Wie kan het tegen hem opnemen?

Openbaring 13:1-10

1 Toen zag ik uit de zee een beest opkomen. Het had tien horens en zeven koppen; het had een kroon op elke horen, en er stonden godslasterlijke namen op zijn koppen. 2 Het beest dat ik zag leek op een panter, met poten als van een beer en een bek als de muil van een leeuw. De draak droeg zijn kracht en heerschappij en gezag aan het beest over. 3 Een van de koppen van het beest zag eruit alsof hij geslacht was; het was een dodelijke verwonding, maar de wond genas. Vol bewondering ging de hele wereld achter het beest aan. 4 Iedereen aanbad de draak, omdat hij het beest gezag had gegeven. Ook het beest zelf aanbaden ze, met de woorden: ‘Wie is gelijk aan het beest? Wie kan het tegen hem opnemen?’ 5 Het beest kon zijn bek gebruiken voor grootspraak en godslasteringen, en dat tweeënveertig maanden lang.6 Het opende zijn bek en lasterde God, zijn naam en zijn woning en hen die in de hemel wonen. 7 Het mocht de strijd met de heiligen aanbinden en hen overwinnen. Ook kreeg het macht over alle landen en volken, over mensen van elke stam en taal. 8 Alle mensen die op aarde leven zullen het beest aanbidden, iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het lam dat geslacht is. 9 Wie oren heeft, moet horen. 10 Wie gevangenschap moet verduren, zal in gevangenschap gaan. En wie door het zwaard moet sterven, zal sterven door het zwaard. Hier komt het aan op de standvastigheid en trouw van de heiligen. (NBV)

Het kwaad doet zich voor in allerlei gedaanten. Ook in onze dagen kennen we dat. De herinnering aan het Nazirijk met haar gaskamers en haat tegen alles wat Joods was leeft nog voort. Maar in dezelfde tijd leefde ook de dictatuur van de zich communist noemende Stalin met zijn werkkampen waar de dood heerste. En in onze dagen was de dictator van Libië nog nauwelijks verdreven of ons werden de misdaden van de dictator van Syrië onthuld. Dat terwijl het proces over de onderdrukkers van Cambodja, met de beruchte killing fields, nog nauwelijks achter de rug is. Daniël beschreef de onderdrukkers van zijn tijd als vier dieren die uit de zee opkwamen. De leeuw, de beer, de panter en het dier met de tien horens. Johannes voegt de dieren samen tot één dier, het Romeinse Rijk, dat de ene zogenaamd goddelijke keizer laat opvolgen door de andere.

Na de zelfmoord van Keizer Nero verkeerde het Romeinse Rijk een korte tijd in verwarring. Er kwamen een aantal keizers die als tussenkeizer regeerden tot Keizer Vespasianus aantrad die het Keizerrijk een dynastie bezorgde en het keizerschap weer een goddelijk aanzien gaf. De kop met de dodelijke verwonding had zich hersteld schrijft Johannes dan. De zee waaruit het beest of de beesten waren voortgekomen was het dodenrijk, de zee was in de Joodse beleving altijd al het symbool van de dood, in heel de Hebreeuwse Bijbel kun je daar de voorbeelden van terugvinden. Met Keizer Vespasianus breekt er ook een tijdperk van vrede aan in het Romeinse Rijk en de mensen aanbaden met graagte deze Keizer en zijn opvolgers om maar rust te blijven houden. Alleen die halsstarrige Christenen deden er niet aan mee.

Johannes spreekt die halsstarrige Christenen moed in. Het maakt niet uit wat je overkomt, je hoeft het niet te zoeken wat sommigen doen, als je wat overkomt dan was dat al voor je weggelegd. Waar het op aan komt is niet dat je martelaar wordt voor het geloof in die nieuwe wereld van Jezus van Nazareth maar dat je standvastig blijft en trouw aan de idealen die dat nieuwe rijk met zich mee heeft gebracht. En aangezien alle gelovigen heiligen zijn hoeft er niemand meer heilig verklaard te worden laat staan dat iemand een ander mens zou moeten aanbidden. Het blijft duidelijk dat de richtingwijzers van de God van Israël gevolgd moeten worden, heb je naaste lief als jezelf, niemand is beter of belangrijker dan een ander, aan de samenleving moet iedereen kunnen meedoen en het verschil tussen Jood en Heiden, arme en rijke, man en vrouw, homo en hetero, allochtoon en autochtoon is weggevallen. Dat gelovigen in die samenleving bespot en vernederd worden neemt niet weg dat we er elke dag opnieuw voor mogen kiezen, ook vandaag weer.

De aarde schoot haar te hulp

Openbaring 12:13-18

13 Toen de draak zag dat hij op de aarde gegooid was, achtervolgde hij de vrouw die een zoon gebaard had. 14 Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote adelaar om naar haar plaats in de woestijn te vliegen, waar gedurende een tijd en twee tijden en een halve tijd voor haar gezorgd zou worden, buiten het bereik van de slang. 15 Toen spuwde de slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren. 16 Maar de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de draak had uitgespuwd. 17 De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met de rest van haar nageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven. 18 Hij ging op het strand bij de zee staan. (NBV)

Wij willen zo graag in de hemel komen. In de dagen dat Johannes zijn dromen opschreef, tijdens zijn gevangenschap op Patmos, was het graag in de hemel willen komen voor Christelijke gemeenten zelfs af en toe een probleem. De enorme maatschappelijke druk waartegen men zich te weer moest stellen maakte dat men ging geloven dat alleen marteling en dood bewezen dat je werkelijk Christen was, je moest dus een weg zoeken waarbij je zo snel en zo pijnlijk mogelijk in de hemel zou komen. Dat was dus niet de bedoeling schrijft Johannes. Het zal hier op aarde moeten gebeuren dat het kwaad wordt overwonnen en het kan dus ook op aarde gebeuren dat het kwaad, die geweldige draak die ons belaagd, zal worden overwonnen. Op het eind van zijn boek schrijft Johannes dan ook dat de hemel op aarde neerdaalt en God zijn tenten hier op aarde spant.

