Geef het vlees aan de priester

1 Samuel 2:12-26

12 De zonen van Eli waren een stel afpersers. Ze trokken zich niets van de HEER aan 13 en maakten misbruik van de rechten die aan het priesterambt verbonden zijn. Wanneer iemand een offerdier liet slachten, dan kwam er als het vlees gaar was een priesterknecht met een drietandige vork. 14 Daarmee prikte hij in de pot, de pan, de ketel of de schaal, en alles wat aan de vork bleef hangen, eigende de priester zich toe. Zo verging het alle Israëlieten die in Silo kwamen offeren. 15 Sterker nog, soms kwam de priesterknecht al voor er rook van het vet opsteeg eisen: ‘Geef het vlees aan de priester om het te roosteren. Maar wel rauw; gestoofd vlees wil hij niet!’ 16 Als dan degene die aan het offeren was antwoordde: ‘Wacht tenminste tot er rook van het vet komt, dan kunt u nemen wat u hebben wilt, ‘zei de knecht: ‘Geef op! Anders neem ik het met geweld!’ 17 De HEER nam het wangedrag van Eli’s zonen zeer hoog op; ze toonden geen eerbied voor de gaven die de HEER toekwamen. 18 De kleine Samuël diende de HEER, en droeg daarbij een linnen priesterhemd. 19 Zijn moeder maakte ieder jaar een nieuw manteltje voor hem, dat ze meebracht wanneer zij en haar man hun jaarlijkse offer kwamen brengen. 20 Eli zegende Elkana en zijn vrouw met de woorden: ‘Moge de HEER u bij deze vrouw nog andere kinderen geven, in plaats van de jongen die zij aan de HEER heeft afgestaan.’ Dan gingen ze weer terug naar huis. 21 De HEER zag inderdaad naar Hanna om: ze werd opnieuw zwanger en baarde nog vijf kinderen, drie zonen en twee dochters, terwijl de jonge Samuël dicht bij de HEER opgroeide. 22 Inmiddels was Eli op hoge leeftijd gekomen. Van tijd tot tijd bereikten hem geruchten over wat zijn zonen de Israëlieten allemaal aandeden, en dat ze zelfs sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de ontmoetingstent. 23 Dan verweet hij hun: ‘Waarom misdragen jullie je zo? Van alle kanten hoor ik slechte dingen over jullie. 24 Het is niet veel fraais wat het volk van de HEER over jullie te vertellen heeft. Zo gaat het niet langer! 25 Wanneer mensen elkaar kwaad doen, kan God als scheidsrechter optreden, maar wanneer mensen zondigen tegen de HEER, wie zal dan voor hen pleiten?’ Maar de zonen weigerden naar hun vader te luisteren; de HEER had namelijk besloten hen te doden. 26 Intussen groeide Samuël verder op. Hij was zeer geliefd, zowel bij de HEER als bij de mensen. (NBV)

Het is geen wonder dat het volk van Israël de afgodendienst van Kanaän achterna ging lopen. Het werd hen voorgedaan in het Heiligdom van de God van Israël. Door de Priesters nog wel. In de nieuwe Bijbelvertaling heten ze afpersers. Er staat eigenlijk dat ze de zonen van Belial werden genoemd. Maar wij kennen Belial niet meer en hen hoerenzonen noemen zou een belediging voor de hoeren zijn. De schrijver van het eerste boek Samuel drukt diepe minachting uit voor hetgeen hier in het Heiligdom van de God van Israël aan de gang is. Je wilt als Priester in Israël echt niet horen bij het soort graaiers dat ons hier geschilderd wordt. Ze sturen notabene een knecht met een soort mestvork die de potten, de pannen, de schalen of de ketels afschuimt en al het vlees dat er aan blijft hangen meeneemt voor de beide priesterzonen. Zelfs als de gelovige eerst toch de schijn van offeren wil maken, als de rook van het verbrande vet opstijgt naar God, dan wordt hen dat onmogelijk gemaakt, zelfs religie is niet meer heilig voor deze priesters. Om te snappen hoe erg dit is moeten we ons verdiepen in het offeren in de godsdienst van Israël en de betekenis er van.

Elke morgen en elke avond werd er bij de tent van de ontmoeting geofferd. Dat offeren was niet om de God van Israël te voeden, of om die God tevreden te stellen, of om een gunst van die God te krijgen maar om degene die geofferd had te bevrijden. In de eerste plaats te bevrijden van hebzucht. Je offert van je bezit omdat je bereid bent van je bezit te delen. Je bent bereid om te delen omdat je je er van bewust bent dat wat je hebt gekregen is van de God van Israël. Daarom mochten de priesters van het Heiligdom uitdrukkelijk mee eten van het vlees, het meel of van het gevogelte dat werd geofferd. Maar de manier waarop de zonen van Eli er mee omgingen deed het er bijna op lijken dat er werd geofferd aan de Priesters zelf. Op de hoogtijdagen moest er ook gedeeld worden met de familie, de meiden en de knechten en de armen en de vreemdelingen die bij de offeraars woonden. Daar zal weinig van terecht zijn gekomen met zulke voorbeelden Wel bij de ware gelovigen in de God van Israël. Hanna en Elkana.

Hanna maakte elk jaar voor haar opgroeiende zoon een nieuwe mantel en gekleed in zijn witlinnen kleed groeide Samuel op tot een voorbeeldig tempeldienaar die ging zorgen voor de steeds ouder wordende Hogepriester. Zo’n jonge hulp zal de Hogepriester nog wat extra aanzien gegeven hebben ook. Hanna kon trots op hem zijn en had thuis haar handen vol aan haar vijf andere kinderen. Dat de onvruchtbare vruchtbaar zou worden bewees zich in de praktijk. Maar hier staan weer twee partijen tegenover elkaar. Beide staan in dienst van de God van Israël, maar de ene partij is bevrijd van hebzucht en het najagen van winst en bezit, terwijl de andere partij graait wat het graaien kan. We weten niet precies wanneer de eindredactie van het boek Samuel heeft plaatsgevonden maar we kunnen ons voorstellen dat het verhaal over de zonen van Eli scherpe kritiek inhoudt op een manier van priester zijn die zich zelfs in onze dagen wel voordoet als de schalen in een kerkdienst worden doorgegeven terwijl de voorganger de gemeente opzweept om meer en nog meer te geven zodat hijzelf er rijker van wordt. Voor echte gelovigen in de God van Israël telt alleen het lot van de armen, de minsten, daarmee delen is een priesterlijk gegeven waartoe we elke dag zijn geroepen, ook vandaag weer.

Maar Hanna ging niet mee.

