid en elk denkbaar wangedrag af. En aanvaard zo de boodschap die in u is geplant en die u kan redden. 22 Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen. 23 Want wie de boodschap hoort maar er niets mee doet, is net als iemand die het gezicht waarmee hij is geboren in de spiegel bekijkt: 24 hij ziet zichzelf, maar zodra hij wegloopt is hij vergeten hoe hij eruitzag. 25 Wie zich daarentegen spiegelt in de volmaakte wet die vrijheid brengt, en dat blijft doen, niet als iemand die hoort en vergeet, maar als iemand die ernaar handelt-hem valt geluk ten deel, juist om wat hij doet. 26 Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite. 27 Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven. (NBV)

Het heeft geen zin om kwaad te worden, je moet er wat aan doen. Men zegt wel eens dat je kunt stikken van kwaadheid. Kwaadheid beneemt je de adem maar rooft ook je energie en soms je verstand. Het schiet niet op en verandert ook niks. Meestal leidt kwaadheid ook tot zaken waar je achteraf spijt van hebt, stemverheffing, verkeerde woorden, niet horen wat een ander zegt en zelfs soms, of je wil of niet, geweld, tegen zaken of personen. Geen zaken waarmee je bekend wil staan in de samenleving. Zachtmoedigheid klinkt al een stuk beter. Maar zachtmoedigheid is niet de boel maar de boel laten, datgene wat je kwaad zou kunnen maken voort laten bestaan. Als mensen onrecht wordt aangedaan, als ze door oneerlijkheid en hebzucht benadeeld worden, als ze onderdrukt worden, dan mag je daarover spreken, dan mag je het Woord van God je te binnen brengen dat zegt dat elk mens tot zijn of haar recht moet komen, dat iedereen de naaste lief moet hebben als zichzelf. Hoe je daarover spreekt vraagt dan wel enig nadenken want het beste spreken heeft ook nog effect en verandert de situatie.

Alleen het Woord van God horen is dus niet genoeg, je moet er wat mee doen. Dan blijkt pas dat je het woord hebt gehoord en dat je je het woord eigen hebt gemaakt. Het beeld van iemand die in een spiegel kijkt en zijn spiegelbeeld vergeet is een boeiend beeld. Boven het orakel van Delfi, een beroemde afgodstempel, stond “ken u zelf”. Maar de orakelspreuken waren voor velerlei uitleg vatbaar en je schoot er weinig mee op. Ze waren te horen maar er was weinig mee te doen. Als je echter je gedrag vergelijkt met het heb uw naaste lief als uzelf en je afvraagt hoe je daar naar kunt handelen en dat dan ook doet, zul je merken dat je vrij en onafhankelijk van alles en iedereen bent. Alleen de liefde drijft je nog en dat is voor iedereen zichtbaar. Dan weet je je tong te beteugelen, dan komt er geen onvertogen woord over je lippen, maar blijf je spreken over het goede dat gedaan moet worden en het kwade dat gelaten moet worden.

Dan gaat het pas echt om de weduwen en de wezen die worden bijgestaan in hun nood. Die weduwen en wezen staan in de hele Bijbel voortdurend voor de zwaksten en de minsten in de samenleving. Zij hadden immers geen eigen inkomen meer. De weduwe had de keus of haar kinderen verwaarlozen en uit werken gaan of voor haar kinderen te zorgen en vervallen tot armoede of prostitutie. Juist voor de weduwe en de wezen was een losser ingesteld, iemand die ze zou verlossen van de armoede. Zo zijn wij geroepen om telkens weer de armen te verlossen van hun armoede, op te komen tegen onrecht en geweld, maar zo dat het effect heeft, dat we niet hoeven aangesproken te worden op onze kwaadheid maar dat een voorbeeld genomen kan worden aan de liefde die ons drijft, de liefde van onze God. Gelukkig dat we daar elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen. Ook vandaag weer.