Dat de vrouw, hier het symbool van de verwachting, de hoop die mensen nodig hebben om te kunnen overleven, kan ontsnappen komt door de enorme adelaarsvleugels die ze krijgt. Adelaarsvleugels? Jazeker, de Hebreeuwse Bijbel zegt dat de God van Israël zijn kinderen draagt als een adelaar op haar vleugels. Biologisch klopt dat beeld niet maar de grote vleugels waarmee een adelaar zich bewegingsloos door het gebergte beweegt hebben altijd veel indruk gemaakt. Daar kunnen jongen onbevreesd op leren te vliegen, ze worden altijd beschermd was de gedachte. Die gedachte vinden we hier weer terug. De beelden uit het gedeelte van vandaag zijn ook niet nieuw. De tijd die ze mag wonen in de woestijn wordt ook al in het boek Daniël vermeld. Daarmee wordt de vrouw overigens ook een symbool voor het volk dat in de woestijn de richtlijnen voor het leven, de richtlijnen voor een rechtvaardige samenleving ontving. Zo zou het leven er uit moeten zien: niet doden, niet liegen in een rechtzaak, niet stelen en zo.

En in de woestijn was het kwaad al eens eerder opgeslokt. In het boek Numeri staat daar een mooi verhaal over als in het volk Israël bij sommigen het verlangen naar de doodscultuur van Egypte groter wordt dan de ontdekkingsreis door de woestijn waar je voortdurend op elkaar moest kunnen vertrouwen om te kunnen overleven. Ook toen werd de splijtzwam die het volk dreigde mee te sleuren opgeslokt door de aarde. De hulp en de kracht die we nodig hebben om het kwaad te overwinnen komt dus niet in de eerste plaats van de hemel. De God van Israël, de God die met je meetrekt is hier op aarde. In Christelijke zin heeft hij onder ons gewoond en is het Zijn Geest die in ons wil wonen. In die Geest van liefde kunnen we het kwaad bestrijden door het goede te doen en niet dan het goede. Johannes laat zien dat het niet gemakkelijk is, geen liefelijke oase wordt geschilderd, maar een harde strijd. Maar elke dag weer mogen we de keuze maken om onze naaste lief te hebben als onszelf en daarmee het kwaad te bestrijden door het goede te doen, ook vandaag weer.

Wee de aarde en de zee

Openbaring 12:1-12

1 Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. 2 Ze was zwanger en schreeuwde het uit in haar weeën en haar barensnood. 3 Er verscheen een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon. 4 Met zijn staart sleepte hij een derde van de sterren aan de hemel mee en smeet ze op de aarde. De draak ging voor de vrouw staan die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was. 5 Maar toen ze het kind gebaard had-een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden-, werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon. 6 De vrouw zelf vluchtte naar de woestijn. God had daar een plaats voor haar gereedgemaakt, waar twaalfhonderdzestig dagen lang voor haar gezorgd zou worden. 7 Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand 8 maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. 9 De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid. 10 Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen: ‘Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn messias. Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht. 11 Zij hebben hem dankzij het bloed van het lam en dankzij hun getuigenis overwonnen. Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard. 12 Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen! Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald! Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft.’ (NBV)

Hebben wij nog de fantasie om met het boek Openbaring weg te dromen over hoe de wereld ook in elkaar zit? De schrijver van dit boek zat gevangen op een bijna onbewoonbaar eiland, Patmos. Hier werd gewerkt in de mijnen. Hier telde een mensenleven niet. Waar was nu de God van Israël? Waar waren de grazige weiden waar Psalm 23 zo mooi over kon zingen? Hier was meer het kruis waar Jezus van Nazareth over had gesproken. Maar over de vreselijke martelingen was ook al in de Hebreeuwse Bijbel gesproken. Daniël had het al gehad over draken en monsters die het volk van de God van Israël zouden bedreigen en misschien zelfs zouden verslinden. En was aan Eva niet al vanaf het begin beloofd daar haar nageslacht de kop van de duivelse slang zou vernietigen? En deze beelden gebruikte Johannes om ook zijn verhaal te vertellen. Niet een verhaal over een verre onbekende toekomst, dat willen sommigen er tegenwoordig graag in lezen, maar een verhaal over de situatie van hem en zijn medegelovigen. Mensen die door hun omgeving als ongelovigen werden beschouwd omdat ze weigerden de machthebbers en de zelfgemaakte godenbeelden te aanbidden.