1 Samuel 1:21-2:11

21 Toen Elkana het jaar daarop weer met zijn familie op weg ging om de HEER zijn jaarlijkse offer te brengen, wilde hij de gelofte inlossen. 22 Maar Hanna ging niet mee. Ze zei tegen haar man: ‘Pas als het kind van de borst is, zal ik hem brengen. Dan zal hij voor de HEER verschijnen en daar voor altijd blijven.’ 23 Haar man Elkana antwoordde: ‘Doe maar wat jij het beste vindt. Blijf thuis zolang je hem nog zelf voedt. Laten we hopen dat de HEER dan niet van zijn belofte terugkomt.’ Hanna bleef dus thuis en voedde haar zoon totdat ze hem de borst ontwend had. 24 Zodra het zover was, nam ze hem mee naar Silo en bracht hem, zo jong als hij was, naar het heiligdom van de HEER. Ze had ook een driejarige stier bij zich, een efa meel en een zak wijn. 25 Ze slachtten de stier en brachten de jongen naar Eli. 26 Daar zei Hanna: ‘Neem me niet kwalijk, heer, zo waar u leeft, ik ben de vrouw die destijds hier bij u tot de HEER heeft gebeden. 27 Om deze zoon heb ik gebeden, en de HEER heeft mij gegeven waar ik om heb gevraagd. 28 Nu geef ik hem op mijn beurt aan de HEER, voor alle dagen die hem gegeven zijn.’ Toen knielde Eli voor de HEER 1 en Hanna bad: ‘Nu juicht mijn hart dankzij de HEER, fier heft mijn hoofd zich op, dankzij de HEER, mijn mond spreekt vrijmoedig tegen mijn vijanden, want dankzij uw hulp beleef ik vreugde. 2 Geen is er heilig als de HEER, er is geen andere God dan u, geen rots is er als onze God. 3 Gebruik toch geen grote woorden, blaas niet zo hoog van de toren, want de HEER is een alwetende God: door hem worden onze daden gewogen. 4 De boog van de helden is gebroken, en wie wankelen weten zich gesterkt. 5 Die genoeg hadden, verkopen zich voor brood, en wie hongerden zijn verzadigd. De onvruchtbare baart zeven zonen, en wie veel kinderen heeft, verwelkt. 6 De HEER doet sterven en doet leven, zendt naar het dodenrijk en leidt eruit omhoog. 7 De HEER maakt arm en hij maakt rijk, vernedert diep en heft hoog op. 8 De zwakke en de arme helpt hij overeind, hij haalt hen uit het stof en uit het slijk. Tussen de edelen zet hij hen neer, hij houdt een ereplaats voor hen vrij. Van de HEER zijn de pijlers der aarde waarop hij de wereld heeft vastgezet. 9 Die hem trouw zijn, behoedt hij op hun pad, maar de zondaars komen om in het duister. Ontoereikend is de menselijke kracht:10 wie het opneemt tegen de HEER wordt gebroken, vanuit de hemel dondert hij hun toe. De HEER spreekt recht over heel de aarde, hij geeft macht aan de koning die hij kiest en verhoogt het aanzien van zijn gezalfde.’11 Daarop ging Elkana terug naar huis, naar Rama. De jongen bleef achter onder de hoede van de priester Eli om de HEER te dienen. (NBV)

Dit begin van het verhaal over Samuël laat zich gemakkelijk lezen als het verhaal over de zielige Hanna die zo gepest werd omdat ze geen kinderen kreeg. Uit wanhoop beloofde ze haar kind dan maar af te staan aan het Heiligdom voor de God van Israël als ze maar dat kind kreeg en niet meer gepest zou worden. En jawel, binnen een jaar was dat kind er en natuurlijk verwachtte haar man dat ze direct mee zou gaan naar dat Heiligdom om dat kind af te staan. Gelukkig vond hij het goed dat ze het kind nog even een tijdje de borst zou geven voordat ze het kind waar ze zo naar had verlangd weer kwijt zou raken. Dat een tijdje de borst geven was in die dagen overigens een jaar of drie dus die Hanna kon toch nog een aardige tijd van haar jongen genieten. Elkana moest daarom bidden dat God haar zou helpen haar belofte te houden. Maar het verhaal over Elkana, Hanna en Samuël gaat niet over een gelukkig gezinnetje uit de bergen van Efraïm, het gaat over de manier waarop de God van Israël met zijn volk omgaat en hoe dat volk er op reageert.

In het begin van dit boek werd ons Elkana voorgesteld. Als we nauwkeurig lezen dan leren we dat Elkana stamde uit de stam Levi. Die stam had geen eigen gebied gekregen in Israël.  Uit die stam kwamen de helpers voor het Heiligdom van de God van Israël voort, de Levieten. Als Elkana met de hele familie naar dat Heiligdom reist dan lezen we daar van alles maar niks over de levieten. Elkana houdt wel de maaltijd zoals die in het boek Deuteronomium staat voorgeschreven, met de familie, de meiden en de knechten, de levieten en de armen en de vreemdelingen. De nadruk in dit verhaal ligt dan op de familie. Wie goed leest hoort van een strijd tussen twee kampen, het kamp van Pennina en het kamp van Hanna. Het kamp van Pennina legt de nadruk op de vruchtbaarheid, het aantal kinderen dat ze kreeg, de rijkdom die dat met zich meebracht. Het kamp van Hanna kent alleen dat Heiligdom en die God van Israël. Elkana kiest overigens voor Hanna. Het kamp van Pennina lijkt heel erg veel op de afgodendienst waartoe Israël in haar geschiedenis zou worden verleid. Het verhaal van Hanna laat zich dan ook lezen als een verhaal over die strijd waarin de God van Israël als overwinnaar tevoorschijn zal komen.

De zoon die Hanna en Elkana krijgen wordt goed gevoed naar het Heiligdom gebracht. Daar knielt de Hogepriester neer voor die God, die zelfs geen beeld in zijn Heiligdom wilde, die de offers bestemde voor zijn priesters en ze wilde laten delen met de armen. Hanna heeft dan haar beroemde lied aan dat in echo’s klinkt in tal van de psalmen en opnieuw gezongen zal worden als de eerst onvruchtbare maar nu zwangere Elisabet haar zwangere nicht Maria ontmoet. We kennen het als de lofzang van Maria maar eigenlijk is het de lofzang van Elisabet. In dat lied worden voortdurend tegenstellingen gemaakt. Rijken zend hij ledig heen en armen laat hij verzadigd gaan, om er maar één te noemen. De boodschap van het lied is dat het helemaal niet gaat in het leven om die vruchtbaarheid, om steeds maar rijker en machtiger te worden. Machtiger dan de God van Israël lukt niks en niemand en alles wat je hebt krijg je van die God. Dat rusteloos zoeken naar rijkdom en macht heeft dan ook geen enkel nut. Voeg je in het spoor van die God en zorg voor de naaste als voor jezelf, deel van wat je hebt gekregen met hen die niets hebben, dan pas ben je rijk. Op die manier staat Samuël aan het begin van het Koninkrijk Israël en aan het begin van wat de dienst van Tempel in Jeruzalem zou worden. Maar zo gelezen kunnen wij ons ook bij die dienst aansluiten en de partij van Hanna kiezen, door onze naaste lief te gaan hebben als onszelf en met de armsten tot aan de einden der aarde te delen van de rijkdom die we kregen. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Hanna werd zwanger

