Hebben jullie hier iets te eten

Lucas 24:36-53

36 Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ 37 Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. 38 Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? 39 Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.’ 40 Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. 41 Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg hij hun: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’42 Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. 43 Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. 44 Hij zei tegen hen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ 45 Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. 46 Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, 47-48 en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem. 49 Ik zal ervoor zorgen dat de belofte van mijn Vader aan jullie wordt ingelost. Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hemel zijn bekleed.’ 50 Hij nam hen mee de stad uit, tot bij Betanië. Daar hief hij zijn handen op en zegende hen. 51 Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel. 52 Ze brachten hem hulde en keerden in grote vreugde terug naar Jeruzalem, 53 waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden. (NBV)

Het is duidelijk dat Jezus van Nazareth een andere weg kiest dan de twee die van Jeruzalem naar Emmaüs zijn gegaan. In elk geval niet de weg van de militaire opstand. Wie immers het zwaard opnemen zullen door het zwaard vergaan. Maar als de twee er blijk van geven hun bezit en voedsel te willen delen met de vreemdeling dan neemt Jezus van Nazareth de uitnodiging aan. En bij het breken van het brood en het uitspreken van de zegening herkennen de twee de opgestane Heer. Het lege graf was niet genoeg om tot geloof in de opgestane bevrijder te komen, daarvoor is zelfs een ontmoeting rond het Oude Testament niet genoeg, pas in de gebaren van breken en delen, gezegend zodat er goeds van uit gaat, wordt de Messias, de Christus herkent. En dan gaat de weg terug naar Jeruzalem, nu niet naar de Tempel of naar het graf maar naar de gemeenschap, want hen moet de bevrijding, de opstanding, verkondigd worden. Er is een andere weg ontdekt dan de weg van opstand en geweld.

De volgelingen van Jezus van Nazareth, de elf die het dichtst bij hem waren geweest waren er al over in gesprek. Petrus was zelf gaan kijken naar het lege graf nadat de vrouwen over het ontbreken van het lijk van Jezus van Nazareth hadden verteld. Hij had daar Jezus van Nazareth zelf ontmoet. En in dit verhaal en het verhaal van twee uit Emmaüs zullen ook de anderen Jezus van Nazareth als opgestane Messias ontmoeten. Die Messias begroet hen met het Hebreeuwse Sjaloom, vrede zij met jullie, de vrede die zo tegengesteld is aan de vrede van het Romeinse Rijk, de Pax Romana. Het lijkt een geestverschijning en iedereen is danig van slag, maar Jezus van Nazareth is tastbaar en voelbaar aanwezig. Opnieuw wordt er gegeten, nu de vis, voor de vissers uit Galilea het dagelijks voedsel, het dagelijks brood. Die werkelijke opstanding van Jezus van Nazareth blijft door de eeuwen heen een moeilijk te begrijpen verhaal. Maar het is geen spook dat aanbeden en beleden wordt. Het is de concrete mens die door de liefde van God ook na de kruisiging doorleeft en daardoor juist door ieder van ons kan worden nagevolgd zonder angst voor het lijden. De wonden aan handen en voeten hoeven ons niet af te schrikken, ze hebben ook geen magische betekenis, de kruisiging is geen inwijdingsrite van een geheim genootschap geweest.

Het lijden van Jezus van Nazareth is even reëel als het lijden van Joden in de concentratiekampen van de Nazi’s en zijn opstanding is even werkelijk als de opstand van al die mensen die in de geschiedenis in opstand zijn gekomen tegen het lijden en het onrecht dat de zwaksten werd aangedaan. De ontmoeting met Jezus van Nazareth is het concreet de hand leggen op de tastbare bewijzen van onderdrukking, honger, marteling en geweld en dan het voedsel te delen dat we hebben met de lijdenden. Dat is de navolging van de opgestane Heer. Daarom noemen we Jezus van Nazareth de Heer van de wereld aan wie alle macht gegeven is. Geen andere Heer kan ons tegenhouden de verdrukten te bevrijden. Ook vandaag niet, daarom ook vandaag de roep om eerlijke handelsverhoudingen, om steun voor vluchtelingen, om vrede in al de landen met oorlog en geweld, om een vreedzame oplossing voor Syrië en om een samenleving in ons eigen land waar iedereen ongeacht sekse, geloof of afkomst aan mee mag doen als gelijkwaardige en volwaardige mensen. Daar mogen we ook deze week weer aan werken.

Waar loopt u toch over te praten?

Lucas 24:13-35

13 Diezelfde dag gingen twee van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. 14 Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen. 15 Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, 16 maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze hem niet herkenden. 17 Hij vroeg hun: ‘Waar loopt u toch over te praten?’ Daarop bleven ze somber gestemd staan. 18 Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent u dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’ 19 Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’ Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. 20 Onze hogepriesters en leiders hebben hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. 21 Wij leefden in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. 22 Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, 23 vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er engelen aan hen waren verschenen. De engelen zeiden dat hij leeft. 24 Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’ 25 Toen zei hij tegen hen: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? 26 Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ 27 Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten. 28 Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof hij verder wilde reizen. 29 Maar ze drongen er sterk bij hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen. 30 Toen hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. 31 Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze hem. Maar hij werd onttrokken aan hun blik. 32 Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’ 33 Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, 34 die tegen hen zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!’ 35 De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood. (NBV)

Je moet wel een vreemdeling zijn om niet te weten waar mannen uit Jeruzalem het over zouden kunnen hebben. En aangezien rond het Pesachfeest veel van de Joden van buiten Israël de gelegenheid te baat namen om naar de Tempel in Jeruzalem te reizen, daar te offeren en in Jeruzalem het voorgeschreven Pesachmaal te houden zou die vreemdeling wel eens de enige vreemdeling kunnen zijn die van niets weet en die alles ontgaan is. Ook vandaag de dag gaan pelgrims naar Jeruzalem zonder iets te merken van de spanningen tussen Israël en Palestina, zonder zelfs de bezetting van Oost-Jeruzalem op te merken als een echte bezetting door een vreemde mogendheid. De twee mannen zijn op weg naar Emmaüs. Dat is geen onschuldige plaatsnaam in het verhaal. Als Emmaüsgangers zijn Kleopas en zijn vriend bekend geworden maar de betekenis van Emmaüs is uit onze manier van vertellen verdwenen. En dat is jammer want het suggereert voor lezers uit de tijd dat Lucas dit heeft opgeschreven, zo vlak na de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem, een keuze voor geweld.