Johannes laat het verhaal door de sterren vertellen. Johannes ziet het sterrenbeeld Maagd oplichten alsof ze de zon als haar mantel had aangetrokken, zoals God volgens Psalm 104 het licht als mantel had aangetrokken. Een krans van twaalf sterren geeft de Maagd iets vorstelijks. Ze verwacht een baby. Dan verschijnt het sterrenbeeld Draak dat zich uitstrekt over de sterrenbeelden Weegschaal, Maagd, Leeuw en Kreeft. We moeten om te beginnen dus steeds voorzichtig zijn met de taal van het boek Openbaring. Het is droomtaal, beeldtaal, de woorden wijzen naar dromen en proberen die dromen onder woorden te brengen. Op geen enkele manier zijn die beelden terug te vinden in de werkelijkheid. Hooguit zou je er een film over kunnen maken, een fantasiefilm en in onze fantasie kunnen we dan het verhaal van Openbaring meebeleven. Het beeld van de draak als verleider, als opposant van de God van Israël kennen we uit het boek Job. Job deed wat goed was, maar dat kon dus niet volgens de opposant. Het kwaad is dus geconcentreerd op aarde. In de dagen van Johannes was dat ook zo.

Christenen die weigerden te offeren aan de goddelijk verklaarde keizers werden gevangen genomen, gemarteld en gedood. Juist zij die de dood aanvaarden maar het goede bleven doen, bleven zorgen voor slaven, voor armen ondanks de verdenkingen die dat opriep bestreden het kwaad. Ze zouden alle Christenen moeten uitroeien om nog enige zeggenschap te hebben. Maar door gewonde soldaten te verzorgen, ook al waren het hun vervolgers, door vreemdelingen in hun midden op te nemen waardoor spanningen in de samenleving verminderden, door het onderscheid tussen vrouwen en mannen te laten verdwijnen waardoor er veel meer denkkracht en creativiteit vrij kwam, door niet langer bang te zijn voor het vreemde, het andere maar alleen te leven volgens de liefde groeide de beweging van de Weg dwars tegen de verdrukking in. Daar mogen wij in onze dagen ook moed uit putten, door het goede te doen en het kwade te bestrijden door het goede, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

De meest gezegende ben je van alle vrouwen

Lucas 1:39-56

39 Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, 40 waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. 41 Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld met de heilige Geest 42 en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! 43 Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? 44 Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. 45 Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’ 46 Maria zei: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, 47 mijn hart juicht om God, mijn redder: 48 hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen, 49 ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam. 50 Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert. 51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, 52 heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. 53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.54-55 Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’ 56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis. (NBV)

We hebben geleerd om de begroeting van Maria door Elisabet als een vrome tekst te lezen. De Rooms Katholieke kerk heeft er zelfs een gebed van gemaakt. Maar de schrijver van het Lucas evangelie vertelt eigenlijk voortdurend het Oude Testament na. Kijk eens hoe dat wat God met het volk Israël en de wereld heeft gedaan ook nu gebeurt. Vrouwen die tegen alle verwachting in zwanger worden komen op vele plaatsen in het Oude Testament voor. Maar deze groet is een bijzonder citaat. Je kunt het vinden in het vijfde hoofdstuk van het boek Rechters, vers 24 om precies te zijn. Daar wordt Jael op deze manier aangesproken. Jael had generaal Sisera met een tentpin door zijn hoofd geslagen en zo het volk bevrijdt van een sterke vijand. De zwangere en nog steeds ongehuwde Maria wordt hier dus niet als een zacht en dienstbaar meisje aangesproken maar als een sterke strijdster die in opstand is gekomen tegen de heersende machten.

Dat maakt ook het lied duidelijk dat Maria als antwoord Elisabeth toezingt. Daar gaat het immers om de grote dingen die de machtige aan zijn dienstmeisje in lage staat heeft gedaan. Niemand zal ooit meer dit meisje vergeten dat besloot ondanks de zwartste bezetting van haar land toch haar zwangerschap te dragen in de verwachting dat elk kind opnieuw de kans zou bieden dat het de bevrijder van haar volk zou zijn. Haar kind zou immers wel eens de pin van Jael kunnen worden waarmee de slaap van de bezetters doorboord zou kunnen worden. Dit meisje jubelt het uit dat heersers van de troon worden gestoten en dat hongerigen overladen worden met gaven en rijken heengezonden worden met lege handen. Het is een overwinningslied zoals dat werd aangeheven door zangeressen als Debora, Mirjam de zuster van Mozes en Hanna de moeder van Samuël. En geen wonder dat het lied eindigt bij Abraham want net als Sara op hoge leeftijd is ook Elisabeth zwanger geworden.

Ook Elisabeth heeft besloten haar zwangerschap te dragen, ook al moet je daar in kringen waar mannen het voor het zeggen hebben over zwijgen. Dat zwijgen laten de beide vrouwen maar over aan Zacharias. Het zal duidelijk zijn dat de pogingen om Maria en Elisabeth als vrome, gedienstige en gehoorzame vrouwen af te schilderen falen als je het verhaal van Lucas leest als vervolg op en hervertelling van het Oude Testament. Het verzet van Debora, de vreugde na de doortocht door de Rode Zee van Mirjam en de toewijding aan de dienst van de Heer van Hanna klinken hier door. Een vast vertrouwen op een nieuwe aarde waarin elk mens tot haar recht komt, waar hongerigen zijn gevoed en bedroefden getroost, waar vrouwen zich niet meer hoeven schamen als ze een kind willen krijgen en waar niet de willekeur van mannen maar de eigen keus van vrouwen bepaalt of er wel of geen kinderen worden geboren. Daarom is dit verhaal van Maria en Elisabeth ook een verhaal van vandaag. Daar waar vrouwen niet tot hun recht komen, daar waar zij afhankelijk worden gehouden van oordelen van mannen, daar zal bevrijding moeten plaatsvinden, door henzelf en door ieder die wil leven in de dienst van de God van Israël en de liefde van Jezus van Nazareth.