1 Samuel 1:1-20

1 In Rama in de streek Suf, in het bergland van Efraïm, woonde een man die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, die een zoon was van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, en behoorde tot de stam Efraïm. 2 Hij had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Peninna. Peninna had kinderen, maar Hanna niet. 3 Elk jaar ging deze man vanuit zijn woonplaats naar Silo, om daar de HEER van de hemelse machten te vereren en hem offers te brengen. Chofni en Pinechas, de twee zonen van Eli, waren daar priesters van de HEER. 4 Wanneer Elkana zijn jaarlijkse offer bracht, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters een stuk van het offervlees. 5 Maar het mooiste stuk gaf hij aan Hanna, want haar had hij lief, ook al hield de HEER haar moederschoot gesloten. 6 Haar rivale kwetste haar dan diep, door haar te sarren omdat de HEER haar geen kinderen gaf. 7 Zo ging het jaar in jaar uit. Elke keer als ze naar het heiligdom van de HEER gingen, treiterde Peninna Hanna zo erg dat ze begon te huilen en haar eten liet staan. 8 Toen dat weer eens gebeurde, vroeg Elkana: ‘Waarom huil je, Hanna? Waarom eet je niet en waarom ben je zo bedroefd? Beteken ik niet meer voor je dan tien zonen?’ 9 Na de maaltijd stond Hanna op en ging naar het heiligdom van de HEER, waar de priester Eli op een bankje bij de ingang zat. 10 Diep bedroefd bad Hanna tot de HEER. In tranen 11 legde ze een gelofte af: ‘HEER van de hemelse machten, ik smeek u, heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, vergeet mij niet. Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan u: nooit zal zijn haar worden afgeschoren.’ 12 Terwijl Hanna zo lang bad, keek Eli opmerkzaam naar haar mond. 13 Ze bad namelijk in stilte: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet te horen. Daarom dacht Eli dat ze dronken was. 14 Hij sprak haar aan en vroeg: ‘Gaat dit nog lang zo duren? Als u dronken bent, ga dan uw roes uitslapen!’ 15 ‘U vergist u, heer, ‘antwoordde Hanna. ‘Ik heb geen wijn of andere drank gedronken. Nee, ik ga gebukt onder een zwaar verdriet en stort mijn hart uit bij de HEER. 16 Denk niet dat ik een slechte vrouw ben; ik bid zo lang omdat ik overstelpt ben door droefheid en ellende.’ 17 ‘Ga dan in vrede, ‘antwoordde Eli. ‘De God van Israël zal u geven waar u om hebt gevraagd.’ 18 ‘Ik dank u voor uw vriendelijkheid, ‘zei Hanna, en ze ging terug naar haar familie. Haar gezicht was opgeklaard en ze at ook weer. 19 De volgende morgen vroeg bogen ze zich neer voor de HEER, waarna ze zich op de terugreis begaven. Thuis in Rama sliep Elkana met zijn vrouw Hanna, en de HEER verhoorde haar. 20 Hanna werd zwanger en na verloop van tijd baarde ze een zoon. Ze noemde hem Samuël, ‘want, ‘verklaarde ze, ‘ik heb hem aan de HEER gevraagd.’ (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het Eerste boek Samuël. Samuël belichaamde de overgang van het volk dat zonder koning in stammen verdeeld in het land Israël woonde naar het Koninkrijk dat onder David een succes zou worden. De verhalen over dat volk dat in stammen verdeeld leefde kunnen we vinden in het boek Richteren en hoe het na David verder zou gaan lezen we in de boeken 1 en 2 Koningen. De boeken 1 en 2 Samuël en de boeken 1 en 2 Koningen maken de indruk geschiedenisboeken te zijn. Maar dat is een verkeerde indruk. De Bijbel is geen geschiedenisboek en ook de verschillende boeken in de Bijbel vertellen niet over geschiedenis zoals we dat inmiddels van de geschiedeniswetenschap gewend zijn. De boeken zijn ook niet geschreven om geschiedenis van een volk, of van belangrijke mensen of gebeurtenissen vast te leggen. De Bijbel is geschreven om ons te laten zien hoe de God van Israël inbreekt in onze menselijke geschiedenis. Bijbelverhalen vertellen dan ook de “waarheid”, niet over de geschiedenis, maar over het handelen van de God van Israël. Het eerste verhaal dat we vandaag lezen is daar een goed voorbeeld van.

In de loop van de tijden is het krijgen van voldoende kinderen in elke cultuur een belangrijke zaak. Die kinderen zijn een verzekering voor een ongestoorde oude dag voor hun ouders. De “babyboom” van na de Tweede Wereldoorlog heeft bij ons het zicht daarop wat verduisterd. Voor de generatie van de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw waren er genoeg kinderen geboren om hen een onbezorgde oude dag te bezorgen. Maar in onze dagen dringt zich het besef dat er voldoende jongeren moeten zijn om de ouderen een onbezorgde oude dag te bezorgen zich weer op. De hele discussie over de AOW leeftijd gaat daarover, over de verdeling van de lasten tussen de jongeren en ouderen. De OESO, de organisatie voor ecomische samenwerking en ontwikkeling heeft al eens geadviseerd om desnoods meer mensen uit arme buitenlanden toe te laten, die hebben grotere gezinnen en kunnen ons pensioenstelsel betaalbaar houden. Ook in de dagen van Elkana, waar het verhaal van vandaag mee begint, was de noodzaak van voldoende kinderen aanwezig.

Hanna had geen kinderen, Peninna wel. Hanna was dus zielig en Peninna niet. Maar Hanna was eigenlijk helemaal niet zielig omdat ze geen kinderen had, Peninna had genoeg kinderen voor hen allebei en de verhalen uit de Bijbel gaan ook altijd over delen. En als het op delen aankwam dan kreeg Hanna altijd het beste deel van haar echtgenoot. Maar Hanna was zielig omdat ze gepest werd. Pesten is een van de meest gemene manieren om iemand te kwetsen. Mensen kunnen daardoor zo gekwetst worden dat ze er aan dood gaan, al lijkt het dan er op of ze zelf een eind aan hun leven maken. Hanna was daar niet ver van af. Maar zij zocht eerst in de Tent der ontmoeting, waar de Wet van God werd bewaard, de hulp van die God. Ze was zo ver heen dat de hoge priester Eli dacht dat ze dronken was. Dat was ze dus niet en als ze zo hartstochtelijk iets van God vroeg dan moest die dat toch wel geven zei Eli. Die zoon kreeg ze ook, niet van God maar van Elkana. Maar het was de leer van Mozes, de Wet van Liefde en delen die haar op het goede spoor had gezet, haar zoon zou dan ook opgedragen worden aan die God. Wij hoeven geen zonen en dochters aan die God op te dragen. Wij kunnen onszelf aan die God weiden, door te leven volgens zijn richtlijn, onze naaste lief te hebben als ons zelf. Elke dag weer, ook vandaag weer.