In het jaar 68 sloeg Vespasianus, Romeins veldheer en later keizer, in Emmaüs een groot legerkamp op van waaruit hij de aanval op Jeruzalem zou organiseren, de aanval waarbij uiteindelijk de Tempel verwoest zou worden. Emmaüs was een strategisch belangrijke plek. In het eerste boek van de Makkabeeën vervult Emmaüs een vooraanstaande rol in de strijd van Israël tegen de Hellenistische overheersing. Dit boek is wel niet opgenomen in de boeken van de Bijbel maar als zogenaamd apocrief boek is het goed om gelezen te worden. De keus om naar Emmaüs te gaan lijkt daarom een keus voor de militaire strijd tegen het Romeinse Rijk. Na de dood van Jezus van Nazareth zouden er vele opstanden uitbreken. Uiteindelijk zouden ze uitlopen op de verwoesting van de Tempel en de verspreiding van de bevolking van Judea en Galilea over heel het Romeinse Rijk. Tegen die achtergrond moeten we het gesprek lezen dat op de weg naar Emaüs gevoerd wordt. Lucas gebruikt hier in het Grieks een woord dat wij later zouden vertalen met preken maar dat hier vertaald is met vertellen.

Ze vertellen aan Jezus van Nazareth, de vreemdeling die met hen is op komen lopen, dan wat er gebeurd is. Hoe heel het volk hem beschouwde als een machtig en groot profeet. En de uitdrukking “heel het volk” staat hier in het verhaal van Lucas voor de twaalfde en laatste maal. Het verhaal is nu rond, van heel het volk dat beschreven moest worden is het nu heel het volk geworden dat Jezus van Nazareth als profeet erkend heeft. Maar het einde is eigenlijk alleen verwarring. Engelen die zeggen dat hij leeft, een leeg graf, vrouwen die zich daarover opwinden, wat moeten ze er mee. En dan begint de vreemdeling te spreken, of preken misschien. Wat hij precies gezegd heeft staat er niet. Het gaat over Mozes en de Profeten, de Hebreeuwse Bijbel, wat wij het Oude Testament noemen. Daar gaat het niet meer om een lokale bevrijder zoals in het boek van de Rechters staan, maar daar gaat het over alle volken die zich naar Jeruzalem keren, daar gaat het over de hele bewoonde wereld. Zo zullen volgens Paulus de eerste gemeenten naar Jezus van Nazareth kijken, voor hen is hij de Christus, de Messias geworden die de hele wereld bevrijden zal. Zo leeft hij en zo leeft hij voort. Zo mogen wij hem navolgen, ook vandaag weer.

Die vonden het maar kletspraat

Lucas 24:1-12

1 Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. 2 Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, 3 en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. 4 Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. 5 Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? 6 Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: 7 de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ 8 Toen herinnerden ze zich zijn woorden. 9 Ze keerden terug van het graf en gingen aan de elf en aan alle anderen vertellen wat er was gebeurd. 10 De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, 11 maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. 12 Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was. (NBV)

Na de dood van Jezus van Nazareth zijn zijn volgelingen nergens meer. Een lid van het Sanhedrin, de religieuze raad die hem had veroordeeld, had zijn begrafenis verzorgd en alleen de vrouwen die met hem meegereisd waren vanuit Galilea waren voor hem blijven zorgen. Nog voor de Sabbath, de voorgeschreven rustdag, hadden ze gezorgd voor geurige olie en balsem om het lichaam te verzorgen voor de grafrust. Zij waren het dan ook die op de eerste dag van de week, bij het ochtendgloren, naar het graf toegingen. De steen die de rotsspelonk, waarin het graf was uitgehouwen, had afgesloten was echter al weggerold en het lichaam van Jezus van Nazareth was daar niet te vinden. Dat was even schrikken. Er waren echter mensen die het door hadden, de levende is niet bij de doden, als je zelfs na de dood nog voor iemand blijft zorgen dan is die iemand niet dood maar die leeft.Zo had Jezus van Nazareth er zelf ook over gesproken. Hij zou gekruisigd moeten worden maar op de derde dag weer opstaan. De dood door de doden, de mensen die kiezen voor de dood om hun macht uit te oefenen of te behouden, is voor de mensen die kiezen voor het leven niet het einde.

Na die ontdekking komen de volgelingen van Jezus van Nazareth pas weer in beeld. Al die tijd waren ze afwezig maar nu krijgen ze de boodschap te horen, de herhaling van wat Jezus van Nazareth had gezegd en dat het was gebeurt, het graf was leeg. Nu krijgen de vrouwen ook een naam, Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus die als eersten vertelden, maar er waren nog meer vrouwen bij geweest. Die vertelden aan de door Jezus van Nazareth zelf aangestelde zendelingen, in het Grieks Apostelen, wat ze hadden meegemaakt. Die Apostelen vonden het maar kletspraat. De opstanding uit de doden is ongelofelijk, ook vandaag de dag nog. We kunnen er ons geen voorstelling van maken. Geen andere ook dan een leeg graf met de windsels opgevouwen op de bank waarop de lijken werden neergelegd. Lucas vertelt dan ook niet over de opstanding zelf maar wat mensen hebben meegemaakt op die eerste dag van de week. Alleen Petrus ging zelf kijken wat er gebeurd was en ook hij zag niet anders dan een leeg graf met de linnen doeken en hij was vol verwondering.