Hij zal heersen

Openbaring 11:15-19

15 Toen blies de zevende engel op zijn bazuin. In de hemel klonken luide stemmen, die zeiden: ‘Nu begint de heerschappij van onze Heer over de wereld, en die van zijn messias. Hij zal heersen tot in eeuwigheid.’ 16 De vierentwintig oudsten op hun tronen bij God wierpen zich neer en aanbaden God 17 met de woorden: ‘Wij danken u, Heer, onze God, Almachtige, die is en die was, want in uw grote macht neemt u nu het koningschap op u. 18 De volken raasden in woede, maar nu laat u uw woede razen. De tijd is gekomen om een oordeel te vellen over de doden; en om uw dienaren, de profeten, te belonen, evenals de heiligen en degenen die, jong en oud, ontzag hebben voor uw naam; en ook om hen die de aarde vernietigen nu zelf te vernietigen.’ 19 Toen ging Gods tempel in de hemel open en verscheen daar de ark van het verbond. Er volgden bliksemschichten, groot geraas, donderslagen, een aardbeving en zware hagel. (NBV)

De beelden bij Johannes van Patmos buitelen over elkaar heen. Ze buitelen zo snel en zo intensief dat we de neiging hebben om snel te roepen dat we ze niet begrijpen. Voor een groot deel is dat niet zo vreemd. Geen van ons kent Oude en Nieuwe Testament geheel uit het hoofd. Johannes dat zien we wel haalt beelden op uit de Joodse Bijbel en past die toe op wat hij weet van zijn tijd. We hebben hiervoor gelezen van de geboorteweeën van een nieuwe tijd. De eerste en de tweede wee. Hier gaat het niet over de ellende die het volk is overkomen maar over de weg uit de ellende.

Zeven is het Godsgetal, in zes dagen schiep God de hemel en de aarde en de zevende dag rustte hij. In de loop van de geschiedenis van het volk Israël is die zevende dag steeds belangrijker geworden. Zes dagen lang moet je zwetend je werk doen, hard werk, ploegen, zaaien en maaien of goederen van de ene naar de andere plaats sjouwen zodat ze verhandeld kunnen worden. Je bent als het ware een slaaf van je werk. Maar de zevende dag is de bevrijding. Dan draait alles om een God die bevrijdt. Niks en niemand werkt dan nog en zelfs als iedereen ophoudt met werken gaat het leven gewoon door, ja dan gaat alles ineens beter.

De 24 oudsten van het volk Israël weten het. Op de zevende dag, toen de zevende boodschapper van God op de bazuin blies brak de bevrijding aan. Want de God van Israël zal heersen, zal heersen tot in eeuwigheid. Wie er bij hoort? Dat moet zorgvuldig worden vastgesteld. Daarbij speelt opnieuw de Tempel een rol, een hemelse Tempel, een volmaakte Tempel dus. En in het hart van de Tempel verschijnt de ark van het verbond, de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God ooit zelf in steen geschreven had. En net als de eerste keer op de berg Sinaï waren er donder en bliksem, beefde de aarde en viel er zware hagel. Zo belangrijk zijn die richtlijnen, zo belangrijk zelfs dat Johannes ons eigenlijk vertelt dat ook wij ons aan die hemelse richtlijnen moeten houden, elke dag opnieuw.

Kom hierboven.

Openbaring 11:1-14

1 Vervolgens kreeg ik een rietstengel als meetstok, met de opdracht: ‘Neem de maten op van Gods tempel en van het altaar, en tel degenen die God daar aanbidden. 2 De voorhof buiten de tempel moet je overslaan. Meet die niet op, want hij is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad tweeënveertig maanden lang zullen vertrappen. 3 Ik zal mijn twee getuigen opdracht geven om te profeteren. Gedurende twaalfhonderdzestig dagen zullen ze dat doen, gehuld in een boetekleed. 4 Zij zijn de twee olijfbomen en de twee lampenstandaards die voor de Heer van de wereld staan. 5 Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert; op die manier zal iedereen die hun kwaad wil doen moeten sterven. 6 Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt zolang zij profeteren. Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen. Verder kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen, zo vaak ze maar willen. 7 Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen doden. 8 Dan liggen hun lijken op het plein van de grote stad die in figuurlijke zin Sodom of Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd is. 9 Gedurende drieëneenhalve dag komen er mensen uit alle landen en volken, van elke stam en taal, om hun lijken te zien, en zij dulden niet dat ze begraven worden. 10 De mensen die op aarde leven juichen om de dood van de twee profeten, en opgetogen sturen ze elkaar geschenken, want die profeten waren een grote kwelling voor hen geweest.’ 11 Maar toen de drieëneenhalve dag voorbij waren, voer er een levensgeest uit God in hen en kwamen ze weer overeind. Iedereen die hen zag werd doodsbang. 12 Er klonk een luide stem uit de hemel, die tegen hen zei: ‘Kom hierboven.’ Toen stegen ze in de wolk op naar de hemel, voor het oog van hun vijanden. 13 Op dat moment kwam er een zware aardbeving, die een tiende deel van de stad verwoestte. Zevenduizend mensen werden door de aardbeving gedood, de rest werd door vrees bevangen en begon de God van de hemel eer te bewijzen. 14 Het tweede wee is voorbij, maar het derde volgt binnenkort! (NBV)

Profeten voorspellen niet de toekomst maar vertellen waar het op uit gaat lopen, zeker als het volk dat ze aanspreken zich niet aan de richtlijnen van de God van Israël houden maar andere goden achterna lopen. Johannes van Patmos is zo’n profeet. Wat hij gezien heeft is dat de Tempel in Jeruzalem door de Romeinen is verwoest. De grote oorlog die door Judas de Galileër, Judas uit het land van de Heidenen had niet de bevrijding van het Joodse volk tot gevolg gehad maar de verwoesting van de Tempel. Is het daarom afgelopen met de Joodse godsdienst die zich toch bij uitstek rond de Tempel had afgespeeld? Volgens Johannes is dat niet het geval. Daar waar de Tempel heeft gestaan is de omvang van de Tempel nog steeds af te meten. Er zijn ook nog steeds gelovigen die daar God aanbidden. Overigens tot de dag van vandaag als gelovigen bij de Klaagmuur, het laatste restje Tempel, God gaan aanbidden.