Hoe lang nog,HEER!

Psalm 79

1 Een psalm van Asaf. God, vreemde volken hebben uw land bezet, uw heilige tempel geschonden en Jeruzalem in puin veranderd. 2 De lijken van uw dienaren lieten zij liggen als aas voor de vogels van de hemel, het vlees van uw getrouwen als voedsel voor de wilde dieren op aarde. 3 Hun bloed werd als water vergoten rond Jeruzalem-en niemand die hen begroef. 4 Gehoond worden wij door onze naburen, beschimpt en bespot door de volken rondom. 5 Hoe lang nog, HEER! Bent u voor eeuwig verbolgen? Hoe lang blijft uw woede branden? 6 Stort uw toorn uit over de volken die u niet kennen, over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen, 7 want zij hebben Jakob verslonden en zijn woonplaats verwoest. 8 Reken ons de zonden van vroeger niet aan, toon erbarmen en haast u, want onze ellende is groot, 9 help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam, red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam. 10 Waarom mogen de volken zeggen: ‘Waar is nu hun God?’ Laat de volken weten, laat ons het zien, dat het bloed van uw dienaren wordt gewroken. 11 Laat het zuchten van uw geknechte volk u bereiken, machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd. 12 Straf de volken rondom ons zevenvoudig voor de smaad die zij u hebben aangedaan, Heer! 13 Wij zijn uw volk, de kudde die u hoedt, wij zullen u prijzen tot in eeuwigheid, van geslacht op geslacht verhalen van uw roem. (NBV)

De Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen bezingt het gevoel dat het volk Israël overkwam toen Jeruzalem verwoest werd, de Tempel afgebroken en het volk weggevoerd in ballingschap. Ook bij profeten als Jeremia en Jesaja kun je lezen dat de volken die rond Israël woonden zich vrolijk maakten over de ondergang van dat landje. Het landje dat zich zo hooghartig had opgesteld, dat bondgenootschappen had gesloten met de machtigste rijken van die tijd het laatste nog met Egypte dat hen nu in de steek had gelaten. Dat landje beriep zich altijd op een onzichtbare God waarvan niet eens beelden aanwezig waren in zijn Tempel. Ondertussen hadden ze wel andere goden geplaatst en aanbeden en vruchtbaarheidspalen voor Asjeera in de akkers gedreven.

In deze Psalm lijkt het volk berouw te krijgen van datgene wat ze verkeerd hebben gedaan en het lied loopt uit op het goede dat de God van Israël heeft gedaan en dat navolging verdient. Het is de God van Israël die de roem verdient. Het Joodse geloof en het Christelijke geloof maakt de gelovigen niet beter dan de mensen die zulk geloof niet aanhangen. Er is maar één God en die God roept op tot het goede, ondanks alle kwaad dat er in de wereld wordt gedaan. Kerken zetten vaak na rampen hun deuren open voor mensen die stilte en steun nodig hebben. De PKN kerken in Nederland organiseren extra collectes voor de hongerenden in Afrika. Wie bezig is met de Bijbel hoort daarin de stem van de God die oproept om de lijdenden niet te vergeten.

Vandaag zijn dat de nabestaanden van de aanslag op een onschuldig verkeersvliegtuig in de Oekraïne, de MH17, maar ook de hongerenden in Afrika en de slachtoffers van alle oorlogen en geweld. We zullen wegen moeten zoeken om in vrede te leven met mensen die anders geloven. In onze samenleving geven Moslims ons daarvoor een eerste kans. De Bijbel roept ons op men hen maaltijd te houden. Dat moeten we dan maar doen, niet omdat we beter zijn dan een ander, maar omdat we allemaal kinderen van die ene God zijn en kinderen horen elkaar niet uit te roeien maar elkaar te laten groeien, ook vandaag weer.

Denk aan mijn boeien!

Kolossenzen 4:7-18

7 Tychikus, onze geliefde broeder, onze trouwe helper en mededienaar van de Heer, zal u alles over mij vertellen. 8 Hem stuur ik naar u toe om u over onze omstandigheden in te lichten en om u moed in te spreken, 9 samen met Onesimus, onze trouwe en geliefde broeder die een van u is; zij beiden zullen u vertellen hoe het hier gaat. 10 Aristarchus, mijn medegevangene, Barnabas’ neef Marcus (over wie u al instructies hebt gekregen: ontvang hem gastvrij wanneer hij bij u komt) 11 en Jezus Justus groeten u; zij zijn de enige Joden die met mij meewerken voor Gods koninkrijk, en ze zijn dan ook een grote troost voor me geweest. 12 Epafras, een dienaar van Christus Jezus en een van u, groet u; in al zijn gebeden strijdt hij voor u en bidt hij dat u als volmaakte mensen en met volle overtuiging zult vasthouden aan alles wat God wil. 13 Ik kan van hem getuigen dat hij zich erg voor u inspant en ook voor de mensen in Laodicea en Hiërapolis. 14 Ook Lucas, onze geliefde arts, en Demas groeten u. 15 Wilt u de broeders en zusters in Laodicea groeten, en ook Nymfa en de gemeente die bij haar thuis samenkomt? 16 Wanneer deze brief bij u is voorgelezen, moet u ervoor zorgen dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat u de brief aan hen te lezen krijgt. 17 En zeg tegen Archippus: ‘Let erop dat u de taak die u van de Heer hebt ontvangen, ook vervult.’ 18 Een eigenhandig geschreven groet van mij, Paulus. Denk aan mijn boeien! Genade zij met u. (NBV)

Papier is geduldig. Natuurlijk, in de eerste Christengemeenten stond lang nog niet alles op papier. De Evangeliën werden waarschijnlijk pas geschreven toen Paulus overleden was. Er waren wel verzamelingen uitspraken van Jezus, wij kennen die niet meer, die later ook de grondslag zouden vormen voor de Evangeliën van Matteüs en Lucas. Het verhaal over Jezus van Nazareth, zijn kruisiging en opstanding en de betekenis daarvan werd mondeling overgebracht en door brieven. Dat begon vaak in een Synagoge waar gasten uit Palestina uitleg gaven over de lezingen uit de Tenach, de Judeese Bijbel die wij kennen als het Oude Testament. Hoe dat ongeveer ging vinden we in het verhaal over Filippus dat in Handelingen wordt verteld over de Moorse Kamerling die in het boek van de profeet Jesaja zat te lezen en uitleg kreeg van Filippus en zich daarna liet dopen en Christen werd.