Vrede en vreugde

Jakobus 1:1-18

1 Van Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus Christus. Aan de twaalf stammen in de diaspora. Ik groet u. 2 Het moet u tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters, als u allerlei beproevingen ondergaat. 3 Want u weet: wanneer uw geloof op de proef wordt gesteld, leidt dat tot standvastigheid. 4 Als die standvastigheid ook daadwerkelijk blijkt, zult u volmaakt en volkomen zijn, zonder enige tekortkoming. 5 Komt een van u wijsheid tekort? Vraag God erom en hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven. 6 Vraag vol vertrouwen, zonder enige twijfel. Wie twijfelt is als een golf in zee, die door de wind heen en weer wordt bewogen. 7-8 Wie zo aarzelend en onberekenbaar is bij alles wat hij doet, moet niet denken dat hij iets van de Heer zal krijgen. 9 Laat de onaanzienlijke gelovige trots zijn op zijn hoge waarde, 10 en de rijke op zijn nederige staat, want hij zal vergaan als een bloem in het veld. 11 Als de zon gaat branden en het gras door de hitte verdort, valt de bloem af en is het gedaan met zijn schoonheid. Zo zal ook de rijke vergaan terwijl hij volop met zijn zaken bezig is. 12 Gelukkig is de mens die in de beproeving staande blijft. Want wie de proef doorstaat, ontvangt als lauwerkrans het leven, zoals God heeft beloofd aan iedereen die hem liefheeft. 13 Wie in verleiding komt, moet niet beweren: ‘Die verleiding komt van God.’ Want God stelt niemand aan verleiding bloot, zoals hij zelf ook niet door iets slechts in verleiding kan worden gebracht. 14 Iedereen komt in verleiding door zijn eigen begeerte, die hem lokt en meesleept. 15 Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde; en is de zonde volgroeid, dan brengt ze de dood voort. 16 Geliefde broeders en zusters, vergis u niet: 17 elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de hemellichten; bij hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen. 18 Hij wilde ons door de verkondiging van de waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in zijn schepping. (NBV)

Boven deze dagelijkse kanttekening bij een gedeelte uit de Bijbel staat altijd een citaat uit het te lezen Bijbelgedeelte. Maar als U ook vandaag de Nieuwe Bijbelvertaling leest, die we altijd trouw volgen, dan komt U het opschrift van vandaag niet tegen. Daar staat alleen “Ik groet U”, maar de groet van Jakobus heeft inhoud. Die vonden we in de vertaling van de Naardense Bijbel en die hebben we er dus maar boven gezet. Vrede en vreugde, daar gaat het in deze brief om. Dat is het doel van het geloof in Jezus van Nazareth, dat krijg je er voor terug. Een mooie brief van die Jacobus. Wie het echt geschreven heeft weten we niet helemaal. Het zou natuurlijk mooi zijn als het echt van de broer van Jezus van Nazareth geweest is. Die werd het hoofd van de gemeente in Jeruzalem.

Paulus noemt hem ook in zijn brieven en hij speelde een belangrijke rol in het openstellen van de beweging van de Weg voor Heidenen die zich niet als Jood zouden laten besnijden. Nu schrijft hij een brief aan al die gemeenten die zijn ontstaan. Een brief die algemeen in gaat op de vragen die het geloof in de nieuwe wereld van Jezus van Nazareth oproept. Het is geen gemakkelijke tijd voor de nieuwbakken gelovigen. Net als in onze dagen vormen ze een minderheid en net als in onze dagen moeten ze zich een houding vinden in een vijandige samenleving. Vragen moet je stellen aan God, stelt de schrijver. Pas als je aan de God van Israël, die immers met je meetrekt, die immers geboden heeft dat je je naaste moet liefhebben als jezelf, die je de minste en de zwakste als maat voor je handelen heeft gegeven, de vragen voorlegt die elke nieuwe dag oproept dan kom je verder. Dan heeft de arme dus meer waarde dan de rijke, de arme kan zich bekommeren om zijn naaste, meer zaken heeft hij niet aan het hoofd, de rijke kan dat niet en is dus de mindere.

Een Bijbels beeld dat wij maar al te vaak over het hoofd zien of verzwijgen. De rijke vergaat als een bloem in veld. De armen hebben we altijd bij ons. Het is een tegenstelling die we graag uit de weg gaan, maar Jacobus is nu bij uitstek de schrijver die het woord van Jezus van Nazareth dat het niet gaat om te roepen “Here, Here” maar om te doen de wil van de vader, in de praktijk gebracht wil zien worden. Soms maakt het ons moedeloos en houden we ons maar bezig met onze eigen dagelijkse zorgen. Maar dan zien we een foto van een dode kleuter, of een filmpje van een kind zonder uitzicht op een toekomst. Het goede dat we dan zien doen, het goede dat we kunnen gaan doen is van God, verleiding komt uit onszelf als we er acht op slaan en waarom zouden we. Zoals ook Paulus al zei, houd je bezig met het goede en niet dan het goede. Dan hoor je bij de gelukkigen die ondanks alle tegenstand staande blijven, die een lauwerkrans als overwinnaar krijgen. Voor ons maar goed dat we daar elke dag opnieuw weer mee mogen beginnen. Ook vandaag weer.