Rond de Tempel waren nog verschillende voorhoven. Bekend is onder meer de voorhof voor de vrouwen waar gelovigen de Tempeloffers en vrijwillige offers in geld konden brengen. Het was de voorhof waar Jezus van Nazareth zijn leerlingen had gewezen op de weduwe die weliswaar maar een enkele penning offerde maar voor wie dat haar hele bezit vertegenwoordigde. De buitenste voorhof was de voorhof van de Heidenen. Die hoeft Johannes niet op te meten want daar werden andere goden aanbeden. Wij kennen die voorhof uit het verhaal waar Jezus van Nazareth de Tempel reinigde door de handelaars en de wisselaars er letterlijk uit te slaan. Omdat het voor gelovigen verboden was om afbeeldingen te maken had de Tempel haar eigen munt. Daar stond geen keizer op. Veel gelovigen kwamen van ver, hadden hun vee verkocht en kochten van dat geld nieuw vee dat dan werd geofferd.

Rond de Tempel is zwaar gevochten tijdens de grote oorlog van Judas de Galileër. Johannes drukt de duur van de gevechten uit in dagen of maanden en ontleend de cijfers aan het boek Daniël die het had over drienenhalf jaar. Tijdens het beleg van Jeruzalem door de Romeinen waren er in de stad drie partijen die elkaar te vuur en te zwaard bestreden. Ze maakten net zoveel slachtoffers onder het volk als de Romeinen die buiten de stad het land veroverden en de bezetting in stand hielden. Er is dus eigenlijk geen reden om te geloven dat de Tempel weer terug zou keren in het hart van het volk. Zeker als er ook nog een aardbeving plaatsvond. Dat was echt het einde van de ellende. Maar het is niet het einde van het verhaal. De echte gelovigen die de dienst van God in de Temel in stand hielden, het volk probeerden uit te leggen dat geweld nu eenmaal geweld oproept, worden naar de hemel gebracht. Wie het boek Openbaring wel eens gelezen heeft weet dat daar een nieuwe Tempel wacht. Ook op ons, ook wij moeten beseffen dat geweld nu eenmaal geweld oproept.

Het is de hoogste tijd!

Openbaring 10:1-11

1 Ik zag een andere machtige engel uit de hemel neerdalen. Een wolk omhulde hem en de regenboog was om zijn hoofd. Zijn gezicht was als de zon en zijn benen waren als zuilen van vuur. 2 Hij hield een kleine boekrol geopend in zijn hand. Hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op het land. 3 Hij riep met een luide stem, zoals een leeuw brult, en daarna lieten de zeven donderslagen hun stem horen. 4 Ik wilde opschrijven wat ze gezegd hadden, maar een stem uit de hemel zei tegen mij: ‘Wat de zeven donderslagen gezegd hebben, moet je geheimhouden. Schrijf het niet op.’ 5 Toen hief de engel die ik op de zee en het land zag staan, zijn rechterhand op naar de hemel. 6 Hij zwoer: ‘Zo waar de schepper van de hemel en alles wat daarin is, en van de aarde met alles wat daarop is, en de zee met alles wat daarin is, tot in eeuwigheid leeft: het is de hoogste tijd! 7 Op het moment dat de zevende engel zijn bazuin zal laten klinken, zal Gods geheim werkelijkheid worden, zoals hij zijn dienaren, de profeten, heeft beloofd.’ 8 Toen hoorde ik opnieuw die stem uit de hemel. Hij zei tegen me: ‘Haal de geopende boekrol die de engel die op de zee en het land staat in zijn hand heeft.’ 9 Ik ging naar de engel toe en vroeg om het boekje. Hij reikte het mij aan en zei: ‘Eet het op. Het zal branden in je maag, maar in je mond zo zoet zijn als honing.’ 10 Ik pakte het boekje aan en at het op. Het smaakte zoet als honing, maar nadat ik het opgegeten had, brandde het in mijn maag. 11 Toen kreeg ik te horen: ‘Je moet opnieuw over talrijke landen en volken en koningen profeteren.’ (NBV)

Een nieuw visioen zo lijkt het. Maar een dergelijk visioen staat ook al in het boek Ezechiël. Dat is als Ezechiël wordt geroepen en ook in het begin van Openbaring als Johannes van Patmos wordt geroepen staat een dergelijk visioen. Ezechiël zag een donderwolk die uitgroeide tot een wagen die werd gedragen door de goden van Babel maar die bestuurd werd door de God van Israël. Die donderwolk was overigens ook Mardoek de oppergod van Babel. In het hoofdstuk hiervoor wordt gesproken over mensen die hun zelf gemaakte goden van goud, zilver en brons bleven aanbidden ondanks alle rampspoed. Hier vertelt Johannes dat wat je ook van die goden verwacht of zelfs aan die goden toeschrijft ze zijn onderworpen aan de God van Israël die de enige ware God is, een God waar je iets goddelijks van mag verwachten.