In Kolosse was Epafras degene geweest die een dergelijke uitleg had gegeven en daar had zich buiten de Synagoge een gemeente gevormd onder leiding van Filemon. Maar dat volgen van de leer van die Jezus van Nazareth was niet zonder gevaar. Paulus zat gevangen in Efeze, niet alleen overigens, in elk geval samen met zijn medewerker Aristarchus. En plotseling was er in de gemeente een weggelopen slaaf opgedoken die een medewerker van Paulus was geworden en die niet ter dood moest woren gebracht maar als broeder moest worden aanvaard. Ze wilden dat wel maar het bleef gevaarlijk. Paulus snapte dat ook, hij had dat al vaker meegemaakt. Hij liet Timoteüs een brief ontwerpen waar de onderwerpen die van belang waren voor Kolosse uiteen werden gezet. De nieuwe manier van omgaan met elkaar, als gelijken, waar mannen alle vrouwen uit de gemeente lief moesten hebben, waar slaven gelijken werden van vrijen, waar het verschil tussen mensen uit de besnijdenis en heidenen weggevallen was. Timoteüs heeft de brief kennelijk aan Paulus voorgelegd die er een zeer persoonlijk stukje aan toevoegde.

Uit dat gedeelte blijkt dat de gemeente van Kolosse niet alleen staat in haar nieuwe manier van leven. Dat werd ook gedaan in Laodicea, een buurstad van Kolosse, een dagreis ver. Ook in belangrijke steden als Hiëropolis en Efeze. De belangrijke mensen die genoemd zijn worden slaven genoemd door Paulus, slaven van Christus en in Christus was immers vrijheid. De vele mensen die in dit gedeelte genoemd worden staan ook genoemd in de brief aan Filemon waarin gevraagd werd Onesimus als broeder te ontvangen. Maar papier is niet genoeg. De gemeente in Kolosse krijgt een nieuwe vertegenwoordiger van Paulus, Tychikus die zal uitleggen hoe het zit met die andere gemeenten, hoe het gaat met al die mensen die genoemd worden. Voor de mensen in Kolosse, voor de huisgemeente van Filemon, kan zo het gevoel ontstaan deel uit te maken van een groter geheel. Daarom moet hun brief ook in Laodicea voorgelezen worden en moeten zij kennis nemen van een brief aan Laodicea. Zij wel en wij misschien niet. In de Bijbel staat geen brief aan Laodicea. Wel een brief aan de Efeziërs en veel geleerden nemen aan dat die brief de hier genoemde brief aan Laodicea is. Als u overigens wel eens hoort dat Lucas de Evangelist een arts was dan komt dat uit dit Bijbelgedeelte. Alleen of de hier genoemde Lucas dezelfde was als de Evangelist en schrijver van Handelingen is niet zeker. Voor ons die in betrekkelijke veiligheid leven mag duidelijk worden dat die nieuwe manier van leven, zonder angst, zonder verschil tussen mannen en vrouwen, allochtonen en autochtonen nog meer mogelijk moet zijn dan voor de mensen in Kolosse. Wij kunnen er in alle vrijheid elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Wees niet bitter

Kolossenzen 3:18-4:6

18 Vrouwen, erken het gezag van uw man, zoals past bij uw verbondenheid met de Heer. 19 Mannen, heb uw vrouw lief en wees niet bitter tegen haar. 20 Kinderen, gehoorzaam je ouders in alles, want dat is de wil van de Heer. 21 Vaders, vit niet op uw kinderen, want dat maakt ze moedeloos. 22 Slaven, gehoorzaam uw aardse meester in alles, niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar oprecht en met ontzag voor de Heer. 23 Wat u ook doet, doe het van harte, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen, 24 want u weet dat u van de Heer een erfenis als beloning zult ontvangen-uw meester is Christus! 25 Maar iedereen die onrecht doet zal daarvoor boeten, en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt. 1 Meesters, geef uw slaven waar ze recht op hebben en wat redelijk is, want u weet dat ook u een meester hebt, in de hemel. 2 Blijf bidden en blijf daarbij waakzaam en dankbaar. 3 En bid dan ook voor ons, dat God deuren voor ons opent om het mysterie van Christus te verkondigen waarvoor ik gevangen zit, 4 en bid dat ik het mag onthullen zoals het moet. 5 Gedraag u wijs tegenover buitenstaanders en benut iedere gelegenheid, 6 en als u wilt weten hoe u op de mensen moet reageren: vriendelijk, maar beslist. (NBV)

Als je de Bijbel maar genoeg in stukjes knipt dan kom je vanzelf op teksten die je eigen gelijk onderstrepen. Aangezien het vertalerswerk meestal door mannen wordt gedaan en mannen eeuwenlang het baas zijn hebben opgeëist lees je dat ook terug in Bijbelvertalingen. Maar heel langzaam komt daar verandering in. Vandaag hebben we een voorbeeld van taalgebruik dat vandaag niet meer past maar vroeger nog erger was. Het gedeelte van vandaag begint met de oproep aan vrouwen om het gezag van hun man te erkennen. In de zeventiende eeuwse Statenvertaling staat hier een oproep aan vrouwen om hun man onderdanig te zijn. Gelukkig konden we gisteren nog lezen dat er in de Christelijke gemeente geen onderscheid is tussen mannen en vrouwen. Waar het om gaat is dat we vergeten dat het schrijven van Paulus in Kolosse voor een grote culturele schok gezorgd moet hebben. Dat staat niet direct in deze brief, dat staat in de brief aan Filemon die in de Bijbel is opgenomen, maar de schok is er niet minder om.

In het Romeinse Rijk moesten gevluchte slaven ter dood worden gebracht. Slaven moesten onderdanig zijn aan hun eigenaars en om te laten zien hoe machtig die eigenaars waren hadden ze het te zeggen over leven en dood van hun slaven. Paulus had aan de leider van de gemeente in Kolosse gevraagd om zijn gevluchte slaaf Onesimus niet te doden maar te verwelkomen als broeder. Dat is een radicale en revolutionaire omkering van alles wat geloofd werd in het Romeinse Rijk. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe revolutionair dit geweest moet zijn. Nu volgt een brief om uit te leggen hoe een gemeente als Kolosse het nieuwe geloof in Jezus als de Christus, de gezalfde bevrijder, zou moeten verstaan. Voorop staat dat er binnen de gemeente geen verschillen bestaan. Dat betekent niet dat je de mensen wijs moet maken dat alle gewoonten, alle manieren van met elkaar omgaan nu ineens volkomen anders zijn geworden.