Het heeft ook voor ons dan ook niet veel zin verder te speculeren over wat er allemaal wel niet gebeurd zou kunnen zijn. De levende is niet onder de doden en het heeft niet zoveel zin om je met de doden bezig te houden. Kennelijk is de Liefde van God zo sterk dat die het zelfs door de dood heen uit kan houden. Dat is natuurlijk een geweldige ontdekking. In onze wereld wordt de Liefde als een van de zachte krachten beschouwd. De Liefde zou uitlopen op de dood als je geen geweld gebruikt. In het verhaal van de Bijbel, en het wordt ons vier maal verteld, loopt geweld uit op de dood en loopt de Liefde uit op het leven. Dat was de betekenis van het Pesach verhaal toen het volk Israël uit trok het land van de dood, het is de betekenis van Pasen toen de dood van Jezus van Nazareth niet het einde van het verhaal bleek te zijn maar het begin van nieuw leven. Pasen is een lentefeest en het nieuwe leven dat zonder geweld begint na de doodse winter helpt ons begrijpen wat het is de Liefde vol te houden ook al moet dat door de dood heen. We mogen dat vandaag vieren en er de rest van het jaar van leven.

In zijn nabijheid zullen wij leven

Hosea 6:1-3

1 ‘Kom, laten wij teruggaan naar de HEER ! Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen; de hand die sloeg, zal ons verbinden. 2 Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven. 3 Dan zullen wij hem kennen, ernaar jagen om de HEER te kennen. Even zeker als de dageraad zal hij komen, hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.’ (NBV)

We lezen vandaag een boetelied. Niet zo vreemd op stille zaterdag. De dag dat de volgelingen van Jezus van Nazareth zich stil hielden, zij hielden de Sabath en zullen naar de Tempel gegaan zijn voor de gebeden. De vrouwen die het lichaam van Jezus wilden verzorgen wachtten daarmee tot na de Sabath, je mag immers op die laatste dag van de week niet werken. We zijn geen slaaf van productie en consumptie is de verkondiging van deze dagen. Ongezuurd brood en geroosterd lam zijn ons voldoende. Een slok wijn bekroont deze maaltijd.

Maar dan dat boeten. Dat horen we in de kerken vaker. Je hebt iets verkeerd gedaan en daarvoor moet je boeten. In de burgermaatschappij is er dan een onafhankelijke rechter die dat vaststelt en je een straf op legt. Het probleem met dat systeem is dat je na het uitzitten van de straf in de samenleving terug komt en niet zo verandert bent dat iedereen je als een risico blijft zien. Je krijgt geen baan, geen huis, geen vrienden, geen relatie. Vanuit de Kerken is een organisatie ontstaan die daar wat aan wil doen, dat is Exodus. Zij bieden ex-gedetineerden onderdak en samen met de reclassering ook begeleiding.

De ex-gedetineerden krijgen daardoor de kans op een andere manier met de samenleving leren om te gaan. En dat is boeten. Boeten is niet een opgelegde straf ondergaan maar op een nieuwe manier gaan leven. Hosea roept daartoe ook op. En denk nu niet dat het allemaal vanzelf gaat. Daar gaan een paar dagen overheen. Die drie dagen van Hosea hebben dus niets te maken met Pasen maar alles met ons. Als wij opnieuw de weg van God willen gaan dan duurt het even voordat het effect heeft, maar hoe verder je op die weg komt hoe meer vreugde je er in krijgt. Begin dus gerust vandaag al met het liefhebben van je naaste als van jezelf.

Deze mens was een rechtvaardige!

Lucas 22:66-23:56

66 Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters zowel als schriftgeleerden, en ze leidden hem voor in hun raadszitting. 67 Ze zeiden: ‘Als u de messias bent, zeg het ons dan.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Als ik het u zeg, gelooft u mij toch niet. 68 En als ik een vraag stel, antwoordt u toch niet. 69 Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige.’ 70 Toen zeiden allen: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Hij antwoordde: ‘U zegt dat ik het ben.’
71 Ze zeiden: ‘Waarvoor hebben we nog getuigenverklaringen nodig? We hebben het immers zelf uit zijn eigen mond gehoord!’
1 ¶ Ze stonden allen op en leidden hem voor aan Pilatus. 2 Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’ 3 Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het.’ 4 Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’ 5 Maar ze bleven hardnekkig beweren: ‘In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!’ 6 Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam, 7 en toen hij besefte dat hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef. 8 Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen. 9 Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer. 10 De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in. 11 Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus. 12 Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest. 13Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich 14 en zei tegen hen: ‘U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden. 15 En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. 16 Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ 17 18 Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: ‘Weg met hem! Laat Barabbas vrij!’ 19 Deze laatste was gevangengezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord. 20 Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten. 21 Maar ze schreeuwden het uit: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ 22 Voor de derde maal zei hij tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ 23 Maar ze bleven luidkeels eisen dat hij gekruisigd zou worden, en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit: 24 Pilatus besloot hun eis in te willigen. 25 Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur. 26 Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen. 27 Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. 28 Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, 29 want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd.” 30 Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: “Val op ons neer!” en tegen de heuvels: “Bedek ons!” 31 Want als dit gebeurt met het jonge hout, wat zal het verdorde hout dan niet te wachten staan?’ 32 Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden. 33 Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. 34 Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. 35 Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’
36 Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, 37 terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ 38 Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. 39 Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ 40 Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? 41 Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ 42 En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ 43 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’ 44-45 Rond het middaguur werd het donker in het hele land omdat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden. 46 En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit. 47 De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ 48 De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. 49 Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren. 50-51 Er was ook een man die Josef heette en afkomstig was uit de Joodse stad Arimatea. Hij was een raadsheer, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad. 52 Hij ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. 53 Nadat hij het lichaam van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in linnen doeken en legde het in een rotsgraf dat nog nooit was gebruikt.
54 Het was de voorbereidingsdag, de sabbat was bijna aangebroken. 55 De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd. 56 Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. (NBV)