Dan klinkt weer de sjofar, de bazuin of de rampshoorn. Die klonk ook als Israël de strijd moest aangaan, als alle strijders van het volk zich moesten verzamelen. In de Tempel werd de herinnering daaraan levend gehouden. Er was zelfs een feestdag gewijd aan de bazuinen, ze klonken op de Grote Verzoendag als oproep om je bewust te maken van het kwaad waar je deel van uitmaakt en als oproep om het kwaad te bestrijden want dat is de enige manier om je te verzoenen met God. Het is een prachtig verhaal, God zorgt dat het kwaad verdwijnt en dat het leven goed zal worden. Je hoort dat nog wel eens prediken, laat Jezus toe in je hart, ga een persoonlijke relatie aan met God en al je ellende zal verdwijnen. Als je genoeg geloofd zul je zelfs genezen van de meest kwaadaardige ziekten.

De Bijbel spreekt dit geluksgeloof tegen. Het wordt er in het leven niet gemakkelijker op als je gaat geloven maar het wordt er eerder moeilijker door. Het is als dat kleine boekje, mooi verhaal, komt van de boodschapper van God, van God zelfs dus. Je vertelt het met plezier verder, het is het zoetste dat je met woorden kan schenken. Maar het is bitter van binnen. Hoe meer je geloofd dat er geen mensen hoeven verdrinken in de Middellandse zee, hoe meer je geloofd dat kinderen die hier geworteld zijn ook moeten kunnen blijven, hoe meer je de gevangen ziet die om hun overtuiging gevangen zitten, hoe meer je de vrouwen zijn die slachtoffer zijn van mensenhandel, uitbuiting en verkrachting, hoe meer je dus de ellende ziet die overal in de wereld door mensen wordt veroorzaakt hoe bitterder, hoe kwader je wordt. Al je vezels gaan zich inspannen om dat kwade te bestrijden en als je geloofd dat God je kan verlossen van het kwade dan houdt niets je meer tegen. Dan wordt je een gelovige, en dat kan elke dag opnieuw.

Hun leven van moord en toverij, van ontucht en diefstal.

Openbaring 9:13-21

13 Toen blies de zesde engel op zijn bazuin. Uit de vier horens van het gouden altaar dat voor God staat, hoorde ik een stem 14 die tegen de zesde engel met de bazuin zei: ‘Maak de vier engelen los die bij de grote rivier de Eufraat gevangen zitten.’ 15 De vier engelen werden losgemaakt; ze waren gereedgehouden om juist op dit uur van deze dag, in deze maand van dit jaar, een derde deel van de mensen te doden. 16 Het aantal ruiters van de bereden troepen-ik hoorde hoeveel het er waren-bedroeg tienduizend maal tienduizenden. 17 Zo zagen de paarden en de ruiters in het visioen eruit: hun borstpantsers waren vuurrood, violet en zwavelgeel; de hoofden van de paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun mond kwamen vuur, rook en zwavel. 18 Een derde deel van de mensen werd gedood door deze drie plagen, het vuur, de rook en de zwavel die uit hun mond kwamen. 19 Want de kracht van de paarden zat in hun mond en in hun staart. Die staarten hadden koppen en leken net slangen; daarmee richtten ze onheil aan. 20 Maar de andere mensen, die deze plagen overleefden, keerden zich niet af van hun zelfgemaakte goden. Ze bleven die goden aanbidden en de beelden van goud, zilver, brons, steen en hout, die niet kunnen horen of zien en zich niet kunnen verroeren. 21 Evenmin braken ze met hun leven van moord en toverij, van ontucht en diefstal. (NBV)

In deze dagen voor Kerstfeest staat op het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap het boek Openbaring. In het gedeelte dat we de afgelopen dagen lazen en dat we vandaag vervolgen gaat het over weeën. Dat meervoud wordt door geleerden vaak niet gebruikt. Ze hebben het dan over de eerste wee die over het lijden ging en vandaag over de tweede wee die over de dood gaat. Maar dat meervoud zet ons op het spoor van het antwoord op de vraag waar dit eigenlijk over gaat. Het gaat over de geboorte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. En dat geboorte weeën gepaard gaan met lijden en het gevoel dat je dood gaat kan elke vrouw bevestigen. Je zou bijna zeggen dat al die mannen die dit gedeelte moeten uitleggen er goed aan doen eens een geboorte van een kind bij te wonen.
,
De legers die een derde van de mensen moesten doden werden daartoe pas in de gelegenheid gesteld toen God daarvoor de opdracht gaf. Vier engelen voerden ze aan en in de Bijbel God lezen. De legers die zij aanvoeren zijn overigens zo groot dat ze niet te tellen zijn. Het is meer dan veel zegt Johannes hier eigenlijk. Nu even niet denken dat God in de hemel zo maar even besluit om een derde van de mensen uit te roeien. Die twee derde zijn in dit verhaal net zo belangrijk. Zij zijn getekend met het zegel van de God van Israël, zij mogen blijven leven. In de Hebreeuwse Bijbel schrijven profeten nog wel eens dat de ballingschap het volk had gezuiverd van alle ongerechtigheden. Hier worden alle mensen op aarde gezuiverd. Het is dus zaak alle mensen tot volgeling van Jezus te maken, tot aan de einden der aarde dus.