Mannen hadden in die samenleving gezag. In onze dagen zijn er drie culturele revoluties nodig geweest om daar een klein beetje verandering in aan te brengen en ook vandaag de dag klinkt het baas zijn van mannen over vrouwen helemaal niet vreemd in de oren, alleen ongewenst hebben we geleerd. Wie de oproepen van Paulus in dit gedeelte goed leest dan merk je dat Paulus niet vraagt aan de een en de ander om elkaars macht te erkennen en zich onvoorwaardelijk te onderwerpen, maar vraagt Paulus respect en liefde voor elkaar op te brengen. Het duidelijkst komt dat in de oproep aan slaven tot uiting. Hier klinkt zelfs de oproep van Jezus door om ook je vijanden lief te hebben. Voor slaven is er geen onderwerping maar respect de houding die Paulus vraagt. Iedereen die onrecht doet zal daarvoor moeten boeten schrijft Paulus, wat slecht is blijft slecht. En daarmee wordt iedereen, mannen, slavenhouders, ouders, bestuurders, machthebbers, maar ook vreemdelingen, vrouwen, slaven, kinderen en onderdanen, opgeroepen om respect aan elkaar te betonen. Een oproep om elkaar tot zijn of haar recht te laten komen. En daarmee zijn we bij het hart van het Christelijk geloof gekomen, heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Dat mogen we ook in deze verhoudingen elke dag doen, ook vandaag weer.

Bedrieg elkaar niet

Kolossenzen 3:5-17

5 Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht-hebzucht is afgoderij-,6 want om deze dingen treft Gods toorn degenen die hem ongehoorzaam zijn. 7 Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd, 8 ¶ maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en schelden. 9 Bedrieg elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt 10 en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. 11 Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen. 12 Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraag elkaar en vergeef elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. 14 En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. 15 Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. 16 Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. 17 Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door hem. (NBV)

Je mag ook niks. Kijk nu eens naar het begin van dit Bijbelstukje. Daar zijn die stiekeme Christenen weer. Alles wat leuk is dat mag niet. Je mag theedrinken met vreemdelingen en je moet elkaar wel liefhebben maar elkaar aanraken is er niet bij. Geen wonder dat aan die Christenen wordt gezegd dat ze elkaar niet mogen bedriegen, want als je alles wat leuk is verboden hebt dan gaan gewone mensen dat vanzelf stiekem doen. Als we zo redeneren moeten we ons ook afvragen of we dat eigenlijk wel goed begrepen hebben. Want wat wordt er nu verboden. Zingen en dansen wordt niet verboden, vrijen met een ander ook niet, je verkleden om mensen te vermaken ook al niet. Zelfs toneelspelen of mensen op komische wijze een spiegel voorhouden wordt in dit Bijbelgedeelte niet verboden. Het gaat om een nader soort zaken. ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten. Om het in de taal van vandaag te zeggen het gaat om : “ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke” Alle mensen zijn als voorwerpen om jou te plezieren en als ze dat niet willen dan dwing je hen er toe. Het is wat Christenen drijft om te kijken naar de seksindustrie. Daar worden mensen gehuurd om anderen te bevredigen. Op zich is dat al een rare verhouding tussen twee mensen, het zou toch veel leuker zijn als ze elkaar ook nog aardig vinden en samen één vlees zouden willen vormen zoals de Bijbel dat noemt.

Maar het is de manier van omgaan waarvoor mensen vanouds kunnen kiezen. Het wordt natuurlijk anders als vrouwen, soms ook als mannen, gedwongen worden zich te verhuren en de huuropbrengst niet henzelf ten goede komt maar degene die hen dwingt. Dan zijn mensen voorwerpen geworden die ingezet kunnen worden om winst te genereren, slaven die in de ogen van hun eigenaars niet meer waard zijn dan de opbrengst die ze kunnen genereren. Zo moet het dus niet. Mensen zijn oneindig veel meer waard. In Christelijke ogen hoort er geen verschil te zijn tussen slaven en vrijen, net zo min als er verschil zou moeten zijn tussen allochtonen en autochtonen. Paulus schreef zijn brief aan een gemeente die uit heel veel verschillende mensen bestond, Grieken, Joden, mensen die besneden waren als nakomelingen van Abraham, mensen die niet besneden waren, Barbaren, Skythen. Die laatste twee hoorden bij volkeren waarvan de namen scheldwoorden geworden waren. Paulus zegt dat we het anders moeten gaan doen omdat we bevrijders zijn geworden, in zijn taal in Christus zijn. Christus is het Griekse woord voor gezalfde en de vertaling van het Hebreeuwse woord messias dat naast gezalfde ook bevrijder betekent. Het gaat er dus niet om dat je niks mag maar dat je nergens toe gedwongen kan worden. Dat begint met zelf niemand ergens toe te dwingen.

Dat begint er mee mensen niet langer als voorwerp voor je eigen plezier te gebruiken maar van mensen te houden zoals je zou willen dat er van jou gehouden wordt. Als het moeilijk wordt met mensen is er medeleven, dat zou je zelf toch ook willen als een geliefde ziek wordt of dood gaat, dan is er goedheid, zachtmoedigheid, bescheidenheid en geduld. In onze dagen is zo leven behoorlijk moeilijk. Medeleven moet je wel opbrengen want je wordt gedwongen tot mantelzorg omdat de rijken aan goede professionele zorg niet langer mee willen betalen. Een band vormen met de vreemdelingen in ons midden is maar eng, die hebben rare geloven en willen ons dwingen wordt ons wijsgemaakt. Dat ook zij spreken over Jezus van Nazareth als iemand die Gods verhaal kwam vertellen, het verhaal van zorgzaamheid en liefde, wordt ons niet verteld. Als we gaan leven zoals Paulus ons voorhoudt gaan we vanzelf samen zingen. Het volk Israël heeft ons een heleboel liederen geschonken die juist hier over gaan. En daarna is er in de kerken een schat aan liederen te vinden uit de loop der eeuwen, tot op vandaag toe, die je warmte geven en die je graag meezingt. Elke dag opnieuw mogen we zo leven, ook vandaag weer.