Ze zinnen op misdaden

Psalm 64

1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Hoor mijn stem, God, hoor mijn klacht, behoed mij voor de dreiging van de vijand, 3 verberg mij voor die misdadige bende, voor die meute van boosdoeners. 4 Ze scherpen hun tong als een mes, ze richten hun pijl, een giftig woord, 5 uit verborgen hoeken schieten ze op een onschuldige, ze schieten onverhoeds, voor niemand bang. 6 Ze wapenen zich met kwade woorden, overwegen het zetten van een val, en zeggen: ‘Wie zou het zien?’7 Ze zinnen op misdaden en denken: ‘We lijken onschuldig, zo verborgen is ons plan. -Diep als een afgrond is het hart van de mens.’ 8 Dan schiet God zijn pijl op hen af, onverhoeds worden ze zwaar verwond, 9 hun eigen tong heeft hen ten val gebracht, wie hen ziet, schudt verbijsterd het hoofd. 10 De mensen zijn van ontzag vervuld en roemen wat God heeft gedaan, zij beseffen dat het zijn werk is. 11 De rechtvaardige verblijdt zich in de HEER en zoekt bij hem zijn toevlucht. Wie oprecht van hart is, prijst zich gelukkig. (NBV)

Vandaag zingen we weer een klaagpsalm mee met de Kerk. In deze Psalm worden de misdaden van de onderdrukker en vijand breed uitgemeten. Je zou bijna gaan denken dat een Syrisch orthodox priester de afgelopen week de Psalm heeft geschreven. Hij gaat immers over vijanden die hun misdaden in het verborgene plegen? Niemand krijgt hun kwade praktijken te zien? Die vijanden denken dat ze onschuldig lijken, zo verborgen zijn hun plannen. Maar zo is het niet. De Psalm bezingt de mensen die niet de Weg van de God van Israël volgen. Die de richtlijnen van heb uw naaste lief niet kennen, die zich niet houden aan het Gij zult niet doden en het Gij zult niet begeren iets dat van uw naaste is. De Psalm waarschuwt voor die mensen, want hun kwade plannen zijn verborgen in hun hart en ons hart is diep als een afgrond.

Omdat de Psalm dus niet gemaakt is in de huidige situatie in Syrië moeten we op zoek naar de oorspronkelijke betekenis. Ook die zou voor ons wel eens van belang kunnen zijn. De meeste uitleggers van de Psalmen wijzen er op dat in het vervolg van de Psalm de vijanden struikelen over hun eigen tong en zich daardoor verraden. Die verborgen plannen die hen zo onschuldig doen lijken moeten daarom ook te maken hebben met wat ze zeggen. Of ze nu tovenaars zijn die met toverspreuken de gelovige in hun macht proberen te krijgen, in oude Bijbelse tijden zeker niet ondenkbaar, of geestenfluisteraars die via verbale trucs net doen of ze meer weten dan een ander, ze komen bij ons op de TV, ze liegen en bedriegen en proberen onschuldigen in hun macht te krijgen. Maar ook dictators en politici kunnen gemakkelijk van goed in het gehoor liggende frases gebruik maken om hun eigenlijke bedoelingen te verbergen.

Het is Gods pijl die de misdadigers in deze Psalm zwaar verwond. Nu niet gelijk denken aan donder en bliksem die uit de hemel komen als iemand een leugen vertelt. Dat is oud Germaans denken aan Donar de dondergod. Die god bestaat zeker niet. De pijl waar hier over gezongen wordt is het Woord van God. Gesproken wordt van de rechtvaardigen die zich verblijden in de Heer. Rechtvaardigen zijn mensen die de minsten tot hun recht laten komen. Dat merk je dus pas aan hun daden. En aan de vruchten herkent met de boom nietwaar. Als jouw daden ondanks je mooie woorden leiden tot oorlog en geweld dan deugen jouw daden niet. Als jouw woorden leiden tot bloei van de minsten, als die eindelijk mee mogen delen in de rijkdom van deze wereld, dan spreek je woorden die ingegeven worden door de God van Israël. En het Woord van God maakt een scherp onderscheid tussen de een en de ander. We moeten dus niet alleen luisteren naar wat woorden te zeggen hebben maar ook wat de daden te vertellen hebben. En wij mogen elke dag opnieuw onze daden voor zich laten spreken en de eer van God laten verkondigen. Ook vandaag weer.