Wat is er goed aan Goede Vrijdag? Toch niet dat we jaar in jaar uit stil staan bij een afschuwelijke marteling waarbij een door en door goed mens onder helse pijnen aan zijn einde komt? Volgens zijn leer behoren we ons aan zijn kant op te stellen. En eeuwenlang zijn er mensen geweest die geprobeerd hebben het lijden van Jezus van Nazareth aan hun eigen lijf te ervaren. Tot in onze dagen zijn er mensen in de wereld die zich laten kruisigen, om er overigens af te komen voordat ze dood gaan. Het is en blijft een gruwelijk gebeuren. Maar draait het om dat gebeuren op Goede Vrijdag? Of vertelt ons het verhaal van Goede Vrijdag hoe het in de wereld zal aflopen met mensen die het goede doen en daarbij de geldende machten ter discussie stellen? Want het gaat in het Bijbelgedeelte van vandaag wel veel over verschillende machten. De Joodse religieuze macht, de Joodse Koning, de Romeinse bezetter. Lucas vertelt ons om te beginnen over het Sanhedrin, de raad van Hogepriesters en oudsten van het volk die Jezus brengen naar de plaats van hun rechtspraak. Let wel er is geen rechtzaak, want op de eerste dag van de zeven dagen waarop de ongezuurde broden worden gegeten vinden er geen rechtszaken plaats.

Men besluit dan ook de rechtspraak aan de burgerlijke autoriteiten over te laten. Discussiëren met die Jezus van Nazareth is ook onder deze omstandigheden veel te moeilijk. Vraag je hem of hij de zoon van God is, dan zegt hij dat je dat dus zelf zegt. Van enig respect voor de autoriteiten is geen sprake, zelfs als gevangene beschouwt hij zich als gelijke. De beschuldiging voor de burgerlijke autoriteiten is dat hij opstandeling is. Hij heeft zich uitgeroepen tot koning over Israël. En daar wordt het vreemde van het burgerlijk bestuur blootgelegd. Daar gaat het niet om mensen maar om machthebbers. Is Jezus van Nazareth koning van Juda? Daar gaat Pilatus over. Of is hij koning van Galilea? Daar gaat Herodes over. Beide vormen samen Israël, het land van koning David. Zo wordt Jezus van Nazareth van de ene naar de andere machthebber doorgeschoven en het enige gevolg is dat de concurrenten tot vrienden worden en dat het eigenmachtig optreden van Pilatus tegen Galileërs hem vergeven wordt door hun Koning Herodes. Maar uiteindelijk beslist het volk. Via verkiezingen, via demonstraties en akties en via onverschilligheid. Populisme en onverschilligheid gaan hier hand in hand als Bar Abbas wordt vrijgelaten en Pilatus Jezus van Nazareth tot de kruisdood veroordeelt ondanks dat hij die Jezus van Nazareth voor onschuldig houdt.

De dood van Jezus van Nazareth maakt duidelijk hoe wij met elkaar omgaan. Uiteindelijk loopt het uit op oorlog en geweld, zeker als we ons richten op machthebbers en op de vraag wie de sterkste is, wie ons als volk of groep te na denkt te kunnen komen. Als wij er niet op gericht zijn de ander tot zijn recht te laten komen dan is de dood, van ons of van die ander, ons lot. Jezus van Nazareth laat Herodes, het Sanhedrin, het volk, Pilatus en Romeinen tot hun recht komen. Zelfs de mensen die met hem werden gekruisigd, zelfs de toeschouwers laat hij tot hun recht komen. Dat is een prestatie die ons te boven gaat, dat is het tot de dood door dragen van de Liefde van God. Als wij dat willen volgen zullen we alle mensen tot hun recht moeten laten komen, om te beginnen de zwaksten. Vanaf de eerste eeuwen van het Christendom zijn de Joden vaak neergezet als de moordenaars van Jezus van Nazareth. Alle Joden. En dat is merkwaardig, de volgelingen van Jezus van Nazareth waren Joden, de vrouwen waarover in dit gedeelte van het verhaal wordt verteld waren Jodinnen, Jezus van Nazareth zelf was een Jood. En het graf waarin hij na de kruisiging werd neergelegd was notabene van een lid van het Sanhedrin, de hoogste Raad van Israël. De leden van die Raad waren bij elkaar getrommeld nadat Jezus van Nazareth op de Olijfberg gevangen was genomen en die hadden hem ondervraagd en vervolgens uitgeleverd aan Pilatus, echt een Romein. Ook Herodes was niet echt een Jood. In het verhaal van de kruisiging kun je lezen dat de hele wereld te hoop loopt tegen Jezus van Nazareth. Om heel verschillende redenen maar ook die worden in het verhaal duidelijk door de houding van Jezus van Nazareth. In een paar woorden schetst Lucas ons overigens dat zij die zich ontfermden over het stoffelijk overschot van Jezus van Nazareth vrome Joden waren. In de vertaling staat overigens terecht lichaam, in het verhaal gaat het niet alleen over het stoffelijk overschot. Al eerder gebruikt Lucas deze term als hij vertelt hoe Jezus van Nazareth sprak over het laatste der dagen, als er één wordt opgenomen en een ander niet. “Waar het lichaam is verzamelen zich de adelaars” heet het dan. En op adelaarsvleugels worden de gelovigen gedragen. Ook in het verhaal over de instelling van het avondmaal wordt gesproken over lichaam als Jezus van Nazareth het brood breekt en uitdeelt met de woorden “Dit is mijn lichaam”. En zo wordt een opening gevormd naar het spreken over de gemeente van de Weg als het lichaam van Christus. Paulus zal daar herhaaldelijk later over schrijven. Nu nog wordt het lichaam van Jezus van Nazareth in een Joods graf gelegd, Arimatea was een stad in Judea en wie daar vandaan kwam en lid was van het Sanhedrin was volop Jood en nauw bij de Tempel betrokken.