Laat u niet veroordelen

Kolossenzen 2:16-3:4

16 Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat. 17 Dit alles is slechts een schaduw van wat komt-de werkelijkheid is Christus. 18 Laat u niet veroordelen door mensen die opgaan in zelfvernedering en engelenverering, zich verdiepen in visioenen of zich laten voorstaan op eigen bedenksels. 19 Zulke mensen richten zich niet naar het hoofd, van waaruit God het hele lichaam, door gewrichtsbanden en pezen ondersteund en bijeengehouden, doet groeien. 20 Als u met Christus dood bent voor de machten van de wereld, waarom laat u zich dan geboden opleggen alsof u nog in de wereld leeft? 21 ‘Raak dit niet aan, proef dat niet, blijf daarvan af’ 22 het zijn menselijke voorschriften en principes over zaken die door het gebruik vergaan. 23 Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging. 1 Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. 2 Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. 3 U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. 4 En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met hem, in luister verschijnen. (NBV)

Het woord “spiritualiteit” komt niet in de Bijbel voor. De Bijbel heeft het over de Geest en zowel in het Hebreeuws als in het Grieks is daar een helder woord voor dat levensadem betekent. De vraag is dus niet hoe jouw spiritualiteit er uit ziet, maar wat is jouw levensadem. Wat adem je in en wat brengt jouw adem jou tot spreken. Want juist door je adem spreek je, in woorden en in daden. Toch zijn er heel veel mensen die menen naast hun spreken en handelen er een aparte vorm van godsdienst, religie, op na te moeten houden. In onze dagen is er een grote verscheidenheid. De engelenverering waarover aan de gemeente in Kolosse wordt gesproken kennen we ook in onze dagen, dominees weten er aardige boeken over te schrijven om die verering gestalte te geven en in sommige kringen worden feestdagen van engelen gevierd. Ook zelfvernedering, spreken over visioenen die mensen ontvangen of eigen bedenksels zijn reden voor aparte religies. Er is zelfs een stroming ontstaan uit een science fiction boek.

Er is bij dit Bijbelgedeelte nog wel eens sterk gewezen op de tegenstelling tussen het “aardse” en het “hogere”. In Kolosse moet men zich niet bezig houden met het aardse maar met wat boven is wordt hen geschreven. Dat aardse kennen we, dat is onze concrete werkelijkheid, de wereld waarin we leven en die beheerst wordt door geweld, gelijk en hebzucht. Er wordt ons dan voorgehouden dat we dat hogere niet kennen. Dat ligt achter de wolken, dat is waar God woont en die is zelfs in de ruimte bij de sterren niet te vinden. Maar dat kan nooit aan de gemeente in Kolosse geschreven zijn. Allereerst wordt er geschreven dat de gelovigen bevrijdt zijn van de machten in de wereld. Voor de gelovigen in de dagen toen deze brief geschreven werd waren dat niet alleen de Keizer in Rome en zijn vertegenwoordigers, maar ook onzichtbare machten aan wie je moest offeren of waartegen je je moest beschermen met amuletten. De zogenaamde “geestelijke” wereld die ons nog al eens wordt voorgehouden als tegenstelling met de concrete wereld viel voor de gelovigen in Kolosse volstrekt met elkaar samen.

In Kolosse had zich een andere werkelijkheid voorgedaan. De werkelijkheid van Liefde en de vrijheid die dat met zich meebracht. Dat was de werkelijkheid van de Christus, de bevrijder, en de werkelijkheid van zijn Vader. Ze hadden een weggelopen slaaf niet ter dood gebracht zoals de wereld dat wilde maar opgenomen in hun gemeenschap zoals ze dat van Christus hadden geleerd. Dat was een breuk met het denken in wetten en regels die ongekend was. De manier van denken in wetten en regels was ook onder Farizeeën en Judeeërs gewoon geworden. Aan de gemeente in Kolosse wordt dan ook allereerst geschreven dat men in vrijheid met de richtlijnen voor de menselijke samenleving moest omgaan en zich niet moest laten oordelen zoals in het Romeinse Recht geoordeeld werd. De liefde voor mensen gaat boven de liefde voor regels. Ook in onze dagen brengt het gelovigen tot een radicaal andere houding in de wereld dan de wereld van ons verwacht. Mensen die zonder papieren in ons land aan het zwerven zijn gezet omdat ze volgens de regels moesten verdwijnen worden opgevangen en krijgen een nieuwe plaats in onze samenleving. Gelovigen die de Liefde voor de naaste voorop stellen zijn spreekbuis geworden voor de mensen die op deze manier monddood, uitgeprocedeerd, zijn gemaakt. Die Liefde is het hogere, is het hoogste, daarin te leven is pas leven, al het andere is de dood.

Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt

Kolossenzen 2:6-15

6 Volg de weg van Christus Jezus, nu u hem als uw Heer aanvaard hebt. 7 Blijf in hem geworteld en gegrondvest, houd vast aan het geloof dat u geleerd is en wees vervuld van dankbaarheid. 8 Wees op uw hoede en laat u niet meeslepen door holle en misleidende theorieën die op menselijke tradities zijn gebaseerd en zich richten op de machten van de wereld en niet op Christus. 9 Want in hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig, 10 en omdat u één bent met hem, het hoofd van alle machten en krachten, bent ook u van die volheid vervuld. 11 In hem bent u ook besneden, niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus, door het afleggen van het aardse lichaam. 12 Toen u gedoopt werd bent u immers met hem begraven, en met hem bent u ook tot leven gewekt, omdat u gelooft in de kracht van God die hem uit de dood heeft opgewekt. 13 U was dood door uw zonden en door uw onbesneden staat, maar God heeft u samen met Christus levend gemaakt toen hij ons al onze zonden kwijtschold. 14 Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen. 15 Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd. (NBV)

Er zijn van die stukken in de Bijbel die je eerst van het theologisch gebazel van eeuwen moet ontdoen voordat je hun schoonheid weer kan ontdekken. Vandaag hebben we weer zo’n stuk. Daarvan zullen zogenaamde voorgangers en predikanten zeggen dat het ze aantoont dat de brieven uit het Nieuwe Testament niet over maatschappelijke verhoudingen gaan maar om een persoonlijke verhouding tot God. Niets is minder waar en dat blijkt uit dit Bijbelgedeelte. Het begint met vast te stellen dat je de bevrijder Jezus van Nazareth als Keizer hebt aanvaard. Want het woord dat keurig met Heer wordt vertaald is hetzelfde als waarmee de Romeinse Keizer werd aangesproken en als God vereerd. En als je de gezalfde, Christos, vertaald met het Hebreeuwse Messias, gezalfde bevrijder, dan ben je helemaal thuis. Die Jezus van Nazareth heeft voor jou als gelovige dezelfde macht en positie als de Keizer in Rome.

Je mag blij zijn dat je bevrijd bent van de willekeur van aardse keizers en niet meer bang voor hun macht hoeft te zijn. Je hoeft het niet te doen met holle en misleidende theorieën over een geestenwereld of de macht van de sterren en hun invloed op jouw leven. Die theorieën komen nooit verder dan wat je toch al wist uit de wereld en houden je zeker niet een liefde voor die zelfs door de dood heen is vol te houden. Want op de manier waarop Jezus van Nazareth wist te sterven werd duidelijk waar het bij de God van Israël nu eigenlijk over gaat. En als je één bent met die Jezus van Nazareth dan kun je dat zelfde ook. Dan hoor je bij dat volk waarmee dat verbond is gesloten, want door je doop ben je ook door de dood heengegaan. Als je volwassen was toen je werd gedoopt heb jezelf voor die liefde gekozen en als je een kind was dan had je ouders die zo zeer van je hielden dat ze de verbondenheid met Jezus van Nazareth voor jou onontkoombaar vonden.