Leunend op de arm van haar lief

Hooglied 8:5-14

5 Wie is zij, die daar komt uit de woestijn, leunend op de arm van haar lief? Onder de appelboom wekte ik jou. Daar kreeg je moeder weeën, weeën van jou, daar baarde ze jou. 6 Draag mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm. Sterk als de dood is de liefde, beklemmend als het dodenrijk de hartstocht. De liefde is een vlammend vuur, een laaiende vlam. 7 Zeeën kunnen haar niet doven, rivieren spoelen haar niet weg. Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen, dan werd hij smadelijk veracht. 8 Wij hebben een zusje, borsten heeft ze nog niet. Wat doen we met ons zusje als de mensen over haar gaan spreken? 9 Was zij een muur, dan bouwden wij er zilveren kantelen op. Was zij een deur, dan sloten wij die met een balk van cederhout. 10 Ik ben een muur, mijn borsten zijn als torens. Zo ben ik in zijn ogen als een stad die vrede biedt. 11 Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon. Hij stelde er bewakers aan, duizend zilverstukken gaf men voor de oogst. 12 Mijn eigen wijngaard blijft van mij. De duizend zilverstukken zijn voor jou, Salomo, en tweehonderd voor de bewakers. 13 Jij die in je hof verblijft, mijn vrienden zijn gespitst op je stem. Laat míj die horen! 14 Ga nu van mij weg, mijn lief! Spring als een gazelle, als het jong van een hert over de bergen vol balsemkruid.(NBV)

De bron van de eerwraak staat ook gewoon in de Bijbel en wel onder meer in het stuk uit het Hooglied dat we hier lezen. Hier komen de broers van de bruid aan het woord. Die zijn dus bezorgd over het antwoord op de vraag wat de mensen er wel van zullen zeggen. Want wat ze over hun zusje zeggen zouden ze daarmee zeggen over de hele familie en dus ook over die broers. Is dat zusje welopgevoed, weet ze zich te gedragen, heeft ze de juiste man uitgezocht, gedraagt ze zich naar en bij de man zoals het hoort? Allemaal vragen die gaan over normen en waarden, over het resultaat van opvoeding en dus over het gedrag van de hele familie.

Zo lijkt het tenminste want hun zusje heeft hen duidelijk gemaakt dat ze wel een muur rond haar kunnen bouwen, en dat is natuurlijk best lief van die broers, maar de liefde is als een laaiende vlam staat er. Andere vertalingen zeggen hier zelfs: een vlam van de Heer. Als het om de liefde gaat is allebei waar. Die vlam verteert alle barrières. Daar hoor je niet tussen te komen. En daarmee besluit het Hoge Lied van de Liefde. Het Bijbelboek dat gaat over de Liefde tussen twee mensen. Meestal is dat een hij of een zij maar lezers die van mensen houden van hetzelfde geslacht hebben al lang door dat je het Hooglied in de Bijbel dan net zo gemakkelijk samen kan lezen.

De laatste verzen in het Hooglied benadrukken nog maar eens dat een geliefde nooit je bezit wordt. Ook al betaald een wijze koning een hoge prijs voor je liefde en stelt deze knappe en sterke bewakers aan om er voor te zorgen dat er geen ander de geliefde kan stelen, de geliefde zelf blijft bepalen wie er toegelaten wordt tot de wijngaard. Ook in een huwelijk zal die regel altijd moeten geleden. Twee huwelijkspartners zijn gelijk, vrij om zelf te beslissen en ze moeten voor hetgeen gemeenschappelijk is onderling tot overeenstemming zien te komen. Inmiddels is deze Bijbelse zienswijze ook in onze wetgeving opgenomen. Het burgerlijk huwelijk is daarmee van beduidend belang geworden. Bezit in het huwelijk verkregen wordt ook echt van de echtelieden samen, samen zullen ze over het bezit moeten beslissen.