De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea hielden zich ook aan de Joodse wetten en zorgden dat ze op de voorbereidingsdag voor de Sabbat ook al de geurige olie en de balsem klaar hadden die ze nodig zouden hebben voor het verzorgen van het stoffelijk overschot. Maar op de Sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. En waar waren de volgelingen van Jezus van Nazareth? Zij komen in dit gedeelte van het verhaal niet voor. Lucas neemt niet de moeite om ons er over te vertellen. Een lid van het Sanhedrin en de vrouwen spelen de hoofdrol. Geen onbelangrijke vrouwen ook, want zij behoorden kennelijk tot de vaste volgelingen van Jezus van Nazareth. Tot in onze dagen doen kerken en Christenen nog wel eens of vrouwen op een tweede plaats horen maar dat is dus in strijd met de manier waarop de Bijbel ons verteld hoe God met mensen omgaat. De vrouwen beantwoorden de Liefde van Jezus van Nazareth voor de mensen tot in zijn graf toe. En dat mag dus ook, handen uit de mouwen en zorgen voor hen die zorg nodig hebben, tot in het graf desnoods. Als we dat van dit verhaal leren wordt het pas echt een Goede Vrijdag.

Toen ontstond er onder hen onenigheid

Lucas 22:14-65

14 Toen het zover was, ging hij samen met de apostelen aanliggen voor de maaltijd. 15 Hij zei tegen hen: ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt. 16 Want ik zeg jullie: ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.’ 17 Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door. 18 Want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van God gekomen is.’ 19 En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ 20 Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. 21 Maar weet wel dat degene die mij zal uitleveren samen met mij aan deze tafel aanligt. 22 Want de Mensenzoon moet heengaan zoals het voor hem bepaald is, maar wee de mens die hem zal uitleveren.’ 23 Ze vroegen zich onder elkaar af wie van hen zoiets zou kunnen doen. 24 Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 25 Jezus zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. 26 Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. 27 Want wie is belangrijker, degene die aanligt om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient. 28 Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij mij gebleven. 29 Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader mij voor het koningschap bestemd heeft: 30 jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël. 31 Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. 32 Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.’ 33 Simon antwoordde: ‘Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.’ 34 Maar Jezus zei: ‘Ik zeg je, Petrus, deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent.’ 35 Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze. 36 Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. 37 Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ 38 Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Maar hij zei tegen hen: ‘Genoeg hierover!’ 39 Hij vertrok en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. De leerlingen volgden hem. 40 Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen hen: ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’ 41 En hij liep bij hen weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna neer om te bidden. Hij bad: 42 ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’ 43 Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven. 44 Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond. 45 Toen hij na zijn gebed opstond en terugliep naar de leerlingen, zag hij dat ze van verdriet in slaap waren gevallen, 46 en hij zei tegen hen: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en bid dat jullie niet in beproeving komen.’ 47 Terwijl hij nog sprak, kwam er opeens een horde mensen aan. Voorop liep de man die Judas heette, een van de twaalf; hij ging naar Jezus toe om hem te kussen. 48 Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?’ 49 Toen degenen die bij hem stonden zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op los slaan?’ 50 En een van hen sloeg in op de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. 51 Maar Jezus zei: ‘Houd daarmee op. Zo is het genoeg!’ Hij raakte het oor aan en genas de man. 52 Tegen de hogepriesters en tempelwachters en de oudsten van het volk die op hem afgekomen waren, zei hij: ‘Als tegen een misdadiger bent u uitgetrokken met zwaarden en knuppels? 53 Dagelijks was ik bij u in de tempel, en toen hebt u geen vinger naar me uitgestoken, maar dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.’ 54 Ze grepen hem vast en voerden hem weg, en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde hen op een afstand. 55 Ze staken een vuur aan midden op de binnenplaats en gingen eromheen zitten; Petrus voegde zich bij hen. 56 Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: ‘Die man hoorde er ook bij!’57 Maar hij ontkende het: ‘Ik ken hem niet eens!’58 Even later merkte een ander hem op en zei: ‘Jij bent ook een van hen!’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man, helemaal niet.’ 59 En ongeveer een uur later zei nog iemand met grote stelligheid: ‘Ja zeker, die man was ook in zijn gezelschap, hij komt immers ook uit Galilea.’ 60 Maar Petrus zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ En op datzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan. 61 De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan heeft gekraaid zul je mij driemaal verloochenen.’62 Hij ging naar buiten en huilde bitter 63 De mannen die Jezus gevangenhielden, dreven de spot met hem en geselden hem. 64 Ze blinddoekten hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar, wie is het die je geslagen heeft?’ 65 En ze zeiden nog tal van andere lasterlijke dingen tegen hem. (NBV)

Dat doorgeven van de beker en dat breken van het brood heet een godsdienstoefening. Dat breken en delen is het hart van de christelijke godsdienst geworden en iedere keer als er Avondmaal gevierd wordt dan oefenen Christenen zich in die godsdienst. De leerlingen hadden ongetwijfeld het gevoel gekregen een nieuw volk te vormen dat onder leiding van Jezus van Nazareth uit de wereld van de onderdrukking door de Romeinen zou trekken. Ze kregen dus ruzie wie in dat nieuwe Koninkrijk de belangrijkste zou zijn. Daar waren immers posten te verdelen, ministers, priesters, oversten, zo gaat dat toch in een land. Er moeten nu eenmaal autoriteiten en wetgevers zijn. Belangrijke mensen die uitmaken wat we met elkaar moeten vinden en aan welke wetten we ons moeten houden. Jezus van Nazareth zet er een andere manier van regeren tegenover. Niet de bovenbazen zijn de belangrijkste maar de dienaren, de minsten. Wat er in het volk gebeurt, wat de prioriteit heeft, wordt bepaald door de mensen aan de kant van de weg, de zwervers, de zwakkelingen, de hongerigen, de armen. Zelfs de opperste bovenbaas van dat nieuwe volk van Jezus van Nazareth en zijn volgelingen is in de eerste plaats een dienaar, iemand die alles heeft opgegeven om er te zijn voor de minsten in zijn samenleving.