Over wat voor mensen gaat het dan als er zo veel moeten worden gedood? Ook dat staat er in dit gedeelte gewoon bij, het zijn de mensen die ondanks alle plagen, ondanks de ellende die over de aarde trok hun eigen afgoden bleven aanbidden. De goden van goud, zilver, brons, steen en hout. Tegenwoordig vatten we al die zelfgemaakte goden samen in de goten van winst en profijt. Niet meer de mensen staan centraal bij de rijken en de machthebbers maar de hoogte van winst en profijt, daar moet alles aan opgeofferd worden. Bij dat aanbidden van zelfgemaakte goden horen ook zaken als moord en toverij, van ontucht en diefstal. Let dus op mensen die voor het behoud van hun rijkdom gaan moorden, die je wijs maken dat hun denkkracht mensen kan genezen, dat je een ander mens gerust als voorwerp kan gebruiken voor bevrediging van je eigen lusten en dat je van de arme ook het weinige dat die heeft mag wegnemen.
Als je ondanks alle ellende in de wereld je onverschillig afwend en voor je eigen plezier blijft leven dan hoor je dus ook bij dit deel van de mensheid, ook vandaag nog.

Ze leken op paarden

Openbaring 9:1-12

1 Toen blies de vijfde engel op zijn bazuin. Ik zag een ster die uit de hemel op de aarde was gevallen. Hij kreeg de sleutel van de put naar de onderaardse diepte. 2 Hij opende die put, waaruit rook opsteeg als uit een grote oven. De zon en de hemel werden verduisterd door de rook uit de put. 3 Uit de rook kwamen sprinkhanen neer op de aarde. Ze kregen de beschikking over dezelfde vermogens als schorpioenen op aarde. 4 Maar, werd erbij gezegd, ze moesten de planten, struiken en bomen ongemoeid laten. Alleen de mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hadden, mochten ze kwaad doen. 5 Doden mochten ze hen niet, alleen pijnigen, vijf maanden lang; die mensen zouden pijn moeten lijden alsof ze door een schorpioen gestoken waren. 6 Dan zullen de mensen de dood zoeken, maar hem niet vinden. Ze zullen naar de dood verlangen, maar de dood vlucht van hen weg. 7 Zo zagen die sprinkhanen eruit: ze leken op paarden die waren toegerust voor de strijd, met op hun hoofd een soort goudachtige krans en met een gezicht als dat van een mens. 8 Hun haar was lang als het haar van een vrouw, hun tanden waren als leeuwentanden. 9 Hun borst leek een pantser van ijzer. Hun vleugels maakten een geluid als het geratel van talloze wagens die ten strijde trekken. 10 Verder hadden ze een staart met een angel, net als schorpioenen. Met die staart konden ze de mensen pijnigen, vijf maanden lang. 11 Hun koning is de engel van de onderaardse diepte; zijn naam luidt Abaddon in het Hebreeuws, in het Grieks Apollyon. 12 Het eerste wee is voorbij, maar er komen er nog twee! (NBV)

De hele aarde wordt een Sodom en Gomorra, de twee steden die, vruchtbaar als ze waren, werden omgekeerd en die verzonken in de aarde. Reken maar dat daar rook heeft opgestegen, rook dat alles en iedereen verstikte, bij zo’n vulkanische uitbarsting raakt de zon verduisterd. De Grieken en de Romeinen waren altijd bang in gevecht te raken met de Centaurs, mythische wezens die half mens en half paard waren. Johannes knoopt zijn beelden aan deze angst vast. De centaurs die Israël had leren kennen waren nog heel wat meer beangstigend. Ze dwaalden rond in de mythen van Babylon die het volk tijdens de ballingschap had leren kennen. Die centaurs konden de mensen steken als schorpioenen. Kon je een gewone schorpioen nog wel doodtrappen als je geluk had dat kon je bij die beesten, mensen, zo groot als een paard niet.

De Centaurs uit Babylon hadden een eigen koning, een boodschapper van de onderwereld. Wie die koning had ontmoet wist hoe het moet zijn in de diepste onderwereld maar geen licht doordringt maar slechts geween is en geknars van tanden. Die koning heet Abadon. Wie dat is weten wij nakomelingen niet. Het Hebreeuws leent zich zeer voor geheimschrift en Johannes moest in zijn gevangenschap natuurlijk wel uitkijken wie hij zou vergelijken met een dergelijke gevaarlijke koning van de onderwereld. Toen de rust in het Romeinse Rijk was teruggekeerd, zo nemen geleerden aan, heeft een overschrijver van het boek Openbaring er de naam Apollyon aan toegevoegd. Dat is niet direct weer doorgestreept want ook die Apollyon had met de rook uit de onderwereld te maken. Het was een god waarvan de tempel bij een aardbreuk lag waar permanent rook uit naarboven kwam.

Het idee dat je op magische wijze te weten kan komen hoe het met de doden is vergaan en hoe je toekomst er uit zal gaan zien stuitte Joden en Christenen zeer tegen de borst. Gelovigen moeten het verleden en de toekomst aan God overlaten, ze hebben al genoeg aan het heden. Daar ligt de vraag of zij kiezen voor het leven door de richtlijnen van God te volgen of dat ze kiezen voor de goden van de dood. Die Apollyon was daar een goed voorbeeld van. Bij zijn Tempel in Delphi hadden ze een vrouw boven de rook uit de aarde gezet die je kon vertellen wat je toekomst zal zijn en welke beslissingen je zou moeten nemen om die toekomst zo gunstig mogelijk te laten zijn. Ze deed dat in voor gewone mensen onbegrijpelijke beelden, orakelspreuken noemden ze die. Voor gelovigen zoals Johannes waren het boodschappen van de God van de doden. Het is dus ook aan ons een oproep om ons bezig te houden met het leven, met de liefde, dag in dag uit.