Ik ben van mijn lief

Hooglied 7:7-8:4

7 Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk, liefde en verrukking, dat ben jij. 8 Als een palm is je gestalte, je borsten zijn als druiventrossen. 9 Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen, ik wil zijn bladeren grijpen. Laten jouw borsten als trossen van de wijnstok zijn, je adem als de geur van appels, 10 je tong als zoete wijn waarin mijn kussen baden, mijn lippen en tanden gedompeld zijn. 11 Ik ben van mijn lief, en hij verlangt naar mij. 12 Kom, mijn lief, laten we het veld in gaan, en tussen de hennabloemen slapen. 13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg, en kijken of de wijnstok al is uitgebot, zijn bloesems al ontloken zijn, de granaatappel al bloeit. Daar zal ik jou beminnen. 14 De liefdesappels geuren al. Boven onze poorten hangt een keur van vruchten, vers geplukte, goed gedroogde. Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou. 1 Was jij maar mijn broertje, dronk jij nog maar aan mijn moeders borst. Als ik je dan vond, daar buiten, dan kuste ik jou, en niemand zou me verachten. 2 Dan nam ik je mee en bracht je in mijn moeders huis. Dat heb ik van haar geleerd. Ik gaf je kruidige wijn te drinken, van het sap van mijn granaatappel. 3 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm, met zijn rechterarm omhelst hij mij. 4 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken voordat zij het wil.(NBV)

Het gedeelte dat we vandaag uit het Hooglied lezen is een echt duet. De twee gelieven zingen het elkaar toe, ze bezingen elkaar. Zo kun je pas van elkaar houden. Het is zingen voor een bijzondere dag. Tussen Hemelvaart, het afscheid van Jezus van Nazareth, en Pinksteren, de komst van de Trooster, is het Wezenzondag. Over een paar weken vieren we dat weer. Uit het Hooglied, maar ook van zo’n trouwdag, leren we dat als je van een ander weet te houden en er weet van hebt dat een ander van je houdt, je nooit je als wees achtergelaten hoeft te voelen. En als je alleen bent, ga er dan op uit, er zijn altijd mensen die van je willen houden, mensen die het Hooglied hebben gelezen en mee willen doen in verhaal van Israel en van Jezus van Nazareth, mensen die van hun naaste houden als van zichzelf.

Het meeste wat je doet en wat je vindt in het leven, heb je toch van je ouders of opvoeders geleerd, vooral toen je nog jong was. En daarvan nog het meeste van je moeder, je pleegmoeder, stiefmoeder of de vrouw die je opvoedde. Ook hoe je lief moet hebben. Ook hoe je je partner lief moet hebben en welke risico’s daar in het begin aan zitten. Als je dus als moeder, ouder of opvoeder niet voldoende gepraat hebt met de kinderen die aan je zijn toevertrouwd over elkaar liefhebben, omdat je dat nu eenmaal niet doet, of omdat je jezelf wijsmaakt dat ze er nog niet aan toe zouden zijn, breng je enorme risico’s over de kinderen. Hormonen zijn nu eenmaal een natuurlijk verschijnsel. Als je niet weet wat er met je lichaam gebeurt als je in de armen van je geliefde bent, lees maar in het Hooglied hoe buitenaards dat kan worden, dan kun je zo intens genieten dat je doorgaat tot het einde bitter dreigt te worden.

Tegenwoordig roepen sommige zogenaamde Christenen dat ze tegen abortus zijn, ondanks de goede wetgeving die we op dat gebied hebben, wetgeving waardoor het aantal abortussen in Nederland is gedaald tot een wereldwijd minimum. Natuurlijk wil je het geen vrouw en geen meisje aandoen dat ze een abortus moet ondergaan. Sinds de invoering van de goede wetgeving is het aantal abortussen gelukkig dan ook zeer afgenomen. Maar de laatste jaren neemt het aantal langzaamaan weer toe, vooral onder meisjes en vrouwen die nooit moeders en opvoeders gehad hebben die vrij en open over het liefhebben van je partner wisten te praten. In sommige landen sterven jaarlijks nog vele vrouwen aan abortussen, zoals hier vroeger, nog niet zo erg veel vroeger trouwens, ook nog voorkwam. En Hooglied maakt ons ook duidelijk dat bij elke ongewenste zwangerschap een man betrokken is. In de discussies over abortus gaat het nooit over mannen, terwijl die toch eigenlijk als eerste op hun verantwoordelijkheid moeten worden aangesproken. De roep om de liefde niet voor haar tijd te wekken geldt zeker ook voor mannen. Ook zij zingen mee in het Hooglied.