De eerste die zich steeds had aangediend als woordvoerder van de volgelingen van Jezus van Nazareth was Simon, de visser uit Kafernaüm. Nog steeds moet Simon leren wat het is te heersen als een dienaar. Natuurlijk, hij wil best net zo belangrijk zijn als Jezus van Nazareth, zeker als zijn vrienden er bij zijn. Maar Jezus van Nazareth waarschuwt, flink doen is niet dapper en werkelijk volhouden betekent dat je je leven moet durven verliezen, daar is die Petrus nog niet aan toe, hij zal Jezus van Nazareth nog voor de morgen aanbreekt en de haan kraait wel drie maal verloochend hebben. En dan komt Jezus van Nazareth tot de kern van zijn verhaal. De schriftgeleerden en de hogepriesters waren al een tijdje op zijn leven uit. De profeet Jesaja had daar al over geschreven. Zulke mensen, schreef hij, worden gerekend tot loochenaars van de Thora, tot wettelozen wordt hier vertaald. Maar of het gebruik van zwaarden genoeg zal zijn valt nog te betwijfelen. Kennelijk was het de gewoonte van Jezus van Nazareth om
s’avonds na de maaltijd de Olijfberg op te gaan. In de koelte van de avond is het heerlijk om in zo’n boomgaard tot rust te komen. Bovendien had deze berg al een lange religieuze traditie. In het tweede boek van de profeet Samuel werd de berg al genoemd als de top waar men zich voor God pleegt neer te buigen.

Maar de weg van Jezus van Nazareth is niet licht. Zal hij de macht gebruiken die hij verworven heeft? De massa’s mobiliseren om in opstand te komen? Dat was nu net niet de weg die hij gepreekt had. Daarom roept hij zijn volgelingen op om niet toe te geven aan die beproeving. Maar alleen gekomen realiseert hij zich dat het ook zijn einde zal betekenen. Zoals de profeet Elia ooit werd geholpen door een engel die hem te eten en te drinken geeft vertelt Lucas ons dat ook Jezus van Nazareth geholpen werd door een engel. De angst werd er niet minder om maar hij kon het vol houden. Allereerst tegen Judas die met een horde mensen op hem afkwam en hem een broederkus wilde geven. Dat gaat dus zo niet. Maar ook niet de manier waarop de volgelingen reageren, het zwaard moet niet en het afgehouwen oor wordt genezen. Nee, het kwaad van Judas, het zwaard en de Hogepriesters werd benoemd, maar geweld wordt afgewezen. De laffe manier van de Hogepriesters om hem op een afgelegen plaats in het schemerduister gevangen te nemen wordt ook aan de kaak gesteld. Petrus verloochent hem dan ook als hij hem volgt om te weten wat er gaat gebeuren. En hij weent bitter als hij zich realiseert dat Jezus van Nazareth dat had zien aankomen. De weg die Jezus van Nazareth ons wijst is niet ook het geweld gebruiken maar het geweld benoemen en door het te ondergaan aan de kaak stellen. Dat is de aller moeilijkste weg om te gaan en we mogen allemaal hopen die Weg nooit zo concreet te hoeven gaan. Maar in deze dagen is het goed ons die weg in te prenten en in te oefenen.

Ga voor ons het pesachmaal bereiden

Lucas 22:1-13

1 Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken. 2 De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen, maar dan heimelijk, bang als ze waren voor de reactie van het volk. 3 Toen nam Satan bezit van Judas, bijgenaamd Iskariot, een van de twaalf. 4 Hij ging naar de hogepriesters en tempelwachters en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou kunnen uitleveren. 5 Ze waren opgetogen en spraken af dat ze hem voor zijn diensten zouden betalen. 6 Judas nam hun aanbod aan en zocht een gunstige gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren, zonder dat het volk het zou merken. 7 De dag van het Ongedesemde brood waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan. 8 Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’ 9 Ze vroegen hem: ‘Waar wilt u dat we het bereiden?’ 10 Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat, 11 en zeg tegen de heer van dat huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’ ” 12 Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’13 Ze gingen op weg, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. (NBV)

Lucas verbindt de instelling van het Christelijke Avondmaal heel uitdrukkelijk met de Pesachmaaltijd zoals die in het boek Exodus wordt beschreven. De maaltijd met ongezuurd brood en een geroosterd lam moet elk jaar gehouden worden als herinnering aan de uittocht uit Egypte. Op die avond gingen alle eerstgeborenen dood behalve de eerstgeborenen in de huizen waar het bloed van het lam aan de deurposten en de dorpels was gesmeerd. De Egyptenaren joegen toen de Israëlieten het land uit. En elk jaar klinkt opnieuw de vraag van de jongste aan tafel waarom die avond zo anders is dan alle andere en dan wordt het verhaal van de Uittocht vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof alle aanwezigen het zelf meemaken. In de manier waarop in de kerken het Avondmaal wordt gevierd ontbreekt dat verhaal. Dan gaat het alleen nog over Jezus van Nazareth en de woorden die hij volgens het verhaal van Lucas bij dat Pesachmaal uitsprak op de avond voor hij door Judas zou worden overgeleverd.

Dat Pesach is overigens hetzelfde als het Pascha dat vroeger in de vertalingen stond. Pesach komt uit het Hebreeuws, maar dat werd in de dagen van Jezus van Nazareth nauwelijks meer gesproken, toen sprak men Aramees en in het Aramees heet Pesach Pascha. Toen Lucas veel later zijn verhaal in het Grieks opschreef was die naam veel bekender dan de Hebreeuwse naam. Nu wij de Bijbel weer uit het Hebreeuws laten vertalen kennen we ineens beide namen, hetgeen soms voor verwarring zorgt, maar die verwarring kan ons behoeden de Bijbelvertalingen al te letterlijk te nemen. Die Satan die bezit neemt van Judas wordt in gewone mensentaal ook wel aangeduid als splijtzwam of tweedrachtzaaier. Lucas spreekt over Judas als overleveraar, nergens als verrader. Het zijn de Hogepriesters en schriftgeleerden, de autoriteiten van zijn dagen, die hun geloofsgenoot Jezus van Nazareth verraden en aan de bezetters overleveren.