De luide roep van een adelaar

Openbaring 8:1-13

1 Toen het lam het zevende zegel verbrak, viel er een stilte in de hemel, gedurende ongeveer een half uur. 2 Ik zag de zeven engelen die voor Gods troon staan. Ze kregen alle zeven een bazuin. 3 Toen kwam er een andere engel, die met een gouden wierookschaal bij het altaar ging staan. Hij kreeg een grote hoeveelheid wierook om die op het gouden altaar voor de troon te offeren, samen met de gebeden van alle heiligen. 4 De rook van de wierook steeg met de gebeden van de heiligen uit de hand van de engel op naar God.
5 Toen nam de engel de wierookschaal, vulde hem met vuur van het altaar en wierp dat op de aarde. Er volgden donderslagen, groot geraas, bliksemschichten en een aardbeving. 6 De zeven engelen, ieder met een bazuin, maakten aanstalten om erop te blazen. 7 Toen blies de eerste engel op zijn bazuin. Er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen. Een derde deel van de aarde brandde af, evenals een derde deel van de bomen en al het groen. 8 De tweede engel blies op zijn bazuin. Iets dat eruitzag als een grote berg, waar de vlammen uitsloegen, werd in zee gegooid. Een derde deel van het water werd bloed, 9 een derde deel van alle in zee levende wezens ging dood en een derde deel van de schepen verging. 10 De derde engel blies op zijn bazuin. Uit de hemel viel een grote ster, die zo fel brandde als een fakkel. Hij viel op een derde deel van de rivieren en op de waterbronnen. 11 De naam van de ster is Alsem. Dat derde deel van het water werd alsem. Veel mensen stierven door het water dat bitter geworden was. 12 De vierde engel blies op zijn bazuin. Een derde deel van de zon, van de maan en van de sterren werd getroffen, waardoor dat deel verduisterd werd. Een derde deel van de dag en ook van de nacht was er dus geen licht. 13 In mijn visioen hoorde ik de luide roep van een adelaar die hoog in de lucht vloog: ‘Wee! Wee! Wee de mensen die op aarde leven! Want dadelijk klinken de bazuinen van de drie engelen die nog niet geblazen hebben.’ (NBV)

Dat boek Openbaring heeft een heel andere beeldtaal dan dat wij gewend zijn. Bovendien kennen wij de herkomst van een aantal van die beelden niet. Neem nu die stilte, een half uur, dat was tijdens de offerdienst in de Tempel van Jeruzalem het hoogtepunt van het offerfeest geweest. Dan ging de Hogepriester naar de Ark en druppelde bloed tussen de vleugels van de cherubs, het volk liet daarmee zien bereid te zijn het eigen leven over te hebben voor de dienst aan God. Het volk liet zien tegen alles en iedereen in te willen vasthouden aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals die door God aan Mozes waren gegeven. Maar het volk had zich afgekeerd van de God van Israël en waren andere goden achterna gelopen. Dat had geleid tot de vernietiging van de Tempel in Jeruzalem en een toenemende onderdrukking door de Romeinen. Het werd een tijd van roepen en smeken om hulp uit de hemel.

Die hulp komt. Zeven boodschappers van de God van Israël laten zich horen en de ene ramp na de andere voltrekt zich. Die rampen zijn niet alleen voor de onrechtvaardigen. De God van Israël laat de regen, maar ook het vuur dat regent, vallen op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Donder, bliksem, meteorieten, overstromingen, het kan niet op. Er zijn mensen die vervolgens oor hun raam gaan kijken en denken dat ze al die zaken nu ook zien. Het kan wel zijn dat er ook nu aardbevingen zijn, vulkanen uitbarsten, tsunamis op de kusten aanspoelen en of te veel regen is of te veel droogte. De schrijver van Openbaring heeft het echter niet over nu, over onze tijd, maar over zijn eigen tijd. De dagen dat Pompei onder as werd bedolven, de dagen dat Nero Rome in de brand liet steken. De gevangene van Patmos die dit boek heeft geschreven maakte voor de lezers uit zijn tijd een glashelder verhaal.

Dat verhaal loopt uit op hulp uit de hemel. De adelaar vliegt op, een vogel die angst werpt. Daarom namen legers vaak de adelaar als hun logo, hun merkteken. Maar al in het boek Deuteronomium wordt gesproken over de adelaar. Mozes maakt duidelijk dat die roofvogel je geen angst moet aanjagen maar je als voorbeeld moet dienen. Van die adelaars werd geloofd dat zij zeer actief hun jongen leerden vliegen. Ze namen ze op hun vleugels mee en wierpen ze dan in de lucht, zodat ze zelf konden vliegen, maar als die jongen dan dreigden te vallen werden ze door de volwassen adelaars weer opgevangen. De biologen hebben later ontdekt dat Mozes een paar vogels door elkaar heeft gehaald maar dat doet aan de waarde van dat beeld niets af. God vangt zijn kinderen op. Als zijn kinderen tenminste voor adelaar willen spelen, als ze het leed zien dat mensen wordt aangedaan, als ze het leed zien waar mensen aan leiden. Dan zijn er elke dag heel veel zaken waarvoor je je vleugels mag uitspreiden