De schepping van een kunstenaar

Hooglied 7:1-6

1 Draai rond, meisje uit Sulem, draai rond, draai rond, we willen naar je kijken. Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem, zoals ze danst tussen twee reien? 2 Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind! Je heupen draaien sierlijk rond, de schepping van een kunstenaar. 3 Je navel is een ronde kom, die gevuld is met kruidige wijn. Je buik is een bergje tarwe, dat door lelies wordt omzoomd. 4 Je borsten zijn als kalfjes, als de tweeling van een gazelle. 5 Je hals is als een toren van ivoor, je ogen als de vijvers van Chesbon, bij de poort van Bat-Rabbim. Je neus is als een toren van de Libanon, die uitkijkt over Damascus. 6 Je hoofd rijst op als de Karmel, omkruld door purperen lokken, waarin een koning ligt verstrikt. (NBV)

Als je werkelijk gelooft dat een God de hemel en de aarde heeft geschapen dan is er toch iets misgegaan. Die aarde werkt toch niet helemaal zoals het zou moeten anders zouden er in Nepal toch niet ruim 3500 mensen zijn omgekomen bij een aardbeving. Elk jaar worden we wel geconfronteerd met ergens op de wereld een aardbeving of een orkaan die veel doden en verwoesting tot gevolg hebben. De Bijbel heeft daar wel een antwoord op. We hebben al eens uit het boek Job gelezen en daar begrepen dat we natuurrampen moeten nemen zoals ze komen. Die horen er kennelijk bij. Hoe dat zit is voor ons onbegrijpelijk en hoort voor ons ook onaanvaardbaar te zijn. Job ging een geding aan tussen hem en zijn God. Uiteindelijk is het enige dat ons overblijft bij deze rampen te zien hoeveel goede mensen er nog onder ons zijn. Wie wil de hand uitsteken en helpen het leven van de overlevenden weer op orde te brengen.

De mensen zijn het waard. Lees maar in dit hoofdstuk van het Hooglied hoeveel mensen waard kunnen zijn, hoe mooi ze zijn, hoe lyrisch je ze kunt bezingen. Hoeveel je liefde waard kan zijn. Die liefde is telkens weer tot uitdrukking te brengen. Elke keer dat er zo’n ramp plaatsvind wordt er door het Rode Kruis of de samenwerkende hulporganisaties een gironummer geopend. Sommige mensen zullen denken dat ze wel aan de gang kunnen blijven met het uitschrijven van girotjes voor dit soort rampen, anderen zullen het hardop zeggen en als je niet uitkijkt gaat het rondzingen. In tal van landen wordt nog hard gewerkt om de gevolgen van eerdere aardbevingen weg te werken. Wellicht dat een ramp nog groter wordt als ook overstromingen komen die worden verwacht, gevolg van klimaatveranderingen en een slecht waterbeheer.. Er nog een paar rampen die we zelf veroorzaken. In Afrika dreigen tekens weer een aantal hongersnoden. De klimaatveranderingen slaan daar hard toe, de handelsbarrières die we hebben opgeworpen verhinderen de opbouw van reserves door de armen.

Dag in dag uit kunnen we bezig blijven de helpende hand te steken in ons bankboekje. oefenen heet dat in Bijbelse termen, godsdienstoefening wel te verstaan want onze godsdienst bestaat nu eenmaal uit je naaste liefhebben als je zelf en alles delen wat je hebt. Je geliefde is immers een koningskind, een kind van God. En de hele wereld is bevolkt met koningskinderen, de kinderen van God, onze zusters en broeders. Daarom kon Jezus van Nazareth tegen een rijk man zeggen dat heel het bezit verkocht moest worden om Jezus te volgen. Liefde is niet alleen genieten in de zon van de winter en blootsvoets rondhuppelen in het warme gras maar is ook het sprokkelen van het laatste hout om in de koude winter het vuur brandend te houden. Uiteindelijk staat er dat als wij willen overleven we het leven moeten gunnen aan hen die nu geen deel van leven hebben, uit liefde.