Eerst komt dus dat Pesachmaal. Dat Lam dat zijn bloed geeft om de slaven te redden en te helpen bij de bevrijding uit de slavernij is vanwege de loop van dit verhaal door Christenen als snel vereenzelvigd met Jezus van Nazareth. Dat gastenvertrek moet een veilige plaats geweest zijn. Kennelijk waren er mensen die ongezien gezelschappen pelgrims een plek boden om dat Pesachmaal te vieren. Als je het Pesachmaal wilde vieren dan hoorde je immers bij het volk? Buiten het volk mocht niemand meedoen aan dat Pesachmaal. Die maaltijd onderscheidde het volk van Israël van alle andere volken. Al die volken die zo bezig waren met de dood, met geld verdienen, met land veroveren, met machtiger worden en nog machtiger, met oorlog voeren en onderdrukken. Israël was uit die wereld getrokken op weg naar een land waar gedeeld werd, waar je de beker doorgeeft aan elkaar, waar je het brood breekt en met elkaar deelt, waar je er dus voor zorgt dat er altijd genoeg is voor iedereen.

Te wapen, Benjamin!’

Hosea 5:8-15

8 Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Betel: ‘Te wapen, Benjamin!’ 9 Efraïm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10 Nu al stillen de Judese bevelhebbers hun landhonger. Maar ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11 Efraïm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter machten van niets aan liep. 12 Als een etterwond ben ik voor Efraïm, voor het volk van Juda als beenrot. 13 Toen Efraïm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraïm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen. 14 Want ik ben het die Efraïm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer ik mij tegen het volk van Juda: ikzelf zal hen verscheuren, ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15 Ik ga terug naar de plaats waar ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar mij vragen. (NBV)

Er komt oorlog. De troepen langs de grens met Israël worden opgroepen zich klaar te maken voor de strijd. De Ramshoorn wordt geblazen om de strijders van Juda op te roepen. Zij moeten hun werk en hun gezin in de steek laten om zich in te zetten voor de bescherming van Juda. Bij de offerplaats in Rama wordt op de bazuin geblazen. Ook God wordt opgeroepen zich in de strijd te mengen. En in Betel klinkt het alarm. De stam Benjamin die het dichtst bij Israël ligt moet de wapens ter hand nemen, want de oorlog is onvermijdelijk. Israël zal ten onder gaan.

Maar de bevelhebbers van Juda zijn geen haar beter dan die van Israël. Omdat Israël zich moet verdedigen tegen de grootmachten die haar bedreigen is er ruimte om langs de grens tussen Juda en Israël alvast ook een kleine oorlog te beginnen en land van Israël te veroveren en in te lijven bij Juda. Beide volken zijn even ziek. Ze hebben zich op dezelfde manier van de God van Israël afgekeerd. Ze denken zelf de oorlogen te kunnen winnen. Recht en gerechtigheid, broederliefde, saamhorigheid spelen geen enkele rol meer. Efraïm dacht nog bescherming te kunnen krijgen van een wereldmacht, maar dat helpt niet.

Als je bij sterke wereldmachten je steun denkt te vinden dan ga je zelf ten onder. Wie handelsoorlogen voert zal verliezen. Wie een gemeenschappelijke markt verlaat moet daarvoor een hoge prijs betalen. Denken dat je het in deze dagen alleen wel af kan wordt bestraft met economische en politieke neergang. De armen worden daarvan het eerst de slachtoffers. De rijken kunnen altijd nog vluchten naar veilige oorden waar gastvrijheid, samenwerking en zorg nog de boventoon voeren. De armen zullen door de binnensteden zwerven niet meer in staat werk te vinden en een inkomen te verwerven. Ook voor ons geld dat niet de beste willen zijn maar je naaste liefhebben als jezelf de grondregels van een samenleving behoren te zijn, ook vandaag weer.

Leden van het hof, luister aandachtig!

Hosea 5:1-7

1 Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2 een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven. Maar ik zal jullie leren, allemaal! 3 Ik kende Efraïm, Israël lag mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 4 Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor de HEER een vreemde voor hen geworden is. 5 Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm komt door zijn wandaden ten val; zelfs Juda wordt in zijn val meegesleept. 6 Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden. 7 Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun akkers verslonden. (NBV)

Een ordelijke vreedzame samenleving heeft een eerlijke onafhankelijk rechtspraak waar iedereen toegang toe heeft. Dat is vandaag niet anders als in de tijd van Hosea. Die rechtspraak was toebedeeld aan de Priesters en de oudsten van het volk. Het hof moest er op toezien dat gerechtigheid gewaarborgd werd. De grondrechten van het volk waren vastgelegd in de Mispa. Daar mee is het misgegaan. Elk van de verantwoordelijken wordt door Hosea opgeroepen, Luister, hoor toe, luister aandachtig. In onze dagen zou een profeet de Raad voor de Rechtspraak, de regering en het parlement ter verantwoording roepen omdat voor mensen zonder of met heel weinig geld de rechtspraak ontoegankelijk is geworden. Advocaten krijgen niet meer betaald en voor je een proces kunt beginnen moeten er griffierechten betaald worden die zo hoog zijn dat die voor eenvoudige lieden niet op te brengen zijn.

In de dagen van Hosea was het rijk van David in twee kleine rijken uiteengevallen, Israël en Judea. Israël werd gedomineerd door de stam van Efraïm. En de namen Efraïm en Israël worden in de Bijbel vaak door elkaar gebruikt. Voor God had dat uiteenvallen in twee rijken kennelijk aanvankelijk niet veel uitgemaakt. God had beide rijken lief, ook Israël lag na aan zijn hart. Maar Efraïm was overspelig geworden, ze had andere goden achterna gelopen, dat is ontrouw en overspel. Het verbond tussen God en zijn volk wordt door de profeten gepresenteerd als het verbond tussen twee mensen dat wij een huwelijk noemen. Het zijn de goden van vruchtbaarheid, in onze dagen de goden van winst en profijt die worden aanbeden. Als wij in onze dagen ook de armen met hun armzalige problemen onbeperkt toegang tot de rechtspraak geven dan blijft er veel te weinig tijd over voor deurwaarders en bedrijven om schulden aan te wijzen en onderlinge geschillen uit te vechten.

De aanbidding van winst en profijt is altijd verleidelijk. Efraïm wordt er door beheerst maar ook Juda ontkomt niet aan de verleiding, ze wordt door Israël meegesleept. God trekt zich terug en een volk waarin men niet voor elkaar zorgt, waar geen plaats meer is voor zieken, gehandicapten, armen wordt gemakkelijk een prooi voor vreemde machten. En de geschiedenis tekent zich al af in de manier waarop volken met elkaar om gaan. Eerst zal Efraïm ten onder gaan en daarna Juda. En natuurlijk zijn er dan mensen die weer offers willen brengen aan de God van Israël. De God die hen uit de slavernij heeft bevrijd. Maar die God is niet om te kopen. Offers zijn het teken dat men wil delen en zonder dat ga je vergeefs op pad met je offers. Dat is vandaag de dag niet anders.

De Heer heeft het nodig

Lucas 19:29-48

29 Toen hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde hij twee van de leerlingen vooruit 30 en zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp daarginds. Daar zullen jullie een vastgebonden veulen vinden, dat nog nooit door iemand bereden is. Maak het los en breng het hier. 31 Als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?” moeten jullie antwoorden: “De Heer heeft het nodig.”’ 32 De beide leerlingen gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals Jezus had gezegd. 33 Toen ze het dier losmaakten, vroegen de eigenaars hun: ‘Waarom maken jullie het los?’ 34 Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’ 35 Daarna brachten ze het veulen naar Jezus. Ze wierpen hun mantels over het dier en lieten Jezus erop zitten. 36 Onderweg spreidden de leerlingen hun mantels voor hem op de grond uit. 37 Toen hij op het punt stond de Olijfberg af te dalen, begon de hele groep leerlingen vol vreugde en met luide stem God te prijzen om alle wonderdaden die ze hadden gezien. 38 Ze riepen: ‘Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’ 39 Enkele Farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’ 40 Maar hij antwoordde: ‘Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.’ 41 Toen hij Jeruzalem voor zich zag liggen, begon hij te huilen over het lot van de stad. 42 Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu. 43 Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. 44 Ze zullen je met de grond gelijk maken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’ 45 Hij ging naar de tempel, waar hij de handelaars begon weg te jagen, 46 terwijl hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, ”maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ 47 Dagelijks gaf hij onderricht in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen, 48 maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want het hele volk hing aan zijn lippen. (NBV)

De ene eigenaar helpt de andere. Voor “Heer” en “eigenaar” wordt in het Grieks hier hetzelfde woord “Kurios” gebruikt. In het Latijn staat dan “Ceasar”, bij ons komt het woord “Keizer” hiervandaan. Het is een Keizerlijke intocht die Jezus van Nazareth in Jeruzalem te wachten staat. Eindelijk is het zover. Vanaf het verhaal van Zacharias, de profeet die z’n mond moest houden, tot aan deze intocht draait het hele verhaal van het Evangelie van Lucas om de reis naar Jeruzalem. Op twee momenten in het jaar is de Kerk dit verhaal gaan lezen. Op de zogenaamde “Palmzondag”, de zondag voor Pasen en op de laatste zondag voor de Advent, de zondag waarop het Koningschap van Jezus van Nazareth wordt gevierd. De eerste zondag van de Advent wordt dat het verhaal van Zacharias en Elisabeth gelezen zodat de kring weer rond is.

Maar dat Koningsverhaal van Jezus van Nazareth wordt meestal verteld als contrast, als tegenstelling. Zo hoog Jezus hier verheven lijkt zo pijnlijk zal zijn verblijf in Jeruzalem zijn waar hij wordt gekruisigd, of zo armoedig zal zijn geboorte in de stal van Bethlehem zijn. Jezus van Nazareth zelf ziet het anders. Als de mensen niet zouden juichen dan zouden de stenen in de straat het wel uitschreeuwen. Het Koningschap van Jezus van Nazareth was toen een politieke demonstratie en dat hoort het nu eigenlijk nog steeds te zijn. Daar zal die intocht ook op uitlopen. Jeruzalem was niet een stad van vrede geworden, een stad van delen met de armsten, maar een stad van onderdrukking, van handel en het aanbidden van winst en profijt. Op het hoogtepunt van de intocht huilt Jezus over deze verwording en als hij de stad is binnengereden begint hij de Tempel te bevrijden van alle aanbidding van winst en profijt, hij ramt de handelaars de voorhof uit.

Niet oorlog en geweld zijn de wapens van de leerlingen van Jezus van Nazareth, niet de aanbidding van winst en profijt, maar de Vrede en mantels op de grond en takken van de bomen. De Koning der Koningen, de eigenaar van Hemel en Aarde, de Kurios, onze Keizer van de wereld rijdt niet op schitterend getuigde paarden of in draagkoetsen, laat staan in gepantserde limousines, omringt door beveiligers, maar is op een ezel bereikbaar voor iedereen die hem wil toejuichen. Zo volstrekt anders is deze Heer van de Wereld dat de volgelingen een groot politiek gevaar opleveren. Als iedereen werkelijk zou delen met de armen, als werknemers niet meer in bedrijven zouden willen werken als ieders inbreng daar niet gelijkelijk wordt gewaardeerd, als we alleen nog maar Fair Trade producten zouden kopen, als niemand meer naar de oorlog zou willen gaan maar alle jongeren na hun studie hun kennis gingen overdragen aan jongeren die geen school in de buurt hebben dan zou de wereld er heel anders uitzien. Wij kunnen dus vandaag de wereld veranderen.