Het kruisigen van een onschuldige, maar vooral ook van de meest liefhebbende mens die ooit heeft bestaan zet alle machthebbers die lichtvaardig met het leven van anderen omgaan te schande. En de veroordeelde wordt daardoor tot meer mens gemaakt. Zijn grenzeloze liefde komt er des te meer door uit. Je weet natuurlijk best dat je geen Jezus van Nazareth bent. Zo goed doet dus niemand het. Maar aangezien je elke dag mag werken aan zijn droom van een nieuwe wereld, waarin alle tranen gedroogd zullen zijn, kan niemand jou veroordelen over wat je verkeerd doet. Wat er in de wereld verkeerd is en waaraan gewerkt moet worden ligt niet langer aan jou en hoeft ook niet langer zo te blijven. Elke dag opnieuw mogen we er aan werken dat het anders wordt, ook vandaag weer.

Hem verkondigen wij

Kolossenzen 1:24-2:5

24 Ik ben blij dat ik nu voor u lijd en dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt, ten behoeve van zijn lichaam, de kerk, 25 waarvan ik de dienaar ben. Met het oog op u heeft God mij die dienende taak toevertrouwd, opdat zijn boodschap in al haar volheid verkondigd wordt: 26 het mysterie dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen onthuld is. 27 Aan hen heeft God bekend willen maken hoe glorierijk dit mysterie is voor alle volken: Christus is in u, hij is uw hoop op goddelijke luister. 28 Hem verkondigen wij wanneer we iedereen waarschuwen en in alle wijsheid onderrichten, om iedereen tot volmaaktheid in Christus te brengen. 29 Daarvoor span ik mij in en strijd ik met zijn kracht, die volop in mij werkzaam is. 1 Ik wil dat u weet hoe zwaar de strijd is die ik voor u en de gelovigen in Laodicea voer, en voor alle anderen die mij nog nooit in levenden lijve hebben gezien. 2 Zo wil ik hen bemoedigen en hen in liefde bijeenhouden, opdat ze tot de volle rijkdom van allesomvattend inzicht komen, tot de kennis van Gods mysterie: Christus, 3 in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen. 4 Dit alles schrijf ik opdat niemand u met fraaie redeneringen op een dwaalspoor brengt. 5 Want hoewel ik lijfelijk niet aanwezig ben, ben ik in de geest wel bij u, en ik zie met vreugde hoe hecht u met elkaar verbonden bent en hoe onwrikbaar uw geloof in Christus is. (NBV)

Bespottelijk zullen vele lezers van deze brief uit de Christelijke gemeente verzucht hebben. Hebben ze het over een mysterie. Nu dat er mysteriën zijn dat wisten ze wel. Er waren zelfs mysterie godsdiensten. Er waren mysteriegenootschappen. En voor een lidmaatschap van zo’n godsdienst of zo’n genootschap moest je een lange weg van studie en inwijdingsriten afleggen voor je iets duidelijk werd van dat mysterie en je er bij mocht horen. Nu komt er zo’n Paulus, zo’n Joods mannetje en zijn navolgers, Joden meestal en ook nog wat Romeinen van dubieuze afkomst en die schrijven aan hun volgelingen dat het mysterie voor iedereen onthuld is. Dat je zonder lange studie en zonder ingewikkelde en geheimzinnige riten zo maar mee kunt doen. Dat druiste in tegen alle opvattingen over godsdienst die er in de dagen dat deze brief geschreven werd onder de mensen heerste. Nog steeds kennen we zich christelijk noemende stromingen en genootschappen waar eerst een serie riten en studies nodig zijn om er lid van te kunnen worden. Geheim blijft wie er lid zijn en waar het over gaat.

In de echte Christelijke gemeente is dat geen geheim. Daar kun je direct aan mee doen. Iedereen wordt tot volmaaktheid in Christus gebracht. Een mooie zin in oude kerkelijke taal die toch tegenwoordig wat uitleg nodig hebt. Christus waar hier over gesproken is een Grieks woord dat gezalfde betekent. Het wordt in het Nieuwe Testament van de Bijbel gebruikt als vertaling van het Hebreeuwse woord Messias, dat ook gezalfde betekent maar ook de betekenis van bevrijder had. De Messias was de bevrijder van alle onderdrukking. Die eerste Christenen betoogden dat iedereen vrij zou worden door die Christus. De Christelijke gemeenschap, de gemeente, was daarvoor voldoende. Daar kon je steun en liefde vinden om die vrijheid te beleven en anderen in die vrijheid mee te nemen. De eerste bevrijding was van de dood. Allerlei godsdienst hadden zich gericht op een vermijding van de dood, het ondergaan van de dood en het leven na de dood. De Christelijke gemeente niet. Die hadden het over het leven, het leven voor de dood. Dat leven stond in dienst van de liefde, vooral van de liefde voor mensen die dood dreigden te gaan. Slaven, zieken, slachtoffers van geweld, vreemdelingen die niet vertrouwd werden. die mensen telden in het dagelijks leven niet meer mee, behalve dan bij de Christenen, daar kwamen ze op de eerste plaats.

Die Christenen geloofden namelijk dat hun gemeenschappen zo konden uitgroeien dat iedereen aan zou meedoen. Dan krijg je toch een hele andere samenleving. Dan is de zorg voor de minsten geen last meer waarop je bezuinigen moet maar een vreugde waar je veel voor over wil hebben. Dan zijn mensen die anders praten of op een andere manier geloven geen bedreiging meer. Er is immers geen macht of kracht in deze wereld die een gelovige van de liefde van Christus kan afhouden. Binnen die Christelijke gemeenschap zijn alle verschillen tussen mensen weggevallen. De verschillen tussen man en vrouw, Jood en Heiden, arm en rijk, slaaf en vrije. De sleutel voor het leven in die Liefde ligt in Jezus van Nazareth. Hij leefde die absolute liefde aan ons voor. Die liefde hield zelfs stand door zijn dood heen. Die dood was niet het einde van zijn liefde maar een begin van het heersen op de hele aarde van die liefde. Hij bleef weigeren geweld te gebruiken, anderen te doden en zelfs aan het kruis vroeg hij zijn God vergeving voor wie hem dat hadden aangedaan. Zo mag je dus ook leven, niet in angst, niet in woede en geweld, maar in liefde. Als we dat allemaal zouden doen dan zou zelfs God op deze aarde willen wonen. Elke dag mogen we er